Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Steen over studentenhuisvesting
Vragen van het lid Steen (CDA) aan de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening over studentenhuisvesting (ingezonden 1 april 2026).
Antwoord van Minister Boekholt-O’Sullivan (Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening)
(ontvangen 23 april 2026).
Vraag 1
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Waarom bouwen we voor studenten alleen nog
maar studio’s, terwijl we dat eigenlijk niet willen?»?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Herkent u het beeld dat de bouw van studentenhuisvesting in toenemende mate bestaat
uit zelfstandige studio’s, terwijl de vraag van studenten juist vaak uitgaat naar
onzelfstandige woonruimten met gedeelde voorzieningen?
Antwoord 2
De afgelopen jaren is inderdaad veel studentenhuisvesting gerealiseerd in de vorm
van zelfstandige studio’s. Het kabinet vindt het belangrijk dat er naast zelfstandige
studio’s ook onzelfstandige woonruimte wordt gebouwd. In het coalitieakkoord is opgenomen
dat er gestreefd wordt naar meer gedeelde woonvormen voor jongeren en studenten. Dit
zal worden bevorderd met objectsubsidies. Hierdoor wordt het aanbod vergroot en ontstaat
er meer keuzevrijheid.
Tegelijkertijd is de vraag van studenten uiteenlopend. Verschillende factoren spelen
hier een rol. Uit de Landelijke Monitor Studentenhuisvesting (LMS) van 2025 blijkt
dat woonlasten het belangrijkste criterium zijn bij de vraag naar welke type woonruimte
de voorkeur uitgaat. Als wordt gekeken naar alle studenten in het hoger onderwijs
met een verhuiswens, dan blijkt dat bijna 30% een voorkeur heeft voor onzelfstandige
woonruimte, terwijl meer dan 60% van hen op die manier woont. Bij jonge studenten
die nog thuis wonen en een verhuiswens hebben, heeft zo’n 50% een voorkeur voor onzelfstandige
woonruimte met gedeelde voorzieningen. Hun voorkeur wordt voor een groot deel bepaald
door de hoogte van de woonlasten en in mindere mate door het type woonruimte. Wanneer
de rol van woonlasten in de voorkeur wordt verminderd of weggenomen, dan lijkt bijna
70% van jonge studenten die nog thuis wonen en een verhuiswens hebben, een voorkeur
te hebben voor een kamer met gedeelde voorzieningen.
Vraag 3
Kunt u inzicht geven in de verhouding tussen het aantal gerealiseerde zelfstandige
studentenwoningen (studio’s) en onzelfstandige studentenkamers in de afgelopen vijf
jaar?
Antwoord 3
In de LMS wordt het aantal gerealiseerde studentenwoningen bijgehouden. Zo werden
in 2024 ruim 5.000 studentenwoningen opgeleverd. Driekwart hiervan betrof zelfstandige
wooneenheden, een kwart onzelfstandige eenheden.
Vraag 4
Kunt u aangeven naar welke verhouding tussen zelfstandige studio’s en onzelfstandige
studentenkamers u streeft, mede in het licht van de woonwensen van studenten en de
maatschappelijke effecten van verschillende woonvormen?
Antwoord 4
Samen met de andere ondertekenaars van het Landelijk Actieplan Studentenhuisvesting
(LAS) streef ik naar 60.000 extra studentenwoningen in 2030. Daarbij is benadrukt
dat het belangrijk is dat er naast zelfstandige eenheden ook onzelfstandige eenheden
worden gerealiseerd. Er is daarbij geen afspraak gemaakt over de verhouding. Zoals
ik in het antwoord op vraag 1 al aangaf, is in het coalitieakkoord opgenomen dat er
objectsubsidies komen om gedeelde woonvormen voor jongeren en studenten te stimuleren.
Vraag 5
Kunt u aangeven hoeveel onzelfstandige studentenkamers in de afgelopen vijf jaar aan
de markt zijn onttrokken en hoeveel onzelfstandige kamers zijn omgezet naar zelfstandige
studio’s of andere woonvormen?
Antwoord 5
Uit de LMS is niet te halen hoeveel onzelfstandige studentenkamers in de afgelopen
vijf jaar aan de markt zijn onttrokken en hoeveel onzelfstandige kamers zijn omgezet
naar zelfstandige studio’s of andere woonvormen. Wel is in 2025 in het verlengde van
de LMS het effect van uitponding op de studentenhuisvesting onderzocht. Hieruit blijkt
dat de verkoop van studentenwoningen op de particuliere markt in 2024 voor een afname
van het aanbod aan studentenhuisvesting gezorgd van naar schatting circa 9.000 wooneenheden.2
Vraag 6 en 7
Wat zijn volgens u de belangrijkste oorzaken dat ontwikkelaars en investeerders vaker
kiezen voor de bouw van studio’s in plaats van onzelfstandige studentenhuisvesting?
Welke financiële en fiscale prikkels dragen bij aan een scheve verhouding tussen het
aantal gerealiseerde studio’s en onzelfstandige studentenkamers?
Antwoord 6 en 7
Ontwikkelaars en investeerders geven aan dat de business case voor studio’s rendabeler
is dan die van onzelfstandige studentenhuisvesting. Voorheen was dit zo omdat op basis
van het puntenstelsel voor onzelfstandige eenheden structureel een lagere huurprijs
gevraagd kon worden voor een studentenkamer dan voor een studio van eenzelfde kwaliteit.
Sinds de invoering van de Wet betaalbare huur is dit verschil voor het grootste deel
verdwenen en kan in sommige gevallen zelfs meer gevraagd worden voor een kamer dan
voor een studio van vergelijkbare kwaliteit. Wel is het vaak zo dat een bewoner van
een studio beschikt over eigen voorzieningen (keuken, badkamer) en meestal over meer
(privé) woonruimte. Doordat er huurtoeslag voor zelfstandige woonruimte mogelijk is,
wordt het verschil in netto huur die de huurder betaalt tussen een kamer of een studio,
in de praktijk bovendien klein. Verhuurders geven daarmee aan vaker voor studio’s
te kiezen, omdat de verhouding netto huur versus woonkwaliteit voor de huurder gunstiger
is. Daarnaast zijn studio’s volgens ontwikkelaars en investeerders beter voor een
alternatieve doelgroep aan te wenden dan onzelfstandige eenheden.
Vraag 8
In hoeverre spelen gemeentelijke regels rond verkamering, splitsing en grondbeleid
een rol bij deze ontwikkeling?
Antwoord 8
De gemeentelijke regels rond verkamering en splitsing hebben vooral betrekking op
de bestaande woningvoorraad. De bestaande voorraad is in de regel bouwkundig geschikter
voor kamersgewijze verhuur dan voor studio’s. In beide gevallen zal in diverse gemeenten
een vergunning moeten worden aangevraagd. Voor de zomer werk ik uit hoe en onder welke
voorwaarden er vergunningsvrij gesplitst kan worden, ook voor verkamering/woningdelen
verken ik dit. Ontwikkelaars en investeerders zullen, afgezien van grote transformatieprojecten,
vaker nieuwe projecten realiseren via nieuwbouw. Het gemeentelijke grondbeleid kan
invloed hebben op de nieuwbouw als er specifieke regels worden opgenomen die de nieuwbouw
van onzelfstandige woonruimte bemoeilijkt of onmogelijk maakt, zoals bijvoorbeeld
de minimum woonoppervlakte per woning.
Vraag 9
Deelt u de opvatting dat «op kamers gaan» bijdraagt aan gemeenschapsvorming en het
tegengaan van eenzaamheid en mentale problematiek onder studenten?
Antwoord 9
Wonen in een studentenkamer met een gemeenschappelijke ruimte vergroot de kans op
sociale interactie en verkleint daarmee de kans op eenzaamheid en mentale problematiek.
Daarom zet ik mij samen met de ondertekenaars van het LAS in op de realisatie van
meer studentenkamers en komt het kabinet met objectsubsidies om gedeelde woonvormen
voor jongeren en studenten te stimuleren.
Vraag 10
Op welke wijze wordt in het huidige beleid rekening gehouden met maatschappelijke
baten, zoals het verminderen van eenzaamheid en mentale problemen bij studenten/jongeren
bij de afweging tussen verschillende typen studentenhuisvesting?
Antwoord 10
Zoals bij het antwoord op vraag 9 is aangegeven, zetten de ondertekenaars van het
LAS zich in op een groter percentage onzelfstandige woonruimte voor studenten. Uiteindelijk
is het aan gemeenten en huisvesters om de afweging te maken welk type studentenhuisvesting
wordt gebouwd.
Vraag 11
Kunt u aangeven hoeveel vierkante meter woonruimte gemiddeld nodig is voor een zelfstandige
studio ten opzichte van een onzelfstandige studentenkamer met gedeelde voorzieningen?
Antwoord 11
De minimale woonruimte bij nieuwbouw wordt bepaald door het Besluit bouwwerken leefomgeving
(Bbl) en gemeentelijke regelgeving. In het Bbl staat dat gebruiksoppervlakte voor
een zelfstandige woning (woonfunctie) minimaal 18 m2 moet zijn, voor studentenwoningen is dit 15 m2. Voor een onzelfstandige woonruimte (een kamer in een woning) moet de minimale gebruiksoppervlakte
5 m2 zijn, bij een breedte van 1,8 meter. Doordat gemeenten ook in het kader van woon-
en leefklimaat in hun omgevingsplan eisen kunnen stellen, kunnen de minimumeisen per
gemeente verschillen.
Vraag 12 en 13
Welke stappen en met welk tijdpad bent u van plan te zetten om te komen tot een ondersteuningsprogramma
studentenhuisvesting gericht op gemeenten buiten de G4, conform de aangenomen motie?2
Op welke wijze wordt binnen dit programma specifiek ingezet op het stimuleren van
de bouw van onzelfstandige studentenhuisvesting?
Antwoord 12 en 13
De motie verzoekt het kabinet een ondersteuningsprogramma studentenhuisvesting in
te richten, gericht op gemeenten buiten de G4, met als doel de bouw van onzelfstandige
woonruimte voor studenten te versnellen en dit te verankeren in de actualisering van
het Landelijk Actieplan Studentenhuisvesting. Ik ga de komende maanden het Landelijk
Actieplan Studentenhuisvesting actualiseren, samen met de partners in het Landelijk
Platform Studentenhuisvesting. Het ondersteuningsprogramma is daar onderdeel van.
Vraag 14
Hoe gaat u uitvoering geven aan de aangenomen motie die oproept tot het ontwikkelen
van een methodiek en instrumentarium om maatschappelijke baten, zoals sociale cohesie
en ontmoeting, structureel mee te nemen in woningbouwprojecten.3
Antwoord 14
Dit zal ik doen door met de aanpak Samen Slim op veertien locaties nieuwe methodieken
en instrumentarium te ontwikkelen, en waar nodig voorstellen te doen aan de Taskforce
Versnelling Woningbouw om belemmerende wetgeving aan te passen, bestaande mogelijkheden
te verkennen en dit bij concrete projecten toe te passen. Vervolgens zullen tijdens
de ontwikkeling hiervan de geleerde punten worden geïmplementeerd in andere grootschalige
woningbouwprojecten. Verder heeft het ontwikkelen van sterke gemeenschappen mijn aandacht
als onderdeel van de uitwerking van de totaalaanpak. Conform het coalitieakkoord werk
ik momenteel aan de uitwerking hiervan waardoor meer geborgd wordt dat door middel
van koppelkansen functies als wonen, werken, bereikbaarheid, groen en maatschappelijke
voorzieningen samen worden ontwikkeld.
Vraag 15
Hoe wordt in deze methodiek concreet geborgd dat investeringen in gemeenschappelijke
ruimten zoals gedeelde woonkamers, studieruimten en groenvoorzieningen worden meegewogen
in de businesscases van de bouw van studentenhuisvesting?
Antwoord 15
Als deze ruimtes leiden tot de beoogde extra maatschappelijke impact is het zaak daarvoor
ook de bekostiging te organiseren, ook langjarig, en ook in de begeleiding. Dat zal
bij de in het antwoord op vraag 14 aangegeven aanpak worden meegenomen.
Vraag 16
Zou u inzicht willen geven in wat er nodig is om op een vergelijkbare manier de maatschappelijke
baten van onzelfstandige woonruimten ten opzichte van studio’s mee te rekenen in businesscases?
Antwoord 16
Zonder hierin volledig te zijn, gaat het op het eerste gezicht over (vermeden) zorg-
en opvangkosten, bouwkosten, rendement op de verhuur, ruimtegebruik, huurtoeslag en
woningbouwsubsidies. Dat zal bij de in het antwoord op vraag 14 aangegeven aanpak
worden meegenomen.
Vraag 17
Zou u in kaart willen brengen welke maatregelen er mogelijk zijn om gemeenten en projectontwikkelaars
te stimuleren om vaker te kiezen voor onzelfstandige studentenhuisvesting en te investeren
in gemeenschappelijke ruimten, mede met het oog op de maatschappelijke voordelen voor
studenten en wijken?
Antwoord 17
Om gemeenten en projectontwikkelaars te stimuleren om vaker te kiezen voor onzelfstandige
studentenhuisvesting (kamers met gedeelde voorzieningen) kan enerzijds voor maatregelen
worden gekozen die de business case voor projectontwikkelaars aantrekkelijker maakt.
Anderzijds kunnen gemeenten worden gestimuleerd meer te sturen op de bouw van onzelfstandige
studentenhuisvesting. In het coalitieakkoord wordt hier vorm aan gegeven door de instelling
van een objectsubsidie voor gedeelde woonvormen voor jongeren en studenten. Daarnaast
wil het kabinet woningdelen en het verhuren van een woning in (studenten)kamers makkelijker
maken, waarbij gemeenten allen bij zwaarwegende redenen verkamering mogen beperken.
Ondertekenaars
E. Boekholt-O’Sullivan, minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.