Verslag (initiatief)wetsvoorstel (nader) : Verslag
36 898 Regels over de uitvoering van internationale sanctiemaatregelen (Wet internationale sanctiemaatregelen
Nr. 5
VERSLAG
De vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, belast met het voorbereidend onderzoek
van dit wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen.
Onder het voorbehoud dat de regering op de gestelde vragen en de gemaakte opmerkingen
afdoende zal hebben geantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van dit
wetsvoorstel voldoende voorbereid.
De voorzitter van de commissie, Klaver
Adjunct-griffier van de commissie, Dekker
Inhoudsopgave
A.
Gezamenlijke inbreng van de commissie
3
1.
Algemeen
3
2.
Aanleiding, doelstelling en achtergrond
3
3.
Bestuursrechtelijke handhaving van schendingen van sanctiemaatregelen
5
4.
Bijzondere handhavingsbevoegdheid bij ernstige niet-naleving of ontduiking
7
5.
Beheer en bewind van (langdurig) bevroren tegoeden en economische middelen
8
6.
Aantekeningen in openbare registers
9
7.
Centraal meldpunt sancties
10
8.
Verhouding tot andere regelgeving
11
9.
Uitvoering
12
10.
Financiële gevolgen
14
11.
Evaluatie
14
B.
Inbreng vanuit de fracties
14
Algemeen deel
14
1.
Inleiding
15
2.
Aanleiding, doelstelling en achtergrond: het belang van een sterk(er) Nederlands sanctiestelsel
16
2.1
Aanleiding en probleemstelling
16
2.2
Doelstelling
16
2.3
De oorsprong van sancties: Verenigde Naties en Europese Unie
17
2.4
Uitvoering van sancties door Nederland
17
3.
Hoofdlijnen van het wetsvoorstel
17
3.1
Modernisering van de grondslagen om regels te stellen ter uitvoering van internationale
sanctiemaatregelen
17
3.2
Bestuursrechtelijke handhaving van sanctieschendingen
18
3.3
Bijzondere handhavingsbevoegdheid bij ernstige niet-naleving of ontduiking van sanctiemaatregelen
19
3.4
Beheer van (langdurig) bevroren economische middelen
19
3.4.2
Beheer van registergoederen
.19
3.5
Aantekeningen in registers
19
3.6
Verbeterde gegevensuitwisseling
20
3.6.1
Gegevensuitwisseling op grond van Europese sanctieverordeningen
20
3.6.2
Aanvullende nationale regels voor gegevensuitwisseling
20
3.7
Centraal meldpunt sancties
21
3.7.1
Meldingsplichten in Europese sanctieregelgeving
21
3.7.3
Centraal meldpunt sancties
21
3.8
Aanpassingen op het toezicht op de bedrijfsvoering en uitbreiding naar juridische
beroepsgroepen
22
4.
Verhouding tot hoger recht
22
4.1
Fundamentele rechten
22
4.1.1
Recht op eigendom
22
4.1.2
Vrijheid van ondernemerschap
23
4.1.3
Privacy en de bescherming van persoonsgegevens
23
4.1.4
Recht op een eerlijk proces en het recht op advocatuurlijke bijstand zonder overheidsinmenging
23
4.2
Verhouding tot (lopende) Europese wetstrajecten
23
4.2.1
Het Europese AML/CFT-pakket (AMLR, AMLD en TFR)
23
4.2.2
Verordening betreffende instantovermakingen in Euro
24
4.2.3
Richtlijn strafbaarstelling schending beperkende maatregelen van de EU
24
4.2.5
Mededeling en Verordening nieuw Douanewetboek van de Unie
24
4.3
Rijkssanctiewet
24
5.
Verhouding tot andere nationale regelgeving
24
5.1
Wet gegevensverwerking door samenwerkingsverbanden
24
5.1.3
Financieel-Expertisecentrum (FEC)
24
5.1.3
Wijziging Sanctiewet 1977
25
5.2
Wet coördinatie terrorismebestrijding en nationale veiligheid
25
5.3
Het recht van enquête (artikelen 2:344–359 BW)
25
6.
Rechtsbescherming
25
6.1
Rechtsbescherming bij EU-sancties
25
7.
Uitvoering
26
8.
Gevolgen
26
8.1
Sanctienaleving, brede welvaart en SDG’s
8.2
Regeldruk en doenvermogen
26
8.1
Aantekeningen in registers en centraal meldpunt sancties
26
8.2
Uitbreiding bestuursrechtelijk toezicht naar juridische beroepsgroepen
27
9.
Advies en consultatie
27
C.
Artikelsgewijze toelichting
27
Hoofdstuk 3. Meldingsplichten
27
Artikel 3.2.2 Doorbreking geheimhouding in verband met de meldingsplicht
27
Hoofdstuk 5. Bepalingen over de continuïteit en afwikkeling van ondernemingen
28
Artikel 5.3 Ambtshalve aanwijzing van een bewindvoerder
28
Hoofdstuk 7. Toezicht en handhaving
28
Artikel 7.1.2 Aanwijzing bestuursorganen met handhavende bevoegdheden
28
Hoofdstuk 11. Slotbepalingen
29
Artikel 11.3 Inwerkingtreding
29
D.
Overig
29
A. Gezamenlijke inbreng van de commissie
1. Algemeen
De commissie voor Buitenlandse Zaken heeft in het kader van het voorbereidend onderzoek
van dit wetsvoorstel de leden Van der Werf (D66), Maes (VVD) en Dobbe (SP) tot wetgevingsrapporteurs
benoemd. De wetgevingsrapporteurs hebben ten behoeve van het verslag een schriftelijke
inbreng opgesteld met vragen van verdiepende en verduidelijkende aard aan de regering.
De vragen zijn onder meer gebaseerd op de aandachtspunten die de rapporteurs bij de
door hun uitgevoerde activiteiten hebben opgehaald.1 De commissie heeft in de procedurevergadering van 9 april 2026 besloten de inbreng
van de wetgevingsrapporteurs over te nemen en in het verslag als inbreng van de commissie
op te nemen.2 Bij de hiernavolgende inbreng is zoveel mogelijk de volgorde van de memorie van toelichting
aangehouden.
2. Aanleiding, doelstelling en achtergrond
Doelstelling wetsvoorstel
De leden van de commissie constateren dat het overkoepelende doel van het wetsvoorstel
is om nog beter te kunnen voldoen aan de eisen die gesteld worden vanuit internationale
sanctiemaatregelen, en om de daarmee beoogde resultaten te helpen verwezenlijken.3 De leden van de commissie constateren daarnaast dat het sanctielandschap omvangrijk
en complex is met veel verschillende toezichthouders, uitvoeringsorganisaties, betrokkenen
en diverse sanctieregimes. De leden van de commissie vragen de regering dan ook hoe
zij deze doelstelling gaat monitoren? Zijn er concrete mijlpalen die de regering beoogt
te bereiken? Wordt hierbij ook een onderscheid gemaakt naar bijvoorbeeld sectoren,
sanctieregimes of iets dergelijks? Hoe wordt de Kamer hierover geïnformeerd?
Opvolging aanbevelingen van de Nationaal Coördinator Sanctienaleving en Handhaving
De leden van de commissie achten het positief dat met het wetsvoorstel opvolging wordt
gegeven aan de aanbevelingen van de Nationaal Coördinator Sanctienaleving en Handhaving
om het sanctiestelsel te versterken en te zorgen dat de wetgeving daar gelijke tred
mee houdt.4 De leden van de commissie constateren dan ook dat grotendeels alle aanbevelingen
worden overgenomen met dit wetsvoorstel. De leden vragen de regering of zij de Kamer
nader kan informeren over hoe momenteel gevolg wordt gegeven aan de aanbevelingen
die niet op aanpassing van wet- en regelgeving zagen. Hoe staat het bijvoorbeeld met
de bestendigheid van de sanctie-eenheid van het Ministerie van Buitenlandse Zaken?
Is er nu en in de toekomst voldoende capaciteit om de naleving en handhaving van sancties
effectief te kunnen coördineren? Daarnaast vragen de leden hoe het nu staat met de
behoefte voor een EU-brede eensluidende interpretatie van ontheffingsgronden? In hoeverre
bestaan er nog tegenstrijdigheden tussen lidstaten bij de interpretatie van sancties?
Wat wordt er door de regering aan gedaan om dit zo veel mogelijk te voorkomen? Hoe
worden ondernemingen, uitvoeringsorganisaties en toezichthouders hierin meegenomen?
Coördinatierol Minister van Buitenlandse Zaken
De leden van de commissie constateren dat veel bewindspersonen een wettelijke taak
hebben ten aanzien van de wet. Zo lezen de leden in de memorie van toelichting dat
de Minister van Financiën, de Minister van Buitenlandse Zaken, de Minister van Volkshuisvesting
en Ruimtelijke ordening, de Minister van Economische Zaken, de Minister van Infrastructuur
en Waterstaat en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap een rol hebben in
het sanctiestelsel.5 De Minister van Buitenlandse Zaken heeft hierbij een coördinerende rol.6 De leden van de commissie vragen de regering of zij nader kan toelichten hoe deze
coördinerende rol er uitziet? Wie beslist bijvoorbeeld uiteindelijk over de inzet
van de voorgestelde bijzondere handhavingsbevoegdheid of het aanstellen van een bewindvoerder?
Hoe borgt de regering dat een effectieve uitvoering van internationale sanctiemaatregelen,
waarbij vaak snelheid geboden is, geborgd is als meerdere departementen betrokken
zijn? En hoe kan de Kamer in dit kader haar controlerende taak goed uitoefenen, kan
zij bijvoorbeeld altijd de Minister van Buitenlandse Zaken aanspreken of moet zij
zich straks tot verschillende bewindspersonen wenden? Hoogleraar H.E. Bröring wijst
de commissie in zijn wetenschappelijke factsheet in dit licht er tevens op dat men
zich kan afvragen of de Minister van Buitenlandse Zaken de meest gerede persoon is
om, waar het gaat om gebruikmaken van bestuursrechtelijke en strafrechtelijke handhavingsbevoegdheden,
te zorgen voor de afstemming tussen de verschillende (nationale) bestuursorganen en
tussen (nationale) bestuursorganen en het Openbaar Ministerie.7 De leden van de commissie vragen de regering hierop te reflecteren.
3. Bestuursrechtelijke handhaving van schendingen van sanctiemaatregelen
Last onder bestuursdwang
De leden van de commissie lezen in de memorie van toelichting dat om ervoor te zorgen
dat schendingen met voldoende passende middelen kunnen worden afgedaan, is besloten
tot de introductie van bestuursrechtelijke handhaving, namelijk de mogelijkheid om
een last onder bestuursdwang, een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete op
te leggen.8 De leden van de commissie vragen of de regering aan de hand van concrete voorbeelden
kan toelichten hoe de inzet van deze bevoegdheden er in de praktijk uit gaat zien.
In het geval van een last onder bestuursdwang krijgt een bestuursorgaan de mogelijkheid
om zelf te doen wat de overtreder moet doen, namelijk het beëindigen van de overtreding
of het wegnemen van de gevolgen van de overtreding. De leden van de commissie vragen
de regering of een bestuursorgaan in het kader van sanctie-overtredingen hiertoe feitelijk
in staat zal zijn? Zo ja, op welke wijze? De Douane geeft in haar uitvoeringstoets
aan dat zij vanuit de Algemene Douanewet al beschikt over deze bevoegdheid voor andere
terreinen buiten het sanctierecht maar dat deze bevoegdheid de afgelopen jaren zelden
tot nooit werd toegepast.9 Hoe beoordeelt de regering de effectiviteit van deze maatregel in de praktijk?
Last onder dwangsom
In het geval van een last onder dwangsom krijgt een bestuursorgaan de mogelijkheid
om de overtreder een last op te leggen om binnen een bepaalde termijn de overtreding
te herstellen en anders verbeurt de overtreder een dwangsom. De leden van de commissie
vragen zich af op welke wijze in het kader van een sanctieovertreding herstel mogelijk
is. Daarnaast vragen zij de regering of en op welke wijze met het opleggen van een
herstelsanctie ook herhaling van de overtreding kan worden voorkomen.
Bestuurlijke boete
De leden van de commissie constateren dat voor de maximumhoogte van de bestuurlijke
boete is aangesloten bij artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht. Dit
betreft een maximumboete van 110.000 euro. De leden van de commissie vragen zich af
of deze boete naar het oordeel van de regering voldoende afschrikwekkend is, ook voor
grotere ondernemingen. Deze leden vragen de regering of zij heeft overwogen de boetehoogte
te relateren aan de omzet van de desbetreffende onderneming? Heeft de regering daarnaast
inzicht in de maximumhoogte van boetes in andere EU-lidstaten voor de overtreding
van internationale sanctiemaatregelen? De leden van de commissie vragen daarnaast
of de regering kan toelichten hoe de bestuurlijke boete en de daaraan gekoppelde maximale
boetehoogte zich verhoudt tot de Europese Richtlijn 2024/122610 waarin minimumniveaus voor geldboeten zijn vastgelegd bij schendingen van sancties
die zijn gekoppeld aan de omzet van de onderneming.
Aanwijzing aanvullende toezichthouders
De leden van de commissie constateren dat de regering voorstelt om bij sanctiebesluit
of sanctieregeling andere bestuursorganen aan te wijzen die beschikken over handhavende
bevoegdheden.11 De leden van de commissie constateren dat dit een afwijking is van vast wetgevingsbeleid
waarbij bestuursorganen bij wet in het leven worden geroepen, evenals sancties en
toezichtsbevoegdheden.12 De leden van de commissie vragen de regering in de eerste plaats of zij een inschatting
kan geven hoe vaak van deze bevoegdheid gebruikt zal moeten worden gemaakt. Heeft
de regering al bestuursorganen op het oog die zij voornemens is om aan te wijzen?
Gaat het om aanwijzing van bestaande bestuursorganen of zullen er mogelijk ook nieuwe
bestuursorganen in het leven worden geroepen? De leden van de commissie constateren
in het licht hiervan dat de versnippering van het toezicht juist tot knelpunten leidt
in de praktijk.13 Kan de regering nader toelichten waarom zij van oordeel is dat het mogelijk moet
worden om snel bij lagere regelgeving aanvullende bestuursorganen aan te kunnen wijzen?
Hoe gaat de regering voorkomen dat dit tot extra knelpunten in de praktijk leidt?
Samenloop strafrecht en bestuursrecht
De leden van de commissie lezen in de memorie van toelichting dat de strafrechtketen
de capaciteit ontbeert om te acteren op alle sanctieschendingen.14 De regering introduceert daarom de mogelijkheid tot bestuursrechtelijke handhaving.
Hierdoor ontstaat er een duaal handhavingsstelsel.15 De leden van de commissie lezen in de memorie van toelichting dat de regering geen
problemen voorziet ten aanzien van het duale handhavingsstelsel omdat de insteek is
dat dezelfde norm niet door verschillende bestuursorganen zal kunnen worden gehandhaafd.
De leden van commissie vragen de regering of zij inzicht kan geven in welke sanctieovertredingen
straks via het strafrecht en welke via het bestuursrecht worden gehandhaafd? Klopt
het dat ondernemers straks in de praktijk met verschillende handhavers te maken krijgen
als zij verschillende sanctiebepalingen overtreden? Hoe wordt de eenheid van het handhavingsbeleid
bewaakt? De leden van de commissie vragen tot slot of de strafrechtketen straks wel
voldoende capaciteit heeft om te acteren op de meest ernstige overtredingen.
4. Bijzondere handhavingsbevoegdheid bij ernstige niet-naleving of ontduiking
Proces bijzondere handhavingsbevoegdheid
De leden van de commissie constateren dat het wetsvoorstel voorziet in een specifieke
bevoegdheid voor de Minister van Economische Zaken in overeenstemming met de Minister
die het mede aangaat om de effectieve werking van sancties te bevorderen.16 Het betreft een bestuursrechtelijke handhavingsbevoegdheid die erop gericht is het
gebruik van de onderneming om sanctiemaatregelen te omzeilen te beëindigen dan wel
te voorkomen.17 Door aansturing van deze onderneming over te nemen, wordt de mogelijkheid om deze
onderneming in te zetten voor sanctieontduiking, zo lezen de leden, voorkomen.18 De leden van de commissie vragen de regering hoe het proces rondom de inzet van deze
bijzondere handhavingsbevoegdheid eruit ziet. Kan zij dit schematisch weergeven? Op
basis van welke informatie wordt overgegaan tot inzet van deze bevoegdheid? Hoe wordt
de Kamer geïnformeerd over de inzet van de bijzondere handhavingsbevoegdheid? Hoe
vaak verwacht de regering dat deze bevoegdheid ingezet zal worden? Hoe wordt in de
praktijk bepaald wie wordt aangewezen als bestuurder? Welke expertise heeft een bestuurder
daar volgens de regering voor nodig en is deze voldoende beschikbaar? En welke maatregelen
kan een aangewezen bestuurder vervolgens nemen?
Gevolgen bijzondere handhavingsbevoegdheid
De leden van de commissie vragen naar de mogelijke gevolgen van de inzet van de bijzondere
handhavingsbevoegdheid. Hoe worden het bestuur en de medewerkers ingelicht over de
aanwijzing? Wordt er overleg gevoerd met andere landen indien de inzet van de bijzondere
handhavingsbevoegdheid ook voor andere landen gevolgen kan hebben? Kan de inzet van
de bijzondere handhavingsbevoegdheid uiteindelijk leiden tot stillegging van de onderneming
of behoort dit niet tot de mogelijkheden? Kan de regering inzichtelijk maken welke
mogelijke gevolgen kunnen optreden naar aanleiding van een aanwijzing en hoe eventueel
negatieve neveneffecten worden ondervangen?
Verhouding mogelijkheid aanwijzen bewindvoerder
De leden van de commissie constateren dat de bijzondere handhavingsbevoegdheid gelijkenissen
heeft met de bevoegdheid om een persoon aan te wijzen zoals voorzien in het kader
van beheer en bewind.19 De regering geeft daarbij aan dat de bijzondere handhavingsbevoegdheid een aantal
belangrijke verschillen kent. Zo wordt die bevoegdheid ingezet op andere gronden.
Bij de bijzondere handhavingsbevoegdheid hoeft geen sprake te zijn van een breder
publiek belang, maar staat de niet-naleving of risico op ontduiking van sanctiemaatregelen
centraal. Daarnaast is die bevoegdheid verstrekkender doordat de bestuurder wordt
vervangen en kunnen de kosten worden doorberekend aan de betrokken onderneming. De
leden van de commissie vragen de regering om aan de hand van een voorbeeld duidelijk
te maken waarom beide bevoegdheden noodzakelijk zijn in het sanctiestelsel en hoe
deze zich tot elkaar verhouden. Kan het ook voorkomen dat een onderneming achtereenvolgens
te maken krijgt met de aanwijzing van een bewindvoerder en vervolgens met aanwijzing
van een bestuurder? Kan de regering nader toelichten waarom bij de bijzondere aanwijzingsbevoegdheid
de kosten wel kunnen worden doorberekend aan de onderneming en bij het aanwijzen van
een bewindvoerder niet?
5. Beheer en bewind van (langdurig) bevroren tegoeden en economische middelen
Beoordelingskader ambtshalve aanwijzing bewindvoerder
De leden van de commissie lezen dat de Minister van Economische zaken de mogelijkheid
krijgt om een of meer personen aan te wijzen die opdrachten kunnen verstrekken aan
een in Nederland gevestigde onderneming.20 De Minister van Economische Zaken kan alleen gebruik maken van deze bevoegdheid als
een breder algemeen publiek belang in het geding is. Het moet gaan om nadelige gevolgen
voor de financiële stabiliteit of continuïteit van een onderneming die door een sanctiemaatregel
zijn veroorzaakt en daarmee ernstige maatschappelijke, economische of werkgelegenheidseffecten
voor de Nederlandse samenleving kan veroorzaken.21 De leden van de commissie lezen in de memorie van toelichting dat de Minister van
Economische Zaken bij het toepassen van deze bevoegdheid een afweging moet maken tussen
de publieke belangen die in het geding zijn, de belangen van de betrokken onderneming
en diens stakeholders en de belangen van de aandeelhouders of eigenaren van de onderneming.22 De beginselen van behoorlijk bestuur en de bescherming van eigendomsrechten in combinatie
met de aard en inhoud van de betrokken sanctiemaatregel zullen daarbij leidend zijn,
zo lezen de leden.23 De leden van de commissie vragen de regering welk beoordelingskader straks wordt
gehanteerd om over te gaan tot het aanwijzen van een bewindvoerder? Hoe worden de
verschillende belangen tegen elkaar afgewogen? Kan de regering nader toelichten hoe
de beginselen van behoorlijk bestuur, de bescherming van eigendomsrechten en de aard
en de inhoud van de sanctiemaatregel zich tot elkaar verhouden bij de aanwijzing van
een bewindvoerder? Is het bijvoorbeeld mogelijk dat de bescherming van het eigendomsrecht
ertoe kan leiden dat de aanwijzing niet wordt gegeven ondanks de brede maatschappelijke
gevolgen? Hoe wordt de Kamer geïnformeerd over de ambtshalve aanwijzing van een bewindvoerder?
Doeltreffendheid aanwijzing bewindvoerder
De leden van de commissie lezen dat, anders dan bij de bijzondere handhavingsbevoegdheid,
in het geval van aanwijzing van een bewindvoerder deze in principe naast het bestuur
wordt gezet.24 De leden constateren eveneens dat deze bevoegdheid alleen kan worden ingezet als
ernstige maatschappelijke effecten kunnen optreden. Kan de regering nader toelichten
waarom het in zo’n situatie niet aangewezen is om het bestuur te vervangen? Welke
mogelijkheden heeft de bewindvoerder straks in de praktijk om ernstige maatschappelijke
effecten te voorkomen als deze naast het bestuur komt te staan? Daarnaast wijzen (sanctierecht)
advocaten Yvo Amar en Eline Mooring in hun factsheet de commissie op het risico van
beperkte beschikbaarheid en kwaliteit van bewindvoerders.25 Zij vragen zich af in hoeverre bewindvoerders beschikbaar zijn en aan wie gedacht
kan worden. Zij wijzen erop dat het anders dan bij faillissementen waar curators optreden
het in dit geval zal gaan om het daadwerkelijk leiden van het bedrijf zolang er een
gesanctioneerde eigenaar is. Dit lijkt veel complexer dan de huidige rol van bijvoorbeeld
een curator bij de afwikkeling van faillissementen. Kan de regering nader reflecteren
op dit aandachtspunt? Welke expertise moet een bewindvoerder straks hebben? Hoe wordt
geborgd dat een aanwijzing in de praktijk mogelijk en effectief is?
Aanwijzing bewindvoerder andere EU-lidstaten
De leden van de commissie lezen in de memorie van toelichting dat de bevoegdheid een
persoon aan te wijzen als bewindvoerder een figuur is die in de context van de tenuitvoerlegging
van EU-sanctiemaatregelen en de maatschappelijke effecten daarvan door zowel de Europese
Commissie wordt aanbevolen als ook in andere EU-lidstaten wordt gebruikt of momenteel
wordt ingericht.26 In de memorie van toelichting wordt gewezen op het voorbeeld van Duitsland waar de
figuur enkele malen in de energiesector is ingezet. Kan de regering inzicht geven
welke andere landen op dit moment de figuur van een bewindvoerder kennen dan wel dit
aan het inrichten zijn? Kan de regering daarbij ook aangegeven of en hoe de inrichting
in Nederland verschilt van deze betreffende EU-lidstaten? Kan de regering daarnaast
nader ingaan op het voorbeeld van Duitsland, wat waren de gevolgen van de aanwijzing
in de energiesector en zijn er lessen uit te trekken die voor Nederland relevant zijn?
Hoe werkt de afstemming tussen de verschillende EU-lidstaten over in de inzet van
de aanwijzingsbevoegdheid?
Rechtsbescherming
De leden van de commissie lezen in de memorie van toelichting dat het wetsvoorstel
voorziet in rechtsbescherming, zowel ten aanzien van het aanwijzen van de aangewezen
persoon als tegen de opdrachten die de aangewezen persoon verstrekt.27 Voor beide staat bestuursrechtelijke rechtsbescherming open. De leden van de commissie
vragen de regering of een kans bestaat dat mogelijke lange juridische procedures de
effectiviteit van de maatregel kunnen ondermijnen waardoor ernstige maatschappelijke
effecten niet voorkomen kunnen worden? Hoe hebben andere EU-lidstaten dit geregeld?
In hoeverre kan door het besluit van de Minister van Economische Zaken de reputatie
van een onderneming al dusdanig geschaad zijn dat er eigenlijk geen effectieve rechtsbescherming
meer mogelijk is?
6. Aantekeningen in openbare registers
Effectiviteit aantekeningen
De leden van de commissie constateren dat het wetsvoorstel een doorgifteplicht regelt
aan registers.28 Dit houdt in dat bestuursorganen en toezichthouders aan beheerders van een register
moeten doorgeven wanneer een relatie bestaat tussen het onderwerp van het betreffende
register en gesanctioneerde entiteiten of personen. De genoemde registers moeten hier
vervolgens een aantekening van maken. Het plaatsen van een aantekening in een register
moet eraan bijdragen dat burgers, toezichthouders en bedrijven (waaronder poortwachters)
zicht houden op welke ondernemingen, registergoederen en andere vermogensbestanddelen
die in registers zijn geregistreerd verbonden zijn met sancties jegens natuurlijke
personen, rechtspersonen en entiteiten.29 De aantekening in het register moet worden gezien als hulpmiddel, het naleven van
de sancties blijft de verantwoordelijkheid van burgers en bedrijven zo lezen de leden.30 De regering geeft daarbij aan dat aantekeningen niet altijd automatisch effect of
betekenis hebben.31 Marktpartijen moeten nog steeds zo lezen de leden zelf bepalen welk gevolg de internationale
sanctiemaatregel en de aantekening hebben voor hun bedrijfsvoering. De leden van de
regering vragen de commissie op basis van welke andere beschikbare informatie marktpartijen
kunnen bepalen of zij hun bedrijfsvoering moeten aanpassen? Worden marktpartijen hierbij
geholpen door regering? Kan de regering nader toelichten wat de waarde is van een
aantekening als deze niet automatisch effect of betekenis heeft?
Uitvoerbaarheid aantekeningen
De leden van de commissie lezen in de uitvoeringstoets van het Kadaster dat in verband
met een voorgestelde wijziging van het Kadasterbesluit het straks niet meer mogelijk
is om in het register van het Kadaster te zoeken op naam. Hierdoor wordt het volgens
het Kadaster lastiger voor burgers en bedrijven om te achterhalen of een natuurlijke
persoon met wie zij zaken willen doen een gesanctioneerde is met een bevroren registergoed.32 Kan de regering nader toelichten waarom ervoor wordt gekozen om dit te beperken?
Hoe kunnen bedrijven en burgers op andere wijze aan deze informatie komen? De leden
van de commissie lezen daarnaast in de uitvoeringstoets van de Kamer voor Koophandel
(KvK) dat er geen openbare lijsten komen omwille van privacyoverwegingen. De leden
van de commissie lezen dat de regering deze zienswijze weerspreekt.33 De leden van de commissie vragen de regering of er nu wel of geen openbare lijsten
komen. Kan de regering nader toelichten waarom zij de zienswijze van de KvK weerspreekt?
De leden van de commissie lezen verder in de memorie van toelichting dat het KvK uitgaat
van maximaal 10 aantekeningen per jaar. Kan de regering ook aangeven hoeveel aantekeningen
worden verwacht bij de andere registers?
7. Centraal meldpunt sancties
De leden van de commissie lezen in de memorie van toelichting dat de Europese sanctieregelgeving
diverse meldingsplichten bevat.34 Deze meldingsplichten zijn op dit moment bij verschillende kanalen belegd. Hierdoor
is het voor melders niet altijd duidelijk bij welk kanaal ze hun informatie moeten
indienen zo lezen de leden.35 Om ervoor te zorgen dat melders makkelijker aan hun meldingsplicht kunnen voldoen
wordt voorzien in een centraal meldpunt sancties. Hierbij zal gelden dat een nieuwe
meldingsplicht bij het centraal meldpunt wordt belegd, tenzij een ander meldpunt beter
geschikt is voor het ontvangen van de melding vanwege noodzakelijke specialistische
kennis. Dat geldt bijvoorbeeld, zo lezen de leden, voor meldingen die binnenkomen
bij de Centrale dienst voor in- en uitvoer van de Douane.36 De leden van de commissie vragen de regering of door deze uitzonderingsmogelijkheid
niet alsnog een versnipperd landschap blijft bestaan? Hoeveel meldkanalen zullen er
straks uiteindelijk zijn? Is het voor melders straks duidelijk wanneer ze zich tot
het centraal meldpunt moeten richten en wanneer tot een ander meldpunt? Hoe vindt
de afstemming tussen het centraal meldpunt sancties en de Douane straks plaats?
Centraal expertise punt
De leden van de commissie lezen in de memorie van toelichting dat het centraal meldpunt
sancties het ontvangstpunt wordt voor de meldingen voortkomend uit de meldingsplichten.37 De leden van de commissie constateren dat er bij ondernemingen, toezichthouders en
andere betrokken partijen zoals advocaten een grote behoefte bestaat aan een centraal
expertisepunt waar zij ook informatie kunnen verkrijgen, bijvoorbeeld over hoe de
omzeiling van sancties kan worden herkend.38 Deskundigen achten het dan ook cruciaal dat het meldpunt een duidelijke vraagbaakfunctie
krijgt.39 Volgens deskundigen is er bijvoorbeeld behoefte aan een duidelijke uitleg bij sancties
over hoe deze geïmplementeerd moeten worden in de praktijk. Zij wijzen hierbij op
Duitsland als voorbeeld, waar marktpartijen actief handreikingen krijgen van de overheid
bij de interpretatie van sancties.40 De leden van de commissie vragen de regering waarom niet gekozen is voor een centraal
expertise punt in plaats van alleen een centraal meldpunt? In hoeverre ziet de regering
mogelijkheid om dit in de toekomst wel mogelijk te maken voor bedrijven? Is hier dan
weer een wetswijziging voor nodig? Is de regering voornemens om net zoals Duitsland
actief handreikingen te gaan verstrekken over de uitleg van sancties? Zo ja, op welke
wijze? Zo nee, waarom niet?
8. Verhouding tot andere regelgeving
De Europese AML-verordening en AML-richtlijn
De leden van de commissie lezen dat op 19 juni 2024 de laatste twee onderdelen van
de Anti-Money Laundering-verordening (AML-verordening) en de Anti-Money Laundering-richting (AML-richtlijn) zijn gepubliceerd in het publicatieblad van de Europese
Unie.41 De belangrijkste regels hieruit die verband houden met de naleving van de sancties
zullen op 10 juli 2027 van toepassing worden. De regering heeft er daarom voor gekozen,
zo lezen de leden van de commissie, een tweede tranche wetgeving te starten als onderdeel
van de Wet internationale sanctiemaatregelen waarin het huidige toezicht op de bedrijfsvoering
uit de Sanctiewet 1977 wordt aangepast in het licht van deze Europeesrechtelijke ontwikkelingen.42 De leden van de commissie zijn in het licht hiervan door de Landelijke Organisatie
Toezicht Advocatuur (LOTA), het Bureau Financieel Toezicht (BFT), de Autoriteit Financiële
Markten (AFM) en de Nederlandsche Bank (DNB) er op gewezen dat het tijdspad waarin
de Wet internationale sanctiemaatregelen I, de AML-richtlijn en verordening en de
Wet internationale sanctiemaatregelen II worden ingevoerd een aantal uitdagingen en
aandachtspunten met zich meebrengt. De LOTA wijst de leden van de commissie erop dat
dubbele regimes moeten worden voorkomen door de AML-regelgeving.43 De LOTA geeft bijvoorbeeld als aandachtspunt mee dat ten aanzien van de diensten
waarop de wet straks van toepassing wordt moet worden aangesloten bij de reikwijdte
van de AML-regelgeving. Kan de regering aangeven hoe dubbele regimes voorkomen gaan
worden? Het BFT wijst de leden van de commissie erop dat de samenloop van verplichtingen
en de opeenvolging van wijzigingen grote gevolgen zal hebben voor de uitvoerbaarheid
en de duidelijkheid voor onder toezicht staande instellingen.44 Het BFT pleit dan ook voor gelijktijdige inwerkingtreding van de Wet internationale
sanctiemaatregelen en de AML-richtlijn. Kan de regering in het licht hiervan aangeven
wanneer zij verwacht dat de Wet internationale sanctiemaatregelen I, de implementatiewet
voor de AML-richtlijn en de Wet internationale sanctiemaatregelen II in werking zullen
treden? Hoe zorgt de regering ervoor dat de verschillende wijzigingen uitvoerbaar
en duidelijk blijven voor instellingen?
9. Uitvoering
Capaciteit en middelen uitvoeringsorganisaties
De leden van de commissie constateren dat er meer dan 20 uitvoeringsorganisaties betrokken
zijn bij de uitvoering van de wet.45 De leden van de commissie lezen in verschillende uitvoeringstoetsen dat aanvullende
capaciteit en middelen mogelijk noodzakelijk zijn om de nieuwe taken effectief te
kunnen uitvoeren.46 De leden van de commissie zijn erop gewezen dat de doeltreffendheid van de uitbreiding
van het handhavingsinstrumentarium hiervan afhankelijk zal zijn.47 Kan de regering nader onderbouwen of de maatregelen in de praktijk haalbaar zijn?
Kan zij dit doen aan de hand van een schematische weergave waarin per uitvoeringsorganisatie
wordt weergegeven hoeveel extra fte nodig is om de wet uit te voeren? Hoe groot acht
de regering het risico dat deze fte niet ingevuld kunnen worden gelet op de krappe
arbeidsmarkt? Krijgen de uitvoeringsorganisaties voldoende middelen om deze nieuwe
taken voldoende uit te kunnen voeren? Zo nee, zal er een prioritering worden aangebracht
in de toezicht- en uitvoeringstaken? Is de aanwezige capaciteit ook toekomstbestendig
gelet op de mogelijkheid dat sanctiepakketten in de toekomst kunnen worden uitgebreid?
Benodigde afstemming bestuursrechtelijke handhaving tussen het OM en de Douane
De leden van de commissie lezen in de position paper van de Douane ten behoeve van
het rondetafelgesprek over de Wet internationale sanctiemaatregelen dat een aandachtspunt
is dat in overleg met het OM het boete- en vervolgingsbeleid op elkaar moet worden
afgestemd.48 Daarnaast lezen de leden van de commissie dat afstemming tussen de Douane en het
OM ook nodig zal zijn om samenloop van het bestuursrecht en het strafrecht te voorkomen
en om te bewaken dat feitelijke toepassing van het bestuursrecht en het strafrecht
consistent is. De leden van de commissie vragen hoe en wanneer deze afstemming zal
plaatsvinden? Heeft deze benodigde afstemming invloed op de inwerkingtreding van de
wet? Wordt deze afstemming vastgelegd in lagere regelgeving of op andere wijze? Hoelang
duurt het vervolgens voordat bestuursrechtelijke handhaving daadwerkelijk ingevoerd
zal kunnen worden? Daarnaast vragen de leden hoe het zit met de benodigde afstemming
tussen het OM en andere organisaties die bestuursrechtelijke handhavingsmogelijkheden
krijgen, zoals het Bureau Toetsing Investeringen, het Bureau Financieel Toezicht en
de Deken? Hoe wordt dit vastgelegd en op welke termijn?
Informatiepositie Inspectie Leefomgeving en Transport
De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) geeft in haar uitvoeringstoets aan dat
de ILT ten aanzien van de fraudebestendigheid van de wet afhankelijk is van de informatieverstrekking
door derden.49 Deze afhankelijkheid is volgens de ILT een punt van aandacht bij de verdere invoering
van de wet. Kan de regering nader toelichten van welke informatieverstrekking de ILT
afhankelijk is? Wordt deze informatieverstrekking geborgd met het wetsvoorstel of
is hiervoor aanvullende regelgeving nodig? De leden van de commissie zijn er daarnaast
op gewezen dat zowel de Douane als de ILT sterk afhankelijk zijn van de informatie
die zij krijgen van de Kustwacht.50 Zij wijzen dan ook op het belang van een sterke Kustwacht voor een goede uitvoering
van de wet. De Kustwacht wordt echter niet genoemd in de memorie van toelichting.
Kan de regering nader ingaan op de rol van de Kustwacht in het sanctiestelsel? Hebben
zij voldoende middelen en capaciteit om hun taak goed te kunnen uitoefenen?
Doorbreking geheimhoudingsplicht advocaten en notarissen
De leden van de commissie constateren dat de wet een doorbreking van de geheimhoudingsplicht
regelt voor advocaten en notarissen.51 Advocaten en notarissen moeten straks in afwijking van hun geheimhoudingsplicht de
voor de melding benodigde informatie verstrekken aan het centraal meldpunt sancties.52 De Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA) en de Dekens zeggen hierover in hun uitvoeringstoets
dat het centraal meldpunt destijds nog onvoldoende was uitgewerkt53. Zij konden daarom moeilijk meedenken met de wetgever en gaven als algemene opmerking
mee dat de inrichting van dit centraal meldpunt slechts werkbaar kan worden indien
de geheimhouding van informatie die over of door advocaten gemeld gaat worden, op
alle fronten geborgd is en blijft.54 De leden van de commissie lezen in de position paper van de Landelijke Organisatie
Toezicht Advocatuur55 een herhaalde oproep dat expliciete waarborgen nodig zijn om de kernwaarden achter
de geheimhoudingsplicht en het verschoningsrecht te beschermen. De leden van de commissie
vragen de regering of het centraal meldpunt inmiddels verder is uitgewerkt? Welke
waarborgen worden opgenomen om de geheimhoudingsplicht en het verschoningsrecht te
beschermen? Is geheimhouding van de informatie straks op alle fronten geborgd?
10. Financiële gevolgen
Ontbreken paragraaf financiële gevolgen
De leden van de commissie constateren dat een paragraaf over de financiële gevolgen
ontbreekt in de memorie van toelichting.56 De leden van de commissie vragen de regering of zij de financiële gevolgen alsnog
in kaart kan brengen. Welke financiële effecten zijn er te verwachten voor het Rijk?
Kan de regering daarbij ook nader ingaan op de eisen die in artikel 3.1. van de Comptabiliteitswet
worden gesteld, zoals de doeltreffendheid en de doelmatigheid van de ingezette beleidsinstrumenten?
11. Evaluatie
Invoeringstoets
De leden van de commissie lezen in de memorie van toelichting dat een invoeringstoets
zal plaatsvinden, maar dat het tijdstip waarop deze zal worden verricht nader bepaald
moet worden.57 Kan de regering toelichten waarom niet wordt gekozen voor de gebruikelijke termijn
van één jaar na inwerkingtreding? Kan zij daarnaast aangeven wanneer zij verwacht
de invoeringstoets te zullen verrichten? De regering heeft indicatoren ontwikkeld
voor het selecteren van dossiers die zich goed lenen voor een invoeringstoets.58 Een voorbeeld van een dergelijke indicator is volgens de regering het risico op knelpunten
in de uitvoering van de betreffende nieuwe regeling en de ernst daarvan.59 In de memorie van toelichting van het wetsvoorstel wordt niet ingegaan op deze indicatoren.
Ten aanzien van welke maatregelen uit het wetsvoorstel ziet de regering concreet risico’s
op knelpunten waarvoor een invoeringstoets gewenst is? Kan de Kamer geïnformeerd worden
over zowel de opzet als de resultaten van de invoeringstoets die de regering zal verrichten?
B. Inbreng vanuit de fracties
Algemeen deel
De leden van de D66-fractie onderschrijven het belang van een effectief en modern
sanctiestelsel, zeker gezien de toegenomen complexiteit en omvang van internationale
sancties. Zij constateren dat het wetsvoorstel beoogt de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid
van sancties te versterken, onder meer door uitbreiding van bestuursrechtelijke handhaving,
verbeterde gegevensuitwisseling en een centrale meldstructuur. Tegelijkertijd stellen
deze leden dat de effectiviteit van sancties in belangrijke mate wordt bepaald door
de praktische uitvoerbaarheid in de keten, in het bijzonder bij uitvoerende diensten
zoals de Douane.
De leden van GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel. De
leden delen de wens van het kabinet voor modernisering en versterking van het Nederlands
sanctiestelsel om sanctiemaatregelen effectiever te kunnen uitvoeren en handhaven.
De leden van de CDA-fractie hebben kennis genomen van de Wet internationale sanctiemaatregelen
(Wis I). Deze leden steunen een stevig sanctiebeleid als instrument ter bescherming
van de internationale rechtsorde, maar hechten er tegelijk aan dat nieuwe bevoegdheden
doelgericht, uitvoerbaar en rechtsstatelijk houdbaar zijn. Daarom hebben deze leden
nog enkele vragen bij dit wetsvoorstel.
1. Inleiding
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel
voor de nieuwe Wet internationale sanctiemaatregelen. Deze leden onderstrepen het
grote belang van een effectief sanctie-instrumentarium in een wereld waar de geopolitieke
dreiging toeneemt, met name door de Russische agressie in Oekraïne en de destabiliserende
rol van regimes in landen als Iran en China. Het is voor deze leden cruciaal dat Nederland
en de Europese Unie (EU) een krachtig en waterdicht antwoord hebben op deze dreigingen.
Tegelijkertijd hechten deze leden aan een werkbaar klimaat voor Nederlandse ondernemers,
waarbij sancties gericht moeten zijn op het raken van kwaadwillende actoren zonder
te leiden tot een verstikkende bureaucratie voor bonafide bedrijven.
De leden van de CDA-fractie vragen of de regering kan toelichten welke lessen uit
de sanctiepakketten tegen Rusland sinds de grootschalige inval in Oekraïne direct
zijn verwerkt in dit wetsvoorstel?
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel Regels over
de uitvoering van internationale sanctiemaatregelen (Wet internationale sanctiemaatregelen).
Deze leden onderschrijven het belang van effectieve sanctienaleving, maar constateren
dat het voorliggende voorstel op meerdere punten grote vragen oproept ten aanzien
van uitvoerbaarheid, regeldruk, rechtszekerheid en proportionaliteit.
De leden constateren dat het wetsvoorstel een ingrijpende systeemwijziging behelst,
terwijl tegelijkertijd op Europees niveau het AML-pakket op korte termijn in werking
treedt. Dit roept de vraag op in hoeverre het voorstel toekomstbestendig is en of
hiermee geen tijdelijke en kostbare tussenstructuur wordt gecreëerd.
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van onderhavig
wetsvoorstel. Ze zien dat de huidige Sanctiewet 1977 is verouderd en verwelkomen in
dat licht het nieuwe wetsvoorstel. De leden hebben een aantal vragen.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering om te reflecteren op de huidige
sanctie-inzet. De leden zien, net als de regering, dat in de afgelopen jaren het aantal
(EU-)sancties dat van kracht is, flink is toegenomen. Hoe beziet de regering het sanctie-instrument
en de effectiviteit daarvan binnen het breder buitenlandbeleid? Zo stelt de regering
bijvoorbeeld dat het ontzeggen van de toegang tot de Europese markt of het grondgebied
het voortzetten van bepaald gedrag kan bemoeilijken, kan aanzetten tot gedragsverandering
en anderen kan ontmoedigen hetzelfde gedrag te vertonen. Kan de regering, met wetenschappelijke
onderbouwing, aangeven in hoeverre sancties inderdaad voor deze verandering zorgen?
Wanneer wel en wanneer niet en welke lessen zijn hieruit te trekken voor het (EU-)sanctiebeleid?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of onderhavig wetsvoorstel verband houdt
met het (kunnen) treffen van nationale sancties? Wordt het middels het wetsvoorstel
bijvoorbeeld makkelijker of juist zwaarder om nationale maatregelen te treffen tegen
personen, entiteiten of landen?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering ook te reflecteren op de spanning
die kan bestaan tussen enerzijds de wens dat sanctiemaatregelen zo consequent en neutraal
mogelijk worden ingezet (en gelijksoortige gevallen dus ook met eenzelfde sanctie
worden getroffen) en anderzijds het feit dat een sanctie een politieke maatregel is,
waarbij je je hebt te verhouden tot politieke meerderheden in het Nederlands parlement
en tevens de Europese besluitvorming. Ziet de regering dat hierbij in ieder geval
al de schijn tot vooringenomenheid of hypocrisie kan ontstaan, in ieder geval vanuit
het oogpunt van derde landen? Op welke manieren tracht de regering zo consequent mogelijk
te zijn?
2. Aanleiding, doelstelling en achtergrond: het belang van een sterk(er) Nederlands
sanctiestelsel
2.1 Aanleiding en probleemstelling
De leden van de CDA-fractie lezen dat naleving door «eenieder» verplicht is om ervoor
te zorgen dat sancties een maximaal effect hebben. Kan de regering nader specificeren
of en waar nalevingsproblemen zich in de praktijk voordoen: bij financiële instellingen,
handelsondernemingen, dienstverleners, complexe concernstructuren of elders? Kan de
regering daarnaast inzicht geven in de aard en omvang van sancties en geconstateerde
sanctieschendingen in Nederland in de afgelopen jaren?
De leden van de CDA-fractie vragen of de regering uiteen kan zetten in hoeverre Nederland
in vergelijking met andere EU-lidstaten voor- of achterloopt op het terrein van sanctiehandhaving
en naleving. Heeft de regering bij de voorbereiding van dit wetsvoorstel expliciet
gekeken naar best practices in andere landen, zoals lidstaten van de EU, het Verenigd
Koninkrijk of de Verenigde Staten? Zo ja, welke lessen zijn overgenomen? Zo nee, waarom
niet?
De leden van de BBB-fractie vragen de regering om nader te onderbouwen in welke mate
de voorgestelde modernisering daadwerkelijk leidt tot effectievere sanctienaleving.
Het Adviescollege toetsing regeldruk merkt immers op dat de effectiviteit onvoldoende
inzichtelijk is gemaakt, waardoor niet goed beoordeeld kan worden of de aanzienlijke
regeldruk proportioneel is.
2.2 Doelstelling
De leden van de VVD-fractie vragen op welke manier het kabinet verwacht dat sancties
bijdragen aan de ondersteuning van de beginselen van het internationaal recht, de
handhaving van vrede, de voorkoming van conflicten en de versterking van de internationale
veiligheid. En welke instrumenten heeft het kabinet onder de nieuwe wetgeving wanneer
blijkt dat dit niet het geval is?
De leden van de CDA-fractie hechten eraan dat sancties daadwerkelijk effect sorteren.
Hoe verwacht de regering dat dit wetsvoorstel het feitelijke effect van sancties vergroot?
De leden van de BBB-fractie vragen de regering concreet aan te geven welke meetbare
indicatoren worden gehanteerd om het succes van deze wet te evalueren, en hoe wordt
voorkomen dat een zeer kostbare uitbreiding van toezicht en administratieve lasten
slechts beperkt bijdraagt aan daadwerkelijke naleving.
2.3 De oorsprong van sancties: Verenigde Naties en Europese Unie
De leden van de CDA-fractie vragen in hoeverre de regering er rekening mee houdt dat
toekomstige sanctieregimes mogelijk nog ingrijpender economische en maatschappelijke
gevolgen hebben dan de huidige, bijvoorbeeld bij een conflict rond China en Taiwan
of andere grote economieën? Is het wetsvoorstel daarop voorbereid?
De leden van de CDA-fractie vragen of de regering nader uiteen kan zetten hoe de verhouding
ligt tussen VN-sancties, EU-sancties en nationale uitvoeringsmaatregelen. Waar zit
voor Nederland precies de nationale beleidsruimte?
2.4 Uitvoering van sancties door Nederland
De regering wijst op het belang van het beginsel van Unietrouw en het «nuttig effect»
van EU-regelgeving. De leden van de CDA-fractie vragen of de regering kan toelichten
wat dit concreet betekent voor de ruimte van de nationale wetgever bij de inrichting
van dit sanctiestelsel. Kan de regering daarnaast verduidelijken op welke onderdelen
Nederland verplicht is nationale uitvoeringsmaatregelen te treffen, en op welke onderdelen
het wetsvoorstel verder gaat dan strikt Europeesrechtelijk noodzakelijk is?
3. Hoofdlijnen van het wetsvoorstel
3.1 Modernisering van de grondslagen om regels te stellen ter uitvoering van internationale
sanctiemaatregelen
De leden van de D66-fractie vragen of de regering nader kan reflecteren op de werkbaarheid van het wetsvoorstel in de uitvoering, zowel juridisch als praktisch.
Zij constateren dat het wetsvoorstel voorziet in:
• een aanzienlijke uitbreiding van bestuursrechtelijke handhaving, naast het strafrecht;
• een bredere kring van toezichthouders en handhavende instanties, waaronder de Douane;
• en intensievere gegevensuitwisseling en meldplichten.
Deze leden vragen of de regering concreet kan toelichten:
• of uitvoeringsorganisaties, met name de Douane, voldoende zijn toegerust qua capaciteit, expertise en IT-systemen om deze uitbreiding effectief uit te voeren;
• hoe wordt geborgd dat de combinatie van strafrechtelijke en bestuursrechtelijke handhaving
in de praktijk geen onduidelijkheid of overlap veroorzaakt voor uitvoerders;
• of de regering kan ingaan op de uitkomsten van de uitvoeringstoetsen, specifiek waar
het gaat om de feitelijke uitvoerbaarheid aan de grens en in toezichtpraktijk.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de systematiek in artikel 2.2.1
aansluit bij de systematiek van de Sanctiewet 1977. De leden merken op dat in het
voorliggende Wetsvoorstel nog steeds de juridische grondslag behouden blijft om sanctiemaatregelen
te treffen «voortvloeiend uit aanbevelingen van volkenrechtelijke organisaties of
internationale afspraken». De leden vragen de regering of aanbevelingen uit resoluties
van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties (AVVN) of advisory opinions van
het Internationaal Gerechtshof (IGH) onder deze noemer vallen. Tevens vragen de leden
of Nederland in het verleden onder de Sanctiewet 1977 sanctiemaatregelen op basis
van resoluties van de AVVN of advisory opinions van het IGH heeft getroffen, zonder
tussenkomst van bindende internationale sanctieregimes.
De leden van de BBB-fractie constateren dat de uitvoerbaarheid sterk uiteenloopt per
uitvoeringsorganisatie en op cruciale onderdelen onvoldoende is uitgewerkt. Zij wijzen
in het bijzonder op situaties waarin de uitvoerbaarheid afhankelijk wordt gesteld
van onduidelijke randvoorwaarden, zoals bezwaarprocedures en de exacte invulling van
sanctie-aantekeningen. Zonder duidelijkheid hierover achten deze leden uitvoering
feitelijk niet mogelijk.
Daarnaast constateren deze leden dat binnen specifieke sectoren de praktische impact
en effectiviteit van sancties beperkt kan zijn en mogelijk eenvoudig kan worden omzeild.
Dit roept de vraag op in hoeverre het wetsvoorstel doelgericht is en of er sprake
is van generieke regelgeving zonder sectorspecifieke afweging.
De leden van de BBB-fractie vragen de regering om per uitvoeringsorganisatie inzichtelijk
te maken waar de grootste uitvoeringsrisico’s liggen en welke onderdelen van het wetsvoorstel
momenteel nog niet uitvoerbaar zijn.
3.2 Bestuursrechtelijke handhaving van sanctieschendingen
De leden van de VVD-fractie zien graag dat sancties maximaal effect sorteren. Daarbij
is de handhaving een essentieel element. Wordt de Douane voldoende in staat gesteld
om als handhavende organisatie voor de bestuursrechtelijke aanpak op te treden en
op welke manier gebeurt dat?
De leden van de VVD-fractie hebben enkele vragen over de handhaving en internationale
samenwerking. Zij lezen in de stukken over de inzet van bestuursrechtelijke handhaving
naast het strafrecht en vragen hoe wordt voorkomen dat ondernemers door beide trajecten
voor hetzelfde feit worden aangepakt (ne bis in idem). Daarnaast horen deze leden
graag of de regering bereid is om in EU-verband te pleiten voor een verdere harmonisatie
van de handhavingspraktijk, zodat een «race to the bottom» wordt voorkomen waarbij
gesanctioneerde goederen via de EU-lidstaat met de zwakste controle de Unie alsnog
binnenkomen of verlaten.
De leden van de CDA-fractie vragen welke criteria de regering hanteert om te bepalen
of bestuursrechtelijke handhaving «passend en proportioneel» is? Hoe wordt uniformiteit
in handhaving tussen sectoren geborgd, zodat vergelijkbare overtredingen niet heel
verschillend worden behandeld?
De Douane wijst op de noodzaak van afstemming met het Openbaar Ministerie over boete-
en vervolgingsbeleid. De leden van de CDA-fractie vragen hoe die afstemming eruit
zal komen te zien. Wordt er een samenwerkingsprotocol opgesteld zodat gegevens onderling
uitgewisseld kunnen worden, of is dat niet nodig?
3.3 Bijzondere handhavingsbevoegdheid bij ernstige niet-naleving of ontduiking van
sanctiemaatregelen
De leden van de CDA-fractie vragen of de regering scherp kan afbakenen wanneer sprake
is van «ernstige niet-naleving» of «ontduiking» die inzet van deze bijzondere bevoegdheid
rechtvaardigt. Welke drempel geldt voor toepassing van deze bevoegdheid, en welke
feiten of signalen moeten minimaal aanwezig zijn? Hoe wordt voorkomen dat deze bevoegdheid
wordt ingezet op basis van vermoedens die nog onvoldoende zijn onderbouwd?
De leden van de CDA-fractie vragen of de regering kan toelichten hoe proportionaliteit
en subsidiariteit in de praktijk worden getoetst bij deze bijzondere bevoegdheid?
3.4 Beheer van (langdurig) bevroren economische middelen
Ook vragen de leden van de VVD-fractie aandacht voor de continuïteit en de afwikkeling
van ondernemingen die geraakt worden door sancties tegen hun eigenaren of zakenpartners.
Het wetsvoorstel bevat bepalingen over de aanstelling van een beheerder, en deze leden
vragen om een nadere toelichting op de criteria die hierbij gehanteerd worden om de
belangen van de Nederlandse werknemers en de continuïteit van de bedrijfsvoering te
waarborgen. Hoe wordt voorkomen dat het middel erger is dan de kwaal en een onderneming
onnodig failliet gaat door traagheid in het besluitvormingsproces rondom ontheffingen
of het aanstellen van toezicht? Kan de regering bevestigen dat bij het aanstellen
van dergelijke beheerders de expertise uit de private sector wordt benut om de commerciële
levensvatbaarheid niet in gevaar te brengen? Tot slot vernemen deze leden graag hoe
het kabinet aankijkt tegen het bevriezen en eventueel confisqueren van Russische staatstegoeden
ten behoeve van de wederopbouw van Oekraïne; in hoeverre biedt deze wet de juridische
basis om hierop in internationaal verband voorop te lopen en wat zijn de risico’s
voor de reputatie van Nederland als betrouwbare vestigingsplaats voor internationaal
kapitaal?
De leden van de CDA-fractie vragen wie de kosten draagt van beheer, onderhoud en eventuele
waardebescherming van bevroren middelen. Welke verantwoordings- en controlemechanismen
gelden voor beheerders van bevroren middelen?
De leden van de CDA-fractie vragen of de regering kan toelichten hoe wordt omgegaan
met complexe concernstructuren en grensoverschrijdende eigendomssituaties. De Raad
van State wijst immers juist daar op onzekerheden en internationale gevoeligheden.
3.4.2 Beheer van registergoederen
De leden van de CDA-fractie vragen wie aansprakelijk is als door onvoldoende beheer
schade ontstaat aan een registergoed of aan derden. Deze leden vragen daarnaast hoe
de verrekenbare beheerskosten van registergoederen worden bepaald.
3.5 Aantekeningen in registers
De leden van de CDA-fractie vragen welke rechtsgevolgen een aantekening precies heeft
voor derden, bijvoorbeeld bij overdracht, financiering of notariële dienstverlening.
Hoe wordt gewaarborgd dat onjuiste of verouderde aantekeningen snel worden hersteld
of verwijderd?
De leden van de CDA-fractie vragen of er aan de aantekening ook een verwijzing naar
meer informatie wordt toegevoegd, zodat een ondernemer bijvoorbeeld geattendeerd wordt
op de website van het RVO voor meer informatie.
De leden van de BBB-fractie constateren dat het wetsvoorstel een verplichting introduceert
om aantekeningen te plaatsen in diverse openbare registers, maar dat de systematiek
op meerdere punten tekortschiet. Zo ontbreekt een duidelijke verdeling van verantwoordelijkheden
tussen aanleverende instanties en registerbeheerders, en is onvoldoende geregeld hoe
de juistheid en actualiteit van gegevens wordt geborgd. Ook ontbreekt een structureel
mechanisme voor periodieke controle en verwijdering van onjuiste of verouderde aantekeningen.
De leden van de BBB-fractie vragen de regering hoe wordt voorkomen dat onjuiste aantekeningen
leiden tot ernstige economische schade voor bedrijven, en welke rechtsbescherming
betrokkenen hebben tegen dergelijke aantekeningen.
3.6 Verbeterde gegevensuitwisseling
De leden van de BBB-fractie constateren dat het wetsvoorstel op meerdere punten onvoldoende
duidelijk is over de verwerking van persoonsgegevens.
De leden constateren dat essentiële grondslagen ontbreken voor het verwerken van bijzondere
categorieën persoonsgegevens en gegevens van strafrechtelijke aard, en dat delegatiebepalingen
te ruim en onvoldoende concreet zijn geformuleerd.
Daarnaast is de terminologie rondom «relatie» en «verbondenheid» onvoldoende afgebakend,
terwijl deze bepalend is voor de toepassing van de wet.
De leden van de BBB-fractie vragen de regering hoe wordt geborgd dat burgers en bedrijven
vooraf kunnen voorzien wanneer zij onder de reikwijdte van de wet vallen, en hoe wordt
voorkomen dat dit leidt tot rechtsongelijkheid en willekeur in de toepassing.
3.6.1 Gegevensuitwisseling op grond van Europese sanctieverordeningen
De leden van de CDA-fractie vragen hoe de regering zorgt voor een eenduidige uitleg
van Europese grondslagen door alle Nederlandse toezichthouders en uitvoerders. In
hoeverre verwacht de regering dat verschillen tussen Europese sanctieverordeningen
in de praktijk tot uitvoeringsproblemen leiden?
3.6.2 Aanvullende nationale regels voor gegevensuitwisseling
De leden van de VVD-fractie hechten grote waarde aan de strategische autonomie en
de veiligheid van onze vitale toeleveringsketens. Zij zien dat de grens tussen economische
belangen en nationale veiligheid steeds vaker vervaagt en vragen de regering in hoeverre
deze wet voldoende flexibiliteit biedt om snel in te spelen op nieuwe vormen van hybride
dreigingen, waarbij civiele goederen worden ingezet voor militaire doeleinden. Deze
leden willen weten of het kabinet bereid is om meer proactief informatie uit de inlichtingendiensten
te delen met vitale sectoren, zodat zij niet achteraf geconfronteerd worden met sanctieschendingen,
maar vooraf hun ketens kunnen opschonen.
Ten aanzien van het dichten van mazen en de aanpak van omzeiling constateren de leden
van de VVD-fractie dat sanctieomzeiling een hardnekkig probleem vormt, waarbij goederen
en kapitaal via omwegen alsnog bij gesanctioneerde partijen terechtkomen. Deze leden
vragen de regering nader toe te lichten hoe dit wetsvoorstel specifiek bijdraagt aan
het sneller en effectiever detecteren van complexe omzeilingsconstructies via derde
landen. Tevens vernemen zij graag in hoeverre de nieuwe wet extra handvatten biedt
om de zogenaamde «schaduwvloot» en andere informele logistieke netwerken aan te pakken
die door Rusland worden ingezet. In dat kader vragen deze leden hoe wordt gewaarborgd
dat de gegevensuitwisseling tussen de Douane, FIOD, DNB en andere toezichthouders
niet alleen juridisch mogelijk is, maar ook technisch en operationeel zodanig is ingericht
dat «red flags» direct leiden tot handhaving. Voorts vragen de leden van de VVD-fractie
of de voorgestelde bestuursrechtelijke boetes hoog genoeg zijn om een werkelijk afschrikwekkende
werking te hebben voor grote internationale spelers die willens en wetens mazen in
de wet opzoeken.
De Raad van State geeft aan de behoefte te begrijpen aan een generieke grondslag,
maar vraagt wel om zo spoedig mogelijk specifieke wettelijke verankering zodra van
die grondslag gebruik wordt gemaakt. De leden van de CDA-fractie vragen of de regering
dit advies overneemt. Zo nee, waarom niet?
3.7 Centraal meldpunt sancties
De leden van de CDA-fractie vragen hoe het centraal meldpunt organisatorisch wordt
gepositioneerd en welke verantwoordelijkheden het precies krijgt. Hoe wordt geborgd
dat het meldpunt voldoende capaciteit, expertise en digitale ondersteuning heeft vanaf
de start?
Het Bureau Financieel Toezicht (BFT) noemt een goed functionerend meldpunt essentieel.
De leden van de CDA-fractie vragen welke prestatie-indicatoren de regering gaat hanteren
om te beoordelen of het meldpunt ook echt goed functioneert.
3.7.1 Meldingsplichten in Europese sanctieregelgeving
De leden van de CDA-fractie vragen hoe de regering onduidelijkheid denk te voorkomen
bij instellingen die onder meerdere Europese meldplichten tegelijk vallen.
3.7.3 Centraal meldpunt sancties
De leden van de BBB-fractie constateren dat het centraal meldpunt een kernonderdeel
vormt van het wetsvoorstel, maar dat de inrichting, bevoegdheden en waarborgen nog
onvoldoende zijn uitgewerkt. De leden constateren dat de werking van het meldpunt
niet goed te beoordelen is zolang essentiële randvoorwaarden ontbreken, met name op
het gebied van vertrouwelijkheid en gegevensdeling. Ook stellen deze leden dat de
analysetaak van het meldpunt onvoldoende is onderbouwd en mogelijk verder gaat dan
Europese verplichtingen rechtvaardigen.
De leden van de BBB-fractie vragen de regering waarom gekozen is voor een centraal
meldpunt zonder dat de governance, bevoegdheden en gegevensbescherming volledig zijn
uitgewerkt, en hoe wordt voorkomen dat dit leidt tot een juridisch en uitvoeringsmatig
kwetsbaar systeem.
3.8 Aanpassingen op het toezicht op de bedrijfsvoering en uitbreiding naar juridische
beroepsgroepen
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van het position paper
van de Landelijke Organisatie Toezicht Advocatuur, mede namens het Dekenberaad, t.b.v.
het rondetafelgesprek van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken van de Tweede
Kamer van 25 maart 2026 over de Wis. In het position paper staan de zorgen vermeld
van de dekens «om de bevoegdheid tot het stellen van bedrijfsvoeringregels bij het
College van Toezicht (CvT) te beleggen.» De leden vragen de regering of zij de zorgen
van de dekens begrijpt en waarom zij ervoor kiest om deze bevoegdheid bij het CvT
te leggen.
Het Dekenberaad stelt dat geen structurele problemen in de naleving binnen de advocatuur
worden gesignaleerd. De leden van de CDA-fractie vragen waar de regering dan op baseert
dat uitbreiding van toezicht voor de advocatuur noodzakelijk is. Waarom wordt de bevoegdheid
tot het stellen van bedrijfsvoeringsregels bij het CvT belegd en niet bij het College
van Afgevaardigden (CvA) of de dekens? De leden van de CDA-fractie vragen hoe dit
wetsvoorstel zich verhoudt tot de komende AMLR (Anti-Money Laundering Regulation)
en het bredere EU-AML/CFT (Countering the Financing of Terrorism)-pakket per 10 juli
2027. Is er geen risico op dubbeling, tegenstrijdigheid of snelle veroudering van
deze tranche?
BFT geeft aan dat bij circa 50.000 instellingen veel inzet nodig zal zijn op awareness
en implementatie. De leden van de CDA-fractie vragen welke capaciteit en middelen
hiervoor beschikbaar zijn. Hoe voorkomt de regering dat de naleving op papier wel
wordt uitgebreid, maar in de praktijk achterblijft?
De leden van de CDA-fractie vragen hoe wordt voorkomen dat kleinere kantoren onevenredig
zwaar worden belast door nieuwe bedrijfsvoeringsregels.
De leden van de BBB-fractie constateren dat het wetsvoorstel ingrijpende wijzigingen
aanbrengt in bestaande toezichtstructuren. De leden constateren dat dit leidt tot
onduidelijkheid over bevoegdheden, verantwoordelijkheden en kostenverdeling, terwijl
tegelijkertijd op korte termijn opnieuw wijzigingen worden verwacht.
De leden van de BBB-fractie vragen de regering waarom is gekozen voor deze structuurwijziging
en waarom niet is aangesloten bij bestaande toezichtmodellen.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering om te reflecteren op de aanbeveling
van het Dekenberaad om de bevoegdheid van het stellen van nadere bedrijfsvoeringsregels
niet te leggen bij het CvT, maar bij het CvA of bij de dekens. Waarom heeft de regering
hier niet voor gekozen?
4. Verhouding tot hoger recht
4.1 Fundamentele rechten
4.1.1 Recht op eigendom
De leden van de CDA-fractie vragen welke criteria gelden om te bepalen wanneer een
beperking van eigendom nog tijdelijk en proportioneel is.
De leden van de CDA-fractie vragen hoe wordt omgegaan met waardeverlies van bevroren
vermogensbestanddelen. Is voorzien in compensatie of een andere vorm van rechtsherstel
als achteraf blijkt dat een maatregel onterecht of onevenredig was?
4.1.2 Vrijheid van ondernemerschap
De leden van de CDA-fractie vragen hoe rekening is gehouden met het risico dat aanwijzing
van een bewindvoerder, of het openbaar worden daarvan, directe gevolgen heeft voor
financiering, contracten, leveranciers en marktvertrouwen.
De leden van de CDA-fractie vragen hoe de regering voorkomt dat ondernemingen klem
raken tussen sanctieverplichtingen enerzijds en privaatrechtelijke of internationale
contractverhoudingen anderzijds. In hoeverre is rekening gehouden met internationale
repercussies wanneer een Nederlandse maatregel ingrijpt in ondernemingen met grensoverschrijdende
concernstructuren of strategische posities in ketens?
4.1.3 Privacy en de bescherming van persoonsgegevens
AFM/DNB en BFT steunen betere grondslagen voor gegevensuitwisseling, maar benadrukken
wel dat dit rechtmatig en zorgvuldig moet gebeuren. De leden van de CDA-fractie vragen
of de regering kan concretiseren welke extra waarborgen op het niveau van wet, lagere
regelgeving en uitvoering worden ingebouwd.
4.1.4 Recht op een eerlijk proces en het recht op advocatuurlijke bijstand zonder
overheidsinmenging
Het Dekenberaad wijst op spanning met de geheimhoudingsplicht en het verschoningsrecht.
De leden van de CDA-fractie vragen hoe de regering borgt dat deze kernwaarden niet
worden uitgehold.
De leden van de CDA-fractie vragen of de regering per informatieverplichting richting
het Centraal Meldpunt Sancties kan toelichten hoe wordt voorkomen dat vertrouwelijke
informatie uit de advocatuurlijke relatie bij de overheid terechtkomt.
De leden van de CDA-fractie vragen of de regering bereid is expliciet in wet of toelichting
vast te leggen dat rechtsbijstand en procesvertegenwoordiging in beginsel gewaarborgd
blijven, met duidelijke uitzonderingen alleen waar Europees recht dat dwingend voorschrijft.
4.2 Verhouding tot (lopende) Europese wetstrajecten
De leden van de VVD-fractie vragen of de regering een of meer voorbeelden kan geven
van sancties die in VN-verband zijn opgelegd en door de EU zijn versterkt. Wat was
de achterliggende reden om tot versterking van die sancties over te gaan? En ziet
de regering dit net als de leden van de VVD-fractie als een Europese kop op VN-regelgeving?
De leden van de CDA-fractie vragen hoe de regering voorkomt dat instellingen en toezichthouders
in korte tijd meerdere, deels overlappende regimes moeten invoeren. Welke onderdelen
van dit wetsvoorstel zijn bewust tijdelijk of overgangsrechtelijk van aard in afwachting
van Europese regelgeving?
4.1.1 Het Europese AML/CFT-pakket (AMLR, AMLD en TFR)
AFM/DNB en BFT wijzen erop dat belangrijke wijzigingen voor poortwachters samenlopen
met de inwerkingtreding van het Europese AML/CFT-pakket per 10 juli 2027. De leden
van de CDA-fractie vragen waarom de regering toch kiest voor de gekozen fasering.
Hoe denkt de regering te kunnen voorkomen dat instellingen hun bedrijfsvoering nu
aanpassen aan de Wis en kort daarna dat opnieuw moeten doen aan de AMLR en de implementatiewetgeving?
BFT suggereert dat gelijktijdige implementatie of nauwere afstemming voor de hand
kan liggen. De leden van de CDA-fractie vragen waarom de regering die lijn niet volgt.
Het Dekenberaad vraagt om voor de advocatuur aan te sluiten bij de reikwijdte van
de AMLR om dubbele of conflicterende regimes te voorkomen. Hoe beoordeelt de regering
dit punt, zo vragen de leden van de CDA-fractie.
De leden van de BBB-fractie constateren dat het wetsvoorstel wordt ingevoerd in een
periode waarin het Europese AML-pakket op korte termijn in werking treedt en het nationale
toezichtstelsel opnieuw zal veranderen.
De leden van de BBB-fractie vragen de regering expliciet waarom niet is gekozen voor
een directe aansluiting op het Europese kader en hoe wordt voorkomen dat dit wetsvoorstel
leidt tot dubbele kosten en onnodige complexiteit.
4.1.2 Verordening betreffende instantovermakingen in Euro
De leden van de CDA-fractie vragen welke juridische ruimte er bestaat om betalingen
tijdelijk te blokkeren of nader te onderzoeken zonder in strijd te komen met Europese
verplichtingen rond instantbetalingen. Verwacht de regering dat de verordening inzake
instantovermakingen aanpassing vraagt van nationale toezicht- of handhavingspraktijk
onder de Wis?
4.1.3 Richtlijn strafbaarstelling schending beperkende maatregelen van de EU
De leden van de CDA-fractie vragen of de regering kan toelichten of en hoe dit wetsvoorstel
later moet worden aangepast na implementatie van de Europese strafbaarstellingsrichtlijn.
4.2.5 Mededeling en Verordening nieuw Douanewetboek van de Unie
De leden van de CDA-fractie vragen of de regering kan toelichten of zij risico’s ziet
op overlap tussen douanetoezicht, sanctietoezicht en gegevensuitwisseling onder het
nieuwe Europese douanekader.
4.2 Rijkssanctiewet
De leden van de CDA-fractie vragen de regering of zij een risico ziet dat verschillen
in uitvoering tussen Europees Nederland en de Caribische delen van het Koninkrijk
leiden tot ontwijking. Kan de regering toelichten hoe de rechtsbescherming voor burgers
en bedrijven binnen het Koninkrijk is geregeld wanneer sanctiemaatregelen doorwerken
via verschillende wettelijke regimes?
5 Verhouding tot andere nationale regelgeving
5.1 Wet gegevensverwerking door samenwerkingsverbanden
5.1.1 Financieel-Expertisecentrum (FEC)
De leden van de CDA-fractie vragen hoe wordt voorkomen dat het FEC taken gaat vervullen
die eigenlijk thuishoren bij toezichthouders, opsporingsinstanties of het Centraal
Meldpunt Sancties.
5.1.3 Wijziging Sanctiewet 1977
De Raad van State wijst erop dat Afdeling 5 van de Sanctiewet 1977 nog tijdelijk in
licht aangepaste vorm van kracht blijft. De leden van de CDA-fractie vragen of de
regering precies kan toelichten waarom hiervoor is gekozen en hoe lang deze overgangssituatie
duurt.
De Raad van State vraagt daarnaast specifiek aandacht voor het niet overnemen van
artikel 4 van de Sanctiewet 1977 en de gevolgen daarvan voor rechtsbescherming bij
intrekking van verblijfsvergunningen. Hoe heeft de regering dit punt inmiddels opgelost,
zo vragen de leden van de CDA-fractie.
De leden van de CDA-fractie vragen welke bestaande jurisprudentie onder de Sanctiewet
1977 relevant blijft onder de Wis. Op welke punten wijzigt het materiële kader echt?
5.2 Wet coördinatie terrorismebestrijding en nationale veiligheid
De leden van de CDA-fractie vragen hoe de regering voorkomt dat sanctiehandhaving
ongemerkt verschuift van een juridisch afgebakend sanctieregime naar een breder veiligheidsregime
met minder duidelijke rechtsgrenzen. Hoe wordt daarnaast voorkomen dat gegevens die
voor sanctiedoeleinden zijn verzameld, later voor andere veiligheidsdoeleinden worden
gebruikt zonder duidelijke wettelijke basis?
5.3 Het recht van enquête (artikelen 2:344–359 BW)
De leden van de CDA-fractie vragen of de regering concreet uiteen kan zetten in welke
situaties de enquêteprocedure volgens haar tekortschiet voor sanctiecasuïstiek.
6. Rechtsbescherming
6.1 Rechtsbescherming bij EU-sancties
De leden van de D66-fractie constateren dat het wetsvoorstel ruime delegatiebepalingen
en generieke grondslagen bevat, onder meer op het terrein van gegevensuitwisseling
en aanwijzing van handhavende instanties.
Zij vragen of de regering kan verduidelijken:
• in hoeverre deze flexibiliteit zich verhoudt tot de rechtszekerheid en voorspelbaarheid voor uitvoerende diensten;
• hoe wordt voorkomen dat uitvoeringsorganisaties te maken krijgen met frequent wijzigende of versnipperde regelgeving, met mogelijke gevolgen voor de handhaafbaarheid;
• of de regering nader kan ingaan op de zorgen van de Afdeling advisering van de Raad
van State over de afbakening en concretisering van bevoegdheden, met het oog op uitvoerbaarheid.
De leden van de CDA-fractie vragen of de regering kan toelichten hoe de rechtsbescherming
is geregeld voor derden, zoals leveranciers, werknemers, aandeelhouders of contractspartijen,
die wel worden geraakt door een sanctiemaatregel, maar niet zelf op een sanctielijst
staan.
7. Uitvoering
De leden van de D66-fractie vragen specifiek aandacht voor de rol van de Douane als
cruciale uitvoerder van sanctiemaatregelen.
Zij vragen de regering:
• hoe de Douane in de praktijk omgaat met de toenemende complexiteit van sanctieregimes
en snelle wijzigingen daarin;
• of de voorgestelde verbeteringen in gegevensuitwisseling en het centraal meldpunt
in de praktijk leiden tot snellere en beter toepasbare informatie voor frontlijnmedewerkers;
• hoe wordt voorkomen dat extra verplichtingen leiden tot vertragingen in goederenstromen of uitvoeringsdruk aan de grens.
8. Gevolgen
8.2 Regeldruk en doenvermogen
Wat betreft het beperken van regeldruk wijzen de leden van de VVD-fractie erop dat
ondernemers de ruggengraat van onze economie vormen en zij niet het slachtoffer mogen
worden van «over-implementatie». Deze leden vragen hoe de regering voorkomt dat de
introductie van nieuwe meldplichten en toezichtsbevoegdheden leidt tot een stapeling
van lasten voor het midden- en kleinbedrijf en of er is overwogen om te werken met
drempelwaarden of risicogebaseerde vrijstellingen voor sectoren met een aantoonbaar
laag risico op het overtreden van sancties. De regering wordt gevraagd te garanderen
dat er geen sprake is van een «kop» op Europese regelgeving en nader toe te lichten
in hoeverre de voorgestelde Nederlandse regelgeving afwijkt van de situatie in andere
belangrijke EU-landen, zoals Duitsland en Frankrijk. Wordt er aanvullend aan deze
Nederlandse sanctiewet op korte termijn ook Europese regelgeving verwacht?
De leden van de VVD-fractie vragen of de regering bovendien kan reflecteren op de
rol van financiële instellingen bij het handhaven van handelsbeperkingen; hoe zorgt
het kabinet ervoor dat banken niet doorslaan in hun poortwachtersrol waardoor bonafide
exporteurs naar veilige markten de toegang tot het financiële systeem verliezen? De
leden van de VVD-fractie zijn van mening dat de strijd tegen sanctieomzeiling een
gezamenlijke verantwoordelijkheid is van overheid en bedrijfsleven, maar dat de overheid
hierbij een gidsende en ondersteunende rol moet spelen in plaats van enkel een bestraffende.
Het Dekenberaad wijst op het risico van formalistische naleving en «check-the-box»-gedrag.
De leden van de CDA-fractie vragen hoe de regering voorkomt dat regels wel uitvoerbaar
lijken op papier, maar in de praktijk leiden tot bureaucratisering zonder betere naleving.
8.2.1 Aantekeningen in registers en centraal meldpunt sancties
Ten aanzien van het centrale meldpunt vragen de leden van de VVD-fractie hoe wordt
voorkomen dat ondernemers alsnog bij verschillende loketten hun informatie moeten
aanleveren en of de regering kan bevestigen dat het uitgangspunt «eenmalig verstrekken,
meervoudig gebruik» hier leidend is. Ook vragen zij waarom het Ministerie van Buitenlandse
Zaken is gekozen als plek om het centrale meldpunt te huisvesten. Zou de Rijksdienst
voor Ondernemend Nederland (RVO) niet logischer zijn geweest, aangezien Buitenlandse
Zaken vooral een beleidsdepartement is? Ook vragen zij op welke wijze het kabinet
de voorlichting en de «helpdeskfunctie» gaat versterken om te voorkomen dat ondernemers
uit voorzorg («de-risking») stoppen met legitieme handel.
8.2.2 Uitbreiding bestuursrechtelijk toezicht naar juridische beroepsgroepen
De leden van de CDA-fractie vragen hoe de regering voorkomt dat de uitbreiding van
toezicht tot terughoudendheid leidt bij advocaten om gesanctioneerde cliënten rechtsbijstand
te verlenen, met gevolgen voor toegang tot recht.
De leden van de CDA-fractie vragen daarnaast hoe de regering het doenvermogen van
kleine kantoren heeft beoordeeld, juist waar het gaat om screening, administratie,
meldingen en informatieverplichtingen. Welke verschillen ziet de regering in uitvoerbaarheid
tussen grote organisaties met compliance-afdelingen en kleine beroepspraktijken zonder
dergelijke ondersteuning?
De leden van de BBB-fractie maken zich grote zorgen over de omvang van de regeldruk
en de kosten. Het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) schat de eenmalige kosten
voor bedrijven en beroepsgroepen op ruim 100 miljoen euro, exclusief aanvullende kosten
waarvan de omvang nog niet inzichtelijk is. Daarbij komt dat deze kosten grotendeels
worden gemaakt in aanloop naar het Europese AML-pakket, dat het nationale systeem
grotendeels zal vervangen.
De leden van de BBB-fractie vragen de regering hoe deze kosten zich verhouden tot
de beperkte looptijd van het nationale stelsel en waarom niet is gekozen om direct
aan te sluiten bij het Europese kader.
9. Advies en consultatie
9.3 Adviezen
9.3.5 Europese Centrale Bank (ECB)
De leden van de BBB-fractie constateren dat de Europese Centrale Bank expliciet aangeeft
dat zij geen formele rol kan spelen in de besluitvorming rond sanctiemaatregelen,
omdat dit buiten haar toezichtmandaat valt.
Tegelijkertijd kunnen maatregelen zoals het aanwijzen van een bewindvoerder wel directe
gevolgen hebben voor financiële stabiliteit en prudentieel toezicht.
De leden van de BBB-fractie vragen de regering hoe deze spanning wordt opgelost en
hoe wordt geborgd dat nationale maatregelen niet conflicteren met Europese toezichtkaders.
C. Artikelsgewijze toelichting
Hoofdstuk 3. Meldingsplichten
Artikel 3.2.2 Doorbreking geheimhouding in verband met de meldingsplicht
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering of ze meent dat voldoende
is afgebakend wanneer de geheimhoudingsplicht moet worden doorbroken in verband met
de meldingsplicht en hiermee voldoende duidelijkheid is voor notarissen en advocaten.
Zo ja, kan de regering dit onderbouwen? Ziet de regering hierbij nog mogelijke risico’s
en hoe tracht de regering deze te ondervangen?
Hoofdstuk 5. Bepalingen over de continuïteit en afwikkeling van ondernemingen
Artikel 5.3 Ambtshalve aanwijzing van een bewindvoerder
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat de Afdeling Advisering van de Raad
van State twijfels heeft bij de effectiviteit van de aanwijzingsbevoegdheid en adviseert
om het wetsvoorstel op dit onderdeel nader te bezien. Deze ledenvragen de regering
om de noodzaak voor bevoegdheid van de Minister van Economische Zaken om ambtshalve
een bewindvoerder aan te wijzen nader te onderbouwen. Zijn er door de regering alternatieve,
minder ingrijpende maatregelen overwogen? Zo ja, welke zijn dat en waarom voldoen
deze niet?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering in deze context tevens waarom
er niet gekozen is voor qua zwaarte oplopende, proportionele maatregelen. De Afdeling
Advisering trekt hierbij de vergelijking naar de financiële sector. De leden vragen
of de regering alsnog kan overwegen om een duidelijke escalatieladder wettelijk te
verankeren. Zo nee, waarom niet?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering waarom het besluit dat strekt
tot de aanwijzing wordt gepubliceerd in de Staatscourant. Gebeurt dit ook in andere
sectoren waar een bewindvoerder ambtshalve wordt aangesteld? Zo nee, waarom dan wel
in dit geval?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering waarom ze de Afdeling Advisering
niet volgt in de conclusie dat de (enkele) aanwijzing van een bewindvoerder ertoe
kan leiden dat de financiering van een onderneming in direct gevaar komt, juist vanwege
de change of control clauses. Acht de regering het in geen enkel geval denkbaar? Zo
nee, waarom wordt deze zorg dan niet ondervangen? De leden vragen of het bijvoorbeeld
mogelijk is om wettelijk vast te leggen dat het ambtshalve aanwijzen van een bewindvoerder
in sanctiecontext geen ontbindende clausule mag zijn. Zo ja, is de regering bereid
om dit wettelijk te verankeren?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering aan welke kwalificaties een
bewindvoerder moet voldoen. De leden merken op dat de bewindvoerder niet aansprakelijk
is voor de keuzes die hij maakt. Waarom is dat zo, zo vragen de leden. Zijn er geen
scenario’s denkbaar waarbij de bewindvoerder aantoonbaar verkeerde keuzes maakt, met
financiële gevolgen? Is het dan redelijk om de Staat hiervoor aansprakelijk te stellen?
De leden vragen voorts of de bewindvoerder onder het tuchtrecht valt en wie de bewindvoerder
betaalt.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering om nader te onderbouwen waarom
het enquêterecht niet reeds zou voldoen als snel moet worden ingegrepen, ook vanwege
«redenen van openbaar belang». Wat kan een bewindvoerder wel, wat via een enquêteprocedure
niet kan?
Hoofdstuk 7. Toezicht en handhaving
Artikel 7.1.2 Aanwijzing bestuursorganen met handhavende bevoegdheden
De leden van de ChristenUnie-fractie zien dat artikel 7.1.2, tweede lid, een grondslag
bevat om ook andere bestuursorganen aan te wijzen die bestuursrechtelijk kunnen handhaven.
Waarom zal deze lagere regelgeving in de regel een ministeriële regel zijn, zoals
de leden lezen in de memorie van toelichting, en geen algemene maatregel van bestuur
(AMvB)? Is een AMvB, inclusief voorhangbepaling voor het vaststellen van deze AMvB,
niet op zijn plaats? Waarom kiest de regering hier niet voor, zo vragen de leden.
Hoofdstuk 11. Slotbepalingen
Artikel 11.3 Inwerkingtreding
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA hebben kennisgenomen van het position
paper van het BFT t.b.v. het rondetafelgesprek van de vaste commissie voor Buitenlandse
Zaken van de Tweede Kamer van 25 maart 2026 over de Wis. Het BFT stelt in het position
paper dat, «gezien de korte tijdsspanne tussen de invoering van de Wis en de Anti-witwasverordening
en de Implementatiewet ter voorkoming van witwassen en terrorisme», gelijktijdige
implementatie van deze drie wetten en verordeningen voor de hand zou liggen. Begrijpt
de regering de zorgen van het BFT? Wanneer is de regering voornemens om het koninklijk
besluit ter invoering van de Wis te laten slaan? Waarom kiest de regering er niet
voor om de drie wetten en verordeningen gelijktijdig te laten ingaan?
D. Overig
De leden van de D66-fractie benadrukken dat een effectief sanctiestelsel staat of
valt met de uitvoerbaarheid in de praktijk. Zij verzoeken de regering daarom nadrukkelijk
om in te gaan op de concrete uitvoeringsrealiteit, en waar nodig aanvullende waarborgen of ondersteuning te bieden.
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA willen dat sanctiemaatregelen zo min mogelijk
beperkingen opleggen aan humanitaire hulpverlening. Helaas hebben hulporganisaties
veel last van overcompliance en derisking. Bedrijven en financiële instellingen weigeren nog te vaak hun diensten aan te bieden
aan hulporganisaties om het risico te ontlopen dat zij sancties, bijvoorbeeld met
betrekking tot gesanctioneerde regio’s, overtreden. Kan de regering aangeven op welke
manier zij het tegengaan van overcompliance en derisking heeft meegenomen in de voorbereiding van dit wetsvoorstel? Heeft de regering in de
voorbereiding van dit wetsvoorstel met humanitaire hulporganisaties gesproken over
het tegengaan van overcompliance en derisking? Vormt het wetsvoorstel een risico op nieuwe belemmeringen voor humanitaire hulpverlening?
Heeft de regering een analyse gemaakt van het effect dat het wetsvoorstel heeft op
humanitaire hulpverlening? Zo ja, kan de regering deze analyse met de Kamer delen?
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
J.F. Klaver, voorzitter van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken -
Mede ondertekenaar
S.L. Dekker, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.