Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over de geannoteerde agenda informele Landbouw en Visserijraad van 3 tot en met 5 mei 2026 (Kamerstuk 21501-32-1777)
21 501-32 Landbouw- en Visserijraad
Nr. 1790
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 1 mei 2026
De vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur heeft een aantal
vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister en Staatssecretaris van Landbouw,
Visserij, Voedselzekerheid en Natuur over de brief van 20 april 2026 over de geannoteerde
agenda informele Landbouw en Visserijraad van 3 tot en met 5 mei 2026 (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1777).
De vragen en opmerkingen zijn op 28 april 2026 aan de Minister en Staatssecretaris
van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur voorgelegd. Bij brief van 1 mei
2026 zijn de vragen beantwoord.
De voorzitter van de commissie, Steen
De griffier van de commissie, Jansma
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met zorg kennisgenomen van berichten dat het Cypriotisch
voorzitterschap voornemens is reeds volgende week een compromisvoorstel voor te leggen
van het omnibuspakket Veiligheid van voedsel en diervoerder. Kan de Staatssecretaris
bevestigen dat dit inderdaad de intentie is van het Cypriotisch voorzitterschap? Is
de Staatssecretaris hiervan op de hoogte en heeft hij hierover overleg gevoerd met
zijn ambtgenoten dan wel via de permanente vertegenwoordiging? De leden van de D66-fractie
achten versnelling van de besluitvorming op dit dossier onwenselijk. Nederland heeft
in het BNC-fiche (Kamerstuk 22 112, nr. 4261) substantiële bezwaren geuit over het omnibusvoorstel. Daarnaast heeft de Nederlandse
EU-wetenschapstoets (2026D18869) kritische observaties opgeleverd die geadresseerd dienen te worden in een compromisvoorstel
vanuit de Raad. Als er volgende week inderdaad al een principeakkoord wordt bereikt,
is er voor Nederland en de Kamer onvoldoende ruimte om daar invloed op uit te oefenen.
Dat is wat deze leden betreft zeer bezwaarlijk.
Antwoord
Er wordt op dit moment in de Raadswerkgroep (Antici Group on Simplification, oftewel
AGS) onderhandeld over tekstvoorstellen in het kader van het Omnibuspakket Veiligheid
van voedsel en diervoerder (hierna: het Omnibusvoorstel). De vergaderingen van de
AGS-Raadswerkgroep vinden ongeveer elke twee weken plaats. Dit Raadswerkgroepproces
is een iteratief proces, waarin er telkens tekstvoorstellen worden gedaan door het
voorzitterschap die besproken worden in de Raadswerkgroep, waarbij de terugkoppeling
van de lidstaten dan weer wordt verwerkt in nieuwe tekstvoorstellen. Wellicht dat
de berichten, waar de leden van de D66-fractie naar verwijzen, deze tekstvoorstellen
bedoelen: deze worden namelijk in het kader van de Raadswerkgroep «compromisteksten»
genoemd. Dit Raadswerkgroepproces kan lange tijd duren en is niet besluitvormend of
een bijzondere mijlpaal. Besluitvorming over dit Omnibusvoorstel is voorlopig nog
niet in zicht en wordt ook nog niet verwacht. De inschatting is dat besluitvorming
pas onder het volgende voorzitterschap (Ierland) zal plaatsvinden. Er is dus geen
sprake van een versnelling en er is nog voldoende tijd om met elkaar op 12 mei a.s.
over dit dossier verder in debat te gaan.
Is de Staatssecretaris bereid zich actief te verzetten tegen deze versnelde planning?
Zo ja, is hij bereid daartoe contact op te nemen met gelijkgestemde lidstaten, zoals
België, Zweden, Denemarken en Frankrijk, om gezamenlijk een minderheidsblok te vormen
dat voldoende omvang heeft om de besluitvorming te vertragen? Is hij bereid daartoe
ook op ministerieel niveau en via de permanente vertegenwoordiging actie te ondernemen,
ook richting de ANTICI-groep? Deelt hij de analyse van deze leden dat Nederland hiervoor
een goede positie heeft, mede omdat andere kritische lidstaten de uitkomsten van de
Nederlandse wetenschapstoets met belangstelling volgen?
Antwoord
Zoals genoemd, is op dit moment geen sprake van een versnelling. Uiteraard volgt de
Staatssecretaris de ontwikkelingen over dit Omnibusvoorstel op de voet en hij zal
waar mogelijk samen optrekken met andere lidstaten om het Nederlandse standpunt in
de uiteindelijke teksten te laten landen.
De leden van de D66-fractie hebben een helder verzoek: gebruik de beschikbare tijd
om te achterhalen wat de ondertekende lidstaten daadwerkelijk nodig hebben om de vertragingen
weg te werken en de toelatingsprocedures voor groene middelen te versnellen. Die vraag
is met het huidige omnibusvoorstel onbeantwoord gebleven. Versnelling van het compromis
vóórdat die vraag is beantwoord, is onverantwoord en ondermijnt het draagvlak voor
het uiteindelijke besluit.
De leden van de D66-fractie hebben met grote zorg kennisgenomen van de besluitvorming
in de Europese Visserijraad over het makreelquotum. Hoewel het quotum is verlaagd,
ligt het vastgestelde niveau van 299.010 ton nog altijd ver boven het wetenschappelijk
advies van de International Council for the Exploration of the Sea (ICES), dat een
maximale vangst van 174.000 ton adviseert. Dat is het headline-advies op basis van
de best beschikbare wetenschappelijke kennis wat de maatstaf is die het Gemeenschappelijk
Visserijbeleid (GVB) als uitgangspunt neemt. Daarbij geldt dat er nog altijd geen
internationale vangstverdeling is afgesproken met alle kuststaten, waardoor de daadwerkelijke
vangst naar verwachting nog aanzienlijk boven het vastgestelde quotum zal uitkomen.
Dit baart deze leden zorgen, temeer omdat het makreelbestand de afgelopen tien jaar
sterk is afgenomen. Makreel vervult als sleutelsoort een cruciale ecologische functie
in de Noordzee en de Atlantische Oceaan. Door opnieuw boven het wetenschappelijk advies
te vissen, wordt het herstel van de soort verder onder druk gezet en neemt het risico
op een uiteindelijk totaal vangstverbod toe. Dat scenario kent op termijn alleen verliezers:
de natuur, de vissers en de kustgemeenschappen die van de visserij afhankelijk zijn.
Bovendien wordt hiermee een precedent geschapen: als voor makreel de wetenschappelijke
grenzen worden losgelaten onder druk van internationale kuststaten, wordt het moeilijker
om voor andere soorten wél op Maximum Sustainable Yield (MSY)-niveau vast te houden.
Met welke motivatie heeft de Staatssecretaris in Europa gepleit voor een quotum dat
ruim boven het ICES-advies ligt? Deelt de Staatssecretaris de analyse dat dit besluit
het risico vergroot op verdere achteruitgang van het makreelbestand en uiteindelijk
op een totaal vangstverbod? Zo nee, op grond van welk wetenschappelijk inzicht wijkt
zij af van het ICES-advies? Welke stappen zet de Staatssecretaris om te komen tot
bindende internationale vangstafspraken met alle kuststaten binnen de wetenschappelijke
grenzen, zodat het vastgestelde quotum ook daadwerkelijk de bovengrens is en niet
slechts een papieren getal?
Antwoord
De International Council for the Exploration of the Sea (ICES) neemt in haar adviezen
over de vangstmogelijkheden doorgaans meerdere scenario’s op met niveaus waarop duurzame
visserij kan plaatsvinden. Het wetenschappelijk primaire advies van ICES stelde een
reductie ten opzichte van 2025 voor van 70% van de vangsten, waarbij de kans dat het
bestand onder de biologische ondergrens zou blijven ongeveer 50% zou zijn. Het secundaire
advies van ICES betrof een reductie van 48% ten opzichte van 2025, waarbij de kans
dat het bestand onder de biologische ondergrens zou blijven 57% zou zijn, dus een
verschil van 7%. Het effect op de totale bestandsomvang als enkel de Europese Unie
(EU) zich zou beperken tot de reductie van 70% lijkt, grof ingeschat, zeer beperkt.
De Staatssecretaris heeft bij zijn keuze ook een gelijk speelveld voor alle vissers
op dit bestand meegewogen aangezien andere Kuststaten al hadden besloten naar – 48%
te gaan waarmee de EU werd geïsoleerd, en tevens de sociaaleconomische consequenties
indien enkel de EU zich zou beperken, terwijl de importen van makreel uit enkele Kuststaten
die al tot de hogere vangsten hadden besloten, tariefvrij zijn.
De Staatssecretaris en ook de Franse Minister, gesteund door Duitsland en Portugal
hebben de Europese Commissie (hierna: de Commissie) dringend opgeroepen tot hernieuwde
inspanning om met de andere Kuststaten tot een alomvattend, meerjarig akkoord tussen
alle Kuststaten te komen. Een akkoord over de verdeelsleutel is inderdaad essentieel
voor een duurzaam beheer van het makreelbestand. Daarbij heeft de Staatssecretaris
ook benoemd dat het van groot belang is dat de overbevissing door de Russische Federatie
beperkt wordt; ook hiertoe doet de EU voorstellen in het kader van de Noord-Oost Atlantische
Visserij-Commissie.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de
informele Landbouw- en Visserijraad van 3 tot en met 5 mei 2026 en danken het kabinet
voor de toezending daarvan. Deze leden hechten aan een sterke en toekomstbestendige
landbouw- en visserijsector, waarin ruimte is voor ondernemerschap, innovatie en een
goed verdienvermogen voor ondernemers. Tegelijkertijd vinden deze leden het van belang
dat Europees beleid uitvoerbaar blijft, regeldruk wordt beperkt en het gelijke speelveld
binnen de Europese Unie (EU) wordt geborgd.
Risicomanagement in de Europese landbouwsector
De leden van de VVD-fractie steunen de inzet op een weerbare landbouwsector die beter
bestand is tegen de gevolgen van klimaatverandering. Deze leden vinden het belangrijk
dat ondernemers in de eerste plaats zelf verantwoordelijkheid kunnen nemen voor het
managen van risico’s en dat de overheid vooral faciliteert door randvoorwaarden op
orde te brengen en innovatie mogelijk te maken. Tegelijkertijd constateren deze leden
dat het Europese instrumentarium voor risicomanagement nog weinig concreet is uitgewerkt.
Deze leden vragen het kabinet daarom welke Europese instrumenten op dit moment beschikbaar
zijn of worden overwogen om agrarische ondernemers te ondersteunen bij het omgaan
met risico’s, en hoe wordt voorkomen dat nieuwe maatregelen leiden tot extra administratieve
lasten of marktverstoring. Daarbij vragen zij hoe het kabinet ervoor wil zorgen dat
er binnen de EU sprake blijft van een eerlijk en gelijk speelveld tussen lidstaten,
met name wanneer nationale steunmaatregelen worden ingezet.
Antwoord
Het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) biedt ruimte om agrariërs te ondersteunen
in het voorbereiden op en omgaan met risico’s. Door gebruik te maken van de eco-regeling
kunnen telers extra betalingen ontvangen voor activiteiten die mede bijdragen aan
een weerbare agrarische bedrijfsvoering, zoals bodem-, water- en teeltmaatregelen.
Een ander voorbeeld is de brede weersverzekering onder het GLB, die het sluitstuk
vormt van klimaatadaptatie in Nederland. Hierdoor wordt het voor agrariërs toegankelijker
om restschades als gevolg van extreem weer te verzekeren. Het kabinet zet zich ervoor
in dat lidstaten gebruik kunnen maken van de mogelijkheden tot ondersteuning van fondsvorming
en verzekeringen in het GLB om schades van agrariërs te beperken. Hierbij vraagt het
kabinet aandacht voor de regeldruk en gevolgen voor de administratieve lasten van
ondernemers. Tot slot omvat de Gemeenschappelijke Marktordening bepalingen voor steun
in geval van marktverstoringen, die uit de landbouwreserve kunnen worden gefinancierd.
De leden van de VVD-fractie vragen daarnaast hoe het kabinet aankijkt tegen de verdere
ontwikkeling van de brede weersverzekering en hoe wordt geborgd dat deze toegankelijk
en betaalbaar blijft voor ondernemers.
Antwoord
Het kabinet onderschrijft het belang van een toekomstbestendige brede weersverzekering.
In Nederland vormt de brede weersverzekering het sluitstuk van klimaatadaptatie en
zij zorgt ervoor dat restschades verzekerbaar blijven voor agrarische bedrijven in
de open teelten, die vaker te maken krijgen met uitzonderlijke weersomstandigheden
als gevolg van klimaatverandering. Hiermee wordt de economische veerkracht van agrarische
bedrijven versterkt. Het kabinet blijft zich inzetten voor het behoud van deze interventie
in het GLB en heeft aandacht voor de betaalbaarheid van de brede weersverzekering.
Deze leden zijn van mening dat innovatie, zoals nieuwe teelten, digitalisering en
precisielandbouw, een belangrijke bijdrage kan leveren aan het vergroten van de weerbaarheid
van bedrijven. Zij vragen daarom hoe het kabinet deze innovaties in Europees verband
wil stimuleren en hoe wordt voorkomen dat ondernemers worden geconfronteerd met complexe
regelgeving of onnodige subsidieregelingen. Zij vragen ook hoe wordt geborgd dat maatregelen
voor risicomanagement aansluiten bij de praktijk van ondernemers en voldoende ruimte
laten voor investeringen.
Antwoord
Wij onderschrijven het belang van innovatie in de land- en tuinbouw om zo bij te dragen
aan het versterken van de weerbaarheid van deze sectoren. Nederland stimuleert in
Europees verband op diverse manieren samenwerking en kennisuitwisseling met als doel
innovatie te versnellen. Zo werken we in Europees verband aan het versterken van ons
Agrarisch Kennis- en Innovatiesysteem (AKIS). Met het AKIS zorgen we voor kennisontwikkeling,
-verspreiding en actieve samenwerking tussen diverse partijen. Dit is een randvoorwaarde
bij het ontwikkelen van innovaties. Aan het AKIS zijn concreet twee Europese interventies
uit het GLB gekoppeld ter stimulering van kennisoverdracht en innovatie. Deze worden
in Nederland al jaren met succes uitgevoerd. Voor het stimuleren van innovatie wordt
daarnaast de subsidieregeling Samenwerken aan innovatie in het kader van Europese
Innovatie Partnerschappen (EIP-regeling) opengesteld voor het subsidiëren van innovatiepilots
waarin landbouwers met andere partijen samenwerken aan praktijkgerichte innovatieve
oplossingen. Denk hierbij aan de ontwikkeling van weerbare gewassen en teeltsystemen
die bestand zijn tegen (a)biotische stressfactoren, en aan toepassingen op het gebied
van digitalisering en robotisering. Om de subsidieregelingen toegankelijker en minder
versnipperd open te stellen is de afgelopen jaren gewerkt aan een modulaire innovatie-subsidieregeling
met openstellingen per innovatiethema. Om de aanvraagprocedure te verbeteren wordt
momenteel gewerkt aan een digitale «subsidiebuddy». Daarnaast steunt het kabinet het
voorstel voor het Europees Concurrentievermogenfonds in het kader van het volgende
EU Meerjarig Financieel Kader (2028–2034), van waaruit de genoemde innovaties gestimuleerd
en ondersteund kunnen worden (Kamerstuk 22 112, nr. 4153).
Evaluatie van het Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB)
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de aankomende evaluatie van het
GVB en onderschrijven het belang van een beleid dat zowel duurzaam als werkbaar is
voor de visserijsector. Deze leden vinden dat regelgeving in de praktijk uitvoerbaar
moet zijn en dat investeringen in innovatie en verduurzaming niet onnodig mogen worden
belemmerd door complexe regels.
Zij vragen het kabinet welke onderdelen van het huidige GVB volgens Nederland het
meest knellen in de praktijk en welke concrete wijzigingen Nederland in Europees verband
wil bepleiten om de uitvoerbaarheid te verbeteren. In het bijzonder vragen zij hoe
het kabinet aankijkt tegen de werking van de aanlandplicht en welke aanpassingen mogelijk
zijn om deze beter uitvoerbaar en handhaafbaar te maken, zonder de duurzaamheidsdoelen
uit het oog te verliezen.
Daarnaast vragen deze leden hoe Nederland zich inzet voor het verminderen van regeldruk
binnen het GVB en het versterken van de concurrentiepositie van de sector, onder meer
door ruimte te bieden voor innovatie en digitalisering en door procedures te vereenvoudigen.
Antwoord
Nederland zet zich in voor een werkbaar Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB). Dit
betekent aanpassingen op het gebied van de aanlandplicht, innovatie, meerjarenplannen,
energietransitie en simplificatie. Voor de aanlandplicht kijkt Nederland naar automatische
vangstregistratie van discards met behulp van slimme camera’s en AI als alternatief.
Niet alleen zouden we hiermee voorkomen dat ook ongewenste bijvangst aan boord gesorteerd
en opgeslagen moet worden, ook kan een reductie van administratieve lasten bereikt
worden, omdat logboeken automatisch worden ingevuld. Voor simplificatie is het voor
Nederland van belang dat niet alleen naar reeds bestaande regelgeving wordt gekeken
maar deze ambitie ook geldt bij nog op te stellen regelgeving in kader van de herziene
Controle Verordening waaraan de komende tijd wordt gewerkt.
Indien de Commissie besluit over te gaan tot een herziening van het GVB is hierbij
van belang dat de EU de doelen van het GVB niet uit het oog verliest. Nederland zal
hiertoe ook oproepen in de informele Raad.
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda
voor de informele Landbouw- en Visserijraad van 3 tot en met 5 mei 2026. Deze leden
hebben echter ook vragen en opmerkingen over actualiteiten rondom het omnibuspakket
voor voedsel- en diervoederveiligheid. Hun inbreng richt zich met name daarop, met
het oog op het geplande plenaire debat over de Omnibus voedsel- en diervoederveiligheid
na het meireces 2026.
Geannoteerde agenda
Risicomanagement Landbouw
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat er een discussie zal plaatsvinden
over risicomanagement in de Europese landbouwsector. Volgens deze leden is de meest
effectieve risicomanagement de structurele verduurzaming van de landbouw. Is Nederland
in deze discussie bereid te pleiten voor natuurinclusiviteit als belangrijkste risicomitigerende
maatregel en op te roepen tot het aantrekkelijker maken van natuurinclusieve bedrijfsvormen?
Antwoord
Het kabinet zet in op een bredere mix van maatregelen en instrumenten om risicomanagement
in de land- en tuinbouw te versterken en zal hiervoor ook pleiten tijdens de informele
Raad. Denk hierbij aan technologische en natuurinclusieve oplossingen, en combinaties
daarvan, om agrarische bedrijven weerbaarder te maken tegen extreme weersomstandigheden.
Dit wordt onder andere gedaan middels het Actieprogramma klimaatadaptatie landbouw
en natuur, toepassing van de eco-regeling en stimulansen om boeren te ondersteunen
bij (innovatieve) verduurzaming. Daarnaast draagt het risicomanagement instrumentarium
bij aan de financiële weerbaarheid van agrarische bedrijven.
Deze leden erkennen ook dat elke teler geraakt kan worden door de gevolgen van extreem
weer. Hoe kijkt het kabinet naar het compenseren van telers die door onvoorziene klimaatomstandigheden
hard worden getroffen? In welke mate dienen telers publiek, danwel privaat te worden
gecompenseerd? Wat is volgens de regering een wenselijke «verantwoordelijkheidsverdeling»
tussen de EU, de lidstaten en private verzekeraars? Deelt het kabinet de opvatting
van deze leden dat publieke middelen in beginsel dienen te gaan naar duurzame telers
wiens bedrijvigheid bijdraagt aan publieke belangen zoals duurzaamheid, dierenwelzijn
en gezondheid?
Antwoord
De brede weersverzekering dient als sluitstuk van klimaatadaptatie in de landbouw.
Hierdoor wordt het voor agrariërs toegankelijker om de restrisico’s van extreme weersomstandigheden
te verzekeren. Het Actieprogramma klimaatadaptatie landbouw vormt nog steeds de basis
voor de aanpak voor een klimaatadaptieve land- en tuinbouw in Nederland. Het kabinet
benadrukt de noodzaak tot het nemen van preventieve maatregelen door agrariërs. Het
is belangrijk dat Europese en nationale overheden, en private partijen, een bijdrage
leveren aan de ontwikkeling van de randvoorwaarden om agrariërs hierin te ondersteunen.
Deze inzet richt zich op het ondersteunen van alle agrarische bedrijven om hun weerbaarheid
te versterken. Financieel vergoeden van schades in de huidige teeltmethoden zal op
termijn onhoudbaar zijn.
Gemeenschappelijk Visserijbeleid
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben moeite met het uitblijven van de stukken
voor de evaluatie van het GVB. Deze leden kunnen hierdoor geen gericht commentaar
leveren. Zij vragen het kabinet of het standpunt over het GVB ongewijzigd is in vergelijking
tot het voorgaande kabinet. Heeft het kabinet-Jetten andere prioriteiten, accenten
of aandachtspunten. Zo ja, hoe komen deze tot uiting? Hoe beoordeelt het kabinet of
voorstellen tot versimpeling en regeldrukverlichting daadwerkelijk effectief zijn
en in feite geen afbreuk doen aan de gestelde doelen? Deze leden wijzen op het grote
belang dat voorstellen daadwerkelijk getoetst worden en dat het kabinet niet zomaar
meegaat in de aannames van de Europese Commissie (EC), zolang er geen wezenlijke en
onafhankelijke impact assessment is uitgevoerd.
Antwoord
De Staatssecretaris heeft begrip voor de moeite die de leden van de Groenlinks-PvdA-fractie
uiten over het uitblijven van de stukken voor de evaluatie van het GVB. De verwachting
is dat tijdens de informele Raad een eerste toelichting wordt gegeven op de uitkomst
van de evaluatie die mogelijk kort daarvoor zal verschijnen. De inbreng van Nederland
tijdens de informele Raad zal zich daarom, in lijn met eerdere communicatie hierover
aan de Kamer, richten op het oproepen tot het wijzigen van het GVB op onderdelen zoals
de aanlandplicht, innovatie, meerjarenplannen, energietransitie en vereenvoudiging,
zonder hierbij de doelstellingen van het GVB uit het oog te verliezen. Op dit moment
is er nog geen sprake van een voorstel tot wijziging van het GVB. Wanneer het voorstel
tot wijziging van het GVB is gepubliceerd, dan zal de kabinetsappreciatie hiervan
overeenkomstig de bestaande informatieafspraken met de Kamer worden gedeeld.
Omnibus
Actualiteit
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie uiten hun grote zorgen over het Europese omnibusvoorstel
voor voedsel- en diervoederveiligheid. Uit de EU-wetenschapstoets die is uitgevoerd
maken deze leden op dat de gevolgen van het vereenvoudigingspakket niet onderbouwd
zijn en dat vrijwel alle beoogde doelen (onder andere een gelijk speelveld creëren,
regeldruk verminderen, innovaties versnellen, mens en milieu beschermen) niet worden
gehaald. Deze leden vragen het kabinet om de EU-wetenschapstoets ter harte te nemen
en zich, zolang de Kamer zich niet heeft uitgesproken, afwijzend uit te laten over
het omnibusvoorstel. Zij vragen het kabinet een volledige terugkoppeling van de onderhandelingen
die momenteel plaatsvinden of reeds hebben plaatsgevonden over het omnibusvoorstel
en een tijdlijn te schetsen van belangrijke beslismomenten die de komende tijd zullen
volgen. Zij vragen het kabinet ook om expliciet te maken of en zo ja, op welke wijze
haar standpunt afwijkt van het voorgaande kabinet dat het BNC-Fiche destijds heeft
opgesteld.
Antwoord
In de door de Staatssecretaris toegezegde brief over de reactie op de wetenschapstoets
zal ook een terugkoppeling gegeven worden van het verloop van de onderhandelingen
tot nu toe en een verwachte tijdlijn. De inzet van de Staatssecretaris is dat de Kamer
deze brief ontvangt voor het geplande Commissiedebat van 12 mei a.s. In de nabije
toekomst wordt geen besluitvorming over het Omnibusvoorstel verwacht, de verwachting
is dat dit pas onder het volgende voorzitterschap (Ierland) zal plaatsvinden. Het
standpunt van het kabinet in dit dossier is conform het BNC-fiche van het Omnibusvoorstel
(Kamerstuk 22 112, nr. 4261).
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie wijzen erop dat de voorbereidende ANTICI-groep
van de Europese Raad op woensdag 29 april een «compromisvoorstel» zal presenteren
met betrekking tot het omnibuspakket (Europese Raad, 29 april 2026, «Antici Gr. (Simplification),
29 april 2026, (https://www.consilium.Europa.eu/nl/meetings/mpo/2026/4/antici-sub-gr-on…)). Deze leden vragen het kabinet om precies toe te lichten wat de inzet van het kabinet
bij eerdere besprekingen van de ANTICI-groep waar het omnibuspakket is besproken.
Is er al een compromis bereikt op enkele onderdelen, zoals pesticiden? Zo ja, is dat
met akkoord van het kabinet of heeft Nederland dit afgekeurd of zich vocaal onthouden
van stemming? Volgens deze leden is het van groot belang dat Nederland zich in dit
voorbereidende overlegorgaan ondubbelzinnig tégen compromisteksten keert die in strijd
zijn met de aangenomen motie-Podt/Bromet (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1744) of anderszins geen recht doen aan de zorgen die de Kamer, mede via de EU-wetenschapstoets, over het omnibuspakket heeft geuit. Kan het kabinet beloven dat zij zich in
de ANTICI-groep zal voegen bij de blokkerende minderheid en samen zal optrekken met
gelijkgestemde landen om deze minderheid te bestendigen?
Antwoord
Er wordt op dit moment in de AGS-Raadswerkgroep onderhandeld over tekstvoorstellen
in het kader van het Omnibusvoorstel. De vergaderingen van de AGS-Raadswerkgroep vinden
ongeveer elke twee weken plaats. Dit Raadswerkgroepproces is een iteratief proces,
waarin er telkens tekstvoorstellen worden gedaan door het voorzitterschap die besproken
worden in de Raadswerkgroep, waarbij de terugkoppeling van de lidstaten dan weer wordt
verwerkt in nieuwe tekstvoorstellen. Het klopt dat deze tekstvoorstellen ook wel «compromisteksten»
worden genoemd. De Staatssecretaris wil echter benadrukken dat deze besprekingen op
ambtelijk niveau plaatsvinden en geen besluitvormend karakter hebben. Dit betekent
dat er nog geen compromis is bereikt op het Omnibusvoorstel of op onderdelen hiervan.
Zoals gezegd wordt niet verwacht dat op korte termijn besluitvorming zal plaatsvinden.
Nederland baseert zijn inzet op het BNC-fiche en de aangenomen moties (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1744 en Kamerstuk 21 501-32, nr. 1771). Heel concreet betekent dit bijvoorbeeld dat Nederland zich inzet tijdens deze Raadswerkgroepen
om aan de definitie van biocontrol toe te voegen dat dit laagrisicostoffen moeten
zijn. Ook zet Nederland zich ervoor in dat er in de tekst vastgelegd wordt dat er
een signaleringssysteem moet worden ingericht bij de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid
(EFSA).
Nederland bespreekt doorlopend met gelijkgestemde lidstaten waar de voorliggende teksten
meer in overeenstemming met de inzet van Nederland en deze lidstaten kunnen worden
aangepast. Dit wordt vervolgens in de AGS-Raadswerkgroep ingebracht. Aangezien er
momenteel nog volop over de tekstvoorstellen wordt onderhandeld, worden er op dit
moment nog geen meerderheden vóór of blokkerende meerderheden tegen het voorstel gevormd.
Uiteraard neemt de Staatssecretaris de zorgen van de Kamer serieus. Ook bestudeert
de Staatssecretaris op dit moment de wetenschapstoets om te bezien of deze nog van
invloed zal zijn op de Nederlandse inzet.
Toelating en herbeoordeling
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben specifieke vragen over de toelating
van pesticiden. Deze leden zijn van mening dat pesticiden, die zorgwekkende stoffen
bevatten vanuit de Kaderrichtlijn Water (KRW), hoe dan ook moeten worden uitgesloten
van de goedkeuring voor onbepaalde tijd. Dit geldt ook voor pesticiden die stoffen,
synergisten en beschermstoffen bevatten die wél zijn toegelaten voor onbepaalde tijd.
Is het kabinet het ermee eens dat de herbeoordeling van zowel middelen als werkzame
stoffen ongewijzigd dient te blijven met oog op de gezondheid van mens en milieu?
Antwoord
De Staatssecretaris begrijpt de zorgen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie,
maar wijst erop dat het voorstel een oplossing beoogt te bieden voor problemen rond
het huidige Europese toelatings- en herbeoordelingssysteem. Dit systeem is vastgelopen,
waarbij veel vertraging optreedt in beoordelingen. Het voorgestelde risico-gestuurde
systeem beoogt het vastgelopen systeem weer op gang te krijgen. Uiteraard is daarbij
wel van groot belang dat dit niet ten koste gaat van de veiligheid voor mens, dier
en milieu. Daarom zet Nederland zich in voor aanvullende voorwaarden voor dit voorgestelde
risico-gestuurde systeem, zodat deze veiligheid niet in het geding is.
Hoe kijkt het kabinet naar het toelaten van pesticiden voor onbepaalde tijd, indien
deze ten minste één stof bevatten die voor onbepaalde tijd is toegelaten? Kan het
kabinet toelichten welke specifieke waarborgen zij bepleit bij onderhandelingen over
dit punt? Zet het kabinet zich in voor het verkrijgen van de nationale bevoegdheid
om middelen (uit voorzorg) terug te trekken zodra uit onderzoek blijkt dat er mogelijk
onaanvaardbare risico’s zijn voor mens en milieu? Behoudt Nederland de bevoegdheid
om deze middelen, die voor onbepaalde tijd zijn toegelaten, op eigen initiatief te
herbeoordelen?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben aanvullende vragen over het recht om
als lidstaat herbeoordeling aan te vragen voor mogelijk zorgwekkende stoffen die eerder
zijn toegelaten. Deze leden vragen het kabinet om duidelijk te maken welke Nederlandse
instantie(s) aan zet zijn om gezondheidsrisico’s te identificeren en signaleren, die
aanleiding geven om stoffen in het Europese werkprogramma opnieuw te beoordelen. Hoe
wordt dit toezicht nationaal georganiseerd en hoe verzekert het kabinet dat mogelijke
risico’s blijvend en effectief worden gemonitord? Kan het College voor de toelating
van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) ook op eigen initiatief een herbeoordeling
aanvragen voor een bepaalde stof? Aan welke criteria moet een in dat geval stof voldoen
om ter worden herbeoordeeld?
Antwoord
Voor de beantwoording van deze vragen is afstemming met het College voor de toelating
van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) noodzakelijk. De beantwoording van
deze vragen vraagt daarom meer tijd. De Staatssecretaris zal op deze vragen ingaan
in de reeds toegezegde Kamerbrief over de wetenschapstoets. Deze brief zal de Kamer
ontvangen voor het Commissiedebat op 12 mei a.s.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn kritisch op het verschuiven van de bewijslast
voor de stukken die nodig zijn om een stof opnieuw te beoordelen. Volgens de EU-wetenschapstoets
dreigt de bewijslast te verschuiven van de producenten naar overheden, of zelfs een
onduidelijke derde partij. Klopt dit? Welke alternatieve plannen worden er besproken
met betrekking tot de bewijslast? Deelt het kabinet de zorgen van deze leden over
deze verschuiving, omdat dit de bewijslast neerlegt bij producenten die direct belang
hebben bij het tegenhouden van een herbeoordeling? Welke aanpassingen stelt het kabinet
voor bij het omnibusvoorstel om te garanderen dat er actuele en volledige gegevensverzameling
plaatsvindt over risicovolle stoffen, ongeacht waar de bewijslast ligt?
Antwoord
De bewijslast bij een herbeoordeling zal nog steeds bij een producent liggen. De producenten
moet bij een herbeoordeling informatie aanleveren waaruit blijkt dat een stof voldoet
aan de onafhankelijk wetenschappelijk vastgestelde criteria voor goedkeuring. Op dit
punt verandert dit voorstel niets, zoals de Staatssecretaris ook in een eerder antwoord
op vragen van de GroenLinks-PvdA-fractie aangaf (Kamerstuk 22 112, nr. 4305). De beschreven verschuiving van bewijslast in de wetenschapstoets herkent de Staatssecretaris
daarom niet. Wel deelt hij de mening van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie dat
het nodig is voor een goed werkend risico-gestuurd systeem dat er een monitorings-
en signaleringssysteem is ingericht. Nederland zet zich er in Brussel voor in dat
EFSA hier een duidelijk mandaat voor krijgt.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie wijzen op de huidige tekortkomingen van de
herbeoordelingssystematiek. Zo heeft Nederland, volgens de EU-wetenschapstoets (Appendix
1), in 2020 al eens verzocht om de stof «flypyradifurone» op basis van nieuwe wetenschappelijke
inzichten opnieuw te beoordelen. Daarnaast heeft Nederland in juli en oktober van
2025 met twee andere lidstaten een verzoek gedaan om een andere PFAS-stof opnieuw
te beoordelen. De EC heeft deze verzoeken echter afgewezen. De nieuwe wetenschappelijke
inzichten zijn ook niet opgenomen in lopend onderzoek naar de stoffen. Hiermee wordt
het volgens deze leden vrijwel onmogelijk om aan het voorzorgsprincipe te voldoen.
Hoe verwacht het kabinet dat verzoeken tot herbeoordeling van lidstaten op een neutrale
en voortvarende manier worden ingewilligd als uit staande praktijk al blijkt dat dit
moeizaam verloopt? Is het kabinet bereid te pleiten voor een verplichting aan de EC
om herbeoordelingsverzoeken van lidstaten in te willigen? Welke andere mogelijkheden
ziet het kabinet om, ongeacht de houding van de EC, wél over te kunnen gaan tot herbeoordeling
van stoffen op basis van actuele wetenschappelijke inzichten?
Antwoord
Wat betreft de casus «flypyradifurone» is het belangrijk om te melden dat in 2022
een procedure is gestart voor de herziening van de goedkeuring van deze stof, mede
op basis van informatie van Nederland en Frankrijk. Voor het vertrouwen en het draagvlak
van dit voorstel is het cruciaal dat signalen uit de wetenschap en vanuit lidstaten
goed worden meegenomen in het voorgestelde werkprogramma van de Commissie. De Staatssecretaris
zet zich hier dan ook voor in. Tegelijkertijd is hij voorzichtig en terughoudend om
een behandelingsverplichting op te nemen, aangezien dit ook tot potentieel misbruik
van lidstaten zou kunnen leiden. De Staatssecretaris wil voorkomen dat dit een politiek
instrument wordt, doordat een lidstaat bijvoorbeeld hiermee alle werkzame stoffen
tegelijk zou kunnen inbrengen voor een herbeoordeling, wat het systeem dan weer zou
doen vastlopen. Met het Omnibusvoorstel blijft het mogelijk voor lidstaten om op basis
van bijvoorbeeld artikel 44 toelatingen van middelen te wijzigen of in te trekken,
ongeacht het standpunt van de Commissie.
Uitvoerbaarheid
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn bezorgd over de uitvoeringslasten van
het omnibuspakket voor de Ctgb en de EFSA, die reeds kampen met grote achterstanden
bij lopende beoordelingen. Hoe groot is de bestaande achterstand bij (her)beoordelingsprocedures?
Kan het kabinet toelichten welke aanvullende capaciteit deze organisaties nodig zouden
hebben om de bestaande vertragingen in te halen? Hebben deze organisaties of de EC
hier een analyse van gemaakt? Hoe reageert het kabinet op de stelling van de EFSA-voorzitter,
Nikolaus Kriz, die in een openbare dialoog op 15 april jongstleden aangaf dat het
omnibuspakket geen oplossing zou bieden voor de opgebouwde vertragingen? Op welke
wijze zou het omnibuspakket wél kunnen leiden tot het effectief versnellen van (her)beoordelingsprocedures,
bijvoorbeeld door het standaardiseren en digitaliseren van bepaalde werkprocessen?
Is de mogelijke efficiencywinst van zulke maatregelen al onderzocht en zo ja, welke
winst er te behalen? Indien dit enkel te realiseren is met aanvullende middelen, zou
dit dan betaald moeten worden met publieke middelen of door een bijdrage te vragen
van de vervuilende industrie? Welke soort bekostiging bepleit het kabinet?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen het kabinet met klem om adviezen en
inzichten over de uitvoerbaarheid van maatregelen door zowel de Ctgb en de EFSA zwaar
mee te laten wegen in de kabinetsinzet op dit punt. Als die niet beschikbaar zijn,
vragen deze leden om hier indien mogelijk een zienswijze op te vragen bij zowel de
Ctgb als de EFSA.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie verzoeken om een spoedige beantwoording van
hun vragen, met name de vragen die zien op het ANTICI-vooroverleg van 29 april 2026.
Deze leden verzoeken het kabinet om de resterende vragen met betrekking tot de omnibus
in ieder geval vóór het plenaire debat over het omnibuspakket aan de Kamer te doen
toekomen.
Antwoord
Voor de beantwoording van deze vragen is afstemming met het College voor de toelating
van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) noodzakelijk. De beantwoording van
deze vragen vraagt daarom meer tijd. De Staatssecretaris zal op deze vragen ingaan
in de reeds toegezegde Kamerbrief over de wetenschapstoets. Deze brief zal de Kamer
ontvangen voor het Commissiedebat op 12 mei a.s.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben met een uiterst kritische blik kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor
de informele Landbouw- en Visserijraad (informele Raad) die in mei op Cyprus zal plaatsvinden.
Deze leden maken zich grote zorgen over de alsmaar groeiende bemoeienis van de EU
met het Nederlandse landbouw- en visserijbeleid en benadrukken dat het Nederlandse
belang en dat van onze boeren en vissers altijd de hoogste prioriteit moet hebben.
De leden van de PVV-fractie vragen de Staatssecretaris waarom er op EU-niveau gesproken moet worden over risicomanagement
in de Europese landbouwsector (agro-risicomanagement), terwijl Nederland al over een
eigen Actieprogramma Klimaatadaptatie Landbouw beschikt. Kan de Staatssecretaris klip
en klaar garanderen dat deze Europese discussie niet zal leiden tot nieuwe, dwingende
Brusselse regelgeving die onze boeren nog verder in hun ondernemerschap belemmert?
Antwoord
Het kan interessant zijn om op Europees niveau te verkennen hoe een bredere instrumentenmix
kan bijdragen aan robuuster agro-risicomanagement. De inzet van het kabinet is erop gericht om ervoor te zorgen dat boeren
de ruimte krijgen om hun weerbaarheid en economische levensvatbaarheid te versterken.
Als dit leidt tot nieuwe voorstellen van de Commissie, zal het kabinet de Kamer hierover
informeren via BNC-fiches. Bij de beoordeling van eventuele voorstellen van de Commissie,
vindt het kabinet het belangrijk dat zorgvuldig wordt gekeken naar de verantwoordelijkheidsverdeling
tussen de Commissie en de lidstaten en het waarborgen van een gelijk speelveld binnen
de EU.
De leden van de PVV-fractie merken op dat het kabinet inzet op adaptieve maatregelen voor water- en bodembeheer
om de bedrijfsvoering toekomstbestendiger te maken. Kan de Staatssecretaris toelichten
welke private investeringen hij precies van agrarische ondernemers verwacht en in
hoeverre dit de economische levensvatbaarheid van de sector onder druk zet? Deze leden
waarschuwen dat klimaatweerbaarheid nooit een excuus mag zijn om Nederlandse boeren
op te zadelen met onbetaalbare eisen, terwijl een gelijk speelveld binnen de EU vaak
ver te zoeken is. Hoe gaat de Staatssecretaris voorkomen dat onze boeren de dupe worden
van strengere eisen dan hun Europese collega’s?
Antwoord
Het kabinet benadrukt dat agrarische ondernemers primair verantwoordelijk zijn voor
het nemen van maatregelen als voorbereiding op de gevolgen van klimaatverandering,
zoals droogte, hitte en verzilting. Denk hierbij aan passende maatregelen voor water,
bodem en teeltsystemen, zoals efficiënter watergebruik, water vasthouden in landbouwbodems
en een adaptiever teeltplan. Door dergelijke maatregelen te nemen wordt de economische
levensvatbaarheid van agrarische bedrijven versterkt. Daarbij blijft het kabinet aandacht
vragen voor het verlagen van de administratieve lastendruk en heeft het oog voor het
creëren van een gelijk speelveld.
De leden van de PVV-fractie uiten hun diepe onvrede over de huidige gang van zaken rondom de evaluatie van het
GVB. Deze leden steunen weliswaar de inzet om onwerkbare aspecten te herzien, maar
vragen de Staatssecretaris concreet welke stappen hij gaat zetten om de rampzalige
aanlandplicht daadwerkelijk en definitief van tafel te krijgen in Brussel. Kan de
Staatssecretaris bevestigen dat hij de aanlandplicht als niet onderhandelbaar breekpunt
beschouwt in de onderhandelingen over de herziening van het GVB?
Antwoord
Op dit moment zijn er geen onderhandelingen gaande over een eventuele herziening van
het GVB. De verwachting is dat de Commissie de uitkomsten van de evaluatie van het
GVB zal presenteren tijdens de informele Raad, waarna duidelijk moet worden of de
Commissie op basis van de uitkomsten van deze evaluatie ook wil overgaan tot een herziening.
Nederland heeft al meermaals aangegeven dat het komen tot een werkbare invulling van
de aanlandplicht hierbij een prioriteit is. In het geval er een herziening komt van
het GVB, dan zal de Kamer middels een BNC-fiche geïnformeerd worden over de Nederlandse
inzet.
De leden van de PVV-fractie vragen de Staatssecretaris hoe hij de beloofde versimpeling van regelgeving en verlichting
van regeldruk in de visserijsector gaat afdwingen, aangezien de praktijk tot nu toe
een tegenovergesteld beeld laat zien. Onze vissers worden momenteel verstikt door
bureaucratie die innovatie en noodzakelijke verduurzaming eerder tegenhoudt dan stimuleert.
Is de Staatssecretaris bereid om in de informele Raad te pleiten voor een radicale
koerswijziging waarbij de praktische werkbaarheid voor de vissers leidend is, in plaats
van de abstracte en vaak onhaalbare doelen van de EC?
Antwoord
De Staatssecretaris hecht belang aan de vereenvoudiging van visserijregelgeving. Nederland
zal dit ook inbrengen in de informele Raad. Nederland heeft dit ook benoemd tijdens
de afgelopen Landbouw- en Visserijraad waarbij Nederland nogmaals heeft verzocht om
een vereenvoudigings-Omnibus. Eerder heeft Nederland dit ook opgebracht tijdens discussies
georganiseerd onder Pools voorzitterschap en de informele ministeriële lunch georganiseerd
door het Deens voorzitterschap en in meer detail bij de directeurenbijeenkomst die
het Deens voorzitterschap heeft georganiseerd. In januari 2026 heeft Spanje een diversenpunt
geagendeerd voor de Landbouw- en Visserijraad, waarbij een duidelijke meerderheid
van lidstaten, waaronder Nederland, de noodzaak van vereenvoudiging van visserijregels
heeft herhaald. Op 16 februari hebben 18 lidstaten, waaronder Nederland, een brief
gestuurd naar Eurocommissaris Dombrovskis voor Economie, Productiviteit, Implementatie
en Vereenvoudiging en Eurocommissaris Kadis voor Visserij en Oceanen, om de boodschap
nogmaals te onderstrepen.
De leden van de PVV-fractie willen weten hoe de Staatssecretaris de verdeling van verantwoordelijkheden tussen
de EU en de lidstaten voor ogen ziet bij het waarborgen van de voedselzekerheid. Kan
de Staatssecretaris toezeggen dat hij zich zal verzetten tegen elk voorstel dat de
soevereiniteit van Nederland over zijn eigen voedselproductie verder uitholt onder
het mom van Europese solidariteit of agro-risicomanagement? De leden van de PVV-fractie dringen er bij de Staatssecretaris op aan om tijdens de informele Raad een onverzettelijke
houding aan te nemen. Nederland is een forse netto-betaler aan de EU en onze voedselproducenten
verdienen een kabinet die hun belangen in Brussel met verve verdedigt tegen de bureaucratische
drang van de Europese instituties.
Antwoord
Nederland is van oordeel dat in de EU moet worden ingezet op de ontwikkeling van een
duurzame en weerbare landbouw, die meer voorbereid is op weersextremen en verzilting
als gevolg van klimaatverandering. Om alle Nederlandse ondernemers in de land- en
tuinbouw voor te bereiden op het duurzaam en effectief omgaan met klimaatverandering
in 2030, is in 2020 het Actieprogramma klimaatadaptatie landbouw opgezet. Hiermee
wordt ingezet op adaptieve maatregelen op het gebied van bodem, water, teelt en veehouderij,
die zijn bedoeld om de bedrijfsvoering toekomstbestendiger te maken en de economische
levensvatbaarheid van agrarische bedrijven, en daarmee de sector, te versterken. Daarbij
dragen investeringen in innovatie bij aan voedselzekerheid, omdat daarmee de Nederlandse
land- en tuinbouwsector zowel weerbaarder kan worden als tot de top van de wereld
kan blijven behoren. Bij nieuwe voorstellen van de Commissie geldt als uitgangspunt
dat de EU alleen optreedt als dit meerwaarde heeft boven nationaal optreden (subsidiariteitsbeginsel).
Het kabinet toetst elk voorstel van de Commissie scherp op dit beginsel. De Kamer
wordt hierover geïnformeerd via BNC-fiches.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de agenda voor de informele Landbouw-
en Visserijraad van 3 tot en met 5 mei 2026 in Cyprus en hebben hierover enkele vragen.
Risicomanagement in de Europese landbouwsector
De leden van de CDA-fractie onderschrijven het belang van een stevige Europese inzet
op agro-risicomanagement. Deze leden constateren dat de brede weersverzekering in
Nederland een belangrijk instrument vormt om restrisico’s van extreem weer op te vangen.
Kan de Staatssecretaris toelichten in hoeverre hij in Cyprus zal pleiten voor een
Europese beleidsruimte die lidstaten in staat stelt instrumenten als de brede weersverzekering
nationaal te subsidiëren, zonder dat dit tot ongelijkheid in het speelveld binnen
de EU leidt?
Antwoord
Binnen het huidige GLB hebben lidstaten al de mogelijkheid om te kiezen voor het subsidiëren
van risicomanagementinstrumenten. Nederland benut deze mogelijkheid met de interventie
brede weersverzekering. Hierdoor wordt het voor agrariërs toegankelijker om de restrisico’s
van extreme weersomstandigheden te verzekeren. Het kabinet blijft aandacht vragen
voor voldoende ruimte voor de lidstaten om zelf invulling te geven aan een passende
instrumentenmix. Hierbij heeft het kabinet oog voor het creëren van een gelijk speelveld.
De leden van de CDA-fractie hechten belang aan private investeringen als aanvulling
op publieke ondersteuning bij klimaatadaptatie in de landbouw. Deze leden vragen hoe
het kabinet de verantwoordelijkheidsverdeling tussen de EU, lidstaten en individuele
ondernemers weegt bij de inrichting van een breder instrumentarium voor agro-risicomanagement.
Kan de Staatssecretaris toelichten welke instrumenten Nederland in Cyprus naar voren
zal brengen als onderdeel van die mix en hoe daarin de balans wordt gevonden tussen
publieke en private verantwoordelijkheid?
Antwoord
Nederland zal tijdens de informele Raad het belang onderstrepen van het inzetten op
preventieve en adaptieve maatregelen voor de ontwikkeling van een duurzame en weerbare
landbouwsector in de EU. Daarnaast zal worden aangegeven dat financiële instrumenten,
zoals een brede weersverzekering, een vangnet vormen in het weerbaarder maken van
de land- en tuinbouw. Voor het nemen van preventieve maatregelen ligt de verantwoordelijkheid
primair bij agrarische ondernemers. Voor de ontwikkelingen van de randvoorwaarden
om agrariërs hierin te ondersteunen ligt ook een belangrijke rol bij Europese en nationale
overheden, evenals private partijen.
Evaluatie Gemeenschappelijk Visserijbeleid
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de aangekondigde toelichting
door de EC op de evaluatie van het GVB. Deze leden hebben eerder vragen gesteld over
onder meer de aanlandplicht en de ruimte voor innovatie en verduurzaming in de visserij.
Zij delen de inzet van het kabinet op versimpeling van regelgeving zonder dat doelen
worden afgezwakt. Kan de Staatssecretaris toelichten welke specifieke knelpunten in
de huidige GVB-regelgeving Nederland in Cyprus als prioriteit zal inbrengen en hoe
hij daarbij borgt dat versimpeling niet leidt tot een verzwakking van de gemeenschappelijke
Europese visserijdoelen?
Antwoord
Nederland zal tijdens de informele Raad onder andere aandacht vragen voor een aanpassing
van de aanlandplicht, versimpelen van het toestaan van innovatieve vangsttechnieken,
meer stabiliteit in de meerjarenplannen en vereenvoudiging. Hierbij is het van belang
dat dit niet ten koste gaat van de doelen van het GVB.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
H.S. Steen, voorzitter van de vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur -
Mede ondertekenaar
R.P. Jansma, griffier