Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag schriftelijk overleg inzake o.a. de (informele) Telecomraad van april 2026 (Kamerstuk 21501-33-1188)
21 501-33 Raad voor Vervoer, Telecommunicatie en Energie
22 112
Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie
Nr. 1195
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 20 april 2026
De vaste commissie voor Digitale Zaken heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd
aan de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat over de brieven d.d. 9 maart
2026 «Naderend Raadscompromis Omnibus AI» (Kamerstuk 22 112, nr. 4287), d.d. 9 maart 2026 «Antwoorden op vragen commissie over o.a. Fiche: Omnibus AI en
Omnibus Digitaal (Kamerstuk 22 112, nr. 4223)» (Kamerstuk 22 112, nr. 4288), d.d. 27 februari 2026 «Geannoteerde agenda Telecomraad (Informeel, d.d. 23–24 maart
2026)» (Kamerstuk 21 501-33, nr. 1188), d.d. 16 januari 2026 «Fiche: Verordening Europese Business Wallet» (Kamerstuk 22 112, nr. 4232), d.d. 12 januari 2026 «Verslag Telecomraad 5 december 2025» (Kamerstuk 21 501-33, nr. 1183), d.d. 12 januari 2026 «Beantwoording vragen gesteld tijdens het Tweeminutendebat
Telecomraad d.d. 5 december 2025» (Kamerstuk 21 501-33, nr. 1185), d.d. 12 januari 2026 «Antwoorden op resterende vragen commissie over o.a. de Geannoteerde
Agenda Telecomraad 5 december 2025» (Kamerstuk 21 501-33, nr. 1184).
De vragen en opmerkingen zijn op 7 april 2026 aan de Staatssecretaris van Economische
Zaken en Klimaat voorgelegd. Bij brief van 20 april 2026 zijn de vragen door de Staatssecretaris
van Economische Zaken en Klimaat, de Minister van Justitie en Veiligheid en de Staatssecretaris
van Justitie en Veiligheid beantwoord.
De voorzitter van de commissie, Dekker
Adjunct-griffier van de commissie, Muller
Inhoudsopgave
I
Vragen en opmerkingen van rapporteurs
2
II
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
4
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
4
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
5
Vragen en opmerkingen van de leden van de GL-PvdA-fractie
6
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
9
Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie
10
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
12
III
Antwoord/reactie van de bewindspersonen
14
I Vragen en opmerkingen van rapporteurs
Vragen en opmerkingen namens de commissie van de rapporteurs Omnibus AI en Digitaal,
de leden El Boujdaini (D66) en Van den Berg (JA21) naar aanleiding van de adviezen
van de tijdelijke commissie Grondrechten en Constitutionele toetsing over EU-voorstellen:
Verordening Digitale Omnibus COM (2025) 836 en 837 (Kamerstukken 22 112-4301 en 22 112-4302)
Ten aanzien van het voorstel voor de EU-verordening Digitale Omnibus inzake AI COM
(2025) 836
• Kan het kabinet de Europese Commissie verzoeken om een inschatting van de termijn
die nodig is voor het opstellen van geharmoniseerde standaarden bij de belangrijkste
verplichtingen voor hoog-risico AI-systemen, om te bezien of eerdere inwerkingtreding
voor enkele of meerdere bepalingen (zoals over transparantie) alsnog mogelijk is?
• Het kabinet toelichten wat de noodzaak is van het verruimen van de uitzondering voor
legacy-systemen, waardoor ook hoog-risico AI-systemen die in de handel worden gebracht
tussen de oude en de nieuwe inwerkingtredingsdata, (met uitzondering van de verboden
praktijken) nooit aan de regels uit de AI-verordening hoeven te voldoen, tenzij zij
aanzienlijke wijzigingen in hun systeem ondergaan?
• Kan het kabinet toelichten welke verantwoordelijkheden en verplichtingen aanbieders
en gebruikers precies zullen behouden volgens het raadscompromis en of daarmee het
advies van de EDPB wordt opgevolgd om de inspanningsverplichting voor AI-geletterdheid
zoals die nu geldt, te handhaven naast het voorstel uit de Omnibus AI?
• Is het kabinet bereid om de Europese Commissie te verzoeken toe te lichten wat het
effect is van de afzonderlijke regels voor SMEs en SMCs op grondrechtenbescherming
voor burgers en waarom deze regels afwijken van de insteek van risico-gebaseerd toezicht
in de AI-verordening?
• Is het kabinet zich ervan bewust dat de bevoegdheden van de nationale toezichthouders
en de EDPB bij AI-testomgevingen op EU-niveau, en van mensenrechtenautoriteiten bij
informatieverzoeken aan aanbieders of gebruikers van AI-systemen, nog verduidelijking
behoeven in het licht van het bevorderen van de rechtszekerheid en de bescherming
van grondrechten?
• Kan het kabinet de Europese Commissie verzoeken om, vanwege het ontbreken van een
impact assessment, een nadere motivering te geven van de noodzaak en proportionaliteit
van de voorgestelde wijzigingen van de AI-verordening uit onderdelen A tot en met
D van dit advies? Kan in deze nadere motivering in ieder geval worden ingegaan op
de verwachte impact op grondrechten, waaraan volgens de richtsnoeren van de Europese
Commissie in een impact assessment bijzondere aandacht zou zijn besteed?
Ten aanzien van het voorstel voor EU-verordening Digitale Omnibus COM (2025) 837
• Is het kabinet bereid de Europese Commissie vragen om een nadere motivering van de
noodzaak en proportionaliteit van de onderdelen van de Digitale Omnibus die zien op
het wijzigen van de AVG, gezien het ontbreken van een impact assessment? Kan hierbij
in ieder geval nader worden ingaan op twee deelonderwerpen waaraan volgens de richtsnoeren
van de Europese Commissie in een impact assessment bijzondere aandacht zou zijn besteed?
Dit zijn de verwachte gevolgen voor MKB’ers (in het bijzonder ten aanzien van het
beoogde doel om meer rechtszekerheid te bieden) en de verwachte impact op grondrechten
(in het bijzonder ten aanzien van het recht op bescherming van persoonsgegevens).
• Is het kabinet bereid om de Europese Commissie te verzoeken om een onderbouwing van
de noodzaak en proportionaliteit van de voorgestelde definitiewijziging van persoonsgegevens
in het licht van het recht op bescherming van persoonsgegevens en hierbij ook aandacht
te geven aan de doorwerking van deze definitiewijziging in de publieke sector en in
andere Europese regelgeving op basis waarvan persoonsgegevens worden verwerkt?
• Is het kabinet bereid om de Europese Commissie te verzoeken om, in aanvulling op de
jurisprudentie waarop de voorgestelde definitiewijziging is gebaseerd, ook in te gaan
op andere relevante Europese jurisprudentie waarin uitleg wordt gegeven aan de definitie
van persoonsgegevens.
• Is het kabinet bereid om de Europese Commissie te verzoeken om een nadere motivering
waarom een uitvoeringshandeling over het pseudonimiseren van persoonsgegevens in dit
geval het passende instrument wordt geacht in het licht van artikel 291 van het Verdrag
betreffende de Werking van de EU? Kan de Europese Commissie daarbij ingaan op de mogelijke
impact van deze uitvoeringshandeling op het toepassingsbereik van de AVG? Kan het
kabinet ook om een verduidelijking vragen van de beoogde praktische impact van de
uitvoeringshandeling over het pseudonimiseren van persoonsgegevens, nu ook andere
elementen hierbij volgens het voorstel een rol spelen?
• Is het kabinet bereid om de Europese Commissie te verzoeken om een nadere onderbouwing
van de noodzaak en proportionaliteit van het voorstel voor een aanvullende grondslag
voor de verwerking van persoonsgegevens voor AI op basis van een gerechtvaardigd belang?
Kan de Europese Commissie, met het oog op de rechtszekerheid voor ondernemers, daarbij
ook ingaan op de verhouding van deze aanvullende grondslag tot de bestaande vereisten
in de AVG voor het verwerken van persoonsgegevens op basis van een gerechtvaardigd
belang?
• Kan het kabinet een nadere uitleg geven van de beoogde praktische toepassing van het
voorgestelde onvoorwaardelijke recht op bezwaar voor burgers, met inbegrip van de
manier waarop burgers worden geïnformeerd over de verwerking van hun persoonsgegevens
zodat zij daadwerkelijk gebruik kunnen maken van dit recht?
• Is het kabinet bereid om de Europese Commissie te verzoeken om een nadere motivering
van de noodzaak en proportionaliteit van de voorgestelde nieuwe grondslag voor het
verwerken van bijzondere persoonsgegevens voor de ontwikkeling en exploitatie van
AI-systemen, en daarbij in het bijzonder in te gaan op de vraag hoe het recht op bescherming
van persoonsgegevens van burgers in het voorstel is meegewogen? En kan de Europese
Commissie hierbij ingaan op het advies van de European Data Protection Board om het
voorstel op een aantal punten te verduidelijken en aan te scherpen?
• Is het kabinet bereid om de Europese Commissie te verzoeken inzicht te geven in hoeverre
er in de praktijk sprake is van misbruik van het inzagerecht waardoor wijziging noodzakelijk
is. En om te vragen om een reflectie op de verwachte impact van de beperking van het
inzagerecht op de uitoefening van andere fundamentele rechten en vrijheden, zoals
het gebruik van het inzagerecht voor journalistieke doeleinden?
• Kan het kabinet de voorgestelde wijziging van het recht op informatie verduidelijken,
met het oog op de rechtszekerheid (met name voor MKB’ers)
• Kan het kabinet inzicht geven in de verwachte cumulatieve impact van de voorgestelde
wijziging van het inzagerecht en het recht op informatie op het recht op bescherming
van persoonsgegevens van burgers?
Vragen en opmerkingen namens de commissie van de rapporteur Europese Business Wallet,
het lid Emiel van Dijk (PVV)
• Kan de Staatssecretaris de commissie informeren over het eerste compromisvoorstel
dat is opgesteld onder het Cypriotisch voorzitterschap en met name waar dit voorstel
al dan niet tegemoet komt aan de kernzorgen uit het BNC-fiche, zoals nationale flexibliteit,
administratieve lasten en het pad tot implementatie?
• Kan de Staatssecretaris de commissie informeren over de punten die gezien dit compromisvoorstel
nog inzet zijn van verdere onderhandelingen in relatie tot het BNC-fiche, bijvoorbeeld
rond ex-ante toezicht op aanbieders van wallets, vertrouwensdiensten en technische
walletcomponenten en mogelijke certificering, maar ook over de punten die geen inzet
meer zijn van verdere onderhandelingen?
II Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de geannoteerde
agenda voor de informele Telecomraad. Deze leden hechten eraan dat Europese digitaliseringsvoorstellen
bijdragen aan innovatie en lastenverlichting, zonder afbreuk te doen aan grondrechten,
transparantie en uitvoerbaarheid. Tegen deze achtergrond hebben zij de volgende vragen.
De leden van de D66-fractie vragen hoe het kabinet het feit beoordeelt dat voor de
Digitale Omnibus geen integraal impact assessment door de Europese Commissie is opgesteld,
terwijl de voorgestelde wijzigingen direct raken aan de bescherming van persoonsgegevens
en fundamentele rechten, zoals privacy, non-discriminatie en bescherming tegen geautomatiseerde
profilering. Is het kabinet bereid zich in de Raad te blijven inzetten om alsnog een
dergelijk integraal impact assessment te laten uitvoeren voordat een Raadsakkoord
wordt bereikt?
Deze leden benadrukken het belang van het tegengaan van AI-gegenereerde desinformatie,
waaronder (seksuele) deepfakes. Zij vragen het kabinet hoe het bestaande Europese
kader, waaronder de AI-verordening en de Digital Services Act, wordt benut om transparantie,
detectie en labeling van AI-gegenereerde content te waarborgen. Waar ziet het kabinet
nog lacunes in dit kader, en op welke wijze zet het kabinet zich in EU-verband in
om deze te adresseren? In het bijzonder vragen zij hoe het kabinet aankijkt tegen
een expliciet verbod op seksuele deepfakes.
De leden van de D66-fractie onderschrijven het belang van effectieve bescherming van
minderjarigen online en wijzen op het belang van een veilige digitale omgeving. Deze
leden vragen het kabinet hoe maatregelen zoals leeftijdsverificatie zodanig worden
vormgegeven dat deze zowel effectief als privacyvriendelijk zijn, en hoe daarbij wordt
aangesloten bij bestaande Europese kaders. Daarnaast vragen zij hoe het kabinet bevordert
dat deze maatregelen bijdragen aan een veilig, open en betrouwbaar digitaal ecosysteem.
Hoe wordt in het bijzonder gestimuleerd dat oplossingen toegankelijk, transparant
en handhaafbaar zijn?
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van het voorstel inzake de Europese
Business Wallet en verwelkomen de inzet op digitalisering en lastenverlichting. Deze
leden vragen het kabinet hoe deze wallets bijdragen aan veilige, betrouwbare en efficiënte
gegevensuitwisseling, en hoe daarbij wordt aangesloten bij bestaande Europese kaders.
Daarnaast vragen zij hoe het kabinet de balans beoordeelt tussen het ontbreken van
een aanbiedplicht voor lidstaten en de acceptatieplicht voor publieke organisaties.
De leden van de D66-fractie vragen tot slot hoe het kabinet de invoering bij publieke
organisaties wil ondersteunen, zodat deze praktisch uitvoerbaar is en bijdraagt aan
betrouwbare dienstverlening. Welke rol is daarbij weggelegd voor open standaarden,
interoperabiliteit en publieke regie bij het waarborgen van brede toegankelijkheid?
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de
informele Telecomraad d.d. 29–30 april 2026. Deze leden hebben tevens kennisgenomen
van het fiche van de werkgroep Beoordeling Nieuwe Commissievoorstellen (BNC) over
de Europese Business Wallet. Zij hebben over deze documenten nog enkele vragen en
opmerkingen.
De leden van de VVD-fractie vinden het teleurstellend dat de relevante discussiestukken
nog niet zijn gedeeld. Dit bemoeilijkt controle door de nationale parlementen op de
inbreng van de nationale regeringen bij de Raad. Is het kabinet bereid tijdens de
Raad voor het voetlicht te brengen dat het in het kader van degelijke democratische
controle van belang is dat de relevante discussiestukken tijdig worden gedeeld?
Deze leden lezen dat Nederland tijdens de laatste Telecomraad bij het beleidsdebat
over regeldrukvermindering heeft ingebracht dat het erop lijkt dat de voorgestelde
wijzigingen van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) volgens het kabinet
fundamenteel van aard zijn en dus in de ogen van het kabinet verder gaan dan alleen
vereenvoudiging. Ook zou Nederland hebben aangegeven grote zorgen te hebben over de
oprichting van een centraal Europees meldpunt voor het melden van cybersecurity incidenten.
Graag ontvangen deze leden een toelichting van het kabinet op de door Nederland ingebrachte
punten. Hoe is hier door andere landen op gereageerd?
Zij lezen bovendien dat er tijdens de afgelopen Telecomraad is gesproken over de uitbreiding
van «Roam like at Home» naar Moldavië, Oekraïne en de Westelijke Balkan. In het verslag
van het kabinet over de Telecomraad ontbreekt echter wat er dan precies is besproken.
Graag ontvangen de leden van de VVD-fractie de actuele stand van zaken.
Deze leden hebben daarnaast kennisgenomen van het BNC-fiche over de Europese Business
Wallet. Zij zijn in het algemeen positief over de plannen. De leden van de VVD-fractie
lezen in het fiche dat er «honderden miljarden euro’s» bespaard kunnen worden bij
brede ingebruikname van de wallet. Deze leden vragen waar deze schatting op is gebaseerd,
aangezien deze inschatting hen zeer optimistisch voorkomt.
Zij onderschrijven dat de besparingen oplopen naarmate de wallet door meer organisaties,
instanties en bedrijven wordt gebruikt. Deelt het kabinet deze mening? Zo ja, hoe
wil het kabinet op deze brede ingebruikname concreet aandringen bij de behandeling
van dit voorstel in de Raad?
De leden van de fractie van de VVD lezen dat het kabinet het van belang vindt dat
de voorgestelde verordening aansluit bij andere EU-initiatieven en bestaande EU-regelgeving
op het gebied van digitalisering en digitale identiteit, zoals de eIDAS-verordening.
Deze leden lezen dat het kabinet tijdens de onderhandelingen deze coherentie en consistentie
wil bewaken. Waar wil het kabinet concreet voor pleiten?
Voor het slagen van de Europese Business Wallet vinden de leden van de VVD-fractie
het van belang dat er goed contact over het voorstel wordt onderhouden met het bedrijfsleven.
Kan het kabinet bevestigen dat het bij de standpuntbepaling over dit voorstel contact
met het Nederlandse bedrijfsleven heeft gehad? Is hierin ook de notariële beroepsgroep
meegenomen? Hoe duidt het kabinet het enthousiasme voor de Europese Business Wallet
onder het bedrijfsleven? Is het kabinet bereid er bij de Europese Commissie op aan
te dringen dat er in de uitvoering van dit voorstel nauw contact met het bedrijfsleven
wordt onderhouden?
Tot slot vragen deze leden wanneer volgens planning de Europese Business Wallet operationeel
is.
Vragen en opmerkingen van de leden van de GL-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda
voor de informele Telecomraad van 29 en 30 april. Deze leden hebben hierover enkele
vragen.
Zij lezen allereerst dat er enigszins tegemoet is gekomen aan de zorgen die het kabinet
had over de Omnibus AI. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie blijven pleiten voor
een volledige en snelle implementatie van de AI-verordening met zo min mogelijk aanpassingen
in de Omnibus AI. Deze leden roepen de motie-Kathmann/Dassen (Kamerstuk 21 501-33-1173) in herinnering die voorwaarden neerlegt bij de behandeling van beide omnibussen.
Hoe geeft het kabinet uitvoering aan deze motie? Onder welke voorwaarde(n) zal het
kabinet deze omnibus níet steunen? Kan het kabinet expliciet beschrijven welke voorstellen
zij heeft gedaan en hoe die in het compromisvoorstel van de Omnibus AI wel of niet
verwerkt zijn? Hoe kijkt het kabinet naar de tijdsdruk bij de Omnibus AI, aangezien
de AI-Verordening vanaf augustus 2026 in werking treedt? Leidt deze zeer korte termijn
tussen deze onderhandeling en de inwerkingtreding volgens het kabinet voor een gedegen
wetgevingsproces?
Deze leden zijn op de hoogte dat er wordt gepoogd om bijlage 1 («Annex I») van de
AI-Verordening aan te passen, en secties A en B samen te voegen. Dit zou kunnen leiden
tot meer complexiteit omtrent de regulering van hoog risico AI-systemen. Hoe beoordeelt
het kabinet voorstellen van deze aard? Is zij daarnaast van mening dat ook «Internet-of-Things»-apparatuur,
waarin AI wordt toegepast, gewoon aan de AI-verordening moet gaan voldoen?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie wijzen daarnaast op het behandelvoorbehoud
dat de Eerste Kamer het kabinet heeft opgelegd. Welke (voor)overleggen zijn er sinds
de vorige Telecomraad geweest waar de Omnibus AI ter sprake is geweest? Hoe heeft
het kabinet haar zienswijze kenbaar gemaakt, met inachtneming van het behandelvoorbehoud?
Deze leden hebben meermaals gevraagd om in te zetten op een Europees verbod op Nudify-apps,
als onderdeel van artikel 5 van de AI-verordening. Deze zorgen zijn eerder geuit in
vragen van het lid Kathmann.1 Zij zijn tevreden dat de Europese Unie, mede door druk van het Europees Parlement,
van plan is om dit uit te voeren.2 Ook een brede vertegenwoordiging van Nederlandse organisaties en experts verwelkomt
deze stap.3 Hoe reageert het kabinet op deze oproep van organisaties en experts? Kan het kabinet
meer vertellen over hóé dit verbod er uit gaat zien? Zijn er nieuwe ontwikkelingen
sinds de beantwoording van de eerdergenoemde Kamervragen van 17 maart 2026 die kabinet
met de Kamer kan delen? Per wanneer zijn Nudify-apps definitief verbannen uit Europese
appstores, en wordt ook het gebruik en het delen van Nudify-beelden bestraft? Vanaf
wanneer worden seksuele deepfakebeelden aangemerkt als illegale content die zoekmachines
na notificatie direct offline moeten halen? Wat kunnen lidstaten doen om dit zo snel
mogelijk in werking te brengen? Wanneer is het Europese onderzoek naar X en de chatbot
Grok, die ook gebruikt wordt om naaktbeelden te genereren, gereed? Welke conclusies
kunnen uit dat onderzoek volgen? Is het verbieden van de chatbot Grok, of in het uiterste
geval het hele X-platform, een mogelijke uitkomst? Zou het kabinet dat steunen?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie benadrukken dat het waardevol inzetten van
AI vraagt om een zorgvuldige afweging van alle risico’s die hiermee gepaard gaan.
Er gaan grote maatschappelijke, sociale en economische risico’s gepaard met de grootschalige
adoptie van AI. De AI-markt wordt gedomineerd door enkele miljardenbedrijven die zelf
de regels en voorwaarden bepalen waar Europese burgers aan worden gehouden. Volgens
deze leden is het noodzakelijk dat Nederland een meerjarige strategie bepaalt, op
basis van mogelijke toekomstbeelden over de ontwikkeling van AI, die naast de economische
kansen ook uitgaat van de gevolgen voor mensenrechten, klimaat en arbeid. Is het kabinet
bekend met de scenariostudie van The Centre for Future Generations «Advanced AI: Possible
Futures»4 over mogelijke toekomstbeelden van AI in Europa? Kent het kabinet meer gezaghebbende
scenariostudies waar zij haar AI-beleid op baseert? Ziet het kabinet er meerwaarde
in om een gezaghebbende scenariostudie uit te voeren over wat de mogelijke langetermijn
gevolgen kunnen zijn van hoe AI zich de komende jaren ontwikkelt? Zo ja, is zij bereid
om op korte termijn zo’n scenariostudie naar de Nederlandse context uit te voeren?
Zij kijken ook vooruit naar het Nederlandse voorzitterschap van de Raad van Europa
in 2027. Het voeren van AI-diplomatie en het organiseren van evenementen over de ethische,
sociale en mensenrechtelijke gevolgen van AI zien de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
als een waardevolle invulling van dit voorzitterschap. Nederland kent immers veel
expertise en gezag op het gebied van waardevolle digitalisering. Is het kabinet van
plan om dit onderwerp onder haar voorzitterschap volgend jaar ter sprake te brengen?
Zo ja, welke concrete plannen zijn er om verantwoorde AI als onderwerp aan te dragen?
Welke voorbereidingen worden nu getroffen om de Nederlandse zienswijze op verantwoorde
AI zo effectief mogelijk over te brengen in verband met de 46 landen die aangesloten
zijn bij de Raad van Europa?
Deze leden wijzen erop dat in de Raad van Europa het Kaderverdrag over kunstmatige
intelligentie, mensenrechten, democratie en de rechtsstaat is ondertekend.5 De EU heeft namens alle lidstaten dit verdrag ondertekend. Echter betekent dit dat
niet het hele Koninkrijk, inclusief Bonaire, Sint Eustatius en Saba (BES), heeft ondertekend,
maar dit alleen geldt voor Europees Nederland. Deze leden vragen het kabinet om uit
te leggen waarom zij niet met een notificatie het Kaderverdrag ook namens de BES heeft
ondertekend. Is het de wens van de BES om ook onder de reikwijdte van het Kaderverdrag
te vallen? Is het kabinet bereid om hierover in gesprek te gaan met vertegenwoordigers
van de BES, om te bezien of Nederland via een notificatie het verdrag voor dit deel
van het Koninkrijk van toepassing kan maken indien dat gewenst wordt? Wat zijn volgens
het kabinet de voor- en nadelen hiervan? Op welke termijn kan het kabinet de Kamer
informeren over deze mogelijkheid?
Zij volgen de ontwikkelingen rondom leeftijdsverificatie met een kritische blik. De
leden van de GroenLinks-PvdA-fractie onderstrepen volledig het belang van bescherming
van minderjarigen online, en hebben meerdere voorstellen gedaan om dit te waarborgen.
Tegelijkertijd zijn deze leden van mening dat beschermingsmaatregelen niet ten koste
mag gaan van de online anonimiteit, privacybescherming, en vrije toegang tot informatie
die randvoorwaardelijk zijn voor een open en vrij internet. Zij vragen het kabinet
of haar opvatting hierover wezenlijk verschilt van het kabinet-Schoof, en zo ja, op
welke punten. Welke wijze van online leeftijdsverificatie vindt het kabinet acceptabel
en proportioneel? Kan zij een praktisch beeld schetsen van hoe het door het kabinet
aangekondigde leeftijdsverbod tot 16 jaar voor sociale media er uit gaat zien? Moeten
gebruikers van bijvoorbeeld YouTube, Instagram en Snapchat zich volgens het kabinet
straks als 16+ legitimeren om van deze diensten gebruik te mogen maken? Is het gerechtvaardigd
en proportioneel als alle volwassen gebruikers straks mogelijk hun data moeten afstaan
aan het techbedrijf of de overheid om toegang te krijgen tot deze platforms? De leden
van de GroenLinks-PvdA-fractie benadrukken dat bij zo’n grote, ingrijpende maatregel,
er zo veel mogelijk gestreefd moet worden naar uniforme regels. Dit is nu niet het
geval. Zo gelden er in Frankrijk en Denemarken al grenzen van 13 jaar, en mogen 14-
en 15-jarigen alleen met toestemming van ouders sociale media gebruiken. Hoe kijkt
het kabinet naar deze consent-constructie waarbij de begrenzing voor 14- en 15-jarigen
weer bij ouders wordt neergelegd? Hoort dit thuis in de Europese afspraken die worden
gemaakt over leeftijdsverificatie, of pleit het kabinet voor één eenduidige Europese
minimumleeftijd? Zo ja, hoe onderbouwt het kabinet welke leeftijd dit moet zijn?
Deze leden blijven van mening dat de meest effectieve aanpak van online haat en intimidatie
uitgaat van het ingrijpend reguleren van verslavende en polariserende ontwerpkeuzes.
Zij vragen het kabinet om haar inzet dan ook altijd te richten op maatregelen die
voor álle gebruikers een prettige online leefwereld realiseren. Welke concrete maatregelen
wil het kabinet terugzien in de Digital Fairness Act (DFA)? Moet deze, in lijn met
de visie van deze leden, een verbod op verslavend ontwerp bevatten?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie brengen ter sprake dat, naast AI en leeftijdsverificatie,
andere grote digitale ontwikkelingen in Europees verband spelen. Deze leden zijn verbaasd
dat de agenda geen melding maakt van de Cloud & AI Development Act (CAIDA),6 de Open Source Digital Strategy,7 of de Strategic Roadmap for Digitalisation and AI in the Energy Sector.8 Kan het kabinet ingaan op de tijdlijn en belangrijke beslismomenten voor deze drie
ontwikkelingen? Binnen welke gremia worden deze voorstellen nu besproken en door wie?
Vooral de CAIDA heeft de interesse van deze leden. In welke fase bevindt de CAIDA
zich nu, en wanneer verwacht het kabinet een Commissievoorstel voor deze verordening?
Welke elementen bevat deze vermoedelijk? Bevat deze ook regels over het energieverbruik
van digitale infrastructuur? Kan het kabinet expliciet in gaan op de rol van de CAIDA
om Europese inkoop- en aanbestedingsregels te definiëren die het mogelijk maken om
«Buy European»-beleid te voeren op het gebied van ICT in de publieke sector? Met welke
EU-lidstaten trekt het kabinet op om zich hiervoor in te spannen, conform meerdere
aangenomen Kamermoties?9
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie blijven de ontwikkelingen rondom chatcontrole
nauw volgen. Recent besloot het Europees Parlement de tijdelijke derogatie voor vrijwillige
controle niet te verlengen.10 Deze leden vragen het kabinet om haar positie hierover aan de Kamer toe te lichten,
met inachtneming van de aangenomen motie-Kathmann c.s.11 Hoe reageert het kabinet op het bericht dat techbedrijven alsnog vrijwillige chatcontrole
op hun platforms toepassen?12 Deelt het kabinet de opvatting van deze leden dat na de stemming in het Europees
Parlement, er geen democratische legitimiteit en wettelijke basis meer is voor vrijwillige
chatcontrole door techbedrijven? Handelen de techbedrijven nu in strijd met de wet?
Welke juridische gevolgen heeft dit voor de bedrijven, nu de uitzondering op de ePrivacy-richtlijn
die dit toestond per 3 april is vervallen? Waren lidstaten op de hoogte dat deze bedrijven
vrijwillige detectie zouden blijven toepassen? Hoe wordt op zo kort mogelijke termijn
een oplossing gevonden zodat er geen chatcontrole meer wordt toegepast, en er een
juridisch houdbare, niet op surveillance-gebaseerde aanpak voor in de plaats komt?
Tot slot merken de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie op dat de Staatssecretaris
van Economische Zaken en Klimaat bezoeken heeft afgelegd naar Brussel en Parijs om
kennis te maken met relevante partners op het gebied van digitalisering. Graag ontvangen
deze leden nadere informatie over de aard van deze bezoeken en meer informatie over
wat er inhoudelijk besproken, afgesproken of toegezegd is in deze overleggen met betrekking
tot de Nederlandse positie over digitaal beleid.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de geannoteerde
agenda voor de informele Telecomraad en van het fiche over de Verordening Europese
Business Wallet.
Deze leden vernemen dat ten tijde van het verzenden van de geannoteerde agenda aan
de Kamer er nog geen discussiestukken onderliggend aan de geagendeerde beleidsdebatten
beschikbaar waren. Zij vragen of dit inmiddels wel het geval is en of het kabinet
naar aanleiding daarvan nadere informatie kan geven over de door haar voorgenomen
inzet bij de aankomende informele Telecomraad.
De leden van de CDA-fractie zijn verheugd te lezen dat er bij de informele Telecomraad
een beleidsdebat plaats zal vinden over leeftijdsverificatie en maatregelen ter bescherming
van minderjarigen online. Deze leden zijn ook zeer te spreken over de inzet uit het
coalitieakkoord voor een minimumleeftijd voor sociale media van 16 jaar in Europees
verband. Zij vragen of het kabinet voornemens is om dit onderwerp ook op te brengen
tijdens dit beleidsdebat in de informele Telecomraad. Hierbij vragen de leden van
de CDA-fractie welke andere lidstaten overwegen een leeftijdsgrens voor sociale media
in te stellen en of zij daarbij eveneens een leeftijdsgrens van 16 jaar zullen hanteren.
De leden van de CDA-fractie lezen dat er een beleidsdebat plaats zal vinden over AI.
Deze leden vragen hoe het kabinet aankijkt tegen de recente oproep van onder andere
de Autoriteit Persoonsgegevens om seksuele deepfakes expliciet te verbieden via de
AI-verordening.
Zij zien de mogelijke meerwaarde van het voorstel voor een Europese Business Wallet
voor het verminderen van administratieve lasten en voor betere grensoverschrijdende
digitale dienstverlening aan bedrijven. Tegelijk achten de leden van de CDA-fractie
uitvoerbaarheid, veiligheid en proportionaliteit van groot belang. Deze leden lezen
dat het kabinet in algemene zin positief is over de doelstelling van het voorstel,
maar ook zorgen heeft over de uitvoerbaarheid voor publieke instanties en de samenloop
met bestaande systemen. Zij vragen welke concrete meerwaarde het kabinet op korte
termijn ziet voor Nederlandse bedrijven, in het bijzonder voor het mkb, en hoe het
kabinet borgt dat de beoogde vereenvoudiging in de praktijk ook daadwerkelijk leidt
tot een werkbare en efficiënte digitale dienstverlening voor zowel ondernemers als
betrokken overheidsorganisaties.
De leden van de CDA-fractie lezen dat het kabinet inzet op een steviger toezichtstelsel
en meer waarborgen vooraf. Deze leden vragen welke minimale eisen het kabinet noodzakelijk
acht om de cybersecurity en veiligheid van de Europese Business Wallet voldoende te
borgen.
Tot slot lezen zij dat het gebruik van de Europese Business Wallet voor bedrijven
vrijwillig blijft, terwijl publieke instanties deze wel moeten accepteren. Deze leden
vragen hoe het kabinet borgt dat deze vrijwilligheid in de praktijk behouden blijft,
en hoe het kabinet de voorgestelde implementatietermijnen beoordeelt gelet op de benodigde
aanpassingen in toezicht, ICT-systemen en publieke dienstverlening.
Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie
De leden van de JA21-fractie besteden graag aandacht aan de voorgestelde wijzigingen
die zijn opgenomen in de Digitale Omnibus Verordening, allereerst ten aanzien van
het verruimen van het begrip «gerechtvaardigd belang» bij AI-ontwikkeling. Dit begrip
is nader uitgewerkt in artikel 6 van de AVG. Er moet in het kader van rechtszekerheid
immers sprake zijn van een gerechtvaardigd belang om persoonsgegevens te verwerken.
Deze leden vragen echter of een verruiming van dit begrip in dit kader wenselijk is.
Het is lastig om te veronderstellen dat rondom AI-ontwikkeling altijd sprake is van
een gerechtvaardigd belang. Ook is onduidelijk wie of welke instantie dit zal toetsen,
aangezien toezicht vaak gebeurt nadat de verwerking al heeft plaatsgevonden. AI-ontwikkeling
kan voor kleinere bedrijven bovendien nadelig zijn aangezien enkel grote bedrijven
grootschalig gebruik kunnen maken van data. Zij hebben de volgende vragen: hoe zet
het kabinet zich in EU-verband in om te voorkomen dat AI-ontwikkeling een containerbegrip
wordt waarmee vrijwel elke verwerking kan worden gerechtvaardigd? Kan het kabinet
verduidelijken hoe in de praktijk getoetst zal worden of het gerechtvaardigd belang
van de ontwikkelaar zwaarder weegt dan dat van de burger? Kan het kabinet toelichten
hoe voorkomen wordt dat er een ongelijk speelveld ontstaat tussen grote techbedrijven
en mkb? En hoe verhoudt de verruiming van het begrip «gerechtvaardigd belang» zich
tot het doelbindingsbeginsel in het kader van AI-training?
De leden van de JA21-fractie hebben tevens kennisgenomen van een tweede wijziging
die is voorgesteld, die betrekking heeft op het instellen van meerdere uitzonderingen
op het verbod op verwerking (artikel 9 AVG). Kan het kabinet toelichten welke waarborgen
worden gesteld om te voorkomen dat een uitzondering voor AI-training leidt tot een
zeer brede verwerking van bijzondere persoonsgegevens?
In de onderhandelingen wordt tevens gesproken over een mogelijkheid om bijzondere
categorieën van persoonsgegevens te verwerken voor het detecteren en corrigeren van
bias in AI-systemen. Deze leden van erkennen het belang van het voorkomen van discriminatie
door AI, maar vragen hoe wordt voorkomen dat deze bevoegdheid leidt tot een structurele
verwerking of opslag van gevoelige persoonsgegevens. Kan het kabinet toelichten welke
concrete waarborgen worden voorzien om te verzekeren dat deze gegevens uitsluitend
worden gebruikt wanneer dat strikt noodzakelijk is?
Zij willen graag onder de aandacht brengen dat naar hun mening niet enkel binnen de
DSA, maar ook binnen de AI-Verordening sprake is van te brede regelgeving. Aangezien
bij de AI-Verordening een zeer ruime definitie van AI-systemen wordt gehanteerd, vallen
ook AI-systemen die weinig met AI van doen hebben hieronder.
De leden van de JA21-fractie wensen ook stil te staan bij artikel 3 van de AI-Verordening.
Dit artikel betreft de introductie van de categorie Small Mid-Caps. De voorgestelde
verruiming naar ondernemingen met minder dan 750 werknemers en een omzet tot € 150 miljoen
betekent een aanzienlijke uitbreiding ten opzichte van de eerdere definitie. Het gaat
hier om bedrijven die beduidend groter zijn dan het traditionele mkb, maar die wel
vergelijkbare privileges krijgen, zoals vereenvoudiging van technische documentatie.
Dat roept de vraag op of hiermee het gelijke speelveld niet onder druk komt te staan.
Kleinere bedrijven beschikken immers over minder middelen, terwijl grotere ondernemingen
binnen deze nieuwe categorie mogelijk profiteren van dezelfde lastenverlichting.
Deze leden willen eveneens aandacht besteden aan artikel 4 over AI-geletterdheid.
Waar eerder sprake was van een bindende verplichting voor aanbieders en gebruikers
om te zorgen voor voldoende AI-vaardigheden bij personeel, wordt dit nu afgezwakt
naar een inspanningsverplichting voor lidstaten om dit te «stimuleren». Dat verlaagt
de administratieve lasten, maar brengt ook risico’s met zich mee. Personeel kan minder
goed voorbereid zijn op de inzet en de risico’s van AI. Dat raakt niet alleen de kwaliteit
en veiligheid, maar ook de concurrentieverhoudingen. Bedrijven die investeren in AI-vaardigheden
maken kosten die anderen mogelijk niet maken, aldus deze leden.
De leden van de JA21-fractie hebben verder een aantal vragen: Kan het kabinet toelichten
in hoeverre deze verruiming kan leiden tot concurrentie ten opzichte van kleinere
mkb-bedrijven? Is er inmiddels een kabinetsstandpunt ingenomen over de proportionaliteit
van deze voordelen voor Small Mid-Caps? Zo ja, hoe luidt dat standpunt? En zo nee,
wanneer kan de Kamer hierover duidelijkheid verwachten? Kan het kabinet eveneens toelichten
hoe beoordeeld gaat worden welke systemen daadwerkelijk onder de brede definitie van
AI in de AI-verordening vallen? Welke maatregelen worden genomen om te voorkomen dat
beperkt AI-gerelateerde systemen onnodig zwaar gereguleerd worden? Kan het kabinet
verder verduidelijken welke concrete verplichtingen voor organisaties voortvloeien
uit de bepalingen over AI-geletterdheid, en hoe wordt voorkomen dat deze verplichtingen
leiden tot extra administratieve lasten voor mkb-bedrijven? Kan het kabinet toelichten
hoe toezichthouders het niveau van AI-geletterdheid gaan monitoren nu dit geen bindende
verplichting meer is? Hoe wordt voorkomen dat verschillen in investeringen in AI-vaardigheden
leiden tot oneerlijke concurrentie tussen bedrijven? Tot slot, acht het kabinet het
wenselijk dat er op Europees niveau minimale normen of richtsnoeren komen om een gelijk
speelveld te waarborgen?
Deze leden stellen graag enkele vragen over de herziening van de Cybersecurity Act
(CSA).
De nieuwe voorstellen hebben namelijk tot gevolg dat lidstaten minder autonomie krijgen
om zelf af te wegen welke veiligheidsmaatregelen nodig zijn. Nederlandse bedrijven
dreigen zo met meer verplichtingen en hogere kosten geconfronteerd te worden. De Europese
Commissie wil een centrale aanpak hanteren, aangezien zij cyberdreigingen als grensoverschrijdend
probleem ziet. Kan het kabinet toelichten hoe wordt gewaarborgd dat lidstaten zoals
Nederland hun eigen veiligheidsafwegingen kunnen blijven maken, zonder dat de digitale
autonomie en innovatie van Nederlandse bedrijven wordt beperkt?
De leden van de JA21-fractie willen ten slotte de rechtsgevolgen van de Europese Business
Wallet (EBW) onder de aandacht brengen. Deze leden maken zich zorgen over de mogelijke
juridische uitwassen. De EBW zal worden gebruikt bij rechtshandelingen met soms zeer
ingrijpende rechtsgevolgen. Het is dan ook van belang om duidelijk in kaart te brengen
hoe het onboardingsproces wordt ingericht. Juist in deze fase wordt namelijk vastgelegd
welke onderneming toegang krijgt tot de wallet en welke bevoegdheden daaraan zijn
gekoppeld. Kan het kabinet toelichten welke waarborgen worden voorzien in het onboardingsproces
van de EBW om te voorkomen dat onjuiste of onbevoegde entiteiten toegang krijgen tot
de wallet, en hoe wordt omgegaan met aansprakelijkheid indien hier toch fouten optreden?
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de
informele Telecomraad. Deze leden hebben hiertoe nog enkele vragen en opmerkingen.
Zij onderschrijven het belang van Europese samenwerking op het gebied van AI, met
name waar het gaat om het versterken van het verdienvermogen en de strategische autonomie
van Europa. Tegelijkertijd vinden de leden van de BBB-fractie dat ambities alleen
waarde hebben als ze worden omgezet in concrete investeringen en duidelijke keuzes,
juist ook in Nederland.
Deze leden hebben daarom de volgende vragen: Wat is de verwachting van de Staatssecretaris
ten aanzien van de groeiende vraag naar rekencapaciteit in Nederland en Europa? Ziet
zij in Europees verband schaarste ontstaan, zowel op kortere als op langere termijn?
Ook vragen zij hoe de Staatssecretaris zal waarborgen dat deze AI-infrastructuur en
de bijbehorende subsidies daadwerkelijk terechtkomen bij innovatieve Nederlandse mkb-bedrijven
en niet enkel ten goede komen aan «Big Tech» bedrijven uit het buitenland of grote
academische clusters in de Randstad. In hoeverre is de Staatssecretaris bereid om
bij deze projecten de Nederlandse cybersecuritybedrijven voorrang te geven boven buitenlandse
cloudleveranciers, om onze digitale soevereiniteit echt te borgen?
Ten aanzien van de bescherming van minderjarigen online steunen de leden van de BBB-fractie
het uitgangspunt dat kinderen beschermd moeten worden in de digitale wereld. Dit is
een gedeelde verantwoordelijkheid met ouders. Tegelijkertijd achten deze leden het
van groot belang dat maatregelen uitvoerbaar en proportioneel zijn. De Staatssecretaris
stelt dat leeftijdsverificatie nodig kan zijn om kinderen beter te beschermen op sociale
media. Tegelijkertijd betekent effectieve leeftijdsverificatie in de praktijk dat
alle gebruikers zich moeten identificeren om hun leeftijd te bewijzen. Deze leden
hebben hierover de volgende vragen: Hoe voorkomt de Staatssecretaris dat leeftijdsverificatie
leidt tot onnodige inbreuken op privacy of tot praktische problemen voor gebruikers
en aanbieders, en welke inzet kiest Nederland hierin richting de Europese Commissie?
Hoe voorkomt de Staatssecretaris dat hierdoor feitelijk een algemene identificatieplicht
op internet ontstaat, waarbij ook volwassenen hun identiteit moeten prijsgeven om
gebruik te maken van online diensten, met alle risico’s voor privacy en dataveiligheid
van dien? Kan de Staatssecretaris garanderen dat leeftijdsverificatie niet leidt tot
centrale registratie of monitoring van het surfgedrag van burgers?
Deze leden constateren verder dat de Europese Business Wallet grensoverschrijdend
zakendoen makkelijker moet maken, maar de financiële impact voor medeoverheden baart
deze leden zorgen.
De Europese Commissie schat de opstartkosten per overheidsinstantie op circa € 76.500,
maar het kabinet verwacht dat de werkelijke kosten veel hoger zullen uitvallen. Waarom
stemt Nederland in met een verplichte acceptatie voor publieke instanties (waaronder
gemeenten en provincies) zonder dat er een harde garantie is dat het Rijk deze kosten
volledig dekt? Hoe wordt voorkomen dat de verplichte acceptatie van de Business Wallet
bij lokale overheden leidt tot de sluiting van fysieke loketten of papieren alternatieven,
wat de toegankelijkheid van de overheid voor minder digitaal vaardige ondernemers
in de regio ondermijnt?
Het kabinet uit in de verslagen grote zorgen over een centraal Europees meldpunt voor
cybersecurity-incidenten. Waarom wordt er op Europees niveau überhaupt nog onderhandeld
over de centralisatie van incidentmeldingen (zoals in geval van de NIS2- en CER-richtlijn),
terwijl dit een evident risico vormt voor de nationale veiligheid en de soevereiniteit
van lidstaten over hun eigen vitale infrastructuur?
Tot slot constateren de leden van de BBB-fractie dat uit de verslaglegging van de
laatste Raad voor Concurrentievermogen blijkt dat de Nederlandse inzet rondom de Digital
Fairness Act (DFA) vragen oproept. Deze leden signaleren een ogenschijnlijke tegenstrijdigheid
in de Nederlandse non-paper, waarin enerzijds wordt ingezet op handhaving en vereenvoudiging
van bestaande regels, terwijl anderzijds wordt gepleit voor nieuwe regelgeving. Dit
lijkt bovendien af te wijken van de door de Kamer aangenomen moties die juist inzetten
op handhaving en versimpeling. Zij hebben hierover de volgende vragen: Kan de Staatssecretaris
toelichten waarom zij in de praktijk met de non-paper over de DFA inzet op nieuwe
regelgeving, terwijl de Kamer zich expliciet heeft uitgesproken voor handhaving en
vereenvoudiging van bestaande regels? Op welke wijze geeft de Staatssecretaris met
deze inzet uitvoering aan de aangenomen moties (bijvoorbeeld de motie Vermeer/Martens-America,
Kamerstuk 21 501-30-645) die oproepen tot vereenvoudiging en consolidatie van het bestaande digitale regelgevingskader,
en hoe wordt geborgd dat de politieke richting van de Kamer hierin leidend blijft?
Kan de Staatssecretaris garanderen dat de voorgestelde wijzigingen in de Digitale
Omnibus niet slechts leiden tot een technische herschikking van regels, maar tot daadwerkelijke
schrapping van regels die de productiviteit van mkb-ondernemers remmen? Tot slot vragen
deze leden waarom er wordt ingestemd met fundamentele wijzigingen in de AVG (zoals
het toestaan van AI-training op bijzondere persoonsgegevens zonder expliciete toestemming),
terwijl het kabinet zelf erkent dat er geen bewezen bijdrage is aan het verlagen van
de regeldruk? Is dit niet het paard achter de wagen spannen ten koste van de privacy?
III Antwoord/reactie van de bewindspersoon
Inleiding
Hierbij sturen wij uw Kamer de antwoorden op de vragen van de vaste commissie Digitale
Zaken over de informele Telecomraad op 29 en 30 april in Lefkosia, Cyprus.
Daarnaast deelt de Staatssecretaris van Digitale Economie en Soevereiniteit, mede
namens de Minister van Economische Zaken en Klimaat, conform EU-informatieafspraken,
twee non-papers met uw Kamer inzake (i) het EU-pakket voor technologische soevereiniteit
en (ii) de EU-kwantumwet.
T.a.v. het voorstel voor de EU-verordening Digitale Omnibus inzake AI COM (2025) 836
1.
Kan het kabinet de Europese Commissie verzoeken om een inschatting van de termijn
die nodig is voor het opstellen van geharmoniseerde standaarden bij de belangrijkste
verplichtingen voor hoog-risico AI-systemen, om te bezien of eerdere inwerkingtreding
voor enkele of meerdere bepalingen (zoals over transparantie) alsnog mogelijk is?
Antwoord
De Commissie heeft de European Committee for Standardization (CEN) en de European
Electrotechnical Committee for Standardization (CENELEC) verzocht geharmoniseerde
normen te ontwikkelen ter ondersteuning van de AI-verordening. Zij doen dit binnen
de Joint Technical Committee on AI (JTC 21), waar experts aan normen werken voor hoog-risico
AI-systemen, met als doel oplevering eind 2026. De Commissie, waaronder het AI Office,
is hierbij nauw betrokken en toetst de conceptnormen aan de vereisten van de verordening.
De Commissie heeft goed zicht op de benodigde doorlooptijd en communiceert hier actief
over richting de lidstaten. Tegelijkertijd is het opstellen van deze normen complex,
onder meer door de brede multisectorale reikwijdte en de integratie van fundamentele
rechten in technische normen. Daardoor acht het kabinet het niet nodig om de Commissie
expliciet een inschatting van de termijn te vragen.
Omdat de geharmoniseerde normen als één samenhangend pakket worden ontwikkeld, is
het naar verwachting onpraktisch om de inwerkingtreding van afzonderlijke bepalingen
naar voren te halen op basis van een eerder afgeronde deelstandaard, terwijl dit slechts
beperkte tijdswinst oplevert.
Het kabinet blijft de voortgang van het standaardisatieproces nauwgezet volgen om
verdere vertraging te voorkomen.
2.
Het kabinet toelichten wat de noodzaak is van het verruimen van de uitzondering voor
legacy-systemen, waardoor ook hoog-risico AI-systemen die in de handel worden gebracht
tussen de oude en de nieuwe inwerkingtredingsdata, (met uitzondering van de verboden
praktijken) nooit aan de regels uit de AI-verordening hoeven te voldoen, tenzij zij
aanzienlijke wijzigingen in hun systeem ondergaan?
Antwoord
In de AI-verordening is in artikel 111, tweede lid, vastgelegd dat de eisen enkel
van toepassing worden voor aanbieders van AI-systemen met een hoog risico die vanaf
de datum dat de bepalingen van hoofdstuk III van toepassing worden, in de handel worden
gebracht. Met de omnibus worden deze bepalingen van hoofdstuk III pas later van toepassing.
Dan is het ook logisch dat systemen die voor de nieuwe datum op de markt komen, niet
aan die vereisten hoeven te voldoen. En met de snelle ontwikkeling van AI, mag ook
worden verwacht dat systemen binnen afzienbare tijd ofwel uit de handel worden genomen,
ofwel dat ze significante wijzigingen ondergaan en alsnog moeten voldoen aan de vereisten
van de verordening. Voor AI-systemen met een hoog risico, die bedoeld zijn om door
overheidsorganisaties te worden gebruikt, geldt dat deze vanaf 2 augustus 2030 alsnog
zullen moeten voldoen. Dat betreft dan een aantal belangrijke toepassingsgebieden
van bijlage III. Voor AI-systemen voor algemene toepassingen (general purpose AI-systems)
die op de markt zijn gebracht vóór 2 augustus 2026, de datum waarop de AI-verordening
grotendeels van toepassing werd, geldt dat binnen een in de omnibus te bepalen termijn,
moeten worden voldaan aan de vereisten van de verordening.
3.
Kan het kabinet toelichten welke verantwoordelijkheden en verplichtingen aanbieders
en gebruikers precies zullen behouden volgens het raadscompromis en of daarmee het
advies van de EDPB wordt opgevolgd om de inspanningsverplichting voor AI-geletterdheid
zoals die nu geldt, te handhaven naast het voorstel uit de Omnibus AI?
Antwoord
In de Raadscompromistekst wordt de huidige algemene verplichting voor aanbieders en
gebruiksverantwoordelijken, om zelf te zorgen voor een toereikend niveau van AI-geletterdheid,
vervangen door een systeem waarin de Commissie en de lidstaten hen daartoe aanmoedigen.
Daarbij krijgt de AI Board een ondersteunende rol via aanbevelingen en niet-bindende
gemeenschappelijke doelstellingen. Voor hoog-risico-AI blijven wel specifieke verplichtingen
gelden op het gebied van training en competentie. Daarmee wordt het advies van de
EDPB niet volledig gevolgd, omdat de EDPB heeft aanbevolen de huidige inspanningsverplichting
voor aanbieders en gebruiksverantwoordelijken te behouden naast de rol voor de Commissie
en de lidstaten in het bevorderen van AI-geletterdheid bij organisaties.
4.
Is het kabinet bereid om de Europese Commissie te verzoeken toe te lichten wat het
effect is van de afzonderlijke regels voor SMEs en SMCs op grondrechtenbescherming
voor burgers en waarom deze regels afwijken van de insteek van risico-gebaseerd toezicht
in de AI-verordening?
Antwoord
Net als voor mkb-bedrijven, kunnen de administratieve lasten van het voldoen aan verschillende
stukken regelgeving voor Small Mid-Caps zwaar wegen. Om te voorkomen dat mkb-bedrijven
tegen een administratieve drempel oplopen op het moment dat zij doorgroeien naar een
Small-Mid Caps, is er in de Omnibus AI voor gekozen om aantal administratieve lasten
te versoepelen. Dit gaat onder andere om een versimpelde versie van de technische
documentatie en het kwaliteitsmanagementsysteem. Dit zorgt ervoor dat mkb-bedrijven
makkelijker kunnen doorgroeien. Daarnaast zien de versoepelingen voor mkb-bedrijven
en Small Mid-Caps alleen op een aantal administratieve lasten, maar niet op de kernverplichting
uit de verordening zoals risicomanagement, databeheer en menselijk toezicht. De inschatting
van het kabinet is dat het effect op de grondrechtenbescherming voor burgers daarom
zeer beperkt is en gezien de hiervoor genoemde voordelen voor mkb-bedrijven en Small
Mid-Caps ziet het kabinet de afzonderlijke regels als proportioneel.
5.
Is het kabinet zich ervan bewust dat de bevoegdheden van de nationale toezichthouders
en de EDPB bij AI-testomgevingen op EU-niveau, en van mensenrechtenautoriteiten bij
informatieverzoeken aan aanbieders of gebruikers van AI-systemen, nog verduidelijking
behoeven in het licht van het bevorderen van de rechtszekerheid en de bescherming
van grondrechten?
Antwoord
De nationale markttoezichthouders moeten, en de EDPS kan, op basis van de oorspronkelijke
tekst van de AI-verordening binnen hun mandaat een AI-testomgeving voor regelgeving
(regulatory sandbox) oprichten en aanbieden. In de Raadstekst van de Omnibus AI krijgt het Europese AI
bureau ook de mogelijkheid om regulatory sandbox op te richten voor AI-systemen waarvoor
zij bevoegd is om toezicht op te houden, zoals AI-systemen die gebaseerd zijn op een
AI-model voor algemene doeleinden, waarbij het model en het systeem door dezelfde
aanbieder worden ontwikkeld. In de Raadstekst van de Omnibus AI is expliciet opgenomen
dat deze EU sandbox geen afbreuk mag doen aan de bevoegdheden van lidstaten (en dus
de bevoegde markttoezichthouders) om regulatory sandboxes binnen hun competenties
op te richten. De bevoegdheden van de nationale markttoezichthouders voor hun eigen
regulatory sandboxes worden nog verder uitgewerkt in uitvoeringshandelingen van de
Commissie en in nationale uitvoeringswetgeving.
Het kabinet is daarnaast niet bekend met de wens om de bevoegdheden van mensenrechtenautoriteiten
bij informatieverzoeken aan aanbieders of gebruikers van AI-systemen nog verder te
verduidelijken in het licht van het bevorderen van de rechtszekerheid en de bescherming
van grondrechten. In de Raadstekst zelf wordt de bevoegdheid van deze autoriteiten
tot het doen van informatieverzoeken onder de AI-verordening aangepast, zodanig dat
deze slechts nog gericht kunnen worden aan de markttoezichtautoriteiten, niet direct
aan aanbieders of gebruikers van AI-systemen. Van informatieverzoeken onder de AI-verordening
door mensenrechtenautoriteiten aan aanbieders of gebruikers, is dus in de Raadstekst
geen sprake. De tekst maakt vervolgens expliciet duidelijk dat eventuele andere bevoegdheden
die deze organisaties bezitten buiten de AI-verordening om, onaangetast blijven en
daarmee dus buiten de reikwijdte van het onderhavige tekstvoorstel vallen.
6.
Kan het kabinet de Europese Commissie verzoeken om, vanwege het ontbreken van een
impact assessment, een nadere motivering te geven van de noodzaak en proportionaliteit
van de voorgestelde wijzigingen van de AI-verordening uit onderdelen A tot en met
D van dit advies? Kan in deze nadere motivering in ieder geval worden ingegaan op
de verwachte impact op grondrechten, waaraan volgens de richtsnoeren van de Europese
Commissie in een impact assessment bijzondere aandacht zou zijn besteed?
Antwoord
Voor de omnibussen presenteert de Commissie in het algemeen geen impactassessments,
omdat het gaat om urgente aanpassingen van politiek belang, die te veel vertraging
zouden oplopen als er een volledig impactassessment moet worden uitgevoerd. De analyse
en onderbouwing van de voorstellen wordt middels een Staff Working Document (SWD)
gedeeld. Voor onderdelen van de voorstellen die verdergaan dan het versimpelen, verduidelijken
en stroomlijnen van wetgeving, maakt het ontbreken van een impactassessment het moeilijk
voor het kabinet om de effecten te beoordelen. Het kabinet heeft de Commissie daarom
verzocht een uitgebreidere analyse van de impact van deze voorstellen te presenteren.
In het vervolg van de onderhandelingen over de digitale omnibus zal het kabinet hierop
blijven aandringen. Ook brengt het kabinet zelf de gevolgen van de voorstellen verder
in kaart. Een formeel impactassessment is overigens niet de enige manier om deze inzet
te bewerkstelligen. Zo heeft het kabinet aangegeven dat het advies van de EDPS en
het EDPB, dat 10 februari is vastgesteld, moet worden betrokken bij de bespreking
van dit voorstel. Het advies van de EDPB en EDPS is op voorspraak van Nederland gepresenteerd
in de AGS. Door het overnemen van de conclusies van dit advies worden de meeste zorgen
van het kabinet geadresseerd.
T.a.v. het voorstel voor EU-verordening Digitale Omnibus COM (2025) 837
7.
Is het kabinet bereid de Europese Commissie vragen om een nadere motivering van de
noodzaak en proportionaliteit van de onderdelen van de Digitale Omnibus die zien op
het wijzigen van de AVG, gezien het ontbreken van een impact assessment? Kan hierbij
in ieder geval nader worden ingaan op twee deelonderwerpen waaraan volgens de richtsnoeren
van de Europese Commissie in een impact assessment bijzondere aandacht zou zijn besteed?
Dit zijn de verwachte gevolgen voor MKB’ers (in het bijzonder ten aanzien van het
beoogde doel om meer rechtszekerheid te bieden) en de verwachte impact op grondrechten
(in het bijzonder ten aanzien van het recht op bescherming van persoonsgegevens).
Antwoord
Ja. Nederland heeft de Commissie reeds verzocht een uitgebreide analyse van de impact
van deze voorstellen te presenteren, bijvoorbeeld waar het gaat om de effecten op
regeldruk, rechtszekerheid en rechtsbescherming. Daarnaast heeft Nederland de EC reeds
meermaals in algemene zin, maar ook met betrekking tot specifieke wijzigingsvoorstellen
van de AVG, gevraagd de proportionaliteit en noodzaak nader te onderbouwen. Zie hiervoor
ook het antwoord op de vraag van de leden van de D66-fractie over de omnibus.
8.
Is het kabinet bereid om de Europese Commissie te verzoeken om een onderbouwing van
de noodzaak en proportionaliteit van de voorgestelde definitiewijziging van persoonsgegevens
in het licht van het recht op bescherming van persoonsgegevens en hierbij ook aandacht
te geven aan de doorwerking van deze definitiewijziging in de publieke sector en in
andere Europese regelgeving op basis waarvan persoonsgegevens worden verwerkt?
Antwoord
Het kabinet zet erop in de voorstellen die verdergaan dan versimpeling te behandelen
op een wijze die recht doet aan de potentiële impact en de zorgpunten. Nederland heeft
de Commissie reeds verzocht de noodzaak en proportionaliteit van de voorgestelde definitiewijziging
te onderbouwen. Het kabinet ziet dat deze nieuw voorgestelde definitie vragen oproept
en dat de gevolgen hiervan niet direct duidelijk zijn. Volgens de Commissie zou de
wijziging een codificatie van de jurisprudentie betreffen, maar op basis van de analyse
van het kabinet gaat het voorstel verder dan een codificatie. Het voorstel lijkt namelijk
een wijziging aan te brengen ten opzichte van een overweging van het Hof van Justitie
van de Europese Unie over de vraag of gepseudonimiseerde gegevens ook in meerdere
schakels van een keten als persoonsgegevens moeten worden beschouwd.13 Sommige elementen uit de jurisprudentie lijken in de voorgestelde definitie te ontbreken,
zoals het feit dat de specifieke entiteit die de gegevens verwerkt, via derde partijen
toegang kan verkrijgen tot identificatiemiddelen, ook een relevant criterium is voor
de vraag of sprake is van persoonsgegevens (voor die entiteit).14 In Nederlandse rechtspraak wordt dit criterium zo uitgelegd dat bepalend is welke
middelen de ontvanger feitelijk ter beschikking heeft om gegevens te herleiden tot
individuen.15
Verder noemt de voorgestelde definitie niet het criterium of de ontvanger in staat
is de pseudonimisering ongedaan te maken.16 Het kabinet heeft de Commissie daarom gevraagd de door haar voorgestelde wijzigingen
te verduidelijken, nader toe te lichten en de effecten te beoordelen.
Daarnaast waarschuwen de EDPB en EDPS in hun advies van 10 februari jl. uitdrukkelijk
voor de voorgestelde wijzigingen in de definitie van persoonsgegevens, aangezien deze
wijzigingen veel verder gaan dan een gerichte of technische wijziging van de AVG.
Bovendien weerspiegelen de voorstellen volgens de EDPB en EDPS niet nauwkeurig de
jurisprudentie en gaan zij duidelijk verder en zouden zij leiden tot een aanzienlijke
beperking in de reikwijdte van het begrip persoonsgegeven, en aldus van de reikwijdte
van de AVG. De door de Commissie gedane voorstel tot wijziging van het begrip persoonsgegevens,
zou rechtsonzekerheid over het toepassingsbereik van de AVG bij organisaties in de
hand kunnen werken.
Meerdere lidstaten lijken kritisch te zijn op de door de Commissie voorgestelde wijzigingen
van het begrip persoonsgegevens. Nederland heeft voorgesteld om de voorgestelde wijziging
van de definitie van persoonsgegevens te schrappen, zoals beschreven in het non-paper
dat op 8 april jl. met de Kamer gedeeld is.
9.
Is het kabinet bereid om de Europese Commissie te verzoeken om, in aanvulling op de
jurisprudentie waarop de voorgestelde definitiewijziging is gebaseerd, ook in te gaan
op andere relevante Europese jurisprudentie waarin uitleg wordt gegeven aan de definitie
van persoonsgegevens.
Antwoord
Verwezen wordt naar het antwoord op vraag 8.
10.
Is het kabinet bereid om de Europese Commissie te verzoeken om een nadere motivering
waarom een uitvoeringshandeling over het pseudonimiseren van persoonsgegevens in dit
geval het passende instrument wordt geacht in het licht van artikel 291 van het Verdrag
betreffende de Werking van de EU? Kan de Europese Commissie daarbij ingaan op de mogelijke
impact van deze uitvoeringshandeling op het toepassingsbereik van de AVG? Kan het
kabinet ook om een verduidelijking vragen van de beoogde praktische impact van de
uitvoeringshandeling over het pseudonimiseren van persoonsgegevens, nu ook andere
elementen hierbij volgens het voorstel een rol spelen?
Antwoord
Nederland heeft meermaals kritische vragen gesteld over de voorgestelde wijziging
die betrekking heeft op uitvoeringshandelingen die de Commissie met betrekking tot
pseudonimiseren wil kunnen gaan uitvaardigen. Voor de Nederlandse inzet is van belang
dat fundamentele rechten volgens jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU
niet kunnen worden beperkt door middel van uitvoeringshandelingen.17 Het voorgestelde artikel 41a AVG lijkt een beperking van rechten via uitvoeringshandelingen
voor te stellen, nu de uitvoeringshandelingen verband zouden houden met de definitie
van persoonsgegevens en aldus feitelijk het toepassingsbereik van de AVG zouden bepalen.
De Nederlandse inzet is er op gericht deze voorgestelde bepaling te schrappen.
11.
Is het kabinet bereid om de Europese Commissie te verzoeken om een nadere onderbouwing
van de noodzaak en proportionaliteit van het voorstel voor een aanvullende grondslag
voor de verwerking van persoonsgegevens voor AI op basis van een gerechtvaardigd belang?
Kan de Europese Commissie, met het oog op de rechtszekerheid voor ondernemers, daarbij
ook ingaan op de verhouding van deze aanvullende grondslag tot de bestaande vereisten
in de AVG voor het verwerken van persoonsgegevens op basis van een gerechtvaardigd
belang?
Antwoord
Ja. Nederland heeft reeds verschillende vragen aan de Europese Commissie gesteld over
de aanvullende grondslag voor de verwerking van persoonsgegevens voor AI op basis
van een gerechtvaardigd belang. Daarbij heeft Nederland aandacht gevraagd voor de
onderbouwing van de noodzaak en proportionaliteit van de verschillende wijzigingsvoorstellen.
Volgens de AVG dient een verwerkingsverantwoordelijke een belangenafweging te maken
tussen hun eigen belangen en de rechten van de betrokkene om te beoordelen of de grondslag
inzake een gerechtvaardigd belang passend is. Daarbij gelden voorwaarden die zijn
uitgewerkt in richtsnoeren van de EDPS en EDPB.18 De geldende vereisten voor gerechtvaardigd belang gelden – in lijn met het uitgangspunt
van technologie neutraliteit in de AVG – onverkort voor AI. Het voorstel van de Commissie
roept de vraag op of voor gebruik van de grondslag gerechtvaardigd belang bij het
verwerken van persoonsgegevens ten behoeve van AI bijzondere, afwijkende, voorwaarden
gelden. Dit draagt niet bij aan de rechtszekerheid die met de Omnibus wordt beoogd.
Nederland heeft daarom voorgesteld dit artikel te schrappen, zoals beschreven in het
non-paper dat op 8 april jl. met de Kamer gedeeld is.
12.
Kan het kabinet een nadere uitleg geven van de beoogde praktische toepassing van het
voorgestelde onvoorwaardelijke recht op bezwaar voor burgers, met inbegrip van de
manier waarop burgers worden geïnformeerd over de verwerking van hun persoonsgegevens
zodat zij daadwerkelijk gebruik kunnen maken van dit recht?
Antwoord
In de voorgestelde wijziging is opgenomen dat betrokkenen recht hebben op meer transparantie
en een onvoorwaardelijk recht van bezwaar indien hun persoonsgegevens worden verwerkt
in het kader van de ontwikkeling en exploitatie van AI op basis van de grondslag gerechtvaardigd
belang. Nederland heeft uitleg aan de Commissie gevraagd over wat onder dit onvoorwaardelijke
recht van bezwaar en dit recht op meer transparantie moet worden verstaan.
13.
Is het kabinet bereid om de Europese Commissie te verzoeken om een nadere motivering
van de noodzaak en proportionaliteit van de voorgestelde nieuwe grondslag voor het
verwerken van bijzondere persoonsgegevens voor de ontwikkeling en exploitatie van
AI-systemen, en daarbij in het bijzonder in te gaan op de vraag hoe het recht op bescherming
van persoonsgegevens van burgers in het voorstel is meegewogen? En kan de Europese
Commissie hierbij ingaan op het advies van de European Data Protection Board om het
voorstel op een aantal punten te verduidelijken en aan te scherpen?
Antwoord
Ja. Zoals ook in de beantwoording van andere vragen is benadrukt, zijn de noodzaak
en proportionaliteit van de voorgestelde wijzigingen voor het kabinet van essentieel
belang. Nederland heeft de Commissie dan ook reeds meermaals in algemene zin, maar
ook met betrekking tot specifieke wijzigingsvoorstellen, gevraagd de noodzaak en proportionaliteit
nader te onderbouwen.
Meer specifiek met betrekking tot de uitzondering op het verwerkingsverbod voor bijzondere
persoonsgegevens, ziet het kabinet dat bijzondere persoonsgegevens aanvullende bescherming
verdienen wegens het gevoelige karakter van deze gegevens. Het gaat immers om gegevens
die betrekking hebben op zeer gevoelige categorieën gegevens zoals ras, religie of
seksuele geaardheid. De AVG biedt deze bescherming, onafhankelijk van de gebruikte
technologie, door de verwerking van bijzondere persoonsgegevens te verbieden, tenzij
voldaan wordt aan strikte voorwaarden. Specifiek over de uitzondering voor residuele
gegevens, volgt het kabinet overigens niet de opinie van de EDPS/EDPB. Volgens de
EDPS/EDPB zou het bij het verzamelen voor het trainen, testen en valideren van gegevens
voor bepaalde AI systemen of modellen, niet altijd mogelijk zijn voor een verwerkingsverantwoordelijke
om residuele en incidentele verwerking van bijzondere persoonsgegevens te voorkomen.
De EDPS/EDPB richten zich daarom in hun opinie op het verduidelijken van de voorgestelde
bepaling, ten behoeve van rechtszekerheid. Het kabinet maakt een andere afweging,
in lijn met het uitgangspunt in de AVG dat de door de AVG geboden bescherming technologieneutraal
behoort te zijn. De bescherming van natuurlijke personen dient niet afhankelijk te
worden gesteld van de gebruikte technologieën, om te voorkomen dat een ernstig risico
op omzeiling zou ontstaan. Bovendien is technologie-neutrale regelgeving in de regel
toekomstbestendiger, doordat de wetgeving zich kan aanpassen aan veranderingen in
technologie en de gevolgen daarvan in de loop der tijd, in plaats van gebonden te
zijn aan (aannames) over specifieke, mogelijk verouderde, technologieën. Gelet op
het voorgaande heeft het kabinet voorgesteld om deze bepaling te schrappen.
14.
Is het kabinet bereid om de Europese Commissie te verzoeken inzicht te geven in hoeverre
er in de praktijk sprake is van misbruik van het inzagerecht waardoor wijziging noodzakelijk
is. En om te vragen om een reflectie op de verwachte impact van de beperking van het
inzagerecht op de uitoefening van andere fundamentele rechten en vrijheden, zoals
het gebruik van het inzagerecht voor journalistieke doeleinden?
Antwoord
Ja. Het kabinet deelt de zorgen over de noodzakelijkheid en de impact van deze wijziging
op het inzagerecht en heeft reeds vragen gesteld aan de Commissie. Nederland vreest
dat de wijziging van artikel 12(5) het recht op informatie ernstig beperkt door «misbruik»
te definiëren als het gebruik van het recht op informatie «voor andere doeleinden
dan de bescherming van hun gegevens». Nederland vreest dat deze beperking van het
recht op informatie niet alleen gevolgen heeft voor het recht op gegevensbescherming,
maar in bredere zin ook voor de bescherming van vele andere fundamentele rechten,
met name artikel 8(2) van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Daarnaast
vreest Nederland dat de voorgestelde wijziging tot rechtsonzekerheid kan leiden over
de vraag of het verzoek om toegang al dan niet de rechten van de AVG dient, aangezien
het onduidelijk is hoe de betrokkene dit kan aantonen. Dit zou kunnen leiden tot meer
klachten bij toezichthoudende autoriteiten en meer civiele procedures. Nederland heeft
daarom voorgesteld deze bepaling te schrappen. Een alternatief zou kunnen zijn dat
het Europees Comité voor gegevensbescherming (EDPB) richtlijnen over dit onderwerp
ontwikkelt.
15.
Kan het kabinet de voorgestelde wijziging van het recht op informatie verduidelijken,
met het oog op de rechtszekerheid (met name voor MKB’ers) Kan het kabinet inzicht
geven in de verwachte cumulatieve impact van de voorgestelde wijziging van het inzagerecht
en het recht op informatie op het recht op bescherming van persoonsgegevens van burgers?
Antwoord
Het kabinet deelt de zorgen met betrekking tot rechtszekerheid naar aanleiding van
de formulering van het wijzigingsvoorstel dat ziet op de informatieplicht (artikel 13
(4)). Deze voorgestelde bepaling regelt onder andere dat de informatieplicht uit artikel 13
niet van toepassing is wanneer de persoonsgegevens zijn verzameld in het kader van
een duidelijke en afgebakende relatie tussen betrokkenen en een verwerkingsverantwoordelijke
die een niet-gegevensintensieve activiteit uitoefent en er redelijke gronden zijn
om aan te nemen dat de betrokkene reeds over de informatie beschikt, tenzij de verwerkingsverantwoordelijke
de gegevens doorgeeft aan andere ontvangers of categorieën ontvangers, de gegevens
doorgeeft aan een derde land, geautomatiseerde besluitvorming, uitvoert of de verwerking
waarschijnlijk een hoog risico inhoudt voor de rechten en vrijheden van betrokkenen.
In de voorgestelde bepaling is onder andere de betekenis van «duidelijke en afgebakende relatie of een niet-gegevensintensieve activiteit» onvoldoende duidelijk. De EDPS en de EDPB hebben in hun opinie vergelijkbare zorgen
geuit en voorstellen gedaan ter verduidelijking van deze bepaling. Er lijkt in de
Raad steun te zijn voor het verduidelijken van het wijzigingsvoorstel.
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de geannoteerde
agenda voor de informele Telecomraad. De leden van de D66-fractie hechten eraan dat
Europese digitaliseringsvoorstellen bijdragen aan innovatie en lastenverlichting,
zonder afbreuk te doen aan grondrechten, transparantie en uitvoerbaarheid. Tegen deze
achtergrond hebben zij de volgende vragen.
16.
Hoe beoordeelt het kabinet het feit dat voor de Digitale Omnibus geen integraal impact
assessment door de Europese Commissie is opgesteld, terwijl de voorgestelde wijzigingen
direct raken aan de bescherming van persoonsgegevens en aan fundamentele rechten,
zoals privacy, non-discriminatie en bescherming tegen geautomatiseerde profilering?
Is het kabinet bereid zich te blijven inzetten in de Raad om alsnog een dergelijk
integraal impact assessment te laten uitvoeren voordat een Raadsakkoord wordt bereikt?
Antwoord
Het idee van de omnibussen is vereenvoudiging zonder beleidsdoelen aan te passen en
daarom presenteert de Commissie in het algemeen geen impact assessments. De Commissie
geeft als reden dat het gaat om urgente aanpassingen van politiek belang, die te veel
vertraging zouden oplopen als er een volledig impact assessment moet worden uitgevoerd.
De analyse en onderbouwing van de voorstellen wordt middels een Staff Working Document
(SWD) gedeeld. Het SWD biedt volgens de Commissie voldoende basis om te onderhandelen
over de voorstellen die zich in lijn met de kabinetsinzet focussen op versimpelen,
verduidelijken en stroomlijnen. Voor sommige onderdelen van de voorstellen die verdergaan
dan het versimpelen, verduidelijken en stroomlijnen van wetgeving, maakt het ontbreken
van een impact assessment het moeilijk voor het kabinet om de effecten te beoordelen.
Het kabinet heeft de Commissie daarom verzocht een uitgebreidere analyse van de impact
van deze voorstellen te presenteren. Ook brengt het kabinet zelf de gevolgen van de
voorstellen verder in kaart. Het kabinet beoordeelt voorstellen die verdergaan dan
versimpeling op basis van de verwachte impact en zal zich in de onderhandelingen inzetten
om onwenselijke voorstellen te beperken of aan te passen. Een formeel impact assessment
is overigens niet de enige manier om deze inzet te bewerkstelligen. Zo is het advies19 van de Europees Toezichthouder voor gegevensbescherming (EDPS) en het Europees Comité
voor gegevensbescherming (EDPB) op voorspraak van Nederland inmiddels gepresenteerd
bij de bespreking van het voorstel. Mede naar aanleiding van het advies heeft Nederland
diverse amendementen voorgesteld ter verbetering van het EU-wetsvoorstel.
17.
De leden van de D66-fractie benadrukken het belang van het tegengaan van AI-gegenereerde
desinformatie, waaronder (seksuele) deepfakes. Zij vragen het kabinet hoe het bestaande
Europese kader, waaronder de AI-verordening en de Digital Services Act, wordt benut
om transparantie, detectie en labeling van AI-gegenereerde content te waarborgen.
Waar ziet het kabinet nog lacunes in dit kader, en op welke wijze zet het kabinet
zich in EU-verband in om deze te adresseren? In het bijzonder vragen deze leden hoe
het kabinet aankijkt tegen een expliciet verbod op seksuele deepfakes.
Antwoord
De digitaledienstenverordening (Digital Services Act, hierna: DSA) regelt dat hostingsdiensten,
waaronder online platforms, verplicht zijn om te voorzien in mechanismen via welke
gebruikers meldingen kunnen doen van illegale inhoud die zich op de dienst/op het
platform bevindt. De meldingen moeten vervolgens (tijdig) worden beoordeeld en verwerkt.
In het geval van illegale (seksuele) deepfakes zal dit betekenen dat zij de betreffende
inhoud, zodra zij daarvan kennis hebben, moeten verwijderen.
Daar bovenop geldt voor de zogenaamde aangewezen «zeer grote online platforms» (zoals
X, Facebook, Instagram, TikTok, YouTube, Snapchat) de verplichting om zogenaamde systeemrisico’s
die voortvloeien uit het ontwerp of de werking van de dienst en daaraan verbonden
systemen (waaronder algoritmes en aanbevelingssystemen), te beoordelen en te beperken.
Dit omvat risico’s in verband met de verspreiding van illegale inhoud, zoals bepaalde
gemanipuleerde seksueel expliciete afbeeldingen. Het labelen of markeren van kunstmatig
gegenereerde of gemanipuleerde beelden is een van de maatregelen waarmee zeer grote
online platforms op grond van de DSA de risico’s doeltreffend kunnen beperken. De
Commissie, die primair toezicht houdt op aangewezen zeer grote online platforms- en
zoekmachines, is onlangs een onderzoek gestart tegen X, in verband met de risico’s
voortvloeiende uit de uitrol van Grok in dat platform.
De AI-verordening bevat transparantieverplichtingen voor aanbieders en gebruiksverantwoordelijken
van AI-systemen, waarmee (machineleesbaar) duidelijk moet worden gemaakt dat er sprake
is van synthetische inhoud of deepfakes. Dit vereenvoudigt de opsporing van kunstmatig
gegenereerde (deepfake) content en het AI-systeem daarachter.
In aanvulling op deze bestaande verplichtingen onderschrijft het kabinet het belang
van het verder tegengaan van AI gegenereerde desinformatie, waaronder (seksuele) deepfakes,
zeker waar het gaat om materiaal van seksueel kindermisbruik. Het kabinet zet zich
er actief voor in om een strafrechtelijke verbodsbepaling op AI-systemen die het mogelijk
maken om materiaal van seksueel kindermisbruik te vervaardigen in de CSA-richtlijn
op te nemen. Daarbij geldt dat het doel (het effectief tegengaan van deze schadelijke
vorm van deepfakes) leidend is. Het kabinet verkent, mede in overleg met de Europese
Commissie, wat de meest effectieve en uitvoerbare juridische vormgeving is om dit
doel te bereiken. Daarnaast draagt Nederland in de onderhandelingen over de Omnibus
AI bij aan de discussie over de bestuursrechtelijke verbodsbepalingen met het oog
op uitvoerbaarheid, reikwijdte en effectiviteit. Randvoorwaardelijk is dat de voorgestelde
verbodsbepalingen effectief bijdragen aan het bestrijden van de problematiek. Bij
de Omnibus AI gaat het over een verbod op AI-systemen die het mogelijk maakt om materiaal
van seksueel kindermisbruik of naaktbeelden zonder toestemming van de afgebeelde («deep
nudes») te vervaardigen, manipuleren of reproduceren.
18.
De leden van de D66-fractie onderschrijven het belang van effectieve bescherming van
minderjarigen online en wijzen op het belang van een veilige digitale omgeving. Zij
vragen het kabinet hoe maatregelen zoals leeftijdsverificatie zodanig worden vormgegeven
dat deze zowel effectief als privacy-vriendelijk zijn, en hoe daarbij wordt aangesloten
bij bestaande Europese kaders. Daarnaast vragen zij hoe het kabinet bevordert dat
deze maatregelen bijdragen aan een veilig, open en betrouwbaar digitaal ecosysteem.
Hoe wordt in het bijzonder gestimuleerd dat oplossingen toegankelijk, transparant
en handhaafbaar zijn?
Antwoord
Het kabinet ziet dat sociale media kansen voor jongeren biedt, maar ziet ook dat de
huidige online omgeving onvoldoende veilig is voor kinderen en jongeren vanwege verslavende
en polariserende algoritmes en schadelijke content. Een belangrijk uitgangspunt van
het kabinet is daarom dat digitale diensten veilig worden voor kinderen en jongeren,
omdat zij het recht hebben om veilig gebruik te maken van digitale diensten. Daarom
heeft het kabinet de afgelopen jaren ingezet op het tegengaan van online onveiligheid
via onder andere de DSA. Als digitale diensten niet veilig zijn voor kinderen en jongeren,
kijkt het kabinet of het proportioneel is om een leeftijdsgrens in te stellen en online
leeftijdsverificatie in te zetten om hen te beschermen. Voor deze gevallen verkent
het kabinet momenteel of en hoe online leeftijdsverificatie in Nederland het beste
kan worden vormgegeven. Twee belangrijke voorwaarden hiervoor zijn, waarbij uiteraard
oog is voor zowel de effectiviteit van de maatregel – zodat deze niet te eenvoudig
te omzeilen is – alsook en de privacyvriendelijkheid, zowel voor kinderen en jongeren
als voor de andere gebruikers van sociale media. Ook wordt gekeken naar de gevolgen
voor de grondrechten. Bij deze verkenning wordt rekening gehouden met de Europese
kaders en publieke waarden als toegankelijkheid, proportionaliteit, transparantie
en handhaafbaarheid. Het kabinet verwacht deze verkenning voor de zomer afgerond te
hebben.
Hierbij dient wel de kanttekening te worden geplaatst dat een volledig waterdicht
systeem van online leeftijdsverificatie niet mogelijk is. Het risico op omzeiling,
bijvoorbeeld via een VPN-verbinding of door samenwerking, is slechts beperkt te mitigeren
via maatregelen zoals een beperkte geldigheidsduur van het leeftijdsbewijs, revocatie
of biometrie. Deze maatregelen hebben impact op de privacy en het gebruiksgemak. Daarom
dient online leeftijdsverificatie dan ook te worden gezien in samenhang met andere
inspanningen van het kabinet om het internet veiliger te maken. Inzet op online leeftijdsverificatie
lost niet alle problemen op ten aanzien van schadelijke content en verslavende algoritmes,
maar kan mogelijk wel bijdragen aan het beschermen van minderjarigen online door de
drempel tot toegang te verhogen.
19.
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van het voorstel voor Europese Business
Wallets en verwelkomen de inzet op digitalisering en lastenverlichting. Zij vragen
het kabinet hoe deze wallets bijdragen aan veilige, betrouwbare en efficiënte gegevensuitwisseling,
en hoe daarbij wordt aangesloten bij bestaande Europese kaders.
Antwoord
Bij EBW's wordt vooral gebruik gemaakt van gekwalificeerde vertrouwensdiensten. Dit
zijn vertrouwensdiensten die een hoog betrouwbaarheidsniveau hebben en ook juridisch
betekenisvol zijn. Daardoor krijgt de ontvangende partij met behulp van een EBW betrouwbare
gegevens, direct uit de authentieke bron. Het ontvangen en vervolgens delen van de
gegevens kan door de bedrijven bovendien op eenvoudige wijze plaatsvinden. Daarmee
worden efficiëntie en betrouwbaarheid aan elkaar gekoppeld. De vertrouwensdiensten
zijn al sinds 2014 in de eIDAS-verordening verankerd. De belangrijke bedrijfsgegevens
voor EBW's, zoals het EUID, het bedrijfscertificaat en de volmacht komen uit de vennootschapsrichtlijn.
20.
Daarnaast vragen deze leden hoe het kabinet de balans beoordeelt tussen het ontbreken
van een aanbiedplicht voor lidstaten en de acceptatieplicht voor publieke organisaties.
Antwoord
Het aanbieden van EBW's is onder het voorstel in beginsel aan de markt. Het kabinet
steunt deze marktgerichte aanpak. Dit bevordert innovatie en concurrentie. Het zij
opgemerkt dat, in tegenstelling tot EDI-wallets voor natuurlijke personen, EBW's niet
gratis hoeven te worden verstrekt. Deze benadering sluit ook aan bij het bestaande
Europese kader voor (gekwalificeerde) vertrouwensdiensten, waar het voorstel voor
de EBW-verordening sterk op leunt. Er is ook voldoende interesse bij private partijen om EBW's
aan te bieden, zodat de overheid hier niet hoeft in te grijpen. Het kabinet acht het
uiteraard wel van belang dat EBW's aan een hoog niveau van betrouwbaarheidseisen voldoen
en bestand zijn tegen cyberdreigingen. Het is van belang dat publieke en private organisaties
kunnen vertrouwen op de gegevens die zij ontvangen.
21.
Zij vragen tot slot hoe het kabinet de invoering bij publieke organisaties wil ondersteunen,
zodat deze praktisch uitvoerbaar is en bijdraagt aan betrouwbare dienstverlening.
Welke rol is daarbij weggelegd voor open standaarden, interoperabiliteit en publieke
regie bij het waarborgen van brede toegankelijkheid?
Antwoord
Het kabinet heeft oog voor de impact van de voorgestelde verplichtingen op publieke
organisaties en zet zich er in de onderhandelingen voor in dat de financiële en uitvoeringslasten
proportioneel zijn en niet leiden tot onevenredige belasting van deze organisaties.
Daarbij is voor het kabinet een belangrijk uitgangspunt dat het gebruik van EBW's
niet mag leiden tot ongelijke toegang tot of behandeling bij overheidsdienstverlening.
Het kabinet hecht grote waarde aan betrouwbare, toegankelijke en inclusieve publieke
dienstverlening. In dat kader ziet het kabinet de voorgestelde verordening als een
mogelijke versterking van bestaande prioriteiten, zoals onder meer beschreven in de
Nederlandse Digitaliseringsstrategie (NDS). Dit omvat onder meer het stellen van kaders
en het bevorderen van hergebruik van voorzieningen. Het kabinet acht het van belang
dat waar mogelijk wordt aangesloten bij bestaande afspraken (bijv. voor open standaarden
en interoperabiliteit) en publieke regie voor voorzieningen binnen de Generieke Digitale
Infrastructuur en NDS.
Antwoord op de vragen van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de
informele Telecomraad van 23 en 24 maart 2026. Ook hebben deze leden kennisgenomen
van het fiche van de werkgroep Beoordeling Nieuwe Commissievoorstellen (BNC) over
de Europese Business Wallet. Deze leden hebben over deze documenten nog enkele vragen
en opmerkingen.
22.
De leden van de fractie van de VVD vinden het teleurstellend dat de relevante discussiestukken
nog niet zijn gedeeld. Dit bemoeilijkt controle door de nationale parlementen op de
inbreng van de nationale regeringen bij de Raad. Is het Kabinet bereid tijdens de
Raad voor het voetlicht te brengen dat het in het kader van degelijke democratische
controle van belang is dat de relevante discussiestukken tijdig worden gedeeld?
Antwoord
Het kabinet onderschrijft het standpunt van de VVD-fractie dat het tijdig delen van
relevante discussiestukken voor Raden bijdraagt aan de democratische controle door
nationale parlementen. De lidstaat die op dat moment roulerend voorzitter is, is verantwoordelijk
voor het opstellen van de vergaderagenda en het opstellen van de bijbehorende discussiestukken.
Ieder voorzitterschap kent verschillen in capaciteit, accenten en prioriteiten. Hierdoor
kan het voorkomen dat discussiestukken onder het ene voorzitterschap later worden
gedeeld dan onder het andere. Voor de informele Telecomraad die op 29 en 30 april
a.s. zal plaatsvinden, zal het kabinet middels het verslag de Kamer zo goed mogelijk
informeren over de discussie die heeft plaatsgevonden.
23.
De leden van de fractie van de VVD lezen dat Nederland tijdens de laatste Telecomraad
bij het beleidsdebat over regeldrukvermindering heeft ingebracht dat het erop lijkt
dat de voorgestelde wijzigingen van de Algemene Verordening Gegevensbescherming volgens
het Kabinet fundamenteel van aard zijn en dus in de ogen van het Kabinet verder gaan
dan alleen vereenvoudiging. Ook zou Nederland aangegeven hebben grote zorgen te hebben
over de oprichting van een centraal Europees meldpunt voor het melden van cybersecurity
incidenten. Graag ontvangen deze leden een toelichting van het Kabinet op de door
Nederland ingebrachte punten. Hoe is hier door andere landen op gereageerd?
Antwoord
Het kabinet moedigt de Europese beweging naar vereenvoudiging van regelgeving aan.
Ten aanzien van de AVG, zoals ook toegelicht in het verslag van de formele Telecomraad
van 5 december jl. dat op 12 januari 2026 met uw Kamer is gedeeld,20 onderstreepten verschillende lidstaten dat regeldrukvermindering niet mag leiden
tot deregulering en dat er – in lijn met het Nederlandse standpunt – voldoende aandacht
moet zijn voor fundamentele rechten en databescherming.
In de JBZ-raad van 8 en 9 december 2025 stond de stand van zaken met betrekking tot
simplificatie AVG op de agenda. Zoals opgemerkt in het verslag (Kamerstukken II 2025/26,
32 317-987, bijlage) is lastenverlichting voor het bedrijfsleven, met name voor het MKB, ook
voor Nederland een prioriteit. Nederland sprak hiervoor steun uit, maar wees eveneens
op het belang van zorgvuldigheid waar het gaat om mogelijke fundamentele aanpassingen
van de AVG die gevolgen kunnen hebben voor het beschermingsniveau. Nederland gaf aan
dat vereenvoudiging gepaard moet gaan met een impact assessment en advies van de Europese
privacy-toezichthouders. Ook andere lidstaten onderschreven het belang van vereenvoudiging
voor het concurrentievermogen, met de kanttekening dat de basisprincipes van gegevensbescherming
en grondrechten gewaarborgd moeten blijven.
Nederland gaf in de interventie aan de Digitale Omnibus te verwelkomen, maar heeft
ten aanzien van de oprichting van een centraal Europees meldpunt voor het melden van
cybersecurity incidenten ook haar zorgen geuit. Lidstaten, waaronder Nederland, hebben
al nationale meldplatformen ingericht voor het ontvangen van incidentmeldingen. Daarnaast
werkt het kabinet al op nationaal niveau aan de harmonisatie van meldplichten door
de NIS2 en CER-meldingen samen te brengen binnen het nationale platform. Het kabinet
verwacht dat het verlagen van regeldruk meer efficiënt en tijdig kan worden bereikt
door voort te bouwen op bestaande nationale oplossingen in plaats van het organiseren
van een Europees meldpunt. Door de inrichting van een Europees meldpunt lijkt een
deel van de nationale dienstverlening rondom incidentenafhandeling daarnaast te verschuiven
naar Europees niveau. Dit geldt in het bijzonder voor meldingen onder de NIS2- en
CER-richtlijnen, daar waar incidenten bij de Rijksoverheid en vitale infrastructuur
gevoelige informatie over nationale veiligheid kunnen bevatten. Het kabinet heeft
daarom benadrukt dat nationale meldstructuren, waarbij lidstaten de directe en primaire
ontvanger van incidentinformatie blijven, behouden moeten blijven. Ook deelde het
kabinet de zorgen die het heeft over beveiligingsrisico’s als het gaat om het centraliseren
van dergelijke meldplichten binnen één meldpunt op Europees niveau. Verschillende
lidstaten hebben vergelijkbare zorgen geuit tijdens de Telecomraad.
24.
De leden van de fractie van de VVD lezen bovendien dat er tijdens de afgelopen Telecomraad
is gesproken over de uitbreiding van Roam like at Home naar Moldavië, Oekraïne en de Westelijke Balkan. In het verslag van het Kabinet over
de Telecomraad ontbreekt echter wat er dan precies is besproken. Graag ontvangen deze
leden de actuele stand van zaken.
Tijdens de Telecomraad op 5 december stond de uitbreiding van Roam Like at Home (RLAH)
gebied op de agenda ter kennisgeving. Uitvoerend vice-voorzitter voor Technologische
soevereiniteit, Henna Virkunnen, deelde met de aanwezige lidstaten dat het RLAH gebied
per 1 januari 2026 zou worden uitgebreid met Oekraïne en Moldavië. Daarnaast deelde
zij dat gesprekken over uitbreiding van RLAH gebied naar landen op de Westelijke Balkan
lopen.
In dit kader heeft de Europese Commissie op 25 februari 2026 een aanbeveling gepubliceerd
voor een Raadsbesluit om individuele onderhandelingen te openen met zes landen van
de Westelijke Balkan: Albanië, Bosnië en Herzegovina, Kosovo, Montenegro, Noord-Macedonië
en Servië, met het oog op hun integratie in het EU-roaminggebied. Over deze aanbeveling
is een BNC-fiche aan uw Kamer toegezonden.
25.
De leden van de fractie van de VVD hebben daarnaast kennisgenomen van het BNC-fiche
over de Europese Business Wallet. Deze leden zijn in het algemeen positief over de
plannen. Zij lezen in het fiche dat er «honderden miljarden euro’s» bespaard kunnen
worden bij brede ingebruikname van de wallet. Deze leden vragen waar deze schatting op is gebaseerd, aangezien deze schatting
wel erg positief overkomt op deze leden. Deze leden onderschrijven dat de besparingen
oplopen naarmate de wallet door meer organisaties, instanties en bedrijven wordt gebruikt.
Deelt het Kabinet deze mening? Zo ja, hoe wil het Kabinet op deze brede ingebruikname
concreet aandringen bij de behandeling van dit voorstel in de Raad?
Antwoord
De schatting is gebaseerd op het Staff Working Document (SWD), dat de Commissie heeft
meegestuurd met het voorstel voor de verordening voor de EBW. Het kabinet deelt de
mening dat de besparingen op zullen lopen, naarmate EBW's bij meer processen kunnen
worden gebruikt. Daarom stimuleert het kabinet in Nederland bedrijven om hun processen
zoveel mogelijk aan te passen zodat hun zakelijke klanten hiervoor gebruik kunnen
maken van een EBW. Op Europees niveau steunt het kabinet het beleid van de Commissie
om bij wetgeving voor bedrijven rekening te houden met de mogelijkheden van EBW's.
26.
De leden van de fractie van de VVD lezen dat het Kabinet het van belang vindt dat
de voorgestelde verordening aansluit bij andere EU-initiatieven en bestaande EU-regelgeving
op het gebied van digitalisering en digitale identiteit, zoals de eIDAS-verordening.
Zij lezen dat het Kabinet tijdens de onderhandelingen deze coherentie en consistentie
wil bewaken. Waar wil het Kabinet concreet voor pleiten?
Antwoord
Het kabinet zet bij de onderhandelingen onder andere in op een vergelijkbare inrichting
van het toezicht als bij de eIDAS-verordening, waar het toezicht mede door de Nederlandse
inspanningen op een hoog niveau van betrouwbaarheid is ingericht. Ook is het voor
de uniformiteit van processen van belang dat de uitgifte van de elektronische attesteringen
van attributen zoals vergunningen en bedrijfsgegevens op hetzelfde hoge betrouwbaarheidsniveau
plaatsvindt. Tenslotte vindt het kabinet het belangrijk dat de identiteitsvaststelling
bij de uitgifte van EBW's, vergelijkbaar als bij gekwalificeerde vertrouwensdiensten
en bij EDI-wallets voor burgers, op een hoog niveau van veiligheid en betrouwbaarheid
plaats zal vinden.
27.
Voor het slagen van de Europese Business Wallet vinden de leden van de fractie van
de VVD het van belang dat er goed contact over het voorstel wordt onderhouden met
het bedrijfsleven. Kan het Kabinet bevestigen dat het bij de standpuntbepaling over
dit voorstel contact met het Nederlandse bedrijfsleven heeft gehad? Is hierin ook
de notariële beroepsgroep meegenomen? Hoe duidt het Kabinet het enthousiasme voor
de Europese Business Wallet onder het bedrijfsleven? Is het Kabinet bereid er bij
de Europese Commissie op aan te dringen dat er in de uitvoering van dit voorstel nauw
contact met het bedrijfsleven wordt onderhouden?
Antwoord
Het kabinet kan bevestigen dat reeds voor het verschijnen van het voorstel en verder
ook bij de positiebepaling contacten zijn en worden onderhouden met het bedrijfsleven
en met de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie. Uit de contacten met het bedrijfsleven
blijkt dat men enthousiast is over het voorstel voor de EBW-verordening. Met name
financiële dienstverleners en bedrijven in de supply chain en retail zien grote voordelen
bij het gebruik van EBW's in hun processen. Ook het mkb heeft als gebruikersgroep
grote verwachtingen van EBW's bij het terugbrengen van de administratieve lasten.
Het is bij het kabinet bekend dat ook de Commissie actief het bedrijfsleven betrekt.
Zoals het kabinet in het BNC-fiche heeft aangegeven, is het daarnaast van zeer groot
belang dat lidstaten bevoegd blijven voor het vaststellen van de juridische identiteit
van bedrijven en overheidsorganisaties, om bijvoorbeeld identiteitsfraude tegen te
gaan.
28.
Tot slot vragen de leden van de fractie van de VVD zich af wanneer volgens planning
de Europese Business Wallet operationeel is.
Antwoord
Het is de verwachting dat het Europese wetgevingstraject (verordening en uitvoeringshandelingen)
tot in het voorjaar van 2027 zal lopen. Dat betekent dat vrijwel direct daarna de
private aanbieders hun EBW's aan de markt zouden moeten kunnen aanbieden.
Voor publieke instanties stelt het voorstel voor de EBW-verordening een acceptatietermijn
van 24 maanden na inwerkingtreding van de verordening. Het kabinet zet in de onderhandelingen
in op verruiming van deze implementatietermijn voor publieke dienstverleners.
Antwoord op de vragen van GroenLinks-PvdA
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda
voor de Informele Telecomraad van 29 en 30 april. Zij zullen hun vragen en opmerkingen
per onderwerp uiteenzetten.
29.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat er enigszins tegemoet is gekomen
aan de zorgen die de regering had over de Omnibus AI. Deze leden blijven pleiten voor
een volledige en snelle implementatie van de AI-verordening met zo min mogelijk aanpassingen
in de Omnibus AI. Zij roepen de motie-Kathmann/Dassen [Kamerstuk 21 501-33, nr. 1173] in herinnering die voorwaarden neerlegt bij de behandeling van beide omnibussen.
Hoe geeft de regering uitvoering aan deze motie? Onder welke voorwaarde(n) zal de
regering deze omnibus níet steunen? Kan de regering expliciet beschrijven welke voorstellen
zij heeft gedaan en hoe die in het compromisvoorstel van de Omnibus AI wel of niet
verwerkt zijn? Hoe kijkt de regering naar de tijdsdruk bij de Omnibus AI, aangezien
de AI-verordening vanaf augustus 2026 in werking treedt? Leidt deze zeer korte termijn
tussen deze onderhandeling en de inwerkingtreding volgens het kabinet voor een gedegen
wetgevingsproces?
Antwoord
De Raad heeft op 13 maart jl. het voorzitterschap mandaat gegeven voor de trilogen.
Het kabinet is daar positief over, zoals ook per brief aan uw Kamer medegedeeld. De
belangrijkste zorgpunten van het kabinet zijn hierin geadresseerd. Zo blijft de registratieplicht
voor hoog risico AI-systemen in stand, is de bevoegdheid voor de verwerking van bijzondere
persoonsgegevens in lijn gebracht met het EDPB/EDPS-advies, is de inwerkingtreding
van de hoog risico eisen niet meer afhankelijk van een Commissiebesluit en wordt het
toezicht op General Purpose AI gecentraliseerd bij de AI Office, maar blijven nationale
toezichthouders bevoegd op specifieke nationale aangelegenheden zoals rechtshandhaving.
Het kabinet had daarnaast liever korter uitstel gezien voor de inwerkingtreding van
de eisen voor hoog risico AI-systemen in Annex III. Met betrekking tot AI-geletterdheid
is nu verduidelijkt dat het verschuiven van de verplichting naar lidstaten niet wegneemt
dat ook organisaties verantwoordelijkheden en verplichtingen hebben m.b.t. AI-geletterdheid.
De motie Kathmann-Dassen ziet met name op de omnibus digitaal. De discussie hierover
zal binnenkort worden vervolgd, omdat prioriteit is gegeven aan de AI-omnibus. Hierin
neemt het kabinet de aandachtspunten zoals gemeld in het BNC-fiche mee.
30.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn op de hoogte dat er wordt gepoogd om
bijlage 1 («Annex I») van de AI-verordening aan te passen, en secties A en B samen
te voegen. Dit zou kunnen leiden tot meer complexiteit omtrent de regulering van hoog
risico AI-systemen. Hoe beoordeelt de regering voorstellen van deze aard? Is zij daarnaast
van mening dat ook «Internet-of-Things»-apparatuur, waarin AI wordt toegepast, gewoon
aan de AI-verordening moet gaan voldoen?
Antwoord
Het kabinet is geen voorstander van een dergelijke samenvoeging van afdeling A en
afdeling B van bijlage I en alles onder het regime van afdeling B te plaatsen. Het
verhoogt inderdaad de complexiteit, maar het zorgt ook voor forse vertraging omdat
voor alle betreffende EU-regelgeving gedelegeerde regelgeving zal moeten worden opgesteld.
«Internet-of-things»-apparatuur waar AI, die valt binnen de definitie van de AI-verordening,
in wordt toegepast, valt nu al onder de AI-verordening. In het algemeen zal dit betekenen
dat daar geen bijzondere eisen aan worden gesteld, omdat het niet valt onder bijlage I
of bijlage III van de verordening. Wel kunnen de transparantievereisten van toepassingen
zijn, bijvoorbeeld als de gebruiker van die apparatuur direct met de AI communiceert.
31.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie wijzen daarnaast op het behandelvoorbehoud
dat de Eerste Kamer de regering heeft opgelegd. Welke (voor)overleggen zijn er sinds
de vorige Telecomraad geweest waar de Omnibus AI ter sprake is geweest? Hoe heeft
de regering haar zienswijze kenbaar gemaakt, met inachtneming van het behandelvoorbehoud?
Antwoord
Zolang het kabinet een parlementair behandelvoorbehoud moest maken, werd onze inzet
gezien als een inzet onder voorbehoud. Het kabinet heeft tijdens de onderhandelingen
Raad haar inzet binnen de kaders van het BNC-fiche ingebracht, conform de geldende
informatieafspraken met de Kamer. Voor de andere lidstaten en het voorzitterschap
is bij het maken van een behandelvoorbehoud niet duidelijk of ons parlement onze inzet
steunt. Deze inbreng wordt dan minder zwaar gewogen. Toch zijn de voor het kabinet
belangrijke punten bij de behandeling van de AI-omnibus overgenomen, zie ook het antwoord
op vraag 29. Inmiddels is het behandelvoorbehoud door de Eerste Kamer opgeheven.
32.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben meermaals gevraagd om in te zetten
op een Europees verbod op Nudify-apps, als onderdeel van artikel 5 van de AI-verordening.
Deze zorgen zijn eerder geuit in vragen van het lid Kathmann.21 Deze leden zijn tevreden dat de EU, mede door druk van het Europees Parlement, van
plan is om dit uit te voeren.22 Ook een brede vertegenwoordiging van Nederlandse organisaties en experts verwelkomt
deze stap.23 Hoe reageert het kabinet op deze oproep van organisaties en experts?
Antwoord
De snelle opkomst van nudify-apps baart het kabinet zorgen vanwege de ernstige impact
ervan. Het kabinet staat voor een effectieve aanpak van de nudify-problematiek. Op
grond van het bestaande recht kan de nudify-problematiek in Nederland en de EU al
grotendeels worden aangepakt. In de aanpak van dergelijke grensoverschrijdende uitdagingen
kan een Europese benadering effectiever zijn dan een nationale. Daarom is het positief
dat over een dergelijk verbod gesprekken op Europees niveau worden gevoerd. Voor de
Omnibus AI geldt dat zowel in de Raadspositie als in de positie van het Europees Parlement
een dergelijk verbod op AI systemen die seksuele deepfakes kunnen genereren is opgenomen.
Het kabinet zet zich ervoor in dat een dergelijk verbod er komt, en verkent daarbij
(mede in Europees verband) wat de meest effectieve en uitvoerbare juridische vormgeving
is.
33.
Kan de regering meer vertellen over hóé dit verbod er uit gaat zien? Zijn er nieuwe
ontwikkelingen sinds de beantwoording van de eerdergenoemde Kamervragen van 17 maart
2026 die de regering met de Kamer kan delen? Per wanneer zijn Nudify-apps definitief
verbannen uit Europese appstores, en wordt ook het gebruik en het delen van Nudify-beelden
bestraft? Vanaf wanneer worden seksuele deepfakebeelden aangemerkt als illegale content
die zoekmachines na notificatie direct offline moeten halen?
Antwoord
Het voorstel is relatief nieuw omdat het nog maar recentelijk deel uitmaakt van de
onderhandelingen over de Omnibus AI. Hoe het verbod er precies uit gaat zien, hangt
af van de uitkomst van de onderhandelingen. Het kabinet zet zich ervoor in dat een
effectief verbod op seksuele deepfakes tot stand komt, en beziet daarbij (mede in
overleg met de Europese Commissie) wat de meest passende juridische vormgeving is.
Mocht een dergelijk verbod uiteindelijk onderdeel uitmaken van de definitieve Omnibus
AI, dan zal het verbod snel van toepassing zijn. De Omnibus AI wijzigt niets aan de
datum waarop artikel 5 in is gegaan. Alle verboden AI-praktijken gelden sinds 2 februari
2025.
Seksuele deepfakebeelden die zonder toestemming van de desbetreffende persoon zijn
gemaakt en/of verspreid zullen onder het huidige recht al in vrijwel alle gevallen
kwalificeren als illegale content en daarmee onder het bereik van de kennisgevings-
en actiemechanismen voor hostingdiensten uit de DSA vallen. Ook zijn zeer grote online
platforms- en zoekmachines, zoals reeds toegelicht in het antwoord op vraag 17, verplicht
om de zogenaamde systeemrisico’s die voortvloeien uit het ontwerp of de werking van
de dienst en daaraan verbonden systemen, te beoordelen en te beperken. Dit omvat risico’s
in verband met de verspreiding van illegale inhoud, zoals gemanipuleerde seksuele
afbeeldingen.
34.
Wat kunnen lidstaten doen om dit zo snel mogelijk in werking te brengen? Wanneer is
het Europese onderzoek naar X en de chatbot Grok, die ook gebruikt wordt om naaktbeelden
te genereren, gereed? Welke conclusies kunnen uit dat onderzoek volgen? Is het verbieden
van de chatbot Grok, of in het uiterste geval het hele X-platform, een mogelijke uitkomst?
Zou de regering dat steunen?
Antwoord
Het moment van in werking treden hangt af van de snelheid van de triloog onderhandelingen
over de Omnibus AI.
De Commissie is het onderzoek naar Grok eind januari 2026 gestart. Wanneer het onderzoek
is afgerond, is op dit moment niet duidelijk. Als de Commissie tot de conclusie komt
dat X, in verband met de uitrol van Grok, de DSA heeft overtreden, kan zij een niet-nalevingsbesluit
nemen en verschillende toezichtsmaatregelen nemen. Deze maatregelen omvatten geldboetes,
dwangsommen en kunnen – in uitzonderlijke gevallen waarin alle andere bevoegdheden
om de inbreuk te beëindigen zijn uitgeput en de inbreuk blijft voortbestaan – ook
tijdelijke toegangsbeperkingen omvatten. Het kabinet onderschrijft het belang van
het onderzoek naar Grok door de Commissie.
35.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie benadrukken dat het waardevol inzetten van
AI vraagt om een zorgvuldige afweging van alle risico’s die hiermee gepaard gaan.
Er gaan grote maatschappelijke, sociale en economische risico’s gepaard met de grootschalige
adoptie van AI. De AI-markt wordt gedomineerd door enkele miljardenbedrijven die zelf
de regels en voorwaarden bepalen waar Europese burgers aan worden gehouden. Volgens
deze leden is het noodzakelijk dat Nederland een meerjarige strategie bepaalt, op
basis van mogelijke toekomstbeelden over de ontwikkeling van AI, die naast de economische
kansen ook uitgaat van de gevolgen voor mensenrechten, klimaat en arbeid. Is de regering
bekend met de scenariostudie van The Centre for Future Generations «Advanced AI: Possible
Futures»24 over mogelijke toekomstbeelden van AI in Europa?
Kent de regering meer gezaghebbende scenariostudies waar zij haar AI-beleid op baseert?
Ziet de regering er meerwaarde in om een gezaghebbende scenariostudie uit te voeren
over wat de mogelijke langetermijn gevolgen kunnen zijn van hoe AI zich de komende
jaren ontwikkelt? Zo ja, is zij bereid om op korte termijn zo’n scenariostudie naar
de Nederlandse context uit te voeren?
Antwoord
Het kabinet is bekend met de scenariostudie van The Centre for Future Generations
«Advanced AI: Possible Futures». Ook is het kabinet bekend met meerdere andere scenariostudies
die relevant kunnen zijn om het AI-beleid verder mee vorm te geven, zoals van de OESO
(Exploring possible AI trajectories through 2030, februari 2026) en het International AI Safety Report. Ook op nationaal niveau zijn er studies die scenario’s bevatten, zoals van Clingendael
naar AI en veiligheid (From plausible tomorrows to prompt action on AI, november 2025), Dialogic en Universiteit Utrecht in opdracht van EZ naar de impact
van AI op duurzaamheid (De impact van AI op duurzaamheid en het monitoren daarvan, juni 2025), en Universiteit Utrecht in opdracht van BZK naar generatieve AI en duurzaamheid bij overheidsorganisaties (Generatieve AI en duurzaamheid, januari 2025). Tegelijkertijd ziet het kabinet op dit moment geen aanleiding om
aanvullend op deze studies een nieuwe scenario analyse op korte termijn uit te voeren
naar de Nederlandse context.
Op 12 december jl. is de kabinetsreactie op het advies «AI: technologie, macht en
democratische waarden in het Nederlandse buitenlandbeleid» van de Adviesraad Internationale
Vraagstukken aan uw Kamer aangeboden. Hierin wordt in den breedte ingegaan op het
huidige beleid. Het kabinet ontwikkelt op dit moment een internationale AI-strategie.
Gezien de snelle en lastig te voorspellen ontwikkeling van AI is het nu niet mogelijk
alle toekomstige kansen, risico’s en internationale dynamieken te overzien, noch precies
welke acties dat van ons vraagt. Het kabinet blijft internationale technologische
ontwikkelingen monitoren om hierop zo goed mogelijk te anticiperen. De strategie zal
daarom richtinggevende kaders bieden voor de komende jaren, met ruimte om acties en
prioriteiten bij te stellen op basis van nieuwe technologische en geopolitieke ontwikkelingen.
36.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie kijken ook vooruit naar het Nederlandse voorzitterschap
van de Raad van Europa in 2027. Het voeren van AI-diplomatie en het organiseren van
evenementen over de ethische, sociale en mensenrechtelijke gevolgen van AI zien deze
leden als een waardevolle invulling van dit voorzitterschap. Nederland kent immers
veel expertise en gezag op het gebied van waardevolle digitalisering. Is de regering
van plan om dit onderwerp onder haar voorzitterschap volgend jaar ter sprake te brengen?
Zo ja, welke concrete plannen zijn er om verantwoorde AI als onderwerp aan te dragen?
Welke voorbereidingen worden nu getroffen om de Nederlandse zienswijze op verantwoorde
AI zo effectief mogelijk over te brengen in verband met de 46 landen die aangesloten
zijn bij de Raad van Europa?
Antwoord
Het kabinet is momenteel bezig met de inzetbepaling voor het voorzitterschap van het
Comité van Ministers van de Raad van Europa, dat van mei tot november 2027 plaatsvindt.
Uw Kamer zal uiterlijk voor het herfstreces hierover worden geïnformeerd.
37.
Deze leden wijzen erop dat in de Raad van Europa het Kaderverdrag over kunstmatige
intelligentie, mensenrechten, democratie en de rechtsstaat is ondertekend.25 De EU heeft namens alle lidstaten dit verdrag ondertekend. Echter betekent dit dat
niet het hele Koninkrijk, inclusief Bonaire, Sint Eustatius en Saba (BES), heeft ondertekend,
maar dit alleen geldt voor Europees Nederland. Deze leden vragen het kabinet om uit
te leggen waarom zij niet met een notificatie het Kaderverdrag ook namens de BES heeft
ondertekend. Is het de wens van de BES om ook onder de reikwijdte van het Kaderverdrag
te vallen? Is het kabinet bereid om hierover in gesprek te gaan met vertegenwoordigers
van de BES, om te bezien of Nederland via een notificatie het verdrag voor dit deel
van het Koninkrijk van toepassing kan maken indien dat gewenst wordt? Wat zijn volgens
het kabinet de voor- en nadelen hiervan? Op welke termijn kan het kabinet de Kamer
informeren over deze mogelijkheid?
Antwoord
De Europese Unie heeft het Kaderverdrag op 5 september 2025 ondertekend. Voor Europees
Nederland zal de implementatie van het verdrag plaatsvinden middels EU-wetgeving.
Over de medegelding van het Kaderverdrag voor Caribisch Nederland is reeds ambtelijk
contact geweest met vertegenwoordigers van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Er is
nog geen besluit genomen. Ondertekening voor het Koninkrijk der Nederlanden zal plaatsvinden
indien daar meer duidelijkheid over bestaat en daarover een besluit is genomen. De
regering zal uw Kamer voor de zomer informeren over het vervolgtraject.
38.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie volgen de ontwikkelingen rondom leeftijdsverificatie
met een kritische blik. Zij onderstrepen volledig het belang van bescherming van minderjarigen
online, en hebben meerdere voorstellen gedaan om dit te waarborgen. Tegelijkertijd
zijn zij van mening dat beschermingsmaatregelen niet ten koste mag gaan van de online
anonimiteit, privacybescherming, en vrije toegang tot informatie die randvoorwaardelijk
zijn voor een open en vrij internet. De leden vragen de regering of haar opvatting
hierover wezenlijk verschilt van het kabinet-Schoof, en zo ja, op welke punten. Welke
wijze van online leeftijdsverificatie vindt de regering acceptabel en proportioneel?
Kan zij een praktisch beeld schetsen van hoe het door het kabinet aangekondigde leeftijdsverbod
tot 16 jaar voor sociale media er uit gaat zien? Moeten gebruikers van bijvoorbeeld
YouTube, Instagram en Snapchat zich volgens het kabinet straks als 16+ legitimeren
om van deze diensten gebruik te mogen maken? Is het gerechtvaardigd en proportioneel
als alle volwassen gebruikers straks mogelijk hun data moeten afstaan aan het techbedrijf
of de overheid om toegang te krijgen tot deze platforms?
Antwoord
Zowel dit kabinet als het vorige kabinet zien dat online leeftijdsverificatie bij
de toegang tot digitale diensten gepaard gaat met mogelijke inperkingen van rechten.
Het kabinet is zich er dan ook van bewust dat online leeftijdsverificatie op sociale
media een vergaande maatregel is, mede omdat ook alle volwassenen dienen te verifiëren
dat zij aan de gestelde leeftijdsgrens voldoen. Daarom kijkt het kabinet goed naar
de proportionaliteit van de inzet van online leeftijdsverificatie. Deze proportionaliteit
hangt onder meer af van de wijze waarop online leeftijdsverificatie wordt vormgegeven
en geïmplementeerd. Tijdens het vorige kabinet is ter ondersteuning van de afwegingen
die moeten plaatsvinden een verkenning naar de juridische, technische en organisatorische
voorwaarden van online leeftijdsverificatie in Nederland gestart. Dit kabinet verkent
momenteel nog of en hoe online leeftijdsverificatie in Nederland het beste kan worden
vormgegeven. Hierbij wordt onder andere uitgebreid gekeken naar de privacyvriendelijkheid,
toegankelijkheid, vrijwilligheid, gebruiksvriendelijkheid en de robuustheid van de
mogelijkheden tot verificatie. Aangezien de eerdergenoemde verkenning nog loopt, kan
het kabinet nog geen praktisch beeld schetsen van hoe het leeftijdsverbod sociale
media eruit gaat zien. Het kabinet verwacht de verkenning naar de mogelijkheden voor
online leeftijdsverificatie in Nederland voor het zomerreces te hebben afgerond en
zal de Kamer daarover informeren.
39.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie benadrukken dat bij zo’n grote, ingrijpende
maatregel, er zo veel mogelijk gestreefd moet worden naar uniforme regels. Dit is
nu niet het geval. Zo gelden er in Frankrijk en Denemarken al grenzen van 13 jaar,
en mogen 14- en 15-jarigen alleen met toestemming van ouders sociale media gebruiken.
Hoe kijkt het kabinet naar deze consent-constructie waarbij de begrenzing voor 14-
en 15-jarigen weer bij ouders wordt neergelegd? Hoort dit thuis in de Europese afspraken
die worden gemaakt over leeftijdsverificatie, of pleit het kabinet voor één eenduidige
Europese minimumleeftijd? Zo ja, hoe onderbouwt de regering welke leeftijd dit moet
zijn?
Antwoord
In het coalitieakkoord is het voornemen geuit voor een Europese minimumleeftijd van
15 jaar. Een geharmoniseerde aanpak is wenselijk, omdat sociale mediabedrijven over
de landsgrenzen heen opereren. Een minimumleeftijd van 15 jaar voor sociale media
komt overeen met de richtlijnen voor gezond schermgebruik, die het Ministerie van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft opgesteld voor ouders.26 Deze richtlijnen zijn opgesteld in samenwerking met een brede groep Nederlandse stakeholders,
waaronder de wetenschap en universiteiten. Het kabinet zal verder verkennen welke
constructie en welke minimumleeftijd het meest passend is.
40.
Deze leden blijven van mening dat de meest effectieve aanpak van online haat en intimidatie
uitgaat van het ingrijpend reguleren van verslavende en polariserende ontwerpkeuzes.
Zij vragen de regering om haar inzet dan ook altijd te richten op maatregelen die
voor álle gebruikers een prettige online leefwereld realiseren. Welke concrete maatregelen
wil de regering terugzien in de Digital Fairness Act? Moet deze, in lijn met de visie
van deze leden, een verbod op verslavend ontwerp bevatten?
Antwoord
Het kabinet onderschrijft dat ingezet moet worden op maatregelen die alle gebruikers
online beschermen. Daarnaast is het van belang om extra aandacht te hebben voor kwetsbare
groepen, zoals minderjarigen.
Voor wat betreft verslavend ontwerp acht het kabinet het logisch dat toezicht op de
grote sociale media platforms primair via de Digital Services Act verloopt. De voorlopige
bevindingen van de Commissie inzake TikTok bevestigen dat dit ook gebeurt.27 De Digital Fairness Act kan ingezet worden om lacunes in de huidige consumentenwetgeving
op te vullen en ervoor te zorgen dat partijen waarop de DSA niet van toepassing is
– zoals de meeste gamebedrijven – ook aan regelgeving gebonden zijn. In dit kader
pleit het kabinet in de DFA voor een verbod op verslavende ontwerptechnieken die het
welzijn van consumenten schaden en effectieve controle voor consumenten over het gebruik
van digitale diensten.
41.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie brengen ter sprake dat, naast AI en leeftijdsverificatie,
andere grote digitale ontwikkelingen in Europees verband spelen. Zij zijn verbaasd
dat de agenda geen melding maakt van de Cloud & AI Development Act (CAIDA),28 de Open Source Digital Strategy,29 of de Strategic Roadmap for Digitalisation and AI in the Energy Sector.30 Kan de regering ingaan op de tijdlijn en belangrijke beslismomenten voor deze drie
ontwikkelingen? Binnen welke gremia worden deze voorstellen nu besproken en door wie?
Vooral de CAIDA heeft de interesse van deze leden. In welke fase bevindt de CAIDA
zich nu, en wanneer verwacht het kabinet een Commissievoorstel voor deze verordening?
Welke elementen bevat deze vermoedelijk? Bevat deze ook regels over het energieverbruik
van digitale infrastructuur?
Antwoord
Het kabinet hecht groot belang aan de drie genoemde Europese digitale voorstellen,
die onderdeel uitmaken van het Tech Sovereignty Package. De Commissie legt inmiddels
de laatste hand aan deze voorstellen en het kabinet verwacht dat deze in het tweede
kwartaal van 2026 worden gepubliceerd, waarna uw Kamer op de hoogte gebracht zal worden
van het kabinetsstandpunt middels een BNC-fiche. Naar verwachting zullen de raadsonderhandelingen
over deze voorstellen al voor de zomer beginnen en het kabinet is de mening toegedaan
dat het belangrijk is om hierin een actieve rol te spelen.
De Cloud and AI Development Act (CADA) zal naar verwachting onder meer bepalingen
over de (versnelde) ontwikkeling van Europese digitale infrastructuur en soevereiniteitseisen
voor clouddiensten bevatten. Ook beoogt de CADA randvoorwaarden te scheppen voor het
realiseren van voldoende duurzame en Europese datacentercapaciteit, onder andere door
naar verwachting criteria vast te stellen voor energie-efficiëntie, watergebruik en
ruimtelijke inpassing. De CADA wordt momenteel breed besproken door de Commissie met
betrokken partijen, waaronder ministeries, overheden, lidstaten, cloud en AI dienstverleners,
en branche vertegenwoordigers.
42.
Kan de regering expliciet in gaan op de rol van de CAIDA om Europese inkoop- en aanbestedingsregels
te definiëren die het mogelijk maken om «Buy European»-beleid te voeren op het gebied
van ICT in de publieke sector? Met welke EU-lidstaten trekt het kabinet op om zich
hiervoor in te spannen, conform meerdere aangenomen Kamermoties?31
Antwoord
De CADA en de bijbehorende aanbeveling voor uniform EU-breed cloudbeleid voor cloudgebruik
door overheidsinstanties en publieke aanbestedingen zullen naar verwachting beide
gericht zijn op het stimuleren van Europese aanbieders en het verminderen van risicovolle
strategische afhankelijkheid van niet-Europese cloud- en AI-oplossingen. Naar verwachting
zal de CADA, met name voor vitale sectoren zoals de ICT in de publieke sector, aanvullende
soevereiniteitseisen introduceren. De kabinetspositie ten aanzien van een Europees
Voorkeursprincipe in aanbestedingen is met uw Kamer gedeeld op 20 november 202532. Het kabinet onderhoudt hierover actief contact met verschillende EU-lidstaten en
werkt met deze lidstaten samen om de inzet en positie ten aanzien van de CADA verder
te verkennen en te versterken. Het kabinet kan niet vooruitlopen op het nog te verschijnen
voorstel. Wanneer het voorstel door de Commissie wordt gepubliceerd, zal het kabinet
uw Kamer hierover en over de kabinetspositie volgens de staande informatieafspraken
met de Kamer middels een BNC-fiche informeren.
43.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie blijven de ontwikkelingen rondom chatcontrole
nauw volgen. Recent besloot het Europees Parlement de tijdelijke derogatie voor vrijwillige
controle niet te verlengen.33 Deze leden vragen de regering om haar positie hierover aan de Kamer toe te lichten,
met inachtneming van de aangenomen motie-Kathmann c.s.34 Hoe reageert de regering op het bericht dat techbedrijven alsnog vrijwillige chatcontrole
op hun platforms toepassen?35
Antwoord
Als de leden met «chatcontrole» doelen op de ontwikkelingen rond de interim derogatie
op de ePrivacy-richtlijn ten behoeve van de aanpak van de verspreiding van beeldmateriaal
van seksueel kindermisbruik en grooming («de interim derogatie») en de EU-Verordening
ter bestrijding van online seksueel kindermisbruik («CSAM-Verordening»), die beogen
te voorzien in een respectievelijk tijdelijk en permanent Europees rechtskader voor
het bestrijden van online kinderpornografisch materiaal, merkt het kabinet het volgende
op.
De positie van het kabinet inzake het voorstel voor de interim derogatie, is eerder
met uw Kamer gedeeld per Kamerbrief van 23 januari jl.36 In deze brief is uw Kamer medegedeeld dat het kabinet het voorstel voor een nieuwe
tijdelijke verlenging van de interim derogatie steunt, die een voortzetting is van
de huidige praktijk. Vrijwillige detectie speelt een essentiële rol in de aanpak van
online seksueel kindermisbruik in Nederland. Het voorstel dat voorlag, had tot gevolg
dat de bestaande praktijk waarbij dienstverleners de mogelijkheid krijgen dit materiaal
te detecteren, de komende twee jaar kon worden voortgezet, nu in de onderhandelingen
van de CSAM-Verordening – die moet voorzien in een permanent juridisch kader – nog
niet afgerond zijn. Gezien de ernst, omvang en gevolgen van deze vreselijke vorm van
criminaliteit is een mogelijkheid om dit te detecteren noodzakelijk. Daarbij heeft
het kabinet aangegeven te hechten aan een periodiek weegmoment ten aanzien van de
mogelijkheid van vrijwillige detectie. Nederland heeft bij de steun van het voorstel
schriftelijk verklaard geen voorstander te zijn van het inzetten van technologie voor
het detecteren van onbekend materiaal of voor het opsporen van grooming. Het kabinet
moedigt bedrijven wél aan om proportionele en effectieve maatregelen te nemen om de
verspreiding van onbekend materiaal en grooming te voorkomen. De Nederlandse inzet
is en blijft daarbij conform de kabinetsstandpunten zoals uiteengezet in de Kamerbrieven
van 18 november 202537 en 13 januari 2026 en in lijn met de motie Kathmann c.s.38
Vorige week is het de Commissie, het Europees Parlement en de Europese Raad niet gelukt
om tot een gezamenlijk akkoord te komen over verlenging van de interim-derogatie op
de ePrivacy-richtlijn. Het kabinet betreurt deze uitkomst ten zeerste. Als gevolg
hiervan is de tijdelijke wetgeving vervallen. Het wegvallen van een (tijdelijke) juridische
basis zonder alternatief leidt tot onduidelijkheid over de juridische grondslag voor
de toepassing van detectiemogelijkheden, terwijl de noodzaak om kinderen te beschermen
tegen online seksueel kindermisbruik evident is. Dit acht het kabinet onwenselijk.
De precieze gevolgen hiervan zijn op dit moment echter nog moeilijk te overzien. Zoals
wordt aangegeven in de vraag van uw fractie, hebben een aantal techbedrijven in een
statement aangegeven vrijwillige maatregelen te blijven nemen met betrekking tot hun
relevante interpersoonlijke communicatiediensten. Op dit moment is onduidelijk of
en zo ja, welke gevolgen dit gaat hebben.
44.
Deelt de regering de opvatting van deze leden dat na de stemming in het Europees Parlement,
er geen democratische legitimiteit en wettelijke basis meer is voor vrijwillige chatcontrole
door techbedrijven? Handelen de techbedrijven nu in strijd met de wet? Welke juridische
gevolgen heeft dit voor de bedrijven, nu de uitzondering op de ePrivacy-richtlijn
die dit toestond per 3 april is vervallen? Waren lidstaten op de hoogte dat deze bedrijven
vrijwillige detectie zouden blijven toepassen? Hoe wordt op zo kort mogelijke termijn
een oplossing gevonden zodat er geen chatcontrole meer wordt toegepast, en er een
juridisch houdbare, niet op surveillance-gebaseerde aanpak voor in de plaats komt?
Antwoord
Door het vervallen van de interim derogatie van de ePrivacy richtlijn is er onduidelijkheid
ontstaan over de juridische grondslag voor de vrijwillige detectie van online materiaal
van kindermisbruik. Het kabinet was voorstander van de verlenging van de tijdelijke
afwijking van de ePrivacy richtlijn, mede om te voorkomen dat die onduidelijkheid
zou ontstaan. Voor het kabinet is het daarnaast helder dat er een noodzaak bestaat
om kinderen te beschermen tegen online seksueel kindermisbruik. Nu de tijdelijke derogatie
van de ePrivacy richtlijn is komen te vervallen, geldt dat de bedrijven die hierdoor
worden geraakt voorlopig een andere grondslag zullen moeten vinden voor de voortzetting
van de vrijwillige detectie. Voor zover zij de vrijwillige detectie voortzetten of
voornemens zijn dit te doen, zullen zij dat binnen de kaders van het geldende recht
moeten doen. Daarbij zal het kabinet zich in blijven zetten om op Europees niveau
de ontstane onduidelijkheid zo snel mogelijk weg te nemen.
Hiervoor is reeds opgemerkt dat de precieze gevolgen van het vervallen van de tijdelijke
derogatie nog moeilijk te overzien zijn en op dit moment in kaart worden gebracht.
Over andere lidstaten kan het kabinet geen uitspraken doen. Nederland is niet voorafgaand
aan de stemming in het Europees Parlement op de hoogte gesteld van de precieze reacties
van bedrijven waaraan deze wetgeving raakt. Deze situatie onderstreept de urgentie
van een spoedig, permanent juridisch kader. Nederland zal zich in dat kader blijven
inzetten om te komen tot een effectief en slagvaardig Europees kader voor de aanpak
van online seksueel kindermisbruik.
45.
Tot slot merken de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie op dat de Staatssecretaris
van Economische Zaken bezoeken heeft afgelegd naar Brussel en Parijs om kennis te
maken met relevante partners op het gebied van digitalisering. Graag ontvangen de
leden nadere informatie over de aard van deze bezoeken en meer informatie over wat
er inhoudelijk besproken, afgesproken of toegezegd is in deze overleggen met betrekking
tot de Nederlandse positie over digitaal beleid.
Antwoord
Ik heb op 23 en 24 maart een gecombineerd bezoek gebracht aan Brussel en Parijs. Het
doel van dat bezoek was kennismaken met collega-Ministers en tegenhangers bij de Europese
Commissie en de OESO. Ik heb daar gedeeld welke afspraken de coalitie in het coalitieakkoord
heeft gemaakt en wat mijn portefeuille behelst. Daarbij heb ik aandacht besteed aan
digitale soevereiniteit, het versterken van onze digitale technologie en het beschermen
van onze digitale waarden, zoals ik ook met uw Kamer deelde tijdens het Wetgevingsoverleg
Digitale Zaken.
Antwoorden op de vragen van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de geannoteerde
agenda voor de informele Telecomraad en van het fiche over de Verordening Europese
Business Wallet.
46.
De leden van de CDA-fractie vernemen dat ten tijde van het verzenden van de geannoteerde
agenda aan de Kamer er nog geen discussiestukken onderliggend aan de geagendeerde
beleidsdebatten beschikbaar waren. Deze leden vragen of dit inmiddels wel het geval
is en of de regering naar aanleiding daarvan nadere informatie kan geven voor de door
haar voorgenomen inzet bij de Informele Telecomraad?
Antwoord
Op het moment van schrijven zijn de stukken zeer recent gepubliceerd. Het voorzitterschap
heeft discussievragen voorgelegd over onder andere de toepassing van AI, vereenvoudiging
van regelgeving, de mogelijkheden gecoördineerde aanpak van online leeftijdsverificatie
en het verminderen van overloopeffecten bij verstoringen in digitale infrastructuur.
Het kabinet zal langs de lijnen van de geannoteerde agenda en de beantwoording van
dit schriftelijk overleg interveniëren en uw Kamer daarover middels het verslag zo
goed mogelijk informeren over de discussie die heeft plaatsgevonden.
47.
De leden van de CDA-fractie zijn verheugd te lezen dat er bij de Informele Telecomraad
een beleidsdebat plaats zal vinden over leeftijdsverificatie en maatregelen ter bescherming
van minderjarigen online. Deze leden zijn ook zeer te spreken over de inzet uit het
coalitieakkoord voor een minimumleeftijd in Europees verband voor sociale media van
16 jaar. Deze leden vragen of de regering voornemens is om dit onderwerp ook op te
brengen bij dit beleidsdebat in de Informele Telecomraad. Hierbij vragen deze leden
ook welke andere lidstaten overwegen een leeftijdsgrens voor social media in te stellen
en of die daarbij ook een leeftijdsgrens van 16 jaar hanteren?
Het kabinet zal tijdens de Informele Telecomraad opbrengen dat Nederland voorstander
is van een Europese minimumleeftijd van 15 jaar voor sociale media met privacy-vriendelijke
online leeftijdsverificatie voor jongeren, zolang sociale media onvoldoende veilig
zijn. Verschillende lidstaten, waaronder België, Frankrijk, Spanje, Griekenland en
Denemarken, hebben wetsvoorstellen aangekondigd om een minimumleeftijd in te stellen
voor sociale media. De beoogde leeftijden variëren tussen de 13 en 16 jaar.
48.
De leden van de CDA-fractie lezen ook dat er een beleidsdebat plaats zal vinden over
AI. Deze leden vragen hoe de regering aankijkt tegen de recente oproep van onder andere
de Autoriteit Persoonsgegevens om seksuele deepfakes expliciet te verbieden via de
AI Act.
Antwoord
Het kabinet staat voor een effectieve aanpak van de seksuele deepfake-problematiek.
In de aanpak van dergelijke grensoverschrijdende uitdagingen kan een Europese benadering
effectiever zijn dan een nationale. Daarom is het positief dat hierover gesprekken
op Europees niveau worden gevoerd. Voor de Omnibus AI geldt dat zowel in de Raadspositie
als in de positie van het Europees Parlement een dergelijk verbod op AI systemen die
seksuele deepfakes kunnen genereren is opgenomen.
49.
De leden van de CDA-fractie zien de mogelijke meerwaarde van het voorstel voor een
Europese Business Wallet voor het verminderen van administratieve lasten en voor betere
grensoverschrijdende digitale dienstverlening aan bedrijven. Tegelijk achten zij uitvoerbaarheid,
veiligheid en proportionaliteit van groot belang. Deze leden lezen dat het kabinet
in algemene zin positief is over de doelstelling van het voorstel, maar ook zorgen
heeft over de uitvoerbaarheid voor publieke instanties en de samenloop met bestaande
systemen. Deze leden vragen welke concrete meerwaarde de regering op korte termijn
ziet voor Nederlandse bedrijven, in het bijzonder voor het mkb, en hoe zij borgt dat
de beoogde vereenvoudiging in de praktijk ook daadwerkelijk leidt tot een werkbare
en efficiënte digitale dienstverlening voor zowel ondernemers als betrokken overheidsorganisaties.
Antwoord
Bedrijven worden regelmatig geconfronteerd met verplichtingen uit wet- en regelgeving
en/of contractuele verplichtingen om gegevens te delen met publieke dienstverleners
of met andere bedrijven. In veel gevallen moeten hiervoor documenten worden aangevraagd
en geüpload. Dat kost veel tijd en moeite, waar met name het mkb veel last van ondervindt.
De ontvangende partij moet vervolgens de ontvangen documenten controleren op echtheid
en juistheid. Te denken valt bijvoorbeeld aan wetgeving in het kader van witwas- en
fraudebestrijding, de detacheringsrichtlijn, de aanbestedingsrichtlijn en onboardingsprocessen
zoals in e-commerce. De verwachting is dat bedrijven die een Europese Business Wallet
(hierna: EBW) gaan gebruiken hier direct voordelen van zullen ondervinden. Ook voor
de ontvangende partij zijn er voordelen. Een EBW maakt gebruik van betrouwbare gegevens
uit authentieke bronnen, waardoor de ontvangende partij minder of geen controles meer
hoeft uit te voeren. Dit verlaagt de kosten en voorkomt fraude. Omdat de EBW's interoperabel
binnen de EU zullen zijn, zal met een EBW de grensoverschrijdende digitale economie
worden versterkt, wat voor een handelsland als Nederland van groot belang is. Het
kabinet zal bij de invoering van de EBW-verordening daarom in eerste instantie de
processen faciliteren waar de grootste voordelen van te verwachten zijn. Het kabinet
zet zich ervoor in om de continuïteit van publieke dienstverlening te borgen en synergie
met bestaande Europese en nationale systemen te realiseren om de uitvoeringslasten
voor overheidsdienstverleners te minimaliseren.
50.
De leden van de CDA-fractie lezen dat het kabinet inzet op een steviger toezichtstelsel
en meer waarborgen vooraf. Deze leden vragen welke minimale eisen de regering noodzakelijk
acht om de cybersecurity en veiligheid van de Europese Business Wallet voldoende te
borgen?
Antwoord
EBW’s vormen bij invoering een essentieel deel van de Europese digitale infrastructuur.
Voor het kabinet is het in eerste instantie van belang dat de toezichthouder niet
alleen achteraf toezicht uitvoert, maar juist ook vooraf een inhoudelijke controle
uitvoert op een EBW voordat deze op de markt wordt gebracht. Het kabinet acht het
voorts van belang dat de aanbieders van EBW's passende en evenredige maatregelen nemen
om de risico’s voor de beveiliging van de netwerk- en informatiesystemen te beheersen.
In dit kader acht het kabinet het positief dat EBW's in het voorstel van 20 januari
2026 van de Commissie voor simplificatie van de NIS2-richtlijn39 onder het toepassingsbereik van de NIS2-richtlijn worden geplaatst. Daarmee is de
zorgplicht uit de NIS2-richtlijn van toepassing op de EBW’s.
51.
Tot slot lezen de leden van de CDA-fractie dat het gebruik van de Business Wallet
voor bedrijven vrijwillig blijft, terwijl publieke instanties deze wel moeten accepteren.
Deze leden vragen hoe de regering borgt dat deze vrijwilligheid in de praktijk behouden
blijft, en hoe zij de voorgestelde implementatietermijnen beoordeelt gelet op de benodigde
aanpassingen in toezicht, ICT-systemen en publieke dienstverlening.
Antwoord
Het kabinet streeft ernaar dat bij publieke dienstverlening een alternatieve methode
voor bedrijven – naast het faciliteren van het ontvangen en verzenden van gegevens
middels EBW's – beschikbaar blijft. Omdat het aanpassen van ICT-systemen van de overheid
tijd zal kosten, zet het kabinet in op een verruiming van de tijdslijnen zoals genoemd
in het voorstel voor de EBW.
Antwoorden op de vragen van rapporteur van Dijk (PVV) t.a.v. European Business Wallet
52.
Kan de Minister de commissie informeren over het eerste compromisvoorstel dat is opgesteld
onder het Cypriotisch voorzitterschap en met name waar dit voorstel al dan niet tegemoet
komt aan de kernzorgen uit het BNC-fiche, zoals nationale flexibliteit, administratieve
lasten en het pad tot implementatie?
Antwoord
Het kabinet is gebonden aan de informatie-afspraken die binnen de Raad zijn gemaakt.
De onderhandelingsstukken, waaronder de compromisteksten, zijn vertrouwelijk. Het
kabinet zal uw Kamer informeren wanneer een Raadspositie is bereikt.
53.
Kan de Minister de commissie informeren over de punten die gezien dit compromisvoorstel
nog inzet zijn van verdere onderhandelingen in relatie tot het BNC-fiche, bijvoorbeeld
rond ex-ante toezicht op aanbieders van wallets, vertrouwensdiensten en technische
walletcomponenten en mogelijke certificering, maar ook over de punten die geen inzet
meer zijn van verdere onderhandelingen?
Antwoord
De punten die het kabinet in het BNC-fiche heeft benoemd zijn de inzet bij de onderhandelingen
in de Raad. Zoals bij het antwoord op vraag 52 al is gemeld, kan het kabinet op dit
moment hierover geen nadere informatie verstrekken.
Antwoorden op de vragen van de JA21-fractie
De leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor
de Informele Telecomraad van 7 april 2026. Zij hebben een aantal vragen en opmerkingen.
De leden van de fractie van JA21 besteden graag aandacht aan de voorgestelde wijzigingen
die zijn opgenomen in de Digitale Omnibus Verordening, allereerst ten aanzien van
het verruimen van het begrip «gerechtvaardigd belang» bij AI-ontwikkeling. Dit begrip
is nader uitgewerkt in artikel 6 van de AVG. Er moet in het kader van rechtszekerheid
immers sprake zijn van een gerechtvaardigd belang om persoonsgegevens te verwerken.
54.
De leden van de fractie van JA21 vragen zich echter af of een verruiming van dit begrip
in dit kader wenselijk is. Het is lastig om te veronderstellen dat rondom AI-ontwikkeling
altijd sprake is van een gerechtvaardigd belang. Ook is onduidelijk wie of welke instantie
dit zal toetsen, aangezien toezicht vaak gebeurt nadat de verwerking al heeft plaatsgevonden.
AI-ontwikkeling kan voor kleinere bedrijven bovendien nadelig zijn aangezien enkel
grote bedrijven grootschalig gebruik kunnen maken van data. Deze leden hebben de volgende
vragen: hoe zet het kabinet zich in EU-verband in om te voorkomen dat AI-ontwikkeling
een containerbegrip wordt waarmee vrijwel elke verwerking kan worden gerechtvaardigd?
Kan het kabinet verduidelijken hoe in de praktijk getoetst zal gaan worden of het
gerechtvaardigd belang van de ontwikkelaar zwaarder weegt dan die van de burger? Kan
het kabinet toelichten hoe voorkomen wordt dat er een ongelijk speelveld ontstaat
tussen grote techbedrijven en mkb? En hoe verhoudt de verruiming van het begrip «gerechtvaardigd
belang» zich tot het doelbindingsbeginsel in het kader van AI-training?
Antwoord
Nederland heeft de Commissie vragen gesteld over de artikelen in de Digitale Omnibus
die betrekking hebben op gerechtvaardigd belang als grondslag voor AI-ontwikkeling.
Uit het door de Commissie voorgestelde artikel volgt dat er niet per definitie een
gerechtvaardigd belang aanwezig is bij het ontwikkelen van AI, maar dat nog steeds
een belangenafweging dient plaats te vinden en dat als het belang van de betrokkene(n)
prevaleert, de AI-ontwikkeling niet op de grondslag gerechtvaardigd belang gebaseerd
kan worden. In de praktijk zal het de verwerkingsverantwoordelijke blijven zijn die
moet afwegen welk belang prevaleert. De European Data Protection Board (EDPB) heeft
in haar Opinie 28/2024 handvatten gegeven hoe deze belangenafweging gemaakt kan worden
en welke aspecten hierbij van belang zijn, waaronder de verwachtingen van de betrokkenen
en de impact op betrokkenen. Het voorstel van de Commissie roept echter de vraag op
of voor gebruik van de grondslag gerechtvaardigd belang bij het verwerken van persoonsgegevens
ten behoeve van AI bijzondere, afwijkende, voorwaarden gelden. Dit draagt niet bij
aan de rechtszekerheid die met de Omnibus wordt beoogd. Nederland heeft daarom voorgesteld
dit artikel te schrappen.
55.
De leden van de fractie van JA21 hebben tevens kennisgenomen van een tweede wijziging
die is voorgesteld, die betrekking heeft op het instellen van meerdere uitzonderingen
op het verbod op verwerking (artikel 9 AVG). Kan het kabinet toelichten welke waarborgen
worden gesteld om te voorkomen dat een uitzondering voor AI-training leidt tot een
zeer brede verwerking van bijzondere persoonsgegevens?
Antwoord
Het kabinet ziet dat bijzondere persoonsgegevens aanvullende bescherming verdienen
wegens het gevoelige karakter van deze gegevens. Het gaat immers om gegevens die betrekking
hebben op zeer gevoelige categorieën gegevens zoals ras, religie of seksuele geaardheid.
De AVG biedt deze bescherming, onafhankelijk van de gebruikte technologie, door de
verwerking van bijzondere persoonsgegevens te verbieden, tenzij voldaan wordt aan
strikte voorwaarden.
De voorgestelde uitzondering op het verwerkingsverbod, heeft betrekking heeft op «residuele»
bijzondere persoonsgegevens. Dit zijn bijzondere persoonsgegevens die, ondanks het
nemen van strikte technische en organisatorische maatregelen om te voorkomen dat zij
worden verwerkt, onbedoeld worden verwerkt bij de ontwikkeling en de exploitatie van
een AI-systeem. Het voorgestelde artikel 9 lid 5 verplicht de verwerkingsverantwoordelijke
in beginsel de residuele bijzondere persoonsgegevens te verwijderen. De uitzondering
op het verbod «residuele» gegevens te verwerken, geldt daarbij slechts indien de nodige
technische en organisatorische maatregelen zijn genomen en het verwijderen van de
gegevens onevenredig veel moeite vergt. In dat geval dient tevens te worden voorkomen
dat deze gegevens worden gebruikt om resultaten te produceren, worden bekendgemaakt
of anderszins ter beschikking van derden worden gesteld.
De EDPS/EDPB uit in haar opinie over de Digitale Omnibus begrip voor deze voorgestelde
uitzondering voor AI op het verwerkingsverbod voor bijzondere persoonsgegevens. Bij
het verzamelen voor het trainen, testen en valideren van gegevens voor bepaalde AI-systemen
of modellen, zou het niet altijd mogelijk zijn voor een verwerkingsverantwoordelijke
om residuele en incidentele verwerking van bijzondere persoonsgegevens te voorkomen.
De EDPS/EDPB richten zich daarom in hun opinie op het verduidelijken van de voorgestelde
bepaling, ten behoeve van rechtszekerheid. Het kabinet maakt een andere afweging,
in lijn met het uitgangspunt in de AVG dat de door de AVG geboden bescherming technologieneutraal
behoort te zijn. De bescherming van natuurlijke personen dient niet afhankelijk te
worden gesteld van de gebruikte technologieën, om te voorkomen dat een ernstig risico
op omzeiling zou ontstaan. Bovendien is technologie-neutrale regelgeving in de regel
toekomstbestendiger, doordat de wetgeving zich kan aanpassen aan veranderingen in
technologie en de gevolgen daarvan in de loop der tijd, in plaats van gebonden te
zijn aan (aannames) over specifieke, mogelijk verouderde, technologieën. Gelet op
het voorgaande heeft het kabinet voorgesteld om deze bepaling te schrappen.
56.
In de onderhandelingen wordt tevens gesproken over een mogelijkheid om bijzondere
categorieën van persoonsgegevens te verwerken voor het detecteren en corrigeren van
bias in AI-systemen. De leden van JA21 erkennen het belang van het voorkomen van discriminatie
door AI, maar vragen zich af hoe wordt voorkomen dat deze bevoegdheid leidt tot een
structurele verwerking of opslag van gevoelige persoonsgegevens. Kan het kabinet toelichten
welke concrete waarborgen worden voorzien om te verzekeren dat deze gegevens uitsluitend
worden gebruikt wanneer dat strikt noodzakelijk is?
Antwoord
Er lijkt in de onderhandelingsfase van de Omnibus AI voldoende steun te bestaan om
deze bevoegdheid te limiteren tot verwerkingen die strikt noodzakelijk zijn voor het
detecteren, corrigeren en voorkomen van bias die waarschijnlijk de gezondheid en veiligheid
van personen aantast, grondrechten schaadt of tot discriminatie leidt. Dit is in lijn
met het gezamenlijke advies van het Europees Comité voor Gegevensbescherming (EDPB)
en de Europese Toezichthouder voor Gegevensbescherming (EDPS). Bovendien moet, naast
de eis van strikte noodzakelijkheid, ook worden voldaan aan alle voorwaarden van artikel 1(5)
van de Omnibus AI, zoals het treffen van maatregelen om de beveiliging en bewaartermijnen
van bijzondere categorieën van persoonsgegevens te waarborgen. Daarnaast kunnen deze
gegevens uitsluitend worden gebruikt indien de aanbieder aantoont dat het detecteren,
corrigeren en voorkomen van bias niet met andere categorieën van gegevens mogelijk
is. Met deze aanvullende waarborgen acht het kabinet de bevoegdheid proportioneel
aan het doel, temeer daar bias in AI-systemen op zichzelf ook grondrechten kan schaden.
De leden van de fractie van JA21 willen graag onder de aandacht brengen dat naar hun
mening niet enkel binnen de DSA, maar ook binnen de AI-Verordening sprake is van te
brede regelgeving. Aangezien bij de AI-Verordening een zeer ruime definitie van AI-systemen
wordt gehanteerd, vallen ook AI-systemen die weinig met AI van doen hebben hieronder.
De leden van de fractie van JA21 wensen ook stil te staan bij artikel 3 van de AI
Act. Dit artikel gaat over de introductie van de categorie Small Mid-Caps. De voorgestelde
verruiming naar ondernemingen met minder dan 750 werknemers en een omzet tot € 150 miljoen
betekent een aanzienlijke uitbreiding ten opzichte van de eerdere definitie. Het gaat
hier om bedrijven die beduidend groter zijn dan het traditionele mkb, maar die wel
vergelijkbare privileges krijgen, zoals vereenvoudiging van technische documentatie.
Dat roept de vraag op of hiermee het gelijke speelveld niet onder druk komt te staan.
Kleinere bedrijven beschikken immers over minder middelen, terwijl grotere ondernemingen
binnen deze nieuwe categorie mogelijk profiteren van dezelfde lastenverlichting.
De leden van de fractie van JA21 willen eveneens aandacht besteden aan artikel 4 over
AI-geletterdheid. Waar eerder sprake was van een bindende verplichting voor aanbieders
en gebruikers om te zorgen voor voldoende AI-vaardigheden bij personeel, wordt dit
nu afgezwakt naar een inspanningsverplichting voor lidstaten om dit te «stimuleren».
Dat verlaagt de administratieve lasten, maar brengt ook risico’s met zich mee. Personeel
kan minder goed voorbereid zijn op de inzet en de risico’s van AI. Dat raakt niet
alleen de kwaliteit en veiligheid, maar ook de concurrentieverhoudingen. Bedrijven
die investeren in AI-vaardigheden maken kosten die anderen mogelijk niet maken. De
leden van de fractie van JA21 hebben een aantal vragen:
57.
Kan het kabinet toelichten in hoeverre deze verruiming kan leiden tot concurrentie
ten opzichte van kleinere mkb-bedrijven? Is er inmiddels een kabinetsstandpunt ingenomen
over de proportionaliteit van deze voordelen voor Small Mid-Caps? Zo ja, hoe luidt
dat standpunt? En zo nee, wanneer kan de Kamer hierover duidelijkheid verwachten?
Antwoord
Net als voor mkb-bedrijven, kunnen de administratieve lasten van het voldoen aan verschillende
stukken regelgeving voor Small Mid-Caps zwaar wegen. Om te voorkomen dat mkb-bedrijven
tegen een administratieve drempel oplopen op het moment dat zij doorgroeien naar een
Small Mid-Cap, is er in de Omnibus AI voor gekozen om aantal administratieve lasten
te versoepelen. Dit gaat onder andere om een versimpelde versie van de technische
documentatie en het kwaliteitsmanagementsysteem. Omdat dit juist een belemmering voor
doorgroeien van mkb-bedrijven wegneemt, ziet het kabinet deze uitbreiding als een
proportionele maatregel.
58.
Kan het kabinet eveneens toelichten hoe beoordeeld gaat worden welke systemen daadwerkelijk
onder de brede definitie van AI in de AI-verordening vallen? En welke maatregelen
worden genomen om te voorkomen dat beperkt AI-gerelateerde systemen onnodig zwaar
gereguleerd worden?
Antwoord
De definitie van AI is gezien de snelle technologische ontwikkelingen en de brede
reikwijdte aan technieken die onder de term «AI» vallen op een manier geformuleerd
die toekomstbestendig is. Deze definitie is gebaseerd op de definitie van AI van de
OESO. Om te helpen bij de beoordeling of een systeem als AI kwalificeert of niet,
heeft de Commissie een richtsnoer uitgebracht waarin elk aspect van de definitie wordt
toegelicht. Hierin wordt ook verduidelijkt dat bepaalde systemen die uitsluitend op
door mensen vastgestelde regels zijn gebaseerd om automatisch handelingen uit te voeren,
bijvoorbeeld niet onder de definitie van AI in de AI-verordening vallen. De richtsnoer
geeft ook een aantal expliciete voorbeelden van technieken die hieronder kunnen vallen,
zoals systemen voor het verbeteren van wiskundige optimalisatie of standaard dataverwerkingen.
Hoewel de definitie van AI breed geformuleerd is, stelt de AI-verordening alleen eisen
aan AI-systemen die vanwege hun aard of toepassing voor risico’s voor de gezondheid,
veiligheid en mensenrechten kunnen zorgen. Dat zijn de categorieën verboden AI, hoog-risico
AI, AI met transparantie risico’s en AI modellen voor algemene doeleinden. Het overgrote
deel van de AI-systemen valt buiten deze categorieën en zal daardoor niet aan eisen
uit de AI-verordening hoeven te voldoen.
59.
Kan het kabinet verder verduidelijken welke concrete verplichtingen voor organisaties
voortvloeien uit de bepalingen over AI-geletterdheid, en hoe wordt voorkomen dat deze
verplichtingen leiden tot extra administratieve lasten voor mkb-bedrijven? AI-geletterdheid gaan monitoren nu dit geen bindende verplichting meer
is?
Antwoord
De huidige tekst van de AI-verordening vereist dat aanbieders en exploitanten van
AI-systemen maatregelen nemen om te zorgen voor een toereikend niveau van AI-geletterdheid
bij hun personeel en andere personen die namens hen betrokken zijn bij de exploitatie
en het gebruik van AI-systemen. Het Omnibus AI-voorstel is erop gericht meer duidelijkheid
te bieden aan partijen die AI-geletterdheid in de praktijk moeten implementeren, zoals
mkb-bedrijven en overheden. In de praktijk kunnen het gewenste niveau en de aard van
AI-geletterdheid sterk variëren, afhankelijk van de context en het type AI-systeem
dat wordt ingezet. Het uitgangspunt is dan ook om te komen tot meer uniformiteit en
duidelijkheid over hoe aan deze verplichting kan worden voldaan, juist om helderheid
en zekerheid te bieden en de administratieve lasten te beperken.
60.
Kan het kabinet tot slot toelichten hoe toezichthouders het niveau van AI-geletterdheid
gaan monitoren nu dit geen bindende verplichting meer is? En hoe wordt voorkomen dat
verschillen in investeringen in AI-vaardigheden leiden tot oneerlijke concurrentie
tussen bedrijven? Acht het kabinet het wenselijk dat er op Europees niveau minimale
normen of richtsnoeren komen om een gelijk speelveld te waarborgen?
Antwoord
De beoogde rol van toezichthouders in Nederland en de borging van AI-geletterdheid
maken onderdeel uit van de uitvoeringswet AI-verordening. Het wetsvoorstel daarvoor
wordt nog deze maand gepubliceerd voor consultatie. In het wetsvoorstel worden de
nationale bevoegde autoriteiten aangewezen die verantwoordelijk zullen zijn voor het
markttoezicht en de handhaving bij overtredingen van de AI-verordening. Over het beoogde
toezichtstelsel wordt uw Kamer de komende periode per brief geïnformeerd. Zoals ook
vermeld in het BNC-fiche van november vorig jaar, steunt het kabinet de inspanningen
om de verplichting rondom AI-geletterdheid te verduidelijken of organisaties te ondersteunen
bij het voldoen aan deze verplichting. Het kabinet moedigt de ontwikkeling van Europese
richtsnoeren voor AI-geletterdheid dan ook aan. Zo heeft de Commissie momenteel al
een verzamelplaats voor goede praktijken rondom AI-geletterdheid in verschillende
lidstaten.40
61.
De leden van de fractie van JA21 stellen graag enkele vragen over de herziening van
de CSA. De nieuwe voorstellen hebben namelijk tot gevolg dat lidstaten minder autonomie
krijgen om zelf af te wegen welke veiligheidsmaatregelen nodig zijn. Nederlandse bedrijven
dreigen zo met meer verplichtingen en hogere kosten geconfronteerd te worden. De Europese
Commissie wil een centrale aanpak hanteren, aangezien zij cyberdreigingen als grensoverschrijdend
probleem ziet. Kan het kabinet toelichten hoe wordt gewaarborgd dat lidstaten zoals
Nederland hun eigen veiligheidsafwegingen kunnen blijven maken, zonder dat de digitale
autonomie en innovatie van Nederlandse bedrijven wordt beperkt?
Antwoord
Het kabinet onderschrijft dat cyberdreigingen in toenemende mate grensoverschrijdend
zijn en een gezamenlijke Europese aanpak vereisen. Een geharmoniseerde Europese aanpak
zorgt voor een gelijk speelveld voor bedrijven op de Europese markt en beperkt gefragmenteerde
regelgeving waarbij bedrijven in elke lidstaat aan andere regels moeten voldoen. Tegelijkertijd
benadrukt het kabinet dat nationale veiligheid op grond van het Verdrag betreffende
de Europese Unie een uitsluitende verantwoordelijkheid is van de lidstaten. Lidstaten
dienen altijd ruimte te blijven houden om ten behoeve van de nationale veiligheid
eigenstandige afwegingen te maken of aanvullende eisen te stellen. Ook moeten de maatregelen
proportioneel zijn en geen onnodige regeldruk voor bedrijven veroorzaken. In de onderhandelingen
zet het kabinet daarom in op een risico-gebaseerde benadering, en benadrukt het kabinet
het belang van proportionaliteit: verplichtingen moeten aansluiten bij de aard, omvang
en risico’s van organisaties, met bijzondere aandacht voor het midden- en kleinbedrijf.
Tot slot benadrukt het kabinet dat regelgeving innovatie niet mag belemmeren. Daarom
wordt ingezet op technologieneutrale normen en wordt actief het gesprek gevoerd met
het Nederlandse bedrijfsleven om knelpunten tijdig te signaleren en bij de onderhandelingen
te adresseren.
62.
De leden van de fractie van JA21 willen ten slotte de rechtsgevolgen van de EBW onder
de aandacht brengen. Deze leden maken zich zorgen over de mogelijke juridische uitwassen.
De EBW zal worden gebruikt bij rechtshandelingen met soms zeer ingrijpende rechtsgevolgen.
Het is dan ook van belang om duidelijk in kaart te brengen hoe het onboardingsproces
wordt ingericht. Juist in deze fase wordt namelijk vastgelegd welke onderneming toegang
krijgt tot de wallet en welke bevoegdheden daaraan zijn gekoppeld. Kan het kabinet
toelichten welke waarborgen worden voorzien in het onboardingsproces van het EBW om
te voorkomen dat onjuiste of onbevoegde entiteiten toegang krijgen tot de wallet,
en hoe wordt omgegaan met aansprakelijkheid indien hier toch fouten optreden?
Antwoord
Het kabinet deelt het belang dat wordt gehecht aan een zorgvuldig onboardingsproces.
Naar de mening van het kabinet dient daarbij de koppeling met de relevante registers
zoals het handelsregister en de identiteitsvaststelling op een hoog niveau te geschieden
om te borgen dat EBW's aan de juiste en bevoegde entiteit worden uitgegeven. Uitgevers
van EBW's dienen te voldoen aan de eisen van vertrouwensdienstverleners uit de eIDAS-verordening,
inclusief de eisen op het gebied van aansprakelijkheid.
Antwoorden op de vragen van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de
informele Telecomraad. Zij hebben hiertoe nog enkele vragen en opmerkingen.
De leden van de BBB-fractie onderschrijven het belang van Europese samenwerking op
het gebied van AI, met name waar het gaat om het versterken van het verdienvermogen
en de strategische autonomie van Europa. Tegelijkertijd vinden deze leden dat ambities
alleen waarde hebben als ze worden omgezet in concrete investeringen en duidelijke
keuzes, juist ook in Nederland. De leden hebben hierover de volgende vraag:
63.
Wat is de verwachting van de Staatssecretaris over de groeiende vraag naar rekencapaciteit
in Nederland en Europa? En zien zij in Europees verband schaarste ontstaan, nu en/of
in de toekomst?
Antwoord
Duidelijk is dat de vraag naar AI rekencapaciteit wereldwijd sterk toeneemt, zowel
voor het trainen van AI-modellen als voor het gebruik ervan. De precieze ontwikkeling
van deze vraag is echter moeilijk te voorspellen, omdat deze sterk afhankelijk is
van het type toepassing en van technologische ontwikkelingen, zoals veranderingen
in chiparchitecturen. Daarnaast bestaat er een groot verschil in het gebruik van rekencapaciteit
tussen het trainen en finetunen van modellen enerzijds en het toepassen van modellen
(inferentie) anderzijds. Met name grootschalige training vereist zeer veel rekenkracht.
Om beter inzicht te krijgen op de rekenbehoefte binnen de overheid, wordt deze momenteel
nader in kaart gebracht.
Daarnaast wordt er in Europees verband gewerkt aan de opschaling van de rekencapaciteit
via de EuroHPC Joint Undertaking. Met zowel een netwerk van AI-fabrieken als AI-gigafabrieken
wordt deze capaciteit verder uitgebreid. Ook is er een groeiend commercieel aanbod
van AI- en cloudcapaciteiten in Europa.
64.
Hoe waarborgt de Staatssecretaris dat deze AI-infrastructuur en de bijbehorende subsidies
daadwerkelijk terechtkomen bij innovatieve Nederlandse mkb-bedrijven en niet enkel
ten goede komen aan de «Big Tech» uit het buitenland of grote academische clusters
in de Randstad?
Antwoord
De AI-fabriek in Groningen is bedoeld voor gebruik door innovatief mkb, naast onderzoekers
en overheden. Grote bedrijven kunnen eventueel meedenken met aanvragen voor rekenkracht,
die door onderzoekers worden gedaan. Deze voorwaarden zijn geborgd en worden gemonitord
op basis van een beschikking van EZK met het consortium dat de AI-fabriek gaat realiseren
en gaat beheren.
Verder zet Nederland zet in op een sterk nationaal AI-ecosysteem en investeringen
in onderzoek en innovatie. De AI Coalitie voor Nederland (480 organisaties) speelt
een belangrijke rol in kennisdeling en het investeringsprogramma AiNed investeert
met € 189 mln. uit het groeifonds tot 2030 in kennis, innovatie en talent voor AI.
Via generieke instrumenten als de Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk (WBSO)
en Mkb-innovatiestimulering Regio en Topsectoren (MIT)-regeling kunnen (mkb-)bedrijven
ook aan AI-kansen werken.
65.
In hoeverre is de Staatssecretaris bereid om bij deze projecten de Nederlandse cybersecuritybedrijven
voorrang te geven boven buitenlandse cloud-leveranciers, om onze digitale soevereiniteit
echt te borgen?
Antwoord
Het versterken van de Nederlandse en Europese techmarkt, waaronder voor cybersecurity,
is een prioriteit voor dit kabinet. Om digitale soevereiniteit meer mee te wegen in
aanbestedingen, zet het kabinet bij de Europese onderhandelingen voor de nieuwe aanbestedingsrichtlijnen
in op meer ruimte om te kiezen voor Europese alternatieven in strategische sectoren.
Tegelijkertijd beziet het kabinet mogelijkheden om binnen bestaande aanbestedingskaders
soevereiniteitseisen bij aanbesteding te bevorderen, zoals het versterken van de regie
op leveranciers en het beter informeren van bestuurders over mogelijkheden binnen
bestaande wetgeving. Vanuit aanbestedingswetgeving en een goede werking van de interne
markt is het niet mogelijk om Nederlandse bedrijven te bevoordelen boven die uit andere
Europese lidstaten.
Ten aanzien van de bescherming van minderjarigen online steunen de leden van de BBB-fractie
het uitgangspunt dat kinderen beschermd moeten worden in de digitale wereld. Dit is
een gedeelde verantwoordelijkheid met ouders van kinderen. Tegelijkertijd achten zij
het van groot belang dat maatregelen uitvoerbaar en proportioneel zijn. De Staatssecretaris
stelt dat leeftijdsverificatie nodig kan zijn om kinderen beter te beschermen op sociale
media. Tegelijkertijd betekent effectieve leeftijdsverificatie in de praktijk dat
alle gebruikers zich moeten identificeren om hun leeftijd te bewijzen.
De leden hebben hierover de volgende vraag:
66.
Hoe voorkomt de Staatssecretaris dat leeftijdsverificatie leidt tot onnodige inbreuken
op privacy of tot praktische problemen voor gebruikers en aanbieders, en welke inzet
kiest Nederland hierin richting de Europese Commissie? Hoe voorkomt de Staatssecretaris
dat hierdoor feitelijk een algemene identificatieplicht op internet ontstaat, waarbij
ook volwassenen hun identiteit moeten prijsgeven om gebruik te maken van online diensten,
met alle risico’s voor privacy en dataveiligheid van dien?
Kan de Staatssecretaris garanderen dat leeftijdsverificatie niet leidt tot centrale
registratie of monitoring van het surfgedrag van burgers?
Antwoord
Het kabinet verkent momenteel of en hoe online leeftijdsverificatie in Nederland het
beste kan worden vormgegeven. Hierbij wordt goed gekeken naar de proportionaliteit
en het voorkomen van privacy inbreuken en praktische problemen voor gebruikers en
aanbieders.
Het kabinet is van mening dat online leeftijdsverificatie moet zien op het geanonimiseerd
verifiëren van de leeftijd en het uitgeven van een leeftijdsbewijs aan de vragende
partij. Hierbij gaat het om een leeftijdsbewijs dat aangeeft dat de vragende persoon
«wel» of «niet» voldoet aan een bepaalde leeftijdsgrens. Alle andere persoonsgegevens
van de persoon die het leeftijdsbewijs aanvraagt, zoals de exacte geboortedatum of
naam, worden niet gedeeld. Van een identificatieplicht op het internet is hierbij
dus geen sprake, burgers delen met het sociale media platform alleen of ze wel of
niet voldoen aan de gestelde leeftijdsgrens. Belangrijk is daarnaast dat er alternatieve
methoden hiervoor zijn, zodat gebruikers kunnen kiezen hoe zij hun leeftijd aantonen.
Bij de verkenning naar of en hoe online leeftijdsverificatie in Nederland het beste
kan worden vormgegeven wordt meegenomen dat het niet mogelijk moet worden om het surfgedrag
van burgers te monitoren. Het tegengaan van zogenaamde «linkability» is een hoofdprioriteit
bij de verkenning, en een randvoorwaarde voor het al dan niet implementeren van online
leeftijdsverificatie in Nederland. Van centrale registratie van surfgedrag is eveneens
geen sprake bij de mogelijkheden die worden verkend.
67.
De EU Business Wallet moet grensoverschrijdend zakendoen makkelijker maken, maar de
financiële impact voor medeoverheden baart de BBB-fractie zorgen. De Europese Commissie
schat de opstartkosten per overheidsinstantie op circa € 76.500, maar het kabinet
verwacht dat de werkelijke kosten veel hoger zullen uitvallen. Waarom stemt Nederland
in met een verplichte acceptatie voor publieke instanties (waaronder gemeenten en
provincies) zonder dat er een harde garantie is dat het Rijk deze kosten volledig
dekt?
Hoe voorkomen we dat de verplichte acceptatie van de Business Wallet bij lokale overheden
leidt tot de sluiting van fysieke loketten of papieren alternatieven, wat de toegankelijkheid
van de overheid voor minder digitaal vaardige ondernemers in de regio ondermijnt?
Antwoord
Het kabinet onderkent de zorgen van de BBB-fractie over de financiële impact van de
voorgestelde verplichtingen voor medeoverheden. Hoewel het voorstel op belangrijke
punten aansluit bij Nederlandse beleidsdoelen, zoals het verminderen van regeldruk
voor bedrijven en het verbeteren van publieke dienstverlening, zijn de precieze financiële
gevolgen nog niet bekend. Dit is inherent aan de onderhandelingen over wetsvoorstellen.
De exacte impact zal van de definitief overeengekomen verordening afhangen.
Het kabinet heeft in de Raad nog geen definitieve instemming verleend aan de verplichtingen
zoals voorgesteld door de Commissie. In de onderhandelingen zet het kabinet er nadrukkelijk
op in dat de financiële en uitvoeringslasten proportioneel zijn en in redelijke verhouding
staan tot de beoogde baten. Daarbij wordt specifiek aandacht gevraagd voor de positie
van medeoverheden. Conform de regels van budgetdiscipline worden de budgettaire gevolgen
in beginsel ingepast op de begrotingen van de betrokken departementen. Tegelijkertijd
wordt bezien hoe kan worden voorkomen dat kosten onevenredig worden afgewenteld op
medeoverheden. Het kabinet acht het van belang dat hierover tijdig duidelijkheid bestaat.
De voorgestelde verordening biedt lidstaten ruimte om alternatieve vormen van dienstverlening
te blijven aanbieden. Het kabinet zal zich ervoor inzetten dat deze ruimte behouden
blijft en expliciet wordt gewaarborgd, zodat ondernemers die minder digitaal vaardig
zijn of de voorkeur geven aan andere vormen van dienstverlening, toegang blijven houden
tot overheidsdiensten.
68.
Nederland uit in de verslagen grote zorgen over een centraal Europees meldpunt voor
cybersecurity-incidenten. Waarom wordt er op Europees niveau überhaupt nog onderhandeld
over de centralisatie van incidentmeldingen (NIS2/CER), terwijl dit een evident risico
vormt voor de nationale veiligheid en de soevereiniteit van lidstaten over hun eigen
vitale infrastructuur?
Antwoord
Het kabinet deelt de zorgen ten aanzien van het voorstel van de Commissie om middels
een centraal Europees meldpunt een deel van de dienstverlening rondom incidentenafhandeling
naar Europees niveau te verschuiven, in het bijzonder waar het gaat om meldingen onder
de NIS2- en CER-richtlijnen. Samen met gelijkgezinde lidstaten zet Nederland zich
op Europees niveau daarom actief in om het voorstel van de Commissie te schrappen
dan wel te wijzigen. Bijvoorbeeld middels de opstelling van een recent non-paper41, dat op 9 maart jl. met uw Kamer is gedeeld. Hierbij benadrukt het kabinet dat nationale
meldstructuren, waarbij lidstaten de directe en enige ontvanger van incidentinformatie
blijven, behouden moeten blijven.
69.
Tot slot constateren de leden van de BBB-fractie dat uit de verslaglegging van de
laatste Raad Concurrentievermogen blijkt dat de Nederlandse inzet rondom de Digital
Fairness Act (DFA) vragen oproept. Deze leden signaleren een ogenschijnlijke tegenstrijdigheid
in de Nederlandse non-paper, waarin enerzijds wordt ingezet op handhaving en vereenvoudiging
van bestaande regels, terwijl anderzijds wordt gepleit voor nieuwe regelgeving. Dit
lijkt bovendien af te wijken van de door de Kamer aangenomen moties die juist inzetten
op handhaving en versimpeling. De leden hebben hierover de volgende vragen:
Kan de Staatssecretaris toelichten waarom zij in de praktijk met de non-paper over
de DFA inzet op nieuwe regelgeving, terwijl de Kamer zich expliciet heeft uitgesproken
voor handhaving en vereenvoudiging van bestaande regels? Op welke wijze geeft de Staatssecretaris
met deze inzet uitvoering aan de aangenomen moties (Vermeer/Martens-America) die oproepen
tot vereenvoudiging en consolidatie van het bestaande digitale regelgevingskader,
en hoe wordt geborgd dat de politieke richting van de Kamer hierin leidend blijft?
Antwoord
Met de Digital Fairness Act (DFA) wordt het bestaande consumentenrecht aangepast.
In het Nederlandse non-paper over de DFA zet het kabinet primair in op handhaving
van bestaande Europese regelgeving in het digitale domein, zoals de Digital Services
Act (DSA). Daarnaast is een belangrijk onderdeel van de inzet het creëren van meer
samenhang tussen het consumentenrecht enerzijds en regelgeving zoals de DSA anderzijds.
Een voorbeeld hiervan is het overnemen van de definitie van dark patterns uit de DSA
in het consumentenrecht. Hierdoor ontstaat een Europees geharmoniseerd kader en kan
overlap, inconsistente en verdere fragmentatie worden tegengegaan.
Naast deze inzet op duidelijke consistente wetgeving, staat de bescherming van consumenten
en met name minderjarigen centraal. Zo signaleert het kabinet in het non-paper een
aantal schadelijke online handelspraktijken waar het huidige kader van wet- en regelgeving
onvoldoende bescherming tegen biedt, zoals verslavend ontwerp van digitale diensten
en schadelijke handelspraktijken in games. Het kabinet roept daarom op om de DFA als
gerichte maatregel te gebruiken om deze handelspraktijken aan te pakken, om zo lacunes
in de huidige wetgeving te vullen. Hiermee wordt mede invulling gegeven aan verschillende
door de Tweede Kamer aangenomen moties.42
70.
Kan de Staatssecretaris garanderen dat de voorgestelde wijzigingen in de Digitale
Omnibus niet slechts leiden tot een technische herschikking van regels, maar tot daadwerkelijke
schrapping van regels die de productiviteit van mkb-ondernemers remmen?
Antwoord
Het kabinet erkent dat kleinere bedrijven andere uitdagingen ervaren dan grote bedrijven
met betrekking tot regeldruk. Grotere bedrijven zijn over het algemeen beter in staat
dan kleine bedrijven om complexe regelgeving zelfstandig te interpreteren en toe te
passen. Kleinere bedrijven hebben baat bij heldere kaders en ondersteuning die het
makkelijker maakt regels na te leven. Zowel binnen de nationale als de Europese agenda
voor betere regelgeving is daarom bijzondere aandacht voor het mkb. De omnibussen
zijn onderdeel van de agenda voor betere regelgeving en bevatten daarom verschillende
aanpassingen die er specifiek op zijn gericht naleving van de regels door mkb of Small
Mid-Caps bedrijven makkelijker te maken. Het kabinet noemt in het BNC-fiche dat een
aantal voorstellen uit de omnibussen mogelijk niet effectief de regeldruk verlagen.
Bij verschillende van deze voorstellen, zoals het Europees meldpunt, bepaalde wijzigingen
aan de AVG en de uitzonderingen in de Dataverordening op de bepalingen over overstappen
tussen clouddiensten, verwacht het kabinet dat deze met name voor het mkb geen lastenverlichting
zullen opleveren. Deze voorstellen lijken de complexiteit van (het naleven van) wetgeving
te verhogen of creëren complexe uitzonderingen waar kleinere bedrijven waarschijnlijk
minder snel gebruik van zullen maken.
71.
En waarom wordt er ingestemd met fundamentele wijzigingen in de AVG (zoals het toestaan
van AI-training op bijzondere persoonsgegevens zonder expliciete toestemming) terwijl
het kabinet zelf erkent dat er geen bewezen bijdrage is aan het verlagen van de regeldruk?
Is dit niet het paard achter de wagen spannen ten koste van de privacy?
Antwoord
Op dit moment lopen de onderhandelingen over de wijzigingen die betrekking hebben
op de AVG en heeft Nederland nog niet ingestemd met de voorgestelde wijzigingen in
de AVG. Nederland heeft met betrekking tot fundamentele wijzigingen vragen gesteld
aan de Commissie, onder andere over hoe deze bijdragen aan het verlagen van regeldruk.
Daarnaast heeft Nederland verschillende amendementen ingediend om te zorgen dat de
voordelen van de AVG behouden blijven. Nederland zal dan ook het uiteindelijk behaalde
onderhandelingsresultaat wegen bij het bepalen van haar oordeel.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
R.J. Dekker, voorzitter van de vaste commissie voor Digitale Zaken -
Mede ondertekenaar
S.R. Muller, adjunct-griffier