Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over de uitkomsten van de Actieagenda Industrie en Omwonenden (Kamerstuk 28089-346)
28 089 Gezondheid en milieu
Nr. 352
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 7 mei 2026
De vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat heeft een aantal vragen en opmerkingen
voorgelegd aan de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat over de brief
van 19 december over de uitkomsten van de Actieagenda Industrie en Omwonenden (Kamerstuk
28 089, nr. 346).
De vragen en opmerkingen zijn op 13 februari 2026 aan de Staatssecretaris van Infrastructuur
en Waterstaat voorgelegd. Bij brief van 7 mei 2026 zijn de vragen beantwoord.
De voorzitter van de commissie, Huizenga
Adjunct-griffier van de commissie, Koerselman
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van de bewindspersoon
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
Voor de leden van de D66-fractie staat één uitgangspunt centraal: gezondheid moet
leidend zijn, en het bevoegd gezag moet daadwerkelijk de ruimte hebben om dat juridisch
en praktisch waar te maken. De industrie is een essentiële motor voor onze economie
en voor de groene transitie. Maar een toekomstbestendige industrie kan alleen bestaan
wanneer zij opereert binnen duidelijke gezondheidskundige grenzen en onder een vergunningenstelsel
dat uitvoerbaar, handhaafbaar en juridisch robuust is. Het beschermen van omwonenden
en werknemers is geen sluitstuk, maar een randvoorwaarde.
De leden van de D66-fractie delen de zorgen van diverse maatschappelijke organisaties
dat slachtoffers van milieuhinder en -delicten vaak onzichtbaar blijven door een gebrek
aan erkenning en complexe juridische processen. Zij vragen de Staatssecretaris hoe
hij borgt dat het perspectief van omwonenden en werknemers structureel wordt meegewogen
bij vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH). Hoe wordt gewaarborgd dat participatie,
informatievoorziening en rechtsbescherming van omwonenden daadwerkelijk worden versterkt
binnen het VTH-stelsel, en niet afhankelijk zijn van de mate van assertiviteit of
juridische draagkracht van betrokken burgers?
Antwoord: Participatie is een belangrijk onderdeel van de Omgevingswet. Via bijvoorbeeld
het Informatiepunt Leefomgeving is uitgebreide informatie beschikbaar hoe die participatie
kan en moet worden vormgegeven1. Als overheden instrumenten van de Omgevingswet vaststellen, moeten ze aangeven hoe
de hierboven genoemde belanghebbenden betrokken zijn bij de totstandkoming van deze
instrumenten. En welke resultaten dat heeft opgeleverd. Gemeenten, provincies en waterschappen
moeten ook aangeven hoe ze hun eigen participatiebeleid hebben ingevuld. Bij het aanvragen
van een omgevingsvergunning moet juist de aanvrager het initiatief nemen. Hij moet
aangeven of, en zo ja hoe, hij de omgeving betrokken heeft bij zijn plan en wat de
resultaten hiervan zijn.
De leden van de D66-fractie hebben ten aanzien van de aangekondigde verkenning naar
een effectiever systeem van vergunningverlening enkele specifieke vragen. Zij constateren
dat bevoegde gezagen momenteel vaak afhankelijk zijn van de vrijwillige medewerking
van bedrijven bij ambtshalve wijzigingen van vergunningen. Deelt de Staatssecretaris
de mening dat een heldere informatieplicht voor de vergunninghouder bij elke wijziging,
ook bij ambtshalve aanpassingen naar aanleiding van nieuwe beste beschikbare technieken
(BBT), essentieel is voor een slagvaardig bevoegd gezag?
Antwoord: Het kabinet deelt de mening dat adequate informatie over activiteiten in
de leefomgeving essentieel is voor het slagvaardig opereren van het bevoegd gezag.
Die is, net als adequate informatie over de staat van de leefomgeving, nodig voor
het beoordelen of regels moeten worden aangepast die voor de activiteit op die locatie
gelden.
Wordt in de verkenning onderzocht hoe de actualiseringsplicht zodanig kan worden verduidelijkt
of aangescherpt dat informatievoorziening in de praktijk altijd gewaarborgd is?
Antwoord: In de verkenning zal de mogelijkheid om periodiek tot een integraal herbeoordelingsmoment
van vergunningen te kunnen komen worden onderzocht. De gedachte is dat een herbeoordeling
kan bijdragen aan het verbeteren van de kwaliteit van de leefomgeving en de gezondheid
van omwonenden. In de verkenning zal daarom worden bekeken of en hoe op een meer efficiënte
en effectieve manier gekomen kan worden tot een wijziging van vergunningen of vergunningvoorschriften.
Daarbij zal in elk geval worden verkend in welke gevallen het initiatief voor de herbeoordeling
zou moeten liggen bij degene die een activiteit uitvoert (ook in verband met de bewijslast)
en welke informatie en (onderzoeks)gegevens daarvoor beschikbaar zouden moeten zijn.
De leden van de D66-fractie vragen daarnaast nadrukkelijk naar de effectiviteit van
de periodieke herziening van vergunningen. Biedt de huidige systematiek van actualisatie
en ambtshalve wijziging daadwerkelijk voldoende handelingsperspectief om te sturen
op milieugebruiksruimte, cumulatie van emissies en nieuwe wetenschappelijke inzichten?
Antwoord: Hoewel er binnen de huidige wet- en regelgeving juridische instrumenten
bestaan om vergunningen aan te passen of aan te scherpen2, blijken deze in sommige situaties in de praktijk lastig uitvoerbaar te zijn. Aan
de motivering van besluiten worden hoge eisen gesteld. Dat is begrijpelijk want om
te kunnen blijven concurreren en vernieuwen moeten industriële bedrijven erop kunnen
vertrouwen dat een verleende vergunning niet zomaar wordt gewijzigd. Hoe ingrijpender
een wijzigingsbesluit, hoe hoger de eisen. In sommige gevallen komt daardoor de beleidsmatig
wenselijke aanpassing of aanscherping niet tot stand. Soms vanwege een informatietekort,
soms vanwege ontbrekende capaciteit of middelen. In de praktijk leidt dit tot knelpunten.
Dit blijkt ook uit het Juridisch Onderzoek Omgaan3 met onzekere risico’s dat eerder aan de Kamer is aangeboden.
Het wijzigen en actualiseren van vergunningen is slechts één van de instrumenten waarmee
gestuurd kan worden op milieugebruiksruimte. In veel gevallen zijn algemene rijksregels
of decentrale regels over activiteiten een geschikter instrument om de milieugebruiksruimteproblematiek
aan te pakken.
Is het huidige instrumentarium toereikend om – ook zonder uitbreiding of wijziging
van activiteiten – emissiegrenswaarden aan te scherpen wanneer daaruit gezondheidskundig
of milieukundig perspectief aanleiding toe bestaat?
Antwoord: De Omgevingswet biedt mogelijkheden voor maatwerk om gezondheid extra te
beschermen. Zo kan er op basis van de omgevingsvisie en het omgevingsplan dergelijk
maatwerk worden toegepast. Dit vereist wel dat in omgevingsvisie en omgevingsplan
minimaal heldere streefwaarden voor de leefomgeving worden vastgelegd. Bovendien kunnen
normen worden aangepast op basis van innovaties en nieuwe inzichten (bijvoorbeeld
na onderzoek van het RIVM), zodat de industrie na een actualisatie van de vergunning
met state-of-the-art technologie werkt en de uitstoot daalt richting de EU-doelstelling
zero pollution in 2050.
Wordt expliciet onderzocht hoe nieuwe wetenschappelijke inzichten, bijvoorbeeld rond
cumulatieve blootstelling of zeer zorgwekkende stoffen, sneller en minder procedureel
belastend kunnen worden vertaald naar aangepaste vergunningvoorschriften?
Antwoord: Het vertalen van nieuwe wetenschappelijke inzichten naar regelgeving is
een continu beleidsproces, waar snelheid van implementatie en procedurele druk altijd
onderdeel van het onderzoek en de afwegingen zijn. Dit wordt per inhoudelijk onderwerp
bekeken. Zowel in het Impulsprogramma Chemische Stoffen als de Actieagenda Industrie
en Omwonenden wordt onderzoek gedaan naar cumulatie. De resultaten hiervan zullen
zeker worden meegenomen in de verdere beleidsontwikkelingen met name op Europees niveau.
Cumulatie is immers een breed Europees vraagstuk.
Deze leden achten het essentieel dat vergunningen geen statische documenten zijn,
maar dynamische instrumenten die meebewegen met nieuwe kennis en veranderende inzichten.
De leden van de D66-fractie vinden dat een gezonde leefomgeving om een stevige verankering
van gezondheid in besluitvorming vraagt. Zij vernemen graag welke specifieke elementen
van de gezondheidseffectrapportage (GER) als toegevoegde waarde worden gezien voor
de bestaande milieueffectrapportage (MER). Op welke termijn worden deze elementen
structureel geïntegreerd in de MER-systematiek? Hoe wordt voorkomen dat dit leidt
tot onnodige vertraging of verhoging van de regeldruk, terwijl de gezondheidstoetsing
inhoudelijk wordt versterkt?
Antwoord: Op dit moment vindt een pilot van een GER (gezondheidseffectrapportage)
plaats bij Tata Steel. Na de afronding van die pilot bij Tata Steel wordt bekeken
wat de meerwaarde is van (elementen van) de GER, hoe deze een plek kunnen krijgen
in wet- en regelgeving, en op welk moment in het vergunningsproces dit het meeste
effect zou hebben. Dit is in lijn met de motie-Gabriëls c.s.4 Hierbij wordt ook gekeken naar de balans tussen de noodzaak inzicht te hebben in
het effect op de gezondheid van omwonenden en de noodzaak de regeldruk te beperken.
Is de Staatssecretaris bereid de gezondheidscomponent structureel te verankeren bij
alle vergunningsaanvragen waarvoor reeds een MER-plicht geldt?
Antwoord: In de bestaande MER-regelgeving is gezondheid al verankerd. Zoals ook is
aangegeven in het antwoord op de vorige vraag, kan nu niet vooruit worden gelopen
op de resultaten van de GER-pilot bij Tata Steel (GER-TSN). Tijdens het plenair debat
over de JLoI met Tata Steel (7 april jl.) heb ik aangegeven dat ik alles op alles
ga zetten om in ieder geval rond de zomer de GER-TSN zover te hebben dat we die kunnen
inzetten voor de maatwerkafspraak.
De leden van de D66-fractie merken op dat de rol van de gemeentelijke gezondheidsdienst
(GGD) cruciaal is om gezondheid daadwerkelijk leidend te maken. Hoe wordt de GGD stevig
verankerd als onafhankelijk adviseur binnen de VTH-structuur en onder de Omgevingswet?
Antwoord: Het doel van de pilot versteviging GGD-advies is om te bevorderen dat gezondheid
op voorhand wordt meegewogen bij keuzes over de ruimtelijke inpassing en voorwaarden.
De pilot is gericht op planvorming en niet op vergunningverlening of de VTH-structuur.
Uit de resultaten van de pilot zal blijken of er aanleiding is om de juridische status
van GGD-adviezen aan te passen. Op dit moment zijn de GGD-adviezen niet verplicht
of bindend. Zoals aangegeven in de Kamerbrief van 19 december jl. is het uitgangspunt
nu om geen stapeling van eisen bovenop het bestaande instrumentarium van wet- en regelgeving
te creëren. Een wijziging van de Omgevingswet is daarmee vooralsnog niet aan de orde.
Hoe wordt de kennisinfrastructuur en structurele financiering van de GGD versterkt,
zodat deze zijn rol als gezondheidskundige duider richting bevoegd gezag én richting
omwonenden adequaat kan vervullen?
Antwoord: Op dit moment ondersteunt het RIVM in opdracht van het Ministerie van VWS
de GGD’en bij hun medisch-milieukundige taken, onder andere met accounthouders, een
vragenloket, kennisdocumenten en kennisbijeenkomsten. Daarbij is de afgelopen jaren
ook meer samengewerkt met omgevingsdiensten. Voor eventuele vervolgstappen worden
eerst de uitkomsten van de pilot afgewacht.
De leden van de D66-fractie steunen het voorstel om BBT-conclusies direct te laten
gelden via algemene regels, om zo actualisaties te versnellen en een gelijk speelveld
te creëren. Tegelijkertijd constateren zij dat de bandbreedte van emissiegrenswaarden
zoals voortvloeit uit de Richtlijn Industriële Emissies (RIE) in de praktijk tot terughoudendheid
kan leiden. Wanneer bevoegde gezagen kiezen voor een grenswaarde aan de onderzijde
van de BBT-range – dus een relatief strenge norm – leidt dit regelmatig tot juridische
procedures door bedrijven. Deelt de Staatssecretaris de analyse dat dit een remmend
effect kan hebben op het hanteren van ambitieuze, gezondheidsbeschermende grenswaarden?
In hoeverre ziet hij ruimte om bevoegde gezagen juridisch steviger te positioneren
bij de keuze voor de onderkant van de BBT-bandbreedte, bijvoorbeeld via landelijke
beleidskaders, standaardmotiveringen of verduidelijking van de beoordelingsruimte
binnen de RIE? Kan hij aangeven of het huidige juridische kader voldoende waarborgen
biedt dat een keuze voor de strengste, passende grenswaarde binnen de BBT-range in
beginsel standhoudt bij de bestuursrechter? Deze leden achten het van belang dat het
bevoegd gezag niet terughoudend hoeft te zijn uit angst voor langdurige procedures,
maar met vertrouwen kan kiezen voor het beschermingsniveau dat binnen de Europese
kaders mogelijk is.
Antwoord: Het klopt dat vergunnen aan de strenge kant (onderkant) van bandbreedte
van de beste beschikbare technieken (BBT) regelmatig leidt tot juridische procedures
door bedrijven. Door de implementatie van de herziene Richtlijn industriële emissies
worden bevoegde gezagen juridisch steviger gepositioneerd en wordt hun informatietekort
aangepakt. In de implementatie van de herziene Richtlijn industriële emissies is het
uitgangspunt dat aan de onderkant van de BBT-bandbreedte vergund moet worden. Indien
bedrijven een minder strenge vergunning willen krijgen, hebben zij de plicht om voor
hun installaties een analyse te doen van de hele BBT-bandbreedte en aan te tonen waarom
zij niet kunnen voldoen aan de onderkant van de bandbreedte. Het bevoegd gezag heeft
de ruimte om aan te geven dat zij niet voldoende informatie heeft gekregen om die
soepelere vergunning af te geven. Met de implementatie van de herziene Richtlijn is
het uitgangspunt in heel Europa het aanhouden van ambitieuze, gezondheidsbeschermende
grenswaarden.
De leden van de D66-fractie maken zich zorgen over de uitvoerbaarheid van deze ambities
in het licht van de capaciteitsproblemen bij omgevingsdiensten. Bij het onderbouwen
van strengere grenswaarden wordt momenteel vaak een zeer uitgebreide motivering verlangd,
mede uit voorzorg voor juridische procedures. Dit leidt ertoe dat schaarse capaciteit
verschuift van toezicht en handhaving naar juridisch defensieve onderbouwing. Acht
de Staatssecretaris het mogelijk om, binnen de kaders van rechtsbescherming en Europese
regelgeving, te komen tot een meer gestandaardiseerde of proportionele motiveringssystematiek?
Antwoord; De verwachting is dat met de implementatie van de herziene Richtlijn industriële
emissies er juridisch voldoende waarborgen zijn om vergunningen die uitgaan van de
onderkant van de BBT-bandbreedte te laten standhouden bij de rechter.
Een meer gestandaardiseerde motiveringssystematiek ligt niet in de lijn der verwachting,
maar voor de proportionaliteit wordt een kostenmethodiek ontwikkeld door Europa die
in Nederland overgenomen zal worden. Dat leidt tot een meer gestandaardiseerde aanpak
van de proportionaliteitsvraag.
Wordt in de verkenning betrokken of landelijke richtsnoeren, modelvoorschriften of
een vorm van bewijsvermoeden bij toepassing van de onderkant van de BBT-range kunnen
bijdragen aan vermindering van administratieve lasten voor bevoegde gezagen, zonder
afbreuk te doen aan rechtsbescherming?
Antwoord: Doordat de herziene Richtlijn industriële emissies de onderkant van de BBT-bandbreedte
als uitgangspunt heeft, is de verwachting dat de administratieve lasten voor de bevoegde
gezagen verminderen omdat bedrijven als zij aanspraak willen maken op maatwerk (i.e.
een soepelere vergunning), zelf een analyse moeten doen van de gehele BBT-bandbreedte
en zelf moeten aantonen waarom zij niet aan de onderkant van de BBT-bandbreedte kunnen
voldoen. Landelijke richtsnoeren of modelvoorschriften worden daarom niet onderzocht.
Wel richt de verkenning zich op het mogelijke instrument om vergunningen na een zekere
periode te herbeoordelen.
De leden van de D66-fractie vragen tot slot naar de opvolging van «actie 8» uit de
agenda, betreffende aanvullende maatregelen voor de industrie. Wat is de actuele stand
van zaken?
Antwoord: In het initiële onderzoek in het kader van actie 8 (Onderzoek financiële
prikkels ter vermindering luchtvervuilende uitstoot) bleek dat er al veel informatie
en onderzoeken bestaan met betrekking tot het belasten van luchtvervuiling. Omdat
keuzes moesten worden gemaakt bij de verdeling van schaarse capaciteit en financiële
middelen, is daarom in de afgelopen periode geen nader verdiepend onderzoek uitgevoerd.
Wel is er op basis van de bestaande informatie en onderzoeken voor gekozen om de mogelijkheden
voor positieve financiële prikkels te gaan verkennen.
Kan de Staatssecretaris bevestigen dat alle mogelijke aanvullende maatregelen – ongeacht
het huidige politieke draagvlak – feitelijk worden onderzocht, zodat het maatschappelijke
debat kan worden gevoerd op basis van een volledige analyse?
Antwoord: Dit is in de afgelopen periode de werkwijze geweest en dat blijft zo. Zoals
de factsheets in de bijlage bij de Kamerbrief van 19 december jl. laten zien, is op
basis van de verrichte onderzoeken een breed scala aan beleidsopties geformuleerd.
Vervolgens heeft politieke besluitvorming plaatsgevonden over die opties; deze zijn
in het kader van transparantie en ten behoeve van politiek en maatschappelijk debat
integraal met de Kamer gedeeld.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie onderschrijven het regeerakkoord, waarin wordt ingezet
op versnelling van industriële verduurzaming met behoud van concurrentiekracht, een
gelijk Europees speelveld en een stabiel en voorspelbaar langetermijnbeleid als randvoorwaarde
voor investeringen. Zij bezien de aangekondigde pilots, maatregelen en verkenningen
in dit licht en benadrukken dat een vitale en concurrerende industrie meer kan bijdragen
aan een gezonde leefomgeving, mits omwonenden daadwerkelijk gezondheidswinst ervaren,
de overheid beschikt over betrouwbare informatie en de industrie duidelijkheid heeft
over vergunningenkaders en beleid.
De leden van de VVD-fractie hebben enkele vragen. Zij vragen hoe gezondheid in de
pilot gericht op het versterken van het GGD-advies concreet en vroegtijdig wordt meegenomen
bij het opstellen van omgevingsvisies en -plannen. Wat wordt verstaan onder het vroegtijdig
en volwaardig inbrengen van gezondheidsexpertise en hoe ziet het afwegingskader eruit?
Antwoord: Het doel van deze pilot is om te bevorderen dat gezondheid op voorhand wordt
meegewogen bij keuzes over de ruimtelijke inpassing en voorwaarden. De GGD heeft deskundigen
op het terrein van medische milieukunde en gezonde leefomgeving die in het kader hiervan
kunnen adviseren over gezondheidsaspecten van besluiten en ontwikkelingen in de leefomgeving.
Door deze expertise vroegtijdig in het besluitvormingsproces bij omgevingsplannen
waar er sprake is van inpassing van industriële activiteiten of hindergevoelige functies
te betrekken, zijn er meer mogelijkheden om planvorming nog aan te passen, waardoor
gezondheidsbelangen beter kunnen worden meegewogen.
De pilot is gericht op planvorming en niet op vergunningverlening of de VTH-structuur.
Uit de resultaten van de pilot zal blijken of er aanleiding is om de juridische status
van GGD-adviezen aan te passen. Op dit moment zijn de adviezen niet verplicht of bindend.
Wanneer weegt het belang van gezondheid zwaarder dan andere belangen en wanneer niet?
Antwoord: Dit valt op voorhand niet te zeggen. Besluitvorming en het maken van een
integrale belangenafweging over welke belangen zwaarder wegen en wanneer, is aan het
bevoegd gezag. Het is ook aan het bevoegd gezag om verantwoording af te leggen over
deze keuzes aan de gemeenteraad of provinciale staten.
Wat mag van omwonenden worden gevraagd te accepteren en waar ligt voor de Staatssecretaris
de grens?
Antwoord: De Onderzoeksraad voor Veiligheid heeft in 2023 geoordeeld dat de gezondheid
van omwonenden nu onvoldoende wordt beschermd. Nederland is een dichtbevolkt land
waar veel verschillende activiteiten in elkaars nabijheid plaatsvinden. In sommige
gevallen zullen mensen dat merken. Daarom is een balans belangrijk tussen de leefomgeving
en industriële activiteiten, waarbij zowel gezondheidsbelangen en economische belangen
een belangrijke rol spelen. Rondom vergunningplichtige industriële bedrijven die vanwege
hun aard en omvang een significante negatieve impact kunnen hebben op de gezonde leefomgeving
is het goed om gericht zoveel mogelijk risico’s te beperken.
De leden van de VVD-fractie onderschrijven het belang van goed, consistent en betrouwbaar
meten. Meten kan discussie voorkomen, mits dit zorgvuldig gebeurt. Zij constateren
dat momenteel wordt gewerkt met zowel geaccrediteerde meetbedrijven als met eigen
metingen. Hoe borgt de Staatssecretaris dat er voldoende geaccrediteerde meetcapaciteit
in Nederland beschikbaar is?Is de Staatssecretaris het met deze leden eens dat zonder
voldoende meetcapaciteit discussie over meetgegevens blijft bestaan door ruimte voor
interpretatie en betwisting?
Antwoord: Wettelijke- of in de vergunning voorgeschreven regels kennen eisen ten aanzien
van kwaliteit en onafhankelijkheid. Bedrijven zijn zelf verantwoordelijk voor het
naleven van deze eisen. Daarbij reguleert de markt bij de bedrijfsmetingen de beschikbaarheid
van voldoende geaccrediteerde meetcapaciteit bij meetbureaus.
In het kader van hun toezichtstaak kunnen bevoegde gezagen metingen bij bedrijven
aan marktpartijen uitbesteden, maar zij kunnen ook in eigen beheer metingen uitvoeren.
Diverse omgevingsdiensten hebben recent het initiatief genomen om te investeren in
meer eigen meetcapaciteit.
Meer meetcapaciteit hoeft overigens niet altijd een voorwaarde te zijn voor vertrouwen
in meetresultaten. De gebruikte meetmethode, betere informatievoorziening daarover
en transparantie over de resultaten kunnen daar ook een positieve invloed op hebben.
Deze invalshoeken worden meegenomen in de pilot meten.
De leden van de VVD-fractie hechten aan het belang van het in gesprek blijven tussen
omwonenden, overheid en industrie. Zonder structureel overleg bestaat het risico dat
partijen zich ingraven in eigen standpunten. Hoe borgt de Staatssecretaris dat de
industrie zich daadwerkelijk committeert aan de landelijke gesprekstafel en de uitkomsten
serieus neemt?
Antwoord: Het commitment van de industrie wordt geborgd door een afgevaardigde van
de industrie als vast lid van de landelijke gesprekstafel op te nemen. De tafel richt
zich bovendien op het versterken van de onderlinge relatie en transparantie en op
concrete verbeteringen in de praktijk. De tafel wordt in eerste instantie voor twee
jaar ingesteld en zal in het tweede jaar worden geëvalueerd. In deze evaluatie zal
het ervaren commitment van alle betrokken partijen een belangrijke rol spelen. Op
basis daarvan kan worden besloten of, en zo ja hoe er een vervolg komt. De industrie
wordt ook goed betrokken bij de inrichting van de lokale pilots.
Hoe wordt gewaarborgd dat de vertegenwoordiging van de fysieke leefomgeving een representatieve
afspiegeling vormt van alle gevoelens die in een gebied leven, inclusief die van de
zogenoemde zwijgende meerderheid die bereid is tot op zekere hoogte overlast te accepteren
vanwege de economische betekenis van de industrie?
Antwoord: De vertegenwoordiging wordt geborgd door allereerst te zorgen dat de perspectieven
van zowel omwonenden en industrie als overheden/bevoegde gezagen vertegenwoordigd
zijn aan de gesprekstafel. Daarnaast wordt, door in verschillende regio’s en op verschillende
locaties langs te gaan, een variëteit aan beelden en signalen opgehaald. Er is immers
niet één type omwonende of industrieel bedrijf.
De leden van de VVD-fractie vragen ten aanzien van de verkenning naar een herbeoordelingsmoment
van vergunningen hoe wordt voorkomen dat dit bedrijfseconomisch knellend wordt.
Antwoord: Het doel van deze verkenning is het krijgen van een beeld over hoe het systeem
van vergunningverlening effectiever kan worden, door onder andere herbeoordelingsmoment
van vergunningen. Deze verkenning zal breed opgesteld worden, met oog voor het concurrentievermogen
van bestaande industrie. De kosteneffectiviteit zal hierin meegenomen worden. Mocht
uit de verkenning blijken dat het wenselijk is om wet- en regelgeving aan te passen,
dan wordt hierbij regeldruk expliciet meegewogen. Ook wordt hierbij een bedrijfseffectentoets
uitgevoerd.
In het licht van de implementatie van de herziene RIE, waarbij vergunningverlening
plaatsvindt aan de strengste kant van de bandbreedte van de BBT, kan een te vroeg
herbeoordelingsmoment investeringsbeslissingen onder druk zetten. Hoe wordt rekening
gehouden met de geldigheidsduur van bestaande vergunningen, investeringsafwegingen
en afschrijvingstermijnen?
Antwoord: Deze elementen zullen worden meegenomen bij de verkenning. Zie ook antwoord
op voorgaande vraag.
Is de Staatssecretaris bereid te kiezen voor een gedifferentieerde aanpak per sector
en waar nodig per bedrijf, waarin naast gezondheid en leefbaarheid ook haalbaarheid,
betaalbaarheid en concurrentievermogen worden meegewogen?
Antwoord: De verkenning onderzoekt onder meer of en op welke manier het wenselijk
zou kunnen zijn om een herbeoordelingsmoment van vergunningen te introduceren. Hierbij
zal bekeken worden of een herbeoordelingsmoment voor specifieke vergunningen zou moeten
gelden of algemeen toepasbaar zou moeten zijn.
Binnen het huidige wettelijke kader moet het bevoegd gezag reeds bij vergunningverlening
het milieu- en bedrijfsbelang afwegen. Bij het bedrijfsbelang wordt ook de kosteneffectiviteit
van een te nemen maatregel meegenomen.
De leden van de VVD-fractie constateren dat de Staatssecretaris aangeeft dat er beperkte
mogelijkheden zijn voor sluitende investeringsprikkels die aantoonbaar gezondheidswinst
opleveren, terwijl subsidies dit wel kunnen doen. Is de Staatssecretaris bereid hiervoor
actief te pleiten in Europese Milieuraadsvergaderingen, met oog voor een gelijk speelveld
en het verkleinen van de investeringskloof tussen milieudoelen en beschikbare stimulering?
Antwoord: Momenteel lopen de onderhandelingen voor het nieuwe meerjarig financieel
kader van de EU (MFK). Deze lopen niet via de Europese Milieuvergadering, maar via
speciaal daarvoor ingerichte ad-hoc raadswerkgroepen. Besluitvorming vindt dan plaats
in de Raad Algemene Zaken ter voorbereiding op bespreking in de Europese Raad. In
de onderhandelingen vraagt het kabinet, waar passend, onder meer aandacht voor een
goede borging van de elementen die in het huidige LIFE-programma5 voorkomen. Daarnaast bepleit het kabinet in Brussel ook het belang van investeringen
in de groene transitie en daarom staat het kabinet positief tegenover het voorstel
van de Commissie om minimaal 35% van de EU-uitgaven te richten op klimaat en milieu.
De huidige Europese staatssteunregels staan steun aan bovenwettelijke milieumaatregelen
onder voorwaarden overigens reeds toe.
De leden van de VVD-fractie merken tot slot op dat de Staatssecretaris zich terecht
beperkt tot de in de Kamerbrief aangekondigde maatregelen. Focus is noodzakelijk om
effectief te kunnen sturen. Te snelle of te brede maatregelen kunnen de concurrentiekracht
en het verdienvermogen van de industrie onder druk zetten, terwijl deze juist essentieel
zijn voor de Nederlandse economie en de verduurzamingsopgave. Deze leden achten het
van belang dit traject zorgvuldig en in goede afstemming met de vaste Kamercommissie
voor Infrastructuur en Waterstaat en de betrokken ministeries voort te zetten.
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat het voorgestelde beleid hinkt
op twee verschillende en deels tegenstrijdige uitgangspunten. Industriële uitstoot
leidt tot milieuvervuiling en gezondheidsschade. Veel schadelijke uitstoot kan worden
voorkomen door het dwingend voorschrijven van technische maatregelen, door wettelijke
emissie-eisen, strenge vergunningverlening, beter meten en rapporteren en handhaving
van regels. Maar de Staatssecretaris wil vooral absoluut voorkomen dat de vervuilers
last krijgen van de bestaande regels of meer regels. Meer en strengere regels of het
effectief handhaven van bestaande regels zou immers kunnen leiden tot hogere kosten
voor bedrijven.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen de Staatssecretaris of hij de mening
deelt dat kostenbesparingen voor de industrie, door het niet verminderen van gezondheidsschadelijke
vervuiling, betekenen dat omwonenden voor die kostenbesparing betalen met hun gezondheid.
Dus dat de gezondheid van de ene burger onvrijwillig wordt omgezet in dividend voor
de andere.
Antwoord: Het kabinet zoekt altijd naar een goede balans bij het aanpakken van de
verschillende maatschappelijke opgaven. Per beleidsterrein wordt daarvoor afgewogen
wat de gevolgen zijn voor mens en milieu, en wat de economische baten en lasten zijn.
Daarin speelt ook mee hoe kosten in de tijd verdeeld (kunnen) worden.
Nederland is een dichtbevolkt land waar (intensieve) industrie, wonen en natuur nauw
met elkaar verbonden zijn en de ruimte schaars is. Het zoeken naar een goede balans
tussen het benutten van de fysieke leefomgeving en de bescherming ervan is daarom
extra uitdagend.
Het verder brengen van het principe «de vervuiler betaalt» en daarmee de milieuschade
die bedrijven veroorzaken onderdeel laten worden van de prijs van diensten en producten
is het uiteindelijke doel, dat vooral Europees gerealiseerd moet worden. Daarbij wil
het kabinet ook innovaties bevorderen.
Voor de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie moet de bescherming van de gezondheid
van mens en milieu uitgangspunt zijn voor het beleid. Dat bepaalt de ruimte waarbinnen
economische activiteiten kunnen plaatsvinden. Deze leden vinden dat er geen recht
op vervuiling mag zijn, als dit ten koste gaat van de gezondheid van mensen. Zeker
niet, als die vervuiling en gezondheidsschade vermijdbaar zijn en het product van
die vervuiling een geringe maatschappelijke meerwaarde heeft. Beide zouden getoetst
moeten worden en onderdeel moeten zijn van het vergunningenproces en de handhaving.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met grote belangstelling kennisgenomen
van het rapport van de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OVV). Deze leden zien eigenlijk
geen goede redenen om de acties uit de actieagenda niet allemaal volledig uit te voeren.
Ze dragen allemaal bij aan een gezondere leefomgeving en zijn daarom nodig. Het uitgangspunt
van de Staatssecretaris dat er geen regels of regelingen bij mogen komen, delen deze
leden nadrukkelijk niet.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie onderscheiden twee uitgangspunten voor een
effectief beleid op industriële vervuiling. Ten eerste wordt geen vervuiling vergund
die vermijdbaar of overbodig is, of de gezondheid van mens en milieu onevenredig aantast.
Dus de schoonste technieken moeten altijd leidend zijn en als ook die niet schoon
genoeg zijn, kan de activiteit niet worden vergund. Ten tweede moet de overheid in
staat zijn om dit effectief te handhaven. De omgevingsdiensten, de Inspectie Leefomgeving
en Transport (ILT), het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), de GGD
en anderen moeten over voldoende mensen, middelen en kennis beschikken en voldoende
juridische mogelijkheden hebben om te toetsen en te controleren. Is de Staatssecretaris
bereid om hiernaartoe te werken, op weg naar «zero pollution 2050»?
Antwoord: Het eerste uitgangspunt dat de GroenLinks-PvdA fractie beschrijft, is ook
het uitgangspunt van de Europese doelstelling om stap voor stap toe te werken naar
een situatie van zero pollution in 2050. Zoals eerder aan uw Kamer gemeld steunt het
kabinet deze inzet. De implementatie van de herziene richtlijn Industriële Emissies6 en de richtlijn Luchtkwaliteit7 (2024/2881) zijn in dit kader waardevolle stappen. Er is in het kader van de Actieagenda
een eerste verkenning uitgevoerd naar de omvang van de opgave voor een gezonde, schone
en veilige leefomgeving in 2050 gefocust op luchtkwaliteit. De verkenning is bijgevoegd
bij de Kamerbrief8 van 19 december 2025.
Voor wat betreft het tweede uitgangspunt geldt het volgende. Het is goed gebruik om
medeoverheden te betrekken bij beleidswijzigingen die leiden tot nieuwe taken voor
medeoverheden; zeker als die substantieel van aard zijn. Nieuwe structurele taken
voor medeoverheden zijn in het kader van deze fase van de Actieagenda Industrie en
Omwonenden niet voorzien. Mochten naar aanleiding van de pilots en verkenningen beleidswijzigingen
als optie in beeld komen waar dat wel voor geldt, dan zal als onderdeel van de besluitvorming
de bijbehorende financieringsbehoefte in kaart worden gebracht.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie concluderen, gezien de reacties in de inspraak
en de ontvangen brieven, dat de vervuilers in het algemeen zeer positief zijn over
de keuzes, terwijl de slachtoffers van de vervuiling en hun vertegenwoordigers zeer
kritisch zijn. Is de Staatssecretaris, gezien de reacties, nog steeds van mening dat
de uitkomsten van de actieagenda voldoende en in balans zijn?
Antwoord: De aandachtspunten vanuit alle belanghebbenden, waaronder kritische (organisaties
van) omwonenden, zijn meegewogen tijdens de totstandkoming van de Kamerbrief en de
besluitvorming over de beschikbare beleidsopties. Juist omdat het kabinet een afweging
moest maken over aanpassingen aan een balans tussen allerlei belangen zijn deze aandachtspunten
al vroeg in het besluitvormingsproces opgehaald om deze te kunnen wegen. De in de
brief aangekondigde acties zijn het resultaat van die weging.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie willen de nadruk leggen op een aantal acties
uit de actieagenda die wat deze leden betreft alsnog moeten worden overgenomen. Deze
leden merken op dat actie 3 vraagt om het vastleggen van de BBT in algemene regels.
Deze leden zijn van mening dat het onuitlegbaar is dat milieu en gezondheid schade
oplopen die vermijdbaar is, doordat bedrijven betere technieken toepassen. De BBT-regels
worden nu amper gehandhaafd, lozings- en emissievergunningen zijn soms nog steeds
voor eeuwig, of revisie is niet automatisch. Is de Staatssecretaris bereid om alle
vergunningen voor schadelijke emissies standaard periodiek te laten toetsen inclusief
mogelijke betere technieken en deze eveneens automatisch dwingend voor te schrijven?
Is de Staatssecretaris bereid om dit in een algemene maatregel van bestuur (AMvB)
te regelen?
Antwoord: Met de implementatie van de herziene Richtlijn industriële emissies9 wordt de onderkant (strengste kant) van de BBT-bandbreedte het uitgangspunt voor
vergunningverlening. Indien bedrijven door middel van maatwerk een minder strenge
vergunning willen krijgen, hebben zij de plicht om voor hun installaties een analyse
te doen van de hele BBT-bandbreedte en aan te tonen waarom zij niet kunnen voldoen
aan de onderkant van de bandbreedte.
Met betrekking tot het standaard periodiek toetsen van vergunningen, wordt op dit
moment in het kader van de actieagenda uitgezocht of een integrale herbeoordelingsmoment
van vergunningen mogelijk en wenselijk is. Over de uitkomst van dit traject en eventuele
vervolgstappen zult u te zijner tijd geïnformeerd worden.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat actie 5 vraagt om betere normen
voor de luchtkwaliteit. Luchtvervuiling is één van de grootste factoren van vermijdbare
ziekte en sterfte en de grootste factor die mensen niet zelf in de hand hebben. Anderen
vervuilen de lucht die wij inademen. De burger heeft hier geen keus. De maatschappelijke
schade loopt in de miljarden. Is de Staatssecretaris bereid de normen van de Wereldgezondheidsorganisatie
(WHO) voor luchtkwaliteit wettelijk te verankeren en juridisch afdwingbaar te maken?
Antwoord: In lijn met de Europese Zero Pollution Ambition voor 2050 wordt toegewerkt
naar de advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie WHO in 2050. Dit is in lijn
met de Motie Bouchallikh c.s. uit 2021, waarin de Kamer onder andere heeft uitgesproken
dat de advieswaarden van de WHO leidend moeten zijn in het huidige en toekomstige
luchtkwaliteitsbeleid10. De nieuwe normen voor 2030 voor de belangrijkste luchtvervuilende stoffen, zoals
Europees overeengekomen in de herziene richtlijn Luchtkwaliteit, vormen een belangrijke
tussenstap op weg naar de advieswaarden. De richtlijn bevat hiervoor een stappenplan,
in de vorm van de verplichtingen om na 2030 de gemiddelde blootstelling te blijven
verminderen. Gemiddelde concentraties in stedelijke gebieden zullen dan geleidelijk
moeten dalen, totdat de advieswaarden van de WHO bereikt zijn.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat actie 10 over de controle van
industriële emissies gaat. Zij zijn van mening dat we moeten meten om te weten en
dat dan veel meer kennis nodig is. Een goed meetnetwerk en lokale metingen bij en
rond installaties zijn een belangrijk instrument in de handhaving. Het huidige netwerk
is gebrekkig en de controle te zwak. Alle meetresultaten, ook die bij installaties,
moeten openbaar zijn. Het is immers de lucht van iedereen en burgers moeten weten
wat ze inademen. Is de Staatssecretaris bereid om te investeren in meer en betere
metingen, metingen aan installaties door onafhankelijke partijen te laten uitvoeren
en meetresultaten te publiceren?
Antwoord: Het kabinet wil toewerken naar een systeem waarin emissies en immissies
van relevante vervuilende stoffen goed en op de juiste momenten worden gemeten, dichterbij
de bedrijven, waarbij meetgegevens transparanter en beter controleerbaar zijn.
Om te bepalen hoe dit het beste kan worden vormgegeven, wordt gestart met een aantal
praktijkgerichte en risicogestuurde meetpilots op het gebied van het betrouwbaarder
en toegankelijker maken van immissie- en emissiemetingen bij een aantal industriële
locaties. Op iedere locatie is de problematiek en de behoefte anders. Daarom starten
we in de praktijk en worden het bedrijf en omwonenden betrokken door het bevoegd gezag
(en het Rijk). Bij immissiemetingen worden GGD’en en het RIVM betrokken. Hiermee worden
de behoefte, de problematiek en de mogelijke oplossingen scherp en kan de pilot per
locatie passend worden vormgegeven. De resultaten van de pilot landen in een advies
over het wel of niet zetten van mogelijke vervolgstappen. Op basis daarvan kan worden
besloten of, en zo ja hoe er een vervolg komt. Verder kan vermeld worden dat diverse
bevoegde gezagen in het kader van hun toezichtstaak recent geïnvesteerd hebben in
meer eigen meetcapaciteit.
Meer meetcapaciteit hoeft overigens niet altijd een voorwaarde te zijn voor vertrouwen
in meetresultaten. De gebruikte meetmethode, betere informatievoorziening daarover
en transparantie over de resultaten kunnen daar ook een positieve invloed op hebben.
Deze invalshoeken worden meegenomen in de pilot.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat actie 12 vraagt om het meewegen
van gezondheid in de Omgevingswet. Er moet een wettelijke methode komen die de cumulatieve
effecten van vervuiling op gezondheid weegt en laat meetellen in de vergunningverlening.
Met name kleine overheden hebben amper mogelijkheden om hierop te controleren of te
sturen. Een GGD-advies bij een omgevingsvisie en een GER in de MER met een verplichte
MER bij grote projecten, is van grote waarde. Is de Staatssecretaris bereid dit in
beleid en regelgeving om te zetten en lokale overheden hierin te ondersteunen?
Antwoord: In de bestaande MER-regelgeving is gezondheid al verankerd. Op dit moment
vindt een pilot van een GER plaats bij Tata Steel. Na de afronding van die pilot bij
Tata Steel wordt bekeken wat de meerwaarde is van (elementen van) de GER, hoe deze
een plek kan krijgen in wet- en regelgeving, en op welk moment in het vergunningsproces
dit het meeste effect zou hebben.
In de pilot over de versteviging van het GGD-advies is het de bedoeling om te bevorderen
dat gezondheid op voorhand wordt meegewogen bij keuzes over de ruimtelijke inpassing
en voorwaarden. De pilot is gericht op planvorming en niet op vergunningverlening
of de VTH-structuur. Uit de resultaten van de pilot zal blijken of er aanleiding is
om de juridische status van GGD-adviezen aan te passen. Op dit moment zijn de adviezen
niet verplicht of bindend. Zoals aangegeven in de Kamerbrief van 19 december jl. is
het uitgangspunt nu om geen stapeling van eisen bovenop het bestaande instrumentarium
van wet- en regelgeving te creëren. Een wijziging van de Omgevingswet is daarmee vooralsnog
niet aan de orde.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat actie 13 vraagt om een sterkere
adviesrol voor de GGD. Gezien de vaak zwakke kennispositie van lagere overheden die
vergunningen moeten beoordelen of handhaven, is de kennis over gezondheid van de GGD
van groot belang. Is de Staatssecretaris bereid om de rol van de GGD bij de beoordeling
van gezondheidseffecten en de communicatie hierover, wettelijk te verankeren?
Antwoord: Zoals aangegeven in de Kamerbrief is het uitgangspunt nu om geen stapeling
van eisen bovenop het bestaande instrumentarium van wet- en regelgeving te creëren.
De pilot GGD-advies gaat in beeld brengen of en hoe het GGD-advies beter verankerd
kan worden. Over de resultaten wordt u eind 2027 geïnformeerd.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie willen ten slotte benoemen dat geen enkele
regel of afspraak effectief is als deze niet kan worden gehandhaafd. Al vele jaren
spreken we over de grote gebreken in het VTH-stelsel. Zowel de landelijke als lokale
handhavende instanties zijn ondergefinancierd en onderbemensd en beschikken te vaak
niet over de juiste kennis of het juridische instrumentarium dat nodig is om de omgeving
voldoende en volgens de wet te beschermen. Is de Staatssecretaris bereid om hier de
komende periode extra middelen voor beschikbaar te stellen?
Antwoord: Binnen het VTH-stelsel milieu zijn de gemeenten en provincies bevoegd gezag
voor de uitvoering van de VTH-milieutaken en zij zijn eigenaar en opdrachtgever van
de omgevingsdiensten. Gemeenten en provincies zijn dus primair verantwoordelijk voor
de financiering en de kwaliteit van de omgevingsdiensten. Zij gebruiken daarvoor middelen
uit het gemeente- en provinciefonds. Deze middelen zijn voor de gemeenten en provincies
vrij besteedbaar. De inzet van de middelen is daarom vooral een lokale afweging. Het
is de verantwoordelijkheid van de bevoegde gezagen om vanuit deze middelen de reguliere
taken van de omgevingsdiensten te financieren.
Vanuit het Ministerie van IenW wordt structureel geïnvesteerd in de versterking van
het VTH-stelsel milieu in het algemeen en de versterking van omgevingsdiensten in
het bijzonder11. Inzet om de omgevingsdiensten te versterken gaat onder andere via investering in
kennisontwikkeling en via het traject om te komen tot robuuste omgevingsdiensten.
Hiervoor heeft het ministerie reeds financiële middelen beschikbaar gesteld. Er is
momenteel niet voorzien in aanvullende middelen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben over de nieuwe maatregelen enkele vragen. Deze
leden lezen dat de nieuwe maatregelen vooral toezien op het verstevigen van GGD-advies,
meten (pilots) en het uitvoeren van twee verkenningen. Welke maatregelen, bevoegdheden
of aanscherpingen worden nu al ingezet om de gezondheid te verbeteren, los van de
uitkomsten van de pilots?
Antwoord: Op pagina’s 10–12 van de Kamerbrief van 19 december jl., en in bijlage 1
bij die brief, staat opgesomd welke andere maatregelen het kabinet in de breedte neemt
om de gezondheidsrisico’s voor omwonenden van industrie te verminderen. Dit betreft
onder andere de versterking van het VTH-stelsel, het uitvoeren van een aantal verbeteringen
in het beleid inzake zeer zorgwekkende stoffen, het implementeren van de Europese
richtlijnen op het gebied van luchtkwaliteit en industriële emissies, het verduurzamen
van de industrie en verdere kennisontwikkeling.
De leden van de CDA-fractie vragen naar de mogelijkheden om de RIE wettelijk te verankeren,
zodat bedrijven periodiek inzicht geven in de toepassing van BBT. Kan de Staatssecretaris
uiteenzetten welke juridische en praktische mogelijkheden hiervoor bestaan en tegen
welke belemmeringen wordt aangelopen bij de toetsing op basis van BBT?
Antwoord: De Richtlijn industriële emissies is verankerd in onze nationale wetgeving.
Vanuit de richtlijn bestaat de verplichting dat IPPC-installaties moeten voldoen aan
BBT. Als een Bref-document (dat is een document waarin wordt vastgelegd wat BBT voor
bepaalde installaties is) wordt gepubliceerd door Europa, moeten bedrijven met die
installaties binnen vier jaar voldoen aan de nieuwe BBT. Daar hoort bij dat vergunningen
worden geactualiseerd. Voor de actualisatie van een vergunning moeten bedrijven inzicht
geven aan de bevoegde gezagen in de toepassing van BBT in hun installaties. Omdat
Bref-documenten iedere 8 jaar herzien zouden moeten worden, zou dat in principe iedere
8 jaar moeten gebeuren. In de praktijk duurt de herziening van Bref-documenten langer.
Daarmee is de termijn waarbinnen (opnieuw) naar de toepassing van BBT wordt gekeken
ook langer. Met implementatie van de herziene Richtlijn Industriële Emissies worden
bevoegde gezagen overigens juridisch steviger gepositioneerd en wordt hun informatietekort
aangepakt. In deze herziening is het uitgangspunt dat aan de onderkant van de BBT-bandbreedte
vergund moet worden.
De leden van de CDA-fractie lezen dat er veel aandacht is voor meten. Deze leden zien
zorgen rondom de onafhankelijkheid, capaciteit en betrouwbaarheid van de metingen.
Een voorbeeld hiervan is Tata Steel, waar eerder is gewerkt met «Hollandse Luchten»,
geluidsmeters van de dorpsraad en een snuffelauto. Welke aanvullende alternatieven
ziet de Staatssecretaris als kansrijk om meer vertrouwen te krijgen in deze meetresultaten?
Tevens vragen deze leden om een reflectie op de kansen om technologische innovaties
in te zetten, waaronder het gebruik van drones.
Antwoord: De meet-pilot in het kader van de opvolging van de actieagenda heeft het
doel om deze vraag te beantwoorden. De pilot kijkt naar het verbeteren van de betrouwbaarheid,
transparantie en bruikbaarheid van emissie- en immissiemetingen rond industriële activiteiten.
Voor de mogelijke technische verbeteringen die kunnen worden toegepast vormen de uitkomsten
van actie 10 van de actieagenda het vertrekpunt. Het is de intentie om in de meetpilot
ook innovatieve meetmethoden een plek te geven, waaronder de inzet van drones en sensoren.
De leden van de CDA-fractie onderschrijven dat gezondheid en economie hand in hand
moeten gaan en dat een sterke industrie van belang is voor het verdienvermogen en
de strategische autonomie van Nederland. Tegelijkertijd constateren zij dat in de
actieagenda verschillende nieuwe maatregelen en verkenningen worden aangekondigd.
Deze leden hechten eraan dat bestaande maatwerkafspraken met bedrijven over verduurzaming
en emissiereductie leidend blijven en niet tussentijds eenzijdig worden aangepast.
Zij vragen hoe de Staatssecretaris borgt dat de in de actieagenda aangekondigde pilots
en verkenningen niet leiden tot impliciete aanscherpingen van verplichtingen die raken
aan reeds gemaakte of lopende maatwerkafspraken. Kan worden toegelicht hoe de samenhang
tussen deze actieagenda en lopende maatwerktrajecten wordt bewaakt?
Antwoord: Met de Actieagenda Industrie en Omwonenden en de daaruit voortvloeiende
maatregelen (zoals de pilots), wordt een stap gezet om een goed evenwicht te realiseren
tussen de bescherming van de gezondheid van omwonenden en een krachtige Nederlandse
industrie. Mocht er uit deze pilots op een of andere manier een gevolg zijn voor regelgeving,
dan wordt hierbij regeldruk en het effect op bestaand beleid (zoals de maatwerkafspraken)
meegewogen. Ook wordt in dat geval een bedrijfseffectentoets uitgevoerd.
De leden van de CDA-fractie hechten eraan dat de gezondheid van omwonenden en de kwaliteit
van de leefomgeving structureel worden verbeterd. Zij vragen hoe de Staatssecretaris
de voortgang op het gebied van emissiereductie, vermindering van hinder en verbetering
van luchtkwaliteit concreet en inzichtelijk maakt voor omwonenden.
Antwoord: Het is belangrijk dat omwonenden informatie over hun leefomgeving snel en
eenvoudig kunnen vinden. De Atlas Leefomgeving biedt toegankelijke informatie en kaarten
over de leefomgeving in Nederland. Om relevante informatie voor omwonenden te bundelen,
wordt momenteel in samenwerking met het RVIM verkend op welke manier informatie over
de leefomgeving nabij industrie beschikbaar kan worden gesteld voor omwonenden.
Op welke wijze wordt gemonitord of de in de actieagenda genoemde maatregelen daadwerkelijk
bijdragen aan meetbare verbetering van de leefomgeving rond industriële clusters?
Antwoord: Het kabinet werkt in brede zin aan het verbeteren van de leefomgeving rond
industrie. Omdat deze inspanningen tegelijk plaatsvinden, en economische activiteiten
zich ondertussen autonoom ontwikkelen, is het zonder extra onderzoek niet mogelijk
om een direct causaal verband te leggen tussen specifieke acties uit de Kamerbrief
en specifieke meetbare verbeteringen in de leefomgeving. Uiteraard wordt onder meer
door evaluatiegesprekken met betrokkenen wel goed in kaart gebracht welke positieve
uitkomsten de acties opleveren. De Kamer wordt eind 2026 over de voortgang van de
pilots, de gesprekstafel en de verkenningen geïnformeerd en eind 2027 over de resultaten.
De leden van de CDA-fractie vragen voorts hoe wordt geborgd dat omwonenden tijdig
en transparant worden geïnformeerd over ontwikkelingen die hun leefomgeving raken.
Antwoord: In veel gevallen is het verplicht om informatie over de leefomgeving en
ontwikkelingen die de leefomgeving raken actief openbaar te maken. Dit volgt onder
andere uit het Verdrag van Aarhus12. De precieze invulling hiervan moet van geval tot geval worden bepaald en valt daarom
onder de respectievelijke bevoegde gezagen.
Kan worden toegelicht welke instrumenten worden ingezet om het vertrouwen tussen industrie,
overheid en omwonenden te versterken, zonder dat dit leidt tot onduidelijkheid over
verantwoordelijkheden of stapeling van procedures?
Antwoord: De Kamerbrief van 19 december jl. kondigt, naast de twee pilots en de twee
verkenningen, ook een landelijke gesprekstafel aan. De tafel biedt een plek om de
perspectieven van omwonenden, industrie en overheden samen te brengen. Dit is erop
gericht het onderlinge begrip te vergroten en er voor te zorgen dat signalen worden
opgepakt, zonder dat hier allerlei extra procedures aan vast hangen.
De leden van de CDA-fractie vragen daarnaast hoe de Staatssecretaris voornemens is
uitvoering te geven aan het uitgangspunt dat regelgeving eenvoudiger en voorspelbaarder
moet worden.Welke concrete stappen worden gezet om te voorkomen dat de actieagenda
leidt tot extra lagen van toezicht, aanvullende toetsmomenten of cumulatie van verplichtingen?
Hoe wordt bij de verdere uitwerking van pilots en verkenningen getoetst of zij bijdragen
aan vereenvoudiging in plaats van complexiteit?
Antwoord: Het Ministerie van IenW werkt proactief mee aan de kabinetsbrede inzet om
regeldruk te verminderen, met behoud van het beschermingsniveau van mens en milieu.
Extra stappen zijn nu niet aan de orde omdat de in de brief aangekondigde acties juist
expliciet binnen het bestaande kader van wet- en regelgeving kunnen worden uitgevoerd.
Indien aan de orde, dan worden de mogelijke effecten van toekomstig, structureel beleid
op voorhand getoetst op uitvoerbaarheid (via een uitvoerbaarheidstoets), administratieve
lasten, kosten en regeldruk. Mocht naar aanleiding van de resultaten van deze pilots
besloten worden tot structurele maatregelen, dan wordt hierbij regeldruk expliciet
meegewogen. Ook wordt hierbij een bedrijfseffectentoets uitgevoerd.
De leden van de CDA-fractie hebben over de voorgestelde versteviging van de adviesrol
van de GGD enkele vragen. Zij vragen hoe wordt voorkomen dat deze pilot in de praktijk
leidt tot extra procedurele stappen of vertraging in ruimtelijke besluitvorming rond
industriële activiteiten.Op welke wijze wordt geborgd dat het vroegtijdig betrekken
van gezondheidsadvies ondersteunend is aan een integrale afweging, zonder dat dit
feitelijk resulteert in een nieuwe, verzwarende toets naast bestaande wettelijke kaders?
Hoe verhoudt deze pilot zich tot de bestuurlijke ruimte van gemeenten en provincies
om binnen de Omgevingswet eigen afwegingen te maken?
Antwoord: In de Omgevingswet is opgenomen dat provincies en gemeenten verplicht rekening
moeten houden met het beschermen van de gezondheid bij de toedeling van functies aan
locaties. Anders gezegd: de gezondheid is integraal onderdeel van de ruimtelijke ordening.
In de pilot over de versteviging van het GGD-advies is het de bedoeling om te bevorderen
dat gezondheid op voorhand wordt meegewogen bij keuzes over de ruimtelijke inpassing
en voorwaarden. De pilot is gericht op planvorming en niet op vergunningverlening
of de VTH-structuur. Uit de resultaten van de pilot zal blijken of er aanleiding is
om de juridische status van GGD-adviezen aan te passen. Op dit moment zijn de adviezen
niet verplicht of bindend. Zoals aangegeven in de Kamerbrief van 19 december jl. is
het uitgangspunt nu om geen stapeling van eisen bovenop het bestaande instrumentarium
van wet- en regelgeving te creëren. Een wijziging van de Omgevingswet is daarmee vooralsnog
niet aan de orde.
De leden van de CDA-fractie hebben over de meetpilot enkele vragen. Zij onderschrijven
het belang van betrouwbare en transparante meetgegevens, maar vragen hoe wordt gewaarborgd
dat deze pilot niet leidt tot een structurele uitbreiding van meetverplichtingen zonder
duidelijke wettelijke grondslag en proportionele afweging. Kan worden toegelicht hoe
wordt voorkomen dat bedrijven in de praktijk worden geconfronteerd met aanvullende
eisen die verder gaan dan bestaande vergunningvoorschriften of maatwerkafspraken?
Op welke wijze wordt geborgd dat meetresultaten zorgvuldig worden geduid en niet leiden
tot bestuurlijke druk tot aanvullende eisen buiten het bestaande kader?
Antwoord: Uitgangspunt voor de in de Kamerbrief van 19 december jl. aangekondigde
acties, waaronder de pilot meten, is om geen stapeling van eisen bovenop het bestaande
instrumentarium van wet- en regelgeving te creëren. Er wordt gestart met een aantal
praktijkgerichte en risicogestuurde meetpilots op het gebied van het betrouwbaarder
en toegankelijker maken van immissie- en emissiemetingen bij een aantal industriële
locaties. Op iedere locatie is de problematiek en de behoefte anders. Daarom starten
we in de praktijk en worden het bedrijf en omwonenden betrokken door het bevoegd gezag
(en het Rijk). Bij immissiemetingen worden GGD’en en het RIVM betrokken. Hiermee worden
de behoefte, de problematiek en de mogelijke oplossingen scherp en kan de pilot per
locatie passend worden vormgegeven. De resultaten van de pilot landen in een advies
over het wel of niet zetten van mogelijke vervolgstappen. Op basis daarvan kan worden
besloten of, en zo ja hoe er een vervolg komt. Mocht er uit deze pilots op een of
andere manier een gevolg zijn voor regelgeving, dan wordt hierbij regeldruk expliciet
meegewogen. Ook wordt hierbij een bedrijfseffectentoets uitgevoerd.
De leden van de CDA-fractie hebben over de verkenning naar een herbeoordelingsmoment
voor vergunningen enkele vragen. Zij vragen hoe deze verkenning zich verhoudt tot
het uitgangspunt van rechtszekerheid voor bedrijven die binnen de geldende vergunningen
opereren. Kan worden toegelicht hoe wordt voorkomen dat een herbeoordelingsmoment
in de praktijk leidt tot tussentijdse wijziging van eerder gemaakte afspraken of tot
onzekerheid over investeringen?
Antwoord: Uitgangspunt voor de in de Kamerbrief van 19 december jl. aangekondigde
acties, waaronder de pilot meten, is om geen stapeling van eisen bovenop het bestaande
instrumentarium van wet- en regelgeving te creëren De verkenning doet daarom geen
afbreuk aan bestaande rechten en verplichtingen, noch aan wet- en regelgeving.
Zoals hierboven al is aangegeven, moet de verkenning nog starten. Hier kan niet op
vooruit worden gelopen. Mocht er uit deze verkenning op een of andere manier een gevolg
zijn voor regelgeving, dan wordt hierbij regeldruk expliciet meegewogen. Ook wordt
hierbij een bedrijfseffectentoets uitgevoerd.
De leden van de CDA-fractie hebben over de verkenning naar positieve financiële prikkels
enkele vragen. Zij vragen hoe deze prikkels zich verhouden tot bestaande subsidieregelingen
en maatwerkafspraken over verduurzaming.
Antwoord: Bestaande subsidieregelingen om verduurzaming te stimuleren, waaronder maatwerksubsidies,
hebben als primair doel het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen. Waar
mogelijk worden koppelkansen binnen de huidige maatwerkaanpak verzilverd om tegelijk
bovenwettelijke verbeteringen voor de leefomgeving te realiseren. Daarmee is de verbetering
voor de leefomgeving «bijvangst» in plaats van een doel op zich. Bij de beoordeling
van de concept Joint Letter of Intent (JLoI) van de Rijksoverheid met Coöperatie Koninklijke
Cosun heeft de Adviescommissie Maatwerkafspraken Verduurzaming Industrie het kabinet
vorig jaar al ter overweging meegegeven om te onderzoeken hoe meer samenhang kan worden
aangebracht met doelen voor de integrale leefomgeving (Kamerstuk 29 826, nr. 259). De verkenning van positieve financiële prikkels heeft als doel om te verkennen
op welke manier bovenwettelijke emissiereducties die aantoonbaar gezondheidswinst
opleveren gestimuleerd kunnen worden. Hierbij wordt naar zowel nieuwe als bestaande
instrumenten gekeken.
Kan worden toegelicht op welke wijze wordt voorkomen dat via financiële instrumenten
indirect nieuwe verplichtingen ontstaan voor bedrijven die reeds in een maatwerktraject
zitten?
Antwoord: Zoals in de Kamerbrief van 19 december jl. is aangegeven, geldt dat áls
het kabinet naar aanleiding van de pilots en verkenningen zou besluiten tot beleidswijzigingen,
regeldruk in die besluitvorming expliciet wordt meegewogen en een bedrijfseffectentoets
wordt uitgevoerd.
De leden van de CDA-fractie hebben over de context en vervolgstappen enkele vragen.
Zij lezen dat er een eerste verkenning is uitgevoerd naar luchtkwaliteit in het kader
van de EU-doelstelling «zero pollution 2050». Deze leden vragen hoe het staat met
het Schone Lucht Akkoord (SLA), en dan met name het verplichtende karakter daarvan.
Ziet de Staatssecretaris al een toegenomen inzet door provincies en gemeenten, waar
industriële clusters aanwezig zijn?
Antwoord: Het Schone Luchtakkoord (SLA) is een akkoord waar overheden op vrijwillige
basis aan kunnen deelnemen, deelname is niet juridisch verplicht. De afspraken uit
het SLA over strenger vergunnen leiden tot toegenomen inzet van provincies en gemeenten.
Alle provincies nemen deel aan SLA. Dit geldt ook voor veel gemeenten waar industriële
clusters gevestigd zijn. Provincies vervullen de rol van bevoegd gezag bij de grotere
bedrijven in de industriële clusters, die ook de meeste vervuilende stoffen uitstoten.
Bij het herzien van vergunningen en het afgeven van nieuwe vergunningen houden zij
rekening met de afspraken uit het SLA. Dit leidt nu al tot strengere vergunningen
en lagere emissies naar de omgeving.
De leden van de CDA-fractie vragen of de Staatssecretaris voornemens is de bevindingen
van de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli), waaronder onderzoeken naar
toezicht en handhaving en naar leefomgeving en gezondheid, te betrekken bij het vervolg
van deze actieagenda.
Antwoord: De Rli is samen met de Gezondheidsraad en de Raad voor Volksgezondheid en
Samenleving, mede op verzoek van het kabinet, een onderzoek gestart naar hoe gezondheid
volwaardig meegewogen kan worden naast allerlei andere belangen. Waar zinvol zullen
de uitkomsten van dit onderzoek worden benut voor beleidsvorming.
De leden van de CDA-fractie hebben over de betrokkenheid van stakeholders enkele vragen.
Deze leden lezen dat niet alle aangedragen suggesties van betrokken stakeholders zijn
overgenomen en dat uit de beslisnota een complex spanningsveld blijkt tussen Rijk
en decentrale overheden. Welke inzichten zijn opgedaan als het gaat om afspraken rondom
bevoegd gezag, het delen van kennis en andere vormen van samenwerking? Met name als
het gaat om een gezonde leefomgeving, waar de bestaande procedures niet altijd tot
bescherming leiden.
Antwoord: Het kabinet heeft begrip voor partijen die om verdergaande maatregelen vragen
en voor de belangrijke positie die de industrie heeft voor onze economie en de lastige
situatie waarin zij zich bevindt. Niet alles kan en niet alles kan tegelijk. Dit kabinet
kiest ervoor om te starten met pilots en verkenningen die meer inzicht zullen geven
in wat aan verbetering nodig en mogelijk is. Uitgangspunt bij deze pilots is dat deze
haalbaar zijn voor de industrie en probleem- en risicogericht zijn: ze lossen de problemen
op waar ze bestaan en verhogen niet de regeldruk voor bedrijven die het al goed doen.
Daarnaast continueert het kabinet de brede inspanningen om de gezonde leefomgeving
en het VTH-stelsel te versterken, zoals beschreven op pagina 11 van de Kamerbrief
en in bijlage 1 bij die brief.
De leden van de CDA-fractie vragen hoe belemmeringen voor lagere overheden worden
weggenomen, zoals het ontbreken van concrete gezondheidsnormen en een wettelijke methode
voor het beoordelen van cumulatieve gezondheidseffecten, zodat gezondheid daadwerkelijk
zwaarder kan meewegen onder de Omgevingswet.
Antwoord: Hoewel er binnen de huidige wet- en regelgeving juridische instrumenten
bestaan om vergunningen aan te passen of aan te scherpen13, blijken deze in sommige situaties in de praktijk lastig uitvoerbaar te zijn. Aan
de motivering van besluiten worden hoge eisen gesteld. Dat is begrijpelijk, want om
te kunnen blijven concurreren en vernieuwen moeten industriële bedrijven erop kunnen
vertrouwen dat een verleende vergunning niet zomaar wordt gewijzigd. Hoe ingrijpender
een wijzigingsbesluit, hoe hoger de eisen voor motivering. In sommige gevallen komt
daardoor een wenselijke aanpassing of aanscherping niet tot stand. Soms vanwege een
informatietekort, soms vanwege ontbrekende capaciteit of middelen. In de praktijk
leidt dit tot knelpunten. Dit blijkt ook uit het Juridisch Onderzoek Omgaan met onzekere
risico’s dat eerder aan de Kamer is aangeboden.
Op dit moment is er voor gekozen om de verkenning te richten op de (on)mogelijkheden
van een integrale herbeoordeling van geldende vergunningen van bestaande bedrijven
na verloop van een bepaalde tijd. De gedachte is dat een herbeoordeling kan bijdragen
aan het verbeteren van de kwaliteit van de leefomgeving en de gezondheid van omwonenden.
In de verkenning zal daarom worden bekeken of en hoe op een meer efficiënte en effectieve
manier gekomen kan worden tot een wijziging van vergunningen of vergunningvoorschriften.
Daarbij zal in elk geval worden verkend in welke gevallen het initiatief voor de herbeoordeling
zou moeten liggen bij degene die een activiteit uitvoert (ook in verband met de bewijslast)
en welke informatie en (onderzoeks)gegevens daarvoor beschikbaar zouden moeten zijn.
De andere kant van de balans is dat een herbeoordeling passend moet zijn voor het
bedrijf (bijdrage aan economische activiteit) in haar omgeving (omwonenden) en in
de al bestaande regels en plichten (regeldruk). In het onderzoek dat gaat worden uitgevoerd
wordt dit ook meegenomen.
De leden van de CDA-fractie vragen hoe wordt geborgd dat omgevingsdiensten over voldoende
uitvoeringscapaciteit en deskundigheid beschikken om de in de actieagenda voorgestelde
maatregelen zorgvuldig toe te passen.Op welke wijze wordt bewaakt dat nieuwe taken
passen binnen bestaande verantwoordelijkheden en prioritering?
Antwoord: De pilots worden in nauwe afstemming met (onder meer) omgevingsdiensten
voorbereid en uitgevoerd. Het Ministerie van IenW heeft budget beschikbaar om de pilots
mogelijk te maken; de inrichting van de pilots wordt afgestemd op de beschikbare middelen.
Het is goed gebruik om medeoverheden te betrekken bij beleidswijzigingen die leiden
tot nieuwe taken voor medeoverheden; zeker als die substantieel van aard zijn. Nieuwe
structurele taken voor medeoverheden zijn in het kader van de Actieagenda Industrie
en Omwonenden niet voorzien. Mochten naar aanleiding van de pilots en verkenningen
beleidswijzigingen als optie in beeld komen waar dat wel voor geldt, dan zal als onderdeel
van de besluitvorming de bijbehorende financieringsbehoefte in kaart worden gebracht.
De leden van de CDA-fractie vragen tot slot hoe de Staatssecretaris de samenhang bewaakt
tussen de actieagenda en het bredere industrie- en klimaatbeleid. Op welke wijze wordt
verzekerd dat aanvullende acties ter bescherming van de gezondheid van omwonenden
bijdragen aan draagvlak en vertrouwen?
Antwoord: Zowel op politiek als op ambtelijk niveau wordt nauw samengewerkt tussen
de betrokken ministeries en medeoverheden om de genoemde opgaves integraal aan te
pakken. De maatwerkaanpak industrie is een mooi praktijkvoorbeeld waar, met een primaire
focus op CO2 emissiereductie, gekeken wordt naar de meekoppelkansen voor gezondheidswinst. Ook
draagt het bredere industrie- en klimaatbeleid vaak bij aan gezondheidswinst, bijvoorbeeld
door de elektrificatie van fossiele processen.
Aanvullende acties zullen onder meer via de landelijke gesprekstafel en door participatie
van omwonenden in pilots op lokaal niveau worden getoetst op draagvlak. Mocht er uit
de pilots of verkenningen op een of andere manier een gevolg zijn voor regelgeving,
dan wordt hierbij regeldruk expliciet meegewogen en zal ook participatie moeten plaatsvinden.
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie vragen of de Staatssecretaris de analyse deelt dat Nederland
in hoog tempo industriële capaciteit verliest, met name in de chemische sector?Zo
ja, hoe weegt hij dit risico mee in de uitvoering van de Actieagenda Industrie en
Omwonenden?
Antwoord: Zoals weergegeven in de paragraaf «De sterkste economie van Europa» van
het coalitieakkoord staat het verdienvermogen van Nederland onder druk en wil het
kabinet dat verdienvermogen versterken. Daarbij geldt dat gezondheid en economie hand
in hand moeten gaan. Bedrijven zorgen voor werkgelegenheid en inkomen en voor producten
die van belang zijn voor een welvarend Nederland. Tegelijkertijd beperkt een verantwoordelijk
bedrijf de schade aan de omgeving. Er moet dus slim worden nagedacht over de juiste
balans tussen het benutten van de fysieke leefomgeving en de bescherming ervan. In
de pilots en de verkenningen uit de Actieagenda wordt deze balans nadrukkelijk in
de gaten gehouden.
Deze leden vragen hoe het kabinet voorkomt dat goedbedoelde maatregelen uit de Actieagenda
onbedoeld bijdragen aan verdere verplaatsing van industrie naar het buitenland (carbon
leakage en banenverlies)?
De leden van de BBB-fractie vragen of er een integrale impactanalyse is gemaakt van
de Actieagenda op investeringsbeslissingen van industriële bedrijven. Zo nee, waarom
niet?
Antwoord: Uitgangspunt voor de in de Kamerbrief van 19 december jl. aangekondigde
pilots en verkenningen is om geen stapeling van eisen bovenop het bestaande instrumentarium
van wet- en regelgeving te creëren. Daarom is een impactanalyse niet nodig. Mocht
er uit de uitkomsten op een of andere manier een gevolg zijn voor regelgeving, dan
wordt hierbij regeldruk expliciet meegewogen. Ook wordt hierbij een bedrijfseffectentoets
uitgevoerd. Verder verwijst het kabinet naar de afspraken in het coalitieakkoord met
betrekking tot een gelijk Europees speelveld. Voor wat betreft de maatschappelijke
«license to operate» ligt er ook een verantwoordelijkheid bij bedrijven zelf om, aanvullend
op hun wettelijke verplichtingen, een «goede buur» te zijn voor de omgeving.
De leden van de BBB-fractie vragen of de Staatssecretaris de mening deelt dat de industrie
essentieel is voor onze banen, ons verdienvermogen en de strategische weerbaarheid
van Nederland en Europa?
Antwoord: Ja, net zoals het kabinet van mening is dat een gezonde leefomgeving essentieel
is. Er moet dus slim moeten worden nagedacht over hoe een goede balans gevonden wordt
tussen het benutten van de fysieke leefomgeving en de bescherming ervan.
De leden van de BBB-fractie vragen hoe de Staatssecretaris borgt dat de Actieagenda
niet doorslaat in een eenzijdige focus op risico-uitsluiting, maar dat de license
to operate van onze zware industrie en het behoud van een gelijk Europees speelveld
altijd als randvoorwaarde blijven gelden bij nieuwe maatregelen?
Antwoord: Zoals hierboven al is beschreven, wordt regeldruk telkens expliciet meegewogen.
Verder verwijst het kabinet naar de afspraken in het coalitieakkoord met betrekking
tot een gelijk Europees speelveld. Voor wat betreft de maatschappelijke «license to
operate» ligt er ook een verantwoordelijkheid bij bedrijven zelf om, aanvullend op
hun wettelijke verplichtingen, een «goede buur» te zijn voor de omgeving.
De leden van de BBB-fractie lezen dat in de RIVM-kennisnotitie over Chemelot wordt
geëxperimenteerd met de Hazard Index, een methode waarbij risico’s van stoffen die
individueel aan de norm voldoen, bij elkaar worden opgeteld. De leden van de BBB-fractie
vragen of de Staatssecretaris erkent dat dit soort nieuwe, wetenschappelijk nog volop
in ontwikkeling zijnde rekenmodellen leiden tot grote onzekerheid bij ondernemers?
Deze leden vragen of de Staatssecretaris kan bevestigen dat bedrijven die netjes binnen
hun huidige vergunning en de wettelijke normen opereren, niet de dupe worden van pilots
met dit soort stapelings-berekeningen?
Antwoord: Het RIVM heeft in opdracht van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat
naar aanleiding van de motie Grinwis14 een onderzoek uitgevoerd hoe cumulatie bij emissies van zeer zorgwekkende stoffen
meegenomen kan worden in de vergunningverlening. Onderdeel van het onderzoek is het
opstellen van diverse kennisnotities. In april 2025 verscheen in dat kader kennisnotitie
«Risicobeoordeling mengsels van stoffen bij de industriële uitstoot naar lucht: casus
Chemelot»15. In al deze casussen is onderzocht of een specifieke methode (HI methode) toepasbaar
is in de al bestaande immissietoets die onderdeel is van de vergunningverlening van
zeer zorgwekkende stoffen (ZZS).
De HI-methodiek is op dit moment niet verankerd in een wettelijk kader dat kan worden
toegepast bij vergunningverlening. Desondanks zijn er, binnen het huidig wettelijk
kader, mogelijkheden die de provincie Limburg als bevoegd gezag zou kunnen benutten
om opvolging te geven aan de conclusies uit de RIVM-kennisnotitie. Het is verder aan
het bevoegd gezag of hier gebruik van wordt gemaakt.
De leden van de BBB-fractie lezen dat er een pilot wordt gestart om het advies van
de GGD structureel mee te wegen aan de voorkant van de ruimtelijke ordening. Deze
leden vragen of de Staatssecretaris kan concretiseren welke juridische status het
GGD-advies krijgt in de omgevingsplannen en vergunningprocedures? De leden vragen
of dit een zwaarwegend of een bindend advies wordt.
Antwoord: Het doel van deze pilot is om te bevorderen dat gezondheid op voorhand wordt
meegewogen bij keuzes over de ruimtelijke inpassing en voorwaarden. De pilot is gericht
op planvorming en niet op vergunningverlening of de VTH-structuur. Uit de resultaten
van de pilot zal blijken of er aanleiding is om de juridische status van GGD-adviezen
aan te passen. Op dit moment zijn de adviezen niet verplicht of bindend. Zoals aangegeven
in de Kamerbrief van 19 december jl. is het uitgangspunt nu om geen stapeling van
eisen bovenop het bestaande instrumentarium van wet- en regelgeving te creëren. Een
wijziging van de Omgevingswet is daarmee vooralsnog niet aan de orde.
De leden van de BBB-fractie vragen aan de Staatssecretaris hoe wordt voorkomen dat
versterking van de GGD-rol leidt tot extra vertragingen in vergunningverlening, terwijl
bedrijven juist behoefte hebben aan voorspelbaarheid en snelheid?
Antwoord: Zoals hierboven al beschreven is, is deze pilot is gericht op planvorming
en niet op vergunningverlening of de VTH-structuur. Daarmee zou deze pilot geen effect
moeten hebben op de doorlooptijden van de vergunningverlening.
Deze leden vragen of GGD’en momenteel beschikken over voldoende technische kennis
van industriële processen om realistische en uitvoerbare adviezen te geven?
Antwoord: De kennis van de GGD’en betreft de gezondheidsgevolgen van besluiten en
ontwikkelingen in de leefomgeving. De GGD’en kunnen een gezondheidskundige risicobeoordeling
maken. Deze kennis is aanvullend op de kennis van industriële processen die aanwezig
is bij de Omgevingsdiensten. Als het bevoegde gezag een integrale afweging maakt,
op basis van informatie van diverse deskundigen, kan tot betere besluitvorming worden
gekomen.
De leden van de BBB-fractie lezen dat «veel bedrijven» geconfronteerd zullen worden
met aanzienlijk strengere eisen dan zij nu gewend zijn, wat kan leiden tot een sterke
toename van maatwerkverzoeken en juridische procedures. Deze leden vragen aan de Staatssecretaris
hoeveel bestaande Nederlandse installaties in de problemen dreigen te komen door toepassing
van de strengste kant van de BBT-bandbreedte?
Antwoord: Onder de Richtlijn industriële emissies is maatwerk mogelijk voor bedrijven
met installaties die niet aan de strengste norm kunnen voldoen. Bedrijven moeten in
dat geval een analyse doen van de volledige BBT-bandbreedte en aantonen waarom hun
installaties niet kunnen voldoen aan de strengste kant van de BBT-bandbreedte. Deze
eisen gelden in alle lidstaten van de Europese Unie, voor alle bedrijven die onder
deze regelgeving vallen.
Kan de Staatssecretaris aangeven hoeveel extra investeringen dit naar verwachting
vergt van de industrie?
Antwoord: De Europese Commissie heeft in het kader van de herziening van de Richtlijn
Industriële Emissies een impact assessment uitgevoerd en gepubliceerd. Hieruit blijkt
dat de algehele voordelen van de herziening aanzienlijk opwegen tegen de kosten16.
Deze leden vragen of er flankerend beleid is voorzien (subsidies, energie-infrastructuur,
vergunningversnelling) om deze investeringen überhaupt mogelijk te maken.
Antwoord: In lijn met het hoofdstuk «Grote keuzes voor Nederland» in het coalitieakkoord
zet het kabinet breed in op het stimuleren van duurzame industrie, het aanpakken van
netcongestie en het vereenvoudigen van regelgeving en vergunningverlening voor bedrijven.
Flankerend beleid, zoals subsidies, zijn alleen mogelijk voor investeringen die meer
vragen van de industrie dan zij vanuit wettelijk oogpunt al zouden moeten doen. Dus
voor het voldoen aan de BBT-bandbreedte kunnen geen subsidies gegeven worden, wel
voor een versnelling van verduurzaming bijvoorbeeld of voor extra (bovenwettelijke)
maatregelen die bijdragen aan de leefomgeving.
De leden van de BBB-fractie lezen dat vertegenwoordigers van de industrie (VNO-NCW/VNCI)
waarschuwen voor de risico’s van het verdwijnen van de sector uit Nederland. Deze
leden stellen dat het verlies van de industriële ruggengraat leidt tot verlies van
banen, kennis en regie over duurzame productie, tot een toenemende afhankelijkheid
van landen met lagere milieu- en veiligheidsnormen, en tot een bedreiging van de continuïteit
van essentiële productie als gevolg van geopolitieke spanningen en stapelende regelgeving.
Deze leden vragen hoe deze Actieagenda zich verhoudt tot het bredere Europese doel
van strategische autonomie, met name in de chemische sector? Deelt de Staatssecretaris
de zorg dat Europa – en Nederland in het bijzonder – steeds afhankelijker wordt van
China en India voor essentiële chemische producten zoals medicijnen en vitamines?
Deze leden vragen aan de Staatssecretaris of in de Actieagenda expliciet rekening
wordt gehouden met dit geopolitieke risico?
Tot slot vragen de leden van de BBB-fractie of de Staatssecretaris de opvatting deelt
dat zonder een sterke industrie ook de middelen ontbreken om te investeren in gezondheid,
duurzaamheid en leefomgeving?
Antwoord: Zoals in de Kamerbrief van 19 december jl. vermeld ziet het kabinet onze
industrie als essentieel voor het verdienvermogen, onze dagelijkse voorzieningen en
voor de strategische weerbaarheid van Nederland en Europa. Ook is de industrie de
katalysator van innovatie en transities, zoals de energietransitie, verduurzaming
en transitie naar een circulaire economie. Deze letterlijke en figuurlijke waarde
van de industrie moet hand in hand gaan met het belang van bescherming van de gezondheid
van omwonenden van die industrie. Dit zijn twee kanten van dezelfde medaille, die
allebei een eigen waarde vertegenwoordigen.
Zo ja, hoe wordt dit uitgangspunt concreet verankerd in de verdere uitwerking van
de Actieagenda?
Antwoord: Waar nodig worden de mogelijke effecten op uitvoerbaarheid (via een uitvoerbaarheidstoets),
administratieve lasten, kosten en regeldruk getoetst, en wordt gekeken hoe deze te
voorkomen. Mocht er uit deze pilots op een of andere manier een gevolg zijn voor regelgeving,
dan wordt hierbij regeldruk expliciet meegewogen. Ook wordt hierbij een bedrijfseffectentoets
uitgevoerd.
Vragen en opmerkingen van de leden van de Partij voor de Dieren-fractie
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie kunnen uit de stukken, waaronder de
beslisnota, concluderen dat eigenlijk vooral de industrievertegenwoordigers tevreden
zijn, maar medeoverheden, gezondheidsexperts, maatschappelijke organisaties en omwonenden
niet. Dat is veelzeggend. Drie jaar nadat het OVV-rapport Industrie en Omwonenden
had geconcludeerd dat de overheid omwonenden onvoldoende beschermt tegen de ziekmakende
uitstoot van de industrie, zijn er nog steeds geen dwingende maatregelen genomen om
omwonenden beter te beschermen. In 2024 heeft de Kamer tijdens het debat over het
OVV-rapport in meerderheid al negatief gereageerd op de toen gepresenteerde Actieagenda
Industrie en Omwonenden, waarbij partijen van links tot rechts benadrukten dat ze
weinig actie zagen, maar vooral veel onderzoeken en doorschuiven. Er is beterschap
beloofd, met concrete acties die tot daadwerkelijke verbetering voor omwonenden zouden
leiden en bijbehorende deadlines. Maar er is nauwelijks verbetering gekomen. Het kabinet
blijft hangen in onderzoeken, verkenningen, processen, gesprekstafels en kleine pilots,
zonder concrete resultaten en verbeteringen. Deze leden verwachten samen met gezondheidsexperts,
medeoverheden en toezichthouders beter en hebben een aantal vragen.
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie roepen hierbij ook het nieuwe kabinet
op om het tij in dit dossier te keren en, conform het advies van ambtenaren in de
beslisnota, meer tegemoet te komen aan de aanbevelingen en opmerkingen van de omgevingsdiensten,
medeoverheden, maatschappelijke organisaties, omwonenden en gezondheidsexperts. Graag
ontvangen deze leden een reflectie van de Staatssecretaris hierop.
Antwoord: Het kabinet heeft begrip voor partijen die om verdergaande maatregelen vragen.
Ook heeft zij begrip voor de belangrijke positie die de industrie heeft voor onze
economie en de lastige situatie waarin zij zich bevindt. Niet alles kan en niet alles
kan tegelijk. Dit kabinet kiest ervoor om te starten met pilots en verkenningen die
meer inzicht zullen geven in wat aan verbetering nodig en mogelijk is. Uitgangspunt
bij deze pilots is dat deze haalbaar zijn voor de industrie en probleem- en risicogericht
zijn: ze lossen de problemen op waar ze bestaan en verhogen niet de regeldruk voor
bedrijven die het al goed doen. Daarnaast continueert het kabinet de brede inspanningen
om de gezonde leefomgeving en het VTH-stelsel te versterken, zoals beschreven op pagina
11 van de Kamerbrief en in bijlage 1 bij die brief.
Proces
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie merken op dat al in 2021 is toegezegd
om te verkennen wat er nog meer kan worden gedaan om de gezondheid van de omwonenden
van Tata Steel beter te beschermen. Er zouden eventueel tussendoelen komen. Ook zou
er gekeken worden naar nationale stappen, als Europese stappen niet opschieten. Bevoegde
gezagen vragen ook al jaren om concrete actie. Eerst kwam er een Actieagenda Industrie
en Omwonenden die, zoals hierboven geschetst en bevestigd door de Tweede Kamer in
2024, bol stond van vaagheden en onderzoeken. Wat nu voorligt, is een resultaat van
de in 2024 aangenomen motie-Kostić (Kamerstuk 28 089, nr. 321) om de Actieagenda aan te scherpen en concrete acties toe te voegen. Een half jaar
later dan gepland, is dat stuk eind december naar de Kamer gestuurd. Als onder meer
deze leden in debatten vroegen om omwonenden te beschermen, werden ze telkens verwezen
naar de nog te komen voortgangsbrief over de Actieagenda. Nu de die brief er is, zien
deze leden geen echte aanscherping in lijn met adviezen van experts, omgevingsdiensten,
medeoverheden en omwonenden.
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie lezen dat de Staatssecretaris op zoek
is naar een balans tussen de verschillende belangen. Is de Staatssecretaris het met
deze leden eens dat dat nog niet gelukt is, gezien het feit dat ook uit beslisnota
blijkt dat vooral de industrievertegenwoordigers tevreden zijn met het beleid, maar
maatschappelijke organisaties, medeoverheden, toezichthouders en omwonenden niet?
Antwoord: De aandachtspunten vanuit alle belanghebbenden, waaronder kritische (organisaties
van) omwonenden, zijn meegewogen tijdens de totstandkoming van de Kamerbrief en de
besluitvorming over de beschikbare beleidsopties. Bij het zoeken naar een juiste balans
heeft het kabinet deze aandachtspunten al vroeg in het besluitvormingsproces opgehaald
om deze te kunnen wegen. De in de brief aangekondigde acties zijn het resultaat van
die weging.
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie merken op dat onder andere medeoverheden
meer verdergaande maatregelen willen, waaronder wijziging van regelgeving. Kan de
Staatssecretaris toezeggen opnieuw te kijken naar deze scheve balans, en voor het
eerstvolgende debat met een brief te komen waarin hij uitlegt hoe hij medeoverheden,
maatschappelijke organisaties en burgers meer tegemoet komt, zoals optie 4 uit de
ambtelijke beslisnota adviseert?
Antwoord: Nee. Zoals hierboven al beschreven, heeft het kabinet begrip voor partijen
die om verdergaande maatregelen vragen en voor de belangrijke positie die de industrie
heeft voor onze economie en de lastige situatie waarin zij zich bevindt. Niet alles
kan en niet alles kan tegelijk. Alle adviesdocumenten zijn reeds gewogen en de Kamerbrief
van 19 december jl. geeft weer welke conclusies het kabinet aan die weging heeft verbonden.
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie merken op dat de Staatssecretaris in
de brief doet alsof de maatregelen die hij neemt in lijn zijn met adviezen van de
Expertgroep Gezondheid IJmond. Terwijl de ambtelijke nota duidelijk stelt: «De maatregelen
die de Expertgroep adviseert gaan wel veel verder dan wat in de brief wordt voorgesteld.»
Erkent de Staatssecretaris dat hij een onjuist beeld richting de Kamer heeft geschetst
over hoe de Expertgroep over zijn beleid oordeelt?
Antwoord: Nee. Twee zaken zijn tegelijkertijd waar: in het advies dat zij hebben uitgebracht
over de Actieagenda kiest de Expertgroep speerpunten die overeenkomen met die van
de pilots en verkenningen die in deze brief worden aangekondigd; en, zoals de PvdD-fractie
citeert uit de beslisnota, de maatregelen die de Expertgroep adviseert gaan wel veel
verder dan wat in de brief wordt voorgesteld. Zoals aangegeven heeft het kabinet alle
belangen gewogen; de in de brief aangekondigde acties zijn het resultaat van die weging.
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie merken op dat juridisch afdwingbare
maatregelen die aantoonbaar leiden tot reductie van gezondheidsrisico’s en risico’s
voor de leefomgeving van mensen ontbreken. Dat beeld wordt nadrukkelijk ook door Omgevingsdienst
NL geschetst, die in zijn kritische notitie stelt dat zonder aanpassing van wet- en
regelgeving en zonder duidelijk normatief kader de bescherming van omwonenden onvoldoende
kan worden gerealiseerd. Kan de Staatssecretaris hierop uitgebreid reflecteren? Is
de Staatssecretaris bereid om Omgevingsdienst NL in al zijn punten tegemoet te komen
en, zo ja, op welke wijze?
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie merken op dat de toezichthouders aangeven
dat zij binnen hun huidige mandaat handelen, maar onvoldoende instrumenten hebben
om daadwerkelijk in te grijpen, wanneer gezondheid onder druk staat. Kan de Staatssecretaris
hierop reflecteren?
Antwoord: Het kabinet heeft dit signaal van Omgevingsdienst NL meegewogen in de besluitvorming.
Tegelijkertijd is het uitgangspunt geweest om geen stapeling van eisen bovenop het
bestaande instrumentarium van wet- en regelgeving te creëren, onder meer om niet nu
de regeldruk te verhogen voor bedrijven die het al goed doen.
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie lezen dat ook de systeemkritiek van
de OVV wordt bevestigd: verantwoordelijkheden zijn verdeeld, maar niet gedragen. Er
mist een eindverantwoordelijke voor de bescherming van omwonenden van vervuilende
industrie. Kan de Staatssecretaris toelichten wie bestuurlijk eindverantwoordelijk
is voor de feitelijke gezondheidsuitkomst voor omwonenden van industriële clusters?
Wie is aanspreekbaar, indien blijkt dat de gezondheidssituatie niet aantoonbaar is
verbeterd?
Antwoord: Gezondheidsverbetering is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de overheid
(zie artikel 21 en 22 van de Grondwet). Elke bestuurslaag voert het beleid waarvoor
het bevoegd is en is daarop aanspreekbaar.
Hoe reageert de Staatssecretaris op de constatering van Omgevingsdienst NL dat het
huidige wettelijke instrumentarium onvoldoende handelingsruimte biedt om gezondheidsrisico’s
effectief te beperken?
Antwoord: Het kabinet heeft dit signaal van Omgevingsdienst NL serieus meegewogen
in de besluitvorming. Tegelijkertijd is het uitgangspunt geweest om geen stapeling
van eisen bovenop het bestaande instrumentarium van wet- en regelgeving te creëren,
onder meer om niet nu de regeldruk te verhogen voor bedrijven die het al goed doen.
Op welke adviezen van experts en wetenschappers baseert de Staatssecretaris zich dan
(graag meesturen)? Of is de afweging politiek geweest?
Antwoord: De Kamer heeft als bijlages bij de Kamerbrief van 19 december jl. alle adviesdocumenten
van belanghebbenden, alle onderzoeksrapporten en alle beleidsopties die ambtelijk
zijn voorbereid (factsheets) ontvangen. Daarmee is de balans tussen de verschillende
belangen politiek gewogen.
Waarom kiest de Staatssecretaris er niet voor om normatieve uitkomstverantwoordelijkheid
institutioneel te borgen, bijvoorbeeld via een onafhankelijke autoriteit, zoals ook
door omwonenden is bepleit?
Is deze optie wel verkend? Zo nee, waarom niet?
Antwoord: Ja, deze optie is verkend. Een onafhankelijke autoriteit zoals omwonenden
deze wensen zou leiden tot dubbeling van taken en verantwoordelijkheden en tot bestuurlijke
drukte. Bovendien is een dergelijke autoriteit in strijd met het huidige bestel van
democratische besluitvorming over regels, vergunningverlening met bezwaar en beroep,
en handhavingsbevoegdheden. Het OFL heeft mede daarom die wens omgezet in het advies
een gezaghebbende, onafhankelijke en volwaardige Commissaris Gezonde Leefomgeving
nabij Industrie aan te stellen. Het is echter onwaarschijnlijk dat er een goede taakafbakening
en invulling van de rol van een dergelijke commissaris te vinden is, die aan de wensen
en verwachtingen van omwonenden voldoet. Het resultaat dat deze commissaris kan bereiken,
zal beperkt zijn. In het juridische stelsel is geen ruimte voor een functionaris die
besluiten kan herroepen of maatregelen af kan dwingen. De landelijke gesprekstafel
in combinatie met de andere gepresenteerde maatregelen geven op een andere manier
invulling aan de functies die deze commissaris zou hebben.
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie zien dat de Staatssecretaris inzet op
nog meer gesprekstafels met omwonenden, overheid en industrie. Terwijl we weten dat
omwonenden helemaal niet tevreden zijn met zulke gesprekstafels afgelopen jaren. Omwonenden
van bedrijven als Schiphol en Tata Steel krijgen keer op keer te maken met bedrijven
die de gesprekstafels vooral gebruiken voor hun pr, maar ondertussen zich onbetrouwbaar
gedragen en zich niet eens aan de wet houden. Toch zet het kabinet dit soort tafels
voort alsof ze oplossingen bieden en gaat dan pas weer over twee jaar evalueren. Is
de Staatssecretaris zich ervan bewust dat de meeste omwonenden niet zien dat zulke
gesprekstafels verbeteringen opleveren voor hun leefomgeving?
Antwoord: Het doel van de tafel is om verbinding te leggen, de dialoog tussen omwonenden,
industrie en overheid te faciliteren en lokaal signalen op te halen en indien nodig
om te zetten in actie. Opgehaalde signalen kunnen overigens leiden tot maatregelen
op het passende niveau die wel degelijk waarneembare verbetering opleveren voor de
leefomgeving. Daarbij komt dat omwonenden begrijpelijkerwijs niet altijd allemaal
dezelfde mening hebben. Het kabinet kan dus niet vooruitlopen op de uitkomsten van
de gesprekken.
Is de Staatssecretaris zich ervan bewust dat grote bedrijven zulke tafels zonder concrete
resultaatverplichtingen kunnen gebruiken voor hun pr, om hun beleid te groenwassen
en om echte verbeteringen in het verlagen van schadelijke emissies uit te stellen?
Antwoord: Om een constructief gesprek te voeren is het van belang dat alle partijen
aan tafel zitten en dat dus ook het perspectief van de industrie vertegenwoordigd
is aan tafel. De tafel kan daarmee een bijdrage leveren aan het vergroten van wederzijds
begrip en aan het in gang zetten van concrete oplossingen voor problemen.
Aan welke gesprekstafels was de meerderheid van omwonenden tot nu toe tevreden over
de resultaten en welke resultaten waren dat dan?
Antwoord: In het kader van de Actieagenda Industrie en Omwonenden is eerder geprobeerd
een dialoogtafel op te zetten. Voor een groot deel van de daarbij betrokken omwonenden
heeft die niet het gewenste resultaat opgeleverd. Daarom is het des te meer van belang
om bij deze landelijke gesprekstafel heel helder te zijn over de verwachtingen en
het doel dat de tafel dient, namelijk om verbinding te leggen, de dialoog tussen omwonenden,
industrie en overheid te faciliteren en lokaal signalen op te halen en indien nodig
om te zetten in actie.
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie merken op dat het tekenend is dat de
brief over de uitvoering van de Actieagenda Industrie en Omwonenden begint met het
belang van de industrie, die «essentieel» wordt genoemd. De ambtelijke beslisnota
bij de brief van de Staatssecretaris laat zien dat achteraf nog veel formuleringen
zijn aangepast om de economische belangen van industrie maar goed te blijven borgen.
Er staat: «We hebben door de hele brief heen meer aandacht voor concurrentievermogen
en verdienvermogen van de industrie.» Terwijl de aanleiding voor het opstellen van
de Actieagenda juist de conclusie van de onafhankelijke OVV was, dat de belangen van
burgers onvoldoende worden beschermd ten opzichte van de belangen van de industrie.
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vragen de Staatssecretaris of hij begrijpt
dat het pijnlijk en ongepast is – zeker voor omwonenden – dat hij dan toch extra de
belangen van de industrie gaat benadrukken in een stuk dat gericht is op het herstellen
van de balans voor omwonenden. Kan de Staatssecretaris hierop reflecteren? Waarom
zijn de belangen van de industrie extra benadrukt, in een stuk dat bedoeld is om in
lijn met het OVV-rapport juist meer nadruk te leggen op de belangen van omwonenden?
Is dit een politieke keuze geweest?Kan de Staatssecretaris hierop terugkomen en een
nieuw stuk sturen waarin meer tegemoet wordt gekomen aan de kern van het OVV-rapport
en de bezwaren van de omgevingsdiensten, gezondheidsexperts en maatschappelijke organisaties?
Antwoord: Zoals in de Kamerbrief van 19 december jl. aangegeven: er zijn geen snelle
maatregelen die deze complexe problematiek in één keer oplossen. Het kabinet heeft
begrip voor partijen die om verdergaande maatregelen vragen en voor de belangrijke
positie die de industrie heeft voor onze economie en de lastige situatie waarin zij
zich bevindt. Niet alles kan en niet alles kan tegelijk. Zoals aangegeven heeft het
kabinet alle belangen gewogen; de in de brief aangekondigde acties zijn het resultaat
van die weging.
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie merken op dat de overheid volgens de
OVV tekortschiet in de waarborging van de gezondheid en de gezonde leefomgeving van
omwonenden van industrie. Niemand neemt de eindverantwoordelijkheid. Waarom kiest
de Staatssecretaris er expliciet voor geen onafhankelijke autoriteit in te richten
die normatief kan ingrijpen, wanneer de gezondheid van omwonenden geschaad wordt,
ondanks herhaalde signalen van de OVV en burgers dat gedeelde verantwoordelijkheid
niet tot bescherming leidt?
Antwoord: Dit zou leiden tot dubbeling van taken en verantwoordelijkheden en tot bestuurlijke
drukte. Daarnaast is een dergelijke autoriteit in strijd met het huidige bestel van
democratische besluitvorming over regels, vergunningverlening met bezwaar en beroep,
en handhavingsbevoegdheden.
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie merken op dat het voorzorgsbeginsel
onvoldoende wordt meegenomen, ondanks aangenomen moties van de Kamer en het OVV-rapport.
Het blijft ook een vaag begrip. Dit is een politieke keuze. Deze leden vragen aan
de Staatssecretaris of vanuit experts voorbeelden bekend zijn in andere landen waar
ze het voorzorgsbeginsel sterker invullen dan in Nederland. Zijn er voorbeelden van
landen waar ze het concreter maken, zodat omgevingsdiensten er makkelijker mee uit
de voeten kunnen?
Antwoord: Nee, er zijn bij het Ministerie van IenW geen voorbeelden bekend van andere
landen waar het voorzorgsbeginsel sterker is ingevuld of concreter is gemaakt.
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie lezen dat de nieuwe stappen volgens
de Staatssecretaris maatregelen bevatten die mogelijk gaan bijdragen aan de verbetering
van processen rond vergunningverlening, toezicht, handhaving, monitoring en advisering.
Kan de Staatssecretaris elk kwartaal een update geven over welke concrete stappen
genomen worden, hoe de voortgang is en welke concrete resultaten het oplevert voor
de daadwerkelijke bescherming van omwonenden en hun leefomgeving tegen schadelijke
uitstoot van de industrie?
Antwoord: Zoals aangegeven in de Kamerbrief van 19 december jl. wordt de Kamer eind
2026 geïnformeerd over de stand van zaken rondom de pilots, gesprekstafel en verkenningen.
Een hogere frequentie acht ik niet wenselijk omdat dit ten koste gaat van de inhoudelijke
werkzaamheden die nodig zijn om de pilots en verkenningen uit te voeren.
Uitstel zonder resultaat
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie merken op dat het hele proces van betere
bescherming van omwonenden resulteert in uitstel op uitstel. Hierna volgen wat voorbeelden.
In 2024 is aan deze leden toegezegd om te onderzoeken hoe zorgkosten voor inwoners
nabij industrie kunnen worden bepaald. In april 2025 kregen deze leden te horen dat
het in plaats van medio 2025 eind 2025 zou worden, en nu is het uitgesteld naar «de
loop van 2026», omdat de onderzoeken nog niet zijn afgerond. Kan de Staatssecretaris
verklaren hoe het kan dat dit relatief kleine onderzoek zo veel langer duurt, en met
een concrete datum naar de Kamer komen wanneer het definitief gereed is?
Antwoord: Het ministerie heeft naar aanleiding van bovenstaande toezegging een opdracht
gegeven aan een extern onderzoeksbureau om te starten met het ontwikkelen van een
methode om de zorgkosten veroorzaakt door industrie in een specifiek industriecluster
te berekenen. Deze methode zou dan door lokale bevoegde gezagen kunnen worden gebruikt.
Dit onderzoek is inderdaad een aantal keer vertraagd. De reden hiervoor is dat het
een relatief complex onderzoek is gebleken, waarvoor bovendien toegang tot (privacy)gevoelige
CBS-microdata vereist is. Het bleek om die reden niet mogelijk om deze data te ontsluiten
naar het externe onderzoeksbureau. Daarom is de vraag naar dit onderzoek nu aan het
RIVM gesteld als onderdeel van de opdracht voor de komende jaren.
Komt het onderzoek ook echt met een onderzoeksmethode om de zorgkosten in de toekomst
altijd goed en eenvoudig te bepalen of is dit onderzoek slechts een verkenning, waarna
een volgend onderzoek de onderzoeksmethode moet vaststellen?
Antwoord: Dit is op voorhand niet te zeggen. RIVM pakt dit onderdeel op als onderdeel
van de opdracht om tot een handreiking te komen voor het bepalen van de gezondheidsrisico’s
als gevolg van industriële activiteiten.
RIVM maakt hiervoor inzichtelijk welke informatie er op dit vlak al ligt (bijvoorbeeld
handleidingen die de GGD’en gebruiken), samen met de leerpunten uit de onderzoeken
die afgelopen jaren zijn gedaan. Waar nodig vult het RIVM dit aan om kennislacunes
te dichten. Een van die onderdelen betreft zorgkosten. Naar verwachting levert RIVM
na de zomer het eerste deel van deze studie op (inzicht in bestaand materiaal met
lessen uit uitgevoerd onderzoek). De overige onderdelen, waaronder het onderdeel over
zorgkosten, volgen daarna. Bij dit onderdeel zal het RIVM starten met een verkenning
van de mogelijkheden en onmogelijkheden van het ontwikkelen van een methode om de
zorgkosten veroorzaakt door industrie inzichtelijk te maken, waarbij experts aangeven
dat het zinvol kan zijn om te kijken naar specifieke kosten of naar specifieke aandoeningen.
En kan alvast gedeeld worden wat er tot nu toe is gedaan in het onderzoek en welke
conclusies daaruit kunnen worden getrokken?
Antwoord: Door het externe onderzoeksbureau zijn in 2025 twee opties geschetst om
invulling te geven aan de oproep tot nader onderzoek, rekening houdend met en aansluitend
op het (destijds) lopende onderzoek in het kader van de Actieagenda Industrie en Omwonenden:
1. Een methode ontwikkelen om de zorgkosten veroorzaakt door industrie in een specifiek
industriecluster te berekenen. Deze methode kan dan door lokale bevoegde gezagen worden
gebruikt.
2. Een methode ontwikkelen waarmee de maatschappelijke kosten en baten van emissiereducerende
maatregelen door industrie kunnen worden berekend zodat deze kunnen worden meegewogen
bij vergunningverlening.
Door IenW is destijds besloten dat optie 1 het beste aansloot op de toezegging. Vervolgens
bleek dat de hiervoor benodigde data voor het externe bureau niet toegankelijk waren.
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie hadden afgelopen maart een aangenomen
motie om zo snel mogelijk alle passende en preventieve maatregelen te nemen om de
uitstoot van schadelijke stoffen door grote vervuilers te minimaliseren en de gezondheid
van omwonenden en medewerkers te beschermen (Kamerstuk 28 089, nr. 294). Deze motie zou zijn afgedaan met de voortgang Actieagenda Industrie en Omwonenden,
die we nu bespreken. Kan de Staatssecretaris aanwijzen welke preventiemaatregelen
uit het stuk dat voorligt ervoor zorgen dat de gezondheid van omwonenden en medewerkers
beter beschermd wordt en welke gezondheidsrisico’s zijn afgenomen dankzij extra stappen
vanuit de Actieagenda?
Antwoord: Het kabinet werkt in brede zin aan het verbeteren van de leefomgeving rond
industrie, zoals weergegeven in bijlage 1 bij de Kamerbrief van 19 december jl. Omdat
deze inspanningen tegelijk plaatsvinden, en economische activiteiten zich ondertussen
autonoom ontwikkelen, is het niet mogelijk om een direct causaal verband te leggen
tussen specifieke acties uit de Kamerbrief en specifieke verbeteringen in de leefomgeving.
De Staatssecretaris gaf aan trots te zijn dat gezondheidseffecten volwaardig meegewogen
gaan worden. Kan hij een voorbeeld geven waar dit nu gebeurt en wat dit specifiek
heeft betekend?
Antwoord: Het kabinet kan dit citaat zonder bronvermelding of nadere context niet
plaatsen. Ook verwijst het citaat naar de toekomst («gaan worden»), maar gaat de vraag
over het heden («nu gebeurt») en het verleden («heeft betekend»). Deze vraag kan helaas
niet inhoudelijk worden beantwoord.
En kan het kabinet verklaren waarom bij de Joint Letter of Intent (JLOI) met Tata
Steel toch duidelijk blijkt dat gezondheidseffecten middels de GER toch zeker niet
volwaardig worden meegewogen?
Antwoord: Het kabinet deelt de in de vraag besloten stellingname niet. De Kamer is
eerder geïnformeerd over de relatie tussen de GER Tata Steel en de JLoI met Tata Steel
(referentie 2025Z19208, antwoord op vraag 37).
Erkent het kabinet dat de Expertgroep Gezondheid IJmond de JLOI onvoldoende vindt
om de gezondheid van omwonenden te borgen? Zo nee, kan het kabinet daarvan een schriftelijke
bevestiging van de Expertgroep naar de Kamer sturen?
Antwoord: Nee. De Expertgroep Gezondheid IJmond heeft, zoals aangegeven in de beantwoording
van vergelijkbare vragen, samen met de Adviescommissie Maatwerkafspraken Verduurzaming
Industrie (AMVI) integraal geadviseerd over de concept-JLoI. Zoals eerder aan de Kamer
medegedeeld (Kamerstuk 29 826, nr. 266) – en vervolgens nog meermaals herhaald in de beantwoording van vergelijkbare vragen
– zijn veel adviezen voor aanscherpingen overgenomen in de definitieve JLoI. Zoals
ook meermaals met de Kamer gedeeld zijn niet alle adviezen van de Expertgroep haalbaar;
dat vraagt meer maatregelen, meer middelen en meer tijd. De borging van de reductiedoelen
vindt plaats in de maatwerkafspraak en de uitwerking hiervan loopt op dit moment.
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie merken op dat is toegezegd dat als er
voor eind 2025 onderzoeksresultaten zijn die laten zien dat er al eerder actie ondernomen
kan worden, zonder dat dit de integrale afweging belemmert, dan hiermee aan de slag
wordt gegaan. Wat is met de uitvoering van deze toezegging gebeurd? Hoe kan het dat
er geen enkel onderzoekresultaat was waar eerder actie op kon worden genomen dan eind
2025?
Antwoord: Het kabinet brengt in herinnering dat het de afgelopen jaren in de breedte
maatregelen heeft genomen, en de komende jaren blijft nemen, om de gezondheidsrisico’s
voor omwonenden van industrie te verminderen (zie bijlage 1 bij de Kamerbrief van
19 december jl.). Op basis van de conceptonderzoeksresultaten zijn op ambtelijk niveau
in de zomer van 2025 al opties voor vervolgacties verkend. Juist omdat de inzet van
het kabinet op dit gebied breder is dan de Actieagenda Industrie en Omwonenden, hebben
de concept- en definitieve onderzoeksresultaten geen zogenaamd «laaghangend fruit»
opgeleverd.
De ambtelijke verkenning heeft wel de basis gelegd voor de beleidsopties waarover,
op basis van de definitieve onderzoeksresultaten die medio september 2025 zijn opgeleverd,
besluitvorming heeft plaatsgevonden. De Kamer heeft alle beleidsopties ter informatie
ontvangen: zie de bijlage met factsheets bij de Kamerbrief van 19 december jl.
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie zouden volgens toezeggingen in deze
voortgang van de Actieagenda Industrie en Omwonenden horen hoe cumulatieve effecten
kunnen worden meegenomen in beleid en regelgeving. In de brief wordt het echter weer
doorgeschoven naar begin 2026, en we hebben nog steeds niets gehoord. Wanneer komt
deze informatie echt? En komt er een wettelijk kader over hoe omgegaan moet worden
met cumulatie?
Antwoord: Het RIVM doet onderzoek naar de mogelijkheden om cumulatie van chemische
stoffen in vergunningverlening mee te wegen. Dit onderzoek duurt langer dan oorspronkelijk
gepland en wordt nu op korte termijn verwacht. Naar verwachting kan in het tweede
kwartaal een beeld worden geschetst hoe cumulatie van chemische stoffen in beleid
kan worden meegenomen. Daarbij is de inzet om dit op Europees niveau te regelen, aangezien
cumulatie een Europees vraagstuk is.
Is de Staatssecretaris het met deze leden eens dat niet uitgesloten kan worden dat
cumulatieve effecten tot onwenselijke gezondheidsrisico’s en schade leiden en dat
daarom uit voorzorg hiermee al rekening moet worden gehouden in de uitvoering en wet-
en regelgeving, voordat er definitief uitsluitsel is vanuit wetenschappelijk onderzoek?
Antwoord: Het kan niet uitgesloten worden dat cumulatieve effecten tot onwenselijke
gezondheidsrisico’s en schade kunnen leiden. Dit is ook de reden dat hier onderzoek
naar wordt gedaan. Daarnaast wordt onderzocht hoe voorzorg kan worden toegepast in
relatie tot de vergunningverlening voor de emissie van chemische stoffen uit industriële
activiteiten.
Is er een «noodrem» mogelijk waarmee emissies kunnen worden beperkt, wanneer cumulatie
tot gezondheidsrisico’s leidt, ook als individuele normen niet worden overschreden?
Antwoord: De Omgevingswet bevat een algemene zorgplicht. Die houdt in dat overheden,
bedrijven en burgers verantwoordelijk zijn voor een veilige en gezonde leefomgeving.
Naast de algemene zorgplicht bevat de Omgevingswet ook een algemeen verbod. Het is
verboden een activiteit te verrichten of na te laten als door het verrichten of nalaten
daarvan aanzienlijke nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving ontstaan of dreigen
te ontstaan. Een en ander is opgenomen in afdeling 1.3 van de Omgevingswet.
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie merken op dat het er in de brief van
Staatssecretaris op lijkt dat de Kamer weer tot eind 2026 moet wachten om alleen al
over de stand van zaken rondom de pilots, gesprekstafel en verkenningen te horen.
Deze leden vragen de Staatssecretaris: kan dit versneld worden?
Antwoord: Op dit moment worden de pilots en verkenningen vormgegeven en opgezet. Dit
kost tijd. Eind 2026 zal de Kamer over de stand van zaken worden ingelicht. Dat betekent
dus niet dat we in de tussentijd stilzitten. Het kabinet zet parallel aan deze acties
onder de Actieagenda Industrie en Omwonenden nog meer stappen om de bescherming tegen
gezondheidsrisico’s te versterken. Een compleet overzicht van alle acties op dit gebied
is opgenomen in bijlage 1 bij de Kamerbrief van 19 december jl.
En wanneer worden de pilots en verkenningen precies afgerond?
Antwoord: De pilots en verkenningen worden in 2027 afgerond. De Kamer wordt eind 2027
geïnformeerd over de resultaten en mogelijke vervolgstappen. Eind 2026 wordt aan de
Kamer gerapporteerd over de voortgang van zowel de pilots als de verkenningen.
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie zien dat Omgevingsdienst NL expliciet
onder andere pleit voor: 1. wettelijke verankering van de RIE met duidelijke actualisatieverplichtingen,
2. expliciete verplichting tot periodieke herziening van vergunningen, 3. versterking
van juridische grondslagen voor ingrijpen bij gezondheidsrisico’s en 4. duidelijkere
normstelling. Deze leden vragen wanneer de RIE expliciet en dwingend wordt verankerd
in nationale wetgeving, inclusief een vierjaarlijkse actualisatieplicht.
Antwoord: De Richtlijn industriële emissies is op dit moment al volledig geïmplementeerd
in de Omgevingswet en onderliggende regelgeving. Op dit moment wordt gewerkt aan de
implementatie van de herziene Richtlijn17, waar vermoedelijk op wordt gedoeld. In het derde kwartaal van dit jaar is de implementatie
naar verwachting gereed.
Welke extra ruimte geeft de EU aan lidstaten om de gezondheid en leefomgeving van
mensen beter te beschermen en op welke manier gaat de Staatssecretaris daar gebruik
van maken?
Antwoord: Afhankelijk van de specifieke wetgeving hebben lidstaten ruimte om nationaal
strengere normen te hanteren dan bijvoorbeeld in Europese richtlijnen zijn opgenomen.
De ambitie van het kabinet, in lijn met het coalitieakkoord, is om onnodige nationale
koppen op Europese regels te schrappen. Europese richtlijnen en regelgeving worden
sneller en zoveel mogelijk 1-op-1 geïmplementeerd.
Wanneer wordt wettelijk vastgelegd dat vergunningen verplicht periodiek worden herzien
op basis van nieuwste BBT-conclusies én gezondheidsinzichten?
Antwoord: Voor IPPC-installaties (dus installaties die onder de Rie vallen) geldt
nu al dat binnen vier jaar na het publiceren van nieuwe BBT-conclusies (in de zogeheten
Bref-documenten) installaties moeten voldoen aan de nieuwe Bref dan wel dat bedrijven
maatwerk moeten aanvragen voor de vergunningen van hun installaties (artikel 8.99
van het Besluit kwaliteit leefomgeving).
Zoals aangekondigd gaat het kabinet een verkenning uitvoeren naar het periodiek herzien
van vergunningen op basis van de nieuwste wetenschappelijke inzichten. Zoals aangegeven
in de Kamerbrief van 19 december jl. is het uitgangspunt nu om geen stapeling van
eisen bovenop het bestaande instrumentarium van wet- en regelgeving te creëren. Een
wijziging van de Omgevingswet is daarmee vooralsnog niet aan de orde. Het bevoegd
gezag heeft daarnaast nu al de verplichting om vergunningvoorschriften aan te scherpen
als de kwaliteit van het milieu en de leefomgeving zich negatief ontwikkelt. Hiermee
wordt beoogd een zo groot mogelijke bescherming voor de fysieke leefomgeving te realiseren.
Per wanneer worden vergunningen verplicht integraal herzien op basis van de nieuwste
gezondheidsinzichten en waar wordt dat geregeld?
Antwoord: Hier is op dit moment geen wijziging voor herzien. De verkenning herbeoordelingsmoment
vergunningen wordt op dit moment uitgevoerd. Afhankelijk van de uitkomsten van deze
verkenning kan besloten worden om wijzigingen in wet- en regelgeving door te voeren.
Waarom ligt de bewijslast nog steeds niet expliciet bij bedrijven om aan te tonen
dat zij maximale gezondheidsbescherming realiseren en wanneer wil de Staatssecretaris
dit bewerkstelligen?
Antwoord: Bedrijven zijn (onder meer) verantwoordelijk voor hun eigen uitstoot, niet
voor de algehele gezondheid van burgers omdat die ook door andere factoren wordt beïnvloed.
De bewijslast voor het voldoen aan de wet- en regelgeving met betrekking tot uitstoot
ligt reeds bij bedrijven. De normen uit wet- en regelgeving volgen grotendeels uit
Europees recht. Bij de vaststelling van deze normen zijn ook gezondheidseffecten meegenomen.
In het kader van de herziene Richtlijn industriële emissies is het uitgangspunt dat
bedrijven aan de strengste kant (onderkant) van de BBT-bandbreedte vergund worden.
Indien bedrijven soepeler vergund willen worden, ligt de bewijslast bij het bedrijfsleven.
Waarom wordt het SLA niet juridisch bindend gemaakt voor vergunningverlening?
Antwoord: De afspraak die in het kader van het Schone Lucht Akkoord was gemaakt om
aan de strengste kant van de BBT-bandbreedte te vergunnen, is overgenomen in de herziening
van de Richtlijn industriële emissies die op dit moment in nationale regelgeving wordt
geïmplementeerd. Daarmee wordt deze afspraak bindend voor vergunningverlening.
PFAS
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie merken op dat bijna alle Nederlanders
volgens het RIVM meer dan de gezondheidskundige grenswaarde aan PFAS in hun bloed
hebben. Desondanks komt er dagelijks extra PFAS in onze leefomgeving en worden nieuwe,
grote vergunningen verleend om extra PFAS te kunnen lozen. De Vereniging van Nederlandse
Gemeenten (VNG) heeft in juni 2025 unaniem een motie aangenomen die vraagt om een nationaal PFAS-verbod op productie en producten. Gemeenten
staan voor de gezondheid van hun inwoners en doen daarom met klem een beroep op provincies
en het Rijk. Op welke wijze gaat de Staatssecretaris opvolging geven aan de VNG-motie
van juni?
Antwoord: Voor de goede orde moet worden opgemerkt dat een motie van de leden van
de VNG is gericht aan het VNG-bestuur en niet aan het kabinet. In juli 2025 is de
Kamer geïnformeerd (Kamerstuk 35 334, nr. 406) dat de inzet van het Rijk gericht is op het tot stand brengen van een Europees verbod
van PFAS. In die brief is ook aangegeven waarom een nationaal PFAS-verbod (onderdeel
van de VNG-motie) niet effectief is. Wel is er onderzoek gestart naar de mogelijkheid
van een gedeeltelijk PFAS-lozingsverbod. Andere aspecten van de VNG-motie zijn al
onderdeel van het Rijksbeleid. Zo is er ook in 2026 financiële ondersteuning voor
gemeenten voor de PFAS-opgave en ondersteunt het Rijk onderzoeken naar een PFAS-vrije
samenleving. Het Rijk stimuleert daarnaast diverse innovatieprogramma’s voor de verwijdering
en afbraak van PFAS in bodem en water en er loopt een onderzoeksprogramma bij het
RIVM naar de mogelijkheden om de bloostelling aan PFAS te verminderen.
Waarom worden nieuwe vergunningen verleend voor PFAS-gerelateerde stoffen, terwijl
gezondheidsrisico’s structureel aanwezig zijn?
Antwoord: Voor zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) zoals PFAS is in de vergunningssystematiek
een extra beoordelingsstap voorgeschreven: de immissietoets. Bij deze toets wordt
de concentratie van een ZZS in de leefomgeving (voor lucht) of lozing in een waterlichaam
getoetst aan een (indicatief) maximaal toelaatbaar risico (MTR voor lucht) of een
(indicatieve) milieukwaliteitsnorm (MKN). Het MTR of de MKN is een wetenschappelijk
onderbouwde grenswaarde die aangeeft tot welke concentratie van een stof in het milieu
(lucht, water, bodem) geen negatieve effecten worden verwacht voor mensen, dieren
of ecosystemen. Als wordt voldaan aan de immissietoets zijn er dus niet direct gezondheidsrisico’s
te verwachten en kan een vergunning worden verleend.
Ook indien een vergunning kan worden verleend geldt voor emissies van zeer zorgwekkende
stoffen altijd de doorlopende verplichting tot het minimaliseren van de lozing met
een vermijdings- en reductieprogramma (VRP). De doelstelling van een VRP moet het
voorkomen van ZZSemissies zijn (nul uit de pijp) en als dat (nog) niet mogelijk is
het nog verder reduceren (haalbaar en betaalbaar) van de emissies. Het bevoegd bezag
moet elke 5 jaar worden geïnformeerd over het VRP.
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie hebben nog vragen specifiek over Chemours.
Er wordt gesteld dat er weinig tot geen juridische mogelijkheden zijn om Chemours
deels of gedeeltelijk stil te leggen, omdat moet worden onderzocht of kan worden volstaan
met een aanpassing van de vergunningsvoorschriften. Kunnen vergunningsvoorschriften
op het moment strenger worden gesteld dan de BBT, als dit nodig is om de gezondheid
van omwonenden beter te beschermen, of is dit ook juridisch lastig?
Antwoord: De wet- en regelgeving kent instrumenten om meer dan BBT-maatregelen te
kunnen voorschrijven. Zie voorgaand antwoord over de immissietoets voor ZZS. Indien
niet kan worden voldaan aan de immissietoets zal het bevoegd gezag extra maatregelen
bovenop BBT eisen.
Ook kan het bevoegd gezag een maatwerkvoorschrift opleggen als het wenselijk is dat
extra maatregelen worden getroffen. Dit kan in individuele gevallen met maatwerkvoorschriften
of vergunningvoorschriften (afdeling 2.5 van het Bal). Daarmee kan het bevoegd gezag
de landelijke regels meer toespitsen op de concrete situatie of de locatie; denk aan
onvoorziene situaties, bijzondere gevallen, lokale omstandigheden en/of het bereiken
van ambities voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving
Elk besluit staat open voor bezwaar en beroep waarbij de motivatie van het bevoegd
gezag voor het opleggen van extra maatregelen getoetst kan worden. Deze mogelijkheid
is reeds vastgelegd in artikel 8.30 van het Besluit kwaliteit leefomgeving en is één-op-één
een implementatie van de Richtlijn industriële emissies.
Welke mogelijkheden zijn er om de vergunningsvoorschriften zo in te richten dat er
geen PFAS meer in de omgeving terechtkomt?
Antwoord: Bedrijven die PFAS emitteren, moeten (in het algemeen) een vermijdings-
en reductieprogramma (VRP) opstellen waarbij het bevoegd gezag periodiek wordt geïnformeerd
over de (haalbare en betaalbare) mogelijkheden tot vermijden of reduceren. Het bevoegd
gezag kan maatregelen uit het VRP aan de vergunning verbinden.
Er wordt gesteld dat er met Chemours wordt gesproken over een intentieverklaring om
PFAS-emissies te verminderen. Is het kabinet het met deze leden eens dat dit niet
strookt met de aangenomen motie-Van Esch c.s. «nul uit de pijp» (Kamerstuk 27 625, nr. 644) en nul garanties geeft voor de omwonenden?
Antwoord: De motie-Van Esch c.s. (Kamerstuk 27 625, nr. 644) spreekt de ambitie uit om PFAS-emissies verder terug te dringen. PFAS behoren tot
de groep van zeer zorgwekkende stoffen (ZZS), waarvoor het uitgangspunt geldt dat
emissies zoveel mogelijk worden voorkomen en, waar dit niet mogelijk is, tot een minimum
worden beperkt. Zoals ook is toegelicht in een eerdere Kamerbrief (Kamerstuk 22 343, nr. 428) kunnen zolang PFAS wordt geproduceerd restemissies niet volledig worden uitgesloten.
Het kabinet zet daarom in op verdere emissiereductie via vergunningverlening, toepassing
van beste beschikbare technieken en aanvullende afspraken met bedrijven. De voorgenomen
intentieverklaring met Chemours past binnen deze inzet.
Deze leden vinden het zorgwekkend dat er over vrijblijvende intentieverklaringen wordt
gesproken, terwijl het – sinds eind 2024 ook officieel – over zeer zorgwekkende stoffen
gaat. En hoe staat het met de verdere uitwerking van het gedeeltelijke PFAS-lozingsverbod?
Antwoord: Op dit moment loopt een verkennend onderzoek naar de mogelijkheden van een
gedeeltelijk PFAS-lozingsverbod. Zoals eerder met de Kamer gedeeld vraagt dit om zorgvuldige
afweging, omdat PFAS alomtegenwoordig zijn en een verbod of sterke aanscherping van
normen ook praktische en maatschappelijke consequenties kan hebben. De Minister van
IenW zal de Kamer op korte termijn nader informeren over de stand van zaken van deze
verkenning.
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie hebben nog een laatste vraag over PFAS-lozingen:
op welke juridische gronden zou het kabinet de PFAS-lozing van CFS Weert kunnen tegenhouden,
als de Kamer dat zou wensen?
Antwoord: De beoordeling van een vergunningaanvraag zoals die van CFS is op grond
van de Omgevingswet een verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag, in dit geval de
provincie Limburg. Dit past binnen het uitgangspunt «decentraal, tenzij», waarbij
medeoverheden binnen het wettelijke kader zelfstandig besluiten nemen over individuele
vergunningen. Het kabinet heeft daarbij geen rol in de inhoudelijke beoordeling of
besluitvorming over een individuele vergunningaanvraag. Het is aan het bevoegd gezag
om de aanvraag te toetsen aan de geldende wettelijke eisen en daarbij alle relevante
belangen te betrekken. Zie ook de eerdere beantwoording van schriftelijke vragen over
de lozingen bij CFS Weert (referentie 2025Z14995 en 2025Z21368).
Staalslakken
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie concluderen daarnaast dat staalslakken
nog steeds worden ingezet in projecten in Nederland. Steeds meer gemeentes besluiten
ze niet meer te gebruiken en zelfs plekken met staalslakken te saneren, zodat inwoners
er niet meer aan blootgesteld worden. Uit onderzoek van de ILT blijkt dat er milieuschade
is opgetreden bij negen van de tien onderzochte locaties waar staalslak is ingezet.
De Staatssecretaris zou, zoals ook gevraagd door de Kamer, een totaalverbod invoeren,
totdat was aangetoond dat het gebruik veilig is en niet schadelijk voor het milieu,
maar is uiteindelijk toch voor een gedeeltelijk verbod gegaan van een jaar. Zijn er
nog gedachten over wat er gebeurt, nadat we een jaar een tijdelijk staalslakken verbod
hebben?
Antwoord: Het maken en vastleggen van regelgeving kost veel tijd. Over de opvolging
van de tijdelijke regeling worden nu een aantal scenario’s uitgewerkt. Als daar een
besluit over genomen is zal de Kamer daarover worden geïnformeerd.
Welke mogelijkheden zijn er concreet om het om te zetten in een permanent verbod?
Antwoord: Het omzetten naar een permanent verbod is één van de opties die wordt meegenomen
bij de besluitvorming over de opvolging van de tijdelijke regeling; er worden verschillende
mogelijkheden verkend.
En zijn er nog nieuwe onderzoeksresultaten die nog niet met de Kamer zijn gedeeld?
Antwoord: Nee, die zijn er nog niet.
Hoe staat het met de Taskforce staalslakken? Wie zitten daar precies aan tafel? Hoeveel
overleggen zijn er al precies met wie geweest en wat is daar tot nu toe concreet uitgekomen?
Antwoord: Op 28 november jl. is de Taskforce Bestaande Toepassingen Staalslak opgericht.
De Taskforce is een samenwerking tussen het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat,
Vereniging Nederlandse gemeente, Interprovinciaal Overleg en Unie van Waterschappen,
met deelname van Omgevingsdienst NL en GGD GHOR Nederland, onder leiding van een onafhankelijk
voorzitter. Het eerste startoverleg heeft 19 maart jl. plaatsgevonden.
Wat staat er komend half jaar concreet op de agenda van de taskforce?Gaat het om alleen
overleggen of worden er ook onderzoeken uitgezet?
Antwoord: De eerste bijeenkomst van de Taskforce heeft 19 maart jl. plaatsgevonden.
In de Kamerbrief van 18 december 202518 staat beschreven dat de Taskforce Bestaande Toepassingen Staalslak (TBTS) komt tot
een gezamenlijke aanpak met als doel:
• Het risicogericht inventariseren van bestaande toepassingen van staalslak. Deze inventarisatie
is in lijn met de tijdelijke regeling. Daar waar sprake is van evident risicovolle
toepassingen voor mens en milieu worden passende maatregelen genomen;
• Zich gezamenlijk in te spannen om relevante kennis over toepassing van staalslak en
eventuele risico’s beschikbaar te stellen aan burgers en bedrijven.
De uitwerking van de opdracht voor de Taskforce en de verdere inrichting wordt gezamenlijk
opgepakt. Daarbij wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de bestaande samenwerkingsvormen
en bestuurlijke afspraken.
Is de Staatssecretaris bereid om Rijkswaterstaat de opdracht te geven om in alle projecten,
zeker bij waterwerken, geen staalslakken meer te gebruiken (in lijn ook met hoe daaraan
tegemoet is gekomen in Zeeland)?
Antwoord: Nee, aan RWS worden geen andere eisen gesteld dan aan andere toepassers.
In Zeeland is voor toepassingen in de Scheldes in afstemming met Rijkswaterstaat afgesproken
dat er gedurende de (reguliere) looptijd van de Tijdelijke regeling (pauzeknop) geen
staalslak fysiek in de Ooster- en Westerschelde wordt toegepast in opdracht van Rijkswaterstaat.
Dat betreft derhalve de periode tot 23 juli 2026. Samen met de Zeeuwse partijen benut
ik deze tijd om met elkaar in gesprek te gaan over de zorgen die er zijn, en over
de kennisbehoefte vanuit Zeeland met betrekking tot staalslak in grote wateren.
Metingen
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie merken op dat afgelopen september aan
hen is toegezegd dat in deze voortgangsbrief de Kamer geïnformeerd zou worden over
de mogelijkheden om onafhankelijk te meten bij Tata Steel. Deze leden lezen hier in
de Actieagenda echter niets concreets over. Het gaat enkel over pilots om onafhankelijk
te gaan meten, maar het is niet duidelijk of dit bij Tata Steel gaat zijn. Waar gaan
de pilots plaatsvinden?En gaat een van die locaties Tata Steel zijn? Zo nee, waarom
niet? En wanneer zullen de pilots precies van start gaan?
Antwoord: Deze vragen kunnen nog niet worden beantwoord. Momenteel wordt, in afstemming
met betrokken (lokale) partijen, gewerkt aan een plan van aanpak voor de meetpilots.
Het project dat nu dankzij omwonenden bezig is van Hollandse luchten om fijnstof te
meten op het terrein van Tata Steel is geen alternatief voor de onafhankelijke metingen
aan de pijp. Op de website van Tata Steel is ook al te lezen dat de sensoren «niet
geschikt zijn voor nauwkeurige fijnstofmetingen of vergelijkingen met wettelijke normen
of de gezondheidskundige advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO)».
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vragen de Staatssecretaris of hij een
concreet en duidelijk stappenplan, met deadlines, kan geven over hoe we gaan komen
tot echte transparantie over emissies bij de vervuilende industrie en zij vragen hem
om er hiermee voor te zorgen dat de bevoegde gezagen overal onafhankelijk kunnen meten
en niet meer afhankelijk zijn van de resultaten die de industrie zelf met ze deelt.
Antwoord: Het bevoegd gezag heeft in het kader van zijn wettelijke toezichtstaak reeds
de bevoegdheid om onafhankelijke, eigen metingen uit te voeren bij bedrijven. Dat
gebeurt in de praktijk ook. Het bevoegd gezag is dus niet afhankelijk van de meetresultaten
van de industrie zelf. In het kader van de meet-pilot zal worden onderzocht welke
randvoorwaarden en systemen nodig zijn om inzicht te geven in de resultaten van (continue)
meetgegevens van bedrijven
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie lezen in de factsheets over verbetering
van meetnetten, snellere toegang tot data en betere informatievoorziening voor burgers.
Daar zijn ook duidelijke aanbevelingen over van de Expertgroep Gezondheid IJmond en
er ligt een heldere aangenomen motie-Teunissen c.s. (Kamerstuk 28 089, nr. 302) hierover, die het kabinet niet goed uitvoert. Toch blijft het kabinet inzetten op
pilots. Waarom wordt geen landelijke verplichting ingevoerd voor onafhankelijk, continu
en fijnmazig meten van gevaarlijke stoffen, waarbij burgers en overheden veel meer
direct en zoveel mogelijk real-time inzage hebben in de uitstoot?
Antwoord: Het kabinet wil toewerken naar een systeem waarin emissies en immissies
van relevante vervuilende stoffen goed en op de juiste momenten worden gemeten, dichterbij
de bedrijven, waarbij meetgegevens transparanter en beter controleerbaar zijn. De
in de vraag beschreven verplichting is echter dermate ambitieus dat de uitvoeringskosten
niet proportioneel zouden zijn.
Waarom blijven bevoegde gezagen afhankelijk van bedrijfsrapportages en het wachten
daarop? Wanneer wordt real-time openbaarmaking van emissiegegevens verplicht?
Zoals eerder aangegeven heeft het bevoegd gezag in het kader van zijn wettelijke toezichtstaak
de bevoegdheid om onafhankelijke, eigen metingen uit te voeren bij bedrijven. Dit
levert inzicht in de emissiesituatie van bedrijven. Daarnaast kan het bevoegd gezag
emissiemetingen die door bedrijven worden uitgevoerd bijwonen en controleren. En dat
gebeurt in de praktijk ook. In het kader van de meet-pilot zal worden verkend wat
nodig is om real-time openbaarmaking van emissiegegevens mogelijk te maken.
Monetaire milieuschade
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie merken op dat het Planbureau voor de
Leefomgeving (PBL) berekent dat de veroorzaakte milieuschade circa 47 miljard euro
per jaar bedraagt. Hoe verhoudt het toestaan van structurele externe milieuschade
zich tot het uitgangspunt dat kosten niet mogen worden doorgeschoven naar volgende
generaties?
Antwoord: Het kabinet zoekt altijd naar een goede balans bij het aanpakken van de
verschillende maatschappelijke opgaven. Per beleidsterrein wordt daarvoor afgewogen
wat de gevolgen zijn voor mens en milieu, en wat de economische baten en lasten zijn.
Daarin speelt ook mee hoe kosten in de tijd verdeeld (kunnen) worden.
Nederland is een dichtbevolkt land waar (intensieve) industrie, wonen en natuur nauw
met elkaar verbonden zijn en de ruimte schaars is. Het zoeken naar een goede balans
tussen het benutten van de fysieke leefomgeving en de bescherming ervan is daarom
extra uitdagend. Industriële activiteiten hebben, net als andere activiteiten soms
een negatieve invloed op de gezondheid van mens en ecosystemen. Toch is het behoud
van onze industrie ook essentieel, voor onder andere onze welvaart, het verdienvermogen,
onze dagelijkse voorzieningen en innovatie. Industrie en een gezonde, schone en veilige
leefomgeving kunnen wat het kabinet betreft hand in hand gaan.
De (Rijks)overheid weegt milieuschade mee op het niveau van een beleidsterrein of
voor een individueel project, bijvoorbeeld via een maatschappelijke kosten-batenanalyse
(mkba). Het verder brengen van het principe «de vervuiler betaalt» en daarmee de milieuschade
die bedrijven veroorzaken onderdeel laten worden van de prijs van diensten en producten
is het uiteindelijke doel, dat vooral Europees gerealiseerd moet worden. Nederlandse
bedrijven werken binnen een Europees speelveld waarbinnen zij concurrerend moeten
kunnen zijn.
Kan worden toegezegd dat voortaan bij elke begroting expliciet wordt gerapporteerd
hoe milieuschadekosten zijn betrokken bij beleidskeuzes?
Antwoord: Bij beleidsontwikkeling worden milieuschadekosten mee afgewogen evenals
economische baten. Dit gebeurt veelal via een maatschappelijke kosten-baten analyse
(mkba) op het niveau van een beleidsterrein of voor een individueel project. Dit inzicht
in milieukosten helpt bij het steeds verdere integreren van het beginsel «de vervuiler
betaalt» in beleid en wetgeving. De politieke afweging die daar vervolgens op volgt
en wat dit qua beleidsinzet betekent, krijgt vervolgens zijn (financiële) weerslag
in de begroting. Ook is deze afweging veelal in beleidsstukken waaronder Kamerstukken
terug te vinden. Het expliciet rapporteren in de begroting hoe milieuschadekosten
betrokken zijn bij beleidskeuzes, is daarom onnodig en niet aan de orde.
Factsheet
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie merken op dat er na jarenlang onderzoeken
wel een lijst ligt van concrete maatregelen, samengevat in een factsheet die de Staatssecretaris
naar de Kamer heeft gestuurd. Maar veel effectieve maatregelen worden niet opgepakt.
Kan de Staatssecretaris per factsheet-maatregel aangeven of deze is overgenomen, gedeeltelijk
overgenomen of niet overgenomen? Kan per niet-overgenomen maatregel worden gemotiveerd
waarom deze is afgewezen en hoe dat rijmt met de kennis en adviezen van experts? Is
bij die afweging het concurrentievermogen van de industrie zwaarder gewogen dan gezondheidsbescherming?
Antwoord: Met de Actieagenda Industrie en Omwonenden en de daaruit voortvloeiende
acties die in de Kamerbrief van 19 december jl. staan beschreven, wordt een stap gezet
om een goed evenwicht te realiseren tussen de bescherming van de gezondheid van omwonenden
en een krachtige Nederlandse industrie. Bij de besluitvorming over deze beleidsopties
is verder het uitgangspunt geweest om geen stapeling van eisen bovenop het bestaande
instrumentarium van wet- en regelgeving te creëren. Ook heeft het kabinet meegewogen
dat, gegeven de beperkte middelen, niet alles tegelijk kan.
Op basis van deze overwegingen worden de hieronder aangegeven beleidsopties (nu) niet
overgenomen.
Daarbij weegt ook mee, zoals in bijlage 1 bij de Kamerbrief van 19 december jl. vermeld,
dat het kabinet in de breedte maatregelen neemt om de gezondheidsrisico’s voor omwonenden
van industrie te verminderen. Dit betreft onder andere de versterking van het VTH-stelsel,
het uitvoeren van een aantal verbeteringen in het beleid inzake zeer zorgwekkende
stoffen, het implementeren van de Europese richtlijnen op het gebied van luchtkwaliteit
en industriële emissies, het verduurzamen van de industrie en verdere kennisontwikkeling.
Het gevraagde overzicht met welk besluit over elke beleidsoptie is genomen, is als
volgt:
1 Versterken van de contacten met omwonenden
Er komt een landelijke gesprekstafel maar de precieze uitvoering moet nog nader vormgegeven
worden.
2a Vastleggen adviesrol GGD in Omgevingswet
Er komt een pilot om te onderzoeken op welke wijze gezondheid/GGD-advies goed kan
worden meegewogen in besluitvorming.
2b Uitwerken resultaten pilot GER in nieuwe regelgeving
Over deze optie kan pas worden besloten als de GER inzake Tata Steel is afgerond.
2c Opstellen handreiking nieuwe begrippen Omgevingswet en Bkl
Nu niet overgenomen.
3 Vergroten transparantie omtrent metingen
Het doel wordt meegenomen in de pilot meten.
4a Pilots voor het voorkomen van piekemissies
Nu niet overgenomen.
4b Verplichten integrale herbeoordeling vergunningen
Er wordt een nadere verkenning van deze optie uitgevoerd.
4c Ondersteunen vergunningsverleners
Nu niet overgenomen.
5a Pilots voor betere controle op de emissies van industriële installaties
Dit wordt meegenomen in de pilot meten.
5b Versterken onafhankelijkheid en controle in het systeem van industriële metingen
Er wordt een pilot meten uitgevoerd die inzichten kan opleveren voor toekomstige besluitvorming
hierover.
5c Verruimen wettelijk kader voor «vinger aan de pols» bij industrie ter bescherming
van omwonenden
Er wordt een pilot meten uitgevoerd die inzichten kan opleveren voor toekomstige besluitvorming
hierover.
6 Verbeteren metingen luchtkwaliteit en depositie rondom industrie
Er wordt een pilot meten uitgevoerd die inzichten kan opleveren voor toekomstige besluitvorming
hierover.
7a Uitbreiden financiële ondersteuning voor schone industrie
Er wordt een nadere verkenning van deze optie uitgevoerd.
7b Uitwerken belasting op vervuilende uitstoot
Nu niet overgenomen.
8a Uitvoeren samenwerkingsprogramma overheden rond cumulatie
Nu niet overgenomen.
8b Doorontwikkelen methodiek cumulatie
Nu niet overgenomen.
9 Verkennen transitiepad naar Zero Pollution 2050
Het verkennen van transitiepaden krijgt een plaats in het Nationaal Milieuprogramma.
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie zijn positief over de concrete maatregelen,
zoals het uitwerken van een belasting op vervuilende uitstoot, het vergroten van transparantie
omtrent metingen en het verplichten van een integrale herbeoordeling van vergunningen
na een bepaalde termijn. Welke maatregelen uit de factsheet die nog niet zijn opgepakt
door het kabinet, worden in de nieuwe periode wel opgepakt? Welke acties uit de factsheet
hebben volgens gezondheidsexperts de meest positieve effecten voor de omwonenden en
is de Staatssecretaris bereid die over te nemen?
Antwoord: Omdat het ongelijksoortige opties betreft, is de gevraagde rangschikking
niet te maken. De inspanningen van het kabinet zijn er nu op gericht om de in de Kamerbrief
van 19 december jl. aangekondigde acties uit te voeren. Vervolgens kan, op basis van
de uitkomsten van de pilots en verkenningen en de evaluatie van de landelijke gesprekstafel,
worden besloten over mogelijke nieuwe stappen.
Waarom zijn specifiek het onderzoek over belasting op vervuilende uitstoot en de verkenning
transitiepad naar «zero pollution 2050» alleen als optie uitgewerkt, maar is het onderzoek
nog niet uitgevoerd?
Antwoord: Bij het opstarten van het onderzoek naar een mogelijke belasting op vervuilende
uitstoot bleek dat er al veel informatie en onderzoek was op dit gebied. Omdat keuzes
moesten worden gemaakt bij de verdeling van schaarse capaciteit, is daarom in de afgelopen
periode geen nader verdiepend onderzoek uitgevoerd. Op basis van de bestaande informatie
en onderzoeken is gekozen nu de mogelijkheden voor positieve financiële prikkels te
gaan verkennen.
Voor het transitiepad naar «zero pollution 2050» is wel een eerste verkenning uitgevoerd.
Deze verkenning is in de bijlage met alle onderzoeksrapporten bij de Kamerbrief meegestuurd.
Er is in deze eerste verkenning alleen gekeken naar de omvang van de opgave voor luchtkwaliteit,
aangezien deze in het verlengde lag van de focus van de Actieagenda. Zoals in de Kamerbrief
is aangegeven zal dit vanuit de breedte en het langetermijnkarakter van het vraagstuk
hoe de situatie van «zero pollution» kan worden bereikt, verder worden opgepakt vanuit
het Nationaal Milieuprogramma (NMP). Hierbij zal dan niet alleen naar luchtkwaliteit
maar ook naar de bodem- en waterkwaliteit en andere milieuaspecten worden gekeken.
Als dit wel was gebeurd, kon het volgende kabinet sneller aan de slag gaan. Is de
Staatssecretaris bereid om dit jaar nog deze twee voorstellen om te zetten in concrete
acties?
Antwoord: Nee. Het kabinet richt zich op de verschillende acties en maatregelen zoals
omschreven in de Kamerbrief van 19 december jl.
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie missen in de Actieagenda acties die
de positie van omwonenden echt zouden versterken. De OVV stelt dat de gezonde leefomgeving
leidend moet zijn en bedrijven vergund krijgen op basis van wat de leefomgeving aankan.
Dit gebeurt nu niet, terwijl de Omgevingswet hier wel handvatten voor biedt. Donderdag
12 februari jl. is er ook een rapport van WODC over milieucriminaliteit naar buiten
gekomen dat concludeert dat de juridische mogelijkheden er wel zijn om giftige uitstoot
en lozingen te bestraffen, maar dat de handhaving tekortschiet. Er is een capaciteitstekort
bij handhaving, trage procedures en versnipperd toezicht. Ziet de Staatssecretaris
ook dat de Omgevingswet meer mogelijkheden biedt om handhavend op te treden? Zo ja,
waarom zet hij er niet op in om omgevingsdiensten de Omgevingswet zo in te laten zetten
om de omgeving beter te kunnen beschermen?
Antwoord: De Omgevingswet biedt een gedegen instrumentarium om bestuursrechtelijk
handhavend op te treden, met de mogelijkheden tot het opleggen van een last onder
dwangsom, last onder bestuursdwang en een bestuurlijke boete. Het Bestuurlijk omgevingsberaad
heeft in 2022 de Landelijke handhavingsstrategie omgevingsrecht (LHSO) vastgesteld.
De LHSO biedt een afwegingsinstrument om in concrete gevallen afgestemd, eenduidig,
effectief en evenredig te kunnen interveniëren en is een nadere invulling van reeds
bestaand instrumentarium in de Omgevingswet. Daarnaast is de handreiking Regionale
Beleidscyclus beschikbaar voor medeoverheden die ook ondersteunend is bij bestuursrechtelijke
handhaving.
En is hij bereid een factsheet op te stellen waarin staat hoe de omgevingsdiensten
de Omgevingswet zo in kunnen zetten dat het voorzorgprincipe en gezondheid leidend
zijn en cumulatie van stoffen beter wordt meegenomen?
Antwoord: Via het Impulsprogramma Chemische stoffen werken Omgevingsdiensten, het
ministerie en andere betrokken partijen aan het verduidelijken van het toepassen van
het voorzorgsbeginsel. Een ander project richt zich op het kunnen meewegen van cumulatie
van stoffen. Dit voorjaar zal de Kamer een rapport hierover ontvangen en worden geïnformeerd
over hoe cumulatie kan worden meegewogen in vergunningverlening.
En hoe gaat de Staatssecretaris ervoor zorgen dat er extra capaciteit komt voor de
omgevingsdiensten, zodat ze echt kunnen gaan handhaven?
Antwoord: Gemeenten en provincies zijn primair verantwoordelijk voor de financiering
en de kwaliteit van de omgevingsdiensten. Zij gebruiken daarvoor middelen uit het
gemeente- en provinciefonds. Deze middelen zijn voor de gemeenten en provincies vrij
besteedbaar. De inzet van de middelen is daarom vooral een lokale afweging. Het is
de verantwoordelijkheid van de bevoegde gezagen om vanuit deze middelen de reguliere
taken van de omgevingsdiensten te financieren, waaronder taken op het terrein van
handhaving.
Bij Tata Steel hebben de provincie en de omgevingsdienst expliciet in het beleid besloten
om «scherper aan de wind» te zeilen als het gaat om toezicht, handhaving en vergunningverlening
bij Tata Steel, om mensen, dieren en hun leefomgeving te kunnen beschermen. Is de
Staatssecretaris het met deze leden eens dat dit een goede zet is en dat dit aangemoedigd
zou moeten worden in andere provincies waar vergelijkbare problemen met vervuilende
bedrijven spelen?
Antwoord: Binnen de gestelde kaders is het aan het bevoegd gezag hoe het invulling
geeft aan de taken op het gebied van vergunningverlening, handhaving en toezicht.
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie zien dat er geen eerlijk speelveld is
tussen de bevoegde gezagen en de industrie. De industrie heeft heel veel capaciteit
en kennis over haar emissies en de bevoegde gezagen staan op achterstand en zijn afhankelijk
van de (levering) van data vanuit de industrie. Daarom staan de bevoegde gezagen altijd
1–0 achter. Daadkrachtige acties zijn nodig van de overheid om deze balans te verbeteren
en de overheid meer in control te laten zijn.
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vragen wanneer het wetsvoorstel Versterking
toezicht en handhaving wordt ingediend en hoe dat proces verloopt.
Antwoord: De internetconsultatie is recent gesloten. Op dit moment wordt gewerkt aan
het analyseren van de inbreng uit de internetconsultatie en de uitgevoerde toetsen.
Op basis van die verzamelde inbreng zal het wetsvoorstel op onderdelen worden aangepast.
De volgende formele processtap is om dit gewijzigde wetsvoorstel via de ministerraad
aan te bieden aan de Raad van State voor advies. Het streven is om dat in het tweede
kwartaal van dit jaar te doen.
Wat zijn de maatschappelijke kosten van het gebrekkig functioneren van het huidige
VTH-stelsel?
Antwoord: In de meerjarenstrategie van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT)
wordt gebruik gemaakt van de ILT-brede risicoanalyse die inzicht geeft in welke overtredingen
van de wet de meeste maatschappelijke risico’s en schade kunnen veroorzaken. Er is
ons echter geen rapport bekend dat een uitspraak doet over maatschappelijke kosten
die direct toe te kennen zijn aan het functioneren van het huidige VTH-stelsel in
de volle breedte.
Welke extra bevoegdheden krijgen omgevingsdiensten concreet?
Antwoord: In lijn met het advies van de commissie Van Aartsen werkt het Ministerie
van IenW aan versterking van het VTH-stelsel milieu binnen de bestaande kaders. Dit
betekent dat er niet wordt geschoven met bevoegdheden. Ook bevat het wetsvoorstel
geen extra bevoegdheden voor omgevingsdiensten. Omgevingsdiensten voeren hun taken
in mandaat uit voor hun opdrachtgevers (gemeenten en provincies). Het bevoegd gezag
beslist, binnen de wettelijke kaders, welk mandaat zij toekent aan een omgevingsdienst
en dus welke bevoegdheden de omgevingsdienst krijgt.
Hoeveel extra inspecties per jaar worden gerealiseerd?
Antwoord: Omgevingsdiensten en hun opdrachtgevers maken onderling afspraken over de
realisatie van beleidsdoelen. Zo maken zij onderling ook afspraken over het aantal
inspecties dat jaarlijks moet worden gerealiseerd. Het is op voorhand niet te zeggen
of het wetsvoorstel versterking VTH-stelsel milieu direct leidt tot extra inspecties.
Dit is afhankelijk van de keuzes die het bevoegd gezag en de omgevingsdienst samen
maken.
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie hopen dat het volgende kabinet echt
durft door te pakken en minstens alle voorstellen in de factsheet uitvoert en een
onafhankelijke autoriteit in gaat richten die normatief kan ingrijpen wanneer de gezondheid
van omwonenden geschaad wordt. Zonder die concretisering blijft de Actieagenda een
doorschuifagenda.
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vragen de Staatssecretaris of hij kan
toezeggen dat de Actieagenda Industrie en Omwonenden binnen een jaar echt tot merkbare
resultaten zal leiden voor de gezondheid van mensen en hun leefomgeving en niet enkel
andere procedures, uitleg en meer en meer rapporten en meer gesprekstafels. Hoe gaat
de Staatssecretaris de resultaten onafhankelijk toetsen?
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vragen tot slot wanneer het beleid gaat
verschuiven van procesverbetering naar normatieve en juridisch afdwingbare bescherming
van omwonenden.
Antwoord: Met de Actieagenda Industrie en Omwonenden en de daaruit voortvloeiende
acties die in de Kamerbrief van 19 december jl. staan beschreven, wordt een stap gezet
om een goed evenwicht te realiseren tussen de bescherming van de gezondheid van omwonenden
en een krachtige Nederlandse industrie. Eind 2026 zal de Kamer over de voortgang van
de pilots, verkenningen en gesprekstafel worden geïnformeerd. Eind 2027 zal de Kamer
worden geïnformeerd over de resultaten en eventuele vervolgstappen.
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie verzoeken de Staatssecretaris bij de
beantwoording van bovenstaande vragen steeds, waar mogelijk, concreet te maken: wat
de deadlines zijn, welke norm verandert, per wanneer, hoe naleving wordt afgedwongen,
welke gezondheidswinst wordt verwacht, en wie verantwoordelijk is, als deze uitblijft.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
R.A. Huizenga, voorzitter van de vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat -
Mede ondertekenaar
G.B. Koerselman, adjunct-griffier