Memorie van toelichting : Memorie van toelichting
36 942 Wijziging van de Telecommunicatiewet, de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken, en andere wetten in verband met de uitvoering van verordening (EU) 2024/1309 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2024 inzake maatregelen om de kosten van de uitrol van elektronischecommunicatienetwerken met gigabitsnelheden te verlagen, tot wijziging van Verordening (EU) 2015/2120 en tot intrekking van Richtlijn 2014/61/EU
Nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING
A. ALGEMEEN DEEL
1. Inleiding
Met dit wetsvoorstel wordt uitvoering gegeven aan verordening (EU) 2024/1309 inzake
maatregelen om de kosten van de uitrol van elektronische communicatienetwerken met
gigabitsnelheden te verlagen, tot wijziging van verordening (EU) 2015/2120 en tot
intrekking van richtlijn 2014/61/EU (gigabitinfrastructuurverordening). In de gigabitinfrastructuurverordening
(hierna: verordening) zijn diverse maatregelen opgenomen die gericht zijn op het versterken
en harmoniseren van geldende rechten en verplichtingen om de uitrol van zogenoemde
netwerken met zeer hoge capaciteit (hierna: VHC-netwerken) te versnellen. Dit zijn
glasvezelnetwerken of netwerken die een daarmee vergelijkbare (zowel download als
upload) snelheid kunnen leveren, alsmede mobiele 5G-netwerken. Het doel van de verordening
is om de uitrol van VHC-netwerken te versnellen, te vergemakkelijken en goedkoper
te maken. De verordening regelt daartoe het gedeeld gebruik van infrastructuur, de
coördinatie van civiele werken, het stroomlijnen van vergunningsverleningsprocedures
en stelt regels vast om ervoor te zorgen dat gebouwen geschikt zijn voor de aanleg
van VHC-netwerken.
Met de verordening wordt Richtlijn 2014/61/EU van het Europese Parlement en de Raad
van 15 mei 2014 inzake maatregelen ter verlaging van de kosten van de aanleg van elektronischecommunicatienetwerken
met hoge snelheid (PbEU 2014, L 155) (hierna: richtlijn breedband) ingetrokken. De
richtlijn breedband kan worden gezien als de voorloper van de verordening en was gericht
op het versnellen van de aanleg van elektronische communicatienetwerken met een snelheid
van 30 Mbps of meer. De in de verordening geregelde onderwerpen komen goeddeels overeen
met die in de richtlijn breedband. Wel is de verordening op diverse punten verder
uitgewerkt dan de richtlijn en bevat deze een aantal nieuwe verplichtingen. Hierop
zal hierna worden ingegaan.
De implementatie van de richtlijn breedband heeft destijds plaatsgevonden in de Telecommunicatiewet,
met name door wijzigingen in hoofdstuk 5 en de invoeging van een nieuw hoofdstuk 5a
betreffende het medegebruik van voorzieningen en de coördinatie van civiele werken,
alsmede door het vervangen van de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten
door de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken
(hierna: WIBON). In deze uitvoeringswet wordt daarom onder meer hoofdstuk 5 van de
Telecommunicatiewet aangepast en wordt het oude hoofdstuk 5a vervangen door een nieuw
hoofdstuk dat ziet op de uitvoering van de verordening. Verder wordt de WIBON aangepast.
2. Inhoud van de verordening op hoofdlijnen
De verordening heeft tot doel de uitrol van VHC-netwerken te faciliteren en te stimuleren
door het gezamenlijke gebruik van bestaande fysieke infrastructuur te bevorderen en
door een efficiëntere uitrol van nieuwe fysieke infrastructuur mogelijk te maken,
zodat dergelijke netwerken sneller en goedkoper kunnen worden uitgerold. Het gaat
bij de verordening om minimumharmonisatie. Lidstaten kunnen, uitzonderingen daargelaten,
regels vaststellen die strikter of gedetailleerder zijn dan de minimumeisen uit de
verordening.
Toegang tot fysieke infrastructuur
Netwerkexploitanten en overheidsinstanties die eigenaar zijn van of zeggenschap hebben
over fysieke infrastructuur moeten voldoen aan alle redelijke verzoeken van exploitanten1 om toegang tot die fysieke infrastructuur ten behoeve van de uitrol van VHC-netwerken.
Deze toegang moet geschieden onder redelijke en billijke voorwaarden.2 Onder netwerkexploitanten3 moet niet alleen een (andere) aanbieder van een openbaar elektronisch communicatienetwerk
of bijbehorende faciliteit worden verstaan, maar ook een onderneming die fysieke infrastructuur
heeft op het gebied van productie, transport of distributie van gas, verwarming, water
(inclusief riolering en drainage systemen). Daarnaast vallen ook ondernemingen met
fysieke infrastructuur die vervoer verzorgen (wegen, spoorwegen, tunnels, havens en
luchthavens) onder de verplichting te voldoen aan redelijke toegang tot de fysieke
infrastructuur. De verplichting voor netwerkexploitanten die eigenaar zijn van of
zeggenschap hebben over fysieke infrastructuur om toegang te verlenen is niet nieuw
en kwam reeds voor in de richtlijn breedband en ter implementatie daarvan in hoofdstuk
5a van de Telecommunicatiewet.4 Nieuw ten opzichte van de richtlijn breedband en hoofdstuk 5a van de Telecommunicatiewet
is dat naast netwerkexploitanten ook overheidsinstanties die eigenaar zijn van of
zeggenschap hebben over fysieke infrastructuur onder de toegangsverplichting vallen.
Nieuw in de verordening is verder dat ten opzichte van de richtlijn breedband in de
verordening ook aanbieders van bijbehorende faciliteiten (zoals bijvoorbeeld aanbieders
van antennemasten, aanbieders van dakruimte voor het opstellen van antennes, en aanbieders
van lege mantelbuizen) onder de toegangsverplichting (medegebruiksverplichting) vallen.
Voor Nederland is dit echter niet nieuw. Een dergelijke verplichting gold immers al
ter uitvoering van nationaal beleid op grond van artikel 5a.3, tweede lid, van de
Telecommunicatiewet. Wel is het zo dat onder meer door de in de verordening opgenomen
uitbreiding naar toegang tot fysieke infrastructuur van overheidsinstanties, ook de
aanbieders van bijbehorende faciliteiten extra rechten krijgen ten opzichte van de
huidige situatie.
Voorts verplicht de verordening rechtspersonen die actief zijn als huurders of die
huurcontracten beheren namens grondeigenaren met betrekking tot grond waarop faciliteiten
worden of zijn geïnstalleerd met het oog op de uitrol van elementen van VHC-netwerken
te goeder trouw te onderhandelen met exploitanten over de toegang tot dergelijke grond
overeenkomstig het nationale overeenkomstenrecht. Deze verplichting ziet dus niet
op overeenkomsten tussen grondeigenaren zelf en exploitanten. De voorgenoemde rechtspersonen
en exploitanten brengen de nationale regelgevende instantie in kennis van de bereikte
overeenkomst. In Nederland zal deze instantie de Autoriteit Consument en Markt (hierna:
ACM) zijn.
De verordening biedt verder de mogelijkheid om in landelijke gebieden en onder bepaalde
voorwaarden in de nationale wetgeving eigenaren van particuliere commerciële gebouwen
te verplichten te voldoen aan redelijke verzoeken om toegang tot hun gebouw, inclusief
het dak. Deze bepaling lijkt vooral gericht te zijn op het kunnen plaatsen van antennes
op het dak van een (hoog) gebouw. Uit de in de verordening opgenomen voorwaarden blijkt
verder dat de bepaling ziet op gebouwen in afgelegen gebieden waar geen VHC-netwerk
beschikbaar is. Gezien de genoemde voorwaarde lijkt deze bepaling voor Nederland niet
relevant. Nederland kent immers geen of nauwelijks afgelegen gebieden zoals die er
wel zijn in sommige andere lidstaten. Daarom is in de uitvoeringswet van de mogelijkheid
die de verordening op dit punt biedt geen gebruik gemaakt.
Verder voorziet de verordening erin dat de Europese Commissie na raadpleging van belanghebbenden
en diverse instanties richtsnoeren vaststelt met betrekking tot de toegang tot fysieke
infrastructuur.
Om verzoeken te kunnen doen tot toegang van fysieke infrastructuur moeten partijen
die een VHC-netwerk willen aanleggen weten welke fysieke infrastructuur er in het
gebied waar zij het netwerk willen aanleggen beschikbaar is. Daarom heeft de aanlegger,
net als al was voorzien in de richtlijn breedband, het recht om op verzoek via een
zogenoemd centraal informatiepunt toegang te krijgen tot bepaalde minimuminformatie
over bestaande fysieke infrastructuur, zoals geografische informatie over de ligging
van de fysieke infrastructuur, het type en huidig gebruik van de infrastructuur en
een contactpunt.
Uitgangspunt is dat de bedoelde informatie direct beschikbaar is via het centrale
informatiepunt. Mocht de gevraagde informatie echter niet beschikbaar zijn, dan moet
deze binnen 10 dagen na het verzoek alsnog in elektronische vorm beschikbaar worden
gesteld. Bovendien hebben netwerkexploitanten en de betreffende overheidsinstanties
de verplichting om de informatie actueel te houden door iedere actualisering onmiddellijk
beschikbaar te stellen. Daarnaast moeten netwerkexploitanten en overheidsinstanties
voldoen aan schriftelijke verzoeken van een exploitant om inspectie van de fysieke
infrastructuur.
Overigens kan de verstrekking van de minimumformatie en de inspectie geweigerd worden
wanneer dat noodzakelijk is voor de veiligheid van bepaalde gebouwen die eigendom
zijn of onder zeggenschap staan van overheidsinstanties, de veiligheid en integriteit
van de netwerken, de nationale veiligheid, de veiligheid van nationale kritieke infrastructuur,
de volksgezondheid of de openbare veiligheid, of om redenen van vertrouwelijkheid
of handels- of bedrijfsgeheimen. Uit de verordening blijkt niet welke entiteit bevoegd
is om te beoordelen of de toegang tot informatie wordt beperkt of geweigerd. Het ligt
in de rede dat dit de netwerkexploitanten en overheidsinstanties zijn die op grond
van artikel 4, derde lid, van de verordening de minimuminformatie beschikbaar moeten
stellen. De redenen om de toegang tot informatie te kunnen beperken of weigeren uit
artikel 4, eerste lid, van de verordening komen namelijk deels overeen met de redenen
om de toegang tot de fysieke infrastructuur te kunnen weigeren op grond van artikel 3,
vijfde lid, van de verordening. In dat lid wordt wel geëxpliciteerd dat de netwerkexploitanten
en overheidsinstanties die eigenaar zijn van of zeggenschap hebben over fysieke infrastructuur
degenen zijn die de bevoegdheid hebben om te weigeren. De weigeringsgronden die overeenkomen
zijn: (nationale) veiligheid, volksgezondheid, integriteit en veiligheid van een netwerken.
Redenen van vertrouwelijkheid of handels- en bedrijfsgeheimen worden wel genoemd in
artikel 4, eerste lid, maar niet in artikel 3, vijfde lid, van de verordening. Maar
bij die redenen ligt het juist voor de hand dat de netwerkexploitant of overheidsinstantie
de meest adequate entiteit is om te beoordelen of daarvan sprake is.
De relatie tussen de exploitant die informatie verzoekt en de netwerkexploitant dan
wel overheidsinstantie heeft een privaatrechtelijk karakter.5 Indien de exploitant meent dat de informatie onterecht wordt beperkt of geweigerd,
kan deze een handhavingsverzoek indienen bij de ACM. Daarnaast is het mogelijk om
de zaak voor te leggen aan de ACM in het kader van de geschillenbeslechting op grond
van artikel 13, eerste lid, onderdeel b, van de verordening. Ook kan een civiele rechtsvordering
ingesteld worden aangezien er dan potentieel wordt gehandeld in strijd met een wettelijke
plicht en er dus sprake kan zijn van een onrechtmatige daad.
Daarnaast geldt de verplichting tot verstrekking van minimuminformatie en inspectie
niet indien de fysieke infrastructuur in technisch opzicht niet geschikt is voor de
uitrol van VHC-netwerken of bijbehorende faciliteiten of wanneer de fysieke infrastructuur
niet onder de toegangsverplichtingen van artikel 3 van de verordening valt. Ook mag
de beschikbaarstelling van informatie en inspectie op voorhand door een lidstaat worden
uitgesloten indien het nationale kritieke infrastructuur betreft of als uit een kosten-batenanalyse
blijkt dat de kosten van de beschikbaarheidsstelling niet opwegen tegen de baten van
de toegang tot de informatie over die fysieke infrastructuur. In het wetsvoorstel
is daarom voorzien in de mogelijkheid om de uitsluiting bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur uit te werken.
Coördinatie van civiele werken
De verordening voorziet verder in regels met betrekking tot de coördinatie van civiele
werken. Onder civiele werken wordt verstaan «elk product van een geheel van bouwkundige
of civieltechnische werken dat bestemd is om als zodanig een economische of technische
functie te vervullen en dat een of meer elementen van een fysieke infrastructuur omvat».6 Netwerkexploitanten en overheidsinstanties die eigenaar zijn van of zeggenschap hebben
over fysieke infrastructuur (bijvoorbeeld de gebouwen van de ministeries of van een
gemeente), hebben het recht met exploitanten die elementen van VHC-netwerken of bijbehorende
faciliteiten uitrollen, te onderhandelen over het sluiten van een overeenkomst voor
de coördinatie van civiele werken.
Hier staat tegenover dat overheidsinstanties die eigenaar zijn van of zeggenschap
hebben over fysieke infrastructuur, net als netwerkexploitanten die civiele werken
uitvoeren die geheel of gedeeltelijk met overheidsmiddelen worden gefinancierd, moeten
voldoen aan elk redelijk schriftelijk verzoek tot coördinatie van civiele werken gedaan
door exploitanten die elementen van VHC-netwerken of bijbehorende faciliteiten uitrollen.
In de verordening is nader uitgewerkt wanneer aan een dergelijk coördinatieverzoek
moet worden voldaan. Verder moet het orgaan van samenwerkende Europese toezichthouders
op het gebied van elektronische communicatie (Body of European Regulators for Electronic
Communications, hierna: Berec) richtsnoeren opstellen ten aanzien van de coördinatieverplichting,
onder meer over de verdeling van de kosten in verband met de coördinatie. Overigens
zal deze verplichting in de huidige Nederlandse praktijk niet gelden voor netwerkexploitanten
in de telecommunicatiesector aangezien in Nederland de telecommunicatienetwerken nagenoeg
geheel privaat worden gefinancierd.
Om het doen van een coördinatieverzoek te vergemakkelijken bepaalt de verordening
dat elke netwerkexploitant en elke overheidsinstantie die eigenaar is van of zeggenschap
heeft over fysieke infrastructuur, via het centraal informatiepunt, bepaalde minimuminformatie
in elektronische vorm ter beschikking moet stellen over de voorgenomen civiele werken.
De verordening stelt verder procedurele en inhoudelijke eisen aan de te verstrekken
informatie. Zo moet de informatie correct en actueel zijn. Daarnaast moet de netwerkexploitant,
zodra hij beschikt over de informatie over de door hem in de komende zes maanden geplande
civiele werken en indien een vergunning wordt beoogd, uiterlijk twee maanden voordat
de vergunningsaanvraag voor het eerst bij de bevoegde autoriteiten wordt ingediend,
deze informatie verstrekken.
Exploitanten die VHC-netwerken of bijbehorende faciliteiten willen uitrollen hebben
het recht om de informatie te verkrijgen binnen de in de verordening gestelde termijnen
en voorwaarden. De toegang tot de informatie kan alleen worden geweigerd wanneer dat
noodzakelijk is met het oog op de veiligheid en de integriteit van de netwerken, de
nationale veiligheid, de veiligheid van kritieke infrastructuur, de volksgezondheid
of de openbare veiligheid, of om redenen van vertrouwelijkheid of handels- en bedrijfsgeheimen.
Ook hier geldt, net zoals bij de informatie ten behoeve van de toegang tot fysieke
infrastructuur, dat uit de verordening niet duidelijk blijkt welke entiteit kan weigeren.
Maar ook hier ligt het in de rede dat dit de netwerkexploitanten en overheidsinstanties
zijn die op grond van de verordening de minimuminformatie beschikbaar moeten stellen.
Lidstaten kunnen bovendien in hun nationale regelgeving bepaalde soorten civiele werken
buiten de informatieplicht laten vallen. Het kan daarbij gaan om civiele werken van
beperkte omvang of civiele werken die verband houden met nationale kritieke infrastructuur,
noodsituaties of nationale veiligheid. Het voornemen bestaat om deze uitzonderingen
in de lagere regelgeving nader uit te werken. Voor zover het gaat om werken van beperkte
omvang wordt daarbij op dit moment gedacht aan civiele werken die minder dan x werkdagen
in beslag nemen, dan wel minder dan y euro kosten. Bij nationale kritieke infrastructuur
kan, bijvoorbeeld, worden gedacht aan militaire terreinen en vliegvelden. Hiervoor
wordt onder andere aangesloten bij de civiele werken genoemd in artikel 8 van het
Besluit informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken.
Voorts kunnen overheidsinstanties die eigenaar zijn van of zeggenschap hebben over
fysieke infrastructuur en netwerkexploitanten zelf besluiten geen informatie ter beschikking
te stellen. Dat kan ten aanzien van civiele werken die beperkt zijn in omvang of ten
aanzien van werken die van belang zijn voor de door de lidstaten vastgestelde noodredenen.
Tevens kunnen lidstaten bepalen dat overheidsinstanties die eigenaar zijn van of zeggenschap
hebben over fysieke infrastructuur en netwerkexploitanten informatie betreffende bepaalde
geplande civiele werken niet ter beschikking mogen stellen. In dit wetsvoorstel is
een grondslag opgenomen om bij of krachtens algemene maatregel van bestuur hier regels
over te kunnen stellen.
Vergunningen
De verordening bevat voorts regels ten aanzien van de verlening en verlenging van
vergunningen die nodig zijn voor het kunnen uitrollen van elementen van VHC-netwerken.
Het gaat hierbij niet alleen om de instemming die nodig is van het college van burgermeester
en wethouders omtrent het tijdstip, de plaats en de wijze van uitvoering van de werkzaamheden
voor de aanleg van telecomkabels of de vergunning voor de bouw van antenne-installaties
vanaf 5 meter op grond van respectievelijk artikel 5.3 van de Telecommunicatiewet
en artikel 2.26 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl), maar ook om
eventuele andere vergunningen die nodig zijn voor de uitrol van VHC-netwerken en bijbehorende
faciliteiten, zoals een vergunning voor het aanleggen in waterstaatswerken en vergunningen
in het kader van beschermde dorps- en stadsgezichten. Uitgangspunt bij die vergunningen
is dat de bevoegde autoriteiten de uitrol van VHC-netwerken of bijbehorende faciliteiten
niet onnodig mogen beperken of belemmeren. Ook moeten lidstaten ervoor zorgen dat
de voorwaarden en de procedures voor het verlenen van vergunningen op het hele grondgebied
van de lidstaat consistent zijn.
De verordening verlangt dat alle informatie over het verlenen van de benodigde vergunningen
te vinden is in een centraal informatiepunt. Daarnaast moet(en) de benodigde vergunning(en)
in elektronische vorm kunnen worden aangevraagd via een centraal informatiepunt en
moet de status van de vergunningaanvraag via het centraal informatiepunt kunnen worden
ingezien.
In het geval van vergunningen onder de Omgevingswet kan gedacht worden aan het Omgevingsloket
als centraal informatiepunt. Voor instemmingsbesluiten is de informatie decentraal
in digitale vorm beschikbaar bij gemeenten, maar wordt deze in veel gevallen ook centraal
ontsloten via het Ondernemersplein. De aanvraag van instemmingsbesluiten verloopt
via gemeentelijke systemen, die daarmee dienen als centrale informatiepunten. Ten
slotte moet het centraal nationaal digitaal toegangspunt toegang bieden tot het Omgevingsloket
en de gemeentelijke systemen.
De verordening regelt ook de termijnen waarbinnen op een vergunningaanvraag moet worden
beslist. De hoofdregel is dat een vergunning verleend of geweigerd moet worden binnen
vier maanden na ontvangst van een volledige vergunningsaanvraag. Bevoegde autoriteiten
moeten binnen 20 werkdagen na ontvangst van een aanvraag bepalen of de aanvraag volledig
is. Indien nodig verzoeken de bevoegde autoriteiten binnen die termijn van 20 werkdagen
de aanvrager om de informatie aan te vullen. De verordening biedt lidstaten de mogelijkheid
om op voorhand redenen te bepalen waarom de bevoegde autoriteit in uitzonderlijke
en naar behoren gemotiveerde gevallen ambtshalve de termijnen kan verlengen. Het wetsvoorstel
voorziet erin dat dit in lagere regelgeving kan worden uitgewerkt.
Voor de meeste vergunningen die nodig zijn voor de uitrol van VHC-netwerken geldt
een beslistermijn die valt binnen de termijn van vier maanden die is voorgeschreven
door de verordening. Het is echter niet op voorhand uit te sluiten dat voor een vergunning
(op centraal of decentraal niveau) die vereist is voor de uitrol van VHC-netwerken
een beslistermijn geldt die langer is dan vier maanden. Daarom is in het wetsvoorstel
een bepaling opgenomen die bewerkstelligt dat voor die vergunningen, in afwijking
van de reguliere beslistermijnen, de termijn van vier maanden uit de verordening geldt.
Verwezen wordt naar de artikelsgewijze toelichting bij artikel I, onderdeel F, onder
artikel 5a.7 (nieuw), van het wetsvoorstel voor een nadere toelichting.
De verordening biedt daarnaast de bevoegde autoriteiten de mogelijkheid vergunningen
te verlengen in het geval de aanleg om objectief gerechtvaardigde redenen niet van
start kon gaan of niet kon worden voltooid binnen de geldigheidsduur van de vergunning.
Nieuw in de verordening is dat indien binnen de toepasselijke termijn door de bevoegde
autoriteit geen beslissing wordt genomen, de vergunning geacht wordt te zijn verleend
(de zogenoemde lex silencio positivo). Lidstaten kunnen echter van deze bepaling afwijken
indien de exploitant die de vergunning heeft aangevraagd overeenkomstig het nationale
recht vergoeding van de schade kan vorderen die hij heeft geleden door het uitblijven
van een beslissing binnen de voorgeschreven termijn, dan wel de exploitant de zaak
kan voorleggen aan de rechter of een toezichthoudende instantie. In deze uitvoeringswet
is ervoor gekozen om van deze mogelijkheid gebruik te maken. Hiermee wordt aangesloten
bij het huidige systeem betreffende vergunningverlening in Nederland. Voor nadere
informatie wordt verwezen naar hoofdstuk 3 van deze toelichting alsmede naar de artikelsgewijze
toelichting bij artikel I, onderdeel F, van het wetsvoorstel. Indien gebruik wordt
gemaakt van de afwijking, dient de bevoegde autoriteit de exploitant wel uit te nodigen
voor een ontmoeting met het oog op de vaststelling van een besluit over de vergunningsaanvraag.7 Een dergelijke ontmoeting doet niets af aan het recht van de exploitant om onmiddellijk
een schadevergoeding te vorderen in geval van het uitblijven van een beslissing binnen
de voorgeschreven termijn.
Naast regels voor de procedures van de aanvraag van vergunningen nodig voor de uitrol
van elementen van VHC-netwerken en bijbehorende faciliteiten, verplicht de verordening
er in artikel 9 ook toe dat in bepaalde gevallen sprake moet zijn van een vrijstelling
van het vereiste van een vergunning voor de uitrol van elementen van VHC-netwerken.
Daarbij gaat het om door de lidstaat nader aan te wijzen civiele werken die nodig
zijn voor de uitrol van VHC-netwerken of bijbehorende faciliteiten en die zijn te
beschouwen als reparatie- en onderhoudswerkzaamheden van beperkte omvang, beperkte
technische verbeteringen van bestaande werken of installaties en civiele werken met
een beperkte omvang.
Artikel 9, eerste lid, van de verordening is rechtstreeks toepasselijk in de Nederlandse
rechtsorde, en heeft daarmee voorrang op eventuele nationale regelgeving die tevens
betrekking heeft op vergunningen die vereist zijn voor de uitrol van elementen van
VHC-netwerken of bijbehorende faciliteiten. De soorten werken waarop de verplichte
vrijstelling van een vergunningsprocedure van toepassing is, worden, zoals gezegd,
aangewezen door de lidstaten. Daarvoor is een grondslag opgenomen in het wetsvoorstel.
Het derde lid van artikel 9 bepaalt vervolgens dat bevoegde autoriteiten in bepaalde
gevallen van de vergunningsvrijstelling kunnen afwijken. Dit kan bijvoorbeeld het
geval zijn als het fysieke infrastructuur betreft die wordt beschermd om redenen van
architecturale, historische, religieuze of milieuwaarde. Ook kan van de vergunningsvrijstelling
worden afgeweken met het oog op openbare veiligheid, defensie, milieu of volksgezondheid.
Om ervoor te zorgen dat de bevoegde autoriteiten kunnen beoordelen of de vergunningsvrije
werken onder een van de afwijkingsgronden vallen, kunnen lidstaten bepalen dat voor
die werken wel een kennisgevingsplicht geldt (artikel 9, vierde lid, van de verordening).
In het wetsvoorstel is hiervoor een grondslag opgenomen om dit bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur te regelen.
Centrale informatiepunten
De bevoegde instanties die de functie van een centraal informatiepunt uitvoeren moeten
door de lidstaat worden aangewezen. In dit wetsvoorstel is daarom een grondslag opgenomen
om bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bevoegde instanties aan te wijzen.
Voor het centraal informatiepunt geldt dat er, net als nu al het geval is, in een
lidstaat meerdere van kunnen bestaan. Te denken valt daarbij aan een informatiepunt
dat betrekking heeft op een bepaald deel van de fysieke infrastructuur, zoals bijvoorbeeld
antenne-opstelpunten. Wel moeten er dan uiteraard nog een of meer andere centrale
informatiepunten zijn waar de gegevens over de resterende fysieke infrastructuur te
vinden zijn. Ook is het denkbaar dat een centraal informatiepunt zich richt op een
bepaald gebied van een lidstaat. In dat geval moeten dergelijke centrale informatiepunten
gezamenlijk het hele territoir van de lidstaat beslaan.
Een centraal informatiepunt moet via het internet toegankelijk zijn. Het is niet nodig
dat de informatie direct op het centraal informatiepunt gehost wordt. Zo is het toegestaan
dat op het centraal informatiepunt wordt doorgelinkt naar een elders aanwezige database
of een ander centraal informatiepunt.
Belangrijk is dat de verordening vereist dat als er in een land meerdere centrale
informatiepunten zijn er ook één centraal nationaal digitaal toegangspunt is. Dit
centraal nationaal digitaal toegangspunt moet toegankelijk zijn via het internet en
moet toegang bieden tot alle andere (gedigitaliseerde) centrale informatiepunten.
Het voornemen bestaat deze nationale toegang in Nederland te laten verzorgen door
de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland van het Ministerie van Economische Zaken
en Klimaat. Het voornemen bestaat om het Kadaster en de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur
aan te wijzen als bevoegde instantie. Daarmee wordt aangesloten bij het gegeven dat
het Kadaster en de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur ook nu, op grond van de
richtlijn breedband, informatie toegankelijk maken die gebruikt kan worden voor de
aanleg van elektronische communicatienetwerken. De precieze invulling van de taken
zal worden uitgewerkt in lagere regelgeving. Voor de uitvoering van de taken voor
vergunningverlening bestaat het voornemen om gemeenten en de Minister van Volkshuisvesting
en Ruimtelijke Ordening (Omgevingsloket) als bevoegde instanties aan te wijzen.
Waar de verordening voorschrijft dat de lidstaten via een centraal informatiepunt
de vrijstellingen van de verplichtingen uit de verordening bekendmaken, gelden het
Staatsblad en de Staatscourant als centraal informatiepunt. De vrijstellingen worden
namelijk bij ministeriële regeling of bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
vastgesteld. Op grond van de artikelen 4 en 5 van de Bekendmakingswet dienen ministeriële
regelingen en algemene maatregelen van bestuur bekend te worden gemaakt door plaatsing
in het Staatsblad dan wel de Staatscourant.
Aanleg en toegang binnen gebouwen
Artikel 10, eerste lid, van de verordening bepaalt ook, en dat is nieuw ten opzichte
van de richtlijn breedband, dat alle nieuwe gebouwen en gebouwen die ingrijpend worden
gerenoveerd waarvoor na 12 februari 2026 bouwvergunningen zijn aangevraagd moeten
worden uitgerust met glasvezelklare fysieke binnenhuisinfrastructuur en binnenhuisglasvezelbekabeling
met inbegrip van aansluitingen tot het fysieke punt waar de eindgebruiker verbinding
maakt met het openbare netwerk. Ook voorziet artikel 10, tweede lid, van de verordening
erin dat alle nieuwe meergezinswoningen en meergezinswoningen die ingrijpend worden
gerenoveerd waarvoor na 12 februari 2026 bouwvergunningen zijn aangevraagd moeten
worden voorzien van een zogenoemd toegangspunt. Een toegangspunt is een in of (net)
buiten het gebouw gelegen fysiek punt dat toegankelijk is voor ondernemingen die openbare
elektronische communicatienetwerken aanbieden of gemachtigd zijn die aan te bieden,
en waar het netwerk op de glasvezelklare fysieke binnenhuisinfrastructuur kan worden
aangesloten.8 Een redelijke uitleg van de verordening brengt met zich mee dat het moet gaan om
nieuwe gebouwen of ingrijpende renovatie van gebouwen waar normaliter mensen verblijven
en dus niet om bijvoorbeeld een schuur of een garagebox. Het derde lid van artikel 10
van de verordening verplicht de aanwezigheid van glasvezelklare fysieke binnenhuisinfrastructuur
en binnenhuisglasvezelbekabeling ook bij ingrijpende renovatiewerken zoals gedefinieerd
in artikel 2, onderdeel 10, van de Richtlijn energieprestaties gebouwen9, indien dat de kosten van de renovatiewerken niet onevenredig verhoogt en indien
dat technisch haalbaar is. En ook moeten meergezinswoningen vallend binnen het bereik
van deze richtlijn worden uitgerust met een toegangspunt.
Voor ingrijpende renovatiewerkzaamheden gelden de bovengenoemde verplichtingen op
grond van de verordening dus enkel indien daarvoor een bouwvergunning vereist is of
sprake is van ingrijpende renovatiewerken zoals gedefinieerd in de Richtlijn energieprestaties
gebouwen. Naar huidig Nederlands recht is op grond van artikel 5.4, vierde lid, van
het Bbl in samenhang met artikel 2.27, eerste lid, onder b, van het Bbl geen vergunning
vereist voor het wijzigen van de fysieke infrastructuur. Daarom gelden in de Nederlandse
situatie de bovengenoemde verplichtingen enkel voor ingrijpende renovatiewerkzaamheden
die onder de definitie van ingrijpende renovatiewerkzaamheden als bedoeld in de Richtlijn
energieprestaties gebouwen vallen.
De verordening bepaalt niet expliciet op wie de bedoelde verplichtingen rusten, maar
het ligt voor de hand dat dat degene is die opdracht geeft tot de bouw. Deze opdrachtgever
schakelt in de meeste gevallen voor de bouw een aannemer in die dan in de praktijk
er voor zorgt dat de wettelijke verplichtingen bij de bouw, waaronder die voortvloeien
uit de verordening, worden nageleefd. Overigens staat de verordening er niet aan in
de weg dat de aanleg van de glasvezelklare fysieke binnenhuisinfrastructuur en eventueel
de inpandige glasvezelkabel en het netwerkaansluitpunt feitelijk plaatsvindt door
de aanbieder die voornemens is een elektronisch communicatienetwerk en/of -diensten
te gaan aanbieden aan de bewoners van de woning of woningen. Doordat de verplichting
in Nederland via het Bbl wordt uitgewerkt is de normadressaat voor nieuwbouw respectievelijk
verbouw degene op wie de verplichting uiteindelijk rust: degene die bouwt en daarmee
indirect degene die laat bouwen.
Uit de verordening volgt dat met de glasvezelklare fysieke binnenhuisinfrastructuur
die infrastructuur bedoeld wordt die het toegangspunt van het gebouw met het netwerkaansluitpunt
verbindt. Het toegangspunt kan volgens de begripsomschrijvingen in de verordening
net buiten of net binnen het gebouw liggen. Het netwerpaansluitpunt is het punt waarop
de toegang tot een openbaar elektronische communicatienetwerk wordt geboden. Bij eengezinswoningen
komt de verplichting om (glasvezelklare) fysieke binnenhuisinfrastructuur aan te leggen
er in de praktijk dan ook op neer dat van net buiten de woning tot in de meterruimte
van de woning (waar zich meestal het netwerkaansluitpunt bevindt) er een doorvoer(leiding)
moet zijn. Voor meergezinswoningen (zoals appartementsgebouwen) komen de verplichtingen
voor het (centrale) toegangspunt en de (glasvezelklare) fysieke binnenhuisinfrastructuur
er respectievelijk op neer dat er vanaf de buitenkant van het gebouw een doorvoer(leiding)
moet zijn naar een ruimte in het gebouw waar de telecomkabel(s) kunnen aanlanden (meestal
een serviceruimte onder in het gebouw), en er vanaf daar lege buizen moeten worden
aangelegd en/of een aaneengesloten ruimte(sparing) moet zijn tot aan de netwerkaansluitpunten
in de woningen (doorgaans in de meterruimten van de appartementen). Daarnaast moet
ook bij meersgezinswoningen vanuit de bedoelde serviceruimte een glasvezelkabel naar
het netwerkaansluitpunt in de woningen worden aangelegd. Voor wat betreft de aanleg
van binnenhuisglasvezelbekabeling geldt ten aanzien van eengezinswoningen dat deze
verplichting in de Nederlandse praktijk geen rol van betekenis speelt. Immers, in
de praktijk liggen bij eengezinswoningen het toegangspunt en het netwerkaansluitpunt
doorgaans in dezelfde fysieke (meter)ruimte. Er is, met andere woorden, bij eengezinswoningen
praktisch geen afstand te overbruggen tussen deze punten. Voor alle overige gebouwen
gelden eveneens de relevante verplichtingen uit de verordening, voor zover deze niet
binnen de categorieën en soorten gebouwen vallen die op grond van de verordening zijn
uitgesloten van de verplichtingen.
Ter uitvoering van bovenstaande verplichtingen is het Bbl gewijzigd, met voortaan
een directe verwijzing naar de bepalingen in de verordening over de benodigde infrastructuur
binnen gebouwen. Verder is in het Bbl uitgewerkt voor welke categorieën en soorten
gebouwen (gebruiksfuncties en gebouwen) voorgenoemde bepalingen op grond van de uitzonderingsmogelijkheden
in de verordening niet gelden10.
De uitrusting van gebouwen met (glasvezelklare) fysieke binnenhuisinfrastructuur,
binnenhuisglasvezelbekabeling en een toegangspunt dient op grond van de verordening
te worden uitgewerkt in normen of technische specificaties. Door wijziging van de
Omgevingsregeling zijn deze technische normen en specificaties vastgesteld.11 Het toezicht op en de handhaving van de verplichtingen over fysieke binnenhuisinfrastructuur
en -bekabeling zal primair uitgevoerd worden door gemeenten, zoals nu ook al het geval
is bij de toetsing aan en toezicht op naleving van de regels in het Bbl.
De verordening stelt lidstaten verder in staat om een «glasvezelklaar»-label in te
voeren voor gebouwen die volgens de uitgewerkte normen en technische specificaties
zijn uitgerust met glasvezelklare fysieke binnenhuisinfrastrucuur, binnenhuisglasvezelbekabeling
en waar nodig een toegangspunt. Omdat wordt verwacht dat op grond van de bepalingen
uit de verordening, de bouw- en aanlegpraktijk van de benodigde inpandige infrastructuur
niet of nauwelijks zal wijzigen (in de praktijk wordt in meergezinswoningen bij de
bouw door de (toekomstige) telecommunicatieaanbieder al inpandige glasvezelbekabeling
aangelegd), is besloten in de uitvoeringswet hier geen gebruik van te maken.
De verordening voorziet er voorts in dat iedere aanbieder van openbare elektronische
communicatienetwerken het recht heeft toegang te krijgen tot de fysieke binnenhuisinfrastructuur
met het oog op de uitrol van (elementen van) VHC-netwerken, wanneer – hetgeen veelal
het geval zal zijn – duplicatie technisch onmogelijk of economisch inefficiënt is.
Daarnaast is geregeld dat iedere aanbieder van openbare elektronische communicatienetwerken
recht heeft op gebruikmaking van het in de verordening genoemde toegangspunt en op
eigen kosten zijn netwerk kan uitrollen tot aan dit toegangspunt. Gebruikmaking van
de fysieke binnenhuisinfrastructuur en het toegangspunt moet gebeuren tegen billijke,
redelijke en niet-discriminerende voorwaarden. De prijs die hiervoor gerekend wordt
maakt hiervan deel uit. De verordening schrijft hierbij voor dat Berec richtsnoeren
moet opstellen over de bedoelde voorwaarden tot toegang en de criteria waar de nationale
instantie voor geschillenbeslechting zich aan moet houden bij de beslechting van geschillen.
Voor de goede orde wordt nog opgemerkt dat de toegang tot de fysieke infrastructuur
zoals geregeld in de verordening niet ziet op de toegang tot een eventueel aanwezige
(inpandige) glasvezelkabel en ook niet tot de kabel van het netwerk van een aanbieder.
De toegang tot de inpandige kabel is geregeld in artikel 61, derde lid, van de Telecomcode,
dat is omgezet in artikel 6.3, eerste lid, van de Telecommunicatiewet. Daar is bepaald
dat de ACM, verplichtingen kan opleggen om toegang te verlenen tot bekabeling binnen
gebouwen als dit gerechtvaardigd is omdat de replicatie van die netwerkelementen in
economisch opzicht inefficiënt zou zijn of fysiek onuitvoerbaar zou zijn. De toegang
tot een (kabel van) een netwerk van een aanbieder van openbare elektronische communicatienetwerken
en diensten is -buiten de toegang nodig voor interconnectie en interoperabiliteit-
geregeld in hoofdstuk 6a van de Telecommunicatiewet. Dit komt erop neer dat de bedoelde
toegang alleen kan worden opgelegd door ACM aan een aanbieder met aanmerkelijke marktmacht
en dan nog alleen in het geval een dergelijke maatregel gezien de mededingingsomstandigheden
passend is.
Als er geen glasvezelklare fysieke binnenhuisinfrastructuur beschikbaar is, heeft
een aanbieder van openbare elektronische communicatienetwerken het recht zijn netwerk
in gebouwen aan te sluiten met behulp van de wel bestaande fysieke infrastructuur.
Voorwaarde daarbij is dat de abonnee en/of de eigenaar daarmee instemt. Verder bepaalt
de verordening dat het recht om gebruik te maken van een toegangspunt of binnenhuisinfrastructuur
geen afbreuk doet aan het eigendomsrecht. De eigenaar van het toegangspunt of de binnenhuisinfrastructuur
blijft dus de eigenaar.
Geschillenbeslechting
De verordening verplicht lidstaten een of meer bevoegde instanties aan te wijzen om
de taken van de nationale instantie voor geschillenbeslechting uit te voeren. Op grond
van artikel 14, tweede lid, van de verordening dienen deze instanties juridisch onderscheiden
en functioneel onafhankelijk te zijn van elke netwerkexploitant en elke overheidsinstantie
die eigenaar is van of zeggenschap heeft over de fysieke infrastructuur die bij het
geschil betrokken is. Voorgesteld wordt om ACM aan te wijzen. De ACM voldoet aan de
vereisten genoemd in het tweede lid.
Aanpassing roamingverordening, bellen en sms’en vanuit Nederland naar andere EU-landen
In de verordening zijn niet alleen maatregelen opgenomen die gericht zijn op het versterken
en harmoniseren van geldende rechten en verplichtingen om de uitrol van VHC-netwerken
te vergemakkelijken maar is ook voorzien in een aanpassing van Verordening (EU) 2015/2120
van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 tot vaststelling van maatregelen
betreffende open-internettoegang en tot wijziging van Richtlijn 2002/22/EG inzake
de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronischecommunicatienetwerken
en -diensten en Verordening (EU) nr. 531/2012 betreffende roaming op openbare mobielecommunicatienetwerken
binnen de Unie (PbEU 2015, L 310) (hierna: roamingverordening).
Artikel 17 van de verordening wijzigt drie artikelen van de roamingverordening en
voegt één artikel toe. Deze wijzigingen hebben betrekking op de tarieven die telecomaanbieders
mogen rekenen voor bellen en sms’en vanuit het eigen land naar een ander EU-land (hierna:
intra-EU calls). Deze tarieven zijn nu weliswaar gemaximeerd maar mogen afwijken van
de tarieven voor nationaal bellen en sms’en. Artikel 17 van de verordening regelt
dat deze tarieven per 1 januari 2029 gelijk worden getrokken met de tarieven voor
nationaal bellen en sms’en, tenzij de Europese Commissie uiterlijk medio 2027 uit
evaluatieonderzoek concludeert dat dit nadelige effecten heeft en een wijzigingsvoorstel
uitbrengt. Intra-EU calls worden hiermee vergelijkbaar met roaming (bellen, sms’en
en mobiel internetten tegen hetzelfde tarief als je in een ander EU-land bent). Het
artikel introduceert ook een mechanisme om telecomaanbieders vooruitlopend op deze
verplichting al per 1 januari 2025 vrijwillig gelijke tarieven te laten hanteren.
Hiervoor stelt de Europese Commissie een uitvoeringshandeling vast.
Aan artikel 2 van de roamingverordening worden drie definities toegevoegd: nummeronafhankelijke
interpersoonlijke communicatiedienst, binnenlandse communicaties en communicaties
binnen de EU. Aan artikel 5 bis worden vijf leden toegevoegd die toezien op het aflopen
van afwijkende kosten voor intra-EU calls op 1 januari 2029 en de mogelijkheid bieden
aan telecomaanbieders om vanaf 1 januari 2025, onder voorwaarden, op vrijwillige basis
al de prijzen voor communicatie binnen de EU gelijk te stellen aan de prijzen in de
eigen lidstaat. Verder worden er leden toegevoegd die zien op de evaluatie van de
uitwerking van het artikel, met name de ontwikkeling van de wholesalekosten, concurrentie
en retailprijzen, consumentengedrag, gevolgen voor nationale markten en tariefplannen.
De evaluatie wordt uitgevoerd door de Europese Commissie die daarbij Berec zal raadplegen.
De wijziging in artikel 10 ziet op het verlengen van de geldigheid van artikel 5 bis
van de roamingverordening van 14 mei 2024 tot 30 juni 2032. De ACM ziet toe op de
naleving van de roamingverordening zoals is vastgesteld in artikel 15.1, derde lid,
van de Telecommunicatiewet. Gelet hierop en de rechtstreekse toepasselijkheid van
de roamingverordening, en de reeds bestaande mogelijkheden in de Telecommunicatiewet
tot handhaving van deze roamingverordening, behoeft deze wijziging geen verdere uitwerking
in de nationale wetgeving.
3. Inhoud van het wetsvoorstel
Allereerst wordt een aantal begripsbepalingen in de Telecommunicatiewet aangepast
en toegevoegd zodat deze in lijn zijn met de verordening. Ook worden diverse verwijzingen
in de Telecommunicatiewet naar het (oude) hoofdstuk 5a vervangen door verwijzingen
naar de relevante artikelen uit de verordening.
Voorts wordt bepaald dat de in de Telecommunicatiewet geregelde gedoogplicht in stand
blijft. Dit is toegestaan door toepassing van de bepaling in de verordening dat lidstaten
striktere maatregelen kunnen nemen of in stand houden dan in de verordening voorgeschreven.
Hoofdstuk 5a
De belangrijkste materiële wijziging is de vervanging van hoofdstuk 5a van de Telecommunicatiewet,
over medegebruik voorzieningen en coördinatie van civiele werken, dat een omzetting
was van de richtlijn breedband, door een nieuw hoofdstuk 5a ter uitvoering van de
verordening.
In dit nieuwe hoofdstuk 5a wordt allereerst aangegeven dat de regels ter uitvoering
van de verordening niet van toepassing zijn op het medegebruik bij draadloze toegangspunten
met klein bereik, zogenoemde small cells. Daar blijven de reeds geldende regels van
toepassing12. Verder wordt bepaald dat het verboden is de uit de verordening voortvloeiende verplichtingen
niet na te leven. Tevens wordt voorzien in een grondslag voor het bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur dan wel bij ministeriële regeling stellen van regels.
In bepaalde gevallen is een lidstaat namelijk op grond van de verordening gehouden
om een bepaalde verplichting uit de verordening nader in te vullen. Een voorbeeld
daarvan vormt de verplichting voor lidstaten om centrale informatiepunten aan te wijzen.
Het wetsvoorstel voorziet hierin door voor te schrijven dat deze onderwerpen bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur dan wel bij ministeriële regeling moeten
worden uitgewerkt.
De verordening geeft verder in diverse bepalingen de mogelijkheid voor lidstaten om
uitzonderingen op bepaalde regels uit de verordening te maken. Zo is het op basis
van de verordening mogelijk om fysieke infrastructuur van overheidsinstanties uit
te zonderen van de verplichting er toegang tot te verlenen om redenen van architecturale,
historische, religieuze of ecologische waarde of om redenen van openbare veiligheid,
defensie, veiligheid en gezondheid. Ook kan een lidstaat bepalen wanneer een civiel
werk van beperkte omvang is zodat de uit de verordening voorvloeiende verplichting
om aan verzoeken tot coördinatie te voldoen voor overheidsinstanties en netwerkexploitanten
die civiele werken uitvoeren die met overheidsmiddelen worden gefinancierd achterwege
kan blijven. Om hieraan uitvoering te kunnen geven wordt in de Telecommunicatiewet
de mogelijkheid opgenomen om bij of krachtens algemene maatregel van bestuur een en
ander uit te werken.
In de verordening is in artikel 8, eerste lid, bepaald dat als op de aanvraag voor
een vergunning nodig voor de aanleg van elementen van een VHC-netwerk niet binnen
de toepasselijke termijn is besloten, de vergunning geacht wordt te zijn toegekend
(lex silencio positivo). Lidstaten hebben echter onder bepaalde voorwaarden de mogelijkheid
hiervan af te wijken. Nederland maakt van deze mogelijkheid gebruik. Een van de voorwaarden
is dat de lidstaat de bevoegde autoriteit die de beslissing op de vergunningaanvraag
had moeten nemen verplicht om de aanvrager van de vergunning op diens verzoek of ambtshalve
uit te nodigen voor een ontmoeting om over de vergunningaanvraag te spreken. Vandaar
dat in het wetvoorstel wordt bepaald dat de bedoelde autoriteit of instantie gehouden
is de aanvrager van de vergunning uit te nodigen voor een ontmoeting.
Verder is in de verordening bepaald dat een vergunning die nodig is voor de aanleg
van elementen van een VHC-netwerk mag worden geweigerd indien de aanvrager niet voldaan
heeft aan de verplichting informatie aan te leveren aan een centraal informatiepunt.
Om dit te kunnen nagaan moet de vergunningverlenende instantie toegang hebben tot
het centraal informatiepunt. Tegen deze achtergrond is in het wetsvoorstel bepaald
dat in dat geval de bevoegde (vergunningverlenende) autoriteit toegang heeft tot de
informatie in het centraal informatiepunt. Overigens is in het wetsvoorstel ook bepaald
dat de zojuist genoemde weigeringsgrond niet mag worden toegepast bij het door burgemeester
en wethouders af te geven instemmingsbesluit als bedoeld in artikel 5.4, eerste lid,
van de Telecommunicatiewet. Dit om geen afbreuk te doen aan het gedoogrecht.
De verordening bevat geen bepaling dat exploitanten die informatie krijgen over geplande
civiele werken deze informatie voor zover die handels- en bedrijfsgeheimen bevat vertrouwelijk
moeten houden. Dit regelt de verordening wel voor informatie met betrekking tot fysieke
infrastructuur. Toch kan het juist bij informatie over geplande civiele werken gaan
om bedrijfsvertrouwelijke informatie. Vandaar dat in het nieuwe hoofdstuk 5a van de
Telecommunicatiewet wordt geregeld dat voor exploitanten die informatie ontvangen
over geplande civiele werken geldt dat de vertrouwelijkheidsbepaling uit de verordening
met betrekking tot fysieke infrastructuur van overeenkomstige toepassing is bij het
verkrijgen van informatie over geplande civiele werken. Dit betekent dat de exploitanten
die dergelijke informatie ontvangen deze informatie voor zover die handels- en bedrijfsgeheimen
bevat vertrouwelijk moeten houden.
Zoals al eerder aangegeven blijven de in hoofdstuk 5c van de Telecommunicatiewet opgenomen
regels met betrekking tot zogenoemde small cells ongewijzigd. In die regels worden
meerdere bepalingen uit hoofdstuk 5a van de Telecommunicatiewet van overeenkomstige
toepassing verklaard. Aangezien deze artikelen niet meer voorkomen in het nieuwe hoofdstuk
5a worden de bedoelde bepalingen op grond van dit wetsvoorstel nu direct opgenomen
in hoofdstuk 5c.
Omroepzendernetwerken
De Telecommunicatiewet bevat reeds geruime tijd bepalingen met betrekking tot het
medegebruik van omroepzendernetwerken. Omroepzendernetwerken zijn elektronische communicatienetwerken
die gebruikt worden voor de verspreiding van radio- en televisieomroep via de ether.
De medegebruiksregels voor omroepnetwerken stammen uit de tijd dat er twee partijen
actief waren op de (radio)omroepzendermarkt: Broadcast Partners en Nozema. Deze bepalingen
waren vooral bedoeld om Broadcast Partners toegang te geven tot de infrastructuur
van Nozema (de hoge omroep-torens). Zoals hieronder in de voetnoot13 nader is toegelicht is het medegebruiksregime voor omroepzendernetwerken niet gebaseerd
op de richtlijn breedband of de opvolger daarvan (de verordening), maar een nationale
regeling. Uitgangspunt bij dit wetsvoorstel is het in stand houden van het medegebruiksregime
voor omroepzendernetwerken. Het wetsvoorstel strekt immers ter uitvoering van de verordening
en is niet bedoeld om buiten de verordening vallende (nationale) regels aan te passen,
als dat niet nodig is ter uitvoering van de verordening.
In het huidige hoofdstuk 5a van de Telecommunicatiewet is het medegebruiksregime voor
omroepzendernetwerken nauw verweven met het ter uitvoering van de richtlijn breedband
opgenomen medegebruiksregime voor andere elektronische communicatienetwerken. Aangezien
de onderdelen in hoofdstuk 5a die dienen ter uitvoering van de richtlijn breedband
met dit wetsvoorstel komen te vervallen, de Europese regels voor medegebruik/toegang
volgen nu immers rechtstreeks uit de verordening, moeten de regels voor medegebruik
van omroepzendernetwerken opnieuw worden vastgesteld zodat zij onafhankelijk van de
regels voor medegebruik in de verordening kunnen worden toegepast. Dit gebeurt in
het nieuwe hoofdstuk 5d over medegebruik van omroepzendernetwerken.
Dit nieuwe hoofdstuk 5d beoogt, zoals gezegd, geen verandering aan te brengen in het
bestaande regime voor medegebruik van omroepzendernetwerken. Slechts op een punt is
er een wijziging aangebracht. Op grond van het huidige hoofdstuk 5a zijn aanbieders
van omroepzendernetwerken niet alleen gehouden om medegebruik toe te staan door andere
aanbieders van omroepzendernetwerken, maar ook om medegebruik toe te staan aan anderen.
Dit laatste is echter nooit de bedoeling geweest – het regime was immers bedoeld voor
medegebruik van omroepzendernetwerken door aanbieders van omroepzendernetwerken –
en is bovendien praktisch van weinig betekenis. Immers, bij omroepzendernetwerken
gaat het in principe om (zeer) hoge antenne-opstelpunten die ongeschikt zijn voor
antennes van mobiele communicatie. Wel is het denkbaar dat op de hoge torens zenders
voor straalverbindingen worden geplaatst. In dit verband wordt opgemerkt dat wanneer
de exploitant van de toren/zeer hoge opstelpunt (dat kan de exploitant van het omroepzendernetwerk
zijn maar dat hoeft niet) deze aanbiedt als ruimte om antennes voor mobiele communicatie
op te stellen, deze exploitant te beschouwen is als een aanbieder van bijbehorende
faciliteiten. Een dergelijke exploitant valt volgens de begripsomschrijving van het
begrip exploitant uit artikel 2, onderdeel 1, van de verordening, wel onder de verplichtingen
uit de verordening.
Geschillenbeslechting
In het wetsvoorstel wordt de beslechting van geschillen met betrekking tot de verplichtingen
in de verordening opgedragen aan de ACM. In artikel 13, eerste lid, van de verordening
valt te lezen om welke mogelijke geschillen het kan gaan. Kort weergegeven kan het
betreffen een geschil over de (tijdige) beschikbaarheid en het verkrijgen van minimuminformatie
met betrekking tot fysieke infrastructuur en geplande civiele werken, een geschil
over toegang tot fysieke infrastructuur, een geschil over de coördinatie van civiele
werken en een geschil over de toegang tot fysieke binnenhuisinfrastructuur.
Met dit wetsvoorstel komt een einde aan de tot nu toe bestaande situatie waarbij de
beslechting van geschillen deels bij de Minister van Economische Zaken en Klimaat
en deels bij de ACM was belegd. Op grond van de WIBON berustte de beslechting van
geschillen omtrent de informatie-uitwisseling ten behoeve van medegebruik van fysieke
infrastructuur of coördinatie van civiele werken bij de Minister van Economische Zaken
en Klimaat. De beslechting van geschillen over medegebruik berustte op basis van de
Telecommunicatiewet bij de ACM. Ook zorgt het wetsvoorstel er voor dat ten aanzien van informatie over antenne-opstelpunten wordt voorzien
in geschillenbeslechting door ACM. Tot nu toe was niet voorzien in de mogelijkheid
van (buitengerechtelijke) geschillenbeslechting. Voor de volledigheid wordt nog opgemerkt
dat de geschillenbeslechting door ACM er niet aan in de weg staat dat een partij met
een geschil zich rechtstreeks tot de rechter wendt.
WIBON
De WIBON bevat primair regels ter voorkoming van zogenoemde graafschade. Zo verplicht
de WIBON (mechanische) graafwerkzaamheden te melden bij het Kadaster en is er een
elektronisch informatiesysteem waarmee informatie wordt uitgewisseld, zodat de uitvoerder
van de graafwerkzaamheden weet waar bestaande netten zich precies bevinden. Daarnaast
bevat de WIBON ter uitvoering van de richtlijn breedband bepalingen over het ter beschikkingstellen
en verkrijgen van informatie via het elektronisch informatiesysteem ten behoeve van
medegebruik en de coördinatie van civiele werken. De komst van de verordening, die
rechtstreeks toepasselijk is in de Nederlandse rechtsorde, maakt deze bepalingen echter
overbodig aangezien in de verordening zelf zowel het aanleveren als het beschikbaar
krijgen van de informatie ten behoeve van medegebruik en de coördinatie van civiele
werken is geregeld. De daarmee verband houdende bepalingen uit de WIBON komen dan
ook te vervallen. Tevens bevat de WIBON bepalingen over geschillenbeslechting in het
kader van de informatie-uitwisseling. Ook deze bepalingen komen te vervallen aangezien
de mogelijkheid van geschillenbeslechting op grond van de verordening wordt geregeld
in de Telecommunicatiewet.
Uitvoeringswet cyberbeveiligingsverordening
De Europese cyberbeveiligingsverordening14 is gewijzigd bij Verordening (EU) 2025/37 van het Europees Parlement en de Raad van
19 december 2024 tot wijziging van Verordening (EU) 2019/881 wat betreft beheerde
beveiligingsdiensten (PbEU L 2025/37). Met deze wijziging is het toepassingsgebied
van het Europese cyberbeveiligingscertificeringskader uitgebreid met beheerde beveiligingsdiensten
(managed security services), naast ICT-producten, ICT-diensten en ICT-processen.
In dat verband is in de cyberbeveiligingsverordening een definitie van beheerde beveiligingsdiensten
opgenomen die aansluit bij de terminologie van Richtlijn (EU) 2022/25551 (NIS2-richtlijn).
Daaronder wordt verstaan: een aan een derde verleende dienst die bestaat uit het uitvoeren
van of het verlenen van bijstand voor activiteiten die verband houden met de beheersing
van cyberbeveiligingsrisico’s, zoals incidentenbehandeling, penetratietesten, beveiligingsaudits
en adviesdiensten, met inbegrip van deskundig advies in verband met technische ondersteuning.
Met de uitbreiding van de reikwijdte van de cyberbeveiligingsverordening wordt het
mogelijk Europese cyberbeveiligingscertificeringsregelingen voor beheerde beveiligingsdiensten
vast te stellen.
De wijziging heeft een kaderstellend karakter. De praktische toepassing ontstaat pas
wanneer op grond van de cyberbeveiligingsverordening Europese cyberbeveiligingscertificeringsschema’s
worden vastgesteld.
De wijzigingsverordening is rechtstreeks toepasselijk en behoeft daarom geen omzetting
in nationale wetgeving. Wel dient de Uitvoeringswet cyberbeveiligingsverordening te
worden aangepast om deze in overeenstemming te brengen met het verruimde toepassingsgebied
van de cyberbeveiligingsverordening. De wijziging is technisch-juridisch van aard
en laat geen nationale beleidsruimte.
4. Gevolgen
Uitvoeringslasten direct voortvloeiend uit de verordening
De Europese Commissie heeft in 2023 een impactanalyse (impact assessment) uitgevoerd
naar de gevolgen van vier verschillende beleidsopties die voorafgingen aan het uiteindelijke
voorstel voor de verordening. De vier opties die zijn onderzocht zijn: (1) een minimale
update van de regels waarbij de reikwijdte wordt verlegd naar meer geavanceerde netwerken
en bepaalde voorschriften worden versterkt en verduidelijkt, (2) in aanvulling op
optie 1 wordt de toegang tot niet-netwerkgebonden publieke fysieke infrastructuur
geregeld, wordt voorzien in bepaalde uitzonderingen op het geven van toegang tot fysieke
infrastructuur met het oog op het in bepaalde gevallen ontbreken van een prikkel tot
investeren, en worden maatregelen genomen om vergunningsverleningsprocedures te verbeteren,
(3) in aanvulling op optie 2 worden nieuwe Europese regels ontwikkeld die zowel de
toegang tot fysieke infrastructuur (ook binnen gebouwen) als de coördinatie van civiele
werken verduidelijken. Bovendien wordt in deze optie proactieve transparantie voorgeschreven
voor private netwerkaanbieders en de beschikbaarheidsstelling van gedigitaliseerde
informatie via centrale informatiepunten. Ook worden vergunningsverleningsprocedures
versterkt en wordt het hebben van standaarden voor binnenhuisglasvezelbekabeling en
aanleg binnen gebouwen verplicht gesteld. (4) In aanvulling op optie 3 worden de toegangsverplichtingen
en de verplichting tot coördinatie van civiele werken uitgebreid tot alle private
netwerkaanbieders en, waar relevant, ook tot niet-netwerkaanbieders. Bovendien zou
in deze optie worden voorzien in EU standaarden voor aanleg binnen gebouwen. Deze
optie zou een gemeenschappelijk platform vereisen voor bestaande fysieke infrastructuur
en geplande civiele werken. De Commissie merkt nog op dat, behalve voor de eerste
optie, de opties een (nieuwe) verordening vereisen.
Op basis van de impactanalyse komt de Commissie tot de conclusie dat optie 3 de beste
optie is omdat deze de beste balans biedt tussen korte termijn implementatiekosten
en baten op de middellange termijn, de regeldruk tot een minimum beperkt en de uitstoot
van broeikasgassen door de elektronische communicatiesector beperkt. De gekozen optie,
aldus de impactanalyse, vergroot de uitrol van netwerken met gebruik van bestaande
fysieke infrastructuur van 250.000 km tot 470.000 km. De optie leidt er ook toe dat
de kosten van uitrol van netwerken binnen de Europese Unie 14,5 miljard lager worden
en de kosten van subsidies met 2,4 miljard lager uitvallen. Ook zou volgens de impactanalyse
de uitstoot van 0,7 miljoen ton broeikasgas worden voorkomen. Daarnaast ziet de Commissie
sociale en economische voordelen met name bestaande in de verkleining van de kloof
tussen stad en platteland en het herinvesteren van de uitgespaarde kosten.
Voor wat betreft de kosten schat de Commissie in dat er sprake is van eenmalige kosten
ter grootte van 70 miljoen euro, waarvan 15 miljoen euro (omgerekend op basis van
het aantal Nederlandse huishoudens ten opzichte van het aantal huishoudens in de Europese
Unie –202 miljoen tegenover 8,6 miljoen- komt dit voor Nederland neer op ongeveer
639.000 euro) voor rekening van de aanbieders van elektronische communicatienetwerken
en 55 miljoen euro voor de overheid, voornamelijk voor het opzetten van digitale platforms
en consistente vergunningverleningsprocedures. Ook voorziet de Commissie structurele
kosten van 6 tot 7 miljoen euro voor de geschillenbeslechting en de centrale informatiepunten.
Echter, als deze kosten gemaakt zijn is voorzien in een jaarlijkse besparing voor
de aanbieders van elektronische communicatienetwerken op administratieve kosten ter
grootte van 40 miljoen euro (omgerekend op basis van het aantal Nederlandse huishoudens
ten opzichte van het aantal huishoudens in de Europese Unie komt dit voor Nederland
neer op ongeveer 1,7 miljoen euro) ten gevolge van de betere toegang tot fysieke infrastructuur
en de verbeterde vergunningverleningsprocedures. Ook zullen er hierdoor besparingen
zijn op de operationele kosten van publiekrechtelijke instanties waaronder gemeenten.
Ten aanzien van de gevolgen voor het midden- en kleinbedrijf (hierna: MKB) merkt de
Commissie op dat er voor deze categorie ondernemingen als afnemers van gigabitdiensten
geen specifieke verplichtingen zijn. Voor het MKB dat actief is als aanbieder van
elektronische communicatienetwerken en -diensten gelden de hiervoor genoemde voordelen
voor dergelijke aanbieders in het algemeen. Het huidige gebrek aan toegang tot fysieke
infrastructuur en de hoge prijzen voor gigabitconnectiviteit zijn, aldus de Commissie,
belangrijke uitdagingen voor met name het MKB omdat ze de mogelijkheid voor het MKB
beperken om te profiteren van productiviteitsvoordelen verbonden met sneller breedband
en digitale toepassingen. De huidige lappendeken van regels en praktijken op nationaal
en sub-nationaal niveau is bovendien, zo oordeelt de Commissie, een obstakel voor
ondernemingen die schaalvoordelen trachten te realiseren, hetgeen raakt aan de concurrentiekracht
van de Europese Unie.
Regeldruk en nalevingslasten van de uitvoeringswet
Met de uitvoeringswet wordt uitvoering gegeven aan de verordening. Deze verordening
is voor het grootste deel rechtstreeks toepasselijk in de Nederlandse rechtsorde.
Dat wil zeggen dat de uitvoeringswet voornamelijk ertoe strekt te voorzien in een
grondslag voor lagere regelgeving waarin bepaalde zaken kunnen worden geregeld die
noodzakelijk zijn voor het goed kunnen laten functioneren van de verordening. Zo verplicht
de verordening lidstaten om bevoegde instanties aan te wijzen: een of meer instanties
die de taken die zijn toegewezen aan de nationale instantie voor geschillenbeslechting
uitoefenen en een of meer instanties die de functies van een centraal informatiepunt
uitoefenen. Hoewel niet expliciet bepaald in de verordening moeten ook instanties
worden aangewezen die verantwoordelijk zijn voor het toezicht op en de handhaving
van de verordening. Daarnaast biedt het wetsvoorstel grondslagen om bij lagere regelgeving
de verplichtingen uit de verordening voor bepaalde fysieke infrastructuur en civiele
werken uit te sluiten. Deze uitzonderingen zullen de regeldrukkosten verlagen. Hierop
zal worden ingegaan in de toelichting op de lagere regelgeving. De uitvoeringswet
zelf heeft op enkele uitzonderingen na, waarop hieronder zal worden ingegaan, geen
gevolgen voor de lastendruk.
Door het in de uitvoeringswet geregelde toezicht kunnen regeldrukkosten ontstaan voor
netwerkexploitanten en overheidsinstanties die eigenaar zijn van of zeggenschap hebben
over fysieke infrastructuur. De uitoefening van onderzoeks- of handhavingsbevoegdheden
door de ACM kan het bijvoorbeeld noodzakelijk maken om kosten te maken, zoals het
verzamelen en aanleveren van informatie als die wordt gevorderd of het wijzigen van
processen om een overtreding weg te nemen.
De verordening voorziet, zoals eerder aangegeven, bij de verlening van vergunningen
nodig voor de aanleg van VHC-netwerken bij overschrijding van de beslistermijn standaard
in van rechtswege verlening van de vergunning (lex silencio positivo). De verordening
maakt het echter mogelijk om hiervan af te wijken. Van deze mogelijkheid wordt, zoals
eerder aangegeven, in deze uitvoeringswet gebruik gemaakt. Door deze keuze kan de
situatie zich voordoen dat partijen die VHC-netwerken willen aanleggen en binnen de
voorgeschreven termijn geen reactie krijgen van de overheid, genoodzaakt zijn (schriftelijk)
contact op te nemen met de vergunningverlenende overheid. Dit brengt uiteraard kosten
met zich mee. In de meeste gevallen zal het gaan om een instemmingsbesluit van de
gemeente op grond van artikel 5.4 van de Telecommunicatiewet. Er van uitgaande dat
het de medewerker ongeveer een uur kost om een brief op te stellen aan de gemeente,
komen de kosten op 54 euro per aanvraag om een instemmingsbesluit.
Hoewel de regering niet de beschikking heeft over het aantal aanvragen voor een instemmingsbesluit
en het aantal gevallen waarin een dergelijke aanvraag door een gemeente niet binnen
de beslistermijn wordt afgehandeld is er op basis van gegevens van het MOOR platform,
een digitaal platform dat door meer dan 280 van de 342 gemeenten wordt gebruikt voor
het aanvragen van vergunningen, een inschatting te maken. In het jaar 2023 zijn er
volgens het jaaroverzicht van het MOOR platform ongeveer 18200 instemmingsbesluiten
aangevraagd. Omgeslagen naar alle gemeenten betekent dit dat er ongeveer 22.200 instemmingsbesluiten
in dat jaar zijn aangevraagd. Helaas ontbreken ook in het MOOR overzicht cijfers over
hoeveel van die aanvragen te laat door de gemeenten zijn afgedaan. Wel zijn er cijfers
uit 202415 ten aanzien van de verlening van omgevingsvergunningen. Daarbij ging het om ongeveer
2 procent van de aanvragen waar niet tijdig op was beslist. Eenzelfde percentage toegepast
bij de aanvragen om een instemmingsbesluit zou betekenen dat de kosten uit zouden
komen op circa 24.000 euro per jaar.
Met het uitsluiten van de lex silencio positivo wordt aangesloten bij de Omgevingswet.
Hierdoor sluit het regime van de instemmingsbesluiten goed aan bij de (andere) omgevingsvergunningen.
Hiermee ontstaat duidelijkheid voor de bedrijven die een instemmingsbesluit willen
aanvragen en wordt voorkomen dat bedrijven in verwarring raken bij het aanvragen van
vergelijkbare vergunningen.
In Nederland geldt al meer dan een eeuw een gedoogplicht voor de aanleg van openbare
elektronische communicatienetwerken. De voorliggende uitvoeringswet brengt hier, zoals
al eerder aangegeven, geen verandering in. De verordening schrijft niet voor dat er
een gedoogplicht moet gelden. Ook zonder gedoogplicht kan aan de verordening worden
voldaan. Het continueren van de gedoogplicht past wel in de geest van de verordening.
De gedoogplicht werkt immers lastenverlagend voor de aanbieders van openbare elektronische
communicatienetwerken; zij hebben door de gedoogplicht immers de zekerheid dat zij
hun netwerken kunnen uitrollen.
De voorgestelde wijziging van de Uitvoeringswet cyberbeveiligingsverordening introduceert
geen verplichtingen voor marktpartijen. Cyberbeveiligingscertificering op grond van
de cyberbeveiligingsverordening is vrijwillig. Eventuele verplichtingen die ontstaan
door gebruik te maken van Europese cyberbeveiligingscertificering kunnen bovendien
pas ontstaan wanneer op grond van de cyberbeveiligingsverordening Europese cyberbeveiligingscertificeringsregelingen
voor beheerde beveiligingsdiensten zijn vastgesteld. Er zijn daarom geen directe gevolgen
voor de regeldruk voor deze wijziging.
Gevolgen voor Nederlandse overheid/gemeenten
In opdracht van het Ministerie van Economische Zaken heeft onderzoeksbureau Cebeon
in de periode van november 2024 tot en met februari 2025 een assessment uitgevoerd
naar de impact van de verordening op verplichtingen voor medeoverheden, dat wil zeggen
gemeenten, provincies en waterschappen. Op grond van de Code Interbestuurlijke Verhoudingen
moeten Europese beleidsvoornemens worden beoordeeld op de bestuurlijke en financiële
gevolgen. Het gaat om inzicht in de nieuwe of veranderende taken die voortvloeien
uit de verordening en de verwachte inspanningen of kosten die daarmee gemoeid zijn.
De verplichtingen als gevolg van de verordening zijn in het onderzoek afgezet tegen
de huidige wettelijke verplichtingen, zoals vastgelegd in de Telecommunicatiewet,
de WIBON, de Omgevingswet (inclusief het Bbl) en Omgevingsregeling.
Allereerst komt uit de impactanalyse naar voren dat de impact van nieuwe of veranderende
verplichtingen voor medeoverheden niet eenvoudig bleek in te schatten. Dit heeft er
onder ander mee te maken dat gemeenten nog onvoldoende zicht hebben op de precieze
reikwijdte van de verordening en omdat de Nederlandse nadere invulling van de verordening
omtrent uitzonderingsmogelijkheden en de inrichting van de centrale informatiepunten
pas op een later moment worden uitgewerkt. Verder is het ondanks inspanningen Cebeon
niet gelukt om provincies te vinden om mee te werken aan het onderzoek. Daarnaast
heeft Cebeon slechts met één waterschap kunnen spreken, om die reden worden de uitkomsten
ten aanzien van de verwachte inspanningen voor de waterschappen niet weergegeven in
deze toelichting.
De verordening brengt nieuwe verplichtingen met zich mee om toegang te verlenen tot
fysieke infrastructuur die in eigendom is of onder zeggenschap staat van overheidsinstanties.
Daarnaast dient informatie over de fysieke infrastructuur via een centraal informatiepunt
beschikbaar te worden gesteld. De structurele impact voor gemeenten als gevolg van
deze verplichtingen doet zich vooral voor bij de verkorting van de reactietermijn
in geval van een verzoek tot toegang, en dan met name bij grootstedelijke gemeenten.
Omdat het verwachte aantal verzoeken beperkt is op basis van de huidige praktijk,
gaat het om een beperkte inspanning die onder legesheffing geplaatst kan worden. Verder
zullen eenmalige inspanningen bij de registratie van gemeentelijke objecten benodigd
zijn, omdat kleinere en middelgrote (minder verstedelijkte) gemeenten nog niet al
hun assets in beeld hebben. Als gemeenten op basis van de uitzonderingsgronden in
de verordening vooraf een lijst met objecten moeten vaststellen die zijn vrijgesteld
van de toegangs- en informatieverplichting, dan zijn ook hier eenmalig inspanningen
mee gemoeid.
Verder brengt de verordening nieuwe verplichtingen voor medeoverheden met zich mee
om bepaalde eigen geplande civiele werken op verzoek te coördineren en deze aan te
kondigen via een centraal informatiepunt. Het betekent dat er in overleg dient te
worden gegaan als er een verzoek komt. Afhankelijk van de uitwerking van de uitzonderingen
in de verordening, kan in het geval dat alle relevante geplande gemeentelijke werken
inzichtelijk moeten worden gemaakt, dat structurele impact op gemeenten hebben. Daarnaast
is er een eenmalige inspanning gemoeid met het (digitaal) beschikbaar maken van geplande
civiele werken en het maken van de afbakening voor werken van beperkte omvang.
De verordening bepaalt dat de voorwaarden en procedures voor alle vergunningen voor
de uitrol van elementen van VHC-netwerken via een centraal informatiepunt beschikbaar
moeten zijn. Dit betekent voor gemeenten die deze informatie nog niet via het Ondernemersplein
beschikbaar stellen, dat zij dit alsnog moeten verzorgen. Voor gemeenten is er geen
structurele financiële impact, maar wel een (beperkte) eenmalige impact om voorwaarden
en procedures en een link naar het gemeentelijke vergunning systeem via Ondernemersplein
inzichtelijk te maken.
5. Adviezen en consultatie
De ACM heeft een toets uitgevoerd op de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van het
wetsvoorstel (hierna: UHT). Voor zover dit op basis van het concept-wetsvoorstel kan
worden beoordeeld, acht de ACM het wetsvoorstel uitvoerbaar en handhaafbaar als er
voor de aanvullende structurele taken ook structurele financiering volgt. De ACM constateert
dat deze nieuwe taken in het verlengde liggen van de werkzaamheden die ACM al uitvoert.
Gelet op de onvoorspelbaarheid van de omvang van de werkzaamheden acht ACM het raadzaam
taken, verantwoordelijkheden en capaciteit tijdig te evalueren. De Minister komt graag
vanuit het oogpunt van effectiviteit van de regelgeving aan een dergelijke evaluatie
tegemoet. Verder geeft ACM enkele punten mee ter verbetering van het wetsvoorstel.
Ten eerste een verzoek voor meer toelichting over de definitie van «overheidsinstanties».
Als reactie hierop wordt verwezen naar paragraaf 6 van deze toelichting waar wordt
aangegeven dat het in eerste instantie aan ACM is, en vervolgens aan de rechter om
te bepalen of er in een concreet geval sprake is van een overheidsinstantie. Ten tweede
geeft ACM aan dat voor de uitvoerbaarheid het noodzakelijk is dat het centraal informatiepunt
goed is belegd en dat ACM tijdig bij de uitwerking van het CIP wordt betrokken. Hieraan
zal door de Minister tegemoet worden gekomen.
Het concept-wetsvoorstel is voorgelegd aan het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR).
ATR heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het geen omvangrijke
gevolgen voor de regeldruk heeft.
6. Internetconsultatie
Het wetsvoorstel is in internetconsultatie geweest van 23 juni 2025 tot 4 augustus
2025. De internetconsultatie heeft 12 reacties opgeleverd, waaronder een vertrouwelijke
reactie.
Algemeen
Een respondent merkt op dat het wetsvoorstel op veel plaatsen naar de tekst van de
verordening verwijst en dat het lastig is om te begrijpen waar de verordening toe
strekt. Op grond van de Aanwijzingen van de Regelgeving zou er een bijzondere reden
zijn om in de tekst van het wetsvoorstel explicieter de tekst van de verordening aan
te halen. In reactie hierop wordt opgemerkt dat verwijzing naar de tekst van de verordening
in het wetsvoorstel in dit geval volstaat; in beginsel is communicatie over toepassing
van de verordening geen doel van het wetsvoorstel.
Een respondent adviseert dat in een algemene maatregel van bestuur een bepaling wordt
opgenomen die bevestigt dat de regels uit de verordening prevaleren bij samenloop
waarin een kader wordt geboden voor verdere afstemming. Een dergelijke bepaling is
echter niet noodzakelijk. Het Europees recht heeft immers voorrang op de nationale
rechtsorde. Bij de uitvoering van de verordening dient bovendien met de verordening
strijdige regelgeving te worden aangepast.16
Meerdere respondenten hebben suggesties gedaan voor uitwerking van de lagere regelgeving
die uit het wetsvoorstel voortvloeit en meerdere respondenten geven aan dat de lagere
regelgeving geconsulteerd dient te worden. Bij de uitwerking van de lagere regelgeving
zullen de suggesties die zijn gedaan, worden meegewogen. Ook zal een concept van de
lagere regelgeving geconsulteerd worden.
Een respondent merkt op dat ook het Besluit medegebruik omroepzendernetwerken en fysieke
en publieke infrastructuur zal moeten worden aangepast. Deze opmerking is terecht.
Zo ziet het bedoelde besluit ook op aanbieders van bijbehorende faciliteiten. Dit
is echter niet meer nodig nu deze aanbieders ook onder de reikwijdte van de verordening
zijn gaan vallen. Het besluit zal dus inderdaad moeten worden aangepast.
Dezelfde respondent brengt naar voren dat, anders dan de concept memorie van toelichting
suggereert, de verordening voor aanbieders van bijbehorende faciliteiten wel degelijk
veranderingen brengt. Zo wijst de respondent er op dat de aanbieders van bijbehorende
faciliteiten door het van kracht worden van de verordening rechten krijgen die ze
nu nog niet hebben, zoals bijvoorbeeld het recht op toegang tot fysieke infrastructuur
van overheidsinstanties. Deze opmerking is juist en daarom is de memorie van toelichting
op dit punt aangepast.
De respondent merkt verder op dat niet geheel duidelijk is wat wordt bedoeld met overheidsinstantie.
De respondent wil graag weten of alle instanties die worden genoemd in het register
van overheidsorganen zijn te beschouwen als overheidsinstanties. Verder geeft de respondent
aan van mening te zijn dat ook woningbouwcorporaties en universiteiten onder het begrip
vallen en vraagt hoe het ministerie in Nederland invulling gaat geven aan deze definitie
uit de verordening. De verordening en de daarin opgenomen definities zijn rechtstreeks
toepasselijk in de Nederlandse rechtsorde. Het toezicht op de naleving van de verordening
wordt in de uitvoeringswet opgedragen aan de ACM. Het is dus in eerste instantie aan
de ACM, en vervolgens aan de rechter (uiteindelijk het Hof van Justitie van de Europese
Unie) om te bepalen of er in een concreet geval sprake is van een overheidsinstantie
als bedoeld in de verordening. In sommige gevallen is het zonder meer duidelijk dat
er sprake is van een overheidsinstantie. In andere gevallen is het echter minder duidelijk
of een instelling te beschouwen is als een overheidsinstantie. Om die reden voert
het te ver om op voorhand te stellen dat alle instanties genoemd in het register van overheidsorganen een overheidsinstantie zijn
in de zin van de verordening. Voor wat betreft woningbouwcorporaties stelt de regering
zich op het standpunt dat dit geen overheidsinstanties als bedoeld in de verordening
lijken te zijn, omdat een woningbouwcorporatie geen publiekrechtelijke instantie is.
In dit verband wordt verwezen naar het standpunt dat de regering heeft ingenomen in
het kader van de Aanbestedingsrichtlijn17. Deze richtlijn kent een definitie van het begrip publiekrechtelijke organisatie
die vrijwel identiek is aan de in de verordening opgenomen definitie. Bij de standpuntbepaling
in het kader van de Aanbestedingsrichtlijn speelt met name de vraag of het beheer
van de corporatie onderworpen is aan het toezicht door de overheid. In 2021 heeft
de Europese Commissie een met redenen omkleed advies uitgebracht aan de Nederlandse
regering omdat de Commissie van mening was dat een woningbouwcorporatie wel moest
worden beschouwd als een publiekrechtelijke organisatie. De Nederlandse regering heeft
hierop haar standpunt bij de Commissie naar voren gebracht. Sindsdien zijn door de
Commissie geen vervolgstappen meer gezet. Hoe het ook zei, «publiekrechtelijke instantie»
in de zin van de verordening is een Unierechtelijk autonoom begrip. Bij een eventueel
conflict in het kader van de verordening zal uiteindelijk de (hoogste) rechter, het
Hof van Justitie van de Europese Unie, uitsluitsel moeten geven.
Dezelfde respondent geeft voorts aan dat in de memorie van toelichting onterecht wordt
geconcludeerd dat aanbieders van omroepzendernetwerken geen aanbieders zijn van openbare elektronische communicatienetwerken. Daarbij wijst de respondent er op dat op grond
van artikel 1.1. van de Telecommunicatiewet een omroepnetwerk te beschouwen is als
een elektronisch communicatienetwerk en dat voor het openbaar zijn van een dergelijk
netwerk alleen van belang is of er diensten aan het publiek worden geleverd, hetgeen
het geval is.
Terecht merkt de respondent op dat een omroepzendernetwerk op grond van artikel 1.1
van de Telecommunicatiewet te beschouwen is als een openbaar elektronisch communicatienetwerk. Echter in de verordening wordt verwezen naar richtlijn
2018/197218 (hierna: de Telecomcode). De verordening is van toepassing op exploitanten. Voor
dit begrip verwijst de verordening in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, naar artikel 2,
onderdeel 29, van de Telecomcode. Aldaar is een exploitant omschreven als een «onderneming die een openbaar elektronisch communicatienetwerk of een bijbehorende
faciliteit aanbiedt...». In artikel 2, onderdeel 8, van de Telecomcode is omschreven wat een openbaar elektronisch
communicatienetwerk is, namelijk «een elektronisch communicatienetwerk dat geheel of hoofdzakelijk wordt gebruikt om
voor het publiek beschikbare elektronische communicatiediensten aan te bieden ter
ondersteuning van de overdracht van signalen tussen netwerkaansluitpunten». Wat een netwerkaansluitpunt is, is omschreven in artikel 2, onderdeel 9, van de
Telecomcode. Deze omschrijving komt er op neer dat het moet gaan om een fysiek punt
waarop een eindgebruiker toegang krijgt. Echter bij een omroepnetwerk vindt geen overdracht
van signalen tussen netwerkaansluitpunten plaats. Omroepnetwerken zijn namelijk zogenoemde punt naar
multipunt netwerken, dat wil zeggen de aanbieder «stopt» het omroepsignaal in het
netwerk dat het signaal vervolgens aflevert bij ieder netwerkaansluitpunt. Tussen
die netwerkaansluitpunten vindt echter geen verkeer plaats. Daardoor voldoet een omroepnetwerk
niet aan de definitie van een openbaar elektronisch communicatienetwerk zoals bedoeld
in de Telecomcode en is een aanbieder van een dergelijk netwerk geen exploitant in
de zin van de verordening, en is dus de verordening niet van toepassing op aanbieders
van omroep(zender)netwerken.
Een respondent heeft vragen over de wijzigingen van de WIBON. Zoals is aangegeven
in de artikelsgewijze toelichting bij artikel II, onderdelen A tot en met I, K, en
M tot en met S, hebben de wijzigingen van de WIBON te maken met de rechtstreekse toepasselijkheid
van de verordening. Daarom wordt voorgesteld om alle bepalingen in de WIBON die dienen
ter implementatie van de transparantieverplichtingen uit de richtlijn breedband te
laten vervallen. In antwoord op de specifieke vragen omtrent de wijzigingen van de
WIBON wordt opgemerkt dat in het voorstel enkel definities van bepalingen vervallen
die door de voorgestelde wijziging niet meer voorkomen in de WIBON. De definitiebepalingen
zijn daarmee overbodig en dienen dus te vervallen. Daarnaast blijven de transparantieverplichtingen
gelden. Deze volgen nu echter rechtstreeks uit artikelen 4 en 6 van de verordening
en dienen daarom in de WIBON te vervallen.
Een respondent stelt dat in de memorie van toelichting geen uitleg wordt gegeven welke
samenhang er is met andere (planologische) beleidsopgaven die hun (ruimte)beslag hebben
op de onder- en bovengrond en hoe er wordt gezorgd dat de verschillende (sectorale)
regels op elkaar zijn afgestemd. Hierover wordt opgemerkt dat voor zover er ruimte
is op grond van de verordening, ervoor gezorgd wordt dat de verschillende regels op
elkaar worden afgestemd. Daarbij geldt voor vergunningsregels voor de aanleg van VHC-netwerken
die vallen onder de Omgevingswet, dat er reeds een samenhangende benadering is van
regelgeving over de fysieke leefomgeving. Waar het gaat om de samenhang tussen sectorale
wet- en regelgeving voor specifiek werkzaamheden in de ondiepe (stedelijke) ondergrond
– waartoe ook de aanleg van telecomkabels behoort – vindt er op interdepartementaal
niveau afstemming plaats.19
Een respondent doet de suggestie om de uitrol van IPv6 te verplichten voor internetproviders.
Deze suggestie is niet relevant voor de inhoud van het wetsvoorstel en daarom niet
gevolgd.
Toegang tot fysieke infrastructuur
Een respondent adviseert om naar het besluit van de ACM van 31 juli 2024 (ACM/UIT/626726)
te verwijzen voor redelijke en billijke voorwaarden in het kader van toegang tot fysieke
infrastructuur. Dit is toegevoegd in een voetnoot in deze memorie van toelichting.
Een respondent verzoekt te onderzoeken of en hoe een uitzondering tot medegebruik
van de fysieke infrastructuur die voorwaardelijk is voor het veilig uitvoeren van
het treinverkeer in lagere regelgeving generiek kan worden opgenomen. Dit verzoek
zal bij de uitwerking van lagere regelgeving in ogenschouw worden genomen.
Een respondent verzoekt om een uitbreiding van de gedoogplicht voor kabels voor het
aansluiten van antenne-opstelpunten op en aan (daken van) gebouwen. Een andere respondent
pleit voor een uitbreiding van de toegangsverplichting tot publieke gronden. Voor
zover met publieke gronden de niet-openbare gronden van overheidsinstanties wordt
bedoeld, wordt opgemerkt dat het inwilligen van deze verzoeken zou leiden tot een
nationale kop op de verordening. Dat geldt ook voor de voorgestelde uitbreiding van
de gedoogplicht. De verzoeken worden daarom niet ingewilligd.
Een respondent vraagt om in de memorie van toelichting expliciet te vermelden dat
toegang tot een kabel (van een netwerk) niet onder de reikwijdte van de verordening
valt omdat de verordening alleen ziet op toegang tot fysieke infrastructuur. Aan deze
wens is tegemoet gekomen.
Een respondent merkt op dat in het voorstel de reactietermijn op een verzoek tot medegebruik
wordt verkort naar een maand en geeft aan dat deze termijn krap is en een andere manier
van organiseren binnen gemeenten vergt. Zoals aangegeven in paragraaf 2, onder toegang
tot fysieke infrastructuur, van deze memorie van toelichting is nieuw ten opzichte
van de richtlijn breedband dat overheidsinstanties die eigenaar zijn van of zeggenschap
hebben over fysieke infrastructuur onder de toegangsverplichting vallen. Nu het om
een nieuwe verplichting gaat voor gemeenten, is dus geen sprake van een verkorting
van de reactietermijn ten opzichte van de huidige situatie. Daarnaast is de reactietermijn
op grond van artikel 3, zevende lid, van de verordening rechtstreeks toepasselijk,
en kan deze niet aangepast worden in nationale regelgeving.
Een respondent stelt dat bij de implementatie van de transparantie van fysieke infrastructuur
uit moet worden gegaan van wat al wordt geregistreerd en aangeleverd. Dat kan volgens
de respondent betekenen dat niet alle gemeenten dezelfde data leveren. Hier kan een
link worden gemaakt met artikel 4, zevende lid, van de verordening, waarin bepaald
kan worden welke fysieke infrastructuur niet is onderworpen aan verplichtingen met
betrekking tot minimuminformatie. In het wetsvoorstel is daarom voorzien in de mogelijkheid
om de uitsluiting bij of krachtens algemene maatregel van bestuur uit te werken. Met
uitwerking van de kosten-batenanalyse zal rekening gehouden worden met wat al wordt
geregistreerd en aangeleverd. De uitzonderingsgrond wordt nationaal ingevuld, wat
betekent dat alle gemeenten dezelfde data aan dienen te leveren.
Een respondent geeft aan dat er helderheid nodig is bij de toegang tot fysieke infrastructuur
over de wijze waarop transparantie geborgd wordt zonder bedrijfsgevoelige gegevens
te delen, hoe billijkheid wordt ingevuld en hoe capaciteit eerlijk verdeeld wordt.
Om toegang te kunnen vragen tot fysieke infrastructuur is het voor een exploitant
die een VHC-netwerk uitrolt nodig dat hij weet welke fysieke infrastructuur er beschikbaar
is. Vandaar dat artikel 4 van de verordening voorschrijft dat een exploitant via een
centraal informatiepunt toegang moet kunnen krijgen tot bepaalde minimuminformatie.
Deze informatie kan in sommige gevallen bedrijfsgevoelig zijn. Desalniettemin verplicht
de verordening tot het ter beschikking stellen van deze informatie. Wel bepaalt het
achtste lid van artikel 4 van de verordening dat een exploitant die toegang krijgt
tot informatie passende maatregelen moet treffen om ervoor te zorgen dat de vertrouwelijkheid
van de informatie gewaarborgd wordt. Dit betekent onder meer dat de exploitant de
informatie vertrouwelijk moet houden en uitsluitend mag gebruiken voor de uitrol van
zijn netwerk. Voor wat betreft de invulling van begrippen als redelijk en billijk
geldt dat indien daar tussen partijen geen consensus over bestaat hierover een (bindend)
oordeel kan worden gevraagd van ACM. Ook is het de verwachting dat de Berec richtsnoeren,
bedoeld in artikel 3, dertiende lid, van de verordening, hier meer uitwerking aan
geven. Tot slot is het ook mogelijk dat ACM hierover beleidsregels vaststelt zodat
partijen eenvoudiger een inschatting kunnen maken wat er van hen wordt verwacht. Ten
aanzien van de eerlijke verdeling van capaciteit geldt dat de toegang tot fysieke
infrastructuur in beginsel voor iedere partij die een VHC-netwerk uitrolt openstaat.
Dit neemt niet weg dat het voor kan komen dat toegang tot bepaalde fysieke infrastructuur
niet langer mogelijk is omdat een of meer andere partijen die een VHC-netwerk uitrollen
de beschikbare fysieke infrastructuur reeds gebruiken. In die zin geldt bij de toegang
tot de fysieke infrastructuur het uitgangspunt wie het eerst komt die het eerst maalt.
Coördinatie van civiele werken
Een respondent beveelt aan dat in de toelichting wordt verhelderd dat de vrijstellingsmogelijkheden
van artikel 5, vijfde lid, van de verordening uitsluitend gelden voor overheidsinstanties
of netwerkexploitanten die direct of indirect civiele werken uitvoeren of voornemens
zijn direct of indirect civiele werken uit te voeren die geheel of gedeeltelijk met
overheidsmiddelen zijn gefinancierd. Dit is in de toelichting verwerkt.
Een respondent geeft aan dat in artikel 5a.4 (nieuw) van de Telecommunicatiewet een
grondslag voor de mogelijkheid van beperking van toegang tot minimuminformatie als
bedoeld in artikel 6, eerste lid, derde alinea, van de verordening lijkt te ontbreken.
Deze bepaling uit de verordening is echter rechtstreeks toepasselijk en behoeft daarom
geen uitvoering in nationale wetgeving.
Een respondent merkt op dat het onduidelijk is waarom het wetsvoorstel bepaalt dat
exploitanten ook met betrekking tot civiele werken passende maatregelen nemen om ervoor
te zorgen dat de vertrouwelijkheid en handels- en bedrijfsgeheimen worden gewaarborgd.
Deze verplichting geldt op grond van de verordening enkel met betrekking tot fysieke
infrastructuur. Zoals is aangegeven in de artikelsgewijze toelichting bij artikel I,
onderdeel F, artikel 5a.8 (nieuw), blijkt uit overweging 30 bij de verordening dat
vertrouwelijkheid van informatie omtrent civiele werken ook van belang is. Daarnaast
geldt de vertrouwelijkheid op grond van het huidige artikel 5a.12 Telecommunicatiewet
ook voor civiele werken terwijl de richtlijn breedband dit alleen expliciet bepaalde
voor fysieke infrastructuur (artikel 4, achtste lid, van de richtlijn breedband).
Door de voorgestelde bepaling wordt aldus aangesloten bij het huidige regelgevend
kader en de overwegingen bij de verordening.
Een respondent geeft ten aanzien van de transparantie van civiele werken aan dat er
een vrijstelling van de transparantieverplichting van artikel 6, eerste lid, van de
verordening, zou moeten zijn voor het bouwen van antenne-opstelpunten omdat coördinatie
van dergelijke civiele werken niet is voorgeschreven op grond van artikel 5 van de
verordening. Artikel 5, eerste lid, van de verordening geeft overheidsinstanties en
netwerkexploitanten het recht om te onderhandelen met exploitanten over overeenkomsten
betreffende de coördinatie van civiele werken. Met het oog op dit onderhandelingsrecht
voorziet artikel 6, eerste lid, van de verordening in een transparantieverplichting.
Het onderhandelingsrecht ziet in beginsel ook op civiele werken met betrekking tot
het realiseren van antennes. Daarom vallen ook die werken onder de transparantieverplichting.
Hier doet niets aan af dat commerciële, niet met overheidsmiddelen gesubsidieerde,
partijen die antennes aanleggen niet gehouden zijn redelijke verzoeken tot coördinatie
te honoreren. Wel kunnen wellicht (bepaalde) werkzaamheden in het kader van de aanleg
van antennes beschouwd worden als werken van beperkte omvang. Artikel 5, vijfde lid,
van de verordening biedt de mogelijkheid om werken van beperkte omvang uit te sluiten.
Of en zo ja op welke wijze van deze uitzonderingsmogelijkheid gebruik wordt gemaakt
zal worden uitgewerkt in de lagere regelgeving op basis van deze wet. Mocht er daarbij
voor gekozen worden werkzaamheden voor het realiseren van (een bepaalde categorie)
antenne-opstelpunten uit te zonderen vanwege hun beperkte omvang, dan ligt het voor
de hand om voor deze werken ook ten aanzien van de transparantieverplichtingen een
uitzondering te maken. Artikel 6, tweede lid, eerst alinea, van de verordening biedt
hiervoor een grondslag.
Vergunningen
Een respondent merkt op dat op grond van artikel 7, negende lid, van de verordening
de Handreiking Legesheffing telecomkabels aangepast dient te worden en omgezet dient
worden in een ministeriële regeling zodat de regeling bindend is voor overheden. Het
toezicht op deze bepaling dient volgens de respondent bij de RDI te worden belegd.
Een andere respondent adviseert om uitvoering te geven aan artikel 7, negende lid,
van de verordening door middel van het opnemen van een wettelijke grondslag voor het
stellen van nadere regels. Artikel 7, negende lid, van de verordening is rechtstreeks
toepasselijk en nationale regelgeving is op dit punt niet toegestaan. Wel zal de Handreiking
Legesheffing telecomkabels aangepast dienen te worden op dit punt. Daarin wordt namelijk
beschreven dat, in lijn met een uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese
Unie20, legesheffingen voor instemmingsbesluiten getoetst moeten worden aan artikel 42 van
de Telecomcode (voorheen artikel 13 van de Machtigingsrichtlijn). Op grond van de
verordening gaat voor legesheffingen voor instemmingsbesluiten gelden dat getoetst
moet worden aan artikel 16 van de Telecomcode (voorheen artikel 12 van de Machtigingsrichtlijn),
wat inhoudt dat geen vergoedingen of heffingen in rekening worden gebracht die hoger
zijn dan de administratieve kosten. Voor wat betreft het toezicht op dit lid, dient
opgemerkt te worden dat ook voor decentrale overheden het beginsel van Unietrouw krachtens
artikel 4, derde lid, van het Verdrag inzake de Europese Unie geldt en zij dus de
plicht hebben om de naleving van Europese verplichtingen te waarborgen. Daarom is
het aanwijzen van een toezichthouder voor het toezicht op de naleving van dit lid
niet noodzakelijk.
Een respondent stelt dat in de uitvoeringswet een artikel ontbreekt dat betrekking
heeft op dat de status van de vergunning via het Omgevingsloket inzichtelijk dient
te zijn. Op grond van artikel 7, derde lid, van de verordening heeft elke exploitant
het recht om via een centraal informatiepunt informatie over de status van zijn aanvraag
op te vragen. Deze bepaling behoeft geen uitvoering in nationale wetgeving aangezien
de inrichting van het centrale informatiepunt een feitelijke handeling is. Overigens
voorziet het Omgevingsloket reeds in de mogelijkheid om contact op te nemen met de
overheid bij wie de vergunning is aangevraagd, waarmee de status kan worden opgevraagd.
Een respondent beveelt aan dat de procedurele en juridische aspecten van de ontmoeting
met het oog op de vaststelling van een besluit over de vergunningsaanvraag na het
verstrijken van de beslistermijn bedoeld in artikel 8, derde lid, van de verordening
ten opzichte van de schadevergoedingsmogelijkheid in artikel 8:88, eerste lid, onderdeel
c, van de Algemene wet bestuursrecht in de uitvoeringswet dan wel de lagere regelgeving
nader worden uitgewerkt. Uit artikel 8, derde lid, van de verordening blijkt expliciet
dat de mogelijkheid van een ontmoeting na het verstrijken van de beslistermijn niets
afdoet aan het recht van de exploitant om onmiddellijk verhaal te halen. Daarom is
nadere uitwerking niet nodig.
Een respondent vraagt te onderzoeken of een spoedwet kan voorkomen dat de lex silencio
positivo zoals bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de verordening de norm wordt.
Op grond van artikel 8, tweede lid, van de verordening kan van de lex silencio positivo
afgeweken worden indien een van de in dat lid genoemde rechtsmiddelen beschikbaar
is en de betrokken lidstaat ervoor zorgt dat de bevoegde autoriteit na het verstrijken
van de beslistermijn de aanvrager uitnodigt voor een ontmoeting. Zoals aangegeven
in de artikelsgewijze toelichting bij artikel I, onderdeel F, artikel 5a.5 (nieuw),
staat vast dat het Nederlandse recht over een dergelijk rechtsmiddel beschikt, namelijk
het recht om schadevergoeding te vorderen krachtens artikel 8:88, eerste lid, onderdeel
c, van de Algemene wet bestuursrecht. Naar het oordeel van de regering kunnen gemeenten,
als onderdeel van de lidstaat, ook voordat deze uitvoeringswet in werking zou treden,
op basis van een redelijke uitleg van de verordening afwijken van de lex silencio
positivo, mits zij uiteraard zorgen dat voldaan wordt aan de vereisten met betrekking
tot het uitnodigen voor een ontmoeting genoemd in het derde lid. Daarmee wordt tegemoetgekomen
aan de zorg van de respondent.
Een respondent merkt op dat een grondslag nodig is voor de uitvoering van artikel 9,
derde lid, van de verordening. Dit lid is rechtstreeks toepasselijk. Zoals opgemerkt
in paragraaf 2, onder vergunningen, ligt de bevoegdheid bij de bevoegde autoriteiten
om een vergunning te eisen in de gevallen die worden genoemd in het derde lid. Dit
dient de bevoegde autoriteit zelf te toetsen en behoeft dus geen nadere nationale
regels.
Een respondent merkt op dat in de verordening het maatschappelijk draagvlak niet is
meegenomen doordat – in afwijking van de huidige situatie – geen vergunningen meer
behoeven te worden afgegeven voor het aanleggen van glasvezelkabels en het plaatsen
van antenne-installaties. Deze conclusie is echter onjuist. De verordening heeft niet
ten gevolge dat het huidige vergunningenstelsel op basis van de Telecommunicatiewet,
respectievelijk de Omgevingswet verdwijnt. Ook bij het inwerkingtreden van de verordening
blijft voor het aanleggen van een elektronisch communicatienetwerk een instemmingsbesluit
als bedoeld in artikel 5.4 van de Telecommunicatiewet van de gemeente in de regel
een vereiste.21 Ook blijft het vergunningenregime van de Omgevingswet voor de plaatsing van een antenne-installatie
gelden met inbegrip van de reeds bestaande vergunningsvrijstelling voor (dak)antennes
onder de vijf meter. Aan de positie van lagere overheden als vergunningverlenende
instantie wordt dus in beginsel geen afbreuk gedaan door de verordening.
Dezelfde respondent merkt verder op dat er mogelijk maatschappelijke schade ontstaat
door het wegvallen van de regie door de gemeente bij de aanleg van glasvezelkabels.
Zoals gezegd blijft voor de aanleg van een elektronisch communicatienetwerk een instemmingsbesluit
van de gemeente een vereiste. De gemeente blijft hierdoor de regie houden op het tijdstip
en de wijze van uitvoering van de werkzaamheden. Hierdoor kan de gemeente er voor
zorgen dat de werkzaamheden van diverse partijen die actief zijn in de (onder)grond
op elkaar worden afgestemd. Wat de gemeente echter niet kan -en dat was al zo voordat
de verordening er was- is de exploitanten verplichten gezamenlijk aan te leggen.
Dezelfde respondent en enkele andere respondenten merken op dat in de uitvoeringswet
of in de verordening zou zijn voorgeschreven dat vergunningen binnen 4 weken – in
plaats van de huidige 8 weken met verlengingsmogelijkheid – moeten worden afgegeven.
Dit berust echter op een misverstand. De termijnen voor het afgeven van vergunningen,
zoals het instemmingsbesluit, blijven onveranderd (mits die termijn minder dan vier
maanden is, zoals volgt uit artikel 7, vijfde lid, van de verordening). Wel is het
zo, en dat is wellicht de oorzaak van de verwarring, dat een exploitant of een overheid
die een verzoek krijgt van een exploitant tot toegang tot fysieke infrastructuur op
basis van de verordening binnen vier weken moet reageren op dat verzoek. Dit laat
echter onverlet dat voor de aanlegwerkzaamheden een instemmingsbesluit nodig is en
dat de werkzaamheden pas mogen beginnen op het tijdstip dat is opgenomen in het instemmingbesluit.
Meerdere respondenten pleiten verder voor verkorting van de doorlooptijden voor vergunningen
en instemmingsbesluiten van acht naar vier weken zonder – uitzonderlijke gevallen
daargelaten – verlengingsmogelijkheid. Een andere respondent pleit ook voor verkorting
van de doorlooptijden tot vier weken maar dan met een verlengingsmogelijkheid van
twee weken. Weer andere respondenten menen dat de huidige vergunningstermijnen met
de verordening worden ingekort. De verordening bevat regels voor de verlening van
vergunningen die nodig zijn voor de uitrol van VHC-netwerken. Belangrijkste daarbij
is dat de vergunningverlening niet meer tijd in beslag mag nemen dan vier maanden.
De in Nederland geldende termijn van acht weken voor instemmingsbesluiten voldoet
hier ruimschoots aan. Nog afgezien van de verordening lijkt de in Nederland geldende
termijn van acht weken gezien de complexiteit van -een deel van- de instemmingsbesluiten
alleszins redelijk en ziet de regering geen gronden om de termijn in te korten.
Een andere respondent pleit voor de beperking of harmonisatie van de participatiegraad
bij de plaatsing van vergunningsplichtige antennes voor mobiele communicatie. Participatie
van omwonenden bij antenneplaatsing valt niet binnen de reikwijdte van de verordening.
Een dergelijke verplichting zou een nationale kop vormen op de verordening.
Centrale informatiepunten
Meerdere respondenten pleiten voor het inrichten van één centraal informatiepunt voor
het aanvragen van instemmingsbesluiten op basis van informatiesystemen met uniforme
regels, voorwaarden en procedures. Dit conform het in de verordening vastgelegde vereiste
dat de regels nationaal consistent moeten zijn. Een andere respondent merkt juist
op dat landelijke harmonisatie strijdig is met de verdeling van bevoegdheden tussen
het rijk en gemeenten. Het in de verordening opgenomen vereiste van nationale consistentie
van regels betekent evenwel niet dat de regels en de toepassing daarvan landelijk
uniform moeten zijn. Instemmingbesluiten worden op basis van de Telecommunicatiewet
afgegeven door de gemeente. Hiervoor is gekozen omdat de inpassing van werkzaamheden
-zowel ruimtelijk als voor wat betreft tijd- voor de aanleg van telecommunicatie-infrastructuur
sterk afhankelijk is van de lokale omstandigheden. De gemeente is bij uitstek de instantie
die geschikt is om op lokaal niveau een verantwoorde afweging van belangen te maken.
De verordening geeft, zoals ook in het algemeen deel van deze toelichting uiteen is
gezet, de mogelijkheid dat er meerdere centrale informatiepunten zijn. Er moet echter
ook één centraal nationaal digitaal toegangspunt zijn dat toegang geeft tot alle op
basis van de verordening voorgeschreven centrale informatiepunten. Wel laat de verordening
daarbij om praktische redenen toe dat op de website van het nationale toegangspunt
wordt doorgelinkt naar andere websites zoals die van de gemeente. Dit neemt niet weg
dat er vanuit het perspectief van de gebruiker van het nationale toegangspunt sprake
is van één punt vanuit waar doorgelinkt wordt naar de websites van gemeenten waar
instemmingsbesluiten kunnen worden aangevraagd. In die zin wordt dus voldaan aan de
wens van de respondenten.
Een respondent merkt op dat doordat instemmingsbesluiten op basis van de verordening
digitaal moeten kunnen worden aangevraagd via een centraal informatiepunt en de daarmee
samenhangende collectivisering van gemeentelijke systemen de kosten voor gemeenten
lager worden. Al geruime tijd kunnen instemmingsbesluiten in Nederland digitaal worden
aangevraagd. De centrale informatiepunten, met inbegrip van het ene nationale toegangspunt,
zullen zo worden opgezet dat vanuit de website van het nationale toegangspunt wordt
doorgelinkt naar de voor de instemmingsaanvraag relevante pagina van de website van
de gemeente. Het is niet de verwachting dat hierdoor de kosten voor gemeenten lager
worden; de gemeenten zullen immers nog steeds hun website moeten verzorgen en voldoende
menskracht moeten hebben om de vergunningsaanvragen te behandelen. Er is wel een voordeel
voor de exploitanten die de vergunning aanvragen. Zij hoeven niet meer naar de website
van een bepaalde gemeente te gaan en daar te zoeken naar de juiste pagina voor de
aanvraag van een instemmingsbesluit. In plaats daarvan kan een exploitant naar het
nationale toegangspunt gaan en via daar worden doorgelinkt naar het instemmingensysteem
van de gemeente.
Een respondent merkt op dat de reikwijdte van de WIBON wordt versmald tot graafschadepreventie.
Belangrijk is om hierbij op te merken dat dit er niet toe leidt dat de mogelijkheid
om gebiedsinformatie te verkrijgen voor andere doeleinden komt te vervallen. Deze
mogelijkheid bestaat voortaan rechtstreeks op grond van de verordening. Bij de aanwijzing
van het Kadaster als bevoegde instantie wordt gekeken naar de mogelijkheden om zo
veel als mogelijk aan te sluiten bij bestaande systemen en daarbij horende werkwijze
om deze informatie op te vragen.
De respondent vervolgt zijn inbreng met de opmerking dat de keuze om in het wetsvoorstel
geen gebruik te maken van de mogelijkheid om eigenaren van particuliere commerciële
gebouwen te verplichten toegang te verlenen tot hun gebouw met inbegrip van het dak,
beter zou kunnen worden onderbouwd. Hoewel de memorie van toelichting enigszins is
aangescherpt blijft de onderbouwing in de kern hetzelfde. Nederland kent naar de opvatting
van de regering geen afgelegen gebieden of plattelandsgebieden zoals die voorkomen
in veel andere lidstaten. Daar komt nog bij dat een verplichting voor particuliere
eigenaren van commerciële gebouwen een vergaande inbreuk is op het eigendomsrecht
die in een dichtbevolkt land als Nederland niet te rechtvaardigen is.
Aanleg en toegang binnen gebouwen
Een respondent stelt dat het wenselijk is dat het Bbl de providerdemarcatie voorschrijft
in een centrale technische ruimte met een toekomstbestendig aantal glasvezels naar
alle meterkasten van een wooncomplex. In de memorie van toelichting wordt uitgelegd
dat er voor meergezinswoningen (zoals appartementsgebouwen) een (centraal) toegangspunt
(meestal een serviceruimte onder in het gebouw) moet zijn waar telecomkabels kunnen
aanlanden en waar er gekoppeld kan worden aan de glasvezelklare fysieke binnenhuisinfrastructuur
en binnenhuisglasvezelkabels. De specificaties van voorgenoemde onderdelen zijn uitgewerkt
in de Omgevingsregeling, waar vanuit het Bbl naar verwezen wordt.
Een respondent merkt op dat het wenselijk is dat bij bouw of renovatie van laagbouw
in aanvulling op de verordening ook in iedere leefruimte een buis/duct wordt aangelegd
voor het aansluiten van randapparatuur door de eindgebruiker. Het invoeren van een
dergelijke verplichting leidt tot extra kosten bij de bouw van (laagbouw) woningen.
Dit is onwenselijk. Bovendien zou een dergelijke verplichting een nationale kop vormen
op de verordening.
Dezelfde respondent beveelt aan te onderzoeken of er gebruik gemaakt kan worden van
de uitzonderingsmogelijkheid in artikel 10, zevende lid, van de verordening om gebouwen
niet uit te rusten met binnenhuisglasvezelbekabeling. De mogelijkheid tot het niet
van toepassing laten zijn van het eerste tot en met derde lid van artikel 10 van de
verordening ziet op bepaalde categorieën gebouwen als de naleving van de betreffende
verplichtingen onevenredig is wat betreft de kosten voor individuele of gezamenlijke
eigenaren. Het uitzonderen van alle gebouwen van de uitrustingsplicht voor binnenhuisglasvezelbekabeling
is naar mening van de regering op basis van kostenonevenredigheid ongegrond, aangezien
de kosten hiervan op de totale bouwkosten van een gebouw marginaal zijn. Wel worden
in het Bbl voor bepaalde bouwwerken en specifieke gebruiksfuncties de verplichtingen
uit artikel 10 van de verordening niet van toepassing verklaard, bijvoorbeeld in het
geval van gebouwen zonder aansluiting op het elektriciteitsnet en overige gebruiksfuncties,
zoals bergingen bij woningen en transformatorhuisjes.
Een respondent stelt dat er op grond van de verordening geen vergunning mag worden
afgegeven indien nieuwbouw niet voldoet aan de verplichtingen in artikel 10 van de
verordening. Strikt genomen is die bewering niet juist, aangezien de verordening die
koppeling niet voorschrijft; alleen dat nieuwe gebouwen en gebouwen die ingrijpend
worden gerenoveerd en waarvoor na 12 februari 2026 bouwvergunningen zijn aangevraagd,
moeten zijn uitgerust met de voorgeschreven binnenhuisinfrastructuur uit artikel 10
van de verordening. Wel is het zo, en zo is de verwarring wellicht ontstaan, dat er
voor de bouw van gebouwen een bouwmelding (in geval van eengezinswoningen) dan wel
een (omgevings)vergunning (in geval van meergezinswoningen) voor de bouwactiviteit
moet worden gedaan, respectievelijk aangevraagd bij de gemeente. Bij een bouwmelding
toetst een kwaliteitsborger (onafhankelijk deskundige) of het bouwplan voldoet aan
de relevante regels uit het Bbl (inclusief die voortvloeien uit artikel 10 van de
verordening) en stelt dat vast in een borgingsplan, dat benodigd is voor het doen
van de bouwmelding. In geval van een vergunningsaanvraag is het de gemeente die toetst
of het bouwplan voldoet aan de regels uit het Bbl. De kwaliteitsborger ziet toe op
de regels tijdens de bouw en verklaart na afloop het gerechtvaardigd vertrouwen te
hebben dat het bouwwerk aan de regels voldoet, waarna de initiatiefnemer met die verklaring
een gereedmelding kan doen aan de gemeente. De gemeente ziet toe op de naleving van
de vergunning, waarbij de initiatiefnemer nadat deze klaar is met de bouw (formeel
juridisch: als aan de vergunning is voldaan) de gemeente hierover informeert. In de
praktijk zal het dus zo zijn dat er voorafgaand aan de bouw van een woning getoetst
wordt of het bouwplan voldoet aan de regels uit het Bbl (inclusief die voortvloeien
uit artikel 10 van de verordening) en er gedurende de bouw en net voor oplevering
getoetst wordt of de regels daadwerkelijk zijn nageleefd.
Verder vraagt dezelfde respondent zich af hoe bouwbedrijven op tijd op de hoogte zullen
zijn van de nieuwe verplichtingen uit artikel 10 van de verordening. De beoogde wijzigingen
van het Bbl zijn op 13 maart 2025 besproken met de Juridisch Technische Commissie
(JCT) en op 11 maart 2025 met het Interdepartementaal Overleg Bouwregelgeving (IOB).
Alle bij de bouw betrokken partijen (bouw, installaties, bevoegd gezag en consumentenorganisaties)
hebben zitting in deze gremia en zijn dus al vroegtijdig geïnformeerd over de nieuwe
regels in het Bbl. De technische uitwerking van artikel 10, vierde lid is in oktober
2025 met de JTC besproken. Partijen hebben daarmee voldoende tijd om zich op de nieuwe
regels voor te bereiden. Verder wordt via de reguliere communicatiekanalen aandacht
besteed aan de nieuwe regels en wordt op de website van het Informatiepunt Leefomgeving
(www.iplo.nl) uitleg hierover gegeven. De helpdesk bouwregelgeving van IPLO is ook beschikbaar
voor vragen over de nieuwe verplichtingen.
Een respondent merkt op dat het voorschrijven van glasvezelklare binnenhuisinfrastructuur
bij nieuwbouw of grootschalige renovaties verstandig beleid is maar dat wel van belang
is dat de toegang na oplevering eerlijk geregeld wordt. Als, zo vervolgt de respondent,
exploitant A het gebouw ontsluit, moet exploitant B toegang kunnen krijgen, tegen
redelijke en transparante voorwaarden. Bovendien, zo geeft de respondent aan, moeten
de vergoedingen voor medegebruik redelijk zijn en is een verduidelijking van de rol
van VvE’s gewenst. Ongeacht wie feitelijk de glasvezelklare binnenhuisinfrastructuur
aanlegt, of dat nu de bouwer is of, op zijn verzoek, een exploitant, de binnenhuisinfrastructuur
zal, om recht te doen aan de doelstelling van de verordening, zodanig moeten worden
aangelegd dat een andere exploitant op eenvoudige wijze gebruik kan maken van die
voorzieningen. Aan dit aspect zal aandacht worden geschonken bij het uitwerken van
de (technische) eisen op grond van artikel 10, vierde lid, van de verordening waaraan
de voorzieningen moeten voldoen. Daarnaast bepaalt artikel 11, derde lid, van de verordening
dat degene die gerechtigd is tot de voorzieningen (veelal de eigenaar van het gebouw)
gehouden is te voldoen aan alle redelijke schriftelijke verzoeken om toegang tot de
glasvezelklare binnenhuisinfrastructuur onder billijke, redelijke en niet-discriminatoire
voorwaarden, ook voor wat betreft de prijs. Ten aanzien van wat dit in de praktijk
betekent zullen door Berec richtsnoeren worden opgesteld (zie artikel 11, zesde lid,
van de verordening). Naar verwachting zal in deze richtsnoeren ook aandacht worden
geschonken aan de situatie bij meergezinswoningen. Van belang is verder dat een eventueel
conflict over de voorwaarden van de toegang tot de glasvezelklare binnenhuisinfrastructuur
het geschil, zoals ook door de respondent opgemerkt, aan de ACM kan worden voorgelegd.
Dezelfde respondent pleit voor toepassing van standaarden zoals meerbuisoplossingen
of zogenoemde single fiber oplossingen. Deze zienswijze is slechts beperkt meegenomen
bij aanpassing van het Bbl door toe te lichten dat er voldoende ruimte is voor meerdere
kabels en dat er altijd nog een extra kabel gelegd kan worden buiten de verplichte
voorziening om.
De respondent vraagt ook de regels met betrekking tot de toegang tot de glasvezelklare
binnenhuisinfrastructuur van toepassing te verklaren op bedrijfsverzamelgebouwen met
uitzondering van datacenters. Dat laatste gezien de complexiteit van hun netwerkinfrastructuur.
De in de verordening opgenomen verplichting tot de aanleg van (glasvezelklare) binnenhuisinfrastructuur
geldt bij de bouw of ingrijpende verbouwing van alle gebouwen, dus ook bedrijfsverzamelgebouwen
en datacenters. Uitzonderingen hier op maken staat de verordening niet toe. Voor wat
betreft datacenters wordt opgemerkt dat deze altijd op een VHC-netwerk zullen worden
aangesloten. Er zal in een datacentrum dus altijd fysieke («binnenhuis») infrastructuur
aanwezig zijn om de aansluiting op een elektronisch communicatienetwerk mogelijk te
maken. In de praktijk zal moeten worden bekeken wat de verplichting van artikel 10,
eerste lid, van de verordening, in een dergelijke omgeving precies betekent. Van belang
lijkt, gezien de intentie van de verordening, vooral te zijn dat de infrastructuur
van het datacenter zo is opgezet dat in beginsel iedere exploitant zijn netwerk kan
koppelen aan het interne netwerk van het datacenter. Mogelijk kunnen ook hier de door
de Berec op te stellen richtsnoeren meer duidelijkheid bieden.
De respondent merkt verder op dat hij een uitdaging ziet bij de eigenaren van private
gebouwen, die de wet interpreteren alsof zij geen zeggenschap meer hebben over hun
eigendom. Ondanks het gegeven dat, zo vervolgt de respondent, artikel 11 van de verordening
duidelijke bepalingen bevat, zouden extra verduidelijkingen nog wenselijk zijn. Uit
de verordening volgt dat eigenaren van nieuwe gebouwen en gebouwen die ingrijpend
zijn verbouwd in hun gebouw moeten beschikken over glasvezelklare fysieke binnenhuisinfrastructuur
en, bij meergezinswoningen, over binnenhuisglasvezelbekabeling. Voor de eigenaren/gebruikers
van gebouwen is dit in beginsel positief. Immers in vrijwel alle gevallen zal de eigenaar/gebruiker
van het gebouw elektronische communicatiediensten willen afnemen. De aanwezigheid
van de glasvezelklare fysieke binnenhuisinfrastructuur en, in het voorkomend geval,
van binnenhuisglasvezelbekabeling leiden er toe dat hun gebouw eenvoudig en tegen
lage kosten kan worden aangesloten. Het kan echter voorkomen dat een partij die een
VHC-netwerk wil uitrollen toegang vraagt tot de glasvezelklare fysiek binnenhuisinfrastructuur
ook al is de eigenaar/gebruiker niet voornemens om van die partij elektronische communicatiediensten
af te nemen. De eigenaar zal op grond van artikel 11, derde lid, van de verordening,
deze toegang in principe moeten verlenen. Daarbij geldt echter wel dat de eigenaar/gebruiker
die toegang alleen maar hoeft te verlenen onder redelijke en billijke voorwaarden
en tegen een passende vergoeding. Bovendien heeft ook deze toegang als voordeel dat
in het geval in de toekomst de wens ontstaat alsnog elektronische communicatiediensten
bij de hiervoor genoemde partij af te nemen, dit op eenvoudige wijze en tegen geringe
kosten kan worden gerealiseerd.
Een respondent suggereert dat artikel 5.2 van de Telecommunicatiewet aangepast dient
te worden aangezien artikel 11, eerste tot en met derde lid, van de verordening niet
vereist dat de toegang nodig is voor het aansluiten van gebruikers. Naar aanleiding
hiervan is artikel I, onderdeel B, van het voorstel aangepast. Deze respondent adviseert
ook om aan artikel 5.2, vierde lid, van de Telecommunicatiewet toe te voegen dat de
gedoogplicht uit dit lid geldt «met gebruikmaking van beschikbare fysieke binnenhuisinfrastructuur»
zodat conform artikel 11, tweede lid, van de verordening voorbereide aanleg van telecomkabels
dor de telecomaanbieder mogelijk wordt gemaakt. Opgemerkt dient te worden dat artikel 5.2,
vijfde lid, van de Telecommunicatiewet al voorziet in een gedoogplicht voor een rechthebbende
op fysieke binnenhuisinfrastructuur en de voorgestelde wijziging van de respondent
daarom niet nodig is om uitvoering te geven aan de verordening.
B. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING
Artikel I
Onderdeel A
In het voorgestelde artikel worden enkele begrippen die in het wetsvoorstel worden
gebruikt van een definitie voorzien. Tevens worden de verwijzingen naar de ingetrokken
richtlijn breedband in de definities vervangen door verwijzingen naar de verordening.
Daarnaast vervallen de definities van «elektronisch communicatienetwerk met hoge snelheid»,
«richtlijn nr. 2014/61/EU» en «voor hoge snelheid bestemde fysieke binnenhuisinfrastructuur»
omdat deze definities door het wetsvoorstel niet meer in de Telecommunicatiewet voorkomen.
Onderdeel B
Artikel 11, eerste tot en met vierde lid, van de verordening concorderen met artikel 9,
eerste tot en met vijfde lid van de richtlijn breedband. Deze leden uit de richtlijn
breedband zijn destijds geïmplementeerd door aan te sluiten bij de al bestaande gedoogplicht
van artikel 5.2 van de Telecommunicatiewet. Om de huidige situatie voort te zetten,
wordt er daarom voor gekozen om in afwijking van artikel 11, eerste tot en met vierde
lid, van de verordening, hoofdstuk 5 van de Telecommunicatiewet van toepassing te
verklaren op die gevallen. De gedoogplicht uit hoofdstuk 5 van de Telecommunicatiewet
is strikter dan de verplichtingen uit hoofde van artikel 11 van de verordening omdat
geen instemming van de rechthebbende of beheerder vereist is voor de toegang tot het
toegangspunt en de fysieke binnenhuisinfrastructuur en het aansluiten van netwerken.
Op grond van artikel 1, derde lid, van de verordening is het toegestaan om striktere
regels te stellen indien de maatregelen dienen om een efficiëntere uitrol van nieuwe
fysieke infrastructuur mogelijk te maken.
De gedoogplicht uit artikel 5.2, derde tot en met vijfde lid, van de Telecommunicatiewet
wordt echter beperkt doordat deze enkel geldt voor zover het voor het aansluiten van
gebruikers op een openbaar elektronisch communicatienetwerk nodig is. Een dergelijke
beperking kent de verordening niet. De aanbieder heeft op grond van de verordening
het recht om toegang te krijgen tot het toegangspunt en de fysieke binnenhuisinfrastructuur
met het oog op de uitrol van elementen van VHC-netwerken, ongeacht of op dat moment
gebruikers worden aangesloten. Daarom wordt in het wetsvoorstel geregeld dat de gedoogplicht,
bedoeld in artikel 5.2, derde tot en met vijfde lid, van de Telecommunicatiewet in
afwijking van artikel 11, eerste tot en met vierde lid, van de verordening enkel geldt
voor zover het de aansluiting van gebruikers op een openbaar elektronisch communicatienetwerk
betreft. Indien geen sprake is van aansluiting van gebruikers, is artikel 11, eerste
tot en met derde lid, van de verordening van toepassing. Dit houdt in dat er een verplichting
is om te voldoen aan alle redelijke schriftelijke verzoeken van aanbieders van openbare
elektronische communicatienetwerken om toegang te krijgen tot het toegangspunt en
de binnenhuisinfrastructuur.
Onderdeel C
Door het intrekken van de richtlijn breedband vervalt de definitie van «elektronische
communicatienetwerk met hoge snelheid». Omdat met dit wetsvoorstel wordt voorgesteld
om hoofdstuk 5a van de Telecommunicatiewet te wijzigen, dient deze verwijzing ook
aangepast te worden. Aangezien artikel 5.2, vijfde lid, van de Telecommunicatiewet
door het wetsvoorstel uitvoering geeft aan artikel 11, eerste tot en met vierde lid,
van de verordening, dient aangesloten te worden bij «netwerk met zeer hoge capaciteit».
Tevens wordt de verwijzing naar medegebruik als bedoeld in artikel 5a.3 (oud) van
de Telecommunicatiewet vervangen door een verwijzing naar toegang als bedoeld in artikel 3
van de verordening.
Onderdeel D
Artikel 13, eerste lid, onderdeel d, van de verordening geeft iedere partij het recht
om een geschil voor te leggen aan een nationale instantie voor geschillenbeslechting
indien geen akkoord is bereikt over toegang tot fysieke binnenhuisinfrastructuur.
Deze verplichting concordeert met artikel 9, derde lid, van de richtlijn breedband.
Dit lid is destijds geïmplementeerd in artikel 5.3 van de Telecommunicatiewet. In
het huidige artikel 5.3, tweede lid, van de Telecommunicatiewet is de termijn tussen
het moment dat het verzoek is ontvangen en het moment dat het geschil voorgelegd kan
worden twee maanden. Op grond van de verordening dient deze termijn één maand te zijn.
Daarnaast is de termijn voor het geven van de beschikking door de Autoriteit Consument
en Markt op grond van het huidige artikel 5.3 van de Telecommunicatiewet twee maanden
na ontvangst van het verzoek om geschillenbeslechting. De verordening schrijft voor
dat dit binnen één maand na ontvangst geschiedt. Daarom wordt voorgesteld om in afwijking
van het huidige artikel 5.3 van de Telecommunicatiewet het bepaalde in artikel 13
van de verordening van toepassing te verklaren.
Onderdeel E
Artikel 7, vierde lid, van de verordening stelt dat vergunningen afgewezen kunnen
worden indien de minimuminformatie met betrekking tot de coördinatie van civiele werken
niet beschikbaar is gesteld. Deze mogelijkheid om de vergunning af te wijzen wordt
in het eerste lid uitgesloten voor instemmingsbesluiten aangezien de voorschriften
die gesteld kunnen worden aan de instemming limitatief zijn opgesomd in artikel 5.4,
derde lid, van de Telecommunicatiewet. Het beschikbaar stellen van informatie valt
niet onder die voorschriften. Het is op grond van artikel 1, derde lid, tweede volzin,
van de verordening toegestaan om af te wijken van het bepaalde in artikel 7, vierde
lid, van de verordening omdat dit een striktere maatregel is die een efficiëntere
uitrol van nieuwe fysieke infrastructuur mogelijk maakt.
Het instemmingsbesluit is een vergunning in de zin van de verordening. Op grond van
artikel 9, eerste lid, van de verordening dienen bepaalde kleinschalige civiele werken
van beperkte omvang vrijgesteld te worden van de vergunningsprocedure. Zie hierover
ook de artikelsgewijze toelichting bij artikel 5a.7 (nieuw). Indien de werkzaamheden
waarvoor op grond van artikel 5.4 (in eerste instantie) een instemmingsbesluit vereist
is zijn vrijgesteld van een vergunningsprocedure op grond van het bepaalde krachtens
artikel 5a.4, eerste lid, onderdeel c (nieuw), is voor die werkzaamheden geen instemmingsbesluit
vereist. Wel kan in dat geval op grond van artikel 9, vierde lid, van de verordening
een kennisgeving geëist worden. Van die mogelijkheid wordt gebruik gemaakt door het
voorgestelde negende lid. Indien er sprake is van een dergelijke vrijstelling, dient
de aanbieder enkel het voornemen schriftelijk te melden bij burgemeester en wethouders
van de gemeente binnen wier grondgebied de uit te voeren werkzaamheden zullen plaatsvinden.
Overigens bepaalt artikel 5.4, vijfde lid, dat in de (gemeentelijke) verordening onderscheid
gemaakt wordt tussen werkzaamheden van al dan niet ingrijpende aard. In de praktijk
bepalen gemeenten vaak dat voor werkzaamheden van niet ingrijpende aard enkel een
kennisgevingsplicht geldt en geen instemmingsbesluit vereist is. Voor het bepalen
van de vergunningsvrije civiele werken van beperkte omvang zal worden aangesloten
bij wat doorgaans in de huidige gemeentelijke verordeningen wordt aangeduid als werkzaamheden
van niet ingrijpende aard. Daarmee wordt zo veel mogelijk aangesloten bij de huidige
praktijk. Het staat de gemeenten overigens vrij om, naast de vergunningsvrije civiele
werken van beperkte omvang op grond van de verordening, aanvullende werkzaamheden
van niet ingrijpende aard aan te wijzen waarvoor geen instemmingsbesluit vereist is.
Dit kan namelijk de uitrol van nieuwe fysieke infrastructuur bevorderen.22
Onderdeel F
Artikel 5a.1 (nieuw)
In het voorgestelde artikel worden enkele begrippen die in het voorgestelde hoofdstuk
5a (nieuw) worden gebruikt van een definitie voorzien.
Artikel 5a.2 (nieuw)
In artikel 3, negende lid, van de verordening is bepaald dat fysieke infrastructuur
waarvoor reeds toegangsverplichtingen gelden op grond van de Telecomcode, niet onderworpen
zijn aan de verplichtingen van het eerste, vierde en vijfde lid van artikel 3 van
de verordening. De toegangsverplichtingen uit hoofdstuk 5c van de Telecommunicatiewet
zijn dergelijke toegangsverplichtingen op grond van voorgenoemde richtlijn. Daarom
is bepaald dat hoofdstuk 5a (nieuw) van de Telecommunicatiewet niet van toepassing
is op dergelijke gevallen.
Artikel 5a.3 (nieuw)
In het voorgestelde artikel wordt bepaald dat handelen in strijd met bepaalde artikelen
uit de verordening verboden is. Met dit artikel wordt het toezicht op en de handhaving
van deze artikelen belegd bij de Autoriteit Consument en Markt ingevolge artikel 15.1,
derde lid, van de Telecommunicatiewet.
Artikel 5a.4 (nieuw)
De verordening biedt verschillende mogelijkheden om bepaalde categorieën fysieke infrastructuur
en soorten civiele werken vrij te stellen van de verplichtingen uit artikelen 3 tot
en met 6 van de verordening betreffende toegang dan wel coördinatie en transparantie.
Voorgesteld wordt om een grondslag op te nemen om deze vrijstellingen bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur te regelen.
Artikel 7, vijfde lid, vierde alinea, van de verordening schrijft voor dat de lidstaten
de redenen bepalen waarom de bevoegde autoriteiten de beslistermijn in uitzonderlijke
gevallen kunnen verlengen. Voorgesteld wordt om een grondslag op te nemen om dit bij
of krachtens algemene maatregel van bestuur te regelen.
Op grond van de verordening kunnen met betrekking tot administratieve aspecten van
bepaalde verzoeken gedetailleerde voorschriften worden vastgesteld. Dit betreft verzoeken
om toegang tot fysieke infrastructuur, om specifieke elementen van fysieke infrastructuur
ter plaatste te inspecteren en om civiele werken te coördineren. In het huidig regelgevend
kader zijn deze voorschriften voor verzoeken tot medegebruik van fysieke infrastructuur
uitgewerkt in het Besluit medegebruik omroepzendernetwerken en fysieke en publieke
infrastructuur en de Regeling gegevensverstrekking medegebruik omroepzendernetwerken
en fysieke en publieke infrastructuur. Voorgesteld wordt om te regelen dat de gedetailleerde
voorschriften bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen worden gesteld.
Dit biedt de mogelijkheid om aan te sluiten bij het huidig regelgevend kader.
Ter implementatie van de richtlijn breedband zijn ook in het Besluit informatie-uitwisseling
bovengrondse en ondergrondse netwerken en de Regeling informatie-uitwisseling bovengrondse
en ondergrondse netten en netwerken regels gesteld omtrent het beschikbaar stellen
van informatie. Om aan te kunnen sluiten bij het huidige kader, wordt voorgesteld
om een grondslag op te nemen om bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels
te kunnen stellen omtrent de informatie die op grond van de artikelen 4, derde lid,
en 6, eerste lid, van de verordening beschikbaar moet worden gesteld.
Artikel 9, tweede lid, van de verordening verplicht lidstaten om de soorten civiele
werken aan te wijzen die niet zijn onderworpen aan een vergunningsprocedure gelet
op de omstandigheden, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de verordening. Voorgesteld
wordt om een grondslag op te nemen om dit bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur te regelen.
Artikel 14, vijfde lid, van de verordening bepaalt dat de functies van een centraal
informatiepunt worden uitgeoefend door een of meer bevoegde instanties die door de
lidstaat worden aangewezen. Voorgesteld wordt om een delegatiegrondslag op te nemen
om bevoegde instanties in lagere regelgeving aan te wijzen.
Op grond van de verordening kunnen met betrekking tot bepaalde onderwerpen richtsnoeren
of gedetailleerde procedures worden vastgesteld. Voorgesteld wordt om een grondslag
op te nemen om dit bij ministeriële regeling te regelen.
Artikel 5a.5 (nieuw)
In artikel 8, eerste lid, van de verordening wordt bepaald dat in beginsel vergunningaanvragen
stilzwijgend worden goedgekeurd door de bevoegde autoriteiten na het verstrijken van
een bepaalde termijn. Lidstaten kunnen van deze bepaling afwijken indien wordt voldaan
aan één van de in artikel 8 genoemde voorwaarden. Eén van die voorwaarden is dat het
nationaal recht een mechanisme omvat waarmee de exploitant compensatie kan eisen voor
de schade als gevolg van de opgelopen vertraging in de procedure. Naar Nederlands
recht is dat mogelijk op grond van artikel 8:88, eerste lid, onderdeel c, van de Algemene
wet bestuursrecht. Nederland maakt gebruik van de mogelijkheid om van de stilzwijgende
goedkeuring af te wijken. Daarom wordt in het voorgestelde eerste lid bepaald dat
artikel 8, eerste lid, van de verordening niet van toepassing is. Op grond van artikel 8,
derde lid, van de verordening is een dergelijke afwijking slechts mogelijk als de
bevoegde autoriteit na het verstrijken van de termijn een exploitant uitnodigt voor
een ontmoeting teneinde een besluit over de vergunning te vergemakkelijken. Met het
voorgestelde tweede lid wordt deze verplichting aan de bevoegde autoriteit opgelegd.
Artikel 5a.6 (nieuw)
Artikel 7, vierde lid, van de verordening bepaalt dat bevoegde autoriteiten een aanvraag
voor een vergunning mogen weigeren als de minimuminformatie over geplande civiele
werken niet beschikbaar is gesteld door de exploitant die de vergunning aanvraagt.
Om te kunnen beoordelen of de minimuminformatie beschikbaar is gesteld, wordt in het
voorgestelde artikel bepaald dat de bevoegde instantie die de functie uitoefent van
een centraal informatiepunt in die gevallen verplicht is om toegang te verlenen tot
het centrale informatiepunt.
Artikel 5a.7 (nieuw)
Het voorgestelde eerste lid ziet op de vrijstelling van vergunningsprocedures. Bepaalde
civiele werken dienen op grond van artikel 9 van de verordening te worden vrijgesteld
van vergunningsprocedures. Bijvoorbeeld als het gaat om kleinschalige civiele werken
van beperkte omvang. In het voorgestelde artikel 5a.4 (nieuw) wordt een grondslag
opgenomen om die soorten civiele werken bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
aan te wijzen. De vereiste vrijstelling van vergunningsprocedures geldt niet indien
een vergunning vereist is overeenkomstig andere rechtshandelingen van de Unie of sprake
is van een situatie als bedoeld in artikel 9, derde lid, van de verordening. Een vergunning
in de zin van de verordening is een expliciet of impliciet besluit dat of een reeks
expliciete of impliciete besluiten die gelijktijdig of achtereenvolgens door een of
meer bevoegde autoriteiten worden genomen en die een onderneming uit hoofde van het
nationale recht nodig heeft om bouwkundige of civieltechnische werken uit te voeren
die nodig zijn voor de uitrol van elementen van VHC-netwerken (artikel 2, onderdeel
10, van de verordening). Het kan bijvoorbeeld gaan om vergunningen op grond van wetgeving
van het Rijk zoals de Telecommunicatiewet (zoals het instemmingsbesluit) en de Omgevingswet
(onder andere in het kader van een technische bouwactiviteit, rijksmonumentenactiviteit,
natuurgebieden, archeologie en ongeroerde grond), en van decentrale overheden op grond
van provinciale verordeningen, gemeentelijke verordeningen en keuren van waterschappen.
Het is mogelijk dat voor een bepaald civiel werk op grond van centrale of decentrale
wet- en regelgeving in beginsel een vergunning vereist is, maar datzelfde civiele
werk op grond van artikel 5a.4 (nieuw) bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
vrijgesteld is van vergunningsprocedures. Daarom wordt in het voorgestelde eerste
lid bepaald dat in die gevallen in afwijking van centrale of decentrale wet- en regelgeving
geen vergunning vereist is. Zoals hierboven besproken, bepaalt artikel 9 van de verordening
echter dat in bepaalde gevallen de vereiste vrijstelling van vergunningsprocedures
niet geldt. Deze gevallen zijn opgenomen in het voorgestelde eerste lid. Overigens
is in artikel 5a.4 (nieuw) een grondslag opgenomen om regels te stellen over het in
kennis stellen van bevoegde autoriteiten in het geval een exploitant voornemens is
om vrijgestelde civiele werken uit te voeren. Dit maakt het mogelijk dat voor een
civiel werk dat is vrijgesteld van de vergunningsprocedure, wel een inkennisstelling
vereist is.
Het voorgestelde tweede lid ziet op beslistermijnen voor vergunningen. Artikel 7,
vijfde lid, van de verordening schrijft voor dat vergunningen die vereist zijn voor
de uitrol van elementen van VHC-netwerken in beginsel binnen vier maanden verleend
of geweigerd dienen te worden. De beslistermijn van vier maanden geldt niet indien
er andere specifieke termijnen of verplichtingen zijn die zijn vastgesteld voor het
goede verloop van de procedure en die overeenkomstig (het nationale recht dat in overeenstemming
is met) het Unierecht van toepassing zijn op de vergunningsprocedure (artikel 7, vijfde
lid, derde alinea, van de verordening). Voor de meeste vergunningen die nodig zijn
voor de uitrol van VHC-netwerken geldt op dit moment al een beslistermijn korter dan
vier maanden. Zo geldt voor instemmingsbesluiten op grond van artikel 5.4 van de Telecommunicatiewet
een termijn van acht weken met een mogelijkheid van verlening van ten hoogste acht
weken. Daarnaast geldt voor de meeste vergunningen onder de Omgevingswet de reguliere
beslistermijn van acht weken met een mogelijkheid van verlenging van zes weken op
grond van artikel 16.64, eerste en tweede lid, van de Omgevingswet. Het voorgestelde
tweede lid bewerkstelligt dat alle vergunningen die vereist zijn voor de uitrol van
elementen van VHC-netwerken zowel op centraal als decentraal niveau binnen deze termijn
worden verleend of geweigerd. In artikel 7, vijfde lid, van de verordening is bepaald
dat de termijnen uit de verordening geen afbreuk doen aan regels die tot doel hebben
de snelst mogelijke verlening van vergunningen te garanderen. Indien de beslistermijn
van de relevante vergunningen op grond van nationale wet- en regelgeving korter is
dan vier maanden, geldt die kortere termijn.
Deze bijzondere bepaling in de Telecommunicatiewet is bedoeld als lex specialis ten
opzichte van, en heeft daarmee voorrang op, andere bepalingen in wetgeving in formele
zin of daarop gebaseerde lagere regelgeving waarin vergunningen worden vereist of
beslistermijnen zijn opgenomen. Eventuele bepalingen in algemeen verbindende voorschriften
van decentrale overheden of van zelfstandige bestuursorganen die afwijken van deze
bepaling zijn onverbindend wegens strijd met hoger recht.
Artikel 5a.8 (nieuw)
In artikel 4, achtste lid, van de verordening is bepaald dat exploitanten die toegang
krijgen tot informatie over fysieke infrastructuur, passende maatregelen nemen om
ervoor te zorgen dat de vertrouwelijkheid en handels- en bedrijfsgeheimen worden gewaarborgd.
Hoewel de verordening geen vergelijkbare bepaling bevat met betrekking tot informatie
over civiele werken, blijkt uit overweging 30 bij de verordening dat vertrouwelijkheid
voor deze informatie ook van belang is. Daarom wordt voorgesteld om het vertrouwelijkheidsvereiste
voor de informatie over de fysieke infrastructuur van overeenkomstige toepassing te
verklaren op de informatie over de civiele werken. Dit is mogelijk omdat bij artikel 6,
eerste lid, van de verordening sprake is van minimumharmonisatie en het op grond van
artikel 1, derde lid, van de verordening mogelijk is om gedetailleerdere regels vast
te stellen.
Onderdeel G
Omdat hoofdstuk 5a van de Telecommunicatiewet door dit wetsvoorstel wordt gewijzigd,
wordt deze verwijzing vervangen door een verwijzing naar de verordening.
Onderdeel H
In artikel 5c.4, eerste lid (oud), van de Telecommunicatiewet zijn verschillende artikelen
uit hoofdstuk 5a van de Telecommunicatiewet van overeenkomstige toepassing verklaard.
Door dit wetsvoorstel vervallen die artikelen. Waar het lid verwees naar artikelen
die dienden als implementatie van de richtlijn breedband die zijn overgenomen in de
gigabitinfrastructuurverordening, worden deze artikelen vervangen door de relevante
bepalingen uit de gigabitinfrastructuurverordening. Hierdoor blijft het huidige regelgevend
kader voor hoofdstuk 5c van de Telecommunicatiewet in stand.
Onderdeel I
In artikel 5c.4 (oud) van de Telecommunicatiewet worden bovendien de artikelen 5a.2
(oud), 5a.6 (oud) en 5a.14 (oud), eerste, derde, vierde en vijfde lid, van overeenkomstige
toepassing verklaard. Door dit wetsvoorstel vervallen die artikelen. Door de voorgestelde
artikelen worden die vervallen artikelen overgeheveld van hoofdstuk 5a (oud) van de
Telecommunicatiewet naar hoofdstuk 5c van die wet. Hierdoor blijft het huidige regelgevend
kader voor hoofdstuk 5c van de Telecommunicatiewet in stand.
Onderdeel J
In hoofdstuk 5a (oud) van de Telecommunicatiewet zijn regels gesteld omtrent medegebruik
voor gebruikers van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen
frequentieruimte en aanbieders van elektronische communicatienetwerken die bestaan
uit radioapparaten die geschikt zijn voor het verspreiden van programma’s. Deze partijen
zijn geen exploitanten in de zin van de gigabitinfrastructuurverordening. Daarom zijn
de regels omtrent medegebruik uit de gigabitinfrastructuurverordening niet van toepassing
op deze partijen. Door invoeging van hoofdstuk 5d blijft het huidige regelgevend kader
voor deze partijen in stand. Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om in het voorgestelde
artikel 5d.2 te verduidelijken dat deze partijen over en weer dienen te voldoen aan
verzoeken tot medegebruik. Zie hierover nader de paragraaf «omroepzendernetwerken»
in hoofdstuk 3 van het algemene deel van deze memorie van toelichting.
Overigens gold de verplichting tot medegebruik uit artikel 5a.3 (oud) van de Telecommunicatiewet
ook voor aanbieders van bijbehorende faciliteiten. Deze aanbieders vallen nu onder
de verplichting uit artikel 3, eerste lid, van de verordening. Gelet op de rechtstreekse
werking van de verordening, worden de aanbieders van bijbehorende faciliteiten niet
meer opgenomen in hoofdstuk 5d.
Onderdeel K
Gelet op het vervallen van artikel 5a.3, derde lid (oud) van de Telecommunicatiewet,
wordt de verwijzing vervangen.
Onderdeel L
Op grond van artikel 13 van de verordening dient elke partij het recht te hebben om
een geschil met betrekking tot toegang tot fysieke (binnenhuis)infrastructuur, coördinatie
van civiele werken of de transparantieverplichtingen voor te leggen aan een nationale
instantie voor geschillenbeslechting. Een vergelijkbaar recht bestond al op grond
van artikel 3, vierde en vijfde lid, artikel 4, zesde lid, artikel 5, derde en vierde
lid, artikel 6, vierde lid en artikel 9, derde lid, van de richtlijn breedband. Voor
geschillen betreffende de toegang tot fysieke binnenhuisinfrastructuur voor zover
het de aansluiting van gebruikers op een openbaar elektronisch communicatienetwerk
betreft wordt verwezen naar artikel I, onderdeel D, van de artikelsgewijze toelichting.
Geschillenbeslechting betreffende fysieke infrastructuur en coördinatie van civiele
werken is destijds geïmplementeerd in paragraaf 12.2.1 van de Telecommunicatiewet
en geschillenbeslechting betreffende de transparantieverplichtingen in hoofdstuk 5
van de WIBON. De Autoriteit Consument en Markt is daarbij de aangewezen nationale
instantie voor geschillenbeslechting met betrekking tot geschillen inzake toegang
tot fysieke infrastructuur en coördinatie van civiele werken en de Minister de nationale
instantie voor geschillenbeslechting met betrekking tot geschillen inzake de transparantieverplichtingen.
Voorgesteld wordt om de Autoriteit Consument en Markt aan te wijzen als nationale
instantie voor geschillenbeslechting van alle geschillen op grond van de verordening.
Daarvoor is wijziging van artikel 12.2 van de Telecommunicatiewet noodzakelijk. Ten
eerste dient het derde lid, onderdeel a (oud), van de Telecommunicatiewet te vervallen
aangezien dat onderdeel naar hoofdstuk 5a (oud) van de Telecommunicatiewet verwijst.
In de plaats daarvan wordt de geschilbeslechting betreffende de toegang tot fysieke
infrastructuur, de coördinatie van civiele werken en de transparantieverplichtingen,
bedoeld in artikel 13, onderdelen a tot en met c, van de verordening opgedragen aan
de Autoriteit Consument en Markt. Tevens wordt de geschilbeslechting betreffende de
toegang tot fysieke binnenhuisinfrastructuur, voor zover het niet de aansluiting van
gebruikers op een openbaar elektronisch communicatienetwerk betreft geregeld. Ook
artikel 12.2, derde lid, onderdeel b (oud) van de Telecommunicatiewet dat ziet op
geschillen omtrent medegebruik van omroepzendernetwerken, verwijst naar hoofdstuk
5a (oud). Aangezien de verplichtingen omtrent medegebruik van omroepzendernetwerken
met dit wetsvoorstel worden overgeheveld van hoofdstuk 5a (oud) naar hoofdstuk 5d
van de Telecommunicatiewet, wordt voorgesteld om onderdeel b (oud) te laten vervallen
en een nieuw onderdeel toe te voegen dat verwijst naar hoofdstuk 5d. Daardoor wordt
het huidig regelgevend kader voor geschillenbeslechting betreffende medegebruik van
omroepzendernetwerken in stand gehouden. Ten tweede wordt in het vierde lid de verwijzing
naar artikel 5a.5, tweede lid (oud), van de Telecommunicatiewet vervangen. Dat lid
wordt door het wetsvoorstel namelijk overgeheveld naar het nieuwe artikel 5d.4, tweede
lid, van de Telecommunicatiewet. Ten derde wordt voorgesteld om de verwijzing naar
artikel 5a.6 (oud) in het vijfde lid te vervangen. Artikel 5a.6 (oud) van de Telecommunicatiewet
bepaalt dat een netwerkexploitant die tevens het bestuursorgaan is dat beslist op
een aanvraag voor een vergunning, ontheffing of andere toestemming, het verzoek tot
medegebruik met het besluit op een dergelijke aanvraag coördineert. Dit artikel vervalt.
Deze bepaling is voor wat betreft medegebruik van voorzieningen ten behoeve van draadloze
toegangspunten overgeheveld naar artikel 5.c7 van de Telecommunicatiewet. Dientengevolge
wordt voorgesteld om de verwijzing aan te passen.
Onderdeel M
Artikel 12.4, eerste lid, (oud) van de Telecommunicatiewet regelt dat billijke en
niet-discriminerende eisen en voorwaarden kunnen worden gesteld aan de bij een geschil
betrokken partij, het medegebruik of de coördinatie. Deze eis ziet zowel op hoofdstuk
5a (oud) en 5c van de Telecommunicatiewet. Voor het medegebruik van fysieke infrastructuur
en de coördinatie van civiele werken geldt deze eis op grond van artikel 13, derde
lid, van de verordening. Gelet op de rechtstreekse werking van de verordening wordt
voorgesteld om deze eis voor hoofdstuk 5a (oud) te laten vervallen. Het tweede lid
(oud) bepaalt in lijn met artikel 3, vijfde lid, tweede alinea, van de richtlijn breedband
dat bij de vaststelling van een vergoeding voor het medegebruik van fysieke infrastructuur
ervoor gezorgd wordt dat de netwerkexploitant een eerlijke kans heeft om zijn kosten
terug te verdienen. Aangezien een vergelijkbare bepaling niet is opgenomen in de verordening,
wordt voorgesteld om dit lid te schrappen.
Onderdeel N
In artikel 12.5 van de Telecommunicatiewet wordt de termijn bepaald waarbinnen de
Autoriteit Consument en Markt beslist op een aanvraag tot geschillenbeslechting. De
standaardtermijn is vier maanden op grond van het eerste lid. De verordening stelt
ook beslistermijnen. Voor geschillen betreffende toegang tot fysieke infrastructuur
geldt een termijn van vier maanden (artikel 13, tweede lid, onderdeel a, van de verordening).
Dit komt overeen met de standaardtermijn in de Telecommunicatiewet. Voor geschillen
betreffende de coördinatie van civiele werken, de transparantieverplichtingen en toegang
tot fysieke binnenhuisinfrastructuur geldt echter een beslistermijn van één maand
(artikel 13, tweede lid, onderdeel b). Daarom wordt voorgesteld om te bepalen dat
de termijnen uit de verordening gelden voor die geschillen in afwijking van de standaardtermijn.
Daarnaast dient hoofdstuk 5a (oud) uit het vierde lid geschrapt te worden aangezien
de verplichtingen nu rechtstreeks uit de verordening voortvloeien. Tevens wordt voorgesteld
om het vijfde lid te schrappen aangezien door het wetsvoorstel de geschillenbeslechting
voor de transparantieverplichtingen tevens bij de Autoriteit Consument en Markt wordt
belegd. Voor de beslistermijnen met betrekking tot geschillen betreffende de toegang
tot fysieke binnenhuisinfrastructuur voor zover het de aansluiting van gebruikers
op een openbaar elektronisch communicatienetwerk betreft wordt verwezen naar artikel I,
onderdeel D, van de artikelsgewijze toelichting.
Onderdeel O
Voorgesteld wordt om artikel 15.1, derde lid, laatste volzin, van de Telecommunicatiewet
aan te passen omdat artikel 5a.6 (oud) van de Telecommunicatiewet komt te vervallen.
Artikel 5a.6 (oud) is van overeenkomstige toepassing verklaard op de afhandeling van
een verzoek tot medegebruik van voorzieningen ten behoeve van draadloze toegangspunten
met klein bereik zoals geregeld in hoofdstuk 5c van de Telecommunicatiewet. Voorgesteld
wordt om in dit kader artikel 5a.6 (oud) over te hevelen naar artikel 5c.7 (zie artikel I,
onderdeel I, van de artikelsgewijze toelichting). Daarom wordt voorgesteld om artikel 5c.7
toe te voegen aan artikel 15, derde lid. Daarnaast wordt voorgesteld om de artikelen
5a.5 (nieuw), 5a.6 (nieuw) en 5a.7 (nieuw) toe te voegen aan de laatste volzin. Artikelen
5a.5 (nieuw) en 5a.7 (nieuw) bevatten voorschriften omtrent vergunningen. Indien de
normadressaten deze voorschriften overtreden, kan die overtreding betrokken worden
bij het bezwaar en beroep op (het niet tijdig nemen van het) besluit betreffende de
vergunningverlening. Artikel 5a.6 (nieuw) verplicht de bevoegde instantie die de functie
van een centraal informatiepunt uitoefent om in bepaalde gevallen de bevoegde autoriteit
toegang te verlenen tot minimuminformatie. Deze bepaling leent zich niet voor handhaving
door de Autoriteit Consument en Markt.
Onderdeel P
Het Besluit medegebruik omroepzendernetwerken en fysieke en publieke infrastructuur
berust op de artikelen 5a.3, tweede lid (oud), 5a.14 (oud) en 5a.15 (oud) van de Telecommunicatiewet.
Artikel 5a.3, tweede lid (oud), wordt in dit wetsvoorstel ondergebracht in artikel 5d.2,
eerste lid. De delegatiegrondslagen uit artikel 5a.14 (oud) en 5a.15 (oud) worden
in dit wetsvoorstel uitgesplitst per onderwerp. Voor toegang tot fysieke infrastructuur
is de delegatiegrondslag artikel 5a.4 (nieuw). Voor medegebruik van voorzieningen
ten behoeve van draadloze toegangspunten is de delegatiegrondslag artikel 5c.8. Voor
medegebruik voor omroepzendernetwerken is de delegatiegrondslag 5d.10 en 5d.11. Aangezien
de verplichtingen omtrent toegang tot fysieke infrastructuur uit de verordening rechtstreeks
toepasselijk zijn, zullen de bepalingen hieromtrent ter implementatie van de richtlijn
breedband in dit Besluit vervallen. Daarom zal dit Besluit niet meer berusten op artikel 5a.4
(nieuw). Tevens wordt de citeertitel van dit Besluit bij besluit ter uitvoering van
de verordening gewijzigd naar Besluit medegebruik omroepzendernetwerken en publieke
infrastructuur.
Artikel II
Onderdelen A tot en met I, K, en M tot en met S
De transparantieverplichtingen uit de artikelen 4 en 6 van de verordening concorderen
met de artikelen 4 en 6 van de richtlijn breedband. Die artikelen zijn destijds geïmplementeerd
in de WIBON.23 Aangezien de transparantieverplichtingen uit de verordening rechtstreeks toepasselijk
zijn, wordt voorgesteld om alle bepalingen in de WIBON die dienen ter implementatie
van de transparantieverplichtingen uit de richtlijn breedband te laten vervallen.
Onderdeel J
Van de gelegenheid wordt gebruik gemaakt om de verwijzing naar «Onze Minister van
Veiligheid en Justitie» te wijzigen in «Onze Minister van Justitie en Veiligheid».
Onderdeel L
Op grond van de richtlijn breedband moet worden voorzien in geschillenbeslechting.
Voor zover het de transparantieverplichtingen betreft, is dit belegd bij de Rijksinspectie
Digitale Infrastructuur en geïmplementeerd in hoofdstuk 5 van de WIBON. Voorgesteld
wordt om de geschillenbeslechting voor de verplichtingen uit de verordening te beleggen
bij de Autoriteit Consument en Markt. Zie voor een nadere toelichting de artikelsgewijze
toelichting bij artikel I, onderdelen L, M en N, van het wetsvoorstel. Daarom dient
hoofdstuk 5 van de WIBON te vervallen.
Onderdeel T
De WIBON is gebaseerd op de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten en door
implementatie van de richtlijn breedband uitgebreid naar bovengrondse en ondergrondse
netwerken. Aangezien wordt voorgesteld om alle artikelen uit de WIBON die dienen ter
implementatie van de richtlijn breedband te laten vervallen, dekt de citeertitel niet
meer het onderwerp van de WIBON. De wet ziet door deze wijziging namelijk niet meer
specifiek op netwerken. Daarom wordt voorgesteld om de citeertitel te wijzigen zodat
die enkel op netten ziet.
Artikel III
In het voorgestelde artikel wordt de verwijzing naar hoofdstuk 5a (oud) Telecommunicatiewet
vervangen door een verwijzing naar de artikelen omtrent transparantieverplichtingen
in de verordening. Daarnaast wordt, gelet op de voorgestelde wijziging van de citeertitel
in artikel II, onderdeel T, voorgesteld om de verwijzing naar de WIBON te wijzigen.
Artikelen IV en V
Gelet op de voorgestelde wijziging van de citeertitel in artikel II, onderdeel T,
wordt voorgesteld om de verwijzing naar de WIBON te wijzigen.
Artikel VI
In het wetsvoorstel worden bepaalde artikelen van hoofdstuk 5a (oud) Telecommunicatiewet
overgeheveld naar een nieuw hoofdstuk 5d. Om de huidige situatie betreffende beroep
te handhaven, wordt hoofdstuk 5d toegevoegd aan de artikelen 4, 7 en 11 van de Algemene
wet bestuursrecht. Daarnaast wordt, gelet op de voorgestelde wijziging van de citeertitel
in artikel II, onderdeel T, voorgesteld om de verwijzing naar de WIBON te wijzigen.
Artikel VII
Met de in dit artikel voorgestelde wijzigingen van de artikelen 1, 3, 4 en 5 van de
Uitvoeringswet cyberbeveiligingsverordening wordt de reikwijdte van deze wet in overeenstemming
gebracht met de uitbreiding van het toepassingsgebied van de cyberbeveiligingsverordening
tot beheerde beveiligingsdiensten.
Artikel VIII
De inwerkingtreding van de verschillende onderdelen van dit wetsvoorstel wordt bij
koninklijk besluit geregeld, waarbij ruimte wordt geboden voor differentiatie in het
precieze tijdstip van inwerkingtreding van elk van de onderdelen. Hiermee wordt, overeenkomstig
het kabinetsbeleid inzake vast verandermomenten, afgeweken van het uitgangspunt dat
wetsvoorstellen op 1 januari of 1 juli inwerking treden met een minimuminvoeringstermijn
van twee maanden. Deze uitzondering is gerechtvaardigd omdat dit wetsvoorstel de implementatie
van een Europese verordening betreft.
De Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat,
W.J.M. Aerdts
C. BIJLAGE BIJ DE TOELICHTING
Transponeringstabel
Verordening (EU) 2024/1309 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2024
inzake maatregelen om de kosten van de uitrol van elektronischecommunicatienetwerken
met gigabitsnelheden te verlagen, tot wijziging van Verordening (EU) 2015/2120 en
tot intrekking van Richtlijn 2014/61/EU (gigabitinfrastructuurverordening) (PbEU L
2024/1309)
Bepaling verordening
Bepaling in wetsvoorstel of bestaande regeling
Toelichting indien niet geïmplementeerd of naar zijn aard geen implementatie behoeft
Omschrijving beleidsruimte
Toelichting op de keuze(n) bij de invulling van de beleidsruimte
Artikel 1 (Onderwerp en toepassingsgebied)
Behoeft naar zijn aard geen interpretatie, werkt rechtstreeks
Geen
Artikel 2 (Definities)
Behoeft naar zijn aard geen implementatie, werkt rechtstreeks
Geen
Artikel 3, eerste lid (Toegang tot bestaande fysieke infrastructuur)
Artikel I, onderdeel F, artikel 5a.4 (nieuw)
Lidstaat kan gedetailleerde voorschriften vaststellen
Zie hoofdstuk 3, onder hoofdstuk 5a, van deze MvT
Artikel 3, tweede lid (Onderhandeling huurders of houders van rechten met exploitanten)
Artikel I, onderdeel F, artikel 5a.4 (nieuw)
Lidstaat kan richtsnoeren verstrekken
Zie hoofdstuk 3, onder hoofdstuk 5a, van deze MvT
Artikel 3, derde lid (Toegang tot particuliere commerciële gebouwen)
Niet geïmplementeerd
Lidstaat kan bepalen dat eigenaren van particuliere commerciële gebouwen toegang verlenen
Zie hoofdstuk 2, onder toegang tot fysieke infrastructuur, van deze MvT
Artikel 3, zesde lid (Weigeren bij wholesaletoegang)
Niet geïmplementeerd
Lidstaat kan bepalen dat netwerkexploitanten en overheidsinstanties toegang tot fysieke
infrastructuur kan weigeren indien er alternatieven zijn voor wholesaletoegang
Bestaat geen behoefte aan implementatie
Artikel 3, achtste lid (Aanwijzing instantie coördinatie)
Niet geïmplementeerd
Lidstaat kan instantie aanwijzen voor coördinatie onderhandelingen
Bestaat op dit moment geen behoefte en het uitvoeren van dergelijke taken behoeft
bovendien geen wettelijke grondslag.
Artikel 3, tiende lid (Uitzondering categorieën fysieke infrastructuur)
Artikel I, onderdeel F, artikel 5a.4 (nieuw)
Lidstaat kan categorieën fysieke infrastructuur aanwijzen waarop verplichtingen omtrent
toegang niet van toepassing zijn
Zie hoofdstuk 3, onder hoofdstuk 5a, van deze MvT
Artikel 3, vierde, vijfde, zevende, negende, twaalfde en dertiende lid (Verdere bepalingen
met betrekking tot toegang tot bestaande fysieke infrastructuur)
Behoeft naar zijn aard geen implementatie, werkt rechtstreeks
Geen
Artikel 4, eerste en derde lid (Transparantie over fysieke infrastructuur)
Behoeft naar zijn aard geen implementatie, werkt rechtstreeks
Geen
Artikel 4, tweede lid (Meer informatie eisen)
Niet geïmplementeerd
Lidstaat kan meer informatie over bestaande fysieke infrastructuur eisen
Geen gebruikmaking optie in verband met beleid omtrent nationale koppen
Artikel 4, vierde lid (Vrijstelling beschikbaar stellen minimuminformatie)
Niet geïmplementeerd
Lidstaat kan gemeenten met minder dan 3500 inwoners vrijstellen van verplichting om
minimuminformatie beschikbaar te stellen
Geen gebruikmaking optie omdat voor gemeenten ook al dezelfde informatieplichten gelden
en er geen onderscheid is tussen kleinere en grotere gemeenten
Artikel 4, vijfde lid (Inspectie)
Artikel I, onderdeel F, artikel 5a.4 (nieuw)
Lidstaat kan administratieve aspecten verzoek vaststellen
Zie hoofdstuk 3, onder hoofdstuk 5a, van deze MvT
Artikel 4, zesde en zevende lid (Uitzondering verplichting minimuminformatie en inspectie)
Artikel I, onderdeel F, artikel 5a.4 (nieuw)
Lidstaat kan bepalen welke fysieke infrastructuur niet is onderworpen aan verplichtingen
met betrekking tot minimuminformatie en inspectie
Zie hoofdstuk 2, onder toegang tot fysieke infrastructuur, van deze MvT
Artikel 4, achtste lid (Vertrouwelijkheid)
Behoeft naar zijn aard geen implementatie, werkt rechtstreeks
Geen
Artikel 5, eerste lid (Coördinatie van civiele werken)
Behoeft naar zijn aard geen implementatie, werkt rechtstreeks
Geen
Artikel 5, tweede lid (Verzoek coördinatie van civiele werken)
Artikel I, onderdeel F, artikel 5a.4 (nieuw)
Lidstaat kan administratieve aspecten verzoek vaststellen
Zie hoofdstuk 3, onder hoofdstuk 5a, van deze MvT
Artikel 5, derde lid (Onredelijke verzoeken in geval van plattelands- of afgelegen
gebieden)
Artikel I, onderdeel F, artikel 5a.4 (nieuw)
Lidstaat kan bepalen welke verzoeken om coördinatie van civiele werken als onredelijk
beschouwd kunnen worden in geval van plattelands- of afgelegen gebieden
Zie hoofdstuk 3, onder hoofdstuk 5a, van deze MvT
Artikel 5, vierde lid (Onredelijke verzoeken)
Behoeft naar zijn aard geen implementatie, werkt rechtstreeks
Geen
Artikel 5, vijfde lid (Uitzonderingen coördinatie civiele werken)
Artikel I, onderdeel F, artikel 5a.4 (nieuw)
Lidstaat kan bepalen voor welke civiele werken de verplichting tot coördinatie niet
van toepassing is en voor welke civiele werken coördinatie niet mag
Zie hoofdstuk 3, onder hoofdstuk 5a, van deze MvT
Artikel 5, zesde lid (Richtsnoeren Berec)
Behoeft naar zijn aard geen implementatie, gericht tot Berec
Geen
Artikel 6, eerste lid (Transparantie over geplande civiele werken)
Behoeft naar zijn aard geen implementatie, werkt rechtstreeks
Geen
Artikel 6, tweede lid (Uitzonderingen transparantie over geplande civiele werken)
Artikel I, onderdeel F, artikel 5a.4 (nieuw)
Lidstaat kan bepalen voor welke civiele werken de verplichting tot transparantie omtrent
coördinatie niet van toepassing is en voor welke civiele werken transparantie omtrent
coördinatie niet mag
Zie hoofdstuk 2, onder coördinatie van civiele werken, van deze MvT
Artikel 7, eerste lid (Consistentie vergunningsprocedure)
Behoeft naar zijn aard geen implementatie, werkt rechtstreeks en feitelijk handelen
Geen
Artikel 7, tweede lid (Bevoegde autoriteiten stellen informatie vergunningsprocedure
beschikbaar)
Behoeft naar zijn aard geen implementatie, werkt rechtstreeks
Geen
Artikel 7, derde lid (Aanvraag vergunning in elektronische vorm)
Artikel I, onderdeel F, artikel 5a.4 (nieuw)
Lidstaat kan gedetailleerde procedures voor opvragen informatie vaststellen
Zie hoofdstuk 3, onder hoofdstuk 5a, van deze MvT
Artikel 7, vierde lid (Afwijzing vergunning indien niet informatie beschikbaar is
gesteld)
Artikel I, onderdelen E en F, artikel 5a.6 (nieuw)
Lidstaat kan striktere regels stellen
Zie hoofdstuk 3, onder hoofdstuk 5a, van deze MvT
Artikel 7, vijfde lid (Termijn vergunningverlening)
Artikel I, onderdeel F, artikelen 5a.4 (nieuw) en 5a.7 (nieuw)
Lidstaat kan redenen voor verlenging bepalen
Zie hoofdstuk 3, onder hoofdstuk 5a, van deze MvT
Artikel 7, zesde lid (Termijn doorgangsrechten)
Behoeft naar zijn aard geen implementatie, niet relevant voor Nederland omdat geen
gebruik wordt gemaakt van doorgangsrechten in de zin van de verordening.
Geen
Artikel 7, zevende tot en met negende, elfde en twaalfde lid (Vereisten vergunningverleningsprocedure)
Behoeft naar zijn aard geen implementatie, werkt rechtstreeks
Geen
Artikel 7, tiende lid (Monitoring)
Behoeft naar zijn aard geen implementatie, feitelijk handelen
Geen
Artikel 8 (Uitblijven van een beslissing over de vergunningsaanvraag)
Artikel I, onderdeel F, artikel 5a.5 (nieuw)
Lidstaat heeft de keuze om van stilzwijgende goedkeuring bij vergunningsaanvragen
af te wijken
Zie hoofdstuk 2, onder vergunningen, van deze MvT
Artikel 9, eerste en tweede lid (Aanwijzing vrijstellingen van vergunningsprocedures)
Artikel I, onderdeel F, artikelen 5a.4 (nieuw) en 5a.7 (nieuw)
Lidstaat wijst soorten civiele werken aan
Zie hoofdstuk 2, onder vergunningen, van deze MvT
Artikel 9, derde lid (Situaties waarin bevoegde autoriteiten vergunningen kunnen eisen)
Behoeft naar zijn aard geen implementatie, werkt rechtstreeks
Geen
Artikel 9, vierde lid (In kennis stellen voornemen om met civiele werken te beginnen)
Artikel I, onderdeel F, artikel 5a.4 (nieuw)
Lidstaat kan eisen dat exploitanten bevoegde autoriteiten in kennis stellen van voornemen
om met civiele werken te beginnen
Zie hoofdstuk 2, onder vergunningen, van deze MvT
Artikel 10 (Fysieke binnenhuisinfrastructuur en binnenhuisglasvezelbekabeling)
Implementatie door middel van wijziging Bbl en Omgevingsregeling
Lidstaat stelt normen vast en wijzen categorieën gebouwen aan waar verplichtingen
betreffende de fysieke binnenhuisinfrastructuur en binnenhuisglasvezelbekabeling niet
van toepassing op zijn.
Zie hoofdstuk 2, onder aanleg en toegang binnen gebouwen, van deze MvT
Artikel 11, eerste tot en met vierde lid (Toegang tot fysieke binnenhuisinfrastructuur)
Artikel I, onderdeel B
Lidstaat kan striktere regels stellen
Zie artikelsgewijze toelichting bij artikel I, onderdeel B
Artikel 11, vijfde lid (Geen afbreuk eigendomsrecht)
Behoeft naar zijn aard geen implementatie, werkt rechtstreeks
Geen
Artikel 11, zesde lid (Publicatie richtsnoeren)
Behoeft naar zijn aard geen implementatie, gericht tot Berec
Geen
Artikel 12 (Digitalisering van centrale informatiepunten)
Implementatie wordt vormgegeven door feitelijk handelen.
Geen
Artikel 13, eerste lid, eerste alinea (Recht op geschillenbeslechting)
Behoeft naar zijn aard geen implementatie, werkt rechtstreeks
Geen
Artikel 13, eerste lid (Geschillenbeslechting doorgangsrechten)
Niet geïmplementeerd
Lidstaat kan bepalen dat bevoegde nationale instantie voor geschillenbeslechting bevoegd
is geschillen betreffende doorgangsrechten te beslechten
Niet relevant voor Nederland omdat geen gebruik wordt gemaakt van doorgangsrechten
in de zin van de verordening
Artikel 13, tweede lid (Termijnen geschillenbeslechting)
Artikel I, onderdeel N
Geen
Artikel 13, derde lid (Vaststelling billijke en redelijke voorwaarden)
Behoeft naar zijn aard geen implementatie, werkt rechtstreeks
Geen
Artikel 13, vierde lid (Bekendmaking besluit)
Implementatie door middel van bestaande regelgeving (artikel 12.7 Tw)
Geen
Artikel 14, eerste lid (Aanwijzing nationale instantie voor geschillenbeslechting)
Artikel I, onderdeel L
Lidstaat wijst nationale instantie voor geschillenbeslechting aan
Zie hoofdstuk 2, onder geschillenbeslechting, van deze MvT
Artikel 14, tweede en zesde lid (Juridisch onderscheiden en functioneel onafhankelijk)
Implementatie door middel van bestaande regelgeving (artikel 13, derde en vierde lid,
van de Regeling beheer onroerende zaken Rijk 2024)
Geen
Artikel 14, derde lid (Vergoedingen voor kosten)
Implementatie door middel van bestaande regelgeving (artikel 6a Instellingswet ACM)
Geen
Artikel 14, vierde lid (Medewerkingsplicht)
Implementatie door middel van bestaande regelgeving (artikel 6b Instellingswet ACM
en artikel 12.6 Tw)
Geen
Artikel 14, vijfde lid (Aanwijzing bevoegde instantie centraal informatiepunt)
Artikel I, onderdeel F, artikel 5a.4 (nieuw)
Geen
Artikel 14, zevende lid (Eisen bevoegde instanties)
Behoeft naar zijn aard geen implementatie, feitelijk handelen
Geen
Artikel 14, achtste en negende lid (Bekendmaking taken bevoegde instanties)
Behoeft naar zijn aard geen implementatie, feitelijk handelen
Geen
Artikel 14, tiende lid (Beroep tegen besluit bevoegde instantie)
Implementatie door middel van bestaande regelgeving (hoofdstukken 6 en 7 Awb)
Geen
Artikel 15 (Sancties)
Implementatie door middel van bestaande regelgeving (artikelen 15.2, tweede lid, 15.2a,
tweede lid, en 15.4, tweede lid Tw)
Lidstaat stelt sancties vast betreffende schending verordening
Artikel 16 (Verslag en monitoring)
Behoeft naar zijn aard geen implementatie, feitelijk handelen
Geen
Artikel 17 (Wijzigingen van Verordening (EU) 2015/2120)
Behoeft naar zijn aard geen implementatie, werkt rechtstreeks
Geen
Artikel 18 (Intrekking)
Behoeft naar zijn aard geen implementatie, werkt rechtstreeks
Geen
Artikel 19 (Inwerkingtreding en toepassing)
Behoeft naar zijn aard geen implementatie, werkt rechtstreeks
Geen
Ondertekenaars
W.J.M. Aerdts, staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.