Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Inge van Dijk over het bericht 'Jetten verruimt de hypotheekrenteaftrek'
Vragen van het lid Inge van Dijk (CDA) aan de Staatssecretaris van Financiën over het bericht «Jetten verruimt de hypotheekrenteaftrek» (ingezonden 9 februari 2026).
Antwoord van Staatssecretaris Eerenberg (Financiën), mede namens de Minister van Volkshuisvesting
en Ruimtelijke Ordening (ontvangen 13 mei 2026). Zie ook Aanhangsel Handelingen,
vergaderjaar 2025–2026, nr. 1185.
Vraag 1
Kunt u de budgettaire gevolgen in kaart brengen van het niet kunnen handhaven van
de 30-jaarstermijn in de hypotheekrenteaftrek per 2031 en verder, als dit betekent
dat huishoudens met een oude hypotheek ook na 30 jaar nog gebruik blijven maken van
de hypotheekrenteaftrek?1
Antwoord 1
In het ambtelijk rapport2 over het aflopen van de 30-jaarstermijn wordt onder andere ingegaan op de financiële
gevolgen van de handhavingsproblematiek rondom de 30-jaarstermijn. Dit rapport is
tegelijkertijd met deze antwoorden naar de Tweede Kamer verzonden. Zoals in het rapport
staat beschreven kunnen de gemiste jaarlijkse belastingopbrengsten als geen besluitvorming
plaatsvindt – en de huidige situatie dus in stand blijft – na 2031 oplopen tot boven
de 100 miljoen euro per jaar door het (on)bewust overschrijden van de 30-jaarstermijn
door burgers. Deze inschatting is met grote onzekerheden omgeven.
Vraag 2
Kunt u uiteenzetten bij wat voor soort hypotheken hier een probleem ontstaat en wat
de omvang hiervan is?
Antwoord 2
Het probleem zal zich voordoen bij alle hypotheken waarvoor de 30-jaarstermijn geldt.
Dat zijn in eerste instantie vrijwel alle lopende hypotheken die zijn afgesloten voor
1 januari 2001 waarbij de 30-jaarstermijn op 1 januari 2001 is ingegaan en het recht
op hypotheekrenteaftrek vanaf 1 januari 2031 vervalt. In de jaren erna geldt hetzelfde
voor hypotheken die na 1 januari 2001 maar vóór 1 januari 2013 zijn afgesloten. In
het rapport is opgenomen dat er ongeveer 2,7 miljoen hypotheken zijn die vermoedelijk
een startdatum hebben van voor 2012. Daarnaast geldt voor hypotheken die voor 1 januari
2013 zijn afgesloten en na deze datum zijn overgesloten en aan de aflossingseis voldoen,
een maximale periode van renteaftrek van 30 jaar. De periode van hypotheekrenteaftrek
van vóór 1 januari 2013 vermindert dan de periode waarover de rente aftrekbaar is.
De periode waarin recht bestaat op hypotheekrenteaftrek kan daardoor korter zijn dan
de termijn van 360 maanden (30 jaar) waarin de hypotheek moet worden afgelost. In
het hiervoor genoemde ambtelijke rapport wordt nader ingegaan op de risico’s en de
mogelijke oplossingsrichtingen.
Vraag 3
Waarom is nooit een goed administratiesysteem opgezet om te kunnen voldoen aan deze
wettelijke verplichting en ter voorkoming van financiële derving?
Antwoord 3
De 30-jaarstermijn is per 1 januari 2001 ingevoerd. Het uitgangspunt van de huidige
wetgeving is dat het primair aan belastingplichtigen is om aannemelijk te maken dat
recht bestaat op een aftrek. Een vorig kabinet heeft in 2019 naar aanleiding van aanbevelingen
van Panteia over het alsnog gaan opzetten van een dergelijk administratiesysteem aangegeven
dit niet te gaan doen om de volgende redenen. Deze overwegingen zijn nog steeds relevant3:
«Het kabinet onderschrijft binnen de huidige eigenwoningregeling het belang van het
door betrokken partijen op de juiste momenten beschikken over de relevante historische
gegevens. Zoals hiervoor echter al is aangegeven verhoudt het uitgangspunt dat de
Belastingdienst verantwoordelijk zou moeten zijn voor het registreren en valideren
van deze gegevens zich niet goed met het belang dat de belastingplichtige – gezien
de bewijslast, het beoogde belastingvoordeel en het juist kunnen doen van aangifte –
heeft. (...)
Overigens zou een registratie vermoedelijk alleen voor nieuwe gevallen – dat wil zeggen
belastingplichtigen die na invoering van de registratie voor het eerst in aanmerking
komen voor aftrek van eigenwoningrente een zinvolle bijdrage kunnen leveren. De Belastingdienst
beschikt namelijk over onvoldoende informatie om een dergelijke registratie ook te
kunnen vullen met historische gegevens. Verder zou een dergelijke registratie leiden
tot een forse toename van administratieve lasten voor belastingplichtigen en de Belastingdienst.»
Ook is eerder door mijn ambtsvoorganger naar aanleiding van de kabinetsreactie op
de evaluaties ingegaan op de uitvoeringsproblemen van de Belastingdienst.4
(...) Een uniform woonoverzicht door de Belastingdienst is niet goed te realiseren.
Voor het beoordelen van de fiscale status van woningen en met name de aftrekbaarheid
van de (hypotheek-)rente is het nodig een koppeling te leggen tussen persoonlijke
gegevens, de persoonlijke situatie en fiscale gegevens en daar een fiscale appreciatie
aan te geven. Het gaat vaak om langjarige gegevens. Het is voor de Belastingdienst
niet mogelijk al deze gegevens, in combinatie met de persoonlijke elementen, in een
administratie vast te leggen en die te ontsluiten. Daarnaast valt het buiten het takenpakket
van de Belastingdienst om voor elke burger met een eigen woning een volledig historisch
dossier op te zetten en bij te houden. (...)
De Belastingdienst probeert belastingplichtigen overigens zo goed mogelijk in staat
te stellen met zo min mogelijk inspanningen automatisch aan fiscale verplichtingen
te kunnen voldoen. Een belangrijk instrument hierbij is bijvoorbeeld de vooraf ingevulde
aangifte. Doordat er geen gegevens beschikbaar zijn, kunnen belastingplichtigen echter
niet geholpen worden bij het onderbouwen van een recht op aftrek.
Verder was de invoering van de 30-jaarstermijn slechts een onderdeel van de invoering
van de Wet inkomstenbelasting 2001. Er is destijds niet voor gekozen een dergelijk
administratiesysteem op te zetten. Naast de bovengenoemde redenen om niet over te
gaan op een administratiesysteem hadden destijds de invoering van het boxenstelsel
(en de vermogensrendementsheffing), het vervangen van belastingvrije sommen door heffingskortingen
en de introductie van uitbetaling van de algemene heffingskorting aan de niet of weinig
verdienende partner prioriteit. Ook toen waren er al uitdagingen op het gebied van
ICT capaciteit. Het effect van de 30-jaarstermijn zou zich ook pas voor het eerst
voordoen in 2031, terwijl deze onderdelen per 2001 in werking moesten treden.
Vraag 4
Als er inderdaad sprake is van financiële derving, hoe dient deze dan begrotingstechnisch
te worden gedekt?
Antwoord 4
Voor het inkomstenkader geldt als uitgangspunt geldt dat belastingplichtigen zich
compliant gedragen. Mocht daar toch geen sprake van zijn dan maakt een eventuele financiële
derving geen onderdeel uit van het inkomstenkader en is er geen sprake van een dekkingsopgave
binnen de begrotingskaders. Binnen de kaders dient enkel te worden gecompenseerd voor
beleidsmatige mutaties. In dit geval is geen sprake van een beleidswijziging. Een
eventuele derving heeft wel gevolgen voor het EMU-saldo.
Vraag 5
Klopt het dat de overheid van mensen verwacht dat zij het verlopen van de 30-jaarstermijn
zelf verwerken in de aangifte en ligt de bewijslast bij de burger. Hoe gaat de Belastingdienst
dit vervolgens controleren?
Antwoord 5
Ja dat is inderdaad het uitgangspunt op basis van de huidige wetgeving. De bewijslast
voor inkomensverlagende posten ligt namelijk bij de belastingplichtige. Met het oog
op de handhaving van de 30-jaarstermijn ondersteunt de Belastingdienst de burger daarbij
met dienstverlening en communicatie. De burger wordt daarbij in de aangifte geholpen
door hulpvragen. Dit zijn vragen die bedoeld zijn om de burger te helpen bij het invullen
van de aangifte, maar de antwoorden op deze hulpvragen worden niet verstuurd aan de
Belastingdienst. De Belastingdienst heeft geen, of slechts beperkt, gegevens over
de precieze looptijd van leningen om de aangeleverde gegevens op grote schaal op juistheid
te controleren. Toezicht op de 30-jaarstermijn zal daarom hoogstwaarschijnlijk steekproefsgewijs
plaats gaan vinden, door gegevens op te vragen bij de belastingplichtige en deze vervolgens
te beoordelen.
Vraag 6
Is het verschil wat dan ontstaat tussen mensen bij het niet kunnen handhaven juridisch
houdbaar of kan dit leiden tot procedures van mensen die ook langer aftrek willen
in het kader van gelijke behandeling?
Antwoord 6
De Belastingdienst is bij de handhaving gebonden aan het gelijkheidsbeginsel. Elke
belastingplichtige die aan de objectieve selectievoorwaarden voldoet zou gecontroleerd
kunnen worden. In het geval een aangifte van een belastingplichtige wordt uitgeworpen,
dan is het aan de belastingplichtige om aannemelijk te maken dat er recht op de hypotheekrentaftrek
bestaat. Als de belastingplichtige hier niet in slaagt, zal dit leiden tot een correctie
van de aangifte inkomstenbelasting. Iedere belastingplichtige zou gecontroleerd kunnen
worden en bij een onjuiste aangifte vindt een correctie plaats. Dit leidt dus niet
tot een verschil van behandeling tussen belastingplichtigen.
Vraag 7
Werkt de Belastingdienst aan oplossingsrichtingen over hoe om te gaan met het aflopen
van de 30-jaarstermijn? Zo ja, wat zijn mogelijke oplossingsrichtingen en wat betekenen
deze voor de uitvoering. Zo niet, waarom niet?
Antwoord 7
Zoals eerder genoemd is gewerkt aan een ambtelijk rapport over de 30-jaarsproblematiek
bij de hypotheekrenteaftrek. Voor de mogelijke oplossingsrichtingen wordt naar dit
rapport verwezen dat tegelijkertijd met deze antwoorden naar de Tweede Kamer is verstuurd.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
E. Eerenberg, staatssecretaris van Financiën -
Mede namens
E. Boekholt-O’Sullivan, minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.