Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden : Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden
36 915 XIII Wijziging van de begrotingsstaten van het Ministerie van Economische Zaken (XIII) voor het jaar 2026 (wijziging samenhangende met de Voorjaarsnota)
Nr. 3
VERSLAG HOUDENDE EEN LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN
Vastgesteld 21 april 2026
De vaste commissie voor Economische Zaken, belast met het voorbereidend onderzoek
van dit voorstel van wet, heeft de eer verslag uit te brengen in de vorm van een lijst
van vragen met de daarop gegeven antwoorden.
De vragen zijn op 9 april 2026 voorgelegd aan de Minister van Economische Zaken. Bij
brief van 20 april 2026 zijn ze door de Minister van Economische Zaken beantwoord.
Met de vaststelling van het verslag acht de commissie de openbare behandeling van
het wetsvoorstel voldoende voorbereid.
De voorzitter van de commissie, Van Eijk
Adjunct-griffier van de commissie, Krijger
Vragen en antwoorden
1
Hoeveel ondernemers maken jaarlijks gebruik van de kleineondernemersregeling (KOR)
en kunt u dit uitsplitsen naar beroepsgroep en/of -branche en ondernemingsvorm?
Antwoord
Per 30 januari 2026 zijn er 353 duizend ondernemers exclusief zonnepaneelhouders die
gebruik maken van de kleineondernemersregeling (KOR). Het totaal aantal KOR-gebruikers
ligt met 1,52 miljoen een stuk hoger door de 1,17 miljoen zonnepanneelhouders die
nog in de KOR zitten. Onderstaande figuur geeft de verdeling van de KOR-ondernemers
exclusief zonnepaneelhouders weer over verscheidene branches.
2
Wat is de totale hoogte van het vrijgestelde btw-bedrag als gevolg van de KOR per
beroepsgroep?
Antwoord
De totale hoogte van het vrijgestelde btw-bedrag per beroepsgroep is onbekend. Om
administratieve lasten voor KOR ondernemers te beperken wordt de benodigde informatie
hiervoor niet opgevraagd. Op dit moment wordt gewerkt aan een evaluatie van de KOR.
Hierin wordt onder andere een inschatting gemaakt van het budgettaire belang van de
KOR en daarbij kan ook een nadere inschatting van het vrijgestelde btw-bedrag van
de gehele groep KOR ondernemers worden betrokken. Het budgettair belang van de KOR
is € 378 mln per 2026 (zie Bijlage 4 van de Miljoenennota 2026).
3
Hoeveel ambtenaren vallen bij het Ministerie van Economische Zaken (EZK) onder de
nullijn?
Antwoord
Er werken 11.871 medewerkers bij EZK (peildatum 31-12-2025). Dit is het totaal van
het kerndepartement en de concernonderdelen. Hier vallen topmanagers niet onder, omdat
topmanagers in dienst zijn bij de Algemene Bestuursdienst.
4
Hoeveel medewerkers bevinden zich in de lagere loonschalen (schaal 1 t/m 6)? Wat is
het aandeel van deze groep binnen de uitvoering (uitvoeringsorganisaties versus beleid)?
Antwoord
258 medewerkers bevinden zich in de loonschalen 1 t/m 6 (peildatum 31-12-2025). Hiervan
werkt 9% binnen het kerndepartement en 91% werkt voor een uitvoeringsorganisatie.
5
Welke functies en/of beroepen vallen voornamelijk binnen de lagere loonschalen (schaal 1
t/m 6)? Wat is de huidige en verwachte personeelskrapte binnen deze functies?
Antwoord
De functies die voornamelijk binnen de loonschalen 1 t/m 6 vallen, zijn managementondersteuners,
medewerkers verwerken en behandelen en medewerkers ICT en techniek. Het is niet bekend
of er een verwachte personeelskrapte is. Wegens het korte tijdsbestek was er onvoldoende
tijd om dit uit te zoeken.
6
Zijn er interne analyses of risico-inschattingen gemaakt over de effecten van de nullijn,
bijvoorbeeld op de instroom of uitstroom? Zo ja, kan deze worden gedeeld met de Kamer?
Antwoord
Deze analyses of risico-inschattingen zijn niet rijksbreed gemaakt.
7
Kunt u toelichten waarom wordt besloten tot een ombuiging op het Toekomstfonds in
2026?
Antwoord
Het kabinet heeft tot deze ombuiging besloten als onderdeel van een integrale keuze
bij het opstellen van het coalitieakkoord. Omdat de SEED Capital, Innovatiekrediet,
en Vroegefasefinanciering de enige regelingen zijn met structureel budget, slaat de
structurele ombuiging neer op deze budgetten. Om de effecten op deze regelingen op
te vangen zijn incidenteel middelen ingezet vanuit het budget voor Fund to Fund om
aan deze taakstelling te kunnen voldoen. Deze middelen uit 2026 zijn naar 2027 geschoven
om de taakstelling in dat jaar gedeeltelijk op te vangen, en zo de structurele regelingen
in eerdere jaren te ontzien.
8
Kunt u aangeven welk effect deze ombuiging heeft op het beoogde resultaat van de onderliggende
regelingen, waaronder het Innovatiekrediet, SEED-Capital en de Vroegefasefinanciering?
Antwoord
Concreet heeft de ombuiging als gevolg dat minder ondernemingen en private durfkapitaalinvesteringsfondsen
ondersteund kunnen worden. Hierdoor is het mogelijk dat kansrijke innovaties onvoldoende
private financiering kunnen aantrekken of later in beperktere mate (of geheel) niet
tot ontwikkeling komen. Andere beleidsinstrumenten zoals de Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen
(ROMs) of Invest-NL bedienen namelijk een andere doelgroep dan deze regelingen. Dit
kan mogelijk leiden tot een afname van private co-investeringen, aangezien publieke
middelen binnen met name het Innovatiekrediet en de SEED Capital een hefboomfunctie
vervullen (op basis van de evaluatie betreft dit minimaal een verdubbeling van de
inleg van EZK). Tegelijkertijd heeft een verlaging van het beschikbare budget naar
verwachting negatieve gevolgen voor het bereik en de effectiviteit van deze instrumenten
als geheel. Het is dus aannemelijk dat deze ombuiging leidt tot een verminderd doelbereik
van de regelingen, zowel op het gebied van ondersteuning van jonge innovatieve bedrijven
als in het mobiliseren van aanvullend privaat kapitaal, en daarmee mogelijk negatief
effect heeft op het innovatie- en verdienvermogen van de Nederlandse economie.
9
Kunt u toelichten hoe de ombuiging op het Toekomstfonds zich verhoudt tot de ambitie
om 3% van het bruto binnenlands product (bbp) te investeren in onderzoek en ontwikkeling
(R&D)?
Antwoord
In het antwoord op de vorige vraag zijn de verwachte gevolgen geschetst van de voorgenomen
bezuinigingen. Dit zal mogelijk een negatief effect hebben op het doel 3% van het
bbp in R&D te investeren, hoewel dit lastig is te kwantificeren. Daar staat tegenover
dat het kabinet ook maatregelen neemt die naar verwachting zorgen voor hogere publieke
en private R&D investeringen, zoals het oprichten van een Nationale Investeringsinstelling
en NADI. Het is daarmee per saldo waarschijnlijk dat de maatregelen uit het coalitieakkoord
het behalen van het 3%-doel dichterbij brengt.
10
Kunt u een nadere specificatie geven van de € 217 miljoen aan «overige mutaties» zoals
opgenomen in tabel 2 («Belangrijkste suppletoire uitgavenmutaties 2026»), uitgesplitst
naar artikel, instrument en aard van de mutatie (beleidsmatig dan wel technisch)?
Antwoord
De € 217 mln aan «overige mutaties» zoals opgenomen in tabel 2 («Belangrijkste suppletoire
uitgavenmutaties 2026») is het saldo van vele kleine mutaties, die in de budgettaire
tabellen van de beleids- en niet-beleidsartikelen nader worden gespecificeerd. Het
gaat hier bijvoorbeeld om bijstellingen als gevolg van de uitkering van eindejaarsmarge
van in totaal ca. € 130 mln verspreid over verschillende posten en het saldo van verschillende
interdepartementale overhevelingen van in totaal ca. € 70 mln, ook verspreid over
verschillende posten, onder andere voor de Rijksbijdrage aan TNO die via de EZ-begroting
wordt verstrekt.
11
Kunt u toelichten waarom stijgende uitvoeringskosten niet afzonderlijk zijn gespecificeerd
in tabel 2 («Belangrijkste suppletoire uitgavenmutaties 2026»)?
Antwoord
Voor opname in tabel 2 («Belangrijkste suppletoire uitgavenmutaties 2026») worden
mutaties in beginsel geselecteerd op basis van omvang. De ophoging van het budget
voor de RVO voor de uitvoering van verschillende EZK-regelingen bijvoorbeeld ter hoogte
van € 30,9 mln op beleidsartikel 2 staat niet in tabel 2, omdat deze ophoging bestaat
uit meerdere kleine mutaties.
12
Kunt u toelichten hoe de geconstateerde stijging van uitgaven aan externe inhuur en
ambtelijk personeel zich verhoudt tot de taakstelling op personele uitgaven?
Antwoord
De stijging in personele uitgaven heeft voor een deel te maken met de verdubbeling
van het aantal bewindspersonen bij EZK. Dit vraagt ook extra ondersteuning in de vorm
van onder andere adviseurs en woordvoerders. Bij het bepalen van de aanvullende ondersteuning
heeft reeds een efficiencyslag plaatsgevonden. De begroting voor externe inhuur wordt
momenteel jaarlijks herijkt. Hierdoor lijkt het alsof de uitgaven voor inhuur flink
zijn gestegen, maar deze uitgaven zijn nu niet hoger dan bij de 2e suppletoire begroting van 2025.
13
Kunt u aangeven welk deel (in procenten) van de EZK-begroting in de afgelopen vijf
jaar is besteed aan subsidies en leningen aan bedrijven en organisaties, en welk deel
aan apparaatskosten van het departement, agentschappen en zelfstandige bestuursorganen?
Antwoord
Onderstaande tabel geeft een totaaloverzicht weer van de gerealiseerde uitgaven aan
subsidies en leningen en de gerealiseerde uitgaven aan apparaatskosten van het kerndepartement,
aan bijdragen aan agentschappen, en aan zelfstandig bestuursorganen (ZBO’s) en rechtspersonen
met een wettelijke taak (RWT’s).
bedragen in € mln
2021
2022
2023
2024
2025
Subsidies en leningen beleidsartikel 1
3,6
16,3
31,8
60,5
114,4
Subsidies en leningen beleidsartikel 2
5.933,3
3.958,3
1.137,9
836,4
544,0
Subsidies en leningen beleidsartikel 3
319,2
126,8
199,2
347,1
297,3
Totaal subsidies/leningen EZ-begroting
6.256,1
4.101,3
1.368,9
1.243,9
955,8
Apparaatsuitgaven kerndepartement EZK1
178,1
209,9
256,5
305,0
310,3
Bijdragen EZ aan agentschappen2
246,8
270,0
309,8
342,3
300,6
Bijdragen EZ aan ZBO’s en RWT’s2
546,0
574,0
633,0
739,5
780,4
Totaal kosten/apparaatsuitgaven EZ(K)
970,9
1.053,8
1.199,3
1.386,8
1.391,2
X Noot
1
Dit betreffen de apparaatsuitgaven van het kerndepartement Economische Zaken en Klimaat.
X Noot
2
Dit betreffen de bijdragen aan agentschappen, ZBO’s en RWT’s vanaf de begrotingsartikelen 1,
2, 3 en 40 van de EZ(K)-begroting.
14
Kunt u tevens aangeven hoe deze verhouding zich naar verwachting ontwikkelt richting
2030?
Antwoord
Onderstaande tabel geeft een totaaloverzicht weer van de begrote uitgaven aan subsidies
en leningen en de begrote uitgaven aan apparaatskosten van het kerndepartement, aan
bijdragen aan agentschappen, en aan zelfstandig bestuursorganen (ZBO’s) en rechtspersonen
met een wettelijke taak (RWT’s), conform stand Voorjaarsnota 2026.
bedragen in € mln
2026
2027
2028
2029
2030
Subsidies en leningen beleidsartikel 1
171,2
143,4
110,2
100,4
106,8
Subsidies en leningen beleidsartikel 2
841,3
554,2
445,9
295,1
270,1
Subsidies en leningen beleidsartikel 3
493,0
345,7
253,5
203,7
167,3
Totaal subsidies/leningen EZ-begroting
1.505,4
1.043,3
809,6
599,2
544,1
Apparaatsuitgaven kerndepartement EZK1
342,4
304,5
299,0
263,0
223,1
Bijdragen EZ aan agentschappen2
320,7
250,2
252,6
245,9
244,8
Bijdragen EZ aan ZBO’s en RWT’s2
680,5
641,0
600,5
558,6
570,3
Totaal kosten/apparaatsuitgaven EZ(K)
1.343,6
1.195,8
1.152,1
1.067,4
1.038,2
X Noot
1
Dit betreffen de apparaatsuitgaven van het kerndepartement Economische Zaken en Klimaat.
X Noot
2
Dit betreffen de bijdragen aan agentschappen, ZBO’s en RWT’s vanaf de begrotingsartikelen 1,
2, 3 en 40 van de EZ(K)-begroting.
15
Kunt u toelichten op welke wijze de bekostiging van het Nationaal Agentschap voor
Disruptieve Innovatie (NADI) in de suppletoire begroting 2026 of in de Voorjaarsnota
is verwerkt, inclusief het bijbehorende begrotingsartikel en instrument?
Antwoord
De middelen uit het coalitieakkoord voor de NADI staan nog niet op de begroting van
EZK. De budgettaire verwerking van de saldo-neutrale € 500 mln is afhankelijk van
de vormgeving en verdere uitwerking van de NADI. Uw kamer wordt hierover op een later
moment geïnformeerd.
16
Kunt u een nadere toelichting geven op de mutatie van € 51,8 miljoen die anders in
2029 zou terugvloeien naar de EZK-begroting?
Antwoord
Voor de bijdrage vanuit EZK aan het Dutch Venture Initiative (DVI) I en II is er in
totaal € 230 mln aan investeringen toegezegd aan het European Investment Fund (EIF).
De Regionale Ontwikkelingsmaatschappij (ROM) OostNL is uitvoerder van deze fondsen
en verzorgt namens EZK de bijdrage aan het EIF. In eerste instantie is bij de inregeling
in de begroting rekening gehouden met het feit dat de ontvangsten vanuit het EIF op
DVI I en II, welke via OostNL terugvloeien naar de EZK-begroting, voor in ieder geval
het voltallige bedrag van de originele investering van € 230 mln naar de EZK-begroting
terugvloeien. Gedurende de looptijd van deze fondsen vinden er continue investeringen
en exits plaats, deze vragen stortingen van OostNL naar het EIF (voor investeringen)
en ontvangsten vanuit het EIF naar OostNL (door exits). Bij het EIF en OostNL zijn
de ontvangsten van exits weer ingezet voor investeringen binnen de fondsen van DVI I
en II, in plaats van direct terug te vloeien naar de EZK-begroting (= salderen). Hierdoor
is de totale inleg vanuit EZK in DVI I en II alsnog € 230 mln, echter is er op totaal
niveau € 51,8 mln van de ontvangsten ingezet voor stortingen in DVI I en II bij het
EIF en OostNL. Hier staat echter ook tegenover dat er minder uitgaven zijn gedaan
vanaf de EZK-begroting naar OostNL, en in verlengde het EIF, omdat de kosten van de
investeringen zijn gedekt doormiddels van ontvangsten uit eerdere investeringen. Hierdoor
komt er in totaal € 51,8 mln minder aan ontvangsten terug naar de EZK-begroting. Deze
tegenvaller op de ontvangsten wordt opgevangen doordat er ook € 51,8 mln minder aan
uitgaven vanuit de EZK-begroting naar OostNL en EIF gaat. Deze bijstellingen in de
begroting zijn verwerkt bij de 1e suppletoire begroting 2026 van EZ.
17
Kunt u aangeven of het klopt dat deze middelen een alternatieve bestemming hebben
gekregen, en zo ja, kunt u toelichten welke bestemming dit betreft en op basis van
welke beleidskeuze dit is besloten?
Antwoord
De € 51,8 mln die terug zou vloeien naar de EZ-begroting in 2029 heeft geen alternatieve
bestemming gekregen. De ontvangsten en uitgavenraming voor het Fund to Fund instrument,
waar de uitgaven en ontvangsten ten behoeve van DVI I en II onder worden verantwoord,
is bij de 1e suppletoire begroting 2026 van EZ geactualiseerd. Zie het antwoord op vraag 16 voor
nadere toelichting bij deze mutaties.
18
Kunt u aangeven welk subsidiebedrag in 2026 wordt verstrekt aan het Platform voor
de InformatieSamenleving (ECP) en op basis van welke regeling of opdracht deze middelen
worden toegekend?
Antwoord
In het jaar 2026 voert ECP met subsidie van EZK de bundel 2026 uit met projecten voor
een concurrerende, innovatieve, autonome en weerbare digitale samenleving. De subsidie
is in december 2025 toegekend en bedraagt maximaal € 3,7 mln. Deze middelen zijn toegekend
op basis van artikel 2 van de Kaderwet EZ-, LVVN- en KGG-subsidies.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
W.P.J. van Eijk, voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken -
Mede ondertekenaar
H.W. Krijger, adjunct-griffier