Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg de Geannoteerde agenda Eurogroep en Ecofinraad 4 en 5 mei 2026 (Kamerstuk 21501-07-2181)
21 501-07 Raad voor Economische en Financiële Zaken
Nr. 2184
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 4 mei 2026
De vaste commissie voor Financiën heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd
aan de Minister van Financiën over de brief van 21 april 2026 de Geannoteerde agenda
Eurogroep en Ecofinraad 4 en 5 mei 2026 (Kamerstuk 21 501-07, nr. 2181).
De vragen en opmerkingen zijn op 28 april 2026 aan de Minister van Financiën voorgelegd.
Bij brief van 4 mei 2026 zijn de vragen beantwoord.
De voorzitter van de commissie, Jansen
Adjunct-griffier van de commissie, Lips
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de geannoteerde
agenda voor de Eurogroep en Ecofinraad van 4 en 5 mei 2026. Deze leden hebben hierover
nog enkele vragen en opmerkingen.
De leden van de D66-fractie constateren dat de mondiale economische vooruitzichten
onder druk staan door geopolitieke spanningen, waaronder de oorlog in Oekraïne en
het conflict in het Midden-Oosten. Deze leden merken op dat het IMF verschillende
scenario’s schetst, waarin groei afneemt en inflatie oploopt, afhankelijk van de ontwikkeling
van energieprijzen en geopolitieke escalatie. Deze leden onderschrijven het belang
van gerichte, tijdelijke maatregelen bij stijgende energieprijzen en vragen het kabinet
hoe het zich in Europees verband inzet om dergelijke maatregelen te coördineren. Ook
wijzen deze leden erop dat als er in enkele lidstaten maatregelen genomen worden die
inhoudelijk sub-optimaal zijn, zoals het verlagen van de brandstofaccijnzen, de druk
toeneemt in andere lidstaten om hetzelfde te doen. Terwijl het tegenovergestelde ook
waar is: het uitblijven van financieel onverstandige maatregelen verlicht ook de druk
in andere landen. De leden van de D66-fractie horen graag hoe de Minister dit ziet
en of en hoe de Minister zich in Europa gaat inzetten om ervoor te zorgen dat gezamenlijk
verstandig beleid wordt ingezet.
Op 22 april presenteerde de Europese Commissie de mededeling «Accelerate EU», een
toolbox van tijdelijke en gerichte maatregelen om energieprijspieken te dempen. De
mededeling bevat verschillende voorstellen waaronder een sterkere coördinerende rol
vanuit de Commissie, vooral waar het gaat om het vullen van de gasopslagen, de vrijgave
van strategische olievoorraden en het optimaliseren van de verdeling van kerosine.
Het kabinet onderstreept daarbij dat Europese coördinatie essentieel is voor leveringszekerheid.
Het is de inzet om een appreciatie van «Accelerate EU» voorafgaand aan de informele
Energieraad van 12–13 mei met uw Kamer te delen middels een brief.
De uiteindelijke vormgeving van steunmaatregelen is primair een nationale competentie.
Lidstaten kunnen, mede op basis van hun eigen energiemix, marktstructuur en budgettaire
ruimte, tot verschillende nationale keuzes komen. Het kabinet blijft zich er desalniettemin
voor inzetten om deze nationale maatregelen, waar mogelijk, goed op EU-niveau te coördineren,
zodat de Europese aanpak consistent en effectief blijft. Het is daarbij van belang
dat lidstaten maatregelen nemen die onze lange termijn doelstellingen als energiezekerheid
versterken.
Op nationaal niveau heeft het kabinet een pakket samengesteld dat tijdig, tijdelijk
en gericht is vormgegeven. Dit is in lijn met de benadering die in «Acccelerate EU»
wordt geschetst.
De leden van de D66-fractie benadrukken het belang van een goed functionerende Europese
kapitaalmarkt voor innovatie, economische groei en strategische autonomie van de Europese
Unie. Deze leden steunen de inzet op verdere integratie, maar constateren dat fragmentatie
nog steeds een belangrijke belemmering vormt. Ten aanzien van het Kukies-Noyer-rapport
vragen deze leden het kabinet om nader te specificeren welke aanbevelingen het kabinet
volledig onderschrijft en op welke punten het kabinet terughoudender is.
Ten aanzien van het Kukies-Noyer rapport onderschrijft het kabinet onderstaande maatregelen:
• Hervormen en invoeren van aanvullende nationale bedrijfspensioenstelsels in lidstaten
waar het pensioenstelsel nog niet ontwikkeld is (het rapport noemt het Nederlandse
pensioenstelsel als positief voorbeeld).
• Uitrollen van publieke initiatieven die institutionele en particuliere beleggers aanmoedigen
meer te investeren in venture capital
• Uitbreiden van het European Tech Champions Initiative (ETCI 2.0, een initiatief dat
Europese durfkapitaalfondsen versterkt)
• Verdere Europese integratie van nationale kapitaalmarkten
Het Kukies-Noyer rapport roept ook op tot de invoering van een zogenaamd 28ste regime. Nederland ziet het 28ste regime onder voorwaarden als een kans om stappen te zetten op gebieden van de kapitaalmarkt
waar nationale regelgeving moeilijk te harmoniseren is. De Europese Commissie heeft
een voorstel gedaan voor een 28ste regime en dit voorstel is positief beoordeeld, maar met een aantal aandachtspunten,
zoals valt te lezen in het BNC-fiche.1
Daarnaast vragen deze leden welke concrete nationale en Europese initiatieven het
kabinet wil ontplooien om meer risicodragend kapitaal beschikbaar te maken voor scale-ups.
Wordt hierbij ook gekeken naar succesvolle voorbeelden zoals de Franse Tibi-regeling
en het Duitse WIN-initiatief?
Het kabinet wil, net als bij de Franse Tibi-regeling en het Duitse WIN-initiatief,
publieke en private financiering bijeenbrengen om meer risicodragend kapitaal beschikbaar
te stellen voor start-ups en scale-ups. Het kabinet kiest er echter voor om een nationale investeringsinstelling op te richten,
met hetzelfde doel, zoals aangegeven in het coalitieakkoord. Daarnaast steunt het
kabinet het Europese initiatief voor een Finance Europe-beleggingslabel2 en de aanstaande herziening van het raamwerk voor EU-venture Kapitaalfondsen (EU
VECA). Deze maatregelen leveren een bijdrage aan het meer beschikbaar stellen van
risicodragend kapitaal voor bedrijven.
Met betrekking tot het Kapitaalmarktintegratie- en Toezichtcentralisatiepakket (KTP)
ondersteunen de leden van de D66-fractie de inzet op verdere harmonisatie en versterking
van toezicht op Europees niveau. Deze leden achten een sterkere rol voor ESMA logisch
binnen een geïntegreerde kapitaalmarkt, maar vragen de Minister waar voor hem de grens
ligt als het gaat om het overdragen van nationale toezichtbevoegdheden. Ook vragen
deze leden waarom het macroprudentiële raamwerk voor beleggingsfondsen volgens het
kabinet onvoldoende terugkomt in het voorstel en welke risico’s dit met zich meebrengt.
Voorts vragen deze leden waarom de voorgestelde overgangstermijn van twaalf maanden
als onvoldoende wordt beschouwd.
Het kabinet is voorstander van het overhevelen van toezichtstaken van de nationale
toezichthouders naar ESMA, zoals dat wordt voorgesteld in het kapitaalmarktintegratie-
en toezichtcentralisatiepakket (KTP). Het kabinet ziet grote voordelen van een diepere
Europese kapitaalmarkt voor de verdere ontwikkeling van de Nederlandse kapitaalmarkt.
Wanneer er buiten het huidige voorstel gesproken zal worden over het verder overdragen
van nationale toezichtbevoegdheden zal het kabinet dit op zijn merites beoordelen.
In het KTP is geen voorstel gedaan voor de aanpassing van het macro-prudentiële raamwerk
voor beleggingsfondsen. Dit macro-prudentiële raamwerk bevat momenteel met name de
monitoring en het toezicht op het gebruik van hefboomfinanciering (leverage) bij bepaalde typen beleggingsfondsen, zoals hedgefondsen en LDI-fondsen (Liability
Driven Investment-fondsen). Doordat er nog geen omvattend macro-prudentieel raamwerk
is voor niet-bancaire financiële instellingen kan zicht op risico’s bij hefboomfinanciering
mogelijk beperkt zijn. Een onderschatting van risico’s kan leiden tot financiële instabiliteit
als risico’s zich materialiseren. Om die reden acht het kabinet versterking van het
macro-prudentiële raamwerk, met specifieke aandacht voor datagaps en risicogericht toezicht op hefboomfinanciering, wenselijk. Het kabinet zal daarom
tijdens de onderhandelingen, indien opportuun en wanneer dit geen afbreuk doet aan
de andere elementen van dit pakket, pleiten voor enkele gerichte aanpassingen, om
het erkennen van macro-prudentiële maatregelen uit andere landen te verbeteren.
Het kabinet is van mening dat een ruimere overgangstermijn cruciaal is voor een zorgvuldige
overdracht van bevoegdheden aan ESMA, waarbij de continuïteit en het behoud van kennis
en expertise voorop staan. Ook moet er voldoende tijd zijn voor het inrichten van
de benodigde data-omgeving. Naast de tijd die gepaard gaat met de voorbereiding van
wijzigingswetgeving, is er ook tijd gemoeid met de formele stappen die gepaard gaan
met een wetswijziging bij de volledige implementatie van het pakket. Dit betreft onder
meer internetconsultatie, (uitvoerings-)toetsing door onder meer het Adviescollege
toetsing regeldruk (ATR) en de toezichthouders en advisering door de Raad van State.
Een implementatietermijn die korter is dan 24 maanden blijkt in de praktijk van het
Nederlandse wetgevingsproces veelal te kort. Als het niet lukt om de implementatie
binnen de voorgeschreven termijn af te ronden, kan de Europese Commissie over gaan
tot een formele inbreukprocedure wegens niet-tijdige implementatie, met mogelijk financiële
consequenties.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de
Eurogroup/Ecofinraad van 4 en 5 mei. Deze leden hebben hierbij nog enkele vragen.
Ten aanzien van de presentatie over het Kukies-Noyer-rapport over de financiering
van innovatieve ondernemingen in Europa constateren de leden van de VVD-fractie dat
het kabinet het belang van passende financiering voor innovatieve bedrijven zoals
start- en scale-ups onderschrijft en overwegend positief is over de aanbevelingen.
Deze leden vragen welke afwegingen ten grondslag liggen aan die overwegend positieve
kwalificatie.
Het kabinet deelt de analyse uit het Kukies-Noyer-rapport dat innovatieve bedrijven
in Europa, zoals start- en scale-ups, moeite hebben om aan passende financiering te komen. De beperkte toegang tot diverse
vormen van financiering leidt ertoe dat bedrijven niet snel genoeg hun innovaties
kunnen opschalen. Om aanbod van kapitaal in de EU te vergroten en te diversifiëren,
zet het kabinet daarom in op grotendeels dezelfde maatregelen als de aanbevelingen
uit dit rapport:
(1) Bevordering van de ontwikkeling van nationale (bedrijfs)pensioenstelsels in andere
lidstaten door het delen van best practices en structurele aandacht in het Europees Semester via landen specifieke aanbevelingen.
Dit vindt het kabinet een cruciale maatregel om de kapitaalmarkt te verdiepen en is
met name relevant voor de lidstaten zonder adequate tweede pijler in het pensioensysteem.
Het rapport noemt Nederland in dit kader als positief voorbeeld.
(2) Bevordering van investeringen in durfkapitaal om de financieringsuitdagingen van de
Nederlandse en Europese bedrijven aan te pakken. Het kabinet geeft hier invulling
aan met het voornemen om een Nederlandse Investeringsinstelling op te richten in 2028.
(3) Versterking en voortzetting van pan-Europese fondsen zoals het European Tech Champions Initiative (ETCI). Dit initiatief versterkt Europese durfkapitaalfondsen via risicodeling en
schaalvergroting. Het kabinet steunt dit initiatief, omdat Europese start- en scale-ups hierdoor ook in latere groeifases aan financiering kunnen komen, in lijn met de kabinetsinzet
voor de kapitaalmarktunie.
(4) Ontwikkeling van een 28ste regelgevend regime dat voorziet in de behoeften van het Nederlandse bedrijfsleven.
Hierbij ziet het kabinet kansen voor de groei van innovatieve bedrijven, omdat barrières
op de interne markt nu een belemmering vormen. Wel zijn er bij de vormgeving van een
28ste regime vraagpunten op bijvoorbeeld het gebied van rechtszekerheid, zoals uiteengezet
in het BNC-fiche.
(5) Verdere Europese integratie van nationale kapitaalmarkten en het aantrekkelijker maken
van beursnoteringen voor bedrijven. Onder meer het kapitaalmarktintegratie- en toezichtcentralisatiepakket
bevat verschillende voorstellen hiervoor die Nederland steunt.
De leden van de VVD-fractie constateren ten aanzien van digitale financiën en de update
over de voortgang van de werkgroep dat tijdens de aankomende Eurogroep zal worden
gesproken over het werk dat wordt gedaan in de Digital Finance Workstream. Deze leden
zijn van mening dat er intrinsieke Europese aandacht is voor de strategische positie
van digital finance en ondersteunen het werk van deze Workstream, zeker in het kader
van het verbeteren van de Europese autonomie. Digital finance vereist digitale innovatie
en de leden van de VVD-fractie zijn van mening dat samenwerking tussen publieke en
private partijen daar essentieel bij is. Welke plannen zijn er om deze samenwerking
tot stand te brengen? Het kabinet stelt dat de initiatieven, zoals de digitale Euro,
getokeniseerde deposito’s en stablecoins elkaar niet uitsluiten en elk op hun eigen
manier bijdragen aan de opkomst van digital finance. De leden van de VVD-fractie vragen
op welke manier het kabinet de bijdragen van ieder van die initiatieven voor zich
ziet.
Het kabinet is groot voorstander van het integraal aannemen van het kapitaalmarktintegratie-
en toezichtcentralisatiepakket. Om steun te krijgen voor dit standpunt is het kabinet
actief op zoek naar medestanders. Dit doet het kabinet door deel te nemen aan kopgroepen,
zoals in de E6 met Duitsland, Frankrijk, Spanje, Italië en Polen. Zoals eerder aan
uw Kamer gemeld, roepen deze lidstaten in een gezamenlijke brief op tot meer integratie
en betere toezichtregulering via snelle en ambitieuze behandeling van het KTP.3 De lidstaten roepen ook op tot een algemene oriëntatie van de Raad op het pakket
voor de zomer van 2026. Het is voor het kabinet op dit moment niet mogelijk een voorspelling
te doen wat de uitkomst is van de onderhandelingen.
De leden van de VVD-fractie vragen naar de plannen van het kabinet om publiek-private
samenwerking op gebied van digital finance tot stand te brengen. Het kabinet vindt dat publiek-private samenwerking op het gebied
van digital finance cruciaal is voor spoedig en schaalbaar gebruik van nieuwe innovatieve
dienstverlening. Het kabinet ondersteunt dan ook lopende initiatieven op dit gebied.
Zo zullen, als er een digitale euro komt, private banken een grote rol spelen in de
distributie van de digitale euro en het bijbehorende klantencontact. Daarnaast werkt
de ECB met de projecten Pontes en Appia aan meer geïntegreerde kapitaalmarkten door
het faciliteren van de afwikkeling van transacties in digitale activa tussen private
partijen in centralebankgeld middels Distributed Ledger Technology. Omdat deze projecten aan moeten sluiten bij ontwikkelingen bij private partijen
vindt er nauwe afstemming tussen publieke en private partijen en werkt de ECB nadrukkelijk
samen met het bedrijfsleven. Ook worden in de digital finance-werkstroom regelmatig
private partijen, waaronder het euro-stablecoin consortium Qivalis, uitgenodigd om te bespreken welke kansen en uitdagingen ten aanzien
van digital finance zij zien. Tot slot worden de ontwikkelingen rondom digital finance
ook regelmatig in de European Retail Payments Board (ERPB) besproken. De ERPB is de Europese tegenhanger van het Maatschappelijk Overleg
Betalingsverkeer, en dient als forum om met verschillende stakeholders over ontwikkelingen
in het betalingsverkeer te spreken.4 De ERPB bevat vertegenwoordigers vanuit de financiële sector, consumentenorganisaties,
winkeliers, Europese Commissie en de ECB.
De leden van de VVD-fractie vragen tevens naar de manieren waarop het kabinet de bijdragen
van initiatieven zoals de digitale euro, getokeniseerde deposito’s en stablecoins voor zich ziet. Het kabinet ziet deze verschillende initiatieven als elementen die
kunnen bijdragen aan verschillende manieren van het doen van digitale transacties,
elk met hun eigen voordeel. Als er een digitale euro komt, zorgt deze voor een digitale
variant van centrale bankgeld. De digitale euro kan dan gebruikt worden voor betalingen
in het gehele eurogebied en maakt de EU minder afhankelijk van niet-Europese partijen
in het betalingsverkeer. De offline-functionaliteit van de digitale euro versterkt
tevens de weerbaarheid van de samenleving in geval van uitval en verstoring van het
betalingsverkeer. Getokeniseerde deposito’s kunnen mogelijk een rol spelen bij het
efficiënter afwikkelen van retail, wholesale en business-to-business betalingen en bijdragen aan het verminderen van afhankelijkheden van buitenlandse
betaaldienstverleners. Getokeniseerde deposito’s worden uitgegeven door banken, wat
het voordeel heeft dat veel Nederlandse consumenten de uitgevers al kennen en vertrouwen.
Daarnaast worden getokeniseerde deposito’s beschermd door het depositogarantiestelsel.
Zo behouden getokeniseerde deposito’s de voordelen van het bestaande monetaire stelsel
in een digitale wereld. Stablecoins kunnen mogelijk een rol spelen bij het efficiënter
maken van internationale betalingen buiten de eurozone. Hierbij moet de kanttekening
gemaakt worden dat alle initiatieven hun waarde nog in de praktijk moeten bewijzen
en dat het volledige spectrum aan gebruiksmogelijkheden op dit moment nog niet in
beeld te brengen is.
De leden van de VVD-fractie zijn op het punt van de Ecofin en de Verordening van de
Raad inzake de toegang van het EOM en OLAF tot btw-informatie op EU-niveau tevreden
over de voortgang betreffende het voorstel inzake toegang van het EOM en OLAF tot
btw-informatie op EU-niveau. Deze leden ondersteunen de inzet van het kabinet om die
toegang niet verder te laten gaan dan nodig. De doelstelling om tot een akkoord te
komen op 5 mei 2026 is volgens de leden van de VVD-fractie goed, maar aangezien de
laatste compromistekst nog niet beschikbaar is, kunnen deze leden niet onverkort hun
steun daaraan toezeggen. Deze leden vragen daarom vragen op welke manier het gemaakte
voorbehoud ten aanzien van de beoordeling zal worden benaderd en wat de toetsingscriteria
zullen zijn.
Het kabinet heeft in het BNC-fiche over het voorstel5 een voorbehoud gemaakt bij twee aspecten van de uitvoeringshandelingen in artikelen
49a en 49b uit het aanvankelijk door de Commissie gepubliceerde voorstel.
Het eerste aspect ziet op het opnemen van de praktische regelingen voor het toezicht
door de Eurofisc-verbindingsambtenaren. Uit de oorspronkelijke tekst van het voorstel
werd niet duidelijk hoe het toezicht door de Eurofisc-verbindingsambtenaren zou plaatsvinden.
Hierdoor was het niet mogelijk om een goede inschatting te geven over de impact op
de uitvoeringlasten voor deze Eurofisc-verbindingsambtenaren. In de compromistekst
die nu voorligt in de Ecofin van 5 mei is duidelijkheid verschaft door het toezicht
nader in te vullen. In artikelen 49a en 49b is opgenomen dat het toezicht zal plaatsvinden
via auditlogboeken. Iedere zoekopdracht moet aan een concrete zaak te koppelen zijn
en het betreffende zaaknummer moet zichtbaar zijn in de auditlogboeken. De nationale
autoriteiten kunnen deze logboeken inzien en controleren. Door het toezicht op deze
manier in te vullen zal de werklast omtrent deze nieuwe maatregelen voor de nationale
Eurofisc-verbindingsambtenaren beperkt zijn. Het kabinet is van mening dat de compromistekst
op dit punt genoeg is verduidelijkt in de verordening zelf en kan om deze reden accepteren
dat nadere details over de auditlogboeken en het toezicht worden uitgewerkt in de
uitvoeringshandeling.
Het tweede aspect betreft de kenbaarheid van de gegevenscategorieën waarmee de gerichte
zoekopdrachten kunnen worden uitgevoerd, zodat duidelijk is dat deze niet verder gaan
dan strikt noodzakelijk. Hoewel deze specifieke gegevenscategorieën in de compromistekst
die nu voorligt in de Ecofin van 5 mei niet zijn opgenomen in Verordening (EU) nr.
904/2010 zelf, is de compromistekst op dit punt genoeg verduidelijkt dat het kabinet
ook hier het gemaakte voorbehoud kan intrekken. Ten eerste zijn de mandaten van het
Europees Openbaar Ministerie (EOM) en het Europees bureau voor fraudebestrijding (OLAF)
in respectievelijk artikelen 49a, lid 2, sub b en 49b lid 2, sub b, aangescherpt.
Op deze manier is concreter gemaakt in welke situaties het EOM en OLAF gerichte zoekopdrachten
mogen uitvoeren. Ten tweede is ook hier het hierboven genoemde toezicht van belang.
De auditlogboeken maken inzichtelijk naar welke informatie is gezocht en er kan gecontroleerd
worden of er geen sprake is geweest van «fishing expeditions» met brede, niet relevante zoekopdrachten. Daarnaast heeft het kabinet door de onderhandelingen
begrip voor het in de uitvoeringshandeling opnemen van de gegevenscategorieën, omdat
deze in een later stadium indien nodig makkelijker aangepast kunnen worden. Hierdoor
kan sneller worden ingespeeld op noodzakelijke aanpassingen in de gerichte zoekopdrachten,
hetgeen de aanpak van btw-fraude door het EOM en OLAF ten goede komt. Bij de nadere
uitwerking van de gegevenscategorieën in de uitvoeringshandelingen zal het kabinet
het Coördinatiepunt BTW-fraude (CPB) van de FIOD/internationaal nauw betrekken.
De leden van de VVD-fractie onderstrepen ten aanzien van het kapitaalmarktintegratie-
en toezichtpakket (KTP) het belang van voortgang op het kapitaalmarktintegratiepakket.
Deze leden vragen welk effect de oproep aan lidstaten om niet selectief te shoppen
in dit pakket naar verwachting zal hebben en wat de inzet van het kabinet zal zijn
indien lidstaten hier geen gehoor aan geven.
Het kabinet is groot voorstander van het integraal aannemen van het kapitaalmarktintegratie-
en toezichtcentralisatiepakket. Om steun te krijgen voor dit standpunt is het kabinet
actief op zoek naar medestanders. Dit doet het kabinet door deel te nemen aan kopgroepen,
zoals in de E6 met Duitsland, Frankrijk, Spanje, Italië en Polen. Zoals eerder aan
uw Kamer gemeld, roepen deze lidstaten in een gezamenlijke brief op tot meer integratie
en betere toezichtregulering via snelle en ambitieuze behandeling van het KTP.6 De lidstaten roepen ook op tot een algemene oriëntatie van de Raad op het pakket
voor de zomer van 2026. Het is voor het kabinet op dit moment niet mogelijk een voorspelling
te doen wat de uitkomst is van de onderhandelingen.
De leden van de VVD-fractie zijn op het punt van de economische en financiële impact
van de Russische agressie tegen Oekraine/Proposal for a COUNCIL IMPLEMENTING DECISION
approving assistance to Ukraine in implementing the Ukrainian Financing Strategy verheugd
over de voortgang betreffende de aan Oekraïne te verlenen financiering ten bedrage
van 90 miljard euro en de wijze waarop die financiering vorm zal krijgen (in tranches
en gekoppeld aan bepaalde hervormingen of beheersmaatregelen). Deze leden vragen wel
hoe concreet rekening gehouden zal gaan worden met de beperkte terugbetalingscapaciteit
van Oekraïne op de korte termijn. De leden van de VVD-fractie constateren dat er gekeken
gaat worden naar de mogelijke inzet van opbrengsten uit bevroren Russische tegoeden.
Welke mogelijkheden zijn er binnen EU-recht en internationaal recht om dit daadwerkelijk
te gaan doen en op welke termijn zal hierover nader worden gerapporteerd?
In het akkoord uit december jl. is voorzien dat Oekraïne de lening pas hoeft terug
te betalen zodra Rusland herstelbetalingen verricht na beëindiging van de oorlog.
Daarmee is de terugbetaling rechtstreeks gekoppeld aan aansprakelijkheid van Rusland
voor het doen van herstelbetalingen. Op de korte termijn speelt het vraagstuk van
beperkte terugbetalingscapaciteit daarmee niet.
Op dit moment worden de buitengewone opbrengsten voortvloeiend uit de geïmmobiliseerde
Russische Centrale Banktegoeden aangewend ten behoeve van steun aan Oekraïne. Deze
opbrengsten worden gebruikt voor de financiering van de G7-leningen (ERA-leningen)
en voor militaire steun via de Europese Vredesfaciliteit (EPF). Ten aanzien van de
onderliggende hoofdsom van de tegoeden geldt dat er op dit moment geen internationale
consensus is over de grondslag op basis waarvan de tegoeden kunnen worden geconfisqueerd
of op andere wijze kunnen worden ingezet. Daarnaast zijn verschillende Eurolanden
terughoudend, omdat zij vrezen voor de juridische en financiële risico’s.
Het kabinet roept de Europese Commissie en de Raad op, om conform het coalitieakkoord,
aanvullende mogelijkheden te blijven onderzoeken. Hierbij is van belang dat de opties
financieel en juridisch houdbaar zijn, dat risico’s en lasten gezamenlijk worden gedragen
en dat eventuele stappen in EU- en G7-verband worden genomen. Op dit moment ligt er,
naast het eerdere voorstel voor herstelleningen, geen concreet voorstel voor in EU-verband.
Indien nadere voorstellen volgen, zal de Kamer hierover via de gebruikelijke routes
worden geïnformeerd.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda Eurogroep
en Ecofinraad 4 en 5 mei 2026. Naar aanleiding hiervan hebben de leden van de PVV-fractie
nog enkele vragen.
Allereerst merken de leden van de PVV-fractie op dat het 28ste regime een nieuwe Europese rechtsvorm voor bedrijven heeft gepresenteerd, te weten
de EU Inc. Kan de Minister zowel de mogelijke voor- als nadelen voor Nederlandse bedrijven
hiervan benoemen? Wat zijn de eventuele nadelen van een volledige harmonisatie van
rechtsgebieden die relevant zijn voor het ondernemerschap? Ziet de Minister ook het
risico dat dit de eerste stap is naar volledige harmonisatie van het ondernemings-
en insolventierecht, waardoor de Nederlandse zeggenschap over onze eigen bedrijfscultuur
verder wordt uitgehold?
Uw Kamer is op 24 april jl. middels een BNC-fiche geïnformeerd over de kabinetsinzet
ten aanzien van het door de Europese Commissie voorgestelde 28ste regime voor ondernemers (EU Inc.).7 Het kabinet ziet dat ondernemingen die zich in de EU willen vestigen, willen opereren,
willen opschalen of investeringen willen aantrekken, geconfronteerd worden met fragmentatie
van relevante regelgeving en juridische formaliteiten. Deze fragmentatie leidt tot
barrières en hoge regeldruk voor ondernemingen met grensoverschrijdende ambities en
activiteiten en beperkt opschalings- en investeringsmogelijkheden en is daarmee een
belangrijk knelpunt voor het Europees concurrentievermogen. In het regeerakkoord heeft
het kabinet aangegeven verdieping van de interne markt en versterking van de kapitaalmarktunie
hoog op de agenda te hebben staan, en voorstander te zijn van het harmoniseren van
zoveel mogelijk wetgeving die relevant is voor ondernemers, zoals vennootschapsrecht,
arbeidsrecht en faillissementsrecht.
Dit voorstel voor een EU Inc. betreft geen harmonisatie maar een optioneel 28ste regime dat zal bestaan naast de nationale rechtsstelsels en ondernemingsvormen van
de lidstaten. De reikwijdte is verder relatief beperkt en vooral gericht op (delen
van) het vennootschapsrecht. De nationale kaders voor vennootschapsrecht, zoals in
Nederland voor onder meer de BV, blijven in stand. Ondernemers wordt met het voorstel
een Europees alternatief geboden, de EU Inc. Het voorstel kan een bijdrage leveren aan het verminderen van grensoverschrijdende
barrières voor ondernemers, doordat het verschillende vereenvoudigde procedures biedt
voor de onderneming die voor de EU Inc. kiest. Ook kan een duidelijke en betrouwbare Europese rechtsvorm ervoor zorgen dat
de EU Inc. sneller wordt herkend door investeerders wat het grensoverschrijdend zaken doen kan
vergemakkelijken. Tegelijkertijd heeft het kabinet ook kritische vragen bij het voorstel,
bijvoorbeeld ten aanzien van de rechtszekerheid en waarborgen omtrent fraude en witwassen.
Dit wordt in het BNC-fiche nader toegelicht.
Voorts willen de leden van de PVV-fractie weten welke eventuele nadelen het toegang
geven van het EOM en het OLAF tot de btw-informatie aangaande intracommunautaire handel
tussen ondernemers, grensoverschrijdende betalingen en btw vrijgestelde invoer die
tussen lidstaten op EU-niveau wordt uitgewisseld kan hebben. Hoe wordt voorkomen dat
het toegang geven tot de benodigde informatie niet te ver doorslaat? Kan de Minister
concreet maken waar voor Nederland de rode lijn ligt wat betreft de privacy van Nederlandse
ondernemers en de soevereiniteit van de Nederlandse Belastingdienst?
De Europese databanken en registers bevatten een grote hoeveelheid gevoelige informatie
van belastingplichtigen, waarvan het overgrote deel bonafide is. Hier moet voorzichtig
mee worden omgegaan. Om te voorkomen dat het EOM en OLAF toegang krijgen tot informatie
die voor hen niet noodzakelijk is zijn meerdere maatregelen opgenomen in het voorstel.
Hier is de Staatssecretaris van Financiën nader op ingegaan in de beantwoording van
het schriftelijk overleg over het BNC-fiche dat over het voorstel is geschreven.8 Iedere zoekopdracht in de databanken en registers moet aan een concrete zaak te koppelen
zijn en kan alleen gedaan worden door specifieke personen binnen het EOM en OLAF die
nauw betrokken zijn bij de zaak. Het betreffende zaaknummer en de informatie waarnaar
gezocht is moet zichtbaar zijn in auditlogboeken ter controle. Het toezicht vindt
zowel plaats door het EOM en OLAF zelf9 als door de nationale autoriteiten.
Om de effectiviteit van de Nederlandse Belastingdienst te waarborgen is het van belang
dat het EOM en OLAF binnen hun reeds bestaande mandaat blijven bij de uitvoering van
hun werkzaamheden. Voor het kabinet zou het te ver gaan als er sprake is van zogenaamde
«fishing expeditions» met brede, niet relevante zoekopdrachten. De compromistekst die voorligt in de Ecofin
van 5 mei regelt dat het gaat om informatie waarvoor het EOM en OLAF nu al bij lidstaten
zelf kunnen aankloppen met een informatieverzoek en waarvan lidstaten verplicht zijn
op basis van de EOM-verordening en OLAF-verordening om die informatie te verstrekken.
Verder merken de leden van de PVV-fractie op dat Oekraïne kan rekenen op de Europese
lening van 90 miljard euro, nu dat Hongarije haar blokkade hiervan heeft ingetrokken.
Kan de Minister in zo veel mogelijk detail toelichten hoe Oekraïne deze lening zal
besteden en hoe de effectiviteit hiervan zal worden gecontroleerd? Klopt het dat hiermee
ook de pensioenen, uitkeringen en salarissen overeind zullen worden gehouden? Kan
de Minister tevens de leenvoorwaarden benoemen?
De leningen onder de Ukraine Support Loan bedragen EUR 90 mld., waarvan EUR 45 mld. is bestemd voor 2026 en EUR 45 mld. voor
2027. Oekraïne moet jaarlijks een financieringsstrategie opstellen, waarin de noden
en bestemming van middelen uiteen wordt gezet. De Commissie heeft een positief oordeel
afgegeven over de financieringsstrategie voor 2026. Deze beoordeling heeft plaatsgevonden
aan de hand van verschillende in de Verordening voorgestelde criteria.10 Vervolgens is de financieringsstrategie op 23 april jl. vastgesteld met een uitvoeringsbesluit
van de Raad.11 In dit besluit zijn de specifieke bedragen voor begrotingssteun en voor defensie-capaciteiten
vastgesteld, evenals de hoeveelheid en hoogte van uitbetalingstranches. Conform dit
besluit wordt in 2.026 EUR 16,7 mld. beschikbaar gesteld aan Oekraïne voor begrotingssteun
en EUR 28,3 mld. beschikbaar gesteld voor defensie-capaciteiten. Uw Kamer zal langs
gebruikelijke weg worden geïnformeerd over de verdere implementatie van de steunlening.
Zowel de militaire als niet-militaire steun is voor Oekraïne essentieel. Om zich te
kunnen verweren tegen de Russische agressie, maar daarnaast ook maatschappelijk en
economisch overeind te blijven. De begrotingssteun betreft ongeoormerkte steun, die
door Oekraïne kan worden ingezet om onder meer kritieke overheidsdiensten draaiende
te houden. Een functionerende Oekraïense staat is een randvoorwaarde om de strijd
tegen de Russische agressor vol te houden, ook op korte termijn.
De controle op de rechtmatige besteding van de EU-steun aan Oekraïne vindt op meerdere
niveaus plaats. De Commissie is primair verantwoordelijk voor het toezicht en beoordeelt
vooraf de voorwaarden voor uitbetaling, waaronder hervormingsstappen, corruptiebestrijding
en rechtsstatelijkheid. Dit zijn voor Nederland belangrijk onderwerpen. Onder de Ukraine Support Loan is de begrotingssteun voor Oekraïne gekoppeld aan gepaste conditionaliteit. De voorwaarden
en governance van het instrument zijn vastgelegd in de relevante EU-wetgeving, waaronder de wijziging
van de MFK-verordening, de onderliggende verordening voor het instrument en de leenovereenkomst
tussen de Commissie en Oekraïne. De inzet en mobilisatie van begrotingsmiddelen vindt
plaats in het kader van de jaarlijkse begrotingsprocedure. Daarbij informeert de Commissie
de Raad en het Europees Parlement tijdig over de financiële implicaties, de inzet
van begrotingsgaranties en de ontwikkeling van de schuldendienstkosten. De Commissie
ziet toe op de uitvoering binnen de vastgestelde juridische kaders en rapporteert
hierover periodiek aan de Raad en het Europees Parlement.
Kan de Minister verder aangeven wat het Nederlandse aandeel in de garantstelling voor
deze 90 miljard euro is en welk risico de Nederlandse belastingbetaler loopt als deze
leningen, gezien de «onhoudbare overheidsschuld» van Oekraïne, waarschijnlijk nooit
zullen worden terugbetaald?
De terugbetaling van de herstellening is gekoppeld aan het doen van herstelbetalingen
door Rusland. Tot dat moment hoeft Oekraïne de steunlening niet terug te betalen.
Daarnaast worden de rentelasten niet doorbelast aan Oekraïne, om ervoor te zorgen
dat de toekomstige financieringslast voor Oekraïne zo veel mogelijk beperkt wordt.
De headroom onder het Eigenmiddelenbesluit, dat op mei 2021 door het Nederlandse parlement is
geratificeerd, dient als garantie voor de leningen die de Unie aangaat voor de financiering
van deze steunlening aan Oekraïne.12 De 24 deelnemende lidstaten staan naar rato van hun bni garant.13 Het Nederlandse aandeel in de garantie voor de steunlening aan Oekraïne is in de
Eerste Suppletoire Begroting 2026 verwerkt op artikel 4 van de begroting van het Ministerie
van Financiën. Het Nederlandse aandeel in deze garantie is 6,6% van de hoofdsom van
maximaal EUR 90 mld. Daarmee staat Nederland garant voor circa EUR 6 mld. Bij wijzigingen
in het bni-aandeel zal in de toekomst ook de omvang van de garantie wijzigen. Vanwege
de huidige oorlogssituatie in Oekraïne en de onduidelijkheid over het verloop van
de agressieoorlog, is er een risico dat de lening niet (volledig) terugbetaald wordt.
Eén van de doelen van de steunlening is het bewaken van de macro-economische stabiliteit.
Dit draagt eraan bij dat Oekraïne, in het geval Rusland overgaat tot herstelbetalingen,
op langere termijn in staat is om de leningen terug te betalen. Eventuele financiële
consequenties voor de Rijksbegroting met betrekking tot de uitstaande leningen materialiseren
in het geval dat Oekraïne niet kan voldoen aan de aflossingsverplichting.
Tenslotte vragen de leden van de PVV-fractie welke stappen Oekraïne heeft gezet om
corruptie tegen te gaan. Daarnaast vragen de leden van de PVV-fractie naar een overzicht
van de uitgaven aan Oekraïne per lidstaat in de jaren 2025 en 2026.
Oekraïne heeft de afgelopen jaren ondanks de zware omstandigheden van de Russische
agressieoorlog stappen gezet om corruptie tegen te gaan. Zo is het positief dat de
effectiviteit van de anti-corruptiediensten gestaag groeit, wat ook blijkt uit het
toegenomen aantal veroordelingen. Zie ook de kabinetsappreciatie van het uitbreidingsrapport
2025.14 Blijvende toewijding van de Oekraïense autoriteiten aan corruptiebestrijding blijft
echter van belang. Zo moet de onafhankelijkheid van de corruptie-instanties NABU en
SAPO verder versterkt worden. Nederland brengt deze boodschappen ook regelmatig over
aan Oekraïne en benadrukt het belang van conditionaliteit gekoppeld aan Europese begrotingssteun
in dit licht.
Daarnaast heeft Oekraïne belangrijke hervormingen doorgevoerd op het gebied van transparantie
en openbaar bestuur, evenals een groot aantal hervormingsstappen als onderdeel van
het IMF-programma en de EU Oekraïne-faciliteit. Nederland moedigt dit aan en ondersteunt
Oekraïne waar mogelijk. Tegelijkertijd eist de nog altijd voortdurende oorlog zijn
tol en moet er met beperkte capaciteit op veel verschillende terreinen worden geschakeld.
Corruptie is een aandachtspunt en verdere versterking van rechtsstaat, toezicht en
handhaving is noodzakelijk.
Volgens cijfers van de Europese Commissie hebben de Europese Commissie en EU-lidstaten
sinds het begin van de oorlog in totaal EUR 200,8 mld. aan steun aan Oekraïne geleverd.
Daarmee is de EU als geheel een van de grootste steunverleners aan Oekraïne. Het aandeel
van lidstaten in de steun van de Europese Commissie wordt over het algemeen bepaald
aan de hand van de bni-sleutel, maar deze verschilt ieder jaar. Daarom is het lastig
om de totale steun terug te voeren op individuele lidstaten. Daarnaast hebben verschillende
EU-lidstaten bilateraal steun verstrekt aan Oekraïne. Een actueel overzicht hiervan,
anders dan via het Kiel Institute, is niet beschikbaar omdat lidstaten niet publiekelijk rapporteren over hun steun.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA fractie hebben kennis genomen van de geannoteerde agenda voor
de Eurogroep en Ecofinraad van 4 en 5 mei 2026 en hebben daarbij enkele vragen en
opmerkingen.
Ten aanzien van macro economische ontwikkelingen verwelkomen de leden van de CDA-fractie
het dat in Eurogroepverband wordt gesproken over de huidige macro-economische ontwikkelingen.
Deze leden constateren dat de gevolgen van het conflict in het Midden-Oosten zich
reeds doen voelen, terwijl tegelijkertijd sprake is van aanzienlijke onzekerheid over
de verdere economische impact. Juist in een dergelijke context vinden deze leden het
van groot belang dat wordt ingezet op effectieve coördinatie tussen de lidstaten.
De leden van de CDA-fractie maken zich echter wel zorgen over deze coördinatie. Deze
leden steunen de inzet van het kabinet om maatregelen gericht, tijdelijk, tijdig en
toekomstbestendig vorm te geven. Tegelijkertijd constateren deze leden dat andere
eurolanden hierin afwijkende keuzes maken, bijvoorbeeld door te kiezen voor generieke
accijnsverlagingen.
Naar het oordeel van deze leden is een dergelijke aanpak risicovol, aangezien deze
ongericht is, de vraag naar brandstoffen kan aanjagen en daarmee een opwaarts effect
kan hebben op de inflatie. Daarnaast brengt dit type maatregelen een aanzienlijk budgettair
beslag met zich mee, zowel direct als indirect, doordat dergelijke maatregelen in
de praktijk vaak moeilijk terug te draaien zijn. Dit kan leiden tot hogere publieke
schulden en verdere inflatiedruk, hetgeen gevolgen kan hebben voor de stabiliteit
van de Europese Unie als geheel. Daarnaast hebben dergelijke maatregelen grensoverschrijdende
effecten en kunnen zij gevolgen hebben voor het gelijke speelveld binnen de interne
markt. De leden van de CDA-fractie vragen het kabinet hoe het kabinet voornemens is
de coördinatie van maatregelen binnen de Eurozone te verbeteren en op welke wijze
het kabinet de Europese financiële stabiliteit nadrukkelijker onderdeel wil laten
zijn van de afwegingen die individuele lidstaten maken. Tevens vragen deze leden welke
concrete mogelijkheden of aanknopingspunten het kabinet ziet om te komen tot strakker
gecoördineerde afspraken over het type maatregelen dat lidstaten nemen.
Het kabinet hecht veel waarde aan het coördineren van nationale maatregelen in reactie
op de gestegen energieprijzen en steunt de diverse initiatieven die in dit verband
worden genomen door de Europese Commissie en het voorzitterschap van de Raad. Nederland
pleit daarbij voor het respecteren van de principes tijdelijkheid, gerichtheid en
tijdigheid van maatregelen. Deze principes zijn belangrijk in het kader van de financiële
stabiliteit van de EU, aangezien mogelijke steun langs deze principes de budgettaire
impact en verdere inflatiedruk beperken. Nederland pleit er daarnaast voor dat maatregelen
worden gedekt binnen de kaders van het Europese begrotingsraamwerk.
De leden van de CDA-fractie hechten op het punt van de kapitaalmarktintegratie en
bankenunie groot belang aan het versnellen van de verdere stappen richting de Europese
bankenunie en de verdieping van de kapitaalmarktunie. Deze leden ondersteunen de inzet
van het kabinet op deze dossiers, maar constateren tegelijkertijd dat de voortgang
op Europees niveau stroperig verloopt en dat verdere integratie in de praktijk regelmatig
achterblijft bij de geformuleerde ambities. Deze leden benadrukken dat het van belang
is om het tempo in deze dossiers te verhogen, mede gezien de noodzaak om de Europese
financiële sector weerbaarder en concurrerender te maken in een veranderende geopolitieke
en economische context. Deze leden vragen het kabinet daarom om uiteen te zetten op
welke wijze het concreet bijdraagt aan het versnellen van zowel de bankenunie als
de kapitaalmarktunie en welke prioriteiten het daarbij stelt binnen de Europese onderhandelingen.
Daarnaast vragen deze leden welke concrete stappen het kabinet op korte termijn verwacht
te kunnen zetten en welk tijdspad daarbij realistisch wordt geacht.
Het kabinet deelt de wens om snel voortgang te maken met de ontwikkeling van de kapitaalmarktunie
en voltooiing van de bankenunie. Hiervoor zet het kabinet zich actief in. Zoals uiteengezet
in de kabinetsinzet voor de kapitaalmarktunie en conform het regeerakkoord, pleit
het kabinet hierbij voor ambitieuze acties op drie vlakken: (1) sterker Europees toezicht
op de kapitaalmarkt, (2) meer en divers aanbod van kapitaal voor financiering van
bedrijven, en (3) eenduidige regels in de EU voor een optimale werking van de interne
markt. Zoals eerder met uw Kamer gedeeld, werkt het kabinet binnen kopgroepen om deze
inzet op EU-niveau uit te werken. Hiertoe behoort ook de samenwerking van de E6, de
zes grootste economieën van de EU (Duitsland, Frankrijk, Italië, Spanje, Polen en
Nederland) en onze gezamenlijke prioriteiten voor de spaar- en investeringsunie, waarmee
wij de besluitvorming binnen de Raad willen aanjagen.15 De Nederlandse inzet en prioriteiten binnen Europese onderhandelingen zijn eerder
met de Kamer gedeeld in meerdere BNC-fiches over voorstellen van de Europese Commissie.16
De Europese Raad heeft in maart jl. opgeroepen tot voortgang bij de onderhandelingen
van een aantal voorstellen binnen de spaar- en investeringsunie. De regeringsleiders
hebben hierbij de Raad en het Europees Parlement verzocht om dit jaar nog tot overeenstemming
te komen over de herziening van het securitisatieraamwerk, het Europees aanvullend
pensioenpakket en het kapitaalmarktintegratie en toezichtcentralisatiepakket.
Het kabinet wil ook werken aan de vervolmaking van de bankenunie. De Europese Commissie
komt naar verwachting in juli met een rapport over het concurrentievermogen van de
Europese bankensector, waarbij zij naar verwachting ook in gaat op de wijze waarop
de bankenunie kan bijdragen aan het concurrentievermogen van Europese banken. In voorbereiding
op het rapport deze zomer, heeft de Europese Commissie een consultatie geopend over
het concurrentievermogen van de Europese bankensector. Daarop heeft het kabinet recent,
in samenwerking met De Nederlandsche Bank, gereageerd.17 Ook heeft het kabinet een begeleidend non-paper gepubliceerd met de belangrijkste,
meest concrete, voorstellen die het kabinet doet om het Europees regelgevend raamwerk
voor banken te verbeteren, waaronder voortgang op de bankenunie.18
Naar verwachting komt de Europese Commissie begin volgend jaar met wetgevende voorstellen
om het prudentiële kader voor banken aan te passen. Dit zal mogelijk ook voorstellen
bevatten om de bankenunie verder te brengen. Het kabinet zet in op ambitieuze voorstellen,
zowel in de contacten met de Europese Commissie als via de samenwerking binnen de
samenwerkende zes lidstaten.
De leden van de CDA-fractie zijn ten aanzien van de financiële ondersteuning van Oekraïne
blij dat er na maanden stilstand eindelijk een EU breed akkoord ligt over de EU-lening
van 90 miljard euro aan Oekraïne. Deze leden vernemen graag wat dit concreet betekent
voor de Oekraïense overheidsfinanciën en de houdbaarheid van de Oekraïense staatsschuld.
Deze leden vragen of met deze belangrijke stap de financieringsbehoefte voor de komende
jaren hiermee afdoende is gedekt.
De negatieve gevolgen voor de houdbaarheid van de Oekraïense staatsschuld als gevolg
van de EU-lening van EUR 90 mld. zijn beperkt, omdat de terugbetaling is gekoppeld
aan toekomstige herstelbetalingen door Rusland. Oekraïne hoeft daarnaast geen rentelasten
te betalen over de lening.
De Ukraine Support Loan van EUR 90 mld. dekt volgens de Europese Commissie twee derde van de macro-financiële
en militaire noden van Oekraïne voor de komende twee jaar, uitgaande van de situatie
in september 2025. Het resterende tekort dient gedekt te worden door andere internationale
donoren. De noodzaak van eventuele aanvullende steun is afhankelijk van het verloop
van de oorlog tegen Oekraïne. Voor de periode 2027–2034 heeft de Europese Commissie
een niet-militair steunpakket van EUR 100 mld. voorgesteld.
Daarnaast vragen deze leden of er reeds zicht is op de wijze waarop een eventueel
resterend financieringstekort zal worden gedekt en of daarbij, zoals aangegeven in
de geannoteerde agenda, ook andere internationale actoren een rol zullen gaan spelen.
Zo ja, welke instellingen of landen worden in dat verband verwacht om bij te dragen?
Heeft het kabinet hier al zicht op?
De Europese Commissie beoogt met de Ukraine Support Loan van EUR 90 mld. bij de huidige aannames twee derde van de macro-financiële en militaire
noden van Oekraïne voor de komende twee jaar te dekken. Voor de invulling van de overige
één derde blijft aanzienlijke inzet van de rest van de internationale gemeenschap
nodig. In internationale gremia als het Ukraine Donor Platform, de Ukraine Defence Contact Group en de NAVO vinden hier gesprekken over plaats. Nederland blijft bij partnerlanden
benadrukken dat het noodzakelijk is dat zij een eerlijke bijdrage blijven leveren.
Recent heeft Japan USD 6 mld. aan extra steun toegezegd voor 2026, Noorwegen heeft
voor 2026 ruim EUR 7,5 mld. beschikbaar gemaakt en Duitsland en Polen hebben zo’n
EUR 600 mln. gecommitteerd voor militaire steun. Het resterende tekort moet gedekt
worden door andere internationale donoren.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
C.A. (Chris) Jansen, voorzitter van de vaste commissie voor Financiën -
Mede ondertekenaar
W.A. Lips, adjunct-griffier