Advies Afdeling advisering Raad van State en Nader rapport : 36932 Advies Afdeling advisering Raad van State en Nader rapport inzake wijziging van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen en enkele andere wetten met het oog op het vereenvoudigen van het partnerbegrip voor toeslagen (Wet vereenvoudiging partnerbegrip toeslagen)
36 932 Wijziging van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen en enkele andere wetten met het oog op het vereenvoudigen van het partnerbegrip voor toeslagen (Wet vereenvoudiging partnerbegrip toeslagen)
Nr. 4
ADVIES AFDELING ADVISERING RAAD VAN STATE EN NADER RAPPORT
Hieronder zijn opgenomen het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State
d.d. 4 maart 2026 en het nader rapport d.d. 16 april 2026, aangeboden aan de Koning
door de Staatssecretaris van Financiën. Het advies van de Afdeling advisering van
de Raad van State is cursief afgedrukt.
Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw Kabinet van 20 januari 2026, nr. 2026000083,
machtigde Uwe Majesteit de Afdeling advisering van de Raad van State haar advies inzake
het bovenvermelde voorstel van wet rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies,
gedateerd 4 maart 2026, nr. W06.26.00015/III, bied ik U hierbij aan.
De tekst van het advies treft u hieronder aan, voorzien van mijn reactie.
Bij Kabinetsmissive van 20 januari 2026, no.2026000083, heeft Uwe Majesteit, op voordracht
van de Staatssecretaris van Financiën – Herstel en Toeslagen1, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt
het voorstel van wet tot wijziging van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen
en enkele andere wetten met het oog op het vereenvoudigen van het partnerbegrip voor
toeslagen (Wet vereenvoudiging partnerbegrip toeslagen), met memorie van toelichting.
Met het wetsvoorstel wordt beoogd het partnerbegrip voor toeslagen te vereenvoudigen.
Het toeslagenstelsel en het toeslagpartnerbegrip zijn complex. De Afdeling advisering
van de Raad van State ziet het vereenvoudigen van het partnerbegrip dan ook als een
stap in de goede richting om het stelsel begrijpelijker en beter uitvoerbaar te maken.
Vereenvoudiging leidt onmiskenbaar tot een zekere grofheid van regelingen. Bij de
keuze voor vereenvoudiging is het daarom belangrijk voor de resterende regeling te
bezien in hoeverre deze nog voldoet aan het beoogde doel. In dat kader adviseert de
Afdeling de hoogte van de vermogensgrenzen binnen toeslagen meer fundamenteel te bezien.
Ook adviseert de Afdeling in de toelichting de voorvraag te beantwoorden of de zorgtoeslag
en het kindgebonden budget onder het eigendomsrecht van artikel 1 van het Eerste Protocol
(EP) bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele
vrijheden (EVRM) vallen.
De Afdeling merkt verder op dat bij delegatie het uitgangspunt is dat alle hoofdelementen
in de wet worden vastgelegd. Waar gebruik wordt gemaakt van delegatie is het bovendien
belangrijk om consistent te zijn. Het partnerbegrip is zo'n hoofdelement. In het wetsvoorstel
zijn aanvullingen op het partnerbegrip geregeld bij wet en uitzonderingen bij algemene
maatregel van bestuur (amvb). De Afdeling adviseert in de toeslagpartnerregeling consistentie
te betrachten.
Ten slotte wijst de Afdeling erop dat net als in de Algemene wet inkomensafhankelijke
regelingen (Awir) ook bij het partnerbegrip in de Algemene wet inzake rijksbelastingen
(AWR) bij opname in een verpleeg- of verzorgingshuis van een van de samenwonende personen,
de huidige uitvoeringspraktijk niet aansluit op de wettelijke regeling. Zij adviseert
in de toelichting in te gaan op de samenhang met de regeling in de AWR en zo nodig
ook daarvoor een wetswijziging voor te stellen.
De Afdeling heeft een aantal opmerkingen bij het wetsvoorstel en adviseert daarmee
rekening te houden voordat het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal wordt
ingediend.
1. Doel en inhoud wetsvoorstel
Met het wetsvoorstel wordt beoogd het partnerbegrip voor toeslagen te vereenvoudigen.
Hiertoe worden de volgende maatregelen voorgesteld in de Awir:
a. Het laten vervallen van het criterium samengestelde gezinnen.2
b. Het laten vervallen van het criterium partner in het voorafgaande jaar.
c. Het laten vervallen van het criterium partner de rest van het jaar.
d. Het voorkomen dat minderjarigen als toeslagpartner worden aangemerkt.
Ter dekking van de maatregelen genoemd onder a tot en met c wordt voorgesteld de vermogensgrenzen
voor de zorgtoeslag en het kindgebonden budget te verlagen.
Ook worden enkele andere wijzigingen voorgesteld. Zo wordt de koppeling met het partnerbegrip
in de AWR losgelaten en worden uitzonderingen op het toeslagpartnerbegrip overgeheveld
van de wet naar een amvb.
2. Uitbreiding reikwijdte in relatie tot vermogensgrenzen
De wet- en regelgeving rondom toeslagen is complex. Dit heeft zijn weerslag op burgers
en de uitvoering. Het toeslagpartnerbegrip is één van die complexiteiten.
Door een gerichte afbakening van het partnerbegrip kunnen financiële draagkracht en
fysieke inzetbaarheid3 op huishoudniveau worden meegewogen, om alleen daar waar dat nodig is een toeslag
toe te kennen. Tegelijkertijd heeft de verdergaande afbakening geleid tot een toenemende
mate van detailwetgeving om, soms hele kleine, groepen tegemoet te komen. Dit zet
de begrijpelijkheid en toepasbaarheid van de regelingen onder druk en kan leiden tot
bemoeilijking of verslechtering van harmonisatie met partnerbegrippen op andere terreinen.
De Afdeling ziet het vereenvoudigen van het partnerbegrip dan ook als een stap in
de goede richting om het stelsel begrijpelijker en beter uitvoerbaar te maken.
Vereenvoudiging leidt onmiskenbaar tot een zekere grofheid van regelingen. De bewuste
keuze om specifieke criteria los te laten leidt ertoe dat in bepaalde situaties, waarbij
wel een bijdrage van de partner zou mogen worden verwacht, geen sprake (meer) is van
partnerschap. Dat leidt veelal tot een hoger recht op een toeslag. Vereenvoudiging
kan daarmee leiden tot budgettaire effecten en rechtvaardigheidsvraagstukken.
Dat hoeft geen reden te zijn om af te zien van vereenvoudiging.4 Het uitbreiden van het bereik van de regeling5 lijkt echter wel bij uitstek het moment voor een hernieuwde afweging van de resterende
voorwaarden om te bezien in hoeverre de regeling nog voldoet aan het beoogde doel.
Dit roept de vraag op waarom de toelichting geen meer fundamentele gedachtevorming
bevat over de voor de betreffende toeslagen geldende vermogensgrenzen. Er wordt alleen
voorzien in een aanpassing van de vermogensgrenzen voor zover dat nodig is ter dekking
van andere maatregelen.
De vermogensgrenzen voor de zorgtoeslag en het kindgebonden budget6 bedragen in 2026 € 146.011 voor alleenstaanden en € 184.633 voor partners.7 Ter vergelijking: in de huurtoeslag geldt een vermogensgrens van € 38.479 voor alleenstaanden
en € 76.958 voor partners.8 Overigens wijzigt dit voorstel de vermogensgrenzen voor de huurtoeslag niet.
Ter dekking van de budgettaire gevolgen van de uitbreiding van het bereik van de regelingen
wordt voorgesteld de vermogensgrenzen in de zorgtoeslag en het kindgebonden budget
per 2027 te verlagen met € 29.908 om deze vervolgens per 2030 weer gedeeltelijk te
verhogen met € 1.539.9 Volgens de toelichting raakt deze maatregel ongeveer 0,6% van het totaal aantal huishoudens
binnen deze toeslagen.10
Ook met de voorgestelde verlaging van de vermogensgrenzen kan men recht hebben op
zorgtoeslag en kindgebonden budget bij een vermogen dat ruim boven de € 100.000 ligt.
Toeslagen zijn echter bedoeld voor die mensen die inkomensondersteuning van de overheid
echt nodig hebben. De vermogensgrenzen zijn tegen die achtergrond ingevoerd.11 De toelichting gaat niet in op de vraag in hoeverre de voorgestelde vermogensgrenzen
nog in lijn zijn met de doelstelling.
Het verschil met de vermogensgrenzen voor de huurtoeslag zet ook de uitlegbaarheid
onder druk en maakt de uitvoering complexer, terwijl de regelingen een vergelijkbaar
doel dienen. Het schijnbaar ongecoördineerd bijstellen van grenzen kan ook de juridische
houdbaarheid onder druk zetten.12
De Afdeling adviseert de hoogte van de vermogensgrenzen voor de zorgtoeslag en het
kindgebonden budget meer fundamenteel te bezien en hier in de toelichting op in te
gaan en zo nodig het wetsvoorstel aan te passen.
De Afdeling adviseert het kabinet om meer fundamenteel te bezien of de vermogensgrenzen
voor de zorgtoeslag en het kindgebonden budget voldoen aan de doelstellingen van die
regelingen. Zij constateert dat in het onderhavige wetsvoorstel wel een bijstelling
van deze vermogensgrenzen wordt voorgesteld, maar dat dit is ingegeven vanuit de dekkingsopgave
voor de overige maatregelen in het wetsvoorstel.
Het kabinet onderschrijft het advies van de Afdeling dat het nodig is om te bewaken
dat de gehanteerde vermogensgrenzen effectief bijdragen aan de doelstellingen van
de regelingen. De vermogenstoets is opgenomen om de draagkracht van toeslagaanvragers
te beoordelen, waarbij geldt dat burgers die over veel vermogen beschikken, (beter)
in de kosten van voorzieningen als huur, zorg en de kosten van kinderen kan voorzien.13
Het kabinet noemt in dat verband ook het voornemen om de vermogensgrens die geldt
binnen de zorgtoeslag per 1 januari 2028 te verlagen.14 Bij dat voornemen zal het kabinet dit advies ook ter harte nemen. Het kabinet acht
het uitlegbaar dat huishoudens met een substantieel vermogen worden geacht zelf te
voorzien in de kosten van hun zorgpremie en eigen risico. Hierbij is het kabinet van
mening dat het wenselijk is om aan te sluiten bij het heffingvrij vermogen in box
3. Dit is een bekende grens waar burgers nu al rekening mee houden.
Voorgaande neemt niet weg dat de vermogenstoets enkele hardheden bevat die ervoor
zorgen dat de effecten van de vermogenstoets soms verder reiken dan beoogd met de
vermogenstoets. Deze hardheden zijn eerder ook al met uw Kamer gedeeld.15 Het kabinet verkent daarom de mogelijkheden om de vermogenstoets op een andere manier
vorm te geven. Mocht dit onderzoek aanleiding geven tot een meer fundamentele herziening
van de vermogenstoets, dan zou een apart wetsvoorstel aangewezen zijn.
Het kabinet wil niet dat het onderhavige wetsvoorstel vertraging optreedt, aangezien
dat voorstel in de eerste plaats beoogt het partnerbegrip dat geldt binnen de toeslagen
te vereenvoudigen. Dit voorstel is door het vorige kabinet aangekondigd in de Voorjaarsnota
2025.16 De beoogde inwerkingtredingsdatum van het wetsvoorstel is 1 januari 2027. Vanwege
de ernst van de knelpunten die in het wetsvoorstel worden opgelost, is het belangrijk
dat deze streefdatum wordt gehaald. Bovendien is de voorgestelde verlaging van de
vermogensgrenzen in de zorgtoeslag en het kindgebonden budget per 1 januari 2027 niet
strijdig met de ambitie van dit kabinet om de vermogenstoets binnen deze regelingen
op termijn doelgerichter vorm te geven. De toelichting is op dit punt uitgebreid.
3. Verhouding tot het eigendomsrecht artikel 1 EP EVRM
De toelichting stelt dat het recht op kindgebonden budget en het recht op zorgtoeslag
aangemerkt kunnen worden als eigendomsrecht in de zin van artikel 1 EP EVRM. De voorgestelde
maatregel om de vermogensgrenzen te verlagen leidt volgens de toelichting tot een
inmenging in het eigendomsrecht. Vervolgens zet de toelichting uiteen waarom deze
inmenging gerechtvaardigd is en de maatregel daarom niet in strijd is met artikel
1 EP EVRM.17
De Afdeling merkt op dat in de toelichting niet wordt gemotiveerd waarom sprake zou
zijn van eigendom in de zin van artikel 1 EP EVRM. Deze voorvraag moet worden beantwoord,
voordat een toetsing plaatsvindt van de gerechtvaardigdheid van de eventuele inmenging.
Daarbij wijst de Afdeling op het volgende.
Van eigendom in de zin van artikel 1 EP EVRM kan onder meer sprake zijn als wordt
voldaan aan de voorwaarden van een nationale wettelijke regeling om aanspraak te maken
op een geldbedrag. Dit kan bijvoorbeeld gaan om een belastingteruggave18 of een toegekende subsidie.19 Onder de reikwijdte van artikel 1 EP EVRM vallen daarnaast gevallen waarin sprake
is van gerechtvaardigde verwachtingen dat eigendom zal worden verworven. Hierbij geldt
in algemene zin dat een gerechtvaardigde verwachting moet zijn gebaseerd op een wettelijke
bepaling of een «legal act», zoals een rechterlijke uitspraak20 of een schriftelijke beslissing van de overheid.21
Toeslagen zijn geldelijke tegemoetkomingen die jaarlijks worden toegekend op basis
van een nieuwe toetsing aan de voor het jaar van toekenning geldende voorwaarden.
Uit het voorstel blijkt dat de voorgestelde verlaging van de vermogensgrenzen per
1 januari 2027 ingaat.22 Dit betekent dat op het moment van de besluitvorming over het voorstel, burgers nog
niet hebben kunnen voldoen aan de voorwaarden om over 2027 en latere jaren recht te
hebben op zorgtoeslag of kindgebonden budget. Van eigendom in de zin van artikel 1
EP EVRM in de vorm van een reeds bestaand recht is daarom op het moment van de besluitvorming
over het voorstel geen sprake.
Voor zover de regering zich op het standpunt stelt dat burgers de gerechtvaardigde
verwachting kunnen hebben dat zij ook na 2026 recht hebben op de betreffende toeslagen,
merkt de Afdeling op dat de regering dit standpunt, mede gelet op de rechtspraak van
het EHRM, dient te motiveren.23
De Afdeling adviseert in de toelichting de hiervoor genoemde voorvraag te beantwoorden
en in lijn met het voorgaande de toelichting aan te passen.
Het kabinet benadrukt allereerst de conclusie dat de voorgestelde maatregelen in het
wetsvoorstel geen strijd opleveren met artikel 1 van het Eerste Protocol EVRM. Omdat
het kabinet niet kan uitsluiten dat sprake zou kunnen zijn van een inmenging op het
eigendomsrecht, is in de memorie van toelichting opgenomen dat er in ieder geval sprake
is van een geschikte rechtvaardiging.
Het kabinet is het eens met de Afdeling die terecht opmerkt dat hier geen sprake is
van bestaand eigendom, nu het in het wetsvoorstel voorgestelde verlies van het recht
op zorgtoeslag en kindgebonden budget ziet op de periode vanaf 1 januari 2027. Een
dergelijk eenvoudig antwoord kan naar het oordeel van het kabinet echter niet gegeven
worden op de vraag of sprake is van eigendom dat voortvloeit uit een gerechtvaardigde
verwachting van toeslagontvangers dat zij ook in 2027 zorgtoeslag en/of kindgebonden
budget zullen ontvangen. Het kabinet volgt daarmee de constatering van de Afdeling
dat niet met zekerheid gesteld kan worden dat sprake is van een inmenging op het eigendomsrecht.
In lijn met de voorlichting die de Afdeling heeft gegeven over het eigendomsrecht24, raakt het verlies van een toeslag de kern van dit recht, waardoor naar verwachting
sprake is van een inmenging in het eigendomsrecht. Anders dan bij het lage-inkomensvoordeel
(LIV)25 waar de Afdeling naar verwijst, zijn burgers voor het recht op toeslagen niet afhankelijk
van omstandigheden die buiten hun macht liggen. Bovendien worden voorschotten op zorgtoeslag
en kindgebonden budget voor de maand 2027 al eind december 2026 uitgekeerd. Er kan
niet worden uitgesloten dat wanneer het onderhavige wetsvoorstel tot wet verheven
wordt, de daartoe benodigde publicatie in het Staatsblad dicht op de datum van de
uitkering van het voorschot plaatsvindt. Het is niet onaannemelijk om te stellen dat
burgers op dat moment gerechtvaardigd rekening zouden houden met het ook in 2027 ontvangen
van zorgtoeslag en/of kindgebonden budget. Daarom acht het kabinet het relevant om
de in het wetsvoorstel benoemde rechtvaardiging van een eventuele inmenging op het
eigendomsrecht op te nemen. De memorie van toelichting is op dit punt uitgebreid.
4. Consistentie regelniveau partnerbegrip
In de huidige opzet dient het wettelijke partnerbegrip in de AWR als basisbegrip en
zijn in de Awir waar nodig specifiek voor toeslagen aanvullingen op dit partnerbegrip
opgenomen. Voorgesteld wordt de koppeling met de AWR los te laten en in de Awir voor
toeslagen een eigenstandig partnerbegrip op te nemen.
Daarbij maakt de regering de keuze om afwijkingen op het voorgestelde wettelijke toeslagpartnerbegrip
te regelen bij amvb. De toelichting vermeldt dat hiermee alle bestaande uitzonderingen
op één plek worden opgenomen en de wet beter leesbaar wordt.26 Voorts vermeldt de toelichting dat hiermee naar de toekomst toe wordt voorkomen dat
voor relatief kleine groepen huishoudens in verhouding tot de totale populatie toeslaggerechtigden
voorzieningen op wetsniveau moeten worden getroffen. Ook kunnen nieuwe groepen daarmee
sneller dan via wetgeving worden toegevoegd.27
De voorgestelde delegatiebepaling28 regelt dat niet als toeslagpartner worden aangemerkt de bij amvb aan te wijzen personen
die niet geacht worden bij te dragen in de kosten waarop de inkomensafhankelijke regelingen
betrekking hebben29 of aan de opvang en verzorging van een kind.30 Volgens de toelichting is hiervoor niet bepalend het feitelijk wel of niet (kunnen)
bijdragen, maar wordt op basis van groepskenmerken aangenomen dat een financiële of
fysieke bijdrage niet plaatsvindt.31
De Afdeling merkt op dat bij delegatie het uitgangspunt is dat alle hoofdelementen
in de wet worden vastgelegd.32 Voor andere elementen kan van delegatie gebruik worden gemaakt. Wie recht heeft op
toeslagen en daarmee binnen het bereik van de regelingen valt, wordt – los van de
voorwaarden om voor een specifieke toeslag in aanmerking te komen – voor een groot
deel bepaald door de draagkracht van de mogelijke toeslaggerechtigde.33 Daarbij is niet alleen bepalend de hoogte van het inkomen en vermogen van deze persoon,
maar ook die van zijn partner. Wie als toeslaggerechtigde, maar ook wie als partner
wordt aangemerkt en binnen het bereik van de regelingen valt, is daarmee een hoofdelement
dat op het niveau van de wet geregeld moet worden. Dat betekent niet per definitie
dat detailuitwerkingen van dat hoofdelement in de wet in formele zin moeten worden
opgenomen. Daarbij ligt het echter wel in de rede consistentie te betrachten.
In dit verband wijst de Afdeling erop dat aanvullingen op het partnerbegrip op het
niveau van de wet geregeld worden en uitzonderingen daarop op het niveau van de amvb.
Dit leidt bijvoorbeeld tot het onderscheid dat voor partners die samenwonen en waarbij
een van de partners wordt opgenomen in een verpleeg- of verzorgingshuis op het niveau
van de wet wordt bepaald of zij toeslagpartner blijven34 en voor gehuwden en geregistreerde partners op het niveau van een amvb.35
De Afdeling adviseert in de toeslagpartnerregeling consistentie te betrachten en het
wetsvoorstel en de toelichting op dit punt aan te passen.
De Afdeling adviseert om consistentie te betrachten bij de keuze om elementen van
het toeslagpartnerbegrip ofwel op wetsniveau, ofwel op het niveau van een amvb te
regelen.
De Afdeling merkt terecht op dat hoofdelementen in de wet dienen te worden vastgelegd,
maar dat detailuitwerkingen van dat hoofdelement niet noodzakelijkerwijs in een wet
in formele zin dienen te worden opgenomen. Met het onderhavige wetsvoorstel kiest
het kabinet ervoor om op wetsniveau vast te leggen welke burgers in principe als elkaars
toeslagpartner kunnen worden aangemerkt. Dit vormt een hoofdelement van de regeling,
aangezien het recht op toeslagen sterk lager kan uitvallen als burgers een toeslagpartner
hebben. Het ligt daarom in de rede dat eventuele aanvullingen op het toeslagpartnerbegrip,
die eveneens kunnen leiden tot het ontstaan van een toeslagpartnerschap, ook op wetsniveau worden geregeld. Het is niet wenselijk
als burgers geconfronteerd zouden worden met een verlaging of verlies van het recht
op toeslagen als gevolg van een toeslagpartnerschap dat voortkomt uit een aanvulling
die in lagere regelgeving is opgenomen. Daarom is de aanvulling die specifiek geldt
voor burgers met een partner in een verpleeg- of verzorgingshuis op wetsniveau getroffen.
Daarnaast kiest het kabinet ervoor om uitzonderingen die leiden tot het verbreken van een in principe reeds ontstaan toeslagpartnerschap op het niveau van een amvb
te regelen. Dit betreft in de regel een detailuitwerking die slechts een klein deel
van het totale aantal toeslaggerechtigden raakt. Bovendien is het op basis van recente
uitbreidingen van deze uitzonderingen niet ondenkbaar dat zich nieuwe groepen voordoen
waarvoor een uitzondering op het toeslagpartnerbegrip gewenst is. Door het mogelijk
te maken dergelijke groepen bij amvb aan te wijzen, kan sneller tegemoetgekomen worden
aan mogelijk knellende situaties. Een soortgelijke noodzaak om bij nieuwe groepen
burgers juist op korte termijn een toeslagpartnerschap te laten ontstaan zal zich
naar verwachting niet voordoen.
Vanwege de verschillen tussen het laten ontstaan of het juist doorbreken van een toeslagpartnerschap, acht het kabinet het consistent dat de daarvoor gestelde
regels op een verschillend niveau worden opgenomen. De memorie van toelichting is
op dit punt verduidelijkt.
5. Wetswijziging om aan te sluiten bij de uitvoeringspraktijk
Voor het behoud of het vervallen van het toeslagpartnerschap in de situatie van opname
van een van de toeslagpartners in een verpleeg- of verzorgingshuis, is een verzoek
nodig om wel of niet als (toeslag)partner te blijven worden aangemerkt.36
Volgens de toelichting sluit de huidige uitvoeringspraktijk niet aan op de wettelijke
regeling voor samenwoners. Volgens de wettelijke bepalingen blijven samenwoners bij
opname van een van hen in een verpleeg- of verzorgingshuis aangemerkt als partners
en kunnen zij een verzoek indienen om niet langer als partner te worden aangemerkt.37
In de uitvoeringspraktijk worden deze personen vanwege het niet langer ingeschreven
staan op hetzelfde adres38 niet langer aangemerkt als partners en kunnen zij een verzoek indienen om toch als
partners te blijven worden aangemerkt. Dit omdat de Dienst Toeslagen aan de inschrijving
op een ander adres niet kan zien of sprake is van verhuizing naar een verpleeg- of
verzorgingshuis.39
De Afdeling begrijpt deze wijziging voor samenwoners in de Awir, waarmee beter bij
de wettelijke systematiek wordt aangesloten en tegemoetgekomen wordt aan wat voor
de uitvoeringspraktijk werkbaar is. Zij wijst er echter op dat ook voor het partnerbegrip
van de AWR40 geldt dat op dit punt de huidige uitvoeringspraktijk niet aansluit op de wettelijke
regeling. In het wetsvoorstel is niet voorzien in een soortgelijke wijziging in de
AWR. De toelichting gaat niet in op de samenhang en verwijst evenmin naar een eventueel
ander wetsvoorstel waarin dit specifiek voor de AWR geregeld zal worden.
De Afdeling adviseert in de toelichting op de samenhang met de regeling in de AWR
in te gaan en zo nodig ook daarvoor een wetswijziging voor te stellen.
De Afdeling adviseert om in de toelichting in te gaan op de samenhang met de regeling
in de AWR die voorschrijft hoe wordt omgegaan met situaties waarin de partner van
een burger in een verpleeg- of verzorgingshuis is opgenomen.
De uitvoeringspraktijk van de Belastingdienst is in overeenstemming met artikel 5a,
zevende lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en artikel 1.2, vijfde lid,
van de Wet inkomstenbelasting 2001. In de aangifte inkomstenbelasting wordt namelijk
gevraagd of een van de partners in een verpleeg- of verzorgingshuis is opgenomen,
wat bij een bevestigend antwoord in beginsel betekent dat zij fiscaal partner blijven.
Daardoor heeft de Belastingdienst de informatie om deze bepalingen uit te kunnen voeren.
Of deze bepalingen aanpassing behoeven is onderwerp van een breder onderzoek naar
het partnerbegrip in het fiscale domein. De toelichting is op dit punt aangepast.
Overigens merkt het kabinet op dat het zijn van fiscaal partner over het algemeen
gunstiger is dan het niet zijn van fiscaal partner omdat fiscaal partnerschap de mogelijkheid
geeft om bepaalde inkomens- en vermogensbestanddelen op een zo gunstig mogelijke manier
aan beide partners toe te rekenen.
De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal opmerkingen bij het
voorstel en adviseert daarmee rekening te houden voordat het voorstel bij de Tweede
Kamer der Staten-Generaal wordt ingediend.
De Vice-President van de Raad van State,
Th.C. de Graaf
Van de gelegenheid is gebruikgemaakt om enkele redactionele wijzigingen in de memorie
van toelichting en het wetsvoorstel aan te brengen aan te brengen.
Ik moge U verzoeken het hierbij gevoegde voorstel van wet en de memorie van toelichting
aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.
De Staatssecretaris van Financiën,
E. Eerenberg
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
Th.C. de Graaf, vicepresident van de Raad van State -
Mede ondertekenaar
E. Eerenberg, staatssecretaris van Financiën
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.