Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over inzet internationale kindontvoering India (Kamerstuk 29279-1019)(eerste deel)
29 279 Rechtsstaat en Rechtsorde
33 836
Personen- en familierecht
Nr. 1021
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 12 mei 2026
De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid heeft een aantal vragen en opmerkingen
voorgelegd aan de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid en de Minister van Buitenlandse
Zaken over de brief van 15 april 2026 over inzet internationale kindontvoering India
(Kamerstuk 29 279, nr. 1019) (eerste deel).
De vragen en opmerkingen zijn op 6 mei 2026 aan de Staatssecretaris van Justitie en
Veiligheid en de Minister van Buitenlandse Zaken voorgelegd. Bij brief van 12 mei
2026 zijn de vragen beantwoord.
De voorzitter van de commissie, Eerdmans
Adjunct-griffier van de commissie, Van Tilburg
Inhoudsopgave
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van de bewindspersonen
2
1.
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
2
2.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
3
3.
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
5
4.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
6
5.
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
8
6.
Vragen en opmerkingen van de leden van Groep Markuszower
16
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van de bewindspersonen
1. Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de brief inzake
de inzet bij internationale kinderontvoering, waaronder in het geval van Insiya ten
opzichte van India. Het is goed om te lezen dat Nederland op diverse manieren en niveaus
de zaak blijft aankaarten bij de Indiase autoriteiten. Toch moet geconstateerd worden
dat dit nog niet tot het gewenste effect geleid heeft, zeker gegeven de lange tijd
die is verstreken sinds Insiya ontvoerd is. Deze leden hebben daarom enkele vragen.
De leden van de D66-fractie zien dat er in de loop van de jaren en ook recent nog
steeds inzet op deze zaak is – buiten de gerechtelijke stappen, heeft de heer Rutte
in zijn tijd als Minister-President al eens met de heer Modi gesproken over de ontvoering,
en onze Minister-President Rob Jetten heeft onlangs met mevrouw Rashid gesproken over
de kabinetsinzet op dit onderwerp. Voorts willen de leden van de D66-fractie graag
weten – wat is er al gedaan sinds de ontvoering om Insiya terug te krijgen uit India?
En welke extra stappen zien de Minister en de Staatssecretaris om deze zaak in beweging
te krijgen?
Antwoord: Allereerst wil het kabinet erkennen hoe ingrijpend en pijnlijk internationale kinderontvoering
is. In het bijzonder de zaak van Insiya, waarbij sprake is van een gewelddadige ontvoering.
Dat neemt niet weg dat er in 2025 in totaal 108 zaken bij de Centrale autoriteit Internationale
Kinderaangelegenheden (Ca IKA) zijn gepasseerd waarbij kinderen zijn ontvoerd. Al
die zaken krijgen de volle aandacht.
Ten aanzien van wat er al gedaan is in de zaak Insiya willen wij u graag verwijzen
naar de brief die recent naar uw Kamer is gestuurd en naar antwoorden op Kamervragen
die de afgelopen jaren naar uw Kamer zijn gestuurd1. De Ca IKA heeft in oktober 2016 het civiele verzoek tot teruggeleiding voor Insiya
in behandeling genomen. Nu India niet is aangesloten bij het Haags Kinderontvoeringsverdrag,
heeft de Ca IKA geen direct aanspreekpunt in India. Het verzoek tot teruggeleiding
is daarom langs diplomatieke weg aangeboden aan de Indiase autoriteiten; dit geldt
ook voor civielrechtelijke beschikkingen van de Nederlandse rechter. De Ca IKA en
BZ hebben moeder de afgelopen jaren ondersteund, door middel van het verstrekken van
informatie en het verlenen van consulaire bijstand. Ook wordt op het hoogst diplomatieke
en politieke niveau aandacht gevraagd voor enerzijds de Nederlandse civielrechtelijke
uitspraken die strekken tot de teruggeleiding van Insiya en het eenhoofdig gezag van
de moeder en anderzijds voor spoedige afronding van de Indiase procedures, met als
doel de terugkeer van het Insiya en in ieder geval herstel van contact.
Het kabinet is continue aan het kijken welke andere effectieve stappen gezet kunnen
worden om tot terugkeer van Insiya te komen of ten minste contactherstel tussen moeder
en dochter te realiseren. Het kabinet noemt in gesprekken met India ook de grote maatschappelijke
verontwaardiging in Nederland die deze zaak oproept en voelt zich gesteund door de
gestelde vragen in dit schriftelijk overleg om dat nogmaals richting India te benadrukken.
De realiteit is dat het terugbrengen van ontvoerde kinderen uit India zeer lastig
is; daar kampen ook andere landen mee, zie hiervoor bijvoorbeeld het rapport van de
Verenigde Staten2.
Zijn er vergelijkbare zaken of voorbeelden uit andere EU-landen bekend, en is daarbij
bekend hoe en/of waarom deze zaken (on)succesvol zijn verlopen, zeker in de gevallen
dat er (ook) een vonnis lag? Ziet het kabinet kansen om met andere EU-landen gezamenlijk
op te trekken richting India om zo meer resultaat te boeken?
Antwoord:
Beantwoording volgt later.
En zien de bewindspersonen nog kansen om de zaak op (korte) termijn bij India onder
de aandacht te brengen?
Antwoord: Het kabinet brengt de zaak van het meisje Insiya in bilaterale contacten op bij de
Indiase autoriteiten en zal deze zaak ook tijdens het aankomend bezoek van premier
Modi op het hoogste niveau bij India expliciet onder de aandacht brengen
2. Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de brief van het kabinet over
de inzet bij internationale kinderontvoering in India, in het bijzonder de zaak rondom
Insiya. Deze leden waarderen de inzet van het kabinet in deze ingrijpende zaak.
De leden van de VVD-fractie benadrukken dat internationale kinderontvoering de rechtsstaat
raakt. De uitspraak van de Hoge Raad is inmiddels onherroepelijk, toch blijft uitvoering
uit. Deze leden vragen welke concrete resultaten de inzet tot nu toe heeft opgeleverd.
Ook vragen zij welke stappen zijn gezet sinds de uitspraak van de Hoge Raad. De leden
van de VVD-fractie vragen hoe het kabinet de huidige inzet richting India beoordeelt.
Is deze aanpak voldoende effectief? Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, welke extra
stappen overweegt het kabinet? Deze leden wijzen op het belang van wederkerigheid.
Nederland respecteert rechterlijke uitspraken. Dat mag ook van andere landen worden
verwacht. Hoe brengt het kabinet deze boodschap over aan de Indiase autoriteiten?
Antwoord: Het kabinet deelt de mening dat internationale kinderontvoering een grove inbreuk
is op de rechtsorde en waarbij de impact op de achterblijvende ouder groot is. In
het kader van deze zaak is het van belang om een onderscheid te maken tussen de civielrechtelijke
en het strafrechtelijke traject, aangezien beiden hun eigen juridische kaders en instrumenten
kennen.
Ten aanzien van het strafrechtelijke traject, geldt dat met de onherroepelijke uitspraak
van de Hoge Raad de ernst van deze zaak door de Nederlandse rechter onomstotelijk
is vastgesteld. De rechter heeft de gewelddadige onttrekking van Insiya aan het ouderlijk
gezag gekwalificeerd als een zeer ernstig strafbaar feit en heeft hiervoor substantiële
onvoorwaardelijke gevangenisstraffen opgelegd. Wanneer een veroordeelde zich in het
buitenland bevindt, kan de tenuitvoerlegging van een straf complex zijn. Nederlandse
opsporings- en vervolgingsinstanties hebben uiteraard geen bevoegdheid om op treden
in andere landen. Tevens moet er voor de overdracht van een straf een verdragsgrondslag
bestaan, en daar is tussen India en Nederland geen sprake van. Over de specifieke
inzet die in dit kader wordt gepleegd in individuele zaken kunnen wij geen nadere
uitspraken doen. Wel kunnen wij u verzekeren dat alle mogelijke instrumenten in dit
kader worden ingezet.
Ten aanzien van de wederkerigheid van uitspraken in het civiele kader en het respecteren van civiele rechterlijke uitspraken: tussen India en Nederland
is er geen verdrag op basis waarvan gerechtelijke uitspraken inzake ouderlijk gezag
automatisch kunnen worden erkend. Dit geldt over en weer: rechterlijke uitspraken
inzake ouderlijk gezag afkomstig van een Indiase rechter worden ook in Nederland niet
automatisch erkend. Om een rechterlijke uitspraak in een niet-verdragsland erkend
te krijgen, zal de achtergebleven ouder met behulp van een advocaat in het land in
kwestie een procedure aanhangig moeten maken bij de rechter aldaar met het verzoek
om de uitspraak te erkennen en ten uitvoer te leggen. Het is niet mogelijk om India
te dwingen rechtsreeks uitvoering te geven aan de Nederlandse uitspraken.
In het licht van het aanstaande bezoek van de Indiase premier Narendra Modi aan Nederland
en de ontvangst door de Minister-President, vragen de leden van de VVD-fractie of
deze specifieke zaak onderdeel zal zijn van de gesprekken op het hoogste politieke
niveau. Kan het kabinet bevestigen dat deze zaak expliciet wordt opgebracht?
Antwoord: Het kabinet brengt de zaak van het meisje Insiya in bilaterale contacten op bij de
Indiase autoriteiten en zal deze zaak ook tijdens het aankomend bezoek van premier
Modi op het hoogste niveau bij India expliciet onder de aandacht brengen.
Daarnaast vragen deze leden welke diplomatieke en politieke drukmiddelen Nederland
nog tot zijn beschikking heeft om voortgang te bewerkstelligen. Wordt overwogen om
deze kwestie in breder Europees verband te agenderen binnen de Europese Unie om zo
de druk richting India te vergroten?
Antwoord:
Beantwoording volgt later
Ten slotte vragen deze leden hoe het kabinet in algemene zin omgaat met internationale
kinderontvoeringszaken waarbij landen geen partij zijn bij relevante verdragen. Ziet
het kabinet aanleiding om het beleid richting deze landen te intensiveren, bijvoorbeeld
via bilaterale afspraken of aanvullende diplomatieke inzet?
Antwoord: Op grond van artikel 4 lid 1 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering
is de Ca IKA tevens belast met de behandeling van verzoeken in gevallen van internationale
ontvoering van kinderen die niet door een verdrag worden beheerst. Dit betekent dat
de Ca IKA deze verzoeken in behandeling neemt. In een niet verdragsland is er echter
geen Centrale autoriteit waaraan de Ca IKA het verzoek kan doorgeleiden. Het verzoek
wordt daarom via de diplomatieke route aangeboden aan de autoriteiten van dat land.
Het niet verdragsland is niet gehouden aan de verplichtingen van het Haags Kinderontvoeringsverdrag.
Is het kabinet bereid de Kamer na het bezoek van Modi aan Nederland te informeren
over de gesprekken die zijn gevoerd over de zaak Insiya? En is het kabinet tevens
bereid om de Kamer periodiek te blijven informeren over de resultaten van de inspanningen
om ontvoerde kinderen daadwerkelijk terug te halen naar Nederland in lijn met de motie
Ellian (Kamerstukken II 2022–2023, 33 836 nr. 79)?
Antwoord: Het kabinet is bereid de Kamer na afloop van het bezoek van premier Modi in algemene
zin te informeren, waarbij er rekening dient te worden gehouden met de vertrouwelijkheid.
Daarnaast wordt momenteel gewerkt aan het nieuw overzicht over de inspanningen die
in 2025 zijn geleverd rondom internationale kinderontvoeringen, zoals deze eerder
met de Kamer gedeeld is over 20233.
3. Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de fractie van GL-PvdA hebben met belangstelling kennis genomen van de
brief van de regering over de stand van zaken ten aanzien van de ontvoering van het
meisje Insiya naar India. De aan het woord zijnde leden zijn net zoals de regering
er ten zeerste van doordrongen hoezeer deze kinderontvoering ingrijpt in het leven
van alle betrokkenen. Zij achten het onverteerbaar voor Insiya en haar moeder dat
het onherroepelijk geworden strafvonnis niet ten uitvoer kan worden gelegd en vooral
dat het contact tussen Insiya en haar moeder, die het eenhoofdig gezag heeft, niet
hersteld wordt. De regering meldt in de genoemde brief dat alle mogelijke inzet wordt
gepleegd om het strafvonnis wel ten uitvoer te laten leggen. Wat is de reactie van
de Indiase autoriteiten als Nederland vraagt om de tenuitvoerlegging van de strafzaak.
Welke autoriteiten betreft dit? Geeft het komende bezoek van de Indiase Minister-President
extra mogelijkheden om de Nederlandse inzet nog te intensiveren of te benadrukken?
Zo ja, hoe gaat u daar gevolg aan geven? Zo nee, waarom niet?
Antwoord: Het kabinet spant zich doorlopend in om deze schrijnende zaak onder de aandacht te
brengen van India. In algemene zin kunnen wij mededelen dat er voor de overdracht
van een straf een verdragsgrondslag moet bestaan, en daar is tussen India en Nederland
geen sprake van. Wel wordt op andere wijze de samenwerking met India gezocht. Daarbij
kunnen wij u verzekeren dat het kabinet alle mogelijke contacten op het hoogste politieke
niveau benut om India te verzoeken medewerking te verlenen in dit kader.
Wat staat er aan het contactherstel tussen Insiya en haar moeder concreet in de weg?
Welke juridische of andere belemmeringen zijn er? Welke autoriteiten oordelen over
dat contactherstel of zijn daar op een andere manier bij betrokken? En hoe kan het
contact wel hersteld worden? Kunt u het belang van het contactherstel onder de aandacht
van de Indiase Minister-President brengen? Zo nee, waarom niet?
Antwoord: De Indiase rechter heeft eerder in 2018 geoordeeld dat het contact tussen moeder
en dochter moet worden hersteld. Hier geeft de vader echter vooralsnog geen gehoor
aan. Nederland dringt in contacten met India steevast aan op uitvoering van dit gerechtelijk
bevel. Contactherstel tussen moeder en dochter is een van de onderwerpen van gesprek
bij het bezoek van premier Modi.
De leden van de fractie van GL-PvdA vragen wat de Nederlandse regering doet om de
moeder van Insiya te ondersteunen bij haar pogingen het contact met haar dochter te
herstellen?
Antwoord: De Ca IKA en BZ hebben moeder de afgelopen jaren ondersteund, door middel van het
verstrekken van informatie en het verlenen van consulaire bijstand. Ook wordt op het
hoogste diplomatieke en politieke niveau aandacht gevraagd voor enerzijds de Nederlandse
civielrechtelijke uitspraken die strekken tot de teruggeleiding van Insiya en het
eenhoofdig gezag van de moeder en anderzijds voor spoedige afronding van de Indiase
procedures, met als doel de hereniging van Insiya met haar moeder en in ieder geval
herstel van contact.
Bent u bekend met het feit dat ook India het Internationaal Verdrag inzake de Rechten
van het Kind (IVRK) heeft geratificeerd en dat dat bindende VN-verdrag onder andere
bepaalt dat staten maatregelen moeten nemen «ter bestrijding van de ongeoorloofde
overbrenging van kinderen naar en het niet doen terugkeren van kinderen uit het buitenland»(artikel 11)?
Zo ja, hoe verhoudt zich dat het feit dat India niet zorgt dat de ontvoering van Insiya
beëindigd wordt? Ben u bereid dat aan de Indiase Minister-President voor te leggen?
Zo nee, waarom bent u daartoe niet bereid?
Antwoord: Wij zijn ermee bekend dat India is aangesloten bij het IVRK en dit is ook eerder
opgebracht richting India. Artikel 11 van het IVRK verplicht staten om maatregelen
te treffen om ongeoorloofde overbrenging te bestrijden en dit te bewerkstelligen door
het sluiten van bilaterale of multilaterale overeenkomsten. In dit kader is Nederland
partij bij het Haags Kinderontvoeringsverdrag. Het Haags Kinderontvoeringsverdrag
bevat wel afspraken en actieve verdragsverplichtingen voor landen over het teruggeleiden
van kinderen waar zij zich aan dienen te houden en waar zij op aangesproken kunnen
worden. India is echter niet aangesloten bij dit verdrag.
Maken afspraken over mensenrechten deel uit van het handelsverdrag van de EU met India?
Zo ja, vallen daar direct of indirect ook afspraken onder die de rechten van kinderen
in het algemeen en die van ontvoerde kinderen in het bijzonder raken? En welke afspraken
betreffen dat? Wilt u dat onder de aandacht van de Indiase Minister-President brengen?
Antwoord:
Beantwoording volgt later
Kunt u na afloop van het bezoek van de Indiase Minister-President de Kamer op de hoogte
stellen van wat u ten aanzien van Insiya besproken hebt en wat de resultaten daarvan
zijn?
Antwoord: Het kabinet is bereid de Kamer na afloop van het bezoek van premier Modi in algemene
zin te informeren, waarbij er rekening dient te worden gehouden met de vertrouwelijkheid.
4. Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de Kamerbrief en hebben een aantal
vragen aan de regering. Deze leden onderschrijven de noodzaak voor de Nederlandse
Staat om zich maximaal in te zetten dat Insiya terugkomt naar Nederland zodat haar
moeder het eenhoofdig gezag kan uitoefenen.
De leden van de CDA-fractie vragen of de regering aan kan geven of er nog meer vergelijkbare
casussen zijn van kinderontvoering waar zij zich inzet voor herstel van contact en
ouderlijk gezag en of er landen in het bijzonder zijn waarnaar dergelijke vormen van
ontvoering vaker plaatsvinden.
Antwoord: In 2025 heeft de Ca IKA 108 uitgaande internationale kinderontvoeringszaken in behandeling
genomen. Van deze zaken waren er 88 met verdragslanden en 20 zaken met niet verdragslanden.
Bij de verdragslanden betreffen de meeste kinderontvoeringszaken Polen, Spanje, Engeland,
Turkije en Duitsland. Bij de niet-verdragslanden betreffen de meeste zaken Syrië,
Egypte, India en Irak. De Ca IKA zet zich in elke zaak maximaal in om de achtergebleven
ouder zo goed mogelijk te ondersteunen. Daarbij kan het ook gaan om ondersteuning
bij het in contact komen met het kind of advisering over (gezags)procedures. De Ca
IKA werkt daarbij nauw samen met de Centrale autoriteiten van andere landen. In niet
verdragslanden is deze samenwerking er niet en wordt het verzoek behandeld via de
diplomatieke route in samenwerking met Buitenlandse Zaken. Tevens wordt bij kinderontvoeringen
gewerkt middels een escalatieladder, waarbij er op een steeds hoger niveau wordt opgeschaald
indien een land niet meewerkt aan teruggeleiding.
De leden van de CDA-fractie vragen de regering te bevestigen dat de schrijnende zaak
van Insiya staat geagendeerd tijdens (de voorbereidingen van) het bezoek van de Indiase
Minister-President aan Nederland. Deze leden vragen om bevestiging dat deze casus
tijdens het staatsbezoek aan de orde gesteld zal worden. Voorts vragen deze leden
welke mogelijkheden de regering ziet om de inzet richting de Indiase regering op dit
onderwerp te intensiveren.
Antwoord: Het kabinet brengt de schrijnende zaak van het meisje Insiya in bilaterale contacten
op bij de Indiase autoriteiten en zal deze zaak ook tijdens het aankomend bezoek van
premier Modi op het hoogste niveau expliciet bij India onder de aandacht brengen.
De ingrijpende zaak van Insiya heeft de onverminderde aandacht van het kabinet en
de huidige Nederlandse inzet wordt constant geëvalueerd waarbij eventuele nieuwe mogelijkheden
voor intensivering op dit onderwerp voortdurend worden meegenomen.
De leden van de CDA-fractie lezen dat het handelsakkoord tussen de EU en India geen
relatie heeft met kinderontvoeringen. Deelt de regering de opvatting dat, ook als
het EU-India handelsakkoord formeel geen aanknopingspunten bevat, politieke en diplomatieke
relaties wél benut kunnen worden om mensenrechtenkwesties zoals deze onder de aandacht
te brengen? Zo ja, hoe wordt hier concreet invulling aan gegeven?
Antwoord:
Beantwoording volgt later.
De leden van de CDA-fractie vragen of de regering, gezien de langdurige aard van en
de grote maatschappelijke en politieke betrokkenheid bij deze zaak, bereid is de Kamer
frequenter te informeren over de voortgang in deze zaak?
Antwoord: Het kabinet is bereid de Kamer na afloop van het bezoek van premier Modi in algemene
zin te informeren over de wijze waarop de zaak Insiya in de gesprekken aan de orde
is gesteld, waarbij er rekening dient te worden gehouden met de vertrouwelijkheid.
Tevens informeert het kabinet de Kamer wanneer er nieuwe ontwikkelingen zijn en zal
de Kamer in algemene zin informeren over deze zaak bij het jaarlijkse overzicht van
zaken (n.a.v. motie Ellian).
5. Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben met grote betrokkenheid kennisgenomen van de brief
over de zaak van het naar India ontvoerde meisje Insiya. Deze leden willen allereerst
benadrukken dat achter deze zaak geen abstract juridisch dossier schuilgaat, maar
een meisje dat al jarenlang is afgesneden van haar moeder, en haar leven in Nederland.
Een zaak die niet alleen raakt aan het hart, maar ook aan de geloofwaardigheid van
de Nederlandse rechtsstaat.
De leden van de BBB-fractie begrijpen dat internationale kinderontvoering juridisch
en diplomatiek ingewikkeld kan zijn. Maar ingewikkeld mag nooit een ander woord worden
voor machteloos. Zeker niet wanneer het gaat om een Nederlands kind, een Nederlandse
moeder en Nederlandse rechterlijke uitspraken. De overheid moet naast haar eigen inwoners
staan wanneer zij klem komen te zitten tussen systemen, grenzen en diplomatieke beleefdheden.
Tegen deze achtergrond hebben deze leden de volgende vragen.
Algemene inzet van het kabinet
De leden van de BBB-fractie vragen de Minister of hij concreet en chronologisch kan
uiteenzetten welke acties de afgelopen jaren zijn ondernomen richting de Indiase autoriteiten.
Zij horen daarbij graag of deze acties telkens op ambtelijk, of ander niveau is aangekaart.
De leden vragen de Minister expliciet wanneer deze zaak voor het laatst op ministerieel
niveau besproken is met India. En wanneer deze zaak voor het laatst door de Minister-President,
of namens de Minister-President aan de orde is gesteld. Wat was tijdens deze acties
telkens de concrete inzet van Nederland in de richting van India?
Antwoord: De zaak is meest recent nog opgebracht tijdens een telefoongesprek van onze Minister-President
met premier Modi op 30 maart jl. Op ministerieel niveau was dat de laatste keer in
Brussel en marge van de RBZ op 16 maart jl. met de Indiase Minister van Buitenlandse
Zaken Jaishankar. De ernst van de zaak heeft ertoe geleid dat het de afgelopen jaren
veelvuldig opgebracht is, wanneer dat opportuun werd geacht.
De concrete inzet, zoals in antwoord op eerdere Kamervragen is aangegeven, is aandacht
vragen voor de strafrechtelijke uitspraak van het Gerechtshof op 13 mei 2024 en de
bekrachtiging daarvan door de Hoge Raad in november 2025. Tevens blijft Nederland
in India onder de aandacht brengen dat de Nederlandse rechter inmiddels al jaren geleden
heeft geoordeeld dat de moeder het eenhoofdig gezag heeft. Ook wordt het grote belang
van contactherstel tussen dochter en moeder onder de aandacht gebracht.
De leden van de BBB-fractie vragen de Minister wat telkens de reactie van India was.
En welke concrete resultaten heeft de Nederlandse inzet tot nu toe opgeleverd? Hoe
beoordeelt het kabinet zelf de effectiviteit van de huidige aanpak. En acht het kabinet
de huidige inzet voldoende, gelet op het feit dat Insiya nog altijd niet terug is?
Antwoord: Het kabinet zet zich onverminderd in voor de zaak van Insiya waarbij de terugkeer
van Insiya de hoogste prioriteit geniet. De Nederlandse inzet voor deze zaak wordt
constant geëvalueerd en, waar mogelijk, worden extra of nieuwe stappen uitgelopen
om tot een oplossing te komen in deze schrijnende casus. Dit gebeurt bijvoorbeeld
na ieder contactmoment op diplomatiek niveau maar ook als er op juridisch vlak nieuwe
stappen zijn gezet. Dit wordt in continu overleg met moeder gedaan.
Zoals gedeeld in de Kamerbrief Inzet Internationale kindontvoering India van 14 april
2026, wordt door India aangegeven dat het de schrijnende situatie erkent maar dat
door de Indiase autoriteiten niet in de (nog lopende) rechtsgang in India kan worden
getreden, net zoals dat ook het geval zou zijn in Nederland.
Het kabinet realiseert zich terdege dat de effectiviteit van eigen inzet moeilijk
in te schatten is.
De leden van de BBB-fractie vragen de Minister welke bewindspersoon politiek eindverantwoordelijk
is voor het vlottrekken van deze zaak. Is er een coördinerend bewindspersoon of een
interdepartementale taskforce die deze taak trekt? Zo nee, is de Minister dan bereid
om een coördinerend bewindspersoon aan te wijzen, of een interdepartementale taskforce
in te stellen?
Antwoord: Het kabinet zet zich in volle breedte en gecoördineerd in voor deze schrijnende zaak:
de Minister president, de Minister van Buitenlandse Zaken en de Staatssecretaris van
Justitie en Veiligheid stemmen acties strak op elkaar af, samen met onze diplomatieke
posten.
Resultaatgerichte herijking
De leden van de BBB-fractie vragen de Minister om niet alleen uiteen te zetten wat
Nederland de afgelopen jaren heeft gedaan, maar ook welke conclusie het kabinet daaruit
trekt. Erkent de Minister dat de tot nu toe gevolgde aanpak feitelijk niet heeft geleid
tot de terugkeer van Insiya?
Antwoord: Wij erkennen dat de inzet van Nederland nog niet heeft geleid tot de terugkeer van
Insiya. Het kabinet is continue aan de slag om in deze schrijnende zaak te komen tot
een zo snel mogelijke terugkeer van Insiya en daarbij eveneens tot contact herstel
tussen moeder en dochter. Dat dit nog niet tot terugkeer heeft geleid, betekent geen
berusting: het kabinet blijft de zaak op verschillende niveaus bij de Indiase autoriteiten
aankaarten.
Rechtsstaat en uitvoering van rechtelijke uitspraken
De leden van de BBB-fractie vragen de Minister hoe hij het feit duidt dat een onherroepelijke
uitspraak van de Nederlandse rechter in deze zaak in de praktijk niet wordt uitgevoerd.
Wat betekent dit volgens de Minister voor de geloofwaardigheid van de Nederlandse
rechtsstaat? Acht het kabinet het uitlegbaar dat iemand die in Nederland onherroepelijk
is veroordeeld voor ontvoering van een kind, tot op heden zijn straf niet in Nederland
uitzit?
Antwoord: Zoals wij hebben toegelicht in reactie op vragen van de VVD-fractie, is de tenuitvoerlegging
van een Nederlands vonnis, wanneer een veroordeelde zich in het buitenland bevindt,
in de praktijk vaak complex. Dit komt doordat elk land soeverein is, en daaruit volgt
dat Nederlandse opsporings- en vervolgingsinstanties geen bevoegdheid hebben om op
te treden in andere landen. Wanneer een veroordeelde zich in het buitenland bevindt,
zal Nederland daarom altijd de samenwerking nodig hebben van het betreffende land.
Of een dergelijk verzoek succesvol is, hangt af van verschillende factoren, waaronder
het bestaan van een juridische basis (zoals een bilateraal of multilateraal verdrag),
de wettelijke kaders en procedures van het betreffende land en de bereidwilligheid
om samen te werken. Hoewel de inzet van het kabinet er voortdurend op is gericht om
(bilaterale) internationale strafrechtelijke samenwerking met landen te verbeteren,
is dit een realiteit waar de Nederlandse rechtsstaat zich toe moet verhouden.
De leden van de BBB-fractie vragen de Minister welke mogelijkheden er internationaal
bestaan om naleving van Nederlandse rechterlijke uitspraken in dit soort zaken te
bevorderen fen/of af te dwingen. Heeft Nederland internationale fora of multilaterale
mechanismen benut om deze zaak aan te kaarten? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Antwoord: Omdat India geen verdragsland is, zijn er weinig gelegenheden waarop India in internationale
fora zou kunnen worden aangesproken in verband met deze zaak. De Malta-conferentie,
georganiseerd door het Permanent Bureau van de Haagse Conferentie voor het internationaal
privaatrecht in 2024, waar met niet-verdragslanden gesproken werd over hoe om te gaan
met kinderontvoerings- en kinderbeschermingszaken, had daartoe een gelegenheid kunnen
zijn, maar helaas is India niet op de uitnodiging, om daarbij aanwezig te zijn, ingegaan.
In alle zaken waarbij een verdachte of veroordeelde zich in het buitenland bevindt,
zal Nederland strafrechtelijke samenwerking, die bilateraal tussen landen plaatsvindt,
moeten zoeken met het betreffende land. Of dit succesvol is hangt van verschillende
factoren af, waaronder het bestaan van een juridische basis (bilateraal of multilateraal
verdrag), de wettelijke kaders en procedures van het betreffende land en tot op zekere
hoogte de bereidwilligheid van een land om samen te werken.
De leden van de BBB-fractie vragen de Minister of hij bereid is om deze zaak nadrukkelijker
te framen als een zaak over naleving van rechterlijke uitspraken binnen het strafrecht,
en rechtstatelijke samenwerking, in plaats van uitsluitend als consulaire of familierechtelijke
kwestie.
Antwoord:
Beantwoording volgt later.
De positie van Insiya
De leden van de BBB-fractie vragen of de Minister kan bevestigen dat Insiya enkel
de Nederlandse nationaliteit heeft. Indien de Minister dit bevestigt vragen de leden
welke bijzondere verantwoordelijkheid de Minister voelt voor haar bescherming, terugkeer
en consulaire positie. De leden vragen of Nederland ooit consulaire toegang tot Insiya
hebben gevraagd. Zo ja, wanneer, hoe vaak en met welk resultaat. Zo nee, waarom niet?
Antwoord:
Beantwoording volgt later.
De leden van de BBB-fractie vragen de Minister of Nederland ooit zelfstandig heeft
kunnen vaststellen hoe het met Insiya gaat, los van informatie van de vader, diens
omgeving of de Indiase autoriteiten. Zo nee, vindt de Minister het aanvaardbaar dat
Nederland al jarenlang niet zelfstandig heeft kunnen vaststellen hoe het gaat met
een Nederlands kind dat door een strafbaar feit uit Nederland is weggehaald?
Antwoord:
Beantwoording volgt later.
Uitleveringsverdrag Nederland en India
De leden van de BBB-fractie constateren dat tussen Nederland en India een uitleveringsverdrag
geldt, oorspronkelijk gesloten tussen het VK en Nederland. Kan de Minister bevestigen
dat dit verdrag nog altijd de geldende verdragsbasis vormt voor uitlevering tussen
Nederland en India? En kan de Minister bevestigen dat het verdrag uitlevering mogelijk
maakt van personen die beschuldigd van of zijn veroordeeld voor een misdrijf dat op
het grondgebied van de verzoekende staat is gepleegd en die zich bevinden op het grondgebied
van de aangezochte staat?
Antwoord: Het klopt dat het verdrag van 26 september 1898 tussen het Koninkrijk der Nederlanden
en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Ierland, door middel van een briefwisseling
tussen Nederland en India in 1967, nog altijd van toepassing is.
Hoewel dit verdrag formeel de geldende verdragsbasis kan vormen voor uitlevering,
is – zoals hierboven aangegeven – de feitelijke uitvoering daarmee geen gegeven.
De leden van de BBB-fractie constateren dat het verdrag onder meer «abduction», «Child
stealing» en «kidnapping of minors and their false imprisnoment» noemt als uitleveringsdelicten.
Erkent de Minister dat deze verdragsbepalingen direct raken aan de zaak van Insiya?
De leden vragen de Minister om per genoemd verdragsdelict uiteen te zetten waarom
de feiten waarvoor de vader in Nederland is veroordeeld daar volgens Nederland wel
of niet onder vallen.
Antwoord: Over de inzet in deze specifieke zaak kunnen wij, hoe begrijpelijk de behoefte aan
duidelijkheid ook is, helaas geen uitspraken doen. Voor de bredere context en uitleg
over onze werkwijze verwijzen wij u graag naar de hierboven geformuleerde antwoorden.
De leden van de BBB-fractie vragen de Minister of de Nederlandse strafrechtelijke
veroordeling van de vader juridisch aan India is gepresenteerd onder een of meer van
deze uitleveringscategorieën? Indien Nederland het uitleveringsverzoek niet heeft
gebaseerd op deze verdragscategorieën, waarom niet?
Antwoord: Over de inzet in deze specifieke zaak kunnen wij, hoe begrijpelijk de behoefte aan
duidelijkheid ook is, helaas geen uitspraken doen. Voor de bredere context en uitleg
over onze werkwijze verwijzen wij u graag naar de hierboven geformuleerde antwoorden.
De leden van de BBB-fractie vragen de Minister, indien India heeft betwist dat de
zaak onder deze uitleveringscategoriëen valt, om expliciet toe te lichten op welke
grond India dat heeft gedaan.
Antwoord: Voor de beantwoording van deze vraag verwijzen wij naar onze eerdere opmerking dat
wij over de inzet die in deze specifieke zaak wordt gepleegd geen uitspraken kunnen
doen. Bovendien geldt daarnaast dat er sprake is van vertrouwelijkheid met betrekking
tot interstatelijke correspondentie.
De leden van de BBB-fractie vragen de Minister om te bevestigen dat het verdrag ook
uitlevering mogelijk maakt voor deelneming aan genoemde misdrijven. De leden vragen
de Minister voorts of Nederland in het uitleveringsverzoek expliciet heeft gewezen
op de rol van de vader als uitlokker, medepleger of deelnemer aan de ontvoering.
Antwoord: Over de inzet in deze specifieke zaak kunnen wij, hoe begrijpelijk de behoefte aan
duidelijkheid ook is, helaas geen uitspraken doen. Voor de bredere context en uitleg
over onze werkwijze verwijzen wij u graag naar de hierboven geformuleerde antwoorden.
De leden van de BBB-fractie vragen de Minister of Nederland in het uitleveringsverzoek
onderbouwd heeft dat de gedragingen waarvoor de vader is veroordeeld ook naar Indiaas
recht strafbaar zijn en dus vallen onder de dubbele strafbaarheid. En indien Nederland
dit heeft gedaan, heeft India de dubbele strafbaarheid in deze zaak betwist? Op grond
van welke argumenten dan?
Antwoord: Over de inzet in deze specifieke zaak kunnen wij, hoe begrijpelijk de behoefte aan
duidelijkheid ook is, helaas geen uitspraken doen. Voor de bredere context en uitleg
over onze werkwijze verwijzen wij u graag naar de hierboven geformuleerde antwoorden.
De leden van de BBB-fractie vragen de Minister of India zich heeft beroepen op de
discretionaire mogelijkheid om eigen onderdanen niet uit te leveren. Zo ja, kan het
kabinet dan bevestigen dat het dus niet gaat om een verdragsrechtelijke onmogelijkheid,
maar om een (politieke) keuze van India? En als India weigert om een eigen onderdaan
uit te leveren, heeft Nederland dan van India verlangd dat het de strafvervolging
of strafexecutie in India zelf ter hand neemt? Zo ja, wat was hier de reactie van
India op? Zo nee, waarom niet?
Antwoord: Voor de beantwoording van deze vraag verwijzen wij naar onze eerdere opmerking dat
wij over de inzet die in deze specifieke zaak wordt gepleegd geen uitspraken kunnen
doen. Bovendien geldt daarnaast dat er sprake is vertrouwelijkheid met betrekking
tot interstatelijke correspondentie.
Vrijhandelsakkoord EU-India
De leden van de BBB-fractie constateren dat de Minister stelt dat het recent gesloten
vrijhandelsakkoord tussen de EU en India geen inhoudelijke of juridische aanknopingspunten
bevat voor deze zaak. Deze leden vinden dat een teleurstellende en onbevredigende
conclusie. Wil de Minister op zijn minst erkennen dat handelsrelaties nooit volledig
losstaan van diplomatieke en politieke relaties?
Antwoord:
Beantwoording volgt later.
De leden van de BBB-fractie constateren dat de Europese Commissie het akkoord presenteert
als een versterking van economische en politieke banden tussen de EU en India, en
dat de gepubliceerde teksten hoofdstukken bevatten over institutionele bepalingen,
geschillenbeslechting, transparantie, goede regelgevingspraktijken en duurzame ontwikkeling.
Is de Minister bereid te erkennen dat dit niet hetzelfde is als «geen aanknopingspunten»
voor politieke agendering van rechtsstatelijke samenwerking?
Antwoord:
Beantwoording volgt later.
De leden van de BBB-fractie vragen de Minister, indien hij bij zijn conclusie blijft
dat er geen aanknopingspunten zijn, om dan per relevant hoofdstuk toe te lichten waarom
daar geen enkele mogelijkheid bestaat om de bredere rechtstatelijke relatie met India
te agenderen?
Antwoord:
Beantwoording volgt later.
De leden van de BBB-fractie vragen de Minister of hij/Nederland bereid is om bij de
Raad, de Europese Commissie en de EU-delegatie in New Delhi te bepleiten dat samenwerking
op justitieel gebied, kinderbescherming, internationale kinderontvoering, naleving
van rechtelijke uitspraken, het familierecht en het ontbreken van een effectieve medewerking
door India onderdeel wordt van de bredere EU-India relatie. Zo nee, waarom niet?
Antwoord:
Beantwoording volgt later.
Kinderrechten en internationale verplichtingen
De leden van de BBB-fractie vragen de Minister of het kabinet deze zaak expliciet
beoordeelt onder het VN-Kinderrechtenverdrag. Kan de Minister aangeven hoe Nederland,
gegeven het feit dat Insiya een Nederlands kind is en de Nederlandse rechter het gezag
bij haar moeder heeft gelegd, invulling geeft aan het belang van het kind, het recht
op behoud van familiebanden en de verplichting om illegale overbrenging en niet-terugkeer
van kinderen naar het buitenland te bestrijden?
De leden van de BBB-fractie vragen de Minister of India in bilaterale contacten expliciet
is gewezen op de verplichtingen uit het VN-Kinderrechtenverdrag, in het bijzonder de verplichting om illegale overbrenging en niet-terugkeer
van kinderen te bestrijden. Zo ja, wanneer is dit gebeurd en wat was de reactie van
India? Zo nee, waarom heeft Nederland dit kinderrechtelijke kader niet nadrukkelijker
ingezet?
Antwoord: Wij zijn ermee bekend dat India is aangesloten bij het IVRK en dit is ook eerder
opgebracht richting India. Artikel 11 van het IVRK verplicht staten om maatregelen
te treffen om ongeoorloofde overbrenging te bestrijden en dit te bewerkstelligen door
het sluiten van bilaterale of multilaterale overeenkomsten. In dit kader is Nederland
partij bij het Haags Kinderontvoeringsverdrag. Het Haags Kinderontvoeringsverdrag
bevat wel afspraken en actieve verdragsverplichtingen voor landen over het teruggeleiden
van kinderen waar zij zich aan dienen te houden en waar zij op aangesproken kunnen
worden. India is echter niet aangesloten bij dit verdrag.
Het Haags Kinderontvoeringsverdrag
De leden van de BBB-fractie vragen de Minister of hij kan bevestigen dat India geen
partij is bij het Haags Kinderontvoeringsverdrag. Welke gevolgen heeft dat concreet
gehad voor deze zaak? En heeft Nederland India de afgelopen jaren aangespoord om toe
te treden tot het Haags Kinderontvoeringsverdrag? Zo nee, waarom niet? En is de Minister
bereid om toetreding van India tot het Haags Kinderontvoeringsverdrag actief te agenderen
in bilaterale gesprekken in EU-verband?
Antwoord:
Beantwoording volgt later.
Is de Minister bereid om, tot de tijd dat India toetreedt tot het Haags Kinderontvoeringsverdrag,
met India een bilateraal noodprotocol of werkafspraak te sluiten voor kinderontvoeringszaken,
gericht op snelle lokalisering, onafhankelijke welzijnscontrole, contactherstel, erkenning
van gezagsbeslissingen en een concreet terugkeerpad?
Antwoord:
Beantwoording volgt later.
Strategisch partnerschap met India
De leden van de BBB-fractie constateren dat de Indiase Minister-President een strategisch
partnerschap tussen Nederland en India heeft aangekondigd (Indiase premier kondigt
snel partnerschap met Nederland aan | WNL). De leden vragen de Minister wat dit strategische
partnerschap tussen Nederland en India concreet in gaat houden. Welke beleidsterreinen
vallen onder dat strategische partnerschap? Worden justitiële samenwerking, rechsstatelijke
samenwerking en kinderbescherming onderdeel van dit strategische partnerschap? Zo
nee, waarom niet? Is de Minister bereid om deze zaak expliciet te betrekken bij de
vormgeving en tot standkoming van een strategisch partnerschap met India? Zo nee,
waarom niet? En vindt de Minister het geloofwaardig om te spreken van een strategisch
partnerschap als fundamentele rechtstatelijke kwesties tussen beide landen onopgelost
blijven? En kan het kabinet toezeggen dat samenwerking met India op economisch en
technologisch terrein niet los wordt gezien van deze zaak?
Antwoord:
Beantwoording volgt later.
Bezoek van Minister-President Modi aan Nederland
De leden van de BBB-fractie hebben vernomen dat Minister-President Modi Nederland
op korte termijn bezoekt. Kan de Minister aangeven wanneer dit bezoek precies plaatsvindt,
en wanneer en met welke (politieke) ambtsdragers Modi komt te spreken volgens het
programma.
Antwoord: Het bezoek van de Indiase premier Modi vindt plaats op 16 en 17 mei 2026. Tijdens
het bezoek zal premier Modi onder meer spreken met de Minister-President, de Minister
van Buitenlandse Zaken en de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking,
en zal tevens een onderhoud plaatsvinden met Zijne Majesteit de Koning.
De leden van de BBB-fractie vragen of deze zaak al op de agenda van dit bezoek staat.
Zo ja, op welk niveau en met welke concrete inzet? Zo nee, waarom nog niet? Is de
Minister bereid om voorafgaand aan het bezoek expliciet bij India aan te kondigen
dat Nederland deze zaak op het hoogste politieke niveau zal opbrengen? En is Minister-President
Jetten bereid om Modi persoonlijk te vragen om medewerking aan de terugkeer van Insiya
en de tenuitvoerlegging van de straf van de vader? En is de Minister-President bereid
om ook aan de Koning te vragen, mocht een ontmoeting tussen hem en Modi op de planning
staan, of hij ook persoonlijk aan Modi wil vragen om medewerking aan de terugkeer
van Insiya en de tenuitvoerlegging van de straf van de vader?
Antwoord: Het kabinet brengt de zaak van het meisje Insiya in bilaterale contacten op bij de
Indiase autoriteiten en zal deze zaak ook tijdens het aankomend bezoek van premier
Modi op het hoogste niveau expliciet bij India onder de aandacht brengen.
De leden van de BBB-fractie vragen de Minister of het kabinet bereid is om niet alleen
te spreken over «aandacht vragen», maar om concrete uitkomsten te vragen, zoals contactherstel,
consulaire toegang, medewerking aan uitlevering en een tijdpad voor terugkeer.
Antwoord: Het kabinet kan bevestigen dat het in contacten met de Indiase autoriteiten inzet
op concrete stappen waaronder uitvoering van de rechterlijke uitspraken, contactherstel,
medewerking aan uitlevering en consulaire toegang. Het kabinet acht het niet in het
belang van de zaak om over deze gesprekken publiekelijk in details te treden.
De leden van de BBB-fractie vragen de Minister of het kabinet bereid is om vóór het
bezoek van Minister-President Modi een aangescherpt handelingskader vast te stellen,
met concrete doelen, termijnen en vervolgstappen. Daarbij vragen deze leden in ieder
geval om niet alleen te spreken over «aandacht vragen», maar om concrete uitkomsten
te vragen en in te gaan op consulaire toegang, onafhankelijk vaststellen van Insiya’s
welzijn, structureel contactherstel met haar moeder, een tijdpad voor terugkeer van
Insiya en medewerking aan uitlevering of een juridisch alternatief. Ook vragen zij
welke consequenties het kabinet verbindt aan het opnieuw uitblijven van medewerking
door India, en of de zaak dan wordt opgeschaald naar het hoogste politieke niveau
en in EU-verband.
Antwoord: Het doel in deze schrijnende zaak is te allen tijden om tot zo snel mogelijke terugkeer
van Insiya te komen en daarbij in elk geval tot contact herstel te komen tussen moeder
en dochter. Daarbij zal nogmaals aangedrongen worden op consulaire toegang tot het
meisje Insiya. De Kamer kan erop vertrouwen dat alles gedaan wordt – tot op het hoogste
politieke niveau – om dit te realiseren, maar het kabinet kan niet in gaan op de specifieke
inzet bij individuele gevallen.
De leden van de BBB-fractie vragen de Minister of hij de Kamer direct na het bezoek
kan informeren over wat hierover precies is besproken, en wat India heeft toegezegd.
En welke concrete stappen zet het kabinet als India tijdens of na dit bezoek opnieuw
geen beweging laat zien?
Antwoord: Het kabinet is bereid de Kamer na afloop van het bezoek van premier Modi in algemene
zin te informeren over de wijze waarop de zaak Insiya in de gesprekken aan de orde
is gesteld, waarbij er rekening dient te worden gehouden met de vertrouwelijkheid.
Het kabinet informeert de Kamer wanneer er nieuwe ontwikkelingen zijn en zal de Kamer
in algemene zin informeren over deze zaak bij het jaarlijkse overzicht van zaken (n.a.v.
motie Ellian).
Informatievoorziening aan de Kamer
De leden van de BBB-fractie constateren dat in de beslisnota behorende bij de Kamerbrief
op meerdere plekken informatie is weggelakt met een beroep op het «procesbelang van
de staat». Kan de Minister concreet maken wat hieronder wordt verstaan in deze zaak?
Gaat het om een lopende juridische procedure, diplomatie onderhandelingen, consulaire
belangen, of iets anders? Hoe weegt het kabinet dit procesbelang tegen het grondwettelijke
informatierecht van de Kamer? En is de Minister bereid om de weggelakte passages vertrouwelijk
aan de Kamer te verstrekken? Zo nee, waarom niet?
Antwoord:
Beantwoording volgt later.
Vervolgstappen bij uitblijvende resultaat
De leden van de BBB-fractie vragen de Minister welke diplomatieke, politieke en beleidsmatige
drukmiddelen Nederland daadwerkelijk heeft geïnventariseerd indien India opnieuw geen
concrete medewerking verleent. Kan de Minister daarbij ingaan op opschaling in EU-verband,
agendering in mensenrechten- en rechtsstaatdialogen, het verbinden van de zaak aan
hoogambtelijke bezoeken, handelsmissies, visumfacilitatie, talentmobiliteit, defensiesamenwerking,
technologiesamenwerking en andere vormen van bilaterale samenwerking?
Antwoord:
Beantwoording volgt later.
De leden van de BBB-fractie vragen de Minister of het kabinet bereid is om een escalatieladder
met termijnen aan de Kamer te sturen, desnoods vertrouwelijk. Kan de Minister daarbij
aangeven welke stap volgt na dertig dagen zonder concrete toezegging van India, welke
stap volgt na zestig dagen, en welke stap volgt na negentig dagen?
Antwoord: Het doel in deze schrijnende zaak is te allen tijden om tot zo snel mogelijke terugkeer
van Insiya te komen en daarbij eveneens tot contact herstel te komen tussen moeder
en dochter. De Kamer kan erop vertrouwen dat alles gedaan wordt – tot op het hoogste
niveau – om dit te realiseren, maar het kabinet kan niet in gaan op de specifieke
inzet bij individuele gevallen.
6. Vragen en opmerkingen van de leden van de groep Markuszower
De leden van Groep Markuszower hebben kennisgenomen van de Kamerbrief van 14 april
2026 over de inzet bij internationale kinderontvoering naar India, en in het bijzonder
de zaak van Insiya.
De leden van Groep Markuszower wijzen erop dat deze zaak niet alleen gaat over complexe
internationale verhoudingen, maar begint bij een gewelddadige ontvoering die zich
op klaarlichte dag in Amsterdam heeft afgespeeld. Een jong kind is daarbij met grof
geweld meegenomen, midden in onze rechtsstaat. Tegen die achtergrond dringt zich een
fundamentele vraag op: welk signaal denkt het kabinet af te geven door feitelijk te
accepteren dat deze ontvoering tot op de dag van vandaag niet heeft geleid tot daadwerkelijke
terugkeer van het kind en dat de hoofdverantwoordelijke zich daaraan kan blijven onttrekken?
Antwoord: Het kabinet is continue aan de slag om in deze schrijnende zaak te komen tot een
zo snel mogelijke terugkeer van Insiya en daarbij eveneens tot contact herstel tussen
moeder en dochter. Dat dit nog niet tot terugkeer heeft geleid, betekent geen berusting:
het kabinet blijft de zaak op verschillende niveaus bij de Indiase autoriteiten aankaarten.
Tot slot wordt alle mogelijke inzet gepleegd om tot de ten uitvoer van het onherroepelijke
vonnis te komen ten aanzien van vader.
Deze leden moeten constateren dat er al jarenlang wordt gesproken over inzet, aandacht
en diplomatieke inspanningen, maar dat het resultaat uitblijft. Insiya verblijft nog
altijd in India en heeft haar moeder al jaren niet gezien. De vraag dringt zich op
wat de inzet van het kabinet feitelijk waard is als dit niet leidt tot concrete stappen
richting terugkeer. Kan het kabinet daarom helder en zonder omhaal aangeven: wat heeft
de gekozen strategie tot nu toe concreet opgeleverd en waarom zou diezelfde aanpak
in de toekomst wél tot resultaat leiden? Ziet het kabinet niet in dat er een drastische
koerswijziging nodig is door meer druk uit te oefenen op India?
Antwoord: Het kabinet brengt de zaak van het meisje Insiya in bilaterale contacten op bij de
Indiase autoriteiten en zal deze zaak ook tijdens het aankomend bezoek van premier
Modi op het hoogste niveau expliciet bij India onder de aandacht brengen.
De ingrijpende zaak van Insiya heeft de onverminderde aandacht van het kabinet en
de huidige Nederlandse inzet wordt constant geëvalueerd waarbij eventuele nieuwe mogelijkheden
voor intensivering op dit onderwerp voortdurend worden meegenomen.
De leden lezen dat India stelt niet te kunnen ingrijpen in de eigen rechtsgang. Deze
leden vragen het kabinet of het deze redenering accepteert, terwijl er sprake is van
een onherroepelijk Nederlands vonnis en een situatie waarin een kind al jarenlang
wordt onttrokken aan het eenhoofdig ouderlijk gezag van de moeder. Waar ligt voor
het kabinet de grens? Wanneer is «begrip voor de lokale rechtsgang» niet langer verdedigbaar?
Antwoord:
Beantwoording volgt later.
De leden constateren dat Nederland binnen Europa wél resultaten boekt, zoals de aanhouding
en overlevering van een veroordeelde in deze zaak. Dat maakt het contrast met India
des te schrijnender. Is het kabinet bereid om expliciet uit te spreken dat India in
deze zaak onvoldoende meewerkt? Zo nee, waarom wordt die conclusie niet getrokken?
Antwoord: Binnen de Europese Unie geldt een ander juridisch kader waarmee een verdergaande
vorm van strafrechtelijke samenwerking is geregeld dan met landen buiten de EU. Waar
samenwerking binnen de EU gebaseerd is op vergaand wederzijds vertrouwen en geharmoniseerde
procedures, vereist samenwerking met landen buiten de EU een andere benadering waarbij
de juridische en praktische samenwerking per land sterk kan verschillen.
Met het aanstaande bezoek van de Indiase Minister-President Narendra Modi aan Nederland
zien deze leden een cruciaal moment. Kan het kabinet toezeggen dat deze zaak op het
hoogste niveau en ondubbelzinnig aan de orde wordt gesteld? Wordt daarbij ook expliciet
gevraagd om concrete stappen van Indiase zijde en zo ja, welke?
Antwoord: Het kabinet brengt de zaak van het meisje Insiya in bilaterale contacten op bij de
Indiase autoriteiten en zal deze zaak ook tijdens het aankomend bezoek van premier
Modi op het hoogste niveau ondubbelzinnig bij India onder de aandacht brengen. Het
kabinet acht het niet in het belang van de zaak om over de expliciet gevraagde stappen
publiekelijk in details te treden.
Kan de Kamer na afloop van het bezoek zo snel mogelijk een brief ontvangen met daarin
de gestelde eisen, de gegeven garanties en gekoppelde sancties?
Antwoord: Het kabinet is bereid de Kamer na afloop van het bezoek van premier Modi in algemene
zin te informeren over de wijze waarop de zaak Insiya in de gesprekken aan de orde
is gesteld, waarbij er rekening dient te worden gehouden met de vertrouwelijkheid.
De leden vragen het kabinet voorts of er daadwerkelijk drukmiddelen worden ingezet,
of dat het bij diplomatieke gesprekken en verzoeken blijft. Welke consequenties verbindt
het kabinet aan het uitblijven van medewerking door India? Zijn er scenario’s uitgewerkt
waarin Nederland de relatie met India op onderdelen herziet als er geen voortgang
komt?
Antwoord: Over de inzet in deze specifieke zaak kunnen wij, hoe begrijpelijk de behoefte aan
duidelijkheid ook is, helaas geen uitspraken doen. Voor de bredere context en uitleg
over onze werkwijze verwijzen wij u graag naar de hierboven geformuleerde antwoorden.
Daarnaast vragen deze leden of het kabinet bereid is om deze zaak en vergelijkbare
zaken, nadrukkelijker onderdeel te maken van de bredere bilaterale en Europese agenda
richting India. Waarom wordt nu gesteld dat er geen relatie is met bijvoorbeeld economische
samenwerking, terwijl juist die relatie mogelijk invloed kan uitoefenen?
Antwoord:
Beantwoording volgt later.
De leden vragen het kabinet ook om duidelijkheid over de inzet richting de vader,
die wordt gezien als de centrale figuur achter de ontvoering. Welke concrete stappen
worden gezet om hem ter verantwoording te roepen? Wordt er actief ingezet op internationale
signaleringen, opsporingsverzoeken of andere juridische instrumenten en zo ja, met
welk resultaat?
Antwoord: Over de inzet in deze specifieke zaak kunnen wij, hoe begrijpelijk de behoefte aan
duidelijkheid ook is, helaas geen uitspraken doen. Voor de bredere context en uitleg
over onze werkwijze verwijzen wij u graag naar de hierboven geformuleerde antwoorden.
Tot slot vragen de leden het kabinet om niet opnieuw te volstaan met algemene formuleringen
over inzet, maar concreet te maken wat er de komende weken en maanden gaat gebeuren.
Welke stappen worden vóór, tijdens en na het bezoek van Minister-President Modi gezet
en welke resultaten moeten dat opleveren?
Antwoord: Het doel in deze schrijnende zaak is ten alle tijden om tot zo snel mogelijke terugkeer
van Insiya te komen en daarbij in elk geval tot contact herstel te komen tussen moeder
en dochter. De Kamer kan erop vertrouwen dat alles gedaan wordt om dit te realiseren,
maar het kabinet kan niet in gaan op de specifieke inzet bij individuele gevallen.
Voor de leden van Groep Markuszower staat voorop dat het hier gaat om een kind dat
al jarenlang van haar moeder is gescheiden. Dat vraagt niet om terughoudendheid, maar
om zichtbare inzet en, waar nodig, om het opvoeren van de druk.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
B.J. Eerdmans, voorzitter van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid -
Mede ondertekenaar
I. van Tilburg, adjunct-griffier