Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over de Geannoteerde agenda Landbouw- en Visserijraad 27 april 2026 te Luxemburg (Kamerstuk 21501-32-1776)
21 501-32 Landbouw- en Visserijraad
Nr. 1788
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 22 april 2026
De vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur heeft een aantal
vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister en Staatssecretaris van Landbouw,
Visserij, Voedselzekerheid en Natuur over de brief van 15 april 2026 over de Geannoteerde
agenda Landbouw- en Visserijraad 27 april 2026 te Luxemburg (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1776).
De vragen en opmerkingen zijn op 20 april 2026 aan de Minister en Staatssecretaris
van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur voorgelegd. Bij brief van 22 april
2026 zijn de vragen beantwoord.
De voorzitter van de commissie, Steen
De griffier van de commissie, Jansma
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de
Landbouw- en Visserijraad van 27 april 2026. Deze leden hebben hierover nog enkele
vragen.
Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) na 2027
De leden van de VVD-fractie lezen dat tijdens de Raad een beleidsdiscussie zal plaatsvinden
over de voorstellen voor het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) na 2027 en dat
Nederland daarbij inzet op een doelgericht GLB, een weerbare en toekomstbestendige
sector en generatievernieuwing. Deze leden constateren dat het achtergronddocument
voor deze beleidsdiscussie nog niet beschikbaar is en vragen het kabinet daarom nader
toe te lichten welke concrete onderwerpen naar verwachting centraal zullen staan tijdens
de bespreking in de Raad en welke prioriteiten Nederland daarbij zal hanteren in de
onderhandelingen.
Antwoord
Tijdens de Raad van 27 april wordt gesproken over de kaders voor inkomenssteun in
het toekomstige Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB). Inkomenssteun voor boeren
is een belangrijk instrument dat moet passen bij de ambitie voor een duurzame landbouw
en moet bijdragen aan een toekomstbestendige sector. Nederland zal zich tijdens de
Raad inzetten voor een goede balans tussen directe inkomenssteun en de bijdrage die
het GLB moet leveren aan een duurzame sector, bijvoorbeeld via vergoeding van ecosysteemdiensten.
Daarbij streeft Nederland ernaar dat lidstaten binnen die kaders de GLB-middelen efficiënt
en gericht kunnen inzetten voor de nationale uitdagingen. Tot slot, zal Nederland
zich inzetten voor het waarborgen van een Europees vergelijkbaar ambitieniveau voor
de gemeenschappelijke doelen van het GLB.
Inkomenssteun en gevolgen voor de Nederlandse landbouw
De leden van de VVD-fractie lezen dat het voorstel voor het nieuwe GLB onder meer
ziet op een gerichtere inzet van inkomenssteun en dat het beschikbare budget in reële
termen kan dalen ten opzichte van het huidige beleid. Deze leden vragen het kabinet
welke gevolgen het verwacht van deze ontwikkelingen voor de structuur en concurrentiepositie
van de Nederlandse landbouwsector, in het bijzonder voor bedrijven die sterk afhankelijk
zijn van investeringen in innovatie en verduurzaming. Tevens vragen zij in hoeverre
het kabinet verwacht dat de voorgestelde wijzigingen in inkomenssteun gevolgen kunnen
hebben voor de productiecapaciteit en voedselzekerheid binnen de Europese Unie (EU).
Antwoord
Het Europese budget voor het toekomstige GLB daalt. Daarom pleit Nederland voor meer
focus in het GLB om het GLB zo efficiënt mogelijk in te kunnen richten. In plaats
van middelen te versnipperen over veel kleinere doelen en regelingen, zou het GLB
gericht moeten worden ingezet op de grootste nationale landbouw gerelateerde opgaven
van een lidstaat.
In vergelijking met veel andere Europese landen is het GLB-aandeel in het inkomen
van Nederlandse boeren relatief beperkt. Door de sterke marktoriëntatie van Nederlandse
boeren komt inkomen primair uit de markt. Er is op voorhand dan ook geen verandering
in structuur van de Nederlandse landbouw te verwachten. Met een beperkter budget zijn
keuzes nodig, voor Nederland kan het daarom wenselijk zijn om een verschuiving te
realiseren naar een doelgerichte steun die aansluit bij de nationale uitdagingen,
zoals de beloning van ecosysteemdiensten. In de uitwerking van het GLB, zal de Minister
dan ook pleiten voor doelgerichte steun die ook zal bijdragen aan het borgen van de
productiecapaciteit en voedselzekerheid op de langere termijn. Daarbij zal de Minister
bij de planvorming zorgdragen voor voldoende maatregelen die innovatie en ontwikkeling
in de landbouw stimuleren.
Flexibiliteit voor lidstaten en gelijk speelveld
De leden van de VVD-fractie lezen dat het nieuwe GLB mogelijk meer ruimte biedt aan
lidstaten om eigen keuzes te maken bij de inrichting van steunmaatregelen. Deze leden
vragen het kabinet hoe het in de onderhandelingen inzet op het waarborgen van een
gelijk speelveld binnen de EU en welke concrete waarborgen het noodzakelijk acht om
te voorkomen dat verschillen tussen lidstaten leiden tot concurrentieverstoringen
voor Nederlandse boeren en tuinders. Tevens vragen zij hoe het kabinet de uitvoerbaarheid
en administratieve lasten van het nieuwe GLB meeweegt in zijn inzet.
Antwoord
Voor Nederland is het wenselijk om het nationale plan doelgericht en flexibel te kunnen
inrichten zodat het gericht is op de nationale uitdagingen. Om dit te realiseren is
flexibiliteit in de toepassing van GLB-interventies nodig, op die manier kan de inzet
gericht worden op de interventies die efficiënt bijdragen aan de beoogde doelen. De
doelen worden Europees afgesproken, daarom pleit de Minister voor een gelijk ambitieniveau
van de gemeenschappelijke doelen van het GLB. Hierbij moet een juiste balans worden
gevonden tussen de behoefte aan nationale flexibiliteit en een gelijk speelveld. Ook
andere lidstaten zien deze behoefte, hierover zal in Europees verband nog verder over
gesproken worden. Tot slot, blijft Nederland tijdens de Raad aandacht vragen voor
de uitvoerbaarheid van het GLB en de werkbaarheid van regelingen op het boerenerf,
wat voor Nederland een belangrijk uitgangspunt is.
Marktsituatie in de landbouwsector
De leden van de VVD-fractie lezen dat de marktsituatie in de landbouwsector onder
druk staat door geopolitieke ontwikkelingen en stijgende kosten voor energie, transport
en kunstmest, wat leidt tot grotere onzekerheid in de voedselketen. Deze leden vragen
het kabinet hoe het de huidige weerbaarheid van de Nederlandse landbouwsector beoordeelt
en welke risico’s het ziet voor de continuïteit van bedrijven op de middellange termijn
indien deze kostenontwikkelingen aanhouden.
Antwoord
De situatie in het Midden-Oosten heeft op dit moment nog niet tot grote knelpunten
geleid in de Nederlandse land- en tuinbouw. Daarbij speelt een rol dat agrarische
ondernemers in energiegevoelige sectoren over het algemeen langer lopende contracten
hebben en dat veel kunstmestvoorraden eerder zijn ingekocht. Desondanks stijgen de
energie- en kunstmestkosten en als de situatie lang aanhoudt zullen de marges verder
onder druk komen te staan. Gezien de onzekerheid over het voortduren van de situatie
zullen wij de impact van de ontwikkelingen blijven monitoren en hierover contact onderhouden
met de sector, ook met het oog op de weerbaarheid van de Nederlandse voedselvoorzieningsketen.
Actieplan Meststoffen
De leden van de VVD-fractie lezen dat de Europese Commissie (EC) werkt aan een Actieplan
Meststoffen dat moet bijdragen aan stabilisatie van de mestmarkt en het vergroten
van de leveringszekerheid. Deze leden vragen het kabinet welke concrete resultaten
het verwacht van dit actieplan op de korte en middellange termijn en hoe het kabinet
zich ervoor inzet dat maatregelen uit dit plan daadwerkelijk bijdragen aan lagere
kosten en grotere leveringszekerheid voor boeren. Verder vragen zij welke kansen de
Minister ziet om het gebruik van organische meststoffen, waaronder dierlijke mest,
beter te benutten om de afhankelijkheid van kunstmest te verminderen. Ziet het kabinet
mogelijkheden voor het gebruik van RENURE als oplossing binnen de Europese meststoffencrisis?
Antwoord
De concrete inhoud van het Meststoffenactieplan is op dit moment nog niet bekend.
De verwachting is dat het plan medio mei wordt gepresenteerd. De Minister kijkt met
interesse uit naar het plan. Ten aanzien van het beter benutten van organische meststoffen,
waaronder dierlijke mest, ziet de Minister inderdaad kansen op het vlak van RENURE.
Met de recente aanpassing van de Nitraatrichtlijn is hierin een belangrijke stap genomen.
Momenteel ligt de regelgeving voor de nationale implementatie van deze aanpassing
van de Nitraatrichtlijn voor notificatie voor in Brussel, zoals vermeld in de brief
van 8 april 2026 (Kamerstukken II, 2025//2026, 33 037, nr. 643). De verwachting is dat rond de zomer van 2026 gestart kan worden met het gebruik
van RENURE. Op korte termijn (1 á 2 jaar) zal de productiecapaciteit van RENURE echter
onvoldoende zijn om een serieus alternatief voor de vraag naar stikstofkunstmest te
kunnen bieden. Om de productie van RENURE op te schalen wordt daarom nationaal gewerkt
aan een subsidieregeling voor het opstarten van kleine installaties op veehouderijbedrijven
of grootschalige installaties voor mestverwaarding tot RENURE-producten
Staatssteun en marktverstoring
De leden van de VVD-fractie lezen dat de EC onderzoekt of lidstaten tijdelijk meer
ruimte kunnen krijgen om boeren te ondersteunen vanwege stijgende kosten. Deze leden
vragen het kabinet hoe het in de onderhandelingen inzet op het voorkomen van concurrentieverstoringen
tussen lidstaten en welke criteria het kabinet hanteert bij de beoordeling van eventuele
nationale steunmaatregelen. Tevens vragen zij in hoeverre het kabinet verwacht dat
deze tijdelijke maatregelen structurele gevolgen kunnen hebben voor het functioneren
van de interne markt.
Antwoord
De verwachting is dat de Europese Commissie (hierna: Commissie) op korte termijn komt
met een tijdelijk staatssteunkader in reactie op de situatie in het Midden-Oosten.
Nederland heeft eerder richting de Commissie aangegeven van mening te zijn dat een
tijdelijk crisiskader in algemene zin nu nog niet noodzakelijk is. Dit geldt voor
staatssteun voor alle typen sectoren, dus ook de agrarische sector. Indien de noodzaak
later wel ontstaat, moet een crisiskader zo gericht en tijdelijk mogelijk zijn vanwege
mogelijke nadelige effecten op het gelijke speelveld op de interne markt en aan bepaalde
randvoorwaarden voldoen. Dit gaat met name om prijsprikkels voor de vermindering van
fossiel energieverbruik. Dezelfde uitgangspunten gebruikt het kabinet voor het beoordelen
van het treffen van nationale maatregelen waarover de Kamer op 20 april jl. per brief
geïnformeerd is. Een versoepeling van de staatssteunregels zou kunnen betekenen dat
er verschillen ontstaan tussen lidstaten wat betreft de hoeveelheid beschikbare steun.
Tijdelijke maatregelen kunnen structurele gevolgen hebben voor het functioneren van
de interne markt. Om die reden is het van belang dat maatregelen zo gericht en tijdelijk
mogelijk zijn om verstoringen te voorkomen.
Strategisch belang van landbouw en duurzaam bosbeheer bij natuurbranden
De leden van de VVD-fractie lezen dat het Cypriotisch voorzitterschap het onderwerp
natuurbranden heeft geagendeerd met het doel om inzichten uit te wisselen over het
strategisch belang van landbouw en duurzaam bosbeheer bij het voorkomen en beperken
van natuurbrandrisico’s. Deze leden vragen het kabinet welke mogelijke nieuwe verplichtingen
of beleidsmaatregelen op Europees niveau worden voorzien naar aanleiding van deze
discussie en welke gevolgen dit kan hebben voor Nederlandse boeren, terreinbeheerders
en andere betrokken partijen. Tevens vragen zij hoe het kabinet zich ervoor inzet
dat eventuele nieuwe maatregelen uitvoerbaar en proportioneel blijven en aansluiten
bij bestaande nationale beleidskaders.
Antwoord
De Commissie heeft op 25 maart jl. via een mededeling een nieuwe strategie gepresenteerd
om de toenemende dreiging van natuurbranden in Europa aan te pakken (hierna: de strategie).
Over dit voorstel stelt het kabinet een BNC-fiche op, dat in mei aan de Kamer zal
worden gestuurd. Daarin zal ook worden ingegaan op de uitvoerbaarheid en de proportionaliteit
van de strategie.
De strategie legt de verantwoordelijkheid voor natuurbrandbeheersing primair bij de
lidstaten, regionale overheden en eigenaren en beheerders van de fysieke leefomgeving.
De Commissie kan daarbij ondersteunen met onder andere financiering, data en kennis.
In de strategie zijn daartoe dan ook handvatten en aanbevelingen opgenomen. Dit is
vergelijkbaar met de Nederlandse aanpak van natuurbrandbeheersing, waarbij wordt ingezet
op bewustwording, preventie, mitigatie, bestrijding en herstel (Kamerstuk 30 821, nr. 306).
De Commissie stelt in de strategie dat het GLB een belangrijke financieringsbron is
voor natuurbrandpreventie. Daarbij geeft de Commissie aan voor het volgende Meerjarige
Financieel Kader (2028–2034) bereid te zijn prioriteit te geven aan financiering van
het reduceren van risico’s op natuurbranden. De bespreking van het strategisch belang
van landbouw en duurzaam bosbeheer bij natuurbrandbeheersing tijdens de Raad van 27 april
houdt verband met dit voornemen. Omdat het BNC-fiche nog niet met de Kamer is gedeeld,
zal Nederland zich tijdens de aankomende Raad terughoudend opstellen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda
voor de Landbouw- en Visserijraad van 27 april 2026. Over de agenda en enkele visserijgerelateerde
zaken hebben deze leden vragen en opmerkingen.
Gemeenschappelijk Landbouwbeleid
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat er in de Raad wordt gesproken over
de toekomst van het GLB. Deze leden vragen of de agenda voor dit gesprek inmiddels
al bekend is en of deze inmiddels gedeeld kan worden met de Kamer. Het kabinet zal
zich uitspreken voor een doelgericht GLB, een weerbare en toekomstbestendige sector,
leefbaarheid op het platteland, generatievernieuwing en inzet op groene doelen. Kan
het kabinet duidelijk maken welke aanpassingen van het GLB of specifieke maatregelen
het op deze punten aandraagt? Wat bedoelt het kabinet in het bijzonder met «inzet
op groene doelen»? Welke doelen zijn dit en hoe moet het GLB aangepast worden om deze
(sneller) te halen? Deze leden wijzen op artikel 10 van het GLB 2025, waarin EU-lidstaten
wordt gevraagd om te voorzien in initiatieven die ten goede komen aan het klimaat,
milieu, dierenwelzijn, welvaart en duurzaam bosbeheer. Komt een dergelijk artikel
in het herziene GLB en pleit het kabinet voor het uitbreiden van dit artikel?
Antwoord
Op het moment van schrijven zijn er nog geen definitieve achtergronddocumenten beschikbaar.
Zodra deze beschikbaar zijn, zullen ze worden gepubliceerd op de website van de Raad
van de EU (www.consilium.europea.eu) en kunnen ze daar worden geraadpleegd.
Voor een doelgericht GLB, een weerbare toekomstbestendige sector, leefbaarheid op
het platteland, generatievernieuwing en inzet op groene doelen, zal Nederland pleiten
voor flexibiliteit in het GLB om op deze manier gericht te kunnen kiezen welke interventies
in te zetten.
De inzet op groene doelen gaat met name via de eco-regeling en het Agrarisch Natuur-
en Landschapsbeheer (ANLb). Publieke middelen zoals de GLB-subsidies kunnen aanvullend
zijn daar waar de markt tekortschiet. Bijvoorbeeld in het beter belonen van publieke
diensten die boeren leveren voor natuur, milieu en klimaat. Ook in de voorstellen
voor het toekomstige GLB wordt hier (via artikel 10) voldoende ruimte voor geboden.
De Minister zet zich in voor een ambitieuze toepassing van die geboden ruimte in het
toekomstige GLB.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie verwachten dat de Landbouw- en Visserijraad
deels in het teken zal staan van de situatie in Iran en de gevolgen van de stijgende
brandstofprijzen voor boeren. Deze leden dringen eropaan om publieke middelen aan
te wenden voor maatregelen die zorgen voor structurele verduurzaming van de landbouwsector.
Deze leden lezen dat het kabinet werkt aan een steunpakket, waar «verlichting op het
knellende mestdossier» een onderdeel van is (Telegraaf, 20 april 2026, «Reddingsboei
voor vissers om Iran-oorlog: miljoenensteun en versneld verduurzamen van vloot» (https://www.telegraaf.nl/politiek/reddingsboei-voor-vissers-om-iran-oor…)). Zij vragen in hoeverre dit steunpakket in samenwerking met EU-lidstaten en de
EC is vormgegeven en welke middelen het kabinet hiervoor aanwendt. Welke inbreng levert
het kabinet bij de Raad op dit punt en wat is zijn boodschap richting Europese collega’s?
Zal het kabinet zich inspannen voor maatregelen waarmee met zekerheid te zeggen is
dat deze effectief bijdragen aan het structureel verduurzamen van de landbouw?
Antwoord
Het kabinet heeft maandag 20 april jl. de brief met uitgebreide toelichting op de
situatie in het Midden-Oosten en de uitwerking van de nationale maatregelen en de
bijbehorende middelen naar de Kamer verzonden. Over verdere uitwerking zal de Kamer
ook zo spoedig mogelijk worden geïnformeerd. Tijdens de Raad zal de marktsituatie
voor de Europese landbouw in brede zin besproken worden, daarin zal Nederland uiteraard
ook stilstaan bij de impact die de situatie in het Midden-Oosten heeft, het belang
van weerbaarheid van de voedselvoorziening onderstrepen, en de Commissie vragen om
een spoedige toezending van het Actieplan Meststoffen.
Diversen Visserij
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben nog enkele diversenpunten over visserij.
Ten eerste lezen deze leden in de krant dat de regering voornemens is om tientallen
miljoenen («twintig tot dertig miljoen euro») vrij te maken voor de verduurzaming
van de vissersvloot (Telegraaf, 20 april 2026, «Reddingsboei voor vissers om Iran-oorlog:
miljoenensteun en versneld verduurzamen van vloot» (https://www.telegraaf.nl/politiek/reddingsboei-voor-vissers-om-iran-oor…)). Om hoeveel vissers gaat het die in dit pakket steun zouden ontvangen? Op welke
Europese regelingen doet het kabinet hiervoor een beroep en hoeveel van de totale
steun komt direct ten goede van verduurzaming? Welk aandeel is afkomstig uit het European
Maritime Fisheries and Aquaculture Fund (EMFAF)-fonds en ten goede van welke prioriteiten
van dit fonds worden de middelen straks ingezet? Deze leden waken ervoor dat de fossiele
industrie straks wordt gespekt met geld wat is bedoeld voor het structureel verduurzamen
van de visserij. Hoe worden de middelen verdeeld over de visserijsector? Wordt ook
de bodemberoerende visserij, met een grote milieu-impact, gesubsidieerd door dit steunpakket?
Welke bewezen effectieve manieren van verduurzaming en brandstofbesparing worden door
het kabinet straks gecompenseerd? Deze leden manen de regering tot een ambitieuze
verduurzamingsstrategie voor de vloot, omdat dit op termijn de beste manier is om
de visserij een duurzame toekomst te geven. Kan het kabinet aantonen wat het aan resultaat
verwacht door het steunpakket? Tot hoeveel brandstof- en kostenbesparing zal het steunpakket
leiden? Hoe onderbouwt het kabinet dat de middelen doelmatig worden ingezet en het
gewenste effect zullen hebben en niet in feite de fossiele industrie subsidiëren?
Antwoord
Zoals in de Kamerbrief van 20 april jl. «Acties Weerbaarheid Energieschok» aangegeven,
zal het kabinet in het derde kwartaal van dit jaar een energie-efficiëntieregeling
voor de visserijsector openstellen. Hiervoor wordt € 25 miljoen vrijgemaakt op de
begroting van het Ministerie van LVVN. De middelen voor deze regeling betreffen nationale
middelen. De regeling zal niet onder het European Maritime Fisheries and Aquaculture
Fund (EMFAF) worden opengesteld. De komende maanden zal deze regeling nader worden
vormgegeven en zal bezien worden wie er in aanmerking komen, welke investeringen subsidiabel
zijn en hoe deze middelen verdeeld worden onder de doelgroep. Hierbij zal er ook oog
zijn voor de doelmatige inzet van deze middelen. Over de details van de regeling zal
de Staatssecretaris de Kamer op een later moment informeren. Nog niet bekend is tot
hoeveel brandstof- en kostenbesparing dit steunpakket zal leiden. Dit is onder meer
afhankelijk van welke investeringen er onder de regelingen zullen worden gedaan en
hoeveel vaartuigen daadwerkelijk verduurzaamd worden.
Tegelijkertijd wordt vanuit het EMFAF bezien hoe eventuele kortetermijnsteun vorm
kan krijgen. Deze steun zou, indien mogelijk, worden gefinancierd uit resterende vrije
middelen binnen het fonds. Mede om die reden is gekozen voor een nationale energie-efficiëntieregeling,
zodat dit in het totaalplaatje niet ten koste gaat van investeringen in de verdere
verduurzaming en een zuinigere vloot.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie uiten hun zorgen over de dalende makreelpopulatie
en de dreigende overbevissing van de pijlinktvis. Ten eerste wijzen deze leden op
de belabberde staat van het makreelbestand, waardoor volgens experts een totaalverbod
op de vangst dreigt (AD, 31 maart 2026, «Overbeviste makreel verder in gevaar: «Risico
op totaal vangstverbod»» (https://www.ad.nl/binnenland/overbeviste-makreel-verder-in-gevaar-risic…)). Het blijft deze leden verbazen dat supermarkten die een verkoopverbod op makreel
hebben ingevoerd, blijkbaar meer doen voor de gezondheid van de populatie dan de meeste
EU-landen. Kan het kabinet uitleggen welke gevolgen het heeft voor de toekomst van
het makreelbestand dat het makreelquotum ver boven het wetenschappelijke advies van
de International Council for the Exploration of the Sea (ICES) komt te liggen? Is
het op basis van wetenschappelijk onderzoek te verantwoorden dat het makreelquotum
zo hoog is, tegen het ICES-advies in? Graag horen deze leden wat de houding is van
het kabinet wat betreft het vastgestelde makreelquotum.
Antwoord
De International Council for the Exploration of the Sea (ICES) neemt in haar adviezen
over de vangstmogelijkheden doorgaans meerdere scenario's op met niveaus waarop duurzame
visserij kan plaatsvinden. Het wetenschappelijk hoofdadvies van ICES kende een reductie
van 70% op de vangsten en de kans dat het bestand onder de biologische ondergrens
zou blijven is daarmee ca. 50%. Het tweede scenario uit hetzelfde wetenschappelijk
advies van ICES kende een reductie van 48% op de vangsten met een kans van 57% dat
het bestand onder de biologische ondergrens zou blijven. Nederland en Frankrijk, gesteund
door Duitsland en Portugal, hebben tijdens de Raad van 30 maart jl. de Commissie opnieuw
dringend opgeroepen tot hernieuwde inspanning om met de andere Kuststaten tot een
alomvattend, meerjarig akkoord te komen. Tevens is van groot belang dat de overbevissing
door de Russische Federatie beperkt wordt; ook hiertoe doet de Europese Unie (EU)
voorstellen in het kader van de Noord-Oost Atlantische Visserij-Commissie.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie uiten hun zorgen over de vangst op de pijlinktvis.
Door de opwarming van de Noordzee verplaatst het dier zich naar onze wateren en neemt
de vangst toe. Echter, zo stellen experts, zonder regulering van de vangst dreigt
de pijlinktvis gevangen te worden voordat ze eitjes hebben afgezet, waardoor de populatie
te snel wordt uitgeput (Vroege Vogels, 17 april 2026, «Overbevissing van de pijlinktvis
in de Noordzee» (https://www.bnnvara.nl/vroegevogels/artikelen/overbevissing-van-de-pijl…)). Is het kabinet bekend met deze problematiek en is het voornemens om beleid te maken
op de vangst van de pijlinktvis? Onderschrijft het kabinet dat in de huidige situatie
te weinig oog is voor het herstellen van de populatie? Deze leden benadrukken het
belang van goede monitoring van de dalende visbestanden. Is het kabinet voornemens
om de pijlinktvispopulatie en -vangst beter te monitoren en zo ja, hoe? Is het kabinet
bereid om hier op de Landbouw- en Visserijraad aandacht aan te besteden en te verkennen
of er meer EU-lidstaten zijn waarmee ze kan optrekken om het voorzorgsprincipe van
het Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB) beter toe te passen op de vangst van pijlinktvis?
Antwoord
Sinds 2019 is de visserij op inktvis gegroeid en is het belang van deze visserij voor
Nederland toegenomen. Er is op dit moment inderdaad geen quotum voor de pijlinktvis
in EU-wateren, waardoor het gaat om een niet-gequoteerde soort. Dit is aanleiding
geweest voor het Ministerie van LVVN om Wageningen Marine Research en Wageningen Economic
Research te vragen onderzoek te doen naar deze ontwikkeling en de huidige stand van
zaken in de Nederlandse inktvisvisserij. Het onderzoek is reeds aangeboden aan de
Tweede Kamer (zie Kamerstuk 21 501–32, nr. 1706). Het onderzoek biedt inzicht in de inktvisvisserij en geeft mogelijke vervolgstappen
voor de toekomst. Verder worden er in internationaal verband al maatregelen genomen
ter bescherming van het inktvisbestand. Zo heeft Nederland in 2021 in overleg met
onze visserijsector het initiatief genomen om de maaswijdte aan te passen voor de
visserij op pijlinktvis (Loliginidae en Ommastrephidae). Daardoor geldt sinds 28 oktober
2025 voor de Noordzee en delen van de Noordwestelijke wateren een minimale maaswijdte
van 80 mm voor deze visserij. Eerder kon er in deze gebieden nog met een maaswijdte
van 40 mm gevist worden op de pijlinktvis. Het vergroten van de maaswijdte heeft onder
andere tot doel het verminderen van bijvangsten en beter visbestandbeheer. De Staatssecretaris
wil eerst de effecten afwachten van deze maaswijdtevergroting alvorens verdergaande
maatregelen te nemen voor de pijlinktvis.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie spreken grote zorgen uit over de voortdurende koers van
de EU, waarbij de Nederlandse soevereiniteit over ons landbouw- en visserijbeleid
steeds verder wordt uitgehold door groene idealen en Brusselse bemoeizucht. Onze boeren
en vissers vormen de ruggengraat van onze voedselzekerheid en mogen niet langer worden
opgeofferd aan abstracte doelen.
1. Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) na 2027: Voedselproductie boven Landschapstuinieren
De leden van de PVV-fractie vragen of de Minister bereid is om in Brussel te eisen
dat het GLB na 2027 primair gericht blijft op voedselzekerheid en economische levensvatbaarheid
en dat elke verdere verschuiving naar klimaatideologie wordt geblokkeerd.
Antwoord
De Minister zet zich in Brussel in voor het versterken van de lange termijn weerbaarheid
van de Europese agrarische sector, kennis, innovatie, het verdienvermogen van boeren
en het beter belonen van maatschappelijke diensten voor natuur en milieu. Gezamenlijk
draagt dit bij aan een duurzame agrarische sector waarbij zowel voedselzekerheid als
economische levensvatbaarheid gewaarborgd blijft. Daarnaast pleit de Minister voor
het doelgericht inzetten van GLB-middelen zodat die bijdragen aan de Nederlandse nationale
opgaves.
Hoe gaat de Minister voorkomen dat de nationale beleidsvrijheid verder wordt ingeperkt
door de Brusselse visie voor landbouw en voedsel?
Antwoord
De Visie voor Landbouw en Voedsel bevat geen nieuwe wetgeving, maar kondigt verschillende
(wetgevende) voorstellen aan die de Commissie voornemens is om de komende jaren te
publiceren. Deze voorstellen zullen de gebruikelijke Europese wetgevingsprocedure
volgen. De EU treedt alleen op als dit meerwaarde heeft boven nationaal optreden (subsidiariteitsbeginsel).
Het kabinet toetst elk voorstel van de Commissie scherp op dit uitgangspunt. De Kamer
wordt hierover steeds geïnformeerd via de Beoordeling Nieuwe Commissievoorstellen
(BNC-fiche).
2. Marktsituatie en Oekraïne: Stop de oneerlijke concurrentie
De leden van de PVV-fractie zijn van mening dat de sinds oktober 2025 geldende vrijhandelsovereenkomst
(DCFTA) met Oekraïne zorgt voor een massale import van goedkope landbouwgoederen,
wat onze eigen boeren die aan veel strengere eisen moeten voldoen in een onmogelijke
positie brengt. Enkel monitoring is volstrekt onvoldoende. Kan de Minister in de Raad
afdwingen dat er harde en automatisch werkende vrijwaringsclausules worden geactiveerd
zodra Oekraïense importen de Nederlandse marktprijzen ondergraven? Deze leden eisen
onmiddellijke actie tegen de stijgende inputprijzen in plaats van het afwachten van
weer een nieuw Actieplan Meststoffen.
Antwoord
Met de herziening van het Associatieakkoord en daaraan gelieerde handelsovereenkomst
(Deep and Comprehensive Free Trade Agreement – DCFTA) tussen de EU en Oekraïne in
2025 is een einde gekomen aan de autonome handelsmaatregelen die sinds juni 2022 van
toepassing waren. Met de inwerkingtreding van de herziene DCFTA is voor gevoelige
landbouwproducten sprake van een gereduceerde omvang van tariefcontingenten ten opzichte
van de autonome handelsmaatregelen. Verder zijn er voorwaarden gesteld aan het verruimde
deel van de markttoegang. Waaronder verdere afspraken over de overname van Europese
sanitaire- en fytosanitaire regelgeving door Oekraïne.
Met de herziening van het DCFTA is eveneens de vrijwaringspijler aangescherpt, en
vindt er continue monitoring door de Commissie plaats op eventuele marktverstoringen.
Het kabinet hecht eraan dat ernstige marktverstoringen tijdig kunnen worden vastgesteld
en dat, indien nodig, er binnen redelijke termijn kan worden ingegrepen. De eerste
handelscijfers over de periode na inwerkingtreding van het vernieuwde DCFTA laten
echter geen dusdanige marktverstoring als gevolg van import van landbouwgoederen uit
Oekraïne zien voor het inroepen van de vrijwaringsmaatregelen. Mocht hier in de toekomst
wel sprake van zijn dan zal het kabinet dergelijke zorgen in lijn met de vrijwaringsafspraken
bij de Commissie adresseren.
3. Mestbeleid: Onvoorwaardelijke erkenning van RENURE
De leden van de PVV-fractie vinden het onacceptabel dat Nederland voor de toepassing
van eigen innovaties zoals RENURE en digestaat nog steeds moet smeken bij de EC. De
starre Nitraatrichtlijn dient als een verstikkend dictaat. Is de Minister bereid om
in Luxemburg de rug recht te houden en onvoorwaardelijk te eisen dat RENURE per direct,
zonder aanvullende groene restricties, wordt erkend als kunstmestvervanger? Waarom
wordt de herziening van de Nitraatrichtlijn niet direct ingezet om het gebruik van
digestaat als duurzaam alternatief voor kunstmest EU-breed toe te staan, zoals ook
door andere lidstaten is gevraagd?
Antwoord
Met de recente aanpassing van de Nitraatrichtlijn, die op 2 maart jl. is gepubliceerd,
is een belangrijke stap genomen op het vlak van RENURE. Momenteel ligt de regelgeving
voor de Nederlandse implementatie van deze aanpassing voor notificatie voor in Brussel,
zoals vermeld in de brief van 8 april 2026 (Kamerstukken II, 2025//2026, 33 037, nr. 643). De verwachting is dat rond de zomer van 2026 er gestart kan worden met het gebruik
van RENURE. Digestaat is bij uitstek geschikt om te kunnen dienen als input voor de
productie van RENURE. In die zin ziet de Minister hierin ook mogelijkheden om verantwoord
gebruik te kunnen maken van digestaat. De Commissie heeft aangegeven te verwachten
in het tweede kwartaal van dit jaar de evaluatie van de Nitraatrichtlijn te kunnen
te presenteren. Mogelijk biedt dit aanknopingspunten om het RENURE-concept verder
te ontwikkelen, zoals de Minister ook in de zojuist aangehaalde brief heeft aangegeven.
4. Handelsverdragen (Mercosur): Geen uitverkoop van de agrarische sector
De leden van de PVV-fractie zijn faliekant tegen de voorlopige toepassing van het
Mercosur-verdrag per 1 mei aanstaande. Het importeren van vlees uit landen die niet
aan onze standaarden voldoen is een klap in het gezicht van de Nederlandse veehouder.
Is de Minister bereid om zich in Europees verband hard uit te spreken tegen de voorlopige
toepassing van het Mercosur-verdrag om de Nederlandse veehouderij te beschermen tegen
oneerlijke concurrentie?
Antwoord
Het kabinet heeft in de Raad van de EU reeds ingestemd met de ondertekening en voorlopige
toepassing van het EU – Mercosur akkoord, conform de motie Van der Burg c.s. (Kamerstukken
II, 2025–2026, 21 501-02, nr. 3309) Het kabinet steunt voorlopige toepassing van het EU – Mercosur akkoord conform de
motie Erkens c.s. (Kamerstukken II, 2025–2026, 21 501-20, nr. 2374). Dit neemt niet weg dat het kabinet de Commissie zal houden aan de afspraken in
het akkoord en de aanvullende maatregelen ter bescherming van de Europese landbouwsector.
5. Visserij: Ruimte voor de vloot en terugkeer van de puls
De leden van de PVV-fractie zijn van mening dat onze vissers worden weggepest door
torenhoge brandstofprijzen en disproportionele regels, zoals cameratoezicht en weegverplichtingen.
Gaat de Minister de energietransitie in de visserij aangrijpen om de pulsvisserij,
een bewezen effectieve en brandstof besparende methode, opnieuw op de agenda te zetten
als essentieel onderdeel van een rendabele vloot?
Antwoord
Het kabinet zet zich zowel in Nederland als in Brussel in voor een duurzame en innovatieve
visserijsector. De huidige brandstofprijzen benadrukken nogmaals de noodzaak van het
verminderen van het brandstofverbruik van de visserijsector. Onderdeel van deze inzet
is het legaliseren van de pulsvisserij. Hiertoe wordt er, in lijn met de moties van
der Plas en van der Plas – den Hollander, verkend of kleinschalig onderzoek in de
kustzone met andere landen mogelijk is. Het vorige kabinet heeft de Kamer hierover
al geïnformeerd (Kamerstuk 21501–32, nr. 1738). Deze onderzoeken moeten bijdragen aan het verhogen van het draagvlak voor de pulsvisserij,
zodat concrete stappen kunnen worden gezet richting legalisering.
De leden van de PVV-fractie wijzen de inzet van camera's op vaartuigen resoluut af
als een inbreuk op de privacy en autonomie van onze vissers.
De leden van de PVV-fractie roepen de Minister op om in Luxemburg eindelijk de Nederlandse
belangen voorop te stellen. Kies voor de Nederlandse boer en visser en herstel onze
nationale soevereiniteit.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de agenda voor het schriftelijk
overleg van de vaste commissie voor de Landbouw- en Visserijraad in april en hebben
enkele vragen.
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de voorstellen van de EC voor
de invulling van het GLB om lidstaten de ruimte te geven om de basisbetaling vast
te stellen binnen een bandbreedte per hectare. Het kabinet heeft in het BNC-fiche
aangegeven deze bandbreedte te willen verlagen en de ondergrens te schrappen, terwijl
andere lidstaten er mogelijk voor kiezen zwaarder in te zetten op de basisbetaling.
Hoe ziet de Minister de inzet van het kabinet om de bandbreedte te verlagen en de
ondergrens te schrappen in verhouding tot het risico op een ongelijk speelveld tussen
lidstaten die juist kiezen voor een hogere basisbetaling? Welke concrete inzet zal
de Minister in de Raad kiezen om een gelijk speelveld binnen de EU te waarborgen?
Antwoord
Inkomenssteun voor boeren is een belangrijk instrument dat moet passen bij de ambitie
voor een duurzame landbouw en moet bijdragen aan een toekomstbestendige sector. De
Minister pleit in Brussel voor het behouden van vrijheid om inkomenssteun doelgericht
in te zetten. Wat betreft de ondergrens van de bandbreedte, pleit de Minister voor
het verlagen van de ondergrens, hierdoor zal er meer ruimte ontstaan om EU-gefinancierde
middelen in te zetten voor grote nationale opgaven zoals de stikstofopgave, generatievernieuwing
en leefbaarheid in het landelijk gebied. Hierbij hebben andere lidstaten soms andere
uitdagingen. Tegelijkertijd, vindt de Minister het belangrijk om zoveel mogelijk een
gelijk speelveld te waarborgen door een vergelijkbare inzet op de GLB-doelen. Meerdere
lidstaten zien deze uitdaging en momenteel wordt bekeken welke oplossing hiervoor
op voldoende draagvlak kan rekenen.
De leden van de CDA-fractie hebben vernomen dat de RVO de definitieve beschikkingen
voor de GLB-aanvragen 2025 heeft verstuurd. Deze leden krijgen signalen dat een aanzienlijk
deel van de aanvragen voor eco-regelingen is afgekeurd. In de sector bestaan zorgen
over de betrouwbaarheid van de controle met het Areaal Monitoring Systeem (AMS), waarbij
gebruik wordt gemaakt van satellietbeelden en algoritmes om te beoordelen of aan voorwaarden.
De leden van de CDA-fractie betreuren dat de afkeuringen voor eco-regelingen leiden
tot onzekerheid en mogelijk afnemende bereidheid onder boeren om deel te nemen aan
de eco-regeling terwijl deze regeling een belangrijke pijler vormt onder de verduurzaming
van de landbouw. Is de Minister bereid om beschikkingen die hebben geleid tot substantiële
verlagingen of afkeuringen van eco-regelingvergoedingen opnieuw te laten beoordelen
waarbij menselijke beoordeling leidend is? Op welke wijze wil de Minister de deelname
aan de eco-regeling in 2026 bevorderen in het licht van de huidige signalen van onvrede
en onzekerheid?
Antwoord
In 2025 is voor het eerst op grote schaal met satellietbeelden gemonitord. Daardoor
waren er meer afwijkingen en zijn er meer eco-activiteiten afgewezen dan eerdere jaren.
Deze hoeveelheid is wel in lijn der verwachting gezien de geconstateerde niet-nalevingen
door steekproeven in het veld. Op dit moment is het zo dat als boeren het niet eens
zijn met de beoordeling van hun aanvraag door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland
(RVO), zij bezwaar kunnen maken. Voor 2026 is besloten om het aantal eco-activiteiten
in de regeling stabiel te houden en het budget voor de eco-regeling met € 50 mln.
te verhogen om stabiliteit en deelname te bevorderen.
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de maandelijkse voortgangsrapportage
over de onderhandelingen over het GLB 2028–2034. Deze leden hebben hierover de volgende
vragen.
De leden van de CDA-fractie hechten groot belang aan de strategische autonomie van
de EU op het gebied van voedselproductie en eiwitvoorziening. Deze leden constateren
dat de Europese afhankelijkheid van geïmporteerde eiwitgewassen al jaren een kwetsbaarheid
vormt voor de voedselzekerheid en de concurrentiepositie van de Europese veehouderij.
Kan de Minister toelichten wat de inzet van Nederland is in de GLB-onderhandelingen
ten aanzien van een Europese eiwitstrategie, en op welke wijze het nieuwe GLB kan
bijdragen aan het verminderen van de Europese importafhankelijkheid van eiwitgewassen?
Antwoord
De voorstellen voor het toekomstige GLB geven reeds ruimte om in de nationale planvorming
maatregelen te introduceren die bijdragen aan de doelen van de Europese eiwitstrategie,
bijvoorbeeld door steun te richten op de teelt van eiwithoudende gewassen. Nederland
heeft tijdens de onderhandelingen hierop dan ook geen aanvullende inzet. De Commissie
heeft voorts in de wijzigingen op het vlak van de Gemeenschappelijke Marktordening
maatregelen voorgesteld, zoals de toevoeging van eiwithoudende gewassen als aparte
sector in de GMO-verordening, de mogelijkheid tot het instellen van handelsnormen
en het erkennen van producentenorganisaties en brancheorganisaties in deze sector
(Kamerstuk 22 112, nr. 4145). Deze maatregelen moeten bijdragen aan het stimuleren van de teelt van eiwitgewassen
en de afhankelijkheid van importgewassen verminderen. Nederland steunt deze voorstellen.
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de sterk gestegen kunstmestprijzen
als gevolg van verstoringen in de energie- en handelsroutes, met name rond de Straat
van Hormuz, en van het aangekondigde EU-Actieplan Meststoffen. Deze leden constateren
dat de afhankelijkheid van buitenlandse kunstmest de weerbaarheid van de Europese
landbouwsector structureel ondermijnt. Zij zien RENURE als een kansrijke bijdrage
aan een duurzamere en minder importafhankelijke meststoffenvoorziening. Kan de Minister
toelichten wat de Nederlandse inzet is in de GLB-onderhandelingen op het faciliteren
van RENURE-toepassing en welke stappen hij in dat licht zet om belemmeringen in de
Europese regelgeving voor RENURE op korte termijn te verminderen?
Antwoord
Om de productie van RENURE op te schalen wordt nationaal gewerkt aan een subsidieregeling
voor het opstarten van kleine installaties op veehouderijbedrijven of grootschalige
installaties voor mestverwaarding tot RENURE-producten. De Commissie heeft aangegeven
te verwachten in het tweede kwartaal van dit jaar de evaluatie van de Nitraatrichtlijn
te kunnen te presenteren. Mogelijk biedt dit aanknopingspunten om het RENURE-concept
verder te ontwikkelen. In het kader van de GLB-onderhandelingen kan gekeken worden
naar aanvullende mogelijkheden om de toepassing van RENURE verder te faciliteren.
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de recente besluitvorming in
de Europese Visserijraad over het makreelquotum. Deze leden constateren dat het vastgestelde
quotum van 299.010 ton aanzienlijk hoger ligt dan het wetenschappelijk advies van
ICES van 174.000 ton, terwijl het makreelbestand de afgelopen tien jaar al sterk is
afgenomen. Kan de Staatssecretaris toelichten hoe hij in Europees verband inzet op
het alsnog sluiten van internationale afspraken over de verdeling van het makreelquotum
binnen de door ICES geadviseerde grenzen en welke stappen hij onderneemt om te voorkomen
dat de daadwerkelijke vangst het vastgestelde quotum overschrijdt?
Antwoord
Nederland en Frankrijk, gesteund door Duitsland en Portugal, hebben tijdens de Raad
van 30 maart jl. de Commissie opnieuw dringend opgeroepen tot hernieuwde inspanning
om met de andere Kuststaten tot een alomvattend, meerjarig akkoord te komen. Het streven
is dat wanneer ook de EU-deel van dergelijk beoogd akkoord wordt, de EU haar invloed
kan aanwenden tot een duurzaam beheer van het makreelbestand. Tevens is van groot
belang dat de overbevissing door de Russische Federatie beperkt wordt; ook hiertoe
doet de EU voorstellen in het kader van de Noord-Oost Atlantische Visserij-Commissie.
Het quotumbeheer binnen de EU wordt geborgd door het GVB. De vangstregulering door
de andere Kuststaten vindt plaats conform het akkoord dat zij onderling zijn overeengekomen
en waarin zij per Kuststaat een gemaximeerde vangsthoeveelheid hebben opgenomen.
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de Europese plannen om visserijsectoren
tegemoet te komen bij de sterk gestegen brandstofkosten als gevolg van de geopolitieke
spanningen in het Midden-Oosten. Deze leden maken zich zorgen dat het financieren
van brandstofcompensatie ten koste gaat van de middelen die zijn bestemd voor structurele
verduurzaming van de visserijsector en daarmee de transitie naar een toekomstbestendige
visserij vertraagt in plaats van versnelt. Zij zijn van mening dat eventuele tijdelijke
steun beleidsmatig beter past binnen EMFAF-prioriteit twee of drie, gericht op markt-
en gemeenschapsondersteuning, dan binnen prioriteit één, die is gereserveerd voor
innovatie en natuurherstel. Kan de Staatssecretaris toelichten of Nederland voornemens
is gebruik te maken van de Europese mogelijkheden voor brandstofcompensatie en zo
ja, uit welke EMFAF-prioriteit hij deze middelen wil inzetten en hoe hij daarbij borgt
dat de innovatiemiddelen voor verduurzaming intact blijven?
Antwoord
Zoals in de Kamerbrief van 20 april jl. «Acties Weerbaarheid Energieschok» opgenomen,
is de Staatssecretaris conform Motie Flach (Kamerstukken 23 432, nr. 713) in gesprek met de Commissie over het crisismechanisme onder het EMFAF. De Commissie
heeft de uitvoeringshandeling van dit crisismechanisme met daarin de kaders voor mogelijke
steunverlening op 16 april jl. gepubliceerd. Het kabinet beziet de mogelijkheden binnen
het EMFAF om daarmee de eerste directe grote gevolgen in de visserij te beperken tot
het moment van openstelling van energiebesparingsregelingen. Door ook nationaal voor
een grotere energie-efficiency regeling te kiezen dan voor ogen was, komt er ruimte
om bestaande EMFAF-middelen in te zetten voor kortetermijnsteun. Mogelijke inzet van
het crisismechanisme onder het EMFAF staat los van de reeds voorziene innovatieregelingen
onder het EMFAF die gericht zijn op de aquacultuur en verwerkende keten voor visserij
en aquacultuur.
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
Landbouw
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda en de
onderliggende stukken en hebben hierover de volgende vragen en opmerkingen.
De leden van de BBB-fractie constateren dat het achtergronddocument voor de beleidsdiscussie
over het GLB na 2027 nog niet beschikbaar is. Deze leden vragen zich af of dit document
inmiddels al wel beschikbaar is en of de Minister dit achtergronddocument met de Kamer
kan delen. Datzelfde geldt door het achtergronddocument voor de beleidsdiscussie over
de marktsituatie.
Antwoord
Op het moment van schrijven zijn er nog geen definitieve achtergronddocumenten beschikbaar.
Zodra deze beschikbaar zijn, zullen ze worden gepubliceerd op de website van de Raad
van de EU (www.consilium.europea.eu) en kunnen daar worden geraadpleegd.
De leden van de BBB-fractie constateren dat er serieuze zorgen bestaan over een mogelijk
ongelijk speelveld tussen lidstaten, onder andere door verschillen in basisbetalingen
en de toegenomen flexibiliteit binnen het GLB. Deze leden delen deze zorgen en vragen
de Minister hoe hij dit risico beoordeelt en welke concrete inzet Nederland pleegt
om een ongelijk speelveld te voorkomen. Ook vragen zij of de Minister bereid is zich
in te zetten voor een beperktere bandbreedte in basisbetalingen tussen lidstaten.
Antwoord
Inkomenssteun voor boeren is een belangrijk instrument dat moet passen bij de ambitie
voor een duurzame landbouw en moet bijdragen aan een toekomstbestendige sector. Om
dit te bereiken, pleit de Minister voor het behoud van vrijheid om de inkomenssteun
doelgericht in te zetten, waarbij de Minister tegelijkertijd de zorgen meeweegt over
een mogelijk ongelijk speelveld. Wat betreft de bandbreedte, pleit de Minister voor
het verlagen van de bandbreedte en het schrappen van de ondergrens, hierdoor zal er
meer ruimte ontstaan om EU-gefinancierde middelen in te zetten voor nationale landbouw
gerelateerde opgaven.
De leden van de BBB-fractie constateren voorts dat de Europese Rekenkamer wijst op
toenemende complexiteit, onzekerheid en risico’s op vertraging in de uitvoering van
het nieuwe GLB. Deze leden vragen hoe de Minister deze kritiek beoordeelt en of hij
de zorg deelt dat boeren hierdoor juist minder zekerheid krijgen.
Antwoord
De bevindingen van de Europese Rekenkamer sluiten aan bij de door het Ministerie van
LVVN eerder gedeelde zorgen wat betreft toenemende complexiteit, onzekerheid en risico's
op vertraging in de uitvoering van het nieuwe GLB. Deze zorg heeft de Minister ook
overgebracht aan de Commissie. Het kabinet blijft zich inzetten om de zorg over onzekerheden
voor boeren en andere begunstigden weg te nemen.
De leden van de BBB-fractie constateren dat de EC werkt aan een Meststoffenactieplan
om de afhankelijkheid van kunstmest te verminderen en de leveringszekerheid te vergroten.
Deze leden vragen wanneer de Kamer dit Meststoffenactieplan kan verwachten en wat
de Nederlandse inzet hierbij is. In dat kader lezen zij dat door de Minister wordt
ingezet op vermindering van kunstmestgebruik. Zij vragen of dit impliciet betekent
dat ook de stikstofgebruiksruimte verder wordt beperkt en geven aan dat dit wat hen
betreft zeer zorgelijk zou zijn. Zij vragen de Minister expliciet of minder kunstmestgebruik
betekent dat ook minder stikstofgebruiksruimte beschikbaar komt en hoe wordt voorkomen
dat dit leidt tot lagere opbrengsten en verdere druk op boeren.
Antwoord
De verwachting is dat het Meststoffenactieplan medio mei wordt gepresenteerd. Op dit
moment is de inhoud van het plan nog niet bekend. Zoals gebruikelijk bij mededelingen
van de Commissie zal de Kamer middels een BNC-fiche geïnformeerd worden binnen de
daarvoor afgesproken termijn.
De leden van de BBB-fractie zijn van mening dat juist het beter benutten van dierlijke
mest kan bijdragen aan het verminderen van kunstmestgebruik. Deze leden vragen of
de Minister deze opvatting deelt en welke inzet Nederland pleegt om de toepassing
van dierlijke mest te verruimen.
Antwoord
Met de recente aanpassing van de Nitraatrichtlijn, die op 2 maart jl. is gepubliceerd,
is een belangrijke stap genomen op het vlak van RENURE als nuttige toepassing van
dierlijke mest. Momenteel ligt de regelgeving voor de Nederlandse implementatie van
deze aanpassing voor notificatie voor in Brussel. De verwachting daarbij is dat rond
de zomer gestart kan worden met het gebruik van RENURE.
De leden van de BBB-fractie constateren dat de Nitraatrichtlijn zou worden geëvalueerd
en dat vanuit de sector nadrukkelijk wordt gepleit voor aanpassing om meer ruimte
te bieden voor dierlijke meststoffen. Deze leden vragen naar de stand van zaken van
deze evaluatie en of de Minister van mening is dat de Nitraatrichtlijn moet worden
aangepast. Tevens vragen zij of de Minister bereid is zich in Europees verband in
te zetten voor herziening van deze richtlijn.
Antwoord
De Commissie heeft aangegeven te verwachten in het tweede kwartaal van dit jaar de
evaluatie van de Nitraatrichtlijn te presenteren. Mogelijk biedt dit aanknopingspunten
om het RENURE-concept verder te ontwikkelen.
De leden van de BBB-fractie constateren dat boeren worden geconfronteerd met sterk
stijgende kosten voor niet alleen kunstmest, maar ook energie en transport, wat leidt
tot grote onzekerheid in de sector. Deze leden vragen welke concrete maatregelen de
Minister in Europees verband inzet om deze kostenstijgingen te mitigeren en hoe de
weerbaarheid van de landbouwsector daadwerkelijk wordt versterkt.
Antwoord
De situatie in het Midden-Oosten heeft mijn volle aandacht. Op dit moment heeft deze
nog niet tot grote knelpunten geleid in de Nederlandse land- en tuinbouw. Daarbij
speelt een rol dat agrarische ondernemers in energiegevoelige sectoren over het algemeen
langer lopende contracten hebben en dat veel kunstmestvoorraden eerder zijn ingekocht.
Desondanks stijgen de energie- en kunstmestkosten en als de situatie lang aanhoudt
zullen de marges verder onder druk komen te staan. Dit onderstreept het belang van
het vergroten van de weerbaarheid in de land- en tuinbouw. Het door de Commissie aangekondigde
Actieplan Meststoffen levert hier bijvoorbeeld een bijdrage aan, omdat dit mede beoogt
de afhankelijkheid van kunstmest te verminderen. Bovendien is de Kamer op 20 april
jl. met de kabinetsbrief over maatregelen in reactie op de situatie in het Midden-Oosten,
geïnformeerd over het voornemen om geld ter beschikking te stellen voor de weerbaarheid
van de Nederlandse landbouwsector.
De leden van de BBB-fractie vragen de Minister welke Europees juridische belemmeringen
er zijn om het nationale fosfaatplafond in Nederland te kunnen verhogen. Wat is de
juridische status van de laatste derogatiebeschikking en de gemaakte afspraken in
ruil voor de laatste derogatie nu deze is «verlopen»?
Antwoord
In de brief aan de Kamer van 19 februari jl. (Kamerstukken II, 2025//2026, 33 037, nr. 641) heeft de Minister aangegeven welke mestregels vanaf 1 januari 2026 gelden, nu er
geen nieuwe derogatiebeschikking is en geen 8e Actieprogramma Nitraat is vastgesteld.
Dit betekent ten algemene dat in 2026 alle mestregels gelden die op 31 december 2025
golden. Het gaat daarbij om regels ter implementatie van het 7e Actieprogramma Nitraat
en eerdere actieprogramma’s of andere nationale mestregels. Het gaat ook om regels
ter implementatie van algemene voorwaarden uit de derogatiebeschikking of eerder verleende
derogatiebeschikkingen. Dit betreft voorschriften die niet gericht zijn tot bedrijven
waaraan een derogatievergunning was verleend. De fosfaatplafonds blijven derhalve
ook na afloop van de derogatiebeschikking gelden.
De leden van de BBB-fractie benadrukken tot slot dat de landbouwsector van essentieel
belang is voor voedselzekerheid, leveringszekerheid en strategische autonomie van
Europa. Deze leden vragen hoe dit strategisch belang concreet wordt vertaald in de
Nederlandse inzet richting de Raad en op welke wijze wordt voorkomen dat Europese
regelgeving de productiekracht van de landbouwsector verder ondermijnt.
Antwoord
Het kabinet onderschrijft dat de landbouwsector een essentiële bijdrage levert aan
onze voedselzekerheid en daarmee ook de strategische autonomie van Europa en Nederland
zal dit ook tijdens de aanstaande Landbouw- en Visserijraad benadrukken.
Er zijn verschillende procedurele stappen in het Europese wetgevingstraject ingebouwd
die moeten voorkomen dat een wetgevingsvoorstel tot ongewenste neveneffecten leidt
op andere beleidsterreinen. Zo dient een wetgevingsvoorstel van de Commissie voorzien
te zijn van een effectbeoordeling. Tijdens de Raad van 26 mei 2025 riep Nederland
de Commissie, in lijn met motie Van der Plas (Kamerstuk 30 252, nr. 194), op om bij nieuwe voorstellen de gevolgen voor de Europese voedselzekerheid mee
te nemen (Kamerstuk 21 501, nr. 1708). Daarnaast zijn er openbare consultatiemomenten
en kunnen de Raad en het Europees Parlement aanpassingen voordragen voor wetgevingsvoorstellen.
Visserij
De leden van de BBB-fractie vragen of het is toegestaan om te vissen op houting, aangezien
hierover momenteel in de sector onduidelijkheid bestaat.
De leden van de BBB-fractie vragen wat de huidige stand van zaken is van de makreelonderhandelingen.
Hoe borgt de Staatssecretaris het gelijke speelveld voor Nederlandse vissers ten opzichte
van andere kuststaten? Kan de Kamer hierover per brief apart worden geïnformeerd,
inclusief de inzet van het kabinet, mogelijke vervolgstappen en de gevolgen voor de
Nederlandse visserijsector?
Antwoord
Voor houting geldt op grond van de Visserijwet een jaarrond terugzetplicht. Dit betekent
dat dieren die gevangen worden in alle gevallen moeten worden teruggeplaatst en niet
mogen worden onttrokken of in de handel worden gebracht. Sinds juli 2023 is dit ter
voorkoming van onduidelijkheden op deze wijze opgenomen in de Visserijwet. Dit is
in lijn met de verplichtingen uit de Habitatrichtlijn waar houting onder de bijlages
2 en 4 is opgenomen.
De makreelonderhandelingen vinden vanaf 1 april jl. plaats onder voorzitterschap van
Noorwegen. De EU zal zich blijven inzetten voor toetreding tot het akkoord dat door
Noorwegen, het VK, de Faröer, en IJsland is gesloten. Het gelijke speelveld voor Nederlandse
vissers in relatie tot die uit de andere Kuststaten is gerealiseerd doordat ook de
EU de vangsthoeveelheid heeft bepaald op 299.010 ton waarover u bent geïnformeerd
via het verslag van de vorige Raad (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1775). De Staatssecretaris zal de Kamer over dit dossier informeren via de Geannoteerde
Agenda voorafgaand aan een Landbouw- en Visserijraad en na afloop daarvan in het verslag
van de betreffende Raad wanneer hierover ontwikkelingen zijn te melden.
De leden van de BBB-fractie vragen hoe de Staatssecretaris aankijkt tegen het feit
dat andere kuststaten afwijken van het hoofdadvies van ICES. Welke gevolgen heeft
dit voor het makreelbestand en de positie van de EU? Wat is het Nederlandse visserijbelang
in de Groenlandse wateren?
Antwoord
Het wetenschappelijk hoofdadvies van ICES kende een reductie van 70% op de vangsten
en de kans dat het bestand onder de biologische ondergrens zou blijven is daarmee
ca. 50%. Het tweede scenario uit het wetenschappelijk advies van ICES kende een reductie
van 48% op de vangsten met een kans van 57% dat het bestand onder de biologische ondergrens
zal blijven. Nederland en Frankrijk, gesteund door Duitsland en Portugal, hebben op
de Raad van maandag 30 maart jl. de Commissaris daarom opnieuw dringend opgeroepen
tot hernieuwde inspanning om met de andere Kuststaten tot een alomvattend, meerjarig
akkoord tussen alle Kuststaten te komen. Tevens is van groot belang dat de overbevissing
door de Russische Federatie beperkt wordt; ook hiertoe doet de EU voorstellen in het
kader van de Noord-Oost Atlantische Visserij-Commissie. De Staatssecretaris alsook
zijn ambtsvoorganger hebben meermaals gepleit bij eerder Raden voor herstel van het
gelijke speelveld en in dat licht is aansluiten bij de andere Kuststaten voor de hand
liggend. Het streven van de EU en ook dat van Nederland is dat wanneer ook de EU-deel
van dergelijk beoogd akkoord wordt, de EU haar invloed kan aanwenden tot een duurzaam
beheer van het makreelbestand.
Voor wat betreft uw vraag naar het Nederlandse visserijbelang in Groenlandse wateren
luidt het antwoord dat Nederland daar geen visserijbelang heeft.
De leden van de BBB-fractie vragen hoe de Staatssecretaris zich inzet voor een allesomvattend
akkoord met Noordoost-Atlantische kuststaten over makreel en hoe wordt omgegaan met
overbevissing door derde landen, waaronder Rusland.
Antwoord
De Staatssecretaris blijft zich via de EU inzetten om tot een alomvattend, meerjarig
akkoord tussen alle Kuststaten te komen. De Staatssecretaris heeft hier de Commissie
tijdens de Raad van 30 maart jl. ook toe opgeroepen; hierbij is ook nadrukkelijk aandacht
gevraagd voor het kunnen tegengaan van de overbevissing door de Russische Federatie.
De leden van de BBB-fractie vragen hoe wordt voorkomen dat de Nederlandse visserij
onevenredig wordt geraakt door strengere Europese quota, terwijl andere landen minder
strenge scenario’s hanteren.
Antwoord
Het gelijke speelveld voor Nederlandse vissers in relatie tot die uit de andere Kuststaten
is gerealiseerd doordat ook de EU de vangsthoeveelheid heeft bepaald op 299.010 ton
waarover de Kamer is geïnformeerd via het verslag van de vorige Raad (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1775). De Staatssecretaris zal de Kamer over dit dossier informeren via de Geannoteerde
Agenda voorafgaand aan een Landbouw- en Visserijraad en na afloop daarvan in het verslag
van de betreffende Raad wanneer hierover ontwikkelingen zijn te melden.
De leden van de BBB-fractie vragen of de Staatssecretaris bereid is om de garnalensector
de ruimte te geven om eerst de effecten van ingezette verduurzamingsstappen te laten
zien, alvorens aanvullende maatregelen te overwegen.
Antwoord
De ambtsvoorganger van de Staatssecretaris heeft in goed overleg met de sector een
aantal maatregelen afgesproken, waaronder een vrijwillige saneringsregeling en een
te sluiten gebied in de westelijke Waddenzee. Naar verwachting zal deze sanering de
visserij-intensiteit verlagen. De Staatssecretaris zal bij mogelijke aanvullende maatregelen
nadrukkelijk rekening houden met de effecten van de reeds in gang gezette maatregelen.
De leden van de BBB-fractie vragen welke mogelijkheden de Staatssecretaris ziet voor
zowel actieve als passieve visserij binnen windmolenparken en of er een tijdspad kan
worden gegeven voor de implementatie van nieuwe wet- en regelgeving. Kan de Kamer
hierover per brief apart worden geïnformeerd?
Antwoord
Wat betreft passieve visserij binnen windparken zullen er tot eind 2027 mogelijkheden
blijven voor passieve vissers om zelfstandig experimenten uit te voeren. Hiervoor
is op 8 april een uitvraag gepubliceerd in de Staatscourant voor de windparken Hollandse
Kust Zuid en Hollandse Kust Noord (Stcrt. 2026, nr. 13942), waarover de Kamer op korte termijn nader zal worden geïnformeerd. Op het moment
dat de experimenten met goede resultaten worden afgerond, wil de Staatssecretaris
vanaf 2028 het experimenteel vissen in windparken omzetten in beroepsmatig passief
vissen in windparken. Hiervoor is een aanpassing nodig in de beleidsregel «Instellen
veiligheidszone windparken op zee», waarvoor het streven is om die met de ingang van
het Programma Noordzee 2028–2033 te bewerkstelligen (Q1 2028).
Ook actieve visserij in windparken zou mogelijkheden kunnen bieden voor de steeds
kleiner wordende ruimte voor visserij. Daarom laat de Staatssecretaris op dit moment
diverse verkennende onderzoeken uitvoeren die de mogelijkheden in kaart brengen. Deze
onderzoeken zien onder andere op veiligheid, verzekerbaarheid, minimale begraafdiepte
van infieldkabels, ecologische effecten en maatschappelijke kosten en baten van eventuele
actieve visserij in toekomstige windparken op zee. Hierin trekt de Staatssecretaris
nauw op met onder andere zijn collega bewindspersonen van Economische Zaken en Klimaat
(EZK) en Infrastructuur en Waterstaat (IenW). Deze onderzoeken leiden tot een brede
informatiebasis waarop vervolgens in het kader van het Programma Noordzee 2028–2033
besluitvorming kan plaatsvinden. In de loop van dit jaar zullen de uitkomsten van
de onderzoeken gereed zijn en zullen deze met de Kamer worden gedeeld. De Minister
van IenW verwacht (in overeenstemming met de Minister van Klimaat en Groene Groei,
de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, de Minister van LVVN, de
Staatssecretaris van LVVN, en de Staatssecretaris van Defensie) de Kamer begin 2027
te kunnen informeren over het ontwerp van het Programma Noordzee 2028–2033 (Kamerstukken
2026 35 325, nr. 13).
Daarnaast is in het Partieel Herziene Programma Noordzee 2022–2027 (Kamerstuk 35 325, nr. 11) al het uitgangspunt geformuleerd dat actieve visserij in toekomstig windpark Doordewind
zal worden toegestaan, mits uit het onderzoek blijkt dat dit veilig, haalbaar en uitvoerbaar
kan. Ook hiervoor leveren de bovengenoemde onderzoeken de basis voor de toetsing aan
de criteria «veilig, haalbaar en uitvoerbaar». Daarnaast wordt actieve visserij meegenomen
als scenario in de onderzoeken ten behoeve van de milieueffectrapportage voor het
windenergiegebied Doordewind (Stcrt. 2026, nr. 12763). De ontwerp kavelbesluiten voor dit windenergiegebied worden eind 2026/begin 2027
verwacht.
De Staatssecretaris acht het op dit moment niet nodig om in aanvulling van bovenstaande
informatie een aparte brief op te stellen.
De leden van de BBB-fractie vragen hoe de Staatssecretaris aankijkt tegen het feit
dat in landen zoals Denemarken soorten als zwarte zee-eend en eidereend worden bejaagd,
terwijl in Nederland extra beschermingsmaatregelen gelden. Leidt dit tot een ongelijk
speelveld waarbij de visserij mogelijk onterecht het slachtoffer wordt? Indien dat
het geval is, zou het niet logischer zijn om eerst in gesprek te gaan met landen zoals
Denemarken over hun beleid, in plaats van aanvullende gebiedssluitingen voor de visserij
te overwegen? Zijn er mogelijk nog andere vogelsoorten waarvoor dit ook geldt?
Antwoord
De zwarte zee-eend en eidereend zijn beschermd op grond van de Vogelrichtlijn. De
staat van instandhouding in Nederland is voor beiden zeer ongunstig. In Nederland
zijn er Natura-2000 gebieden aangewezen voor deze soorten, waar maatregelen worden
genomen om de instandhoudingsdoelen te kunnen behalen. Deze maatregelen worden opgenomen
in een Natura-2000 beheerplan, waarin ook maatregelen voor andere sectoren staan.
De genoemde soorten zijn in Nederland allebei kwetsbaar door afname van hun voedselbronnen
en door verstoring. Maar in andere lidstaten komen de soorten mogelijk robuuster voor.
Dat kan ertoe leiden dat een lidstaat, zoals in dit geval Denemarken, onder voorwaarden
toch jacht kan toestaan op een beschermde vogel, bijvoorbeeld als de populatie lokaal
erg groot is of de soort voor schade of veiligheidsrisico’s zorgt. In internationale
wateren gelden visserijbeperkingen voor alle lidstaten en is geen sprake van een ongelijk
speelveld.
De leden van de BBB-fractie vragen of er een actuele stand-van-zakenbrief kan worden
gestuurd over de uitvoering van aangenomen visserijmoties.
Antwoord
De Staatssecretaris zal deze brief voor het aankomende visserijdebat dat gepland staat
op 16 juni a.s. met de Kamer delen.
De leden van de BBB-fractie vragen of erop of rondom de Doggersbank naast visserijactiviteiten
ook defensieactiviteiten plaatsvinden en hoe deze activiteiten zich tot elkaar verhouden.
Antwoord
De defensieactiviteiten die op of rondom de Doggersbank plaatsvinden, staan volledig
los van de visserijactiviteiten. Voor beide activiteiten geldt dat zij moeten voldoen
aan de voorwaarden gesteld in het Beheerplan Doggersbank. Voor bepaalde activiteiten
van Defensie op de Doggersbank is een vergunning nodig.
De leden van de BBB-fractie vragen of de Staatssecretaris bereid is om naar aanleiding
van het door Wageningen University & Research (WUR) gemaakte wetenschappelijke rapport
in gesprek te gaan met zowel de WUR als het Voedingscentrum over het advies omtrent
visconsumptie.
Antwoord
Het onderzoek «Klimaatimpact en voedingswaarde van in Nederland geproduceerd en geconsumeerd
voedsel uit zee» van Wageningen University & Research is tot stand gekomen naar aanleiding
van vragen van de Tweede Kamer uit 2021 (2021Z04799 en 2021Z05822) en een actie die, mede naar aanleiding hiervan, is opgenomen in de Visie op Voedsel
uit Zee en Grote Wateren (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1624). De resultaten uit de onderzoeken ondersteunen het advies van het Voedingscentrum
dat vis deel uitmaakt uit van een gezond, duurzaam en veilig voedingspatroon. Tegelijkertijd
haalt slechts 30% van de Nederlandse consument de aanbeveling om 1 keer in de week
vis te eten. Meer mensen bewust maken van voedsel uit zee is onderdeel van de visie
Voedsel uit Zee en Grote Wateren. De visie wordt uitgewerkt in de Uitvoeringsagenda.
Deze agenda wordt samen met de visserijsector en natuurorganisaties opgesteld en bevat
meerdere acties die zien op het thema Voedsel uit zee. Momenteel is de agenda in de
afrondende fase waarna deze ook aan de Kamer zal worden aangeboden en acties rondom
het voedsel thema worden uitgelicht.
De leden van de BBB-fractie vragen welke wetenschappelijke rapporten er zijn over
de trek van paling in zout water, inclusief de levensstadia glasaal en schieraal en
of deze worden meegenomen in beleid.
Antwoord
Sinds 2007 is de EU-Aalverordening (EC 1100/2007) van kracht, welke de lidstaten verplicht
om een nationaal Aalbeheerplan op te stellen en te implementeren. In Nederland heeft
dit geleid tot het Nederlandse Aalbeheerplan met als doel om de aalstand te verbeteren.
In de EU Aalverordening is ook een 3-jaarlijkse verplichting opgenomen om de nationale
maatregelen te evalueren. De evaluatie wordt aan de Kamer gestuurd (Kamerstukken 29 664, nr. 211). Tot op heden heeft dit niet geleid tot aanpassing van het Nederlandse Aalbeheerplan.
Jaarlijks wordt onderzoek gedaan naar de uittrek van schieraal vanuit het zoete water
naar zee. Daarnaast wordt eveneens jaarlijks monitoring gedaan naar glasaal in het
zoute water. De resultaten hiervan worden door Wageningen Marine Research (WMR) onder
andere gebruikt om een schatting te maken van de schieraaluittrek voor de 3-jaarlijkse
evaluatie van het Nederlands Aalbeheerplan. De volgende evaluatie zal volgend jaar
worden gedaan. De Staatssecretaris is niet bekend met wetenschappelijk onderzoek naar
aal in de open zee en de oceaan.
De leden van de BBB-fractie vragen wat de actuele stand van zaken is rondom de brandstofcrisis
in de visserij en welke concrete stappen worden gezet om noodsteun te realiseren.
Antwoord
De Kamer is op 20 april jl. geïnformeerd met de kabinetsbrief «Acties Weerbaarheid
Energieschok» over maatregelen in reactie op de situatie in het Midden-Oosten. Het
kabinet heeft daarin ook oog voor de economische impact van de gestegen brandstofprijzen
op de visserijsector. Veel vissers varen niet of minder uit. Het kabinet acht het
van belang de weerbaarheid tegen toekomstige prijsfluctuaties te vergroten. In dat
kader wordt in het derde kwartaal een energie-efficiëntieregeling opengesteld, waarvoor
€ 25 miljoen beschikbaar wordt gesteld op de LVVN-begroting. Daarnaast wordt bezien
welke mogelijkheden er op korte termijn zijn om de sector te ondersteunen en de directe
gevolgen te beperken, onder meer via het EMFAF. Deze maatregelen worden momenteel
met hoge spoed nader uitgewerkt.
De leden van de BBB-fractie vragen waarom Nederland achterblijft bij andere lidstaten
in het verstrekken van steunmaatregelen en hoe dit wordt rechtgezet om een gelijk
speelveld te waarborgen.
Antwoord
Het kabinet onderkent het belang van een gelijk speelveld binnen de EU, maar benadrukt
dat lidstaten binnen de Europese kaders eigen afwegingen maken. Nederland kiest voor
een toekomstbestendige aanpak, met oog voor zowel directe ondersteuning als versterking
van de sector op de langere termijn. In het derde kwartaal wordt daarom voornoemde
energie-efficiëntieregeling voor de visserijsector opengesteld. Daarnaast is de Staatssecretaris,
conform Motie Flach (Kamerstukken 23 432, nr. 713), in gesprek met de Commissie over het crisismechanisme onder het EMFAF. De Commissie
heeft de uitvoeringshandeling van dit crisismechanisme met daarin de kaders voor mogelijke
steunverlening op 16 april jl. gepubliceerd. Het kabinet beziet de mogelijkheden binnen
het EMFAF om daarmee de eerste directe grote gevolgen in de visserij te beperken tot
het moment van openstelling van energiebesparingsregelingen.
De leden van de BBB-fractie vragen of de Staatssecretaris bereid is zich in Europees
verband in te zetten voor snelle en flexibele inzet van het European Maritime, Fisheries
and Aquaculture Fund voor noodsteun.
Antwoord
Ja, de Staatssecretaris is hiertoe bereid.
De leden van de BBB-fractie vragen welke concrete maatregelen worden genomen om het
brandstofverbruik in de visserij te reduceren en innovatieve technieken sneller mogelijk
te maken.
Antwoord
Het kabinet zal voornoemde energie-efficiëntieregeling openstellen. Verder zet het
kabinet zich in voor innovatie in de visserij, middels verschillende innovatieregelingen.
Deze regelingen worden bekostigd uit zowel het EMFAF als uit nationale middelen. Er
zullen regelingen beschikbaar worden gesteld voor zowel de visserij, aquacultuur als
de visverwerkende industrie. Onder deze innovatieregelingen is ook ruimte voor innovatieve
ontwikkelingen op het gebied van de energietransitie.
De leden van de BBB-fractie vragen of het klopt dat Nederlandse vissers in buitenlandse
havens niet meer mogen bunkeren en zo ja, of de Staatssecretaris hierover in gesprek
gaat met zijn buitenlandse collega’s.
Antwoord
Het kabinet heeft geen signalen ontvangen dat Nederlandse vissers niet in buitenlandse
havens mogen bunkeren.
De leden van de BBB-fractie vragen of de Staatssecretaris bekend is met de brief over
de toekomstige financiering van wetenschappelijk onderzoek binnen het visserijbeleid
en of hij de zorgen deelt dat zonder geoormerkte middelen de kwaliteit van visserijonderzoek
en quota-onderbouwing onder druk komt te staan.
Antwoord
Ja, de Staatssecretaris is bekend met de betreffende brief en de daarin geuite zorgen
over de toekomstige financiering van wetenschappelijk onderzoek binnen het visserijbeleid,
maar deelt niet de zorg dat zonder geoormerkte middelen de kwaliteit van visserijonderzoek
en quota-onderbouwing per se onder druk komt te staan. Het kabinet is van mening dat
de middelen die uiteindelijk beschikbaar komen in het Meerjarig Financieel Kader (MFK)
in verhouding moeten staan tot de beoogde doelen en eisen die aan de lidstaten worden
gesteld. Het nieuwe MFK voorziet in de nodige flexibiliteit voor lidstaten om binnen
hun nationale en regionale partnerschapsplannen prioriteiten te stellen – Nederland
zal samenwerking opzoeken met andere lidstaten voor onderzoek en innovatie, waar belangen
samenvallen, om zo beperkte middelen effectiever in te zetten. De invulling van wettelijke
taken, waaronder datacollectie, zal uiteraard worden meegenomen bij deze prioriteitsstelling.
Tegelijkertijd kan het kabinet niet vooruitlopen op de (nationale) verdeling van middelen
na 2027.
De leden van de BBB-fractie vragen hoe wordt gewaarborgd dat er in de toekomst voldoende
middelen beschikbaar blijven binnen Europese fondsen voor visserijonderzoek, gezien
het belang hiervan voor het vaststellen van quota en technische maatregelen.
Antwoord
Het kabinet onderkent het belang van wetenschappelijk onderzoek als basis voor duurzaam
visserijbeheer. De onderbouwing van vangstmogelijkheden en quota is in belangrijke
mate afhankelijk van betrouwbare data en wetenschappelijke adviezen. Het kabinet is
van mening dat de middelen die uiteindelijk beschikbaar komen in het MFK in verhouding
moeten staan tot de beoogde doelen en eisen die aan de lidstaten worden gesteld. Het
nieuwe MFK voorziet in de nodige flexibiliteit voor lidstaten om binnen hun nationale
en regionale partnerschapsplannen prioriteiten te stellen. De invulling van wettelijke
taken, waaronder datacollectie, zal uiteraard worden meegenomen bij deze prioriteitsstelling.
Tegelijkertijd kan het kabinet niet vooruitlopen op de (nationale) verdeling van middelen
na 2027.
De leden van de BBB-fractie vragen hoe de Staatssecretaris aankijkt tegen de oproep
om de financiering voor wettelijk verplichte visserij onderzoekstaken breder te positioneren
richting de Ministeries van Financiën en Buitenlandse Zaken, gezien het bredere belang
voor maritiem beleid.
Antwoord
Het Ministerie van LVVN en het Ministerie van IenW zijn samen verantwoordelijk voor
maritiem beleid en werken op het MFK dossier nauw samen met de Ministeries van Financiën
en Buitenlandse Zaken. Financiering van de wettelijke taken op het gebied van visserij
en maritiem beleid hebben daarbij de gezamenlijke aandacht.
De leden van de BBB-fractie vragen of het kabinet voornemens is om naast de mosselsector
ook andere visserijsectoren in aanmerking te laten komen voor duurzame subsidies vanuit
het European Maritime, Fisheries and Aquaculture Fund.
Antwoord
Het kabinet is voornemens onder het EMFAF in 2026 een innovatieregeling voor de aquacultuur
open te stellen, hiermee kunnen diverse soorten innovaties ondersteund worden, waaronder
ook innovaties die zien op verduurzaming. Daarnaast zal eind 2026 ook de EMFAF-regeling
«vernieuwingen in de keten van visserij en aquacultuur» opnieuw worden opengesteld.
Hier kan de brede visserijsector, waaronder de verwerkende keten, gebruik van maken.
Mogelijke inzet van het crisismechanisme onder het EMFAF staat los van de reeds voorziene
innovatieregelingen onder het EMFAF die gericht zijn op de aquacultuur en verwerkende
keten voor visserij en aquacultuur. Hoewel geen onderdeel van het EMFAF, zal het kabinet
ook voornoemde energie-efficiëntieregeling openstellen in 2026. En zoals eerder medegedeeld
aan de Kamer (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1763) zal er een meerjarige energie-efficiëntie regeling worden opengesteld voor de schelpdiersector,
waaronder ook de mosselsector. Hiertoe worden nationale middelen beschikbaar gesteld.
De leden van de BBB-fractie vragen hoe de Staatssecretaris aankijkt tegen de zorgen
van Duitsland over de disproportionaliteit van de voorgestelde regels rondom het wegen
van visproducten en of Nederland zich inzet voor vereenvoudiging van regelgeving.
Antwoord
Zoals aangegeven in het verslag van de Raad van 30 maart 2026 (Kamerstukken, 21 501-32, nr. 1775) deelt de Staatssecretaris de zorgen van Duitsland over de disproportionaliteit van
de voorgestelde regels rondom het wegen van visproducten. Dit heeft de Staatssecretaris
ook aangegeven in de Raad. De inzet van Nederland is erop gericht om de voorgestelde
regels beter aan te laten sluiten op de praktijk en te zorgen dat deze uitvoerbaar
en handhaafbaar zijn. Hierbij wordt zoveel mogelijk opgetrokken met andere lidstaten.
Aanvullend heeft de Staatssecretaris de Commissie opgeroepen om Commissie met concrete
voorstellen te komen voor vereenvoudiging en het verlagen van de administratieve lasten.
De leden van de BBB-fractie vragen hoe de Staatssecretaris de impact van cameratoezicht
bij weeglocaties beoordeelt en of dit proportioneel is.
Antwoord
De Staatssecretaris vindt dat de impact van cameratoezicht bij weeglocaties niet onderschat
moet worden, omdat dergelijke controlemaatregelen voor zowel de visserijsector als
de controlediensten veel uitvoeringslasten met zich mee zullen brengen. Dit heeft
de Staatssecretaris ook aangegeven tijdens de Raad van 30 maart jl. bij het diversenpunt
van Duitsland over de regels rondom het wegen van visproducten (Kamerstukken, 21 501-32, nr. 1775). Bij het opstellen van wet- en regelgeving moet goed gekeken worden naar de handhaafbaarheid,
uitvoerbaarheid en proportionaliteit van mogelijke controlemaatregelen. Hoewel weeglocaties
aan dezelfde minimum vereisten dienen te voldoen, zijn er per locatie verschillen
in omvang en hoeveelheden die gewogen worden, die betrokken moeten worden bij het
vaststellen van bepaalde controlemaatregelen.
De leden van de BBB-fractie vragen wat de stand van zaken is rondom de implementatie
van het IT CATCH-systeem en in hoeverre andere lidstaten dit niet op orde hebben.
Is de Staatssecretaris bekendmet signalen dat containers blijven staan in Nederlandse
havens door problemen met IT CATCH? Wat wordt hieraan gedaan? Is de Staatssecretaris
bereid om in Europees verband te pleiten voor coulance bij de implementatie van IT-systemen,
zodat Nederlandse vissers en handelaren niet de dupe worden van problemen in andere
lidstaten?
Antwoord
Zoals op 19 februari 2026 aangegeven in het verslag van het schriftelijk overleg over
de Raad van 23 februari 2026 (Kamerstukken, 21 501-32, nr. 1764), heeft Nederland sinds de inwerkingtreding van CATCH per 10 januari 2026 signalen
over problemen bij de implementatie blijvend onder de aandacht gebracht de Commissie.
Daarbij heeft Nederland ook telkens gepleit om pragmatisch om te gaan met de handhaving,
waarbij de bestaande processen zo min mogelijk onderbroken worden. Bij de implementatie
van nieuwe wet- en regelgeving moet er voor zowel de visserijsector als de lidstaten
ruimte zijn voor het maken van fouten. Verder is de Staatssecretaris bekend met de
containers die in de eerste weken na inwerkingtreding van CATCH vaststonden in de
Rotterdamse haven. Echter, deze containers stonden voornamelijk vast door implementatieproblemen
bij andere lidstaten, waar de Nederlandse autoriteiten geen rol in hadden. Inmiddels
lijken dergelijke grote problemen achter de rug, maar het blijft nodig dat het systeem
verder geoptimaliseerd wordt door de Commissie, die verantwoordelijk is voor de doorontwikkeling
van het ICT-systeem. De inzet van de Staatssecretaris is er opgericht om dit blijvend
onder de aandacht te houden.
Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie
De leden van de SGP-fractie hebben begrepen dat de EC het Visserijfonds wil openzetten
voor crisissteun in verband met de sterk gestegen brandstofprijzen en de gevolgen
daarvan voor de visserijvloot. Deze leden horen graag wat de stand van zaken is. Deze
leden constateren dat tientallen kotters aan wal blijven liggen vanwege de bijna verdubbelde
gasolieprijzen. Zij geven daarbij aan dat deze grote impact van de brandstofprijzen
mede te wijten is aan het pulskorverbod. Deze leden constateren eveneens dat verschillende
Europese lidstaten, waaronder Frankrijk, al compenserende maatregelen voor hun visserijsector
hebben aangekondigd of ingevoerd. Deze leden horen graag of het kabinet ook voor de
Nederlandse kottervisserij wil werken aan een vorm van brandstofcompensatie en een
stilligregeling en hoe beschikbare Europese middelen hiervoor worden benut. Hoe waardeert
de Staatssecretaris de voorstellen die hiervoor zijn gedaan vanuit de visserijsector?
Welke maatregelen is hij bereid te nemen?
Antwoord
Het kabinet heeft oog voor de economische impact van de gestegen brandstofprijzen
op de visserijsector en acht het daarom van belang de weerbaarheid tegen toekomstige
prijsfluctuaties te vergroten. Om de economische impact goed in kaart te brengen,
spreekt het kabinet ook met de visserijsector. Zoals in de Kamerbrief van 20 april
jl. «Acties Weerbaarheid Energieschok» aangegeven, zal het kabinet in het derde kwartaal
een energie-efficiëntieregeling voor de visserij openstellen, waarvoor € 25 miljoen
beschikbaar wordt gesteld op de LVVN-begroting. Daarnaast wordt bezien welke mogelijkheden
er zijn om de sector te ondersteunen en de directe gevolgen te beperken, onder meer
via het EMFAF. De Commissie heeft hiertoe de uitvoeringshandeling van het crisismechanisme
onder het EMFAF gepubliceerd. Eventuele steunmaatregelen onder dit crisismechanisme
worden momenteel nader verkend. De Kamer zal hierover nader worden geïnformeerd.
De leden van de SGP-fractie hebben begrepen dat veel akkerbouwers recent van de Rijksdienst
voor ondernemend Nederland (RVO) een afwijzing hebben gekregen voor de ecoregeling
2025 in verband met tekortkomingen bij braaklegging van gronden. Deze leden hebben
hier enkele vragen over. In de eerste plaats horen zij graag waarom deze akkerbouwers
nu pas bericht hebben gekregen over de afwijzing. Het kan gaan om verkeerde inschattingen
die zich dit seizoen weer kunnen voordoen. In dit stadium is er echter nauwelijks
ruimte meer om bouwplannen aan te passen. In de tweede plaats hebben deze leden begrepen
dat een (groot) deel van de afwijzingen te maken zou hebben met gebruik van satellietbeelden
waarop bloeiende groenbedekking slecht herkend zou zijn en met, vanwege de extreme
droogte in het voorjaar, laat opgekomen bloemenmengsels. De financiële gevolgen voor
bedrijven kunnen groot zijn. Deze leden horen graag in hoeverre satellietbeelden en
bijbehorende algoritmen worden getoetst aan de praktijk. Zij horen ook graag in hoeverre
rekening gehouden wordt met overmacht door de extreme voorjaarsdroogte en het daardoor
laat opkomen van de vereiste groenbedekking. Zij horen graag welke mogelijkheden de
Minister ziet om de genoemde afwijzingen te heroverwegen en te voorkomen dat bewijslast
en de klimatologische risico’s eenzijdig bij boeren wordt gelegd.
Antwoord
De Minister begrijpt de zorgen van boeren als beschikkingen komen in een periode waarin
zij al volop bezig zijn met zaaien, planten en bemesten. Deze onzekerheid probeert
de Minister samen met de RVO zoveel mogelijk te beperken door in te zetten op het
zo snel mogelijk beschikken. Dit jaar is de RVO op 10 maart begonnen met beschikken
en op dit moment zijn 94% van alle aanvragen uit 2025 beschikt. Er wordt gepoogd dit
voor volgend jaar verder te versnellen.
Het Areaalmonitoringssysteem (AMS) en de onderliggende algoritmes zijn gericht op
het ondersteunen van de uitvoering. Deze systemen zijn ontwikkeld, getest en gevalideerd
met historische en actuele gegevens. Ook zijn er kwaliteitscontroles geïmplementeerd.
Hiernaast wordt blijvend ingezet op ontwikkelingen in het systeem en wordt continu
gemonitord of er nog verbeteringen nodig zijn. Tegelijkertijd is het aantal afwijzingen
dit jaar in de lijn der verwachting gezien de geconstateerde niet-nalevingen door
steekproeven in het veld.
In het geval van extreem weer kan een boer een beroep doen op overmacht. Deze melding
moet de ondernemer zo snel mogelijk doen nadat het extreme weer heeft plaatsgevonden.
Als boeren het niet eens zijn met de beoordeling van hun aanvraag door de RVO kunnen
zij bezwaar maken.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie
De leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda van de
Landbouw- en Visserijraad, die 27 april 2026 zal plaatsvinden, en de bijbehorende
stukken en hebben hier nog enkele vragen en opmerkingen over die zij graag onder de
aandacht willen brengen.
Gemeenschappelijk Landbouwbeleid na 2027
De leden van de PvdD-fractie constateren allereerst dat het voorstel voor het nieuwe
GLB wordt besproken in een tijd waarin Europa wordt geconfronteerd met een klimaatcrisis,
biodiversiteitscrisis en een toenemende druk op water en bodemkwaliteit. Verder is
er ook geconstateerd in onderzoek van Wageningen University and Research (WUR) (WUR,
maart 2018, «Distribution of CAP pillar 1 payments to farmers in the EU» (https://edepot.wur.nl/444994)) dat een aanzienlijk deel van de publieke middelen binnen het GLB terechtkomen bij
een relatief kleine groep grote landbouwbedrijven. Deze leden vragen de Minister hoe
de verdeling van publieke middelen gerechtvaardigd wordt. Deelt de Minister de opvatting
dat publieke middelen op eerste plaats moeten worden ingezet voor maatschappelijke
doelen zoals natuurherstel, klimaatadaptatie, biodiversiteitherstel en verbetering
van dierenwelzijn? Zo ja, hoe wordt dit door de huidige verdeling geborgd? Zo nee,
wat staat er voor de Minister wel op de eerste plaats waar de publieke middelen voor
ingezet moeten worden in relatie tot een weerbare en toekomstbestendige sector, leefbaarheid
op het platteland en inzet op groene doelen die genoemd worden in de agenda?
Antwoord
De in het rapport genoemde verdeling tussen ontvangers van steun is gebaseerd op een
Europees gemiddelde. In Nederland is er een gelijkere verdeling van GLB-middelen dan
dat gemiddelde. Dat laat onverlet dat de Minister vindt dat publieke middelen zoals
GLB-subsidies aanvullend kunnen zijn daar waar de markt tekortschiet. Bijvoorbeeld
in het beter belonen van publieke diensten die boeren leveren voor natuur, milieu
en klimaat. Dit krijgt in het huidige GLB vorm via het ANLb en de eco-regeling. In
de toekomst wil de Minister de GLB middelen die er zijn zo gericht en efficiënt mogelijk
blijven inzetten voor de nationale opgaves.
De leden van de PvdD-fractie vragen verder of de Minister de opvatting deelt dat publieke
subsidies niet zouden moeten bijdragen aan schaalvergroting en concentratie in de
landbouw, wat nu opnieuw dreigt te gebeuren? Zo ja, wat gaat de Minister doen om dit
te voorkomen? Hoe gaat hij zich hier op Europees niveau over positioneren?
Antwoord
De Minister pleit voor een toekomstig GLB waarbij de middelen kunnen worden ingezet
om bij te dragen aan de nationale opgaves, gerelateerd aan landbouw. Het huidige voorstel
stelt Nederland in staat om de groene doelen gerelateerd aan milieu en klimaat conform
de Nederlandse wensen vorm te geven. In de voorstellen die nu voor het GLB gedaan
zijn komt geen prikkel voor schaalvergroting, de Minister deelt de zorg van de PvdD-fractie
op dit punt niet.
Strategisch belang van landbouw en duurzaam bosbeheer bij het versterken van risicopreventie
en weerbaarheid tegen natuurbranden
De leden van de PvdD-fractie lezen dat tijdens de Landbouw- en Visserijraad ook een
uitwisseling zal plaatsvinden over het strategische belang van landbouw en duurzaam
bosbeheer voor het voorkomen en beperken van consequenties van natuurbranden. Kan
de Minister toelichten welke rol hij ziet voor landbouwsystemen bij het versterken
van de weerbaarheid van het landschap tegen natuurbranden? Kan de Minister aangeven
welke prioriteiten Nederland gaat inbrengen in het BNC-fiche wat op dit moment aan
wordt gewerkt?
Antwoord
Landbouwsystemen kunnen een belangrijke rol spelen bij het versterken van de weerbaarheid
van het landschap tegen natuurbranden. De manier waarop een stuk land wordt beheerd,
ingericht en gebruikt is uiteindelijk van invloed op de hoeveelheid brandbaar materiaal
in een gebied en op de snelheid waarmee vuur zich kan verspreiden, dit geldt ook voor
landbouwgrond. Daarnaast is het ook van belang om oog te hebben voor de vluchtmogelijkheden
van mensen en dieren. Een afwisselend en goed verbonden landschap met voldoende open
zones, faunaroutes en minder brandgevoelige overgangen kan eraan bijdragen dat mensen
en dieren bij brand sneller kunnen uitwijken naar veiligere gebieden.
Klimaat- en natuurrampen hebben een brede impact en kunnen vrijwel alle nationale
veiligheidsbelangen raken, waaronder territoriale, fysieke, economische en ecologische
veiligheid en sociaal-politieke stabiliteit. Zoals afgelopen jaar gedeeld met de Kamer
ziet de Nederlandse aanpak van natuurbrandbeheersing toe op bewustwording, preventie,
mitigatie, bestrijding en herstel (Kamerstuk 30 821, nr. 306). Door in te zetten op vitale en weerbare natuur en biodiversiteit kunnen risico’s
en gevolgen van onder andere overstromingen, droogte en natuurbranden worden gedempt.
Het BNC-fiche dat wordt opgesteld in verband met de mededeling over integrale natuurbrandbeheersing
van de Commissie zal in mei met de Kamer worden gedeeld. Daarbij zal worden voorgebouwd
op de eerder met de Kamer gedeelde inzichten over het belang van vitale ecosystemen
voor de (nationale) veiligheid (Kamerstuk 2026D15060).
Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB)
De leden van de PvdD-fractie vragen ook aandacht voor de evaluatie van het GVB. Een
brede coalitie van Europese natuurorganisaties hebben gesteld dat het huidige visserijbeleid
tekortschiet in een duidelijke implementatie en handhaving (WWFEU, 18 november 2025,
«Don't sink the Common Fisheries Policy – fulfil its potential» (https://www.wwf.eu/?20123366/cfp-position-paper). Deze leden wijzen op problemen zoals overbevissing, bijvangst en aantasting van
mariene ecosystemen. Volgens onderzoeken staat door deze problemen gecreëerd door
menselijk handelen 90 procent van de Europese Zeegebieden onder druk. Erkent de Staatssecretaris
de problemen rondom duidelijke uitvoering en handhaving van het gemeenschappelijk
Visserijbeleid? Zo ja, welke concrete stappen gaat hij zetten?
Antwoord
Het kabinet onderschrijft het belang van de doelen van het GVB. Daarom roept de Staatssecretaris
op tot een herziening van het GVB om onderdelen die niet uitvoerbaar zijn, zoals de
aanlandplicht, aan te passen en daarnaast om tot een Omnibus-verordening te komen
voor verdere vermindering van de regeldruk, zonder daarbij in te leveren op het behalen
van de doelen. Om in de toekomst een competitieve duurzame sector te behouden, moeten
er nu stappen worden gezet op versimpeling. De Kamer is eerder geïnformeerd over de
Nederlandse inzet op de herziening van het GVB (Kamerstuk 32 201, nr. 117). Daarnaast is de Staatssecretaris voornemens om op korte termijn een zienswijze
op de evaluatie van het GVB te delen met de Commissie, zodat deze meegenomen kan worden
in een mogelijke herziening van het GVB en de aangekondigde Vision 2040 for Fisheries
and Aquaculture. Deze zienswijze zal ook met de Kamer worden gedeeld.
De leden van de PvdD-fractie vragen verder in hoeverre Nederland gebruikmaakt van
bestaande mogelijkheden binnen het visserijbeleid waarmee ecologische en maatschappelijke
criteria zwaarder wegen en grote overtreders strenger worden gestraft voor wanpraktijken
binnen de visserij. Daarnaast vragen deze leden hoe de Staatssecretaris zich gaat
inzetten op betere controle op visserijactiviteiten zodat illegale praktijken beter
kunnen worden aangepakt. Is de Staatssecretaris bereid zich in te zetten voor het
beëindigen van subsidies die overcapaciteit en destructieve visserijmethoden in stand
houden? Kan de Staatssecretaris aangeven hoe Europese middelen beter kunnen worden
ingezet voor herstel van visbestanden en de bescherming van mariene ecosystemen?
Antwoord
Het GVB borgt dat visserijactiviteiten vanuit ecologisch en maatschappelijk oogpunt
duurzaam worden beheerd en tegelijkertijd ook bijdragen aan de doelstellingen op economisch
en sociaal gebied. Hierbij is de controle en handhaving op het GVB, alsmede het gelijke
speelveld tussen vissers van groot belang. De implementatie van de herziene controleverordening
(Verordening (EG) 1224/2009) moet hier aan bijdragen. Vanuit de herziene controleverordening
wordt sinds 10 januari 2026 Europees bepaald welke inbreuken als ernstig moeten worden
beschouwd. Hiermee vindt verdere harmonisering van het sanctiebeleid tussen de Europese
lidstaten plaats waardoor illegale praktijken vergelijkbaar kunnen worden aangepakt.
De inzet van de Staatssecretaris is erop gericht om illegale visserijpraktijken te
bestrijden en om te voldoen aan de Europese verplichtingen. Daarnaast vormt het GVB
het kader voor het openstellen van subsidieregelingen uit zowel het EMFAF als nationale
middelen en is daarmee gericht op inzet van herstel van visbestanden en bescherming
van mariene ecosystemen.
De leden van de PvdD-fractie willen verder de Minister erop wijzen dat er nog steeds
te veel boven het quotum wordt gevist op makreel. Makreel is een sleutelsoort en cruciaal
voor het gezond houden van ecosystemen in de Noordzee en Atlantische oceaan. Deze
leden vragen of de Staatssecretaris kan toezeggen dat hij dit steeds dringender probleem
tijdens de Landbouw- en Visserijraad zal aankaarten en terug kan koppelen aan de Kamer
welke verdere maatregelen er zullen komen om te voorkomen dat dit onomkeerbare gevolgen
gaat hebben voor de makreelpopulatie en mariene ecosystemen.
Antwoord
Nederland en Frankrijk, gesteund door Duitsland en Portugal, hebben tijdens de Raad
van 30 maart jl. de Commissie opnieuw dringend opgeroepen tot hernieuwde inspanning
om met de andere Kuststaten tot een alomvattend, meerjarig akkoord te komen. Het streven
is dat wanneer ook de EU deel van het beoogd akkoord wordt, de EU haar invloed kan
aanwenden tot een duurzaam beheer van het makreelbestand. Tevens is van groot belang
dat de overbevissing door de Russische Federatie beperkt wordt; de Staatssecretaris
heeft hier ook nadrukkelijk op gewezen. De Staatssecretaris zal de Kamer over de voortgang
van dit dossier blijvend informeren.
De leden van de PvdD-fractie maken zich ook zorgen over de effecten van het ontbreken
van regulering bij nieuwe doelsoorten. Deelt de Staatssecretaris de zorgen van deze
leden dat het ontbreken van regulering bij nieuwe doelsoorten (zoals de ongequoteerde
pijlinktvis) een direct risico vormt voor overbevissing en de schadelijke consequenties
die hieraan vastzitten zoals verdere ecologische verstoring? Kan de Staatssecretaris
toelichten waarom er voor nieuwe doelsoorten zoals de pijlinktvis nog geen vangstquotum
of andere effectieve regulering geldt, ondanks de groeiende visserijdruk? Is de Staatssecretaris
bereid om op korte termijn nationale voorzorgsmaatregelen te nemen die het overbevissen
gaan voorkomen? Zo ja, in hoeverre zullen lessen van situaties uit het verleden, zoals
de overbevissing van tong, schol en garnalen, worden meegenomen en toegepast?
Antwoord
Ten algemene worden bestandsmaatregelen altijd ontwikkeld op basis van wetenschappelijk
advies. De wetenschappelijke basis om inktvis en andere niet-gequoteerde soorten duurzaam
te beheren is nu nog niet volledig of ontbreekt. Het is aan de Commissie en de lidstaten
om samen tot goede beheermaatregelen te komen. Dit kan breder zijn dan enkel het bepalen
van vangstquota. In de Visie voedsel uit zee en grote wateren (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1624) is daarom opgenomen dat het ook voor niet-gequoteerde soorten, waar de inktvis onder
valt, nodig is om te werken aan een wetenschappelijke basis om te kunnen besluiten
over duurzaam bestandsbeheer voor deze soorten. De komende tijd zal de Staatssecretaris
de ontwikkelingen in de inktvisvisserij in de gaten houden en zich indien nodig beraden
op het oproepen tot eventuele internationale managementmaatregelen, aangezien visserijbeheer
onder de exclusieve competentie van de Commissie valt.
De leden van de PvdD-fractie vragen in het licht van het toekomstbeeld waar door experts
over wordt gewaarschuwd in hoeverre de Staatssecretaris het huidige visserijbeheer
preventief genoeg acht of dat het nog te reactief is ingesteld. Welke stappen gaat
de Staatssecretaris zetten op zowel nationaal als Europees niveau om dit te verbeteren?
Kan de Staatssecretaris toezeggen dat hij zich zoveel mogelijk gaat inzetten op de
afbouw van de visserij, maar dat in het geval van ontwikkeling van nieuwe visserijen,
ecologische grenzen leidend gaan zijn in zijn beleid zodat overbevissing voorkomen
kan worden?
Antwoord
Nee het kabinet gaat zich niet inzetten voor afbouw van de visserij. Het kabinet zet
zich juist in voor een duurzame, innovatieve en toekomstbestendige visserij binnen
de grenzen van het ecosysteem, in lijn met voornoemde visie Voedsel uit zee en grote
wateren. In deze visie zet het kabinet uiteen hoe de visserij er in 2050 uit moet
zien. De visie wordt uitgewerkt in de Uitvoeringsagenda. Deze agenda wordt samen met
de visserijsector en natuurorganisaties opgesteld en bevat meerdere acties die zien
op het verder verduurzamen van de visserijsector. Momenteel is de agenda in de afrondende
fase waarna deze ook aan de Kamer zal worden aangeboden.
Verslag Landbouw- en Visserijraad 30 maart 2026 en terugkoppeling gesprek met de Eurocommissaris
voor Gezondheid en Dierenwelzijn
De leden van de PvdD-fractie hebben daarnaast ook kennisgenomen van het feit dat de
Staatssecretaris namens Nederland steun heeft uitgesproken voor een EU-breed verbod
op pelsdierhouderij en het uitfaseren van kooihuisvesting richting de Eurocommissaris
voor Gezondheid en Dierenwelzijn, Olivér Várhelyi. Deze leden verwelkomen deze inzet,
maar hebben hier nog enkele vragen over. Kan de Staatssecretaris toelichten welke
concrete stappen Nederland op korte termijn zal gaan zetten om een EU-breed verbod
op pelsdierhouderij en handel in bont daadwerkelijk te realiseren? Hoe gaat de Staatssecretaris
samenwerken met andere lidstaten om het voorstel voor een EU-breed verbod te versnellen?
Hoe gaat de Staatssecretaris om met het initiatief van Oostenrijk om druk op te voeren
op de EC, als blijkt dat de EC in gaat zetten op dierenwelzijnsaanpassingen in plaats
van een totaalverbod?
Antwoord
Wat de Staatssecretaris betreft is de tijd rijp voor een verbod op pelsdierhouderijen
en op de handel in bont. Dit heeft hij ook aangegeven in zijn gesprek met de Eurocommissaris
voor Gezondheid en Dierenwelzijn. De Staatssecretaris zal hiertoe ook blijven oproepen
in de Landbouw- en Visserijraad. Een voorstel voor een Europees verbod zal echter
vanuit de Commissie moeten komen. De Staatssecretaris is bereid om Oostenrijk (en
andere gelijkgestemde lidstaten) te steunen in initiatieven om een EU-breed verbod
op de pelshouderij zo snel als mogelijk te realiseren.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
H.S. Steen, voorzitter van de vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur -
Mede ondertekenaar
R.P. Jansma, griffier