Verslag (initiatief)wetsvoorstel (nader) : Verslag
36 901 Wijziging van de Plantgezondheidswet in verband met het opnemen van regels over een spoedige bekendmaking en inwerkingtreding van beschermende maatregelen tegen plaagorganismen bij planten
Nr. 5
VERSLAG
Vastgesteld op 13 mei 2026
De vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN), belast
met het voorbereidend onderzoek van dit wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag
uit te brengen van haar bevindingen.
Onder het voorbehoud dat de regering op de gestelde vragen en de gemaakte opmerkingen
afdoende zal hebben geantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van dit
wetsvoorstel voldoende voorbereid.
De voorzitter van de commissie, Steen
De adjunct-griffier van de commissie, De Keijzer
Inhoudsopgave
Blz.
I.
ALGEMEEN
2
1.
Inleiding
3
2.
Hoofdlijnen van het wetsvoorstel
3
2.1
Noodzaak
3
2.2
Aanleiding
4
2.3
Reikwijdte
4
3.
Gevolgen voor de uitvoering en regeldruk
5
4.
Consultatie
6
5.
Notificatie
6
6.
Inwerkingtreding
6
II.
Artikelsgewijs
6
Artikel I, onderdeel C
6
Eerste lid
6
OVERIG
6
I. ALGEMEEN
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel
en onderschrijven het belang van slagvaardig optreden bij uitbraken van plaagorganismen.
Deze leden zijn positief over de urgentie die de regering erkent, mede in het licht
van klimaatverandering. Zij hebben echter nog een aantal vragen over de gevolgen voor
mens, milieu en rechtsbescherming.
De leden van de VVD-fractie vragen aandacht voor mogelijke risico’s en neveneffecten
van het nemen van fytosanitaire maatregelen zelf. Kan de regering toelichten of en
in welke gevallen versnelde inzet van chemische bestrijdingsmiddelen onderdeel kan
uitmaken van dergelijke spoedmaatregelen? Daarnaast vragen deze leden hoe dergelijke
maatregelen zich verhouden tot het voorzorgsbeginsel. Op welke wijze worden mogelijke
negatieve effecten op niet-doelorganismen, residuvorming en milieuvervuiling, de ontwikkeling
van resistentie en mogelijke gezondheidsrisico’s meegewogen? Worden tevens de mogelijke
economische effecten, zoals handelsbelemmeringen, hoge kosten voor ondernemers en
kwaliteitsderving van producten, betrokken bij de proportionaliteitsafweging?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van de wetswijziging
en hebben hier op dit moment geen vragen of opmerking bij.
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van het onderhavige wetsvoorstel.
Hoewel deze leden het belang van de (fytosanitaire status) gezondheidstoestand voor
onze export begrijpt, plaatst zij grote vraagtekens bij de wijze waarop de regering
wederom een uitzonderingspositie creëert om democratische zorgvuldigheid en rechtszekerheid
te passeren onder het mom van «spoed».
De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de wijziging
van de Plantgezondheidswet in verband met het opnemen van regels over een spoedige
bekendmaking en inwerkingtreding van beschermende maatregelen tegen plaagorganismen
bij planten en hebben daarover één vraag.
De leden van de BBB-fractie hebben de Wijziging van de Plantgezondheidswet in verband
met het opnemen van regels over een spoedige bekendmaking en inwerkingtreding van
beschermende maatregelen tegen plaagorganismen bij planten gelezen en zij herkennen
de noodzaak van snel kunnen ingrijpen bij het aantreffen van besmettelijke plaagorganismen
bij planten. Deze leden steunen daarom de voorgestelde wijzigingen en hebben vooralsnog
geen aanvullende vragen hierover.
De leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van de wijziging van de plantgezondheidswet
in verband met het opnemen van regels over een spoedige bekendmaking en inwerkingtreding
van beschermende maatregelen tegen plaagorganismen bij planten en hebben hier nog
enkele vragen over.
1. Inleiding
De leden van de PVV-fractie constateren dat dit wetsvoorstel poogt maatregelen tegen
plaagorganismen sneller in werking te laten treden door af te wijken van de reguliere
Bekendmakingswet. Deze leden waarschuwen voor een uitholling van de rechtszekerheid
wanneer ondernemers plotseling geconfronteerd worden met ingrijpende verboden die
enkel op een website zijn geplaatst. Waarom meent de regering dat de huidige versnelde
publicatie in de Staatscourant, die vaak al binnen een dag kan, onvoldoende is?
2. Hoofdlijnen van het wetsvoorstel
De leden van de PVV-fractie constateren dat de regering klimaatverandering opvoert
als een van de redenen voor de toegenomen risico’s. Deze leden zien dit als een gezocht
argument om meer overheidsregie te legitimeren. Onze boeren en tuinders werken al
onder de allerstrengste regels ter wereld wat betreft gewasbescherming en fytosanitaire
controle. De Nederlandse naleving overstijgt ruimschoots de regels die buiten onze
grenzen gelden.
Kan de regering garanderen dat deze nieuwe bevoegdheid niet wordt misbruikt om de
Nederlandse sector nog zwaarder te belasten ten opzichte van buitenlandse concurrenten
terwijl het exportrendement en de werkgelegenheid juist beschermd moeten worden?
De leden van de PVV-fractie maken zich bovendien zorgen over de reikwijdte van de
maatregelen, zoals een «tijdelijk algeheel vervoersverbod». Deze leden eisen dat het
belang van de economische continuïteit altijd zwaarder weegt dan de drang naar bureaucratische
symboolpolitiek. Hoe wordt voorkomen dat een overijverige Minister de gehele sierteelt-
of groentesector platlegt bij een incidentele vondst met enorme economische schade
tot gevolg?
2.1 Noodzaak
De leden van de D66-fractie vragen de regering toe te lichten in hoeverre bij de bestrijding
van plaagorganismen gebruik kan worden gemaakt van gewasbeschermingsmiddelen die schadelijk
zijn voor de menselijke gezondheid of het milieu en of de versnelde inwerkingtreding
van ministeriële regelingen ook van toepassing kan zijn op regelingen die dergelijk
gebruik autoriseren.
De leden van de D66-fractie vragen de regering nader toe te lichten welke afwegingen
worden gemaakt tussen de snelheid van ingrijpen en de mogelijke milieu- en gezondheidseffecten
van de te nemen bestrijdingsmaatregelen en hoe wordt geborgd dat die afweging ook
bij spoedbesluitvorming zorgvuldig plaatsvindt.
De leden van de PvdD-fractie begrijpen dat de verspreiding van plaagorganismen zo
spoedig mogelijk moet worden tegengegaan wanneer dit wordt vastgesteld. Daar tegenover
hebben deze leden vragen over de risico's die dit zou kunnen opleveren voor mens,
dier en milieu. Deze ledenvragen of in een spoedsituatie er een groter risico ontstaat
voor het maken van de verkeerde keuze met betrekking tot de fytosanitaire maatregelen
die beschikbaar zijn en hiermee risico's introduceert die anders voorkomen hadden
kunnen worden. Kan de regering toelichten hoe wordt voorkomen dat het snel optreden
tegen ziektes en plagen geen onzekerheden introduceert met betrekking tot de effecten
van de gekozen fytosanitaire maatregel die gebruikt wordt op mens, dier en milieu?
2.2 Aanleiding
De leden van de D66-fractie vragen de regering toe te lichten of er bij de in de memorie
van toelichting genoemde plaagorganismen, zoals de Aziatische boktor (Anoplophora
glabripennis) en Xylella, specifieke gezondheids- of milieurisico's voor omwonenden
of ecosystemen zijn die meewegen bij de keuze voor de te nemen bestrijdingsmaatregelen
en hoe deze worden betrokken bij de inzet van spoedbevoegdheden.
De leden van de D66-fractie vragen de regering toe te lichten of er bij de toepassing
van artikel 9a ook aandacht is voor de gevolgen van bestrijdingsmaatregelen voor biodiversiteit
en niet-doelsoorten, zoals bestuivende insecten en hoe dit wordt geborgd bij een snelle
inwerkingtreding.
De leden van de PvdD-fractie hebben uit de memorie van toelichting vernomen dat klimaatverandering
een oorzaak is voor het toenemen van vestigingskansen van veel quarantaineziekten.
Deze leden vragen daarom in hoeverre er in de spoedige inwerkingtreding van fytosanitaire
maatregelen door de regering rekening wordt gehouden met de effecten van klimaatverandering
op de effectiviteit van de bestrijding van plaagorganismen. Uit onderzoek is namelijk
gebleken dat nieuwe bedreigingen geïntroduceerd kunnen worden doordat bijvoorbeeld
plaagorganismen zich sneller kunnen ontwikkelen in warmere omstandigheden waar de
huidige fytosanitaire maatregelen mogelijk niet adequaat op kunnen reageren (WUR,
juni 2024, «Gewasbescherming, jaargang 55, nr. 3», (https://edepot.wur.nl/670119)). Deze leden vragen hoe de effecten van klimaatverandering op de effectiviteit van
de fytosanitaire maatregelen en de spoedige inwerkingtreding daarvan door de regering
wordt meegenomen in deze wijziging.
2.3 Reikwijdte
De leden van de D66-fractie vragen de regering toe te lichten welke waarborgen bestaan
om te voorkomen dat de spoedbevoegdheid van artikel 9a wordt ingezet voor maatregelen
met onevenredige gevolgen voor de gezondheid van omwonenden of het bredere ecosysteem
en of hierover in alle gevallen een milieueffectbeoordeling plaatsvindt, ook achteraf.
De leden van de D66-fractie vragen de regering of kan worden verduidelijkt in hoeverre
burgers en omwonenden tijdig worden geïnformeerd over de aard en de gezondheidsrelevantie
van spoedsmaatregelen die op grond van artikel 9a worden afgekondigd en niet slechts
via een persbericht op algemene wijze.
De leden van de VVD-fractie lezen in paragraaf 2.3 dat slechts in uitzonderlijke gevallen
gebruik zal worden gemaakt van de mogelijkheid tot het treffen van onverwijlde voorzieningen
en dat de noodzaak daartoe afhankelijk wordt gesteld van diverse factoren zoals het
jaargetijde, de wijze van verspreiding, de aard van de locatie en de aanwezigheid
van mogelijke waardplanten.
Deze leden vragen op welke wijze wordt geborgd dat dergelijke gevallen bij herhaling
tot eenzelfde afweging leiden. Hoe wordt voorkomen dat verschillen in interpretatie
of uitvoering leiden tot willekeur? Beschikt de regering over een vast afwegingskader
of beoordelingsprotocol waarmee gelijke omstandigheden ook daadwerkelijk tot gelijke
uitkomsten leiden? Is de regering bereid een meer Specifiek, Meetbaar, Acceptabel,
Realistisch, Tijdgebonden (SMART)-geformuleerd beoordelingskader op te stellen, zodat
vooraf duidelijker wordt onder welke omstandigheden welke maatregelen proportioneel
worden geacht?
Voorts lezen deze leden dat voor de formulering van het voorgestelde artikel 9a aansluiting
is gezocht bij artikel 5.2 van de Wet dieren, waarin eveneens een grondslag bestaat
voor onverwijlde voorzieningen. Daarbij merkt de regering op dat de formulering niet
geheel hetzelfde is, omdat bij plantenziekten geen sprake is van risico’s op zoönosen.
Deze leden vragen de regering nader toe te lichten waarom desondanks wordt gekozen
voor een vergelijkbaar instrumentarium van onverwijlde voorzieningen. In hoeverre
acht de regering het proportioneel om dergelijke spoedbevoegdheden toe te passen in
situaties waarin geen direct risico bestaat voor de volksgezondheid? Welke criteria
rechtvaardigen in dat geval de inzet van ingrijpende maatregelen zonder voorafgaande
reguliere procedure?
3. Gevolgen voor de uitvoering en regeldruk
De leden van de D66-fractie vragen de regering toe te lichten hoe de Nederlandse Voedsel-
en Warenautoriteit (NVWA) bij spoedingrepen op grond van artikel 9a waarborgt dat
ook bij een versnelde procedure de vereiste veiligheids- en milieustandaarden worden
nageleefd en wie hierop toezicht houdt in de periode vóór publicatie in de Staatscourant.
De leden van de VVD-fractie merken op dat in hoofdstuk 3 wordt gesteld dat het voorstel
geen financiële gevolgen heeft voor de uitvoering of het bedrijfsleven. Deze leden
vinden die stelling moeilijk te rijmen met de mogelijkheid tot het opleggen van quarantaine-
of andere fytosanitaire maatregelen. Kan de regering nader onderbouwen waarom geen
sprake zou zijn van financiële gevolgen? Deze leden wijzen erop dat quarantainemaatregelen
in de praktijk kunnen leiden tot logistieke beperkingen, omzetverlies, extra controlekosten,
administratieve lasten en mogelijke kwaliteitsderving van producten. Zijn deze effecten
meegenomen in de beoordeling van de financiële gevolgen? Zo ja, op welke wijze?
De leden van de PVV-fractie constateren dat in de toelichting wordt gesteld dat de
gevolgen voor de regeldruk «verwaarloosbaar» zijn. Deze leden vinden dit een grove
onderschatting. Het feit dat bedrijven «minder tijd hebben om zich voor te bereiden»
op maatregelen, wordt door de regering zelf erkend als iets wat de uitvoering «lastiger»
maakt. Directe inwerkingtreding betekent in de praktijk direct verlies voor de ondernemer.
Hoe gaat de regering ondernemers compenseren die door deze «onmiddellijke» regels
plotseling hun zendingen zien stranden of vernietigd zien worden, terwijl zij wel
voldoen aan de strengere Nederlandse eisen?
Daarnaast bevreemdt het deze leden dat de NVWA aangeeft dat dit geen extra uitvoeringslasten
oplevert. Betekent dit dat de NVWA momenteel al niet in staat is om tijdig te handhaven,
of dat deze wet enkel een papieren werkelijkheid dient?
De leden van de CDA-fractie vinden het belangrijk dat eventueel ingrijpende besluiten
voor individuele ondernemers goed gewogen worden en met duidelijke randvoorwaarden
tot stand komen. Deze leden vragen hoe de regering ervoor kan zorgen dat er alleen
in noodzakelijke gevallen wordt afgeweken van de regels en welke criteria gelden om
te voorkomen dat er te snel ingrijpende besluiten worden genomen.
4. Consultatie
De leden van de PVV-fractie valt het op dat er slechts twee reacties van burgers zijn
binnengekomen bij de internetconsultatie en dat deze «niet van toepassing» waren.
Deze leden vinden dat juist bij ingrijpende wijzigingen die de werkgelegenheid kunnen
raken, dat de input van de sector cruciaal is. Waarom is er geen proactieve consultatie
geweest met de relevante brancheorganisaties uit de tuinbouw en exportsector die de
directe gevolgen van deze spoedmaatregelen moeten dragen?
5. Notificatie
De leden van de PVV-fractie constateren dat de regering stelt dat notificatie niet
nodig is omdat het om een zuivere implementatie gaat. Deze leden vragen of de voorgestelde
afwijking van de Bekendmakingswet wel zo «zuiver» is, of dat Nederland hier wederom
een kop op Europees beleid zet die de eigen handelspositie kan schaden.
6. Inwerkingtreding
De leden van de PVV-fractie vragen of de regering kan bevestigen dat de sector voldoende
de tijd krijgt om zich aan te passen aan dit nieuwe regime van «digitale overrompeling»,
voordat de wet daadwerkelijk in werking treedt.
II. Artikelsgewijs
Artikel I, onderdeel C
De leden van de PVV-fractie willen graag een nadere duiding van het begrip «onverwijlde
voorziening» en zien een risico op willekeur. Wie bepaalt wanneer de ernst en het
verspreidingsrisico een afwijking van de reguliere wetgeving rechtvaardigen? Worden
de criteria voor het inzetten van deze noodgreep objectief getoetst, of is dit enkel
een politieke inschatting van de Minister?
De leden van de PVV-fractie wachten de beantwoording van de regering met belangstelling
af.
Eerste lid
De leden van de D66-fractie vragen de regering te verduidelijken hoe het criterium
«een onverwijlde voorziening noodzakelijk is» in de praktijk wordt getoetst en of
daarin ook een expliciete weging van milieu- en gezondheidsbelangen is opgenomen,
dan wel of dit wordt overgelaten aan de discretionaire bevoegdheid van de Minister.
OVERIG
De leden van de PvdD-fractie betreuren dat deze wijziging niet bijdraagt aan het creëren
van meer aandacht, op zowel Europees als nationaal niveau, voor een inzet op het voorkomen
van de plaagorganismen, maar in plaats daarvan zich alleen richt op bestrijding wanneer
ze al zijn vastgesteld binnen de landsgrenzen. Aanvullend hierop zien deze leden ook
niet terug in deze wetswijziging of er prioriteit gegeven kan worden aan fytosanitaire
maatregelen die geen bestrijdingsmiddelen gebruiken. Ziet de regering kansen in deze
wijziging om hier meer aandacht aan te besteden en in te zetten op fytosanitaire maatregelen
die niet afhankelijk zijn van het introduceren van gevaarlijke stoffen in korte termijn
aan mens, dier en milieu?
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
H.S. Steen, voorzitter van de vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur -
Mede ondertekenaar
D.L. de Keijzer, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.