Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden : Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden
36 915 XVI Wijziging van de begrotingsstaten van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (XVI) voor het jaar 2026 (wijziging samenhangende met de Voorjaarsnota)
Nr. 3
VERSLAG HOUDENDE EEN LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN
Vastgesteld 20 april 2026
De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport, belast met het voorbereidend
onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer verslag uit te brengen in de vorm
van een lijst van vragen met de daarop gegeven antwoorden.
De vragen zijn op 9 april 2026 voorgelegd aan de Minister en Staatssecretaris van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Bij brief van 17 april 2026 zijn ze door de Minister
en de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport beantwoord.
Met de vaststelling van het verslag acht de commissie de openbare behandeling van
het wetsvoorstel voldoende voorbereid.
De voorzitter van de commissie, Mohandis
Adjunct-griffier van de commissie, Heller
Vraag 1:
Hoe is in de Voorjaarsnota invulling gegeven aan de aangenomen motie-Van Dijk c.s.
(Kamerstuk 36 800 XVI-134) over aanvullende financiering voor de vernieuwing van Herinneringscentrum Kamp Westerbork?
Antwoord: 1
De aangenomen motie weerspiegelt de brede wens van de Tweede Kamer om van Herinneringscentrum
Kamp Westerbork een toekomstbestendige plek te maken. Het kabinet zal hier welwillend
mee aan de slag gaan. Vooralsnog ontbreekt dekking om uitvoering te geven aan de motie.
Daarbij wil het kabinet eerst inzicht in de resultaten van de eerdere financiële bijdrage
voor de vernieuwing. Zo kan beter worden ingeschat wat financieel verder nog nodig
is. De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport zal aankomend jaar in gesprek
met Herinneringscentrum Kamp Westerbork en andere financiers kijken hoe de verdere
vernieuwing kan worden gerealiseerd.
Vraag 2:
Kan worden toegelicht hoeveel ambtenaren er gemiddeld ontslagen moeten worden om de
efficiency taakstelling te behalen?
Antwoord: 2
Op dit moment is nog niet aan te geven of en zo ja hoeveel ontslagen noodzakelijk
zijn om de taakstelling te realiseren. Dit hangt onder andere af van het natuurlijk
verloop en de exacte verdeling van de taakstelling over het departement. Momenteel
is de efficiencytaakstelling technisch ingevuld. Hierbij is een verdeling naar rato
gemaakt van de apparaatsbudgetten voor het kerndepartement, de inspecties, raden en
de uitvoeringsorganisaties. De komende tijd zal worden bezien of herschikking van
deze technische invulling nodig is.
Vraag 3:
Waarin zit het verschil tussen de € 177 miljoen investeringen in pandemische paraatheid
die wordt genoemd in de Kamerbrief Pakket Pandemische Paraatheid en de € 162 miljoen
in de Voorjaarsnota?
Antwoord: 3
Op de VWS-begroting is structureel 177 miljoen euro beschikbaar gesteld. In de toelichting
van de voorjaarsnota wordt de uitbreiding van Mobiel Medische Teams (MMT) apart weergegeven,
waardoor deze niet in de totaalsom van de regel (pandemische) paraatheid is opgenomen.
Dit vormt een gedeelte van het gehele pakket (pandemische) paraatheid. Dit komt overeen
met de toelichting in de brief die naar de Kamer is verstuurd1. In de eerste suppletoire begroting is een reeks optellend tot structureel € 138
miljoen opgenomen voor (pandemische) paraatheid. In deze optelsom ontbreekt naast
MMT (afgerond € 15 miljoen) ook de eerder met de Kamer gedeelde Informatievoorziening
Infectieziektebestrijding [2] (afgerond € 24 miljoen). Samen maakt dat het pakket
van € 177 miljoen2.
Vraag 4:
Wilt u een volledig budgettair overzicht geven van de investeringen in pandemische
paraatheid per onderdeel en de verschillende subcategorieën zoals die worden genoemd
op pagina 32–34 van de Kamerbrief Voortgang beleidsprogramma pandemische paraatheid
2023 van 26 oktober 2023?
Antwoord: 4
Het is niet mogelijk om een volledig budgettair overzicht op te stellen, zoals dat
is gegeven bij de voortgangsbrief in 2023, omdat er al geruime tijd geen sprake meer
is van een beleidsprogramma pandemische paraatheid. Voor sommige maatregelen, zoals
de opleiding Basis Acute zorg en monitoring en surveillance in de ouderenzorg en gehandicaptenzorg
en voor de maatregelen op leveringszekerheid heeft het vorige kabinet reeds eerder
middelen gevonden, waarna zij onderdeel zijn geworden van het reguliere beleid op
curatieve en langdurige zorg. Zoals in de brief van 27 maart jl. aangegeven, heeft
het kabinet ervoor gekozen de versterkingen waarvoor middelen zijn gevonden bij voorjaarsnota,
ook in te bedden als integraal onderdeel van het reguliere VWS beleid. Andere maatregelen
zijn deels reeds afgerond en/of wordt geen vervolg aan gegeven.
In de onderstaande tabel is per artikelonderdeel van de VWS-begroting uitgesplitst
welke middelen voor pandemische paraatheid zijn vrijgemaakt met de voorjaarnota. Weergegeven
in miljoenen euro’s.
Vraag 5:
Is er inzicht in hoe de ombuiging van € 990 miljoen binnen de Wet langdurige zorg
(Wlz) wordt verdeeld over de verschillende zorgsectoren, mede in relatie tot de aangenomen
motie om bezuinigingen in de gehandicaptenzorg te schrappen?
Antwoord: 5
Zoals de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport heeft aangegeven in haar brief
van 9 maart jl.3 zal zij voor de zomer de Kamer informeren over de verdeling en onderbouwing hiervan.
Vraag 6:
Kunt u toelichten welke stappen en deadlines voor de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa),
VWS en de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen (NVZ) momenteel zijn voorzien richting
de definitieve invoering van budgetbekostiging voor de spoedeisende hulp (SEH) per
2028?
Antwoord: 6
De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) heeft op 10 maart 2026 de regelgeving voor budgetbekostiging
voor de spoedeisende hulp (SEH) vastgesteld en gepubliceerd. Deze maakt invoering
van budgetbekostiging SEH per 1 januari 2027 mogelijk. Ziekenhuizen en representerende
zorgverzekeraars kunnen in het najaar van 2026 bij de NZa een aanvraag indienen voor
het budget en het tarief voor 2027.
Tegelijkertijd wordt gewerkt aan de doorontwikkeling in een groeipad voor toekomstbestendige
spoedeisende hulp. Dit zal VWS doen in samenwerking met onder andere branche- en beroepsorganisaties,
zoals de NVZ. Het kabinet zal de Kamer, conform eerdere toezegging, dit voorjaar nader
informeren over de invulling hiervan.
Vraag 7:
Gelet op behandeling in een Kamerdebat voor het reces, wanneer is de nieuwe deadline
voor de brief over het groeipad budgetbekostiging SEH?
Antwoord: 7
Het kabinet zal de Kamer, conform eerdere toezegging, begin juni nader informeren
over de invulling van het groeipad budgetbekostiging SEH.
Vraag 8:
Welke formele deadlines zijn er de komende maanden bij NZA, NVZ, Zorgverzekeraars
Nederland (ZN) en VWS om te komen tot invoering in 2028?
Antwoord: 8
De regelgeving, die ervoor zorgt dat per 1 januari 2027 budgetbekostiging voor de
spoedeisende hulp (SEH) in werking treedt, is al gereed en gepubliceerd door de Nederlandse
Zorgautoriteit (NZa). Partijen voeren gesprekken met elkaar in het kader van de inkoop
in 2027. Ziekenhuizen en representerende zorgverzekeraars kunnen dan in het najaar
van 2026 bij de NZa een aanvraag indienen voor het budget en het tarief voor 2027.
Over de stappen na 2027 zal het kabinet de Kamer, conform eerdere toezegging, dit
voorjaar nader informeren.
Vraag 9:
Hoeveel ziekenhuizen doen inmiddels mee aan de Netherlands Emergency department Evaluation Database (NEED)?
Antwoord: 9
Er zijn 23 ziekenhuizen aangesloten op de NEED-registratie.
Vraag 10:
Gelet op het debat bestuur en toezicht in de zorg, wanneer worden de uitkomsten van
de proeftoets rondom de NEED kwaliteitsregistratie met de Kamer gedeeld?
Antwoord: 10
Zorginstituut Nederland verwacht de uitkomsten van de proeftoets in de week van 20 april
met de NEED-registratie te kunnen delen. Aansluitend zal de Kamer geïnformeerd worden
over de uitkomsten van de proeftoets.
Vraag 11:
In hoeverre draagt de data uit de NEED bij aan de gewenste transparantie en kwaliteitsverbetering
zoals genoemd in het Integraal Zorgakkoord (IZA) en het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord
(AZWA)?
Antwoord: 11
Om bij te dragen aan de transparantie en kwaliteitsverbetering zoals genoemd in het
Integraal Zorgakkoord (IZA) en Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA), moet de
NEED-registratie op grond van de met ingang van 1 januari 2026 gewijzigde Wet kwaliteit,
klachten en geschillen zorg onderbouwen dat wordt bijgedragen aan het doel leren en
verbeteren. Indien het Zorginstituut, in navolging van de Inhouds-governancecommissie
en de Data-governancecommissie, tot een negatief oordeel komt over de NEED-registratie,
is dat niet of onvoldoende het geval.
Vraag 12:
Welke acties worden ondernomen om artsen en verpleegkundigen te helpen de uitstroom
op de SEH's te vergroten?
Antwoord: 12
Om de druk op de SEH te mitigeren is het van belang de instroom van patiënten te beperken
en de uitstroom van patiënten te bevorderen. Het kabinet zet hiertoe in op zorgcoördinatie.
Hierbij wordt door een brede triage voorkomen wordt dat zorgvragers op de SEH terecht
komen die beter af zijn met zorg van een huisarts of wijkverpleging. In alle regio’s
worden transformatieplannen voor zorgcoördinatie uitgevoerd. In steeds meer regio’s
zien we ook een nauwe samenwerking tussen de huisartsenspoedpost en de SEH, ook met
het doel dat mensen niet onnodig op de SEH terecht komen. Zorgcoördinatie bevordert
ook de uitstroom uit de SEH, bijvoorbeeld door voor de patiënt een eerstelijnsverblijfbed
te regelen. Verder verbeteren ziekenhuizen hun capaciteitsmanagement, zodat de doorstroom
binnen het ziekenhuis wordt versneld. Real-time inzicht in beschikbare bedden, het
op basis van data voorspellen van drukte en in een vroegtijdig stadium de uitstroom
van patiënten voorbereiden, zijn zaken die daarbij helpen.
Vraag 13:
In hoeverre wordt ervoor gezorgd dat de wisselkoersmeevaller van € 28 miljoen in 2026
en de structurele meevaller van € 9 miljoen in 2031 de BES-eilanden ten goede komen,
gezien de grote uitdagingen die bestaan voor de eilanden op het gebied van onder andere
armoede en klimaat? Wordt dit bedrag in een klimaatadaptatiefonds voor de eilanden
gestort waarmee kan worden voorzien in de noden van de eilanden, en voldaan aan het
vonnis in de Bonaire klimaatzaak?
Antwoord: 13
De beschikbare middelen voor de BES-eilanden worden jaarlijks herijkt op basis van
de wisselkoersprognoses van het Centraal Planbureau. Met de herijking worden wisselkoersmeevallers
dan wel wisselkoerstegenvallers in de begroting verwerkt. De begrotingsregels binnen
het Rijk schrijven voor dat meevallers niet voor intensiveringen mogen worden ingezet.
Conform de reguliere systematiek wordt de wisselkoersmeevaller, die voortvloeit uit
de middelen voor de BES eilanden, ingezet om tegenvallers op de VWS-begroting te kunnen
opvangen. De wisselkoersmeevaller komt daarmee niet ten goede van de BES-eilanden
en wordt niet gestort in een klimaatadaptatiefonds.
Vraag 14:
Kunt u een tabel maken waarin alle onderbestedingen worden weergegeven?
Antwoord: 14
Hieronder is een tabel weergegeven met alle meevallers op de VWS-begroting vanaf € 2
miljoen.
Totaaloverzicht meevallers VWS- begroting (x € 1 miljoen)
2026
2027
2028
2029
2030
2031
Vertraging uitvoering levensloopaanpak en AGO
– 7
0
0
0
0
0
Terugloop cliëntenbestand regeling verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen
0
– 5
– 9
– 13
– 18
– 29
Minder bevolkingsonderzoeken dan geraamd
– 13
0
0
0
0
0
Wisselkoerseffect bes-eilanden
– 28
– 26
– 24
– 24
– 6
– 9
Nieuwe gegevens risicoverevening eigen risicomodel
0
– 63
– 65
– 66
– 69
– 72
Vertraging wetsvoorstel «invoering van de inkomensafhankelijke bijdrage'
0
– 35
0
0
0
0
Actualisatie Wlz
– 602
– 250
– 250
– 250
– 250
– 250
Actualisatie Zvw
– 599
– 582
– 582
– 582
– 582
– 582
Eigen bijdragen Wlz
– 13
– 11
– 5
14
9
18
Meevaller infectiebestrijding in de Wlz
0
0
– 18
– 18
– 18
– 18
Vraag 15:
Kunt u in een overzichtelijke tabel weergeven welke middelen uit de financiële bijlage
bij het AZWA (daar waar het middelen betreft die via de VWS-begroting lopen) op welke
plek in de begroting verwerkt zijn en welke niet zijn verwerkt?
Antwoord: 15
In onderstaande tabel zijn de middelen weergegeven voor afspraken uit bijlage 2 van
het AZWA, waar die via de begrotingsgefinancierde uitgaven van VWS lopen. Bij de Begroting
van 2026 zijn alle financiële afspraken uit het AZWA verwerkt. Alleen de doorbraakmiddelen
voor het sociaal domein staan nog gereserveerd op de premiegefinancierde zorguitgaven.
Deze middelen zullen bij Begroting 2027 worden verschoven naar de begroting van VWS.
Vraag 16:
Wat is de stand van zaken met betrekking tot het investeringsmodel preventie?
Antwoord: 16
De Kamer is in december 20254 geïnformeerd over de voortgang van het investeringsmodel voor preventie. In deze
brief heeft de toenmalige Staatssecretaris aangegeven welke stappen in 2026 worden
gezet. Het ministerie werkt deze plannen nu uit.
Het gaat onder andere om: de invoering van de richtlijn voor passend bewijs voor preventie
(pijler 1), de verdere ontwikkeling van een afwegingskader om de effecten van preventieve
maatregelen te onderbouwen (pijler 2), het in kaart brengen van voor- en nadelen van
verschillende financieringsopties (pijler 3), en de uitwerking van monitoring en evaluatie
(pijler 4). Ook vindt een internationale consultatie plaats, samen met de Europese
Commissie en de OESO. Voor het uitdenken van een passend bestuurlijk model wordt gebruikgemaakt
van de ervaringen met de ontwikkelagenda’s voor medische preventie (B4) en het sociaal-
en zorgdomein (D5) van het AZWA.
De Kamer ontvangt voor het einde van 2026 een nieuwe voortgangsbrief.
Vraag 17:
Kunt u per grote mutatie in deze suppletoire begroting aangeven welke uitgaven volgens
u direct bijdragen aan zorg voor mensen in Nederland en welke uitgaven vooral bestaan
uit stelselwijzigingen, beleidsontwikkeling, uitvoering, subsidies of overige systeemkosten?
Antwoord: 17
De grootste mutaties in de eerste suppletoire begroting betreffen de extra middelen
die zijn vrijgemaakt voor covidvaccinaties en pandemische paraatheid. Covidvaccinaties
betreffen kosten die direct bijdragen aan de zorg die Nederlanders ontvangen, maar
zijn wel onder te verdelen in aankoop van covidvaccinaties, de uitvoering hiervan
en alle zaken die nodig zijn om het vaccineren mogelijk te maken. Van het totaalbedrag
gaat een gedeelte naar de inkoop van vaccins, een gedeelte naar de uitvoering van
de GGD voor het zetten van de prikken en een gedeelte naar het RIVM en de GGD-GHOR
voor uitvoeringskosten zoals het versturen van uitnodigingen, beheren van data en
het beheren van callcenters. Middelen die zijn vrijgemaakt voor pandemische paraatheid
komen ten gunste van alle Nederlanders doordat Nederland hierdoor beter is voorbereid
op een eventuele nieuwe crisis of pandemie. Dit omvat onder andere de versterking
van GGD’en, het RIVM en de aanleg van weerbaarheidsvoorraden.
Vraag 18:
Kunt u per begrotingsartikel aangeven welke mutaties in deze eerste suppletoire begroting
volgens u het meest bijdragen aan minder bureaucratie, meer geld voor de zorgverlener
en betere toegankelijkheid van zorg, en waar volgens u juist nog risico bestaat op
extra systeemkosten?
Antwoord: 18
Het Ministerie van VWS zet zich continu in voor het verlagen van de bureaucratie en
de regeldruk in de zorg. Dit betreft staand beleid, waarvoor reeds middelen beschikbaar
zijn. Bij de 1e suppletoire begroting hebben op dit thema geen budgettaire mutaties plaatsgevonden.
Vraag 19:
Wat zijn de instrumenten die de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) heeft om
beheer van een zorginstelling over te nemen indien de zorg in gevaar komt en een instelling
onvoldoende verbetering laat zien?
Antwoord: 19
De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) heeft geen bevoegdheid om het bestuur
van een zorginstelling over te nemen of het beheer van een instelling over te nemen.
Wel kan de IGJ door middel van een aanwijzing, indien nodig gevolgd door een last
onder dwangsom, afdwingen dat het bestuur van een zorginstelling (deels) wordt vervangen.
Alleen wanneer de IGJ onvoldoende vertrouwen heeft in het bestuur om risico’s voor
de kwaliteit en veiligheid van de zorg weg te nemen, en zij geen mogelijkheden ziet
om tot herstel te komen met dit bestuur, wordt deze ingrijpende maatregel toegepast.
Het is vervolgens aan de interne toezichthouder van de instelling, de raad van toezicht,
om de bestuurders te schorsen of te ontslaan en zo nodig tijdelijk bestuur aan te
stellen.
Vraag 20:
Op welke manier kan de Wet beschikbaarheid goederen worden ingezet om invloed uit
te oefenen op een zorginstelling indien deze de zorg niet levert die geleverd moet
worden en er voor cliënten geen alternatief bestaat?
Antwoord: 20
De Wet beschikbaarheid goederen geeft Ministers de bevoegdheid om, ter voorbereiding
op noodsituaties, bevelen te geven die noodzakelijk zijn om te verzekeren dat goederen
beschikbaar blijven tijdens noodsituaties. Het gaat dus om voorbereiding op situaties
van uitzonderlijke schaarste. Dit is daarmee niet het instrument om de levering van
zorg – een dienst – door een specifieke zorgaanbieder af te dwingen.
Vraag 21:
In hoeverre kunt u zeggenschap over het bestuur van een zorginstelling overnemen op
het moment dat de zorg urgent in gevaar komt, er geen alternatief bestaat voor de
zorg voor cliënten en cliënten niet zonder deze zorg kunnen, en andere instrumenten
niet tijdig kunnen worden ingezet om de zorg te verbeteren? En in hoeverre kan de
Wet overgang onderneming worden ingezet voor behoud van zorgpersoneel in een dergelijke
situatie?
Antwoord: 21
Het toezicht op zorgaanbieders is belegd bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd
(IGJ), voor kwaliteit en veiligheid, en de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa), voor
toegankelijkheid en betaalbaarheid. Zij kunnen interventies doen op het moment dat
aanbieders niet voldoen aan wettelijke normen.
Een van de mogelijkheden die de IGJ, bij in de wet bepaalde gevallen, kan inzetten
is een last onder bestuursdwang, bijvoorbeeld indien niet tijdig wordt voldaan aan
een aanwijzing of bevel.
De intentie van dat ingrijpen is het beëindigen van de normafwijking en daarmee ernstige
risico’s voor de patiëntveiligheid. Draagt een instelling bijvoorbeeld zijn patiënten
niet over? Dan kan de IGJ door middel van bestuursdwang de patiënten (laten) overplaatsen
naar een andere instelling. Ook kan de IGJ door middel van bestuursdwang bijvoorbeeld
een afdeling (laten) verzegelen of sluiten als een instelling dat zelf niet doet.
Het benoemen van een interimbestuurder die tijdelijk de zorginstelling bestuurt is
een ultimum remedium die beperkt mogelijk is en zeer complex is in de feitelijke uitvoering.
Het ingrijpen met een last onder bestuursdwang gebeurt op kosten van de overtreder.
Of de Wet overgang onderneming van toepassing is en kan worden ingezet zal per situatie
verschillen. Dat zal ook afhangen van de lange termijn oplossing die in een specifieke
situatie mogelijk is.
Vraag 22:
Wat is de taak van de NZa in de aanpak van zorgfraude en zorgcriminaliteit?
Antwoord: 22
In de meerjarenstrategie van de NZa is een belangrijk strategisch doel om gedragingen
die afbreuk doen aan het vertrouwen en de solidariteit in de zorg aan te pakken. De
NZa ziet de aanpak van zorgfraude als belangrijk onderdeel van dit strategische doel.
De NZa heeft bestuursrechtelijke bevoegdheden om zowel (onbewuste) fouten als opzettelijke
fraude aan te pakken op basis van de Wet Marktordening Gezondheidszorg (Wmg). Zij
doet dit vanuit de pijlers voorkomen, stoppen en bestraffen en zet afhankelijk van
de bevindingen en omstandigheden een passend handhavingsinstrument in.
Vraag 23:
Hoeveel zorgfraudeonderzoeken heeft de NZa de afgelopen vijf jaar gedaan? Wat waren
de uitkomsten hiervan?
Antwoord: 23
De NZa houdt niet specifiek bij hoeveel onderzoeken naar zorgfraude zijn uitgevoerd,
omdat de onderzoeken van de NZa primair gericht zijn op de vraag of er sprake is van
naleving van de Wmg en niet op de vraag of er sprake is van opzettelijkheid. Er kan
ook sprake zijn van een overtreding zonder dat dit gaat om opzettelijke fraude.
Vraag 24:
Hoeveel en welke maatregelen heeft de NZa de afgelopen vijf jaar genomen tegen zorgbedrijven
wegens zorgwinsten of zorgfraude?
Antwoord: 24
De NZa publiceert geen totaaloverzicht waarin maatregelen specifiek worden uitgesplitst
naar «zorgwinsten» of «zorgfraude». Wel rapporteert de NZa periodiek over haar handhavingsactiviteiten
in brede zin.
De NZa richt zich daarbij op het voorkomen, stoppen en bestraffen van overtredingen.
Daarnaast zet de NZa in op preventie, bijvoorbeeld via voorlichting en het ontwikkelen
van informatieproducten zoals het dashboard Zicht op Zorgaanbieders, dat bijdraagt
aan risicogericht toezicht.
Ten aanzien van winst geldt dat het maken van winst in de zorg niet verboden is. Voor
bepaalde zorgaanbieders geldt echter een verbod op winstuitkering op grond van de
Wet toelating zorginstellingen (Wtzi). De NZa ziet toe op de naleving van deze regels
en kan handhavend optreden indien sprake is van overtredingen.
Activiteiten
2020
2021
2022
2023
2024
2025
Interventies bij zorgaanbieders
306
314
4.4261
7.386
4.018
4.713
Waarvan formeel2
13
26
264
1.167
663
297
Waarvan informeel3
293
288
4.162
6.219
3.355
4.416
X Noot
1
Sinds 2022 houdt de NZa toezicht op de aanlevering van de openbare jaarverantwoording.
Dit verklaart de stijging in aantallen vanaf dit jaartal. Voor boekjaar 2024 is de
pauzeknop opgeheven en ook de daaropvolgende jaren blijft de groep zorgaanbieders
met een openbare jaarverantwoordingsplicht jaarlijks verder groeien.
X Noot
2
Formele interventies omvatten o.a. aanwijzingen, last onder dwangsommen en boeterapporten.
X Noot
3
Informele interventies omvatten o.a. informele waarschuwingen, normoverdragende gesprekken
en voorlichten.
Vraag 25:
Wat is de werkwijze van de NZa bij een fraudeonderzoek naar zorgaanbieders?
Antwoord: 25
Over de specifieke werkwijze van haar onderzoek doet de NZa geen uitspraken. Om te
voorkomen dat inzicht wordt gegeven in toezicht- en handhavingsstrategieën, hetgeen
de doeltreffendheid van het toezicht kan ondermijnen.
De NZa zet het maatschappelijk effect dat zij kan bereiken met haar handelen centraal.
Dit doet de NZa door zich te focussen op onwettige en onwenselijke risicovolle gedragingen,
die afbreuk doen aan de toegankelijkheid en betaalbaarheid van zorg. De risico’s worden
zorgvuldig geprioriteerd, waarna een resultaatgerichte aanpak wordt ingezet om het
risico te mitigeren.
Vraag 26:
Welke zorgfraudeonderzoeken doet de NZa niet?
Antwoord: 26
Voor spookzorg (gedeclareerde, maar niet geleverde, zorg) heeft de NZa momenteel nog
geen handhavingsbevoegdheden. Er loopt een wetstraject om de Wmg te moderniseren,
waaronder het mogelijk maken van bestuursrechtelijke handhaving door de NZa op spooknota’s.
De NZa doet geen onderzoek naar strafrechtelijke feiten. Indien signalen van witwassen
of andere strafrechtelijke feiten naar voren komen in onderzoek van de NZa, dan vindt
hierover afstemming plaats met de Recherche Zorgfraude van de Nederlandse Arbeidsinspectie
(NLA). Ook stemt de NZa, indien nodig, af met zorgverzekeraars en zorgkantoren over
lopende fraudezaken, met als inzet aanvullend op elkaar te handelen indien mogelijk.
Vraag 27:
Wat kan de NZa betekenen voor gedupeerde cliënten?
Antwoord: 27
Gedupeerde cliënten kunnen een signaal afgeven bij de NZa via het meldpunt op haar
website. De NZa beoordeelt signalen en gebruikt deze als input voor haar risicoanalyse.
Bij een vermoeden van fraude deelt de NZa het signaal met de Stichting Informatie
Knooppunt Zorgfraude (Stichting IKZ). Tevens kan de NZa – indien er een overtreding
wordt vastgesteld – informatie rechtstreeks delen met zorgverzekeraars.
Vraag 28:
Welke actie wordt er ondernomen naar aanleiding van de uitkomsten van de analyse in
het dashboard van de zorgjaarrekeningen van de NZa? Wat heeft dit tot nu toe opgeleverd?
Antwoord: 28
De aanlevering van de openbare jaarverantwoording en de beantwoording van (aanvullende)
financiële vragen vormen een belangrijke informatiebron voor de NZa. Deze gegevens
liggen mede ten grondslag aan het dashboard Zicht op Zorgaanbieders. Het dashboard
ondersteunt het toezicht en de regulering van de zorgmarkt, onder meer bij tariefregulering,
kostenonderzoeken en analyses naar de toegankelijkheid en continuïteit van zorg.
Op basis van de analyses kan de NZa signalen identificeren over bijvoorbeeld afwijkende
financiële ontwikkelingen, risico’s voor de continuïteit van zorg of mogelijke ondoelmatige
besteding van zorggelden. Deze signalen kunnen aanleiding zijn voor nadere acties,
zoals verdiepend onderzoek, het stellen van aanvullende vragen aan zorgaanbieders
of het betrekken van deze inzichten bij reguleringsbesluiten.
Het dashboard draagt daarmee bij aan meer risicogericht en datagedreven toezicht.
Daarnaast wordt het dashboard gedeeld met andere toezichthoudende partijen, waardoor
ook zij hun toezicht effectiever kunnen inrichten. Daarmee versterkt het dashboard
de gezamenlijke informatiepositie van toezichthouders in de zorg.
Vraag 29:
Welke instantie zou een zorgbedrijf kunnen sluiten? Hoe vaak is dit gebeurd in de
afgelopen vijf jaar? Als geen enkele instantie dit nu kan, welke instantie zou hiervoor
de aangewezen partij zijn? Wat zou geregeld moeten worden om een zorgbedrijf te kunnen
sluiten?
Antwoord: 29
De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) heeft de mogelijkheid om, in geval van
acute risico’s voor de patiëntveiligheid, door middel van een aanwijzing5 of een bevel6 een zorgaanbieder te verplichten de zorg aan cliënten/patiënten op korte termijn
of met onmiddellijke ingang over te dragen, of een afdeling te sluiten totdat de zorgaanbieder
weer voldoet aan de van toepassing zijnde normen.
Overzicht aanwijzingen en bevelen IGJ:
2025
2024
2023
2022
2021
Aanwijzing
26
21
15
20
19
Bevel
2
3
2
2
1
Bron: jaarbeeld IGJ 2025 en jaarbeeld IGJ 2023
Niet in alle hierboven genoemde gevallen, heeft de aanwijzing of het bevel geleid
tot het stopzetten van de zorg. Een aanwijzing is een herstelsanctie en is erop gericht
dat de overtreding wordt beëindigd.
Andere partijen zoals de Nederlandse zorgautoriteit (NZa) en inkopende partijen (zorgverzekeraars,
zorgkantoren en gemeenten) hebben niet direct de mogelijkheid om een zorginstelling
te sluiten. De NZa kan, als daartoe aanleiding is, wel maatregelen op leggen zoals
aanwijzingen, last onder dwangsom en een boete gericht op de (financiële) administratie
van een zorgaanbieder. En inkopende partijen hebben de mogelijkheid om contracten
te ontbinden en de financiering van de zorg stop te zetten.
Toezichthouders kunnen daarnaast ook informatie over aanbieders delen met het Centraal
Informatiepunt Beroepen Gezondheidszorg (CIBG). Deze informatie kan voor het CIBG
aanleiding zijn om een integriteitstoets naar de aanbieder te doen, welke kan leiden
tot het intrekken van de vergunning op grond van de Wet toetreding zorgaanbieders.7
Vraag 30:
Welke toezichthouder is verantwoordelijk voor het toezicht op bemiddelingsbureaus/detacheringsbureaus/uitzendbureaus
in de zorg? Wie kan hierbij op welke manier ingrijpen? Als geen enkele toezichthouder
dit nu kan doen, wat moet er gebeuren om een toezichthouder hiervoor de bevoegdheid
te geven? Waarom is dit tot nu toe niet gebeurd?
Antwoord: 30
De Nederlandse Arbeidsinspectie (NLA) houdt toezicht op uitzendbureaus. In dat kader
handhaaft zij op de arbeidswetten. Het gaat onder andere om minimumloon, arbeidstijden
en illegale arbeid. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) houdt toezicht op
de kwaliteit van zorg die wordt geleverd door de zorgverleners, waaronder zzp’ers
en eenmanszaken die via uitzendbureaus werkzaam zijn in de zorg. Dit toezicht loopt
dan via de betreffende zorgaanbieder. Indien een uitzendbureau tevens zorgaanbieder
is, valt dat ook onder het toezicht door de IGJ. Beide instanties hebben diverse handhavingsbevoegdheden,
van zachte maatregelen zoals nalevingscommunicatie tot harde maatregelen zoals het
verbieden of stilleggen van werkzaamheden. Per 1 januari 2027 zal de Wet toelating
terbeschikkingstelling van arbeidskrachten (Wtta) in werking treden. Op grond van
die wet mogen inleners alleen nog actief zijn met een toelating van de Nederlandse
Autoriteit Uitleenmarkt (NAU). Ook mogen inleners alleen samenwerken met toegelaten
uitleners.
Vraag 31:
Welke instantie houdt toezicht op turboliquidaties in de zorg? Hoe vaak zijn deze
gecontroleerd en door wie? Wat was de uitkomst hiervan?
Antwoord: 31
Er is geen (voorafgaand) onafhankelijk toezicht op de totstandkoming van een turboliquidatie.
Met de Tijdelijke wet transparantie turboliquidatie is het voor het bestuur van de
ontbonden rechtspersoon verplicht gemaakt financiële verantwoording af te leggen door
stukken te deponeren bij het Handelsregister van de Kamer van Koophandel (KvK). Het
niet naleven van deze verantwoordingsverplichting is een economisch delict. De Dienst
Financieel-Economische Integriteit is belast met de strafrechtelijke handhaving daarvan,
in samenspraak met het Openbaar Ministerie. De gevraagde cijfers zijn derhalve niet
beschikbaar.
Vraag 32:
Wat zijn op dit moment de bevoegdheden van het Informatieknooppunt Zorgfraude in de
aanpak van zorgfraude? In hoeverre worden deze bevoegdheden uitgebreid en waarmee?
Antwoord: 32
Het Informatieknooppunt zorgfraude (hierna: «Stichting IKZ») heeft twee wettelijke
taken:
1) het verrijken van een door instanties verstrekt signaal, en deze vervolgens verstrekken
aan de meest geëigende instantie(s).
2) het signaleren van trends en ontwikkelingen met betrekking tot fraude tot zorg, en
daarover beleidsinformatie en statische gegevens ontwikkelen.
Stichting IKZ doet geen eigenstandig opsporingsonderzoek en heeft geen handhavende,
toezichthoudende of opsporende functie, taken of bevoegdheden. Deze taken en bevoegdheden
zijn belegd bij de controle-, toezicht-, en opsporingsinstanties.
De Wet bevorderen samenwerking en rechtmatige zorg (Wbsrz) is recent in werking getreden
en moet de ruimte krijgen om in de praktijk zijn werking te bewijzen. Er wordt momenteel
verkend of en hoe andere partijen, waaronder de Politie en het CIBG, kunnen aansluiten
bij Stichting IKZ. De uitkomsten van deze verkenningen worden betrokken bij de evaluatie
van de Wbsrz in 2027.
Vraag 33:
Hoeveel signalen heeft het Informatieknooppunt Zorgfraude (IKZ) afgelopen jaar verrijkt?
Hoe werkt het proces van verrijking? Wat wordt er onderzocht? Wat is er met deze signalen
gebeurd? Wie heeft welk signaal verder onderzocht en wat was de uitkomst hiervan?
Wat heeft de inzet van het IKZ sinds de oprichting opgeleverd?
Antwoord: 33
a) Hoeveel signalen heeft het Informatieknooppunt Zorgfraude (IKZ) afgelopen jaar
verrijkt?
In 2025 heeft het IKZ 678 signalen (aanleidingen tot een vermoeden van zorgfraude)
ontvangen van deelnemende partners (hierna: instanties). Hiervan zijn 642 signalen
door het IKZ na controle aangenomen. Naar aanleiding van deze 642 signalen zijn 2.912
verrijkingen uitgevraagd bij instanties, wat heeft geresulteerd in het verzenden van
1.710 Samengestelde Informatieproducten (SIP’s) aan instanties.
b) Hoe werkt het proces van verrijking?
Na het indienen van een signaal worden eerst controles uitgevoerd op juistheid, volledigheid
en proportionaliteit. Bij een positief resultaat start de verrijkingsfase. In deze
fase vraagt het IKZ relevante informatie op bij bevoegde instanties om het vermoeden
van zorgfraude te versterken of te ontkrachten. Dit gebeurt stapsgewijs, waarbij eerst
wordt bepaald in welke domeinen de betrokkene actief is, zodat gericht informatie
kan worden opgevraagd (bijvoorbeeld over geleverde zorg en lopende of afgeronde onderzoeken).
De ontvangen informatie wordt via het beveiligde IKZ-portaal verzameld en samengevoegd
tot één SIP.
c) Wat wordt er onderzocht?
Tijdens het verrijkingsproces wordt nagegaan of het vermoeden van zorgfraude uit het
signaal kan worden versterkt of ontkracht. Relevante instanties worden bevraagd of
zij de betrokkene kennen, of er onderzoeken lopen en – indien van toepassing – wat
de werkwijze is die daarbij wordt vastgesteld.
d) Wat is er met deze signalen gebeurd?
SIP’s worden verzonden naar de meest geëigende instantie(s). Dat zijn de instanties
die gelet op hun rol en wettelijke taak zijn aangewezen de betreffende fraude in de
zorg aan te pakken.
e) Wie heeft welk signaal verder onderzocht en wat was de uitkomst hiervan?
Stichting IKZ heeft geen zicht op de opvolging van signalen, omdat haar taak binnen
de Wbsrz is beperkt tot het ontvangen, verrijken en delen ervan. De verdere beoordeling
en eventuele opvolging ligt bij de ontvangende instanties. Zij bepalen zelf of zij
vervolgstappen zetten, bijvoorbeeld door een onderzoek te starten, bestaande informatie
aan te vullen of het signaal te gebruiken in hun toezicht. Niet elk verrijkt signaal
leidt tot een onderzoek. De meeste verrijkte signalen zijn in 2025 verzonden naar
het CIZ, de NZa en zorgverzekeraars.
f) Wat heeft de inzet van het IKZ sinds de oprichting opgeleverd?
Sinds 1 januari 2025 zijn meerdere positieve ontwikkelingen zichtbaar. Het aantal
gedeelde signalen is sterk toegenomen dankzij de Wbsrz, die een duidelijke grondslag
en verplichting biedt voor informatiedeling. Door de verrijking ontvangen partners
bovendien uitgebreidere en waardevollere informatie dan voorheen.
Ook is de betrokkenheid van gemeenten gegroeid, doordat zij rechtstreeks deelnemen
aan informatiedeling en onderzoek. De samenwerking bij complexe casuïstiek is verbeterd,
waarbij het IKZ een faciliterende rol speelt. Daarnaast bieden analyses en onderzoeken
van het IKZ partners meer inzicht in trends en fraudevormen, met concrete handvatten
voor de aanpak daarvan.
Vraag 34:
Is er een standaardtarief dat zorgbedrijven betalen voor de huur? Wat is een redelijk
tarief per m2? Wie controleert hierop?
Antwoord: 34
Van een standaardtarief dat zorgbedrijven betalen voor de huur is geen sprake. De
kosten die zorgaanbieders ondervinden voor hun huisvesting verschillen. Denk aan het
type vastgoed (commercieel of maatschappelijk) of de locatie (stedelijk gebied of
niet).
Ten aanzien van de tariefregulering in de verschillende zorgsectoren zijn er voor
huisvestingskosten twee varianten: (1) de werkelijke kosten worden in kostenonderzoeken
door de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) periodiek gemeten als onderdeel van herijking
van de gereguleerde (maximum) tarieven. Of (2) de huisvestingskosten worden als een
normatief element opgenomen in de tarieven, de zogenaamde NHC (normatieve huisvestingscomponent),
met name in de Wlz-zorg is dit het geval. Aangezien de tariefregulering op basis van
de Wet marktordening gezondheidszorg uitgaat van gemiddeld kostendekkende tarieven
gaat hier wel een doelmatigheidsprikkel van uit.
Vraag 35:
In hoeverre zijn er gedifferentieerd zorgtarieven voor grote en kleine zorgaanbieders?
Antwoord: 35
Bij de vaststelling van de tarieven voor zorg door de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa)
vindt geen differentiatie plaats tussen grote of kleine zorgaanbieders. De NZa heeft
de taak om ten minste redelijkerwijs kostendekkende tarieven vast te stellen. Op basis
van deze tarieven dienen zorgaanbieders zorg van voldoende kwaliteit te kunnen leveren.
De verschillen in kostenstructuur tussen grote en kleine aanbieders maken als een
gewogen gemiddelde onderdeel uit van het tarief, maar leiden niet tot aparte tarieven
per type aanbieder.
Differentiatie in de tarieven kan wel plaatsvinden in de zorginkoop. In het geval
van maximumtarieven kunnen zorgaanbieders en zorgverzekeraars of zorgkantoren lagere
tarieven overeenkomen. Wanneer sprake is van vrije tarieven is er nog meer ruimte
voor zorgaanbieders en zorgverzekeraars en zorgkantoren om prijsafspraken te maken
over de te leveren zorg.
Vraag 36:
Hoeveel cliënten krijgen een persoonsgebonden budget (pgb) in de Wlz?
Antwoord: 36
In het jaar 2024 maakten 72.705 cliënten op enig moment in het jaar gebruik van het
pgb in de Wlz. Deze aantallen treft u aan op: StatLine - Personen met pgb; besteding budget, regio.
Vraag 37:
Hoeveel cliënten krijgen een pgb in de Zorgverzekeringswet Zvw)?
Antwoord: 37
In het jaar 2024 maakten 14.730 cliënten op enig moment in het jaar gebruik van het
pgb in de Zvw. Deze aantallen treft u aan op: StatLine - Personen met pgb; besteding budget, regio.
Vraag 38:
Hoeveel cliënten krijgen een pgb in de Jeugdwet?
Antwoord: 38
Volgens het CBS8 kregen (afgerond) 13.500 cliënten in 2024 een pgb uit de Jeugdwet.
Vraag 39:
Hoeveel cliënten krijgen een pgb in de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) 2015?
Hoe vaak gaat het om een informeel tarief?
Antwoord: 39
In 2023 waren er 38.355 cliënten9 die een persoonsgebonden budget ontvingen in het kader van de Wet maatschappelijke
ondersteuning 2015. In datzelfde jaar waren er 17.675 cliënten10 met een overeenkomst met een familielid. Er zijn echter geen gegevens bekend waaruit
kan worden vastgesteld of het dan ook altijd gaat om ondersteuning met een informeel
tarief.
Vraag 40:
Hoeveel geld is kabinetsbreed beschikbaar voor het uitvoeren van het VN-verdrag Handicap,
uitgesplitst per ministerie?
Antwoord: 40
Er is geen overzicht beschikbaar van hoeveel geld kabinetsbreed beschikbaar is voor
het uitvoeren van het VN-Verdrag Handicap, uitgesplitst per ministerie.
De maatregelen uit de werkagenda VN-Verdrag Handicap 2025–2030 zijn gedekt en het
budget hiervoor is eerder toegekend of beschikbaar gemaakt in 2025. In 2025 is 920,5
miljoen voor de uitvoering van maatregelen tot en met 2030 vrijgemaakt. Dit is exclusief
middelen die eerder zijn toegekend en waarvan een gedeelte ingezet wordt voor uitvoering
van maatregelen. Dit gaat bijvoorbeeld om de 30 miljoen die beschikbaar is gesteld
voor uitvoering van het Bestuursakkoord toegankelijkheid OV of de 560 miljoen die
beschikbaar is gesteld voor digitalisering in het mbo, hbo en wo.
Vraag 41:
Hoeveel ambtenaren vallen bij het Ministerie van VWS onder de nullijn? Hoe zit dit
bij organisaties die niet tot het kerndepartement behoren maar wel onder het ministerie
vallen, zoals de IGJ?
Antwoord: 41
Alle medewerkers in dienst van VWS vallen onder de nullijn. Het totaal aantal medewerkers
bij het Ministerie van VWS dat onder de CAO-Rijk valt bedroeg op de peildatum 31 december
2025, 7.373 medewerkers. Hiervan waren er 2.156 medewerkers binnen het kerndepartement
werkzaam en 5.217 medewerkers bij concernonderdelen buiten het kerndepartement, waarvan
1.015 bij de IGJ.
Vraag 42:
Hoeveel medewerkers van het Ministerie van VWS bevinden zich in de lagere loonschalen
(schaal 1 tot en met 6)? Wat is het aandeel van deze groep binnen de uitvoering (uitvoeringsorganisaties
versus beleid)?
Antwoord: 42
Bij het Ministerie van VWS werken 248 medewerkers in de schaal 1 tot en met 6. Dit
is 3% van de medewerkers. Binnen het kerndepartement betreft dit 50 medewerkers (2%
van het totaal) en bij de concernonderdelen zijn dat 198 medewerkers (4%).
Vraag 43:
Welke functies/beroepen bij het Ministerie van VWS en de bijbehorende uitvoeringsorganisaties
vallen voornamelijk binnen de lagere loonschalen (schaal 1 tot en met 6)? Wat is de
huidige en verwachte personeelskrapte binnen deze functies?
Antwoord: 43
De meest voorkomende functies binnen de genoemde loonschalen zijn Managementondersteuner
(91 medewerkers) en Medewerker Behandelen en Verwerken (83 medewerkers). Er is op
dit moment geen sprake van personeelskrapte binnen deze functies.
Vraag 44:
Zijn er interne analyses of risico-inschattingen gemaakt over de effecten van de nullijn
binnen het VWS-domein, bijvoorbeeld op de instroom of uitstroom? Zo ja, kan deze worden
gedeeld?
Antwoord: 44
Er zijn geen analyses of risico-inschattingen gemaakt over de effecten van de nullijn
op de in -en uitstroom.
Vraag 45:
Welke bezuinigingen staan er nog gepland op de gehandicaptenzorg? Hoe verhouden die
zich tot de uitvoering van de motie-Bikker c.s. (Kamerstuk 36 848-107)?
Antwoord: 45
Als Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport ben en voel ik mij verantwoordelijk
voor de continuïteit van zorg en ondersteuning voor mensen met een beperking.
In het basispad van de begroting zijn vanaf 2027 drie tariefmaatregelen opgenomen
op het terrein van de gehandicaptenzorg. Dit betreft twee maatregelen van het kabinet
Rutte IV (meerjarig contracteren en Wlz-behandeling) en een maatregel van het kabinet
Schoof (opschaling digitale zorg). Daarnaast is sprake van de maatregel «bestuurlijk
akkoord Wlz/scheiden wonen en zorg» uit het coalitieakkoord die nog moet worden verdeeld
over de verschillende sectoren binnen de Wlz, waarbij geen sprake is van een bezuiniging
maar van een afremming van de groei van de uitgaven.
Dat neemt niet weg dat er een duidelijk signaal uit gaat van de aangenomen motie.
Ik beraad mij daarom op de gevolgen van de aangenomen motie om bezuinigingen in de
gehandicaptenzorg te schrappen. Ik zal de Kamer informeren zodra er meer duidelijkheid
is.
Vraag 46:
Kunt u toelichten wat er met de meevaller bij de premiegefinancierde uitgaven in deze
begroting ten opzichte van de ontwerpbegroting 2026 van € 1,2 miljard gebeurt?
Antwoord: 46
In de eerste suppletoire begroting 2026 is een bijstelling van -/- € 1,2 miljard in
2026 verwerkt op de premiegefinancierde uitgaven. De bijstellingen hebben voornamelijk
betrekking op de verwerking van het coalitieakkoord en de actualisaties van de Zorgverzekeringswet
(Zvw) en de Wet langdurige zorg (Wlz) op basis van de meest recente informatie van
het Zorginstituut en de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) over de zorguitgaven. Het
Kabinet Jetten kent ook de begrotingsregel dat meevallers met tegenvallers elders
in de zorg en op de VWSbegroting gesaldeerd mogen worden. Echter, ook de VWS-begroting
kende voor 2026 een neerwaartse bijstelling voor 2026. Het Kabinet heeft ervoor gekozen
deze ruimte in te zetten in het bredere uitgavenbeeld.
Vraag 47:
Is de € 12 miljoen voor excuus- en hersteltraject gesloten jeugdzorg opgenomen in
de Voorjaarsnota?
Antwoord: 47
Ja, deze is ook onderdeel van de Voorjaarsnota en is opgenomen onder het totaalbedrag
van de post overige intensiveringen.
Vraag 48:
Wat is dan het doel van het feit dat de premie gefinancierde uitgaven de komende jaren
dalen ten opzichte van de ontwerpbegroting, maar in 2031 ongeveer gelijk zijn als
zonder de hervormingen het geval zou zijn?
Antwoord: 48
Ook in 2031 dalen de premiegefinancierde uitgaven ten opzichte van de Ontwerpbegroting
door het coalitieakkoord. De stand van het jaar 2031 in de eerste suppletoire begroting
voor de Wlz en Zvw tezamen is door de bijstellingen van het coalitieakkoord € 6,9
miljard lager dan zonder het coalitieakkoord het geval zou zijn geweest. Deze neerwaartse
bijstelling in 2031 wordt echter in de suppletoire begroting vertekend door reguliere
technische boekingen die elke eerste suppletoire begroting worden gedaan; de extrapolatiemutaties
(+ € 8,4 miljard). Met de extrapolatiemutaties wordt er een nieuw begrotingsjaar toegevoegd
aan de begroting, in dit geval 2031. In deze extrapolatiemutaties is rekening gehouden
met jaarlijkse opwaartse aanpassingen van de ramingen zoals verwachte loon- en prijsontwikkelingen.
Vraag 49:
Op welke wijze worden gemeenten gecompenseerd vanwege loon- en prijsbijstellingen
inzake de uitgaven aan beschermd wonen Wmo 2027–2030?
Antwoord: 49
Gemeenten krijgen via de loon- en prijsmethodiek op de VWS-begroting de loon- en prijsbijstelling
uitgekeerd. De loon- en prijsbijstellingstranche 2026 is bij de Voorjaarsnota 2026
toegevoegd aan de integratie-uitkering Beschermd Wonen in het Gemeentefonds.
Vraag 50:
Kunt u aangeven welke middelen in de VWS-begroting 2026 specifiek worden ingezet voor
de preventie van femicide?
Antwoord: 50
In het merendeel van de gevallen van femicide komt dit voort uit een situatie van
huiselijk geweld. Voor de aanpak hiervan werkt VWS nauw samen met de Ministeries van
JenV, OCW en SZW, zodat de inzet aanvullend op elkaar is en versterkend werkt. De
betrokken ministeries dragen allen financieel bij aan de aanpak.
Ook in 2026 zet VWS in op het verbeteren van de aanpak femicide, via het plan «Stop
femicide». De inzet richt zich op het vroegtijdig herkennen van signalen («rode vlaggen»)
door middel van deskundigheidsbevordering ca. 130.000,–. En ook het doorontwikkelen
van ondersteunende tools, zoals risico-taxatie instrumenten á 50.000,–. Daarnaast
zijn via een subsidie aan het Landelijk Netwerk Veilig Thuis middelen vrijgemaakt
(ca. 1,75 miljoen) voor inzet gericht op de verbetering en toegankelijkheid van Veilig
Thuis. Zoals het verruimen van de tijden van de chatfunctie en het versterken van
advies en ondersteuning vanuit Veilig Thuis.
Verder ontvangen gemeenten via het Gemeentefonds middelen voor de aanpak van huiselijk
geweld (waaronder femicide). Deze komen deels uit de decentralisatie-uitkering vrouwenopvang,
maar kunnen ook uit de algemene uitkering worden ingezet. Gemeenten hebben hierbij
bestedingsvrijheid.
Vraag 51:
Hoe zijn deze middelen verdeeld over preventie, signalering, opvang en nazorg?
Antwoord: 51
Voor de aanpak van femicide werkt VWS nauw samen met de Ministeries van JenV, OCW
en SZW, zodat de inzet aanvullend is en versterkend werkt. De betrokken ministeries
dragen allen financieel bij aan de aanpak.
Ook in 2026 zet VWS in op het verbeteren van de aanpak femicide, via het plan «Stop
femicide». De inzet richt zich op het vergroten van de bewustwording over de ernst
van dit probleem en het vroegtijdig herkennen van signalen («rode vlaggen») door middel
van deskundigheidsbevordering ca. 130.000,–. En het doorontwikkelen van ondersteunende
tools, zoals risico-taxatie instrumenten á 50.000,–. Ook zijn via een subsidie aan
het Landelijk Netwerk Veilig Thuis middelen vrijgemaakt (ca. 1,75 miljoen) voor inzet
gericht op de verbetering en toegankelijkheid van Veilig Thuis. Bijvoorbeeld het vergroten
van de bereikbaarheid via de chat, versterken van advies en ondersteuning en een digitaal
platform voor informatie.
Gemeenten zijn op grond van de Wmo verantwoordelijk voor het voorkomen en bestrijden
van huiselijk geweld en ontvangen daarvoor middelen uit het gemeentefonds. Gemeenten
hebben bestedingsvrijheid in hoe deze middelen in worden gezet. Er is geen zicht op
verdeling middelen tussen preventie, signalering, opvang en nazorg.
Per 2026 is daarnaast ook structureel 12 miljoen euro beschikbaar voor de uitbreiding
van de opvangcapaciteit van de vrouwenopvang, bedoeld voor slachtoffers van huiselijk
geweld. In bestuurlijke afspraken tussen het Ministerie van VWS, de Vereniging Nederlandse
Gemeenten (VNG) en Valente is vastgelegd dat deze middelen specifiek worden gebruikt
voor het realiseren van extra opvangplekken. Gemeenten en opvanginstellingen zetten
zich momenteel in deze uitbreiding te realiseren. Gezamenlijk zullen de ontwikkelingen
binnen de vrouwenopvang worden gemonitord.
Vraag 52:
Welke rol spelen zorgprofessionals (huisartsen, ggz, wijkverpleging) in de aanpak
van femicide en hoe worden zij hierin gefaciliteerd vanuit deze begroting?
Antwoord: 52
Zorgprofessionals te weten huisartsen, GGZ-medewerkers en wijkverpleegkundigen, spelen
een preventieve en behandelende rol in de aanpak van femicide, voornamelijk door het
signaleren van risicofactoren en/of «rode vlaggen» (signalen van dwingende controle,
stalking, bedreigingen met de dood of gewelddadig gedrag tijdens spreekuren of huisbezoeken)
en voor GGZ-medewerkers bij het behandelen van geweldspatronen.
Op dit moment zijn geen expliciete middelen gekoppeld aan het faciliteren van deze
genoemde groepen professionals in de aanpak. Wel is er lopende inzet die bijdraagt
aan het versterken van de signalerende rol. Zoals dat huisartsen meer tijd kunnen
krijgen voor complexere patiënten. De meldcode vormt een belangrijk afwegingskader
bij vermoedens van huiselijk geweld en biedt handelingsperspectief voor verdere samenwerking
met netwerkpartners, zoals Veilig Thuis, wanneer sprake is van (acute) onveiligheid.
Vraag 53:
Kunt u aangeven hoeveel meldingen van ernstig huiselijk geweld en (pogingen tot) femicide
jaarlijks worden geregistreerd en hoe deze cijfers zich ontwikkelen?
Antwoord: 53
Tussen 2020 en 2024 zijn er in totaal ruim 354.000 meldingen van huiselijk geweld
geregistreerd door de politie en Veilig Thuis (inclusief ruzies, mishandeling en bedreiging).
Het Centraal Bureau voor Statistiek publiceert twee keer per jaar de cijfers van het
aantal meldingen die bij het advies- en meldpunt Veilig Thuis binnen komen. Landelijk
ontving Veilig Thuis in 2024 in totaal 129.250 meldingen van huiselijk geweld en kindermishandeling.
Dit omvat alle meldingen van de verschillende vormen van huiselijk geweld, maar ook
meldingen waar uiteindelijk geen sprake van huiselijk geweld blijkt te zijn. Bij elke
melding maakt Veilig Thuis een veiligheidsbeoordeling. Bij ongeveer 75% hiervan is
na deze veiligheidsbeoordeling een vervolgactie ingezet.
Het aantal gevallen van femicide vertoont volgens de Nederlandse Femicide monitor
een min of meer stabiele trend over de jaren 2014–2024. De cijfers kunnen per jaar
wat schommelen. Zo liet 2025 een lichte daling zien ten opzichte van het voorgaande
jaar. Echter het aantal vrouwen dat jaarlijks door een (ex)-partner wordt gedood blijft
structureel aanwezig met ongeveer 40–50 gevallen per jaar.
Vraag 54:
In hoeverre zijn de middelen voor Veilig Thuis en vrouwenopvang toereikend om risicovolle
situaties tijdig te signaleren en escalatie te voorkomen?
Antwoord: 54
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de lokale inrichting en uitvoering van de aanpak
van huiselijk geweld en kindermishandeling. Zij maken een risicotaxatie om dit tijdig
te signaleren en escalatie te voorkomen. Gemeenten ontvangen hiervoor middelen via
het gemeentefonds en via de decentralisatie uitkering vrouwenopvang is structureel
€ 223 miljoen (excl. accres) beschikbaar. Regionale uitvoeringsorganisaties zoals
Veilig Thuis en de vrouwenopvang (zoals Blijf Groep) worden regionaal ingekocht door
gemeenten. De financiering van deze organisaties is daarmee een decentrale taak waarvoor
reeds middelen beschikbaar zijn via het gemeentefonds (bijvoorbeeld via de algemene
uitkering en de decentralisatie uitkering vrouwenopvang).
Vraag 55:
Welke concrete maatregelen worden in 2026 gefinancierd om risicotaxatie-instrumenten
(zoals vroegsignalering bij partnergeweld) te verbeteren?
Antwoord: 55
Verschillende organisaties, zoals Veilig Thuis, politie, reclassering, vrouwenopvang,
hebben een cruciale rol in het signaleren van onveiligheid vanuit huiselijk geweld
en kindermishandeling. Deze organisaties zijn zelf verantwoordelijk voor het gebruik
van goede risicotaxatie instrumenten. Op dit moment zijn veel van deze organisaties
zelf kritisch aan het kijken naar hun instrumenten en worden ze waar nodig doorontwikkeld.
Tegelijkertijd wordt integraal gekeken wat er nodig is om de risico taxatie te verbeteren.
In 2025 heeft Regioplan, in opdracht van de Ministeries van VWS en JenV, een onderzoek
uitgevoerd om in beeld te brengen hoe in de huidige praktijk gebruikte risicotaxatie
instrumenten specifiek screenen op rode vlaggen van femicide. Het eindrapport is in
december 2025 opgeleverd. Op dit moment wordt samen met de betrokken organisaties,
waaronder politie, Veilig Thuis, Raad voor de Kinderbescherming, Reclassering, Vouwenopvang
en de Waag gekeken welke vervolgstappen nodig zijn om de risico taxatie ketenbreed
te verbeteren. Dit gebeurt in samenhang met verbetertrajecten waarin deze taxatie
ook relevant is, zoals het Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming (waarin onder
meer gewerkt wordt aan de verklarende analyse), het traject ter verbetering van de
inzet van het tijdelijk huisverbod en het project «Samen onder Handbereik», waarin
onder coördinatie van het Ministerie van Justitie en Veiligheid de informatievoorziening
en informatie-uitwisseling tussen (onder meer) de genoemde organisaties wordt versterkt.
Vraag 56:
Hoe wordt de samenwerking tussen zorg, gemeenten en justitie gefinancierd en georganiseerd
binnen deze begroting?
Antwoord: 56
In de basis lopen de financieringsstromen van zorg, gemeenten en justitie allemaal
anders en hebben de domeinen een eigen verantwoordelijkheid om ook de samenwerking
in de financiering mee te nemen. Met betrekking tot de partijen die vanuit de VWS
begroting worden gefinancierd, geldt dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor de lokale
inrichting en uitvoering van de aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling.
Gemeenten ontvangen hiervoor middelen via het gemeentefonds. Regionale uitvoeringsorganisaties
zoals Veilig Thuis en de vrouwenopvang (zoals Blijf Groep) worden regionaal ingekocht
door gemeenten. De financiering van deze organisaties is daarmee een decentrale taak
waarvoor reeds middelen beschikbaar zijn. Voor Veilig Thuis bijvoorbeeld is het aan
de gemeenten zelf of ze bij de inkoopafspraken expliciet geld beschikbaar stellen
om samenwerking te bevorderen, naast hetgeen al wettelijk is vastgelegd in het kader
van de taak van Veilig Thuis.
Vanuit het Rijk wordt de samenwerking tussen partijen bij acute onveiligheid die is
ontstaan vanuit huiselijk geweld situaties op verschillende manieren gestimuleerd.
Door het Ministerie van Justitie en Veiligheid en het Ministerie van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport wordt, in samenwerking met de VNG, een samenwerkingsverband tussen
Veilig Thuis, Raad voor de Kinderbescherming, Politie, Openbaar Ministerie en Reclassering
gefaciliteerd en gefinancierd. Vanuit dit Netwerk Zorg en Straf is Veiligheid Voorop
ontstaan: samenwerkingsafspraken tussen de deelnemende organisaties over het handelen
bij acute onveiligheid vanuit huiselijk geweld en kindermishandeling. De aandacht
vanuit dit landelijke netwerk is nu vooral gericht op het verankeren van de werkzame
elementen van Veiligheid Voorop in de regio’s.
Vraag 57:
Kunt u aangeven welke specifieke middelen beschikbaar zijn voor de aanpak van eergerelateerd
geweld binnen de VWS-begroting 2026?
Antwoord: 57
Op de begroting van VWS is in totaal ongeveer € 7,3 miljoen gereserveerd voor de aanpak
van verschillende vormen van schadelijke praktijken, waaronder eergerelateerd geweld.
Andere vormen waar hierbij aan gedacht moet worden is vrouwelijke genitale verminking
en huwelijksdwang en achterlating. Dit gaat om financiering van de specialistische
opvang voor slachtoffers van eergerelateerd geweld, het Landelijk Knooppunt Huwelijksdwang
en Achterlating (LKHA) en overige subsidies. Voor de specialistische opvang voor slachtoffers
van eergerelateerd geweld en loverboy problematiek is in totaal € 6,1 miljoen beschikbaar
en voor het Landelijk Knooppunt Huwelijksdwang en Achterlating (LKHA) in totaal € 0,8
miljoen. Daarnaast is er € 0,4 miljoen beschikbaar voor overige subsidies.
De aanpak van schadelijke praktijken vraagt een interdepartementale aanpak van bewustwording
tot strafbaarstelling. Om deze reden zet het kabinet vanuit verschillende departementen
in op de aanpak van de verschillende vormen van schadelijke praktijken.
Vraag 58:
Hoeveel casussen van eergerelateerd geweld worden jaarlijks geregistreerd en welke
trend is zichtbaar?
Antwoord: 58
In opdracht van het Ministerie van Justitie en Veiligheid is het Landelijk Expertisecentrum
Eergerelateerd Geweld (LEC EGG) opgericht in 2008. Uit het jaarverslag 2025 van het
LEC EGG blijkt dat het aantal casussen waarbij een eermotief werd vermoed is toegenomen.
Daarbij ging het in 2023 nog om 619 zaken, in 2024 om 673 zaken en in 2025 om 757
zaken. In de meeste van de bij LEC EGG bekend geworden gevallen (76%) werd formeel
door een politie-eenheid om een analyse of advies gevraagd. Daarnaast deden ook professionals
van andere organisaties, zoals de IND en Veilig Thuis, een beroep op LEC EGG voor
advies. Uit het jaarverslag volgt dat in de periode 2022–2025 bedreigingen en mishandelingen
het vaakst voorkwamen. Het aantal moorden en doodslagen waarbij LEC EGG betrokken
is geweest, nam af van 7 zaken in 2024 tot 4 zaken (waarvan 2 cold casezaken) in 2025.
Om slachtoffers van eergerelateerd geweld beter te beschermen, heeft het kabinet in
het coalitieakkoord opgenomen dat de positie van het LEC EGG geborgd blijft.
Vraag 59:
In hoeverre worden zorg- en hulpverleners specifiek getraind in het herkennen van
signalen van eergerelateerd geweld?
Antwoord: 59
De Wet verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling, die sinds 2013
van kracht is, verplicht organisaties die werken met kinderen en volwassen om een
meldcode te hebben en medewerkers in staat te stellen daarmee te werken. Het doel
van de meldcode is professionals te helpen eerder en beter te handelen als zij vermoeden
dat een gezinslid thuis mishandeld, verwaarloosd of seksueel misbruikt wordt. Voor
de verschillende vormen van schadelijke praktijken is een aparte meldcode ontwikkeld.
De organisatie Augeo, een stichting die zich inzet om kinderen veilig en veerkrachtig
te laten opgroeien, biedt een E-learing aan die gericht is op het werken met deze
aparte meldcode. Deze E-learning is gratis te volgen en geaccrediteerd. Binnen de
politieacademie is herkenning van eergerelateerd geweld onderdeel van de opleiding.
Vraag 60:
Welke rol spelen gespecialiseerde opvangvoorzieningen en hoe worden deze gefinancierd?
Antwoord: 60
Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 57, wordt vanuit de SPUK HGKM de Specialistische
opvang voor slachtoffers van eergerelateerd geweld en loverboy problematiek gefinancierd.
Dit deel van de SPUK HGKM komt toe aan twee specialistische locaties met veel expertise
en landelijke toegang, Sterk Huis in Tilburg en Fier in Leeuwarden.
Vraag 61:
Hoe wordt de samenwerking tussen VWS, gemeenten en organisaties zoals Veilig Thuis
ingericht bij eergerelateerd geweld?
Antwoord: 61
In opdracht van VWS en in samenwerking met JenV is in 2022 een routekaart ontwikkeld
die gemeenten en Veilig Thuis-organisaties handvatten biedt om de ketenaanpak van
de verschillende vormen van schadelijke praktijken te versterken. De routekaart helpt
bij het inrichten van en uitvoering geven aan de ketenaanpak en het vinden van de
juiste «route» voor (dreigende) slachtoffers van schadelijke praktijken. De routekaart
beschrijft welke wet- en regelgeving relevant is voor de aanpak van schadelijke praktijken.
Ook geeft deze routekaart een overzicht van welke organisaties betrokken zijn en waar
men terecht kan voor hulp, informatie en advies.
Vraag 62:
Zijn er specifieke preventieprogramma’s gericht op risicogroepen, en zo ja, wat is
het budget en bereik daarvan?
Antwoord: 62
Als onderdeel van de preventie en aanpak van Schadelijke Praktijken wordt breed ingezet
op bewustwording en voorlichting. Vanuit de Ministeries van VWS, OCW en SZW zijn er
initiatieven gericht op het vergroten van gendergelijkheid, versterken van zelfbeschikking
via bewustwording, mentaliteitsverandering vanuit gemeenschappen zelf en toeleiding
naar hulp. Dit zijn onder andere de Alliantie Verandering van Binnenuit, de initiatieven
uit het programma «Zelfbeschikking; ruimte om jezelf te zijn» van het Oranjefonds
en subsidies vanuit VWS.
Deze initiatieven zijn primair gericht op het vergroten van gendergelijkheid en zelfbeschikking
en dragen daarmee bij aan de primaire preventie van schadelijke praktijken. Specifiek
gericht op preventie van eergerelateerd geweld is vorig jaar vanuit SZW een kleine
pilot gestart «Wel eer, geen geweld» met een preventieve aanpak gericht op potentiële
plegers. Voor de verschillende subsidies vanuit VWS is in 2026 € 400.000 beschikbaar.
Vraag 63:
Kunt u aangeven hoe de bijstellingen in 2026 doorwerken op de uitgaven aan jeugdzorg,
uitgesplitst naar gemeentefonds en specifieke uitkeringen?
Antwoord: 63
Het grootste deel van de middelen voor jeugdzorg zitten in de algemene uitkering van
het gemeentefonds (zo’n € 8 miljard voor 2026); daarnaast loopt een klein deel van
de middelen via specifieke uitkeringen. Dit betreft in 2026 de specifieke uitkeringen
transformatie gesloten jeugdzorg (€ 31 miljoen); randvoorwaardelijke functies jeugdhulp
(€ 28 miljoen); en niet beoogde kosten jeugdzorg voor verblijf (€ 60 miljoen). In
de Hervormingsagenda Jeugd is een meerjarig financieel kader afgesproken. Jaarlijks
worden de relevante bijstellingen voor jeugd bijgewerkt in het meerjarig financieel
kader en conform afspraken in de Hervormingsagenda wordt indexatie van de algemene
uitkering toegerekend aan dit kader voor jeugd.
De middelen van de algemene uitkering zijn vrij besteedbaar voor gemeenten. Regelmatig
wordt onderzoek gedaan naar de uitgaven van gemeenten aan jeugdzorg in relatie tot
het meerjarig financieel kader. Dit jaar wordt onderzoek gedaan naar het budget en
de uitgaven in 2025 en een prognose van 2026. Hierin worden de bijstellingen van 2026
meegenomen. Dit rapport zal in het najaar met de Kamer worden gedeeld.
Vraag 64:
Welke effecten hebben de lagere premiegefinancierde zorguitgaven op de toegang tot
jeugdhulp in 2026 en verder?
Antwoord: 64
Er is geen directe relatie tussen de premie gefinancierde zorguitgaven en de toegang
tot jeugdhulp. De toegang tot jeugdhulp is verankerd in de Jeugdwet, in de vorm van
een jeugdhulpplicht, waarvoor gemeenten verantwoordelijk zijn.
Vraag 65:
Kunt u inzicht geven in de ontwikkeling van wachtlijsten in de jeugdzorg in relatie
tot de geactualiseerde ramingen van ZN en NZa?
Antwoord: 65
Gemeenten zijn op grond van de Jeugdwet verantwoordelijk voor het organiseren van
jeugdhulp. ZN en NZa hebben geen rol in het jeugdzorgstelsel als het gaat om zorgramingen.
Er is derhalve geen directe relatie tussen de wachtlijsten in de jeugdzorg en het
actualiseren van de zorgramingen voor de Wlz en de Zvw op basis van de gegevens van
NZa en ZN.
Vraag 66:
In hoeverre zijn de hervormingen binnen de Wlz en Zvw van invloed op jongeren die
doorstromen vanuit de jeugdzorg?
Antwoord: 66
De komende periode wordt in samenspraak met de sectoren invulling gegeven aan de maatregelen
in de Wlz en de Zvw. Hierbij wordt rekening gehouden met dat de zorg toegankelijk
moet blijven voor de doelgroepen die kwetsbaar zijn, waaronder jongeren die de jeugdzorg
verlaten. De impact op de jongeren die mogelijk vervolgzorg vanuit de Wlz of Zwv nodig
hebben zullen we daarbij in het oog houden.
Vraag 67:
Welke middelen zijn in 2026 en meerjarig beschikbaar voor de aanpak van complexe jeugdproblematiek
(zoals gesloten jeugdzorg)?
Antwoord: 67
Jeugdhulp wordt grotendeels gefinancierd vanuit de algemene uitkering van het Gemeentefonds.
Deze is beleids- en bestedingsvrij en daarmee is er geen sprake van een afgebakend
budget voor deze doelgroep.
In de Hervormingsagenda Jeugd is wel een meerjarig financieel kader afgesproken voor
de jeugdhulp, gebaseerd op de in het verleden voor jeugdhulp aan de algemene uitkering
toegevoegde middelen. Op basis van dit kader is het budget voor jeugdhulp in 2026
circa 8 miljard.
Daarnaast zijn er voor deze doelgroep expertisenetwerken die die ten doel hebben om
te zorgen voor een passende oplossing voor jongeren met complexe en meervoudige problematiek.
Deze worden gefinancierd vanuit de specifieke uitkering randvoorwaardelijke functies
jeugdhulp. Voor dit onderdeel van de specifieke uitkering is in 2026 circa € 22,5
miljoen beschikbaar.
Als laatste is er incidenteel geld beschikbaar gesteld voor de transformatie van de
gesloten jeugdhulp. In deze specifieke uitkering is € 176 miljoen beschikbaar in de
jaren 2024–2027 voor de afbouw en ombouw van de gesloten jeugdhulp en de opbouw van
alternatieven. Over de inzet van deze middelen worden, in de landsdelen en met zorgaanbieders,
op dit moment afspraken gemaakt.
Vraag 68:
Kunt u specificeren hoe de intensivering van € 84 miljoen op artikel 1 (Volksgezondheid)
is verdeeld over preventieprogramma’s?
Antwoord: 68
Er is geen sprake van een intensivering van € 84 miljoen en daarbij ook geen onderverdeling
over de preventieprogramma’s. Het verplichtingenbudget is met € 84 miljoen verhoogd
om dit budget in het juiste kasritme te zetten zodat verschillende verplichtingen
meerjarig kunnen worden aangegaan, waaronder de raamovereenkomst voor de NVWA en de
meerjarige verplichtingen voor ZonMw. Tezamen met een aantal verplichtingenverlagingen
komt dit uit op een verhoging van 84,1 miljoen. Het benodigde kasbudget is in de juiste
jaren aanwezig en dit betreft daarom geen intensivering.
Vraag 69:
Welk deel van de middelen voor pandemische paraatheid wordt in 2026 en daarna ingezet
voor preventieve maatregelen in plaats van crisisrespons?
Antwoord: 69
Voor de Landelijke Functie Opschaling Infectieziektebestrijding (LFI) geldt dat deze
organisatie zich bezighoudt met de voorbereiding op crisisrespons. Deze middelen gaan
dus expliciet naar respons. Voor de overige middelen geldt dat tussen preventie, paraatheid
en crisisrespons geen harde knip zit, het gaat veelal om opschaalbaarheid van maatregelen.
Voorbeelden daarvan zijn de versterkingen bij het RIVM en de GGD’en. Het RIVM is beter
toegerust om monitoring en surveillance uit te voeren op eventuele uitbraken van infectieziekten.
Met de versterking van onder meer het laboratoriumlandschap, referentielabs en surveillance-instrumenten,
kan het RIVM dag in dag uit sneller infectieziekten opsporen, beter de ernst en omvang
ervan vaststellen en effectiever de verdere verspreiding van infecties voorkómen en
beperken, ook tijdens een pandemie. Bij de GGD’en geldt dat ze met de structurele
middelen de aangetrokken extra capaciteit (denk aan artsen en verpleegkundigen infectieziektebestrijding,
deskundigen op het gebied van infectiepreventie, epidemiologen en data-analisten)
kunnen behouden. Ook blijft de structuur voor versterkte samenwerking in stand. Dit
betekent dat GGD’en beter toegerust zijn op hun reguliere taken en tegelijkertijd
sneller kunnen opschalen bij een (dreigende) gezondheidscrisis. Verder geldt dat er
ook middelen zijn voor de andere maatregelen pandemische paraatheid die bijdragen
aan preventie én respons, zoals het actieprogramma zoönosen en kennisontwikkeling.
Wellicht ten overvloede: een belangrijke pijler in de preventie van infectieziekteuitbraken
is het vaccinatiebeleid. Dit is separaat gefinancierd en geen onderdeel van de middelen
voor pandemische paraatheid, maar draagt uiteraard wel bij aan preventie.
Vraag 70:
Hoe verhouden de structurele investeringen in preventie zich tot de bezuinigingen
die voortvloeien uit de taakstellingen vanaf 2027?
Antwoord: 70
Het kabinet zet zich in om te werken aan de gezondste generatie ooit. Om te komen
tot de gezondste generatie investeert het kabinet in preventie en welzijn. Zo zijn
er structurele investeringen in preventie door bijvoorbeeld het AZWA en het coalitieakkoord.
Tegelijkertijd zijn er ook taakstellingen en bijbehorende bezuinigingen, het proces
omtrent het invullen van deze taakstellingen loopt nog.
Vraag 71:
Kunt u aangeven welke concrete preventiedoelen (bijv. roken, overgewicht, mentale
gezondheid) worden beïnvloed door deze begrotingswijzigingen?
Antwoord: 71
Het kabinet zet zich in om te werken aan de gezondste generatie ooit. Om te komen
tot de gezondste generatie investeert het kabinet in preventie en welzijn. Daarbij
wordt in samenhang ingezet op verschillende thema’s, waaronder leefstijl en mentale
gezondheid. De uiteindelijke effecten op specifieke preventiedoelen zijn afhankelijk
van de nadere uitwerking en implementatie van de maatregelen, in samenwerking met
betrokken partijen. Tegelijkertijd zijn er ook taakstellingen en bijbehorende bezuinigingen.
Het proces omtrent het invullen van deze taakstellingen loopt nog.
Vraag 72:
In hoeverre worden middelen voor preventie via gemeenten (bijv. GGD’en) structureel
geborgd na 2026?
Antwoord: 72
De taken van gemeenten op het gebied van publieke gezondheidszorg en de rol van gemeentelijke
gezondheidsdiensten (GGD’en) zijn geborgd in de Wet publieke gezondheidszorg. De financiering
van de GGD verloopt vervolgens hoofdzakelijk via de gemeentelijke begrotingen waarbij
de hiervoor benodigde middelen structureel deel uitmaken van de Algemene Uitkering
van het Gemeentefonds.
Vraag 73:
Kunt u toelichten waar de intensivering van € 25,6 miljoen op artikel 6 (Sport en
bewegen) in 2026 concreet voor wordt ingezet?
Antwoord: 73
De bijstellingen voor een bedrag van € 25,6 miljoen op de verplichtingenmutaties zijn
voornamelijk gekoppeld aan de mutaties op de uitgaven zoals ook is toegelicht in de
eerste suppletoire begroting. Bij deze uitgavenmutaties gaat het om:
– een incidentele verhoging van het budget met € 37,5 miljoen op de SPUK Stimulering
Sport. Er vindt jaarlijks een vaststelling richting gemeenten plaats waaruit enerzijds
terugvorderingen en anderzijds nabetalingen volgen. De vaststelling van de SPUK-regeling
2024 heeft in het najaar van 2025 plaatsgevonden. De nabetalingen vinden in 2026 en
worden, via een technische desaldering vanuit de ontvangstenraming, betaald vanuit
de terugvorderingen.
– een budget neutrale wijziging binnen artikel 6 Sport en Bewegen van structureel € 19,2
miljoen. In de tweede suppletoire begroting 2025 heeft een wijziging plaatsgevonden
waarbij voortaan de bijdrage in het kader van het Stipendium en de Kostenvergoeding
Topsporters verantwoord wordt onder het financiële instrument «Subsidie» in plaats
van «Inkomensoverdracht». In de eerste suppletoire begroting 2026 is deze budget neutrale
wijziging structureel verwerkt.
– een budget neutrale wijziging binnen artikel 6 Sport en Bewegen van incidenteel € 4,0
miljoen. Het betreft de subsidie verduurzamingstrajecten die binnen artikel 6 op een
ander financieel instrument wordt verantwoord.
– incidentele mutaties met een beperkte omvang van in totaal min € 0,6 miljoen.
Daarnaast is ook een aantal technisch administratieve mutaties uitgevoerd. Het gaat
hier concreet om het vastleggen van verplichtingen in 2025 waarvan de betaling pas
in 2026 plaatsvindt. Deze administratieve handeling leidt ertoe dat incidenteel verplichtingruimte
uit 2026 naar 2025 is overgeboekt. Het gaat hierbij om:
– vastleggen van meerjarige verplichtingen op de BOSA-regeling (min € 6 miljoen)
– vastleggen van meerjarige verplichtingen verduurzamingstrajecten (min 4 miljoen)
– vastleggen van meerjarige verplichtingen topsportevenementen (min 1,3 miljoen)
Bovenstaande mutaties leiden in 2026 per saldo tot een bijstelling van het verplichtingenbudget
van € 25,6 miljoen.
Vraag 74:
Hoe is dit bedrag verdeeld tussen breedtesport, topsport en sportinfrastructuur?
Antwoord: 74
Voor een concrete toelichting op de verschillende mutaties, zie het antwoord op vraag
73.
Een precieze verdeling naar breedtesport, topsport en sportinfrastructuur is niet
te maken. Wel geldt op hoofdlijnen dat de bedragen van de bijstelling van € 25,6 miljoen
op het verplichtingenbudget als volgt zijn verdeeld:
– sportinfrastructuur: € 37,5 – € 6 – € 4 = € 27,5 miljoen
– topsport: – € 1,3 miljoen
– breedtesport: – € 0,6 miljoen
Vraag 75:
In hoeverre zijn deze middelen structureel beschikbaar na 2026?
Antwoord: 75
De mutaties die vallen onder de bijstelling van het verplichtingenbudget van € 25,6
miljoen zijn incidenteel van aard en daarmee niet structureel beschikbaar. De reden
is dat de onderliggende subsidies en betalingen waarvoor deze budgetmutaties gedaan
zijn ook incidenteel van aard zijn.
De enige structurele mutatie betreft de budget neutrale overheveling binnen artikel
6 voor het Stipendium en Kostenvergoeding Topsporters.
Vraag 76:
Welke effecten verwacht u van deze investering op sportdeelname en gezondheid?
Antwoord: 76
Er is geen directe relatie tussen de inzet van de onderliggende subsidies uit de ophoging
van het verplichtingenbudget («investering») op sportdeelname en gezondheid.
Vraag 77:
Hoe verhouden deze investeringen zich tot eventuele taakstellingen op subsidies vanaf
2027?
Antwoord: 77
De mutaties en inzet van de middelen die vallen onder de bijstelling van het verplichtingenbudget
van € 25,6 miljoen zijn incidenteel van aard en zijn gedaan voor de uitvoering van
beleid in 2026. Daarmee is er geen relatie met een eventuele taakstelling vanaf 2027.
De taakstelling op subsidies vanaf 2027 is nog onderwerp van besluitvorming. Er is
op dit moment nog geen besluit genomen op welke beleidsthema’s een taakstelling van
toepassing is.
Vraag 78:
Kunt u specificeren hoeveel personen nog in aanmerking komen voor de paybackregeling
voor weduwen van voormalig KNIL-militairen?
Antwoord: 78
Het is niet bekend hoeveel weduwen en weduwnaars er nog in leven zijn van ambtenaren
en militairen die ten tijde van de Japanse bezetting van Nederlands-Indië/Indonesië
geen of geen volledig salaris hebben ontvangen. Er is geen bestand of archief beschikbaar
op basis waarvan dit kan worden vastgesteld. In 2021 heeft Andersson Elffers Felix
(AEF) onderzoek gedaan naar de haalbaarheid en uitvoerbaarheid van een backpay-regeling
voor weduwen (zie Tweede Kamer, vergaderjaar 2021–2022, 20 454, nr. 172). Op basis van een demografische schatting gingen zij ervan uit dat er in 2015 nog
ongeveer 1.700 weduwen in leven waren, waarvan in 2021 reeds tweederde was overleden.
Vraag 79:
Wat is de reden voor het overhevelen van € 11,5 miljoen naar 2027 en het herbestemmen
van € 38,5 miljoen?
Antwoord: 79
Voor de opzet van de backpay-regeling voor weduwen en weduwnaars zijn verschillende
opties opgesteld. Van deze opties is alleen een regeling voor nog levende weduwen
en weduwnaars mogelijk uitvoerbaar. Pas na het uitvoeren van een uitvoeringstoets
kan worden vastgesteld of deze optie daadwerkelijk uitvoerbaar is. De kosten van deze
optie worden ingeschat op ongeveer € 11,5 miljoen.
Vraag 80:
Welke alternatieve bestedingen binnen de VWS-begroting worden gefinancierd met deze
vrijgevallen middelen?
Antwoord: 81
Er worden verschillenden intensiveringen op de VWS-begroting gefinancierd met de extensivering
op de backpay, tezamen met anderen extensiveringen. Voorbeelden van intensiveringen
zijn de ondersteuning van Q-koorts patiënten, (pandemische) paraatheid, Covid-19 vaccinaties
en de realisatie van het gezinshuis Rosa di Sharon op Bonaire.
Vraag 81:
Zijn er andere herdenkings- of erkenningsregelingen binnen VWS waarvoor budgettaire
wijzigingen zijn doorgevoerd in deze suppletoire begroting?
Antwoord: 81
Nee, dat is niet het geval. In het coalitieakkoord dat tussen D66, VVD en CDA is afgesloten,
is wel een generieke taakstelling opgenomen voor subsidies. Dit heeft mogelijk gevolgen
voor het budget dat beschikbaar is voor het beleid ten aanzien van Oorlogsgetroffenen
en Herinnering Tweede Wereldoorlog.
Vraag 82:
Kunt u bevestigen of alle rechthebbenden volledig worden gecompenseerd onder de huidige
budgettaire aanpassingen?
Antwoord: 82
Er blijft voldoende budget beschikbaar om een backpay-uitkering van € 25.000 te verstrekken
aan alle nog levende weduwen en weduwnaars die in aanmerking komen voor de backpay-regeling
die momenteel wordt ontwikkeld. Of een backpay-regeling voor weduwen en weduwnaars
daadwerkelijk uitvoerbaar is, moet nog blijken uit een uitvoeringstoets.
Vraag 83:
Kunt u aangeven welke middelen in 2026 beschikbaar zijn voor de aanpak van dakloosheid
binnen de VWS-begroting?
Antwoord: 83
Vanaf 2022 is structureel € 65 miljoen extra beschikbaar gesteld voor de aanpak van
dakloosheid. Er is structureel € 55 miljoen toegevoegd aan de decentralisatie uitkering
Nationaal Actieplan Dakloosheid (voor centrumgemeenten). De middelen komen boven op
de € 385 miljoen (excl. indexatie via het accres) die via de decentralisatie uitkering
Maatschappelijke Opvang aan 44 centrumgemeenten wordt verstrekt. Gemeenten ontvangen
via decentralisatie uitkeringen dus € 440 miljoen in totaal (excl. indexatie via het
accres). Deze middelen zijn structureel beschikbaar voor de aanpak van dakloosheid.
Daarnaast is er van de overige € 10 miljoen vanaf 2026 € 2 miljoen aangewend voor
bredere Wmo doeleinden en € 8 miljoen onderdeel van de VWS-begroting
ten behoeve van de aanpak van dakloosheid, waaronder de Pilot dakloze EU-burgers.
SZW is medefinancier van deze pilot, waardoor er sprake is van een intensivering van
de beschikbare middelen per 2026.
Vraag 84:
Hoe verhouden deze middelen zich tot de bijstellingen op artikel 3 (langdurige zorg
en ondersteuning)?
Antwoord: 84
Er is geen sprake van een bijstelling op de aanpak dakloosheid m.b.t. artikel 3.
Vraag 85:
Wat is er volgens de laatste wetenschappelijke inzichten bekend over de totale gezondheidskosten
per jaar voor Nederland door het gebruik van bestrijdingsmiddelen in de landbouw?
Antwoord: 85
Voor zover mij bekend is er geen betrouwbaar cijfer beschikbaar voor de totale gezondheidskosten
per jaar in Nederland als gevolg van het gebruik van bestrijdingsmiddelen in de landbouw.
Dit hangt samen met het feit dat mogelijke gezondheidseffecten van blootstelling aan
bestrijdingsmiddelen afhankelijk zijn van verschillende factoren, zoals het type stof
en de mate en duur van blootstelling. Het RIVM voert daarom in opdracht van het kabinet
meerjarig onderzoek uit naar deze mogelijke gezondheidseffecten. Zo is het Onderzoek
Bestrijdingsmiddelen en Omwonenden 211 (OBO-2) gericht op het vergroten van kennis over de relatie tussen blootstelling
aan bestrijdingsmiddelen en gezondheid. De definitieve rapporten daarvan worden naar
verwachting in 2031 opgeleverd. Daarnaast worden in het SPARK-onderzoek12 teststrategieën ontwikkeld voor de beoordeling van mogelijke neurodegeneratieve effecten,
zoals de ziekte van Parkinson, in het kader van de risicobeoordeling van stoffen.
Het SPARK-onderzoek wordt naar verwachting afgerond in 2029.
Vraag 86:
Wat is er volgens de laatste wetenschappelijke inzichten bekend over de totale gezondheidskosten
per jaar voor Nederland die door de industrie veroorzaakt worden?
Antwoord: 86
Voor zover mij bekend is daar geen betrouwbaar cijfer over beschikbaar. Het PBL heeft
becijferd dat de totale milieuschade door Nederlandse industrie in 2022 € 9,6 miljard
bedroeg13 (de bruto toegevoegde waarde van de Nederlandse industrie bedroeg in 2022 volgens
CBS-cijfers € 102,8 miljard). In de genoemde € 9,6 miljard zijn naast gezondheids-
en zorgkosten ook de kosten van andere soorten schade vervat.
Voor een gebalanceerder beeld over de kosten en baten van industrie zouden overigens
ook de gezondheidsbaten en -kosten van industriële producten, zoals medische hulpmiddelen,
geneesmiddelen, voedsel en cosmetische producten in beeld moeten worden gebracht.
Vraag 87:
Wat is er volgens de laatste wetenschappelijke inzichten bekend over de totale gezondheidskosten
per jaar voor Nederland die door de veehouderij veroorzaakt worden?
Antwoord: 87
Voor zover bij mij bekend is hier geen betrouwbaar cijfer over beschikbaar. Het PBL
heeft becijferd dat de milieuschade door veeteelt in 2022 € 8,5 miljard euro bedroeg.14 Onder dit bedrag vallen ook gezondheids- en zorgkosten.
Vraag 88:
Wat is er volgens de laatste wetenschappelijke inzichten bekend over de totale gezondheidskosten
die per jaar bespaard zouden kunnen worden als meer Nederlanders zich houden aan de
aanbevolen hoeveelheden uit de vernieuwde Schijf van Vijf van het Voedingscentrum?
Antwoord: 88
Hoe groot een mogelijke besparing op de gezondheidskosten is als meer Nederlanders
zouden eten volgens de (vernieuwde) Schijf van Vijf is niet berekend.
Voor de Volksgezondheidstoekomstverkenning 2024 is wel de ziektelast geschat die aan
ongezonde voeding wordt toegeschreven. De ziektelast wordt uitgedrukt in «Disability
Adjusted Life Years» (DALY). Deze eenheid geeft aan hoeveel gezonde levensjaren verloren
gaan. Volgens deze berekening zijn aan ongezonde voeding 148.205 DALYs per jaar toe
te schrijven voor de Nederlandse bevolking (https://www.vzinfo.nl/ziektelast-in-dalys/ziektelast/interactief-cijfer…).
Vraag 89:
Wat is er volgens de laatste wetenschappelijke inzichten bekend over de totale gezondheidskosten
die per jaar bespaard zouden kunnen worden als meer Nederlanders in de buurt van openbaar
groen zouden wonen?
Antwoord: 89
Voor zover bij mij bekend zijn daar geen betrouwbare cijfers over beschikbaar. Er
is wel steeds meer bekend over effecten van groen op de gezondheid. Op basis daarvan
heeft het RIVM in opdracht van VWS vuistregels opgesteld voor groen in wijken.15 Dat biedt zicht op wat er wenselijk is voor verbetering van de gezondheid van de
inwoners. Ook wordt daarmee duidelijk dat niet elke vorm van groen hetzelfde effect
heeft en dat ontwerp, inrichting en beheer van het groen relevant zijn.
Vraag 90:
Hoeveel Nederlanders wonen anno 2026 niet binnen 300 meter van openbaar groen? In
welke gebieden of steden in Nederland ligt dit percentage hoger? Wat is er bekend
over de geschatte gezondheidskosten hiervan?
Antwoord: 90
Deze cijfers zijn momenteel niet voorhanden. In het Compendium van de Leefomgeving
(CBS, PBL, RIVM en WUR) is een kaart uit 2010 opgenomen over afstand tot groen (park,
plantsoen, open natuurlijk terrein of bos).16 Daaruit bleek dat 90 procent van de inwoners van Nederland binnen 1 kilometer van
groen woont. Op die kaart is te zien, dat met name in het westen en noorden van het
land en in het rivierengebied de afstand tot groen groter was. In de Atlas Leefomgeving
van het RIVM is een actuelere kaart opgenomen met de titel Hoeveel groen (bomen, struiken
en planten) is er in je buurt?17 De Stichting Natuur en Milieu heeft in 2025 in samenwerking met Sweco een rapport
gepubliceerd over groen in de 32 grootste steden van Nederland.18 Daaruit komt het beeld naar voren dat in 54 procent van de buurten in de steden minder
dan 75m2 openbaar groen beschikbaar is per inwoner. Bij de grootste 4 steden gaat
het om 70 procent van de buurten.
De Groene Stad heeft een rapport gepubliceerd met een schatting van de economische
meerwaarde van vergroening (Groen op de Balans, over de maatschappelijke en economische
baten van De Groene Stad, 2026).19 Het RIVM heeft in 2023 een verkenning gepubliceerd naar de maatschappelijke waarde
van een gezonde en groene leefomgeving, waarin het RIVM concludeert dat de gezondheidsbaten
nog niet goed te kwantificeren zijn omdat er geen eenduidige causale relatie is tussen
de hoeveelheid groen en gezondheid.20
Vraag 91:
Op welke manier komen gezondheidskosten die veroorzaakt worden door bestrijdingsmiddelen,
de industrie, de veehouderij en een tekort aan openbaar groen nu tot uitdrukking in
de Rijksbegroting?
Antwoord: 91
Gezondheidskosten die samenhangen met factoren zoals het gebruik van bestrijdingsmiddelen,
industriële activiteiten, veehouderij en de inrichting van de leefomgeving worden
niet (afzonderlijk) zichtbaar gemaakt in de Rijksbegroting.
Zorguitgaven worden in de begroting gepresenteerd op basis van zorggebruik en zijn
daardoor niet herleidbaar naar specifieke oorzaken of blootstellingen.
Vraag 92:
Op welke manier worden maatregelen die (op lange termijn) een gezondheidskostenbesparing
in Nederland opleveren (zoals preventiemaatregelen) meegenomen in de begrotingssystematiek?
Antwoord: 92
Als er onder een medische preventiemaatregel een hard onderbouwde business case ligt
– waarbij de kosten en besparingen meerjarig in beeld zijn gebracht – dan kunnen we
volgens de begrotingssystematiek de besparing in de Zvw inboeken en gebruiken als
dekking om deze maatregel (deels) te financieren. Dit verloopt via de reguliere begrotingsprocessen.
Zie hiervoor ook p. 37 in het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord.
Vraag 93:
Welke mogelijkheden zijn er om deze kostenbesparingen meer tot uitdrukking te laten
komen in de meerjarige begroting?
Antwoord: 93
In de huidige systematiek zijn al er voldoende mogelijkheden om deze kostenbesparingen
tot uitdrukking te laten komen in de meerjarige begroting. Als er onder een medische
preventiemaatregel een hard onderbouwde business case ligt – waarbij de kosten en
besparingen meerjarig in beeld zijn gebracht – dan kunnen we volgens de huidige begrotingssystematiek
de besparing in de Zvw inboeken en gebruiken als dekking om deze maatregel (deels)
te financieren. Dit verloopt via de reguliere begrotingsprocessen. Zie hiervoor ook
p. 37 in het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord.
Vraag 94:
Hoeveel Nederlanders houden zich volgens de meest recente cijfers aan de aanbevolen
hoeveelheden uit de in april 2026 vernieuwde Schijf van Vijf van het Voedingscentrum?
Antwoord: 94
Er is niet in kaart gebracht hoeveel Nederlanders zich houden aan de aanbevolen hoeveelheden
uit de vernieuwde Schijf van Vijf.
Voor de voorlaatste Schijf van Vijf is hier wel inzicht in, op basis van gegevens
van de Nederlandse voedselconsumptiepeiling uit 2019–2021 (zie https://www.wateetnederland.nl/onderwerpen/schijf-van-vijf). Bijvoorbeeld 1 op de 3 inwoners in Nederland at 1 keer in de week vis, 1 op de
5 at de aanbevolen hoeveelheden fruit, en 1 op de 8 de aanbevolen hoeveelheden groenten.
10% of minder van de bevolking consumeerde de aanbevolen hoeveelheden peulvruchten,
noten, graanproducten, brood en kaas. Uit deze gegevens blijkt ook dat twee derde
deel van de totale hoeveelheid voedingsmiddelen die in Nederland werden gegeten en
gedronken in de toenmalige Schijf van Vijf staan.
Vraag 95:
Hoeveel subsidie ontvangt het Voedingscentrum van zowel VWS als LVVN in de jaren 2026
tot en met 2031?
Antwoord: 95
De totale subsidiereeks voor het Voedingscentrum van 2026 tot en met 2031 uitgesplitst
voor VWS en LVVN ziet er als volgt uit. De bedragen zijn afgerond en de subsidies
voor 2026 zijn verstrekt. De bedragen van VWS voor 2027 tot en met 2031 zijn voorzien.
De subsidiebedragen vanuit LVVN zijn voor de jaren 2027 tot en met 2031 nog niet bepaald.
VWS
LVVN
2026
€ 5.595.000
€ 4.120.000
2027
€ 5.122.000
2028
€ 5.122.000
2029
€ 5.122.000
2030
€ 5.122.000
2031
€ 5.122.000
Het Voedingscentrum ontvangt daarnaast van VWS subsidie voor de coördinatie en uitvoering
van het leefstijlbrede programma de Gezonde Kinderopvang. Deze subsidie is specifiek
bestemd voor dit programma en voor 2026 verstrekt. De bedragen van VWS voor 2027 en
verder zijn voorzien.
Programma Gezonde Kinderopvang
2026
€ 872.600
2027
€ 650.000
2028
€ 650.000
2029
€ 650.000
2030
€ 650.000
2031
€ 650.000
Vraag 96:
Hoe verhoudt zich dat tot het totale subsidiebedrag per jaar dat het Voedingscentrum
tijdens de afgelopen tien jaar ontving?
Antwoord: 96
De reeks van de afgelopen 10 jaar is als volgt. De bedragen zijn afgerond.
VWS
LVVN
2016
€ 5.900.000
€ 2.400.000
2017
€ 5.500.000
€ 3.200.000
2018
€ 5.800.000
€ 2.900.000
2019
€ 6.700.000
€ 3.400.000
2020
€ 7.000.000
€ 4.350.000
2021
€ 6.500.000
€ 4.540.000
2022
€ 6.800.000
€ 4.690.000
2023
€ 7.700.000
€ 5.650.000
2024
€ 7.600.000
€ 5.150.000
2025
€ 7.500.000
€ 4.600.000
2026
€ 5.595.000
€ 4.120.000
De subsidiebedragen van VWS zijn in de loop van de jaren toegenomen door incidentele
middelen voor leefstijlpreventie. De terugloop wordt veroorzaakt door de subsidietaakstelling
uit het hoofdlijnenakkoord van het kabinet Schoof en het wegvallen van de incidentele
middelen voor leefstijlpreventie.
In de afgelopen jaren waren bij LVVN verschillende incidentele middelen (klimaatenveloppe,
ophoging budget duurzaam voedselbeleid) beschikbaar, waardoor er meer projectsubsidie
voor het Voedingscentrum mogelijk was.
Het Voedingscentrum ontvangt daarnaast van VWS subsidie voor de coördinatie en uitvoer
van het leefstijlbrede programma de Gezonde Kinderopvang. Deze subsidie is specifiek
bestemd voor dit programma.
Programma
Gezonde Kinderopvang
2016
€ 233.800
2017
€ 416.900
2018
€ 634.900
2019
€ 828.100
2020
€ 650.100
2021
€ 601.300
2022
€ 1.035.900
2023
€ 935.000
2024
€ 896.600
2025
€ 1.022.200
2026
€ 872.600
Vraag 97:
Klopt het dat het kabinet de voorgenomen vermindering vanaf 2026 op de subsidies van
het Voedingscentrum van zowel het Ministerie van VWS als het Ministerie van LVVN van
het kabinet-Schoof doorzet?
Antwoord: 97
Dat klopt, de subsidiekorting van VWS is met de nota van wijziging op de ontwerpbegroting
voor het jaar 2025 d.d. 18 oktober 2024 vastgesteld (Tweede Kamer, 2023–2024, 36 600 XVI, nr. 3). Vanuit LVVN is de korting vastgesteld in de ontwerpbegroting (Tweede Kamer, 2024–2025,
36 600-XIV, nr. 1)
Vraag 98:
Welke signalen vanuit het Voedingscentrum zelf over de effecten van deze subsidievermindering
zijn bij u bekend?
Antwoord: 98
Zowel de inhoudelijke als organisatorische effecten van de subsidievermindering zijn
mij bekend. Het Voedingscentrum heeft een substantiële reorganisatie doorgevoerd en
ingrijpende keuzes moeten maken. De voorlichtingsactiviteiten en ondersteuning voor
consumenten en voor professionals in onder andere het onderwijs en de gezondheidszorg
zijn voor een deel afgeschaald of anders ingericht. Het wordt als onwenselijk ervaren
dat juist in tijden van toename van desinformatie de betrouwbare informatie vanuit
het Voedingscentrum noodgedwongen minder wordt.
Vraag 99:
Kunt u aangeven of in deze Voorjaarsnota voldoende middelen beschikbaar zijn gesteld
om het onafhankelijk advies van Capaciteitsorgaan over het aantal opleidingsplaatsen
geneeskunde en voor medisch specialisten op te volgen? Zo nee, waarom niet?
Antwoord: 99
Op dit moment werkt het kabinet aan een kabinetsreactie op het advies van het Capaciteitsorgaan,
welke u voorafgaand aan het notaoverleg arbeidsmarkt op 8 juni a.s. zal ontvangen.
Vraag 100:
Kunt u aangeven hoe u omgaat met de verschillende moties die in het debat van 29 januari
jl. zijn aangenomen als het gaat om het realiseren van passende zorg en ondersteuning
van patiënten met Post Covid?
Antwoord: 100
Conform de toezegging in het commissiedebat over de eerstelijnszorg van 1 april jl.
zal de Kamer voor het zomerreces een brief ontvangen over het PAIS21-beleid (toezegging TZ202604–010). In deze brief zal ook ingaan worden op de stand
van zaken van de uitvoering van de verschillende moties.
Vraag 101:
Kunt u per begrotingsartikel exact toelichten hoe de totale mutatie van € 360,5 miljoen
minder uitgaven, € 44,7 miljoen meer verplichtingen en € 110,0 miljoen meer ontvangsten
is opgebouwd, en daarbij per mutatie aangeven welk deel daadwerkelijk ten goede komt
aan directe zorg voor patiënten en welk deel opgaat aan systeemkosten, uitvoering
of administratie?
Antwoord: 101
De precieze verdeling van hoe de totale mutatie is opgebouwd is te vinden in de verschillende
beleids- en niet-beleidsartikelen in de eerste suppletoire begroting. Op de beleidsartikelen
staan middelen die primair worden ingezet voor de verbetering van de zorg. Op de niet-beleidsartikelen
staan onder andere apparaatskosten van het departement, evenals de nog niet toebedeelde
posten zoals loon- en prijsbijstelling. De bijstelling van de raming van de zorgtoeslag
zorgt ervoor dat de uitgaven met ruim € 500 miljoen worden verlaagd. Dit is een technische
bijstelling op basis van actuele ramingen in het CEP (Centraal Economisch Plan) van
het CPB.
Vraag 102:
Kunt u toelichten waarom de grootste mutaties juist neerslaan op artikel 3 Langdurige
zorg en ondersteuning, artikel 4 Zorgbreed beleid, artikel 8 Tegemoetkomingen en Rijksbijdragen,
artikel 10 Apparaat en artikel 11 Nog onverdeeld, en per artikel aangeven welk deel
van deze middelen rechtstreeks merkbaar is voor patiënten, ouderen, gehandicapten
en zorgverleners?
Antwoord: 102
De redenen hiervoor verschillen per artikel. Op artikel 3 en 4 zijn verschillende
kleinere technische en beleidsmatige mutaties die tezamen leiden tot een grote mutatie.
Voorbeelden hiervan zijn het wisselkoerseffect van de BES-eilanden, verscheidene kasschuiven
en technische overboekingen binnen de begroting. Op artikel 8 staan de verschillende
Rijksbijdragen. De bijstelling van de raming van de zorgtoeslag zorgt ervoor dat de
uitgaven met ruim € 500 miljoen worden verlaagd. Dit is een technische bijstelling
op basis van actuele ramingen in het CEP (Centraal Economisch Plan) van het CPB. Artikel
10 en 11 betreffen niet-beleidsartikelen, waarbij artikel 10 apparaatskosten en artikel
11 nog niet toebedeelde middelen zijn. De niet-toebedeelde middelen betreffen de loon-
en prijsbijstelling, die tijdens de eerste suppletoire begroting aan de begroting
van VWS is toegevoegd en bij Ontwerpbegroting 2027 wordt doorverdeeld.
Vraag 103:
Kunt u toelichten waar het budget voor pandemische paraatheid vandaan komt?
Antwoord: 103
De middelen voor pandemische paraatheid worden deels gedekt vanuit de meevaller op
de zorguitgaven in de Zvw en Wlz en deels gedekt door een budgetkorting (een naar
rato verlaging van de beleidsartikelen) op de VWS-begroting. Deze budgetkorting staat
op dit moment nog gereserveerd op begrotingsartikel 11, maar zal bij de Ontwerpbegroting
2027 worden doorverdeeld naar de beleidsartikelen.
Vraag 104:
Op welke posten op de VWS-begroting wordt er gekort om het budget vrij te maken voor
pandemische paraatheid?
Antwoord: 104
Om middelen vrij te maken voor pandemische paraatheid is een budgetkorting (een naar
rato verlaging van de beleidsartikelen) op de begroting opgenomen. Deze is op dit
moment op begrotingsartikel 11 gereserveerd, maar zal in de Ontwerpbegroting 2027
worden doorverdeeld naar de beleidsartikelen.
Vraag 105:
Kunt u nader toelichten hoe de subsidietaakstelling van 2027 wordt ingevuld?
Antwoord: 105
De subsidietaakstelling in 2027 is naar rato verdeeld over de subsidiebudgetten op
de VWS-begroting. Dit betreft een voorlopige technische doorverdeling. In de Ontwerpbegroting
2027 wordt de taakstelling definitief ingevuld.
Vraag 106:
Wanneer wordt duidelijk waar de subsidietaakstelling bij VWS precies neerslaat en
hoe wordt de Kamer daarover geïnformeerd?
Antwoord: 106
Op dit moment is de subsidietaakstelling technisch ingevuld. Hierbij is een naar rato
verdeling gemaakt van de subsidiebudgetten. In de Ontwerpbegroting 2027 wordt de taakstelling
definitief ingevuld.
Vraag 107:
Kunt u inzichtelijk maken welke middelen in deze eerste suppletoire begroting nog
niet concreet zijn toegedeeld aan zorgdoelen en op welke wijze de Kamer daarover later
nader wordt geïnformeerd (pagina 4 en 43)?
Antwoord: 107
Dit betreft de loon- en prijsbijstelling tranche 2026. Deze worden tijdens de eerste
suppletoire begroting aan de begroting van VWS toegevoegd en zullen vervolgens bij
de Ontwerpbegroting 2027 verdeeld over de verschillende budgetten op basis van de
loon- en prijsgevoeligheid.
Vraag 108:
Kunt u per beleidsartikel aangeven welk deel van het budget juridisch verplicht, bestuurlijk
gebonden of nog vrij inzetbaar is, zodat duidelijk wordt in hoeverre de Kamer nog
daadwerkelijk kan sturen op prioriteiten zoals ouderenzorg, langdurige zorg en zorgpersoneel?
Antwoord: 108
In de 1e suppletoire begroting 2026 staat onder «budgettaire gevolgen van beleid» de budgetflexibiliteit
toegelicht per artikel. Onderstaande tabel bevat het totaaloverzicht.
Artikel
Juridisch verplicht
Bestuurlijk gebonden
Beleidsmatig gereserveerd
Vrij te besteden
1
98,9%
0,9%
0,2%
0,0%
2
90,1%
7,0%
2,6%
0,2%
3
92,0%
2,2%
5,3%
0,5%
4
82,4%
17,0%
0,4%
0,2%
5
58,8%
18,4%
22,8%
0,0%
6
99,6%
0,1%
0,3%
0,0%
7
99,6%
0,0%
0,0%
0,4%
8
100,0%
0,0%
0,0%
0,0%
Vraag 109:
Welke onderdelen van het originele programma pandemische paraatheid van € 300 miljoen
worden doorgezet?
Antwoord: 109
Met de structurele middelen die nu beschikbaar worden gesteld, kunnen de belangrijkste
onderdelen van het programma pandemische paraatheid, dat was gestart door het kabinet
Rutte IV, voortgezet en geborgd worden. Zo is de Nederlandse zorg beter bestand tegen
crises. Denk daarbij aan de versterkingen van het RIVM (incl. de LFI), de versterkingen
van de GGD’en, borging van maatregelen uit het actieplan zoönosen (zoals monitoring
en surveillance en bioveiligheid op veehouderijen), beter inzicht in de zorgcapaciteit/patiëntenspreiding
en borging van de capaciteit van het Regionaal Overleg Acute Zorgketen, en het aanleggen
van voorraden van medische producten. Het kabinet kiest ervoor deze versterkingen
niet langer als een afzonderlijk beleidsprogramma te beschouwen, maar in te bedden
als integraal onderdeel van het reguliere VWS beleid.
Vraag 110:
Welke onderdelen van het originele programma pandemische paraatheid van € 300 miljoen
worden niet doorgezet? Kan elk individueel punt van de ombuiging van € 162 miljoen
uitgesplitst worden?
Antwoord: 110
Het is niet mogelijk om voor elk individueel punt de ombuiging uit te splitsen, omdat
er al geruime tijd geen sprake meer is van een beleidsprogramma pandemische paraatheid.
Voor sommige maatregelen, zoals de opleiding Basis Acute zorg en monitoring en surveillance
in de ouderenzorg en gehandicaptenzorg en voor leveringszekerheid heeft het vorige
kabinet reeds eerder middelen gevonden, waarna zij onderdeel zijn geworden van het
reguliere beleid. Zoals in de brief van 27 maart jl. (Kamerstuk 25 295, nr. 2265) aangegeven, heeft het kabinet ervoor gekozen de versterkingen waarvoor middelen
zijn gevonden bij voorjaarsnota in te bedden als integraal onderdeel van het reguliere
VWS beleid. Andere maatregelen zijn afgerond en/of er wordt geen vervolg aan gegeven.
Hieronder licht het kabinet op hoofdlijnen voor de drie beleidsopgaven van het voormalige
beleidsprogramma toe welke keuzes er zijn gemaakt.
Binnen de beleidsopgave publieke gezondheid blijft het pakket aan maatregelen an sich
in stand, maar is gekeken hoe met minder middelen hieraan invulling kan worden gegeven.
De risicoreservering voor IV/ICT is daardoor bijvoorbeeld komen te vervallen. Verder
is een deel van de middelen voor kennis en innovatie en internationaal beleid geschrapt.
Ook zijn de versterkingen bij GGD’en en het RIVM, inclusief de LFI, kritisch tegen
het licht gehouden waarna cf. voorjaarsnota op een lagere raming is uitgekomen. In
het kader van het bredere infectieziektebeleid wordt u komend najaar geïnformeerd
over de nadere invulling van de maatregelen met het beperktere budget.
Voor de beleidsopgave leveringszekerheid geldt dat maatregelen geborgd zijn met de
middelen die met de nota van wijziging bij de begroting 2025 zijn toegevoegd voor
het verbeteren van de beschikbaarheid van geneesmiddelen en dat ook een deel van de
middelen die beschikbaar zijn gekomen bij voorjaarsnota aan leveringszekerheid bijdragen.
Voor de beleidsopgave flexibele zorg ligt dit genuanceerd. De middelen die nu bij
voorjaarsnota zijn vrijgemaakt om het inzicht in de actueel beschikbare capaciteit
in de (acute) zorgketen te versterken, dragen bij aan de pandemische paraatheid. Verder
geldt dat eerder voor andere maatregelen middelen zijn gevonden, zoals de opleiding
Basis Acute zorg en monitoring en surveillance in de ouderenzorg en gehandicaptenzorg.
Voor een deel zijn programma onderdelen inmiddels afgerond, zoals het ZonMw programma
doorgang reguliere zorg.
Vraag 111:
Klopt het dat er wel middelen voor Q-support voor 2027, maar niet voor C-support op
de suppletoire begroting staan?
Antwoord: 111
Voor 2027 is specifiek voor Q-koorts patiënten een bedrag van € 2,5 miljoen opgenomen
in de begroting. De inzet van deze middelen wordt in samenspraak met de patiëntenvereniging
Q-uestion, Q-support en de Q-koorts ambassadeur vastgesteld. Uitgangspunt is dat het
bijdraagt aan de kwaliteit van leven van Q-koortspatiënten. In de toelichting in de
begroting is de bestemming ten onrechte aan Q-support gerelateerd.
Vraag 112:
Kunt u uitsplitsen welk deel van de middelen voor pandemische paraatheid terechtkomt
bij uitvoerende zorg, publieke gezondheid, apparaat en overige posten, zodat duidelijk
wordt hoeveel geld daadwerkelijk terechtkomt bij concrete paraatheid en niet bij extra
beleidslagen?
Antwoord: 112
De uitvoerende partners, waaronder GGD’en en RIVM, hebben een cruciale rol bij de
invulling en uitvoering van de beleidsmaatregelen zoals monitoring en surveillance,
versterking GGD’en en bijvoorbeeld kennisnetwerk op modellering. De middelen hiervoor
zullen aan de desbetreffende uitvoeringspartners worden toegekend, zoals blijkt uit
de begroting. Hoe de partners deze middelen vervolgens precies besteden, zal duidelijk
worden uit hun jaarplannen en -verantwoordingen.
Vraag 113:
Wanneer ontvangt de Kamer de aangekondigde onderbouwing conform Beleidskeuzes uitgelegd
(CW 3.1) voor de middelen voor pandemische paraatheid, en kunt u garanderen dat de
Kamer daarover beschikt vóór besluitvorming, zodat controle op nut en noodzaak mogelijk
is?
Antwoord: 113
Het kader zal op begin mei naar u worden verstuurd.
Vraag 114:
Kunt u toelichten waarom voor COVID-19-vaccinaties alleen in 2027 € 143 miljoen wordt
geraamd en hoe is onderbouwd dat dit bedrag noodzakelijk en doelmatig is? Kan tevens
worden aangegeven welk deel hiervan naar uitvoering gaat en welk deel naar organisatie,
communicatie en overige overhead?
Antwoord: 114
Er is nog geen dekking voor het COVID-19 vaccinatieprogramma vanaf 2028, daarom is
alleen sprake van een raming voor 2027. Omdat er geen structurele dekking is, moeten
jaarlijks met de betrokken partijen (RIVM, GGD’en, GGDGHOR Nederland) afspraken worden
gemaakt over de benodigde inzet en kosten. De kosten dalen nog steeds, mede door doelmatigere
werkwijzen. Vanaf 2026 is er daarnaast sprake van een grotere terugloop van het aantal
vaccinaties door het aanpassen van de doelgroep die op basis van leeftijd voor vaccinatie
in aanmerking komt (van 60+ naar 70+), op advies van de Gezondheidsraad (Kamerstuk
25 295, nr. 2264). Het bedrag van € 143 miljoen omvat onder andere de aankoop van de vaccins, de logistiek
om ze uit te leveren, de uitnodigingen, het IV systeem voor het maken van afspraken
en registratie van gezette prikken, coördinatie, en het zetten van de prikken. Het
Ministerie van VWS heeft door de wijze van financiering geen precies inzicht in de
kosten voor overhead en communicatie die samenhangen met deze taken. De GGD’en worden
namelijk gefinancierd op basis van een prijs per prik, waarbij de GGD’en binnen dat
bedrag moeten zorgen voor een optimale uitvoering en aan de voorkant niet alle kostenposten
precies zijn gedifferentieerd.
Vraag 115:
Kunt u toelichten waarom voor PAIS/Q-support slechts incidenteel € 2,5 miljoen beschikbaar
wordt gesteld, terwijl patiënten met langdurige klachten juist behoefte hebben aan
continuïteit van ondersteuning?
Antwoord: 115
Het bedrag van € 2,5 miljoen is bedoeld voor Q-koorts patiënten. De inzet van deze
middelen wordt in samenspraak met de patiëntenvereniging Q-uestion, Q-support en de
Q-koorts ambassadeur vastgesteld. Uitgangspunt is dat het bijdraagt aan de kwaliteit
van leven van Q-koortspatiënten. Naar aanleiding van onder andere signalen van de
Q-koorts ambassadeur is voor deze groep patiënten gekeken naar een extra ondersteuning
in 2027 in verband met het stoppen van de individuele nazorgactiviteiten van stichting
Q-support in 2027. Voor deze groep ziet de overheid een bijzondere verantwoordelijkheid,
mede naar aanleiding van de drie rapporten over q-koorts van de Nationale ombudsman.
Voor zowel q-koorts als andere PAIS patiënten is het van belang dat zij passende zorg
en ondersteuning krijgen vanuit het reguliere veld. Dat is altijd de insteek van de
tijdelijke subsidie aan stichting Q- en C-support geweest. Daarom is aan Q en C-support
nadrukkelijk gevraagd om hun kennis over te dragen aan het reguliere veld.
Vraag 116:
Kunt u toelichten waarom voor de bestrijding van exotische muggen alleen in 2027 en
2028 extra middelen zijn gereserveerd en op basis van welke risicoanalyse is vastgesteld
dat deze middelen voldoende zijn om de volksgezondheid te beschermen?
Antwoord: 116
De intensivering voor 2027 en 2028 is gebaseerd op de verwachting dat vestiging van
de tijgermug binnen twee tot vijf jaar reëel is. De extra middelen maken het mogelijk
de landelijke bestrijding voort te zetten én gemeenten voor te bereiden op een fase
waarin de tijgermug lokaal gevestigd is. De risicoanalyse is gebaseerd op drie adviezen
uit de Kamerbrief van december jl.: van het RIVM, de NVWA en de VNG, aangevuld met
operationele signalen van de NVWA, waaronder het stoplichtmodel22 dat in 2025 in juli al op rood stond.23 De Europese ervaring laat zien dat na vestiging nog minimaal twee tot drie jaar verstrijkt
voordat transmissie van dengue of chikungunya optreedt, waardoor de volksgezondheidsrisico’s
op korte termijn beheersbaar blijven mits de bestrijding wordt voortgezet en de voorbereiding
tijdig op orde is.24 Op de langere termijn nemen de risico’s toe: bij verdere verspreiding van de tijgermug
wordt de kans op autochtone transmissie van dengue en chikungunya groter. Dit is op
termijn onvermijdelijk. Daarom wordt nu ingezet op kennisoverdracht naar gemeenten
en GGD’en, zodat zij tijdig zijn toegerust om de bestrijding en ziektepreventie lokaal
op te pakken.
Vraag 117:
Kunt u exact toelichten waaruit het incidentele besparingsverlies van € 35 miljoen
bij de SOV in 2027 bestaat, en waarom de taakstelling daar kennelijk niet volledig
kan worden gerealiseerd? Kan tevens worden aangegeven welke gevolgen dit heeft voor
de betaalbaarheid van de zorg voor Nederlanders?
Antwoord: 117
De afgelopen jaren zijn de uitgaven aan de SOV gestegen naar € 115 miljoen in 2026.
Bij de subsidietaakstelling van kabinet Schoof is ervoor gekozen om € 40 miljoen te
bezuinigen op de SOV vanaf 2027. Op korte termijn leveren de inspanningen om fraude
aan te pakken met de SOV en OVV besparingen op die worden ingeboekt, namelijk € 5
miljoen. Het besluit is genomen om voor 2027 een besparingsverlies van € 35 miljoen
te verwerken in de begroting van het Ministerie van VWS. Voor 2028 zal opnieuw worden
bekeken op welke wijze de resterende taakstelling kan worden bereikt. Dit besparingsverlies
heeft niet zozeer gevolgen voor de betaalbaarheid van de zorg (die premiegefinancierd
zijn), maar leggen wel druk op de publieke uitgaven (die via belastingen worden gefinancierd).
Vraag 118:
Kunt u specificeren welke verplichtingen voortvloeien uit de EU-richtlijn geweld tegen
vrouwen en huiselijk geweld, welke onderdelen Nederland al uitvoert en welke nieuwe
kosten specifiek door deze richtlijn ontstaan?
Antwoord: 118
De EU-richtlijn ziet op de bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld
en bevat bepalingen over strafbaarstellingen en voorschriften over slachtofferbescherming
en preventie. Omdat de richtlijn grotendeels gebaseerd is op het Verdrag van Istanbul
inzake geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld van de Raad van Europa (dat sinds
1 maart 2016 voor Nederland van kracht is) voldoen het Nederlandse beleid en de Nederlandse
wetgeving al grotendeels aan de verplichtingen.
De behandeling van de implementatiewet is tweede helft 2026 voorzien. Om volledig
te voldoen aan de richtlijn worden, op het terrein van VWS, de Wmo 2015, naar verwachting
de volgende wijzigingen voorgesteld. (1) Er wordt een wettelijke grondslag opgenomen
voor gemeenten om zorg te dragen voor een toegankelijke ondersteuningsdienst voor
slachtoffers van seksueel geweld.
(2) Er wordt een grondslag opgenomen om bij AMvB één of meer organen aan te wijzen
die worden belast met (a) het publiceren van verslagen en het doen van aanbevelingen
over geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, en (b) het uitwisselen van informatie
met relevante Europese instanties en netwerken. De concrete aanwijzing van deze organen
en de verdeling van taken vindt plaats bij of krachtens algemene maatregel van bestuur.
(3) Er worden ook grondslagen opgenomen voor gegevensverstrekking aan het CBS ten
behoeve van monitoringsverplichtingen uit de richtlijn. Dit betreft het verzamelen
en in Europees verband delen van statistische gegevens. (4) Veilig Thuis heeft eveneens
een belangrijke rol bij meldingen van huiselijk geweld of kindermishandeling waarbij
ook de ondersteuningsdienst seksueel geweld in kennis kan worden gesteld. Er wordt
een expliciet onderscheid aangebracht in de bewaartermijnen voor gegevensverwerking
door Veilig Thuis in diens rol als advies- en ondersteuningsfunctie en in diens rol
als meldfunctie.
(5) Daarnaast wordt voorgesteld artikel 2.1.2 Wmo 2015 aan te passen, zodat gemeenten
in hun beleidsplan expliciet aandacht besteden aan het voorkomen en bestrijden van
seksueel geweld en geweld tegen vrouwen en die beleidsplannen ook afstemmen op de
door de richtlijn vereiste actieplannen.
Omdat het Nederlandse beleid en de Nederlandse wetgeving grotendeels al voldoen aan
hetgeen waartoe de richtlijn verplicht, kan het overgrote deel van de richtlijnvoorschriften
binnen de bestaande uitvoeringsbudgetten worden opgevangen. Voor het versterken van
nationale coördinatie, nationale actieplannen en één of meer organen die worden belast
met het (a) het publiceren van verslagen en het doen van aanbevelingen over geweld
tegen vrouwen en huiselijk geweld, en (b) het uitwisselen van informatie met relevante
Europese instanties en netwerken zijn aanvullende middelen beschikbaar op de begrotingen
van VWS, J&V en OCW.
Vraag 119:
Kunt u toelichten op welke wijze de middelen voor realisatie van gezinshuis Bonaire
(Rosa di Sharon) worden ingezet en hoe toezicht op het gezinshuis wordt gewaarborgd?
Antwoord: 119
Met de realisatie van het gezinshuis bij Rosa di Sharon op Bonaire worden vijf extra
opvangplekken gecreëerd voor kinderen met te complexe problematiek voor pleegzorg
en waarvoor langdurig verblijf noodzakelijk is. De middelen worden ingezet voor de
realisatie van nieuwbouw voor het gezinshuis, de personeelskosten (uitbreiding formatie
en gespecialiseerd personeel), organisatiekosten (zoals nutsvoorzieningen en de inrichting)
en hulpverleningskosten (zoals trainingen en activiteiten). Rosa di Sharon biedt al
15 jaar kwalitatief goede jeugdzorg met verblijf voor tienermeisjes. De Inspectie
Gezondheidszorg- en Jeugd (IGJ) houdt toezicht op deze voorziening en zal dat ook
doen op het gezinshuis in de toekomst. Daarnaast zijn er regelmatig accountgesprekken
tussen VWS en Rosa di Sharon en houdt VWS als plaatser ook zicht op – en blijft betrokken
bij de jeugdigen die binnen het gezinshuis verblijven.
Vraag 120:
Kunt u nader toelichten welke concrete maatregelen worden gefinancierd uit de middelen
voor erkenningsmaatregelen gesloten jeugdzorg? Hoe wordt voorkomen dat geld vooral
terechtkomt in onderzoeken, trajecten en overlegstructuren, en welk deel direct ten
goede komt aan slachtoffers?
Antwoord: 120
Voor de periode 2026–2030 is incidenteel budget van in totaal € 12,0 miljoen beschikbaar
gesteld. Dit budget is expliciet bedoeld voor het uitvoeren van de erkennings- en
herstelactiviteiten voor oud-cliënten die leed hebben ervaren binnen de gesloten jeugdzorg.
De basis voor de invulling van dit erkenning- en hersteltraject zijn de geleerde lessen
van de zes pilotprojecten, die in nauwe samenwerking met jongeren en ervaringsdeskundigen
tot stand zijn gekomen. Deze pilots zijn gefinancierd met de middelen uit het amendement
Westerveld ([1] Amendement 36 600 XVI, nr. 113). De komende periode zal samen met jongeren en ervaringsdeskundigen verdere invulling
gegeven gaan worden aan het erkenning- en hersteltraject.
Vraag 121:
Kunt u per taakstelling uit het Coalitieakkoord, te weten efficiency, vernieuwing
Rijksdienst en subsidietaakstelling, aangeven welke subsidies, regelingen, organisaties
of uitvoeringsonderdelen binnen VWS hierdoor geraakt worden?
Antwoord: 121
Op dit moment zijn zowel de subsidietaakstelling, vernieuwing Rijksdienst en de efficiencytaakstelling
naar rato van de budgetten op de VWS-begroting doorverdeeld. Dit is een voorlopige
technische verdeling. De taakstellingen worden in toekomstige begrotingsstukken definitief
doorverdeeld.
Vraag 122:
Kunt u toelichten wat de budgettaire en beleidsmatige gevolgen zijn van de meerjarige
taakstellingen voor de uitvoering van VWS-beleid vanaf 2027 en hoe wordt voorkomen
dat deze uiteindelijk neerslaan bij patiënten en zorgverleners?
Antwoord: 122
Op dit moment zijn zowel de subsidietaakstelling, vernieuwing Rijksdienst en de efficiencytaakstelling
naar rato van de budgetten op de VWS-begroting doorverdeeld. Dit is een voorlopige
technische verdeling. De taakstellingen worden in toekomstige begrotingsstukken definitief
doorverdeeld. In de interne afweging wordt rekening gehouden met de invloed op patiënten
en zorgverleners.
Vraag 123:
Waar komt het bedrag voor ophoging van de middelen voor pandemische paraatheid exact
vandaan?
Antwoord: 123
Binnen de begroting van VWS zijn er zowel ramingsbijstellingen als beleidsmatige keuzes
gemaakt om middelen te herprioriteren voor onder andere pandemische paraatheid. De
budgetkorting staat op dit moment nog gereserveerd op artikel 11, maar zal bij de
Ontwerpbegroting 2027 worden doorverdeeld naar de beleidsartikelen.
Vraag 124:
Is het budget dat beschikbaar wordt gesteld voor «het uitvoeren van de Erkenningsmaatregelen
Gesloten Jeugdzorg naar aanleiding van de misstanden die plaatsvonden in de Gesloten
Jeugdzorg» (ook) bedoeld voor het uitvoeren van de motie-Dobbe (Kamerstuk 31839–1014)?
Antwoord: 124
Het budget is bedoeld voor erkennings- en herstelmaatregelen voor jongeren die schade
hebben opgelopen in de gesloten jeugdzorg, zoals verzocht in de motie van het lid
Dobbe.
Vraag 125:
Kunt u toelichten waarom op artikel 1 Volksgezondheid de verplichtingen met € 84,1
miljoen stijgen, terwijl de uitgaven met slechts € 19,2 miljoen stijgen, en om welke
verplichtingen het precies gaat? Kan worden uitgesplitst welk deel hiervan direct
zorginhoudelijk relevant is en welk deel later of indirect effect heeft?
Antwoord: 125
Het verplichtingenbudget is met € 84 miljoen verhoogd zodat verschillende verplichtingen
kunnen worden aangegaan, waaronder de raamovereenkomst voor de NVWA en de meerjarige
verplichtingen voor ZonMw. Tezamen met een aantal verplichtingenverlagingen komt dit
uit op een verhoging van 84,1 miljoen. Het verschil met de uitgaven van € 19,2 miljoen
kan worden verklaard doordat de verplichtingen meerjarig worden aangegaan voor de
NVWA en ZonMw in 2026, maar de uitgaven over meerdere (kas)jaren zijn verdeeld. Deze
verplichtingen hebben geen betrekking op inhoudelijke zorg.
Vraag 126:
Kunt u toelichten waarom binnen artikel 1 bij RIVM: Vaccinaties sprake is van een
verlaging van € 32,9 miljoen in 2026 en bij RIVM: Pandemische paraatheid van € 8,0
miljoen, en welke activiteiten hierdoor worden uitgesteld, afgebouwd of anders gefinancierd?
Antwoord: 126
Het gaat niet om afbouw of uitstel van activiteiten. De mutaties zijn technisch van
aard waarbij middelen binnen enkele begrotingsinstrumenten van het RIVM zijn overgeboekt
naar Bijdrage aan agentschap (BAG) RIVM Opdrachtverlening aan kenniscentra.
Vraag 127:
Is de € 7 miljoen intensivering op vaccinaties geoormerkt voor de wijkgerichte aanpak?
Antwoord: 127
Ja, deze middelen zijn bestemd voor de wijkgerichte aanpak voor het verhogen van de
vaccinatiegraad, conform het gewijzigd amendement Klaver en Vliegenthart (Kamerstuk
36 800, nr. 88).
Vraag 128:
Wordt de € 7 miljoen intensivering op vaccinaties gefinancierd uit een ombuiging op
pandemische paraatheid?
Antwoord: 128
Nee. Gelet op de investeringen in pandemische paraatheid in de voorjaarsnota en het
amendement Bikker c.s. (36 800 XVI, nr. 185) ligt een ombuiging op pandemische paraatheid hierbij niet voor de hand.
Vraag 129:
Waarom wordt het budget voor het RIVM met € 32,9 miljoen verlaagd in 2026?
Antwoord: 129
Er is geen sprake van een verlaging van het RIVM budget maar van een verschuiving
binnen enkele begrotingsinstrumenten van het RIVM. De middelen zijn van BAG RIVM Vaccinaties
overgeboekt naar BAG RIVM Opdrachtverlening aan kenniscentra.
Vraag 130:
Wat is de stand van zaken van de opbouw van de Nationale Zorgreserve?
Antwoord: 130
De Nationale Zorgreserve heeft in 2025 gewerkt aan verdere professionalisering van
de organisatie (communicatie, personeel, ICT/administratie, werving en opleiden van
zorgreservisten) en daarmee aan de opbouw van het zorgreservistenbestand. De doelstelling
van 5000 zorgreservisten, conform de aanbestede opdracht, is in februari 2026 bereikt.
Vraag 131:
Waaraan wordt het extra geld dat beschikbaar komt voor weerbaarheidsvoorraden besteed
en op basis van welke adviezen worden deze keuzes gemaakt?
Antwoord: 131
De eerste stap is een verkenning naar zowel geneesmiddelen als medische hulpmiddelen
die nodig zijn gedurende uiteenlopende crises. Het is belangrijk om te weten van welke
producten voorraden nodig zijn. In deze verkenning wordt ook gekeken naar de meest
effectieve en efficiënte wijze waarop voorraden aangelegd kunnen worden en naar een
veilige opslag en verdeling van geneesmiddelen en medische hulpmiddelen in reguliere
en crisistijden.25 Op basis van deze verkenning is het doel om vervolgens te starten met het opbouwen
van deze weerbaarheidsvoorraden, waarbij de inzichten uit de verkenning als uitgangspunt
dienen.
Vraag 132:
Kunt u specificeren welke concrete verplichtingen en contracten in 2025 zijn aangegaan
met de € 20 miljoen verschoven verplichtingenruimte voor VEZO en de subsidie voor
kritieke geneesmiddelen, en welk effect deze naar verwachting hebben op de beschikbaarheid
van kritieke geneesmiddelen in 2025 en 2026 (bijvoorbeeld in termen van productiecapaciteit,
voorraden of verminderde tekorten)?
Antwoord:«132
De beschikking voor Veelbelovende Zorg (VEZO) 2026 is in overeenstemming met voorgaande
jaren in december van het voorgaande jaar (2025) verwerkt, waarvoor er € 20 miljoen
verplichtingenruimte van 2026 naar 2025 is gehaald. Zo kon de beschikking in december
2025 worden verstuurd. VEZO kent geen relatie met de beschikbaarheid van kritieke
geneesmiddelen.
Zoals op 26 juni 2025 aan de Kamer is gemeld26 is er vorig jaar gestart met het opbouwen van een extra voorraad van kritieke geneesmiddelen
bij de volgesorteerde groothandels. In totaal is € 62,1 miljoen beschikbaar gesteld
voor de periode 2025–2029. Met dit budget wordt de voorraad aangelegd, beheerd, aangehouden
en geroteerd. De subsidie is vorig jaar verleend. Omdat de verplichting in 2025 voor
meerdere jaren is vastgelegd, is in latere jaren geen verplichtingenbudget nodig.
In 2026 ging het om € 16,1 miljoen. De betaling van dit bedrag vindt wel in 2026 plaats.
Het effect op de beschikbaarheid van kritieke geneesmiddelen loopt via de lijn van
voorraadvorming. Voorraden zorgen ervoor dat patiënten gewoon hun medicijnen kunnen
blijven ontvangen bij tijdelijke leveringsonderbrekingen. Het gaat, zoals op 1 april
2026 aan de Kamer is gemeld27, om een extra voorraad van vier weken voor geneesmiddelen in de rode categorie en
drie weken van geneesmiddelen in de oranje categorie. Voor beide categorieën zijn
dit alleen geneesmiddelen met een apotheekinkoopprijs onder € 15. De volgesorteerde
groothandels zijn begonnen met de opbouw van deze extra voorraad. De verwachting is
dat in de loop van 2026 het gewenste peil van de extra voorraad bereikt wordt.
Vraag 133:
Hoe verhoudt de verlaging van het verplichtingenbudget met € 28,0 miljoen in 2026
zich tot de huidige en verwachte risico’s rond leveringszekerheid van kritieke geneesmiddelen,
en welke risicoanalyse ligt ten grondslag aan deze tijdelijke daling, mede in het
licht van toenemende geopolitieke druk op medicijnketens?
Antwoord: 133
Van de verlaging van het verplichtingenbudget van € 28,0 miljoen is € 16,1 miljoen
het gevolg van de verlaging van het verplichtingenbudget voor de subsidie voor kritieke
geneesmiddelen. In dit geval is het budget in 2025 meerjarig verplicht en is deze
verplichtingenruimte in latere jaren niet langer nodig. De omvang van de subsidie
zelf is niet verlaagd en de verlaging van het verplichtingenbudget in 2026 heeft dus
geen enkel negatief effect op de leveringszekerheid van kritieke geneesmiddelen. Omdat
in 2025 de verplichting voor meerdere jaren is vastgelegd is duidelijkheid geschapen
richting de betrokken groothandels zodat zij beter in staat zijn gesteld hun bedrijfsvoering
te organiseren.
Vraag 134:
Kunt u toelichten welke structurele uitgaven, beleidswijzigingen of instrumenten ten
grondslag liggen aan de oplopende verhoging van het verplichtingenbudget tot € 199,1
miljoen in 2030, en in hoeverre deze middelen zijn bedoeld voor a) versterking van
Europese of nationale productiecapaciteit, b) strategische voorraden, en c) aanpassing
van inkoop- of prijsmechanismen om Nederland aantrekkelijk te houden voor introductie
en beschikbaarheid van geneesmiddelen?
Antwoord: 134
De oplopende verhoging van het verplichtingenbudget op artikel 2 met € 199,1 miljoen
in 2030 wordt voornamelijk veroorzaakt door de SOV/OVV regeling (€ 44,6 miljoen),
een correctie verplichtingenruimte Passende Zorg (€ 42,2 miljoen) en overige kleinere
mutaties.
Voor de in de vraag genoemde doelen is het verplichtingenbudget verhoogd met € 27
miljoen. Hiervan is € 17 miljoen beschikbaar voor weerbaarheidsvoorraden en € 10 miljoen
beschikbaar voor regionale en stand-by productie.
Vraag 135:
Kunt u een volledig overzicht geven van alle aanvullende middelen en beleidsmaatregelen
(naast de subsidie voor kritieke geneesmiddelen) die gericht zijn op het borgen van
de beschikbaarheid en leveringszekerheid van geneesmiddelen in de periode 2025–2030,
en per instrument specificeren: a) het bijbehorende budget, b) het beoogde doel (bijvoorbeeld
productie, voorraden, spreiding van leveranciers of Europese samenwerking), en c)
de concreet verwachte effecten op de beschikbaarheid van geneesmiddelen (zoals reductie
van tekorten of verkorting van levertijden)?
Antwoord: 135
In aanvulling op de subsidie voor kritieke geneesmiddelen bevat de Kamerbrief van
1 april 2026 een samenhangend pakket van beleidsmaatregelen gericht op het borgen
van de beschikbaarheid en leveringszekerheid van geneesmiddelen in de periode 2025–2030.28 De onderstaande tabel geeft een overzicht van de maatregelen met bijbehorende financiële
middelen. Belangrijk is dat het gaat om een indicatief budget. Budgetten kunnen bij
precieze invulling van de maatregelen anders worden toebedeeld.
Maatregel
Doel
Verwacht effect
Budget 2025–2030 (cumulatief)
Intensivering Meldpunt Geneesmiddelentekorten en -defecten
Snelle signalering van en respons op (dreigende) tekorten.
Vermindering van de nadelige effecten van tekorten.
€ 4,4 miljoen
Landelijk Coördinatiecentrum Geneesmiddelen (LCG)
Coördinerende rol bij (dreigende) tekorten van essentiële geneesmiddelen
Vermindering van de nadelige effecten van tekorten.
€ 21,6 miljoen
Onafhankelijk evaluatie preferentiebeleid (conform moties PVV1 en GroenLinks-PvdA2)
Inzicht bieden in de effecten, kosten en baten van het preferentiebeleid
De uitkomsten van de evaluatie kunnen richting geven aan beleidskeuzes en aan het
handelen van betrokken partijen in de geneesmiddelenketen.
€ 0,18 miljoen
Werkgroep Verbeteren Beschikbaarheid Geneesmiddelen en onderliggende taakgroepen
Samen werken aan het voorkomen en beperken van tekorten, bijvoorbeeld het opstellen
van een inkoopleidraad
Vermindering van de nadelige effecten van tekorten.
€ 0,87 miljoen
Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord. Afspraak: Verbeteren Beschikbaarheid Geneesmiddelen.
Met betrokken partijen worden afspraken gemaakt om de beschikbaarheid van geneesmiddelen
te verbeteren en om zorgverleners en apothekers in staat te stellen meer tijd aan
hun zorgtaken te besteden.
Zorgverleners zijn minder tijd kwijt aan tekorten.
Verbeterde beschikbaarheid van geneesmiddelen voor patiënten.
€ 3,8 miljoen
Innovatie van productieprocessen
Vergroten van de concurrentiekracht van Europese producenten.
Behoud van productie binnen Europa.
Productie dichtbij huis met minder internationale schakels.
€ 27,3 miljoen (IPCEI Med4Cure)
Het stimuleren van lokale productie
€ 3 miljoen
Behoud van registraties van kritieke geneesmiddelen
Het voorkomen van ongewenste doorhalingen van registratie van kritieke geneesmiddelen.
Het tegengaan van verschraling van het geneesmiddelen-aanbod
Essentiële behandelingen blijven beschikbaar voor patiënten.
€ 3 miljoen
Opleidingen bij Biotech Training Facility (BTF)
Het opleiden van nationale en internationale inspecteurs zodat zij kwaliteitsproblemen
in de productieketen tijdiger herkennen en doeltreffender kunnen ingrijpen.
Verbeterde leveringszekerheid van geneesmiddelen.
€ 2 miljoen
Extra voorraden kritieke geneesmiddelen (inclusief essentiële antibiotica en salbutamol)
Tijdelijke leveringsonderbrekingen van kritieke geneesmiddelen worden opgevangen.
Zorgverleners zijn minder tijd kwijt aan tekorten.
Patiënten behouden toegang tot hun behandelingen.
€ 79,2 miljoen
Samenwerking met grote producerende landen, zoals India.
Vermindering van de strategische afhankelijkheden.
Verhogen van de kwaliteit van de productie en toezicht.
Een robuustere leveringsketen voor de geneesmiddelenvoorziening
€ 0,6 miljoen
X Noot
1
Kamerstukken II, 2024–2025, 36 725 XVI, nr. 34
X Noot
2
Kamerstukken II, 2025–2026, 29 477, nr. 956
Vraag 136:
Kunt u uitleggen waar de verlaging van het uitgavenbudget met € 102 miljoen voor Pallas
in 2030 op gebaseerd is? Geldt dit bedrag voor de uitgaven aan het gehele project?
Antwoord: 136
De kasreeks voor het Pallas-nieuwbouwprogramma is bijgesteld op basis van de financieringsbehoefte
die blijkt uit het Annual Plan 2026 van NRG PALLAS B.V. Dit heeft geleid tot een andere
verdeling van de uitgaven in de tijd, waaronder een verlaging van het budget van € 102
miljoen in 2030. Over de gehele looptijd van het project blijft de financieringsbehoefte
gelijk.
Vraag 137:
Welke maatregelen zitten precies achter de besparing van € 5 miljoen op fraude in
de SOV per 2027 en hoe is het bedrag van € 5 miljoen bepaald?
Antwoord: 137
De Nederlandse Arbeidsinspectie en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd hebben fraude
met de subsidieregeling medisch noodzakelijke zorg aan onverzekerden (SOV) (ca. 4%)
en de regeling onverzekerbare vreemdelingen (OVV) (ca. 5%) geconstateerd. Bij een
begroting van € 115 miljoen voor de SOV en € 77 miljoen voor de OVV gaat het om een
totaalbedrag van circa € 16 miljoen. Een werkgroep van VWS met betrokken partijen
heeft naar aanleiding hiervan de kwetsbaarheden geanalyseerd en in het najaar van
2025 korte- en lange termijn aanbevelingen gedaan. Dit heeft reeds geleid tot extra
controles c.q. verificatieverplichtingen in de uitvoering bij het CAK, waardoor reeds
€ 2,5 miljoen aan verdachte declaraties is aangehouden. Daarnaast worden de SOV en
OVV per 1 juli 2026 gewijzigd, waardoor het CAK extra bewijsstukken mag opvragen bij
nieuwe zorgaanbieders. De verwachting is dat voor 2027 circa € 5 miljoen aan fraude
wordt voorkomen. Voor de langere termijn wordt onder andere gekeken naar een uitbreiding
van contractering van zorg, het inregelen van toezicht en het mogelijk maken van materiële
controles. Dit loopt ook mee met de uitwerking van de nieuwe regeling voor de zorgkosten
van onverzekerden.
Vraag 138:
Waarom wordt er wel verwacht dat de bezuiniging van € 40 miljoen op de SOV in 2028
wel zal kunnen worden gehaald?
Antwoord: 138
De afgelopen jaren zijn de uitgaven aan de SOV gestegen naar € 115 miljoen in 2026.
Bij de subsidietaakstelling van kabinet Schoof is ervoor gekozen om € 40 miljoen te
bezuinigen op de SOV vanaf 2027. Op korte termijn leveren de inspanningen om fraude
aan te pakken met de SOV en OVV besparingen op die worden ingeboekt, namelijk € 5
miljoen. Het besluit is genomen om voor 2027 een besparingsverlies van € 35 miljoen
te verwerken in de begroting van het Ministerie van VWS. Voor 2028 zal opnieuw worden
bekeken op welke wijze de resterende taakstelling kan worden bereikt.
Vraag 139:
Wat wordt precies gedaan met de € 5,5 miljoen voor de pilot «verbeteren toegankelijkheid
mondzorg voor minima» gedaan? Wordt hiermee bijvoorbeeld een noodfonds mondzorg mee
opgericht?
Antwoord:139
In het AZWA zijn afspraken gemaakt op het gebied van medische preventie en om zorgvraag
te voorkomen. Onderdeel hiervan vormt een ontwikkelagenda waarbij maatregelen in kaart
worden gebracht en nader onderbouwd, zodat daarover besluitvorming kan plaatsvinden.
Voor de jaren 2027 en 2028 is 45 miljoen gereserveerd hiervoor. Specifiek voor een
pilot mondzorg voor minima is tweemaal € 5,5 miljoen beschikbaar.
De komende periode bekijken we hoe deze pilot ingericht kan worden. Zoals aan is gegeven
tijdens het commissiedebat eerstelijnszorg op 1 april jl. zal voor de zomer, in de
voortgangsbrief over het AZWA, hierop terug worden gekomen.
Vraag 140:
Wat is de reden voor de verhoging van de uitgaven voor de Regeling Onverzekerbare
Vreemdelingen (OVV) met € 11,7 miljoen in 2026 en het oplopen tot 24,4 miljoen in
2031?
Antwoord: 140
De verwachting is dat de kosten van zorg aan onverzekerbare vreemdelingen die ten
laste worden gebracht van de Regeling Onverzekerbare Vreemdelingen (OVV) zullen stijgen.
De voornaamste reden voor deze stijging is de toename van het aantal declaraties dat
wordt aangeleverd bij het CAK. Dit wordt mogelijk veroorzaakt doordat is geïnvesteerd
in betere voorlichting waardoor de bekendheid van de regeling is toegenomen. Daarnaast
zien we dat de groep onverzekerbare vreemdelingen dat op straat leeft ouder wordt
en daardoor meer zorg nodig heeft.
Vraag 141:
Gaat het bij «vreemdelingen die vanwege hun verblijfsstatus zijn uitgesloten van toegang
tot de sociale zorgverzekeringen» voornamelijk over al dan niet uitgeprocedeerde illegaal
verblijvende vreemdelingen?
Antwoord: 141
Ja, het gaat met name om vreemdelingen van wie de asielaanvraag is afgewezen waarna
zij op straat zijn beland. Vanwege hun verblijfsstatus hebben zij geen toegang tot
de sociale zekerheid van Nederland en mogen zij geen Nederlandse zorgverzekering afsluiten.
Vraag 142:
Waarom wordt een besparing van € 5,0 miljoen op de Subsidieregeling medisch noodzakelijke
zorg aan onverzekerde personen opgenomen vanwege maatregelen gericht op fraude, aangezien
bij andere zorgfraude maatregelen niet vooraf besparingen worden ingeboekt?
Antwoord: 142
Met betrekking tot de inspanningen die leiden tot een vermindering van fraude met
de Subsidieregeling medisch noodzakelijke zorg aan onverzekerde personen (SOV) (en
de regeling onverzekerbare vreemdelingen (OVV)) kan met redelijke zekerheid worden
gesteld dat in 2027 € 5 miljoen aan besparingen worden gerealiseerd. Door extra controles
c.q. verificatieverplichtingen in de uitvoering bij het CAK heeft het CAK reeds € 2,5
miljoen aan verdachte declaraties aangehouden. Daarnaast worden de SOV en OVV per
1 juli 2026 gewijzigd, waardoor het CAK extra bewijsstukken mag opvragen bij nieuwe
zorgaanbieders. De verwachting is daarom dat vanaf 2027 circa € 5 miljoen aan fraude
wordt voorkomen.
Vraag 143:
Hoeveel blijft er per saldo over aan budget voor de Subsidieregeling medisch noodzakelijke
zorg aan onverzekerde personen? Hoe verhoudt dit zich tot het budget voor de besparingen
van kabinet-Schoof en na de besparingen van kabinet-Schoof? En hoe verhoudt dit zich
tot de geschatte behoefte aan medisch noodzakelijke zorg aan onverzekerde personen?
Antwoord: 143
De subsidieregeling medisch noodzakelijke zorg aan onverzekerden (SOV) is een open-einde-regeling.
Dat betekent dat er vooraf alleen een raming wordt gemaakt van de te verwachte zorguitgaven.
Dit wordt gedaan op basis van de ontwikkelingen in het verleden. De raming voor 2026
is € 115 miljoen. Het Ministerie van VWS spant zich in om de taakstelling van € 40
miljoen per jaar vanaf 2027 te behalen via beleidsmaatregelen, zoals bijvoorbeeld
de aanpak van fraude. Daarbij wordt er nu gewerkt aan een nieuwe regeling voor de
zorgkosten voor onverzekerden.
Vraag 144:
Kunt u bij artikel 3 Langdurige zorg en ondersteuning exact toelichten waarom de verplichtingen
met € 494,8 miljoen stijgen, terwijl de uitgaven met € 84,1 miljoen stijgen, en per
onderliggende post aangeven of deze middelen daadwerkelijk bijdragen aan betere zorg
voor ouderen en mensen met een beperking?
Antwoord: 144
Het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport is in artikel 3 Langdurige Zorg
en Maatschappelijke Ondersteuning in 2026 voor lopend beleid enkele verplichtingen
aangegaan die voor uitgaven zullen zorgen in opvolgende jaren. Dit leidt tot een verschil
in 2026 tussen de aangegane verplichtingen en uitgaven, maar die structureel weer
gelijk lopen. Het betreft hier onder andere het nieuwe meerjarige contract voor Valys.
Om dit contract aan te kunnen gaan is het verplichtingenbudget in 2026 opgehoogd.
Hiermee wordt meerjarig ruimte geboden voor het gebruik van Valys.
Vraag 145:
Wat houdt de ombuiging van € 6 miljoen op subsidies in het kader van transparantie
van zorg in?
Antwoord: 145
Het is geen ombuiging op subsidies maar betreft grotendeels een overheveling van een
technische mutatie van € 5 miljoen van artikelonderdeel 4.4 naar artikel 4.1, die
bijdraagt aan het voorkomen van onderuitputting. Voor de uitvoering van de hieronder
vallende beleidsvoornemens en (subsidie)regelingen zijn er geen gevolgen. Het resterende
bedrag is overgeheveld naar andere onderdelen binnen de VWS-begroting zoals voor de
hosting van het Linnean initiatief en activiteiten uitkomstgerichte zorg door Nictiz.
Vraag 146:
Kunt u nader toelichten waarom op artikel 4 Zorgbreed beleid sprake is van een forse
verlaging van verplichtingen en uitgaven, en aangeven hoeveel hiervan betrekking heeft
op minder beleid en minder overhead en hoeveel op uitstel of verschuiving van noodzakelijke
zorguitgaven?
Antwoord: 146
De forse verlaging van verplichtingen en uitgaven worden voornamelijk veroorzaakt
door technische mutaties waarbij budgetten worden geschoven binnen jaren om verplichtingen
en uitgaven in het juiste jaar te kunnen voldoen. Per saldo blijft het beschikbare
budget hetzelfde en hebben de mutaties verder geen betrekking op minder beleid en/of
overhead of het uitstellen of verschuiven van noodzakelijke zorguitgaven.
Vraag 147:
Kunt u toelichten waarom op artikel 8 Tegemoetkomingen en Rijksbijdragen de uitgaven
met € 654,4 miljoen dalen, terwijl de ontvangsten met € 76,7 miljoen stijgen, en wat
dit concreet betekent voor burgers die afhankelijk zijn van tegemoetkomingen en rijksbijdragen?
Antwoord: 147
De neerwaartse mutatie in de uitgaven komt voor € 509,9 miljoen uit lagere geraamde
uitgaven zorgtoeslag en voor € 144,5 miljoen uit lagere uitgaven aan rijksbijdragen.
Deze uitgavenmutaties betreffen bijstellingen van de geraamde uitgaven ten opzichte
van de raming bij de ontwerpbegroting 2026 gebaseerd op gerealiseerde uitgaven van
de Dienst Toeslagen en op de CPB-ramingen in het CEP 2026.
De lagere uitgaven aan rijksbijdragen hebben alleen betrekking op de financiering
van het Fonds langdurige zorg. Ze hebben geen gevolgen voor de uitgaven van het fonds
en voor burgers die afhankelijk zijn van Wlz-zorg. Een mogelijke verklaring van de
lagere verwachte uitgaven aan zorgtoeslag is dat de inkomensontwikkeling van burgers
positiever is dan eerder verwacht waardoor mensen minder ondersteuning van de overheid
nodig hebben om hun zorgkosten te kunnen betalen. Er is geen aanleiding om te denken
dat het niet-gebruik in de zorgtoeslag is toegenomen. De raming volgt daarmee de werkelijkheid,
en niet andersom. Burgers die afhankelijk zijn van de zorgtoeslag zullen in de praktijk
dus niets merken van deze neerwaartse bijstelling. Ook de opwaartse bijstelling van
de ontvangsten zorgtoeslag van € 76,7 miljoen is een resultaat van de meest actuele
inzichten en geen beleidsmatige mutatie.
Vraag 148:
Wat zijn de inkomenseffecten van de afschaffing van de fiscale regeling aftrek specifieke
kosten voor mensen? Kunt u dit uitsplitsen per inkomensgroep en naar mate van het
gebruik van deze regeling? En wat zijn de effecten voor zaken die hier indirect door
worden beïnvloed, zoals toeslagen?
Antwoord: 148
In de evaluatie van de aftrek specifieke zorgkosten (Kamerstuk 35 925-XVI-204) is onderstaande verdeling in beeld gebracht aan de hand van het gebruik van de regeling
in 2019. Hieruit blijkt dat het gebruik zich met name concentreert bij huishoudens
met een inkomen tussen circa € 15.000 en € 45.000. Het grootste deel van de gebruikers
heeft een inkomen onder modaal en het betreft relatief vaker AOW-gerechtigden en alleenstaanden.
Dit komt mede door de inrichting van de regeling, waarbij een inkomensafhankelijke
drempel wordt toegepast afhankelijk van het verzamelinkomen en er verhogingsfactoren
toegepast worden voor mensen met lagere inkomens en AOW’ers. Dit beeld van het gebruik
sluit aan bij de effecten die op basis van het huidige gebruik worden verwacht.
Zoals aangekondigd in de brief van 8 april in reactie op de motie Stoffer (Kamerstuk
36848–79) wordt voor het zomerreces een brief aan de Tweede Kamer gestuurd met daarin
de inkomenseffecten van diverse maatregelen, waaronder ook de aftrek specifieke zorgkosten,
waarbij ook de samenloop met andere maatregelen wordt betrokken. Het afschaffen van
de fiscale aftrek leidt tot ertoe dat voor mensen die de fiscale aftrek verliezen
het verzamelinkomen hoger wordt. Dit heeft onder andere een doorwerking op inkomensafhankelijke
regelingen. Het recht op toeslagen, zoals de zorgtoeslag, huurtoeslag en het kindgebonden
budget, neemt af door een hoger verzamelinkomen. Daarnaast kan het hogere verzamelinkomen
leiden tot hogere inkomensafhankelijke eigen bijdragen in de zorg.
Vraag 149:
Wat is de reden voor de stijgende uitgaven aan externe inhuur?
Antwoord: 149
De stijging wordt enerzijds veroorzaakt door een gewijzigde instrumentskeuze (van
opdrachten naar externe inhuur) voor incidentele middelen ten behoeve van gegevensuitwisseling,
waarbij deze middelen eerder verantwoord stonden onder het beleidsartikel. Anderzijds
betreft het mutaties in het kader van de eindejaarsmarge waarbij facturen over het
voorgaande jaar pas dit jaar tot betaling komen.
Vraag 150:
Kunt u toelichten waarom op artikel 10 Apparaat Kerndepartement in 2026 een stijging
van € 21,2 miljoen zichtbaar is, terwijl het kabinet tegelijkertijd spreekt over efficiëntie
en taakstellingen? Waar wordt deze extra apparaatsuitgave precies aan besteed?
Antwoord: 150
De stijging op artikel 10 wordt met name veroorzaakt door een stijging van de uitgaven
op externe inhuur (€ 22,8 miljoen). Dit is een gevolg van een gewijzigde instrumentskeuze
(opdrachten naar externe inhuur), waarbij deze middelen eerder verantwoord stonden
onder het beleidsartikel.
Vraag 151:
Kunt u exact specificeren welke middelen in 2026 op artikel 11 Nog onverdeeld zijn
geplaatst, waarom die middelen nog niet zijn toegewezen aan concrete zorgdoelen en
wanneer de Kamer per post duidelijkheid krijgt over de uiteindelijke bestemming van
deze € 118,1 miljoen?
Antwoord: 151
Dit betreft de loon- en prijsbijstelling tranche 2026. Deze wordt met de eerste suppletoire
begroting aan de VWS-begroting toegevoegd. De loon- en prijsbijstelling wordt bij
de Ontwerpbegroting 2027 naar de artikelen doorverdeeld. Daarnaast is er op artikel
11 een budgetkorting (een naar rato verlaging van de beleidsartikelen) opgenomen ter
dekking van intensiveringen elders op de VWS-begroting. Ook deze zal worden doorverdeeld
en zichtbaar worden in de Ontwerpbegroting 2027.
Vraag 152:
Kunt u verduidelijken welk bedrag aan kortingen op loon- en prijsbijstellingen wordt
toegepast op de loonbijstellingen?
Antwoord: 152
Artikel 11 betreft de nog niet toebedeelde middelen op de begroting. In deze eerste
suppletoire begroting betreft dit de loon- en prijsbijstelling tranche 2026, verminderd
met een budgetkorting. De loon- en prijsbijstelling wordt tijdens de eerste suppletoire
begroting aan de begroting van VWS toegevoegd en zal vervolgens bij de Ontwerpbegroting
2027 naar de artikelen worden doorgeboekt. Daarnaast is er op artikel 11 ook nog een
korting opgenomen ter dekking van intensiveringen elders op de VWS-begroting. Ook
deze zal worden doorverdeeld en zal zichtbaar worden in de Ontwerpbegroting 2027.
Het betreft hier uitsluitend de loon- en prijsbijstelling over de begrotingsgefinancierde
budgetten van VWS, niet de loon- en prijsbijstelling over de zorginstellingen.
Vraag 153:
Waarom kan de uitvoering van de backpay voor weduwen niet al in 2026 beginnen, gezien
de grote tijdsdruk?
Antwoord: 153
Het opstellen van de regeling is juridisch gecompliceerd en kost daarom de nodige
tijd. Nadat de concept-regeling gereed is, zal er een uitvoeringstoets moeten plaatsvinden.
Als uit de uitvoeringstoets blijkt dat de regeling uitvoerbaar is, zal de internetconsultatie
plaatsvinden. Pas daarna kan de regeling worden voorgelegd aan de ministerraad. Vervolgens
zal de voorbereiding van de zeer complexe uitvoering de nodige tijd in beslag nemen.
Vraag 154:
Kunt u toelichten ter dekking van welke intensiveringen en knelpunten op
de begroting de korting op loon- en prijsbijstellingen wordt gebruikt?
Antwoord: 154
Artikel 11 betreft de nog niet toebedeelde middelen op de begroting. In deze eerste
suppletoire begroting betreft dit de loon- en prijsbijstelling tranche 2026 en een
budgetkorting. De budgetkorting is ingezet ter dekking van de intensiveringen elders
op de begroting. Voorbeelden hiervan zijn de ondersteuning van Q-koorts patiënten,
(pandemische) paraatheid, Covid-19 vaccinaties en de realisatie van het gezinshuis
Rosa di Sharon op Bonaire.
Vraag 155:
Kunt u uitleggen hoe het oorspronkelijke bedrag van € 50 miljoen dat
gereserveerd stond voor de weduwen van voormalig KNIL militairen en
ambtenaren in Nederlands-Indië zich verhoudt tot het overgebleven bedrag van € 11,5
miljoen in deze begroting? Wat is de reden hiervan? Betekent dit dat het resterende
bedrag van € 38,5 miljoen niet meer wordt uitbetaald?
Antwoord: 155
Het vorige kabinet heeft besloten om € 50 miljoen te reserveren voor een backpay-regeling
voor weduwen. Het is belangrijk dat de regeling juridisch houdbaar en uitvoerbaar
is. Op voorhand is duidelijk dat alleen een regeling voor nog levende weduwen mogelijk
uitvoerbaar is. Of deze variant daadwerkelijk uitvoerbaar is, moet blijken uit een
uitvoeringstoets. Naar verwachting bedragen de kosten van een backpay-regeling voor
nog levende weduwen ongeveer € 11,5 miljoen. Het resterende budget van € 38,5 miljoen
is naar verwachting niet noodzakelijk voor de uitvoering van een backpay-regeling
voor weduwen en weduwnaars.
Vraag 156:
Kunt u toelichten wat er gebeurt met de ontwikkeling van de premiegefinancierde zorguitgaven
en welke beleidsmatige keuzes ten grondslag liggen aan de bijstellingen die in de
eerste suppletoire begroting zijn verwerkt?
Antwoord: 156
De premiegefinancierde zorguitgaven tonen t.o.v. de ontwerpbegroting een neerwaartse
bijstelling en daarmee een lagere groei van de zorguitgaven voor de jaren 2026–2031.
De grootste beleidsmatig bijstellingen die in de eerste suppletoire begroting 2026
verwerkt zijn, hebben betrekking op de verwerking van het coalitieakkoord.
Daarnaast zijn de grootste autonome wijzigingen de actualisaties van de Zorgverzekeringswet
(Zvw) en de Wet langdurige zorg (Wlz) op basis van de meest recente informatie van
het Zorginstituut en de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) over de zorguitgaven.
Voor meer informatie over de beleidsmatige en autonome bijstellingen van de Zvw en
Wlz, zie tabel 3 op pagina 51 en tabel 5 op pagina 59 van de memorie van toelichting
van de eerste suppletoire begroting 2026.
Vraag 157:
Kunt u toelichten wat er met de meevaller bij de premiegefinancierde uitgaven in deze
begroting ten opzichte van de ontwerpbegroting 2026 van € 1,2 miljard gebeurt? Kunt
u aangeven of de meevaller van € 1,2 miljard terugvloeit naar de algemene middelen,
of dat deze eerst wordt ingezet ter dekking van tegenvallers op de VWS begroting,
zoals in 2025 door het kabinet-Schoof aangekondigd?
Antwoord: 157
In de eerste suppletoire begroting 2026 is een bijstelling van -/- € 1,2 miljard in
2026 verwerkt op de premiegefinancierde uitgaven. De bijstellingen hebben voornamelijk
betrekking op de verwerking van het coalitieakkoord en de actualisaties van de Zorgverzekeringswet
(Zvw) en de Wet langdurige zorg (Wlz) op basis van de meest recente informatie van
het Zorginstituut en de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) over de zorguitgaven. Het
Kabinet Jetten kent ook de begrotingsregel dat meevallers met tegenvallers elders
in de zorg en op de VWSbegroting gesaldeerd mogen worden. Echter, ook de VWS-begroting
kende voor 2026 een neerwaartse bijstelling voor 2026. Het Kabinet heeft ervoor gekozen
deze ruimte in te zetten in het bredere uitgavenbeeld.
Vraag 158:
Kunt u toelichten waarom de maatregelen van het kabinet-Jetten tot en met 2030 een
besparing van € 8,74 miljard opleveren op ten opzichte van de ontwerpbegroting 2026,
maar dat deze besparing in 2031 nog maar € 0,62 miljard is?
Antwoord: 158
Ook in 2031 dalen de premiegefinancierde uitgaven ten opzichte van de Ontwerpbegroting
door het coalitieakkoord. De stand van het jaar 2031 in de eerste suppletoire begroting
voor de Wlz en Zvw tezamen is door de bijstellingen van het coalitieakkoord € 6,9
miljard lager dan zonder het coalitieakkoord het geval zou zijn geweest. Deze neerwaartse
bijstelling in 2031 wordt echter in de suppletoire begroting vertekend door reguliere
technische boekingen die elke eerste suppletoire begroting worden gedaan; de extrapolatiemutaties
(+ € 8,4 miljard). Met de extrapolatiemutaties wordt er een nieuw begrotingsjaar toegevoegd
aan de begroting, in dit geval 2031. In deze extrapolatiemutaties is rekening gehouden
met jaarlijkse opwaartse aanpassingen van de ramingen zoals verwachte loon- en prijsontwikkelingen.
Vraag 159:
Kunt u toelichten hoe het bedrag van circa € 1 miljard bij de beleidsmaatregel zorg
in natura voorliggend maken op het persoonsgebonden budget zich verhoudt tot de oplopende
besparing van € 0,43 miljard in 2031?
Antwoord: 159
In tabel 5 van het hoofdstuk Premiegefinancierde zorguitgaven van de eerste suppletoire
begroting 2026 is een aantal beleidsmatige mutaties opgenomen. Deze plussen en minnen
tellen op tot afgerond € 0,43 miljard. Dit is dus het saldo van meerdere mutaties.
De maatregel «Bestuurlijk akkoord Wlz/Scheiden wonen en zorg» uit het coalitieakkoord
betreft een beperking van de totale groeiruimte Wlz en is niet specifiek gericht op
het persoonsgebonden budget.
Vraag 160:
Kunt u nader toelichten hoe de bijstellingen binnen de premiegefinancierde zorguitgaven
uitwerken voor cliënten, zorgaanbieders en de toegankelijkheid van de langdurige zorg,
en hoe wordt voorkomen dat begrotingsmaatregelen in de praktijk leiden tot minder
zorg of strengere indicatiestelling?
Antwoord: 160
In algemene zin kan worden gesteld dat maatregelen op het terrein van de langdurige
zorg als doel hebben om de toegankelijkheid, betaalbaarheid en kwaliteit van de zorg
voor cliënten te borgen. Daarbij is sprake van een onafhankelijke indicatiestelling
en het beleid is er op gericht om de continuïteit van het zorglandschap te ondersteunen
en te borgen. Zorgaanbieders zetten zich in op passende zorg en organiseren de zorg
ook anders om te voorkomen dat de zorg vastloopt door gebrek aan zorgpersoneel. De
NZa merkt in haar februaribrief op dat het beeld over de afgelopen jaren laat zien
dat het aantal indicaties weliswaar blijft toenemen, maar dat de totale groei in 2025
lager was dan in voorgaande jaren. De NZa ziet op dit moment geen aanwijzingen dat
de groei in 2026 sterk zal toe- of afnemen. De NZa heeft in haar februaribrief rekening
gehouden met deze ontwikkelingen en VWS heeft op grond daarvan de begroting geactualiseerd
en de verwachte Wlz-uitgaven neerwaarts bijgesteld. De Nederlandse Zorgautoriteit
(NZa) geeft tweemaal per jaar, op basis van twee scenario’s (indicaties en declaraties),
inzicht in de verwachte benutting van het beschikbare budgettaire kader van de Wlz.
Op basis van het scenario «indicaties» verwacht de NZa dat het kader met € 133 miljoen
wordt onderschreden, en op basis van het scenario «declaraties» met € 301 miljoen.
Het gemiddelde van deze scenario’s komt daarmee uit op € 217 miljoen, in combinatie
met de gereserveerde herverdeelmiddelen (€ 390 miljoen), leidt tot de verwachting
dat ruim € 600 miljoen van het kader niet wordt benut.
Vraag 161:
Kunt u toelichten waarom de meerjarige besparingen richting 2030 oplopen, maar in
2031 een ander beeld laten zien, en kan per maatregel worden aangegeven welke effecten
incidenteel en welke structureel zijn?
Antwoord: 161
Ook in 2031 dalen de premiegefinancierde uitgaven ten opzichte van de Ontwerpbegroting
door het coalitieakkoord. De stand van het jaar 2031 in de eerste suppletoire begroting
voor de Wlz en Zvw tezamen is door de bijstellingen van het coalitieakkoord € 6,9
miljard lager dan zonder het coalitieakkoord het geval zou zijn geweest. Deze neerwaartse
bijstelling in 2031 wordt echter in de suppletoire begroting vertekend door reguliere
technische boekingen die elke eerste suppletoire begroting worden gedaan; de extrapolatiemutaties
(+ € 8,4 miljard). Met de extrapolatiemutaties wordt er een nieuw begrotingsjaar toegevoegd
aan de begroting, in dit geval 2031. In deze extrapolatiemutaties is rekening gehouden
met jaarlijkse opwaartse aanpassingen van de ramingen zoals verwachte loon- en prijsontwikkelingen.
De coalitiemaatregelen zijn structureel. Er is wel een aantal andere incidentele bijstellingen
in de Zvw en Wlz in de eerste suppletoire begroting 2026 opgenomen. Deze zijn te vinden
in de tabellen 3 (pagina 51) en 5 (pagina 59) van de memorie van toelichting van de
eerste suppletoire begroting 2026.
Vraag 162:
Hoe sterk stijgt de zorgpremie met inachtneming van de voorgenomen ombuigingen en
hoe verhoudt zich dit tot het basispad?
Antwoord: 162
De afspraken uit het coalitieakkoord zorgen ervoor dat de nominale premie naar verwachting
minder hard zal stijgen. Dit komt vooral door het terugdraaien van de verlaging van
het eigen risico. Door deze voorgenomen verlaging had de premie in 2027 fors moeten
stijgen. Deze stijging vervalt doordat deze maatregel is teruggedraaid. Naar verwachting
zal de nominale premie in 2027 € 210 minder hoeven te stijgen dan zonder de afspraken
uit het coalitieakkoord het geval zou zijn.
Hoe hoog de verwachte nominale premie voor 2027 zal worden, wordt bekend gemaakt bij
de Ontwerpbegroting 2027. Tussen nu en de Ontwerpbegroting komen o.a. realisatiecijfers
beschikbaar, die nodig zijn voor het maken van een goede inschatting voor 2027.
Vraag 163:
Hoe sterk stijgt het eigen risico – bij indexatie hiervan – met inachtneming van de
voorgenomen ombuigingen en hoe verhoudt zich dit tot het basispad?
Antwoord: 163
Het verplicht eigen risico wordt geïndexeerd op basis van de ontwikkeling van de zorguitgaven.
Volgens huidige inzichten bedraagt de indexatie in 2027 € 10, maar dit kan nog wijzigen.
De definitieve indexatie voor 2027 wordt vastgesteld op basis van de verwachte zorguitgaven
in de Ontwerpbegroting 2027. Daarnaast is het kabinet voornemens het verplicht eigen
risico in 2027 met € 60 te verhogen (bovenop de indexatie). Het totale verplicht eigen
risico komt daarmee volgens huidige inzichten uit op € 455 in 2027.
Het basispad ten opzichte waarvan het coalitieakkoord tot stand is gekomen, bestond
niet uit een indexatie in 2027, maar een verlaging van het verplicht eigen risico
naar € 165.
Vraag 164:
Kan de structurele bijstelling op de apotheekzorg van € 47 miljoen nader worden toegelicht?
Hoe is dit bedrag opgebouwd?
Antwoord: 164
De geraamde uitgaven apotheekzorg zijn geactualiseerd op basis van begin februari
ontvangen vierde kwartaallevering 2025 van het Zorginstituut. Deze voorlopige uitgaven
van 2025 baseert het Zorginstituut op ramingen van zorgverzekeraars die op hun beurt
hun ramingen bijstellen op basis van de binnengekomen declaraties, waarbij zij tevens
rekening houden met de kenmerken van hun verzekerde populatie en inkoopafspraken.
VWS hanteert als uitgangspunt dat een bijstelling in de raming van 2025 doorwerkt
in de uitgaven van toekomstige jaren, tenzij een deel van de bijstelling incidenteel
voor 2025 geldt. Bij de apotheekzorg was dit niet het geval.
Vraag 165:
Waarom kan de loon- en prijsbijstelling in de apotheekzorg onvoldoende worden benut?
Antwoord: 165
Aangezien er in de eerste suppletoire begroting 2026 nog geen sprake is van onderbesteding
van loon- en prijsbijstelling wordt aangenomen dat de vraag betrekking heeft op de
realisatiecijfers over 2025, op basis waarvan de geraamde uitgaven met € 47 miljoen
zijn verlaagd voor 2026 en verder.
De geraamde uitgaven apotheekzorg zijn geactualiseerd op basis van begin februari
ontvangen vierde kwartaallevering 2025 van het Zorginstituut. Deze voorlopige uitgaven
van 2025 baseert het Zorginstituut Nederland op ramingen van zorgverzekeraars die
op hun beurt hun ramingen bijstellen op basis van de binnengekomen declaraties, waarbij
zij tevens rekening houden met de kenmerken van hun verzekerde populatie en inkoopafspraken.
De realisatiecijfers die het Zorginstituut Nederland aanlevert geven geen inzicht
in welk deel van de uitgaven zijn toe te schrijven aan loon- en prijsstijgingen. Er
kan dus geen uitspraak gedaan worden over hoe de loon- en prijsbijstelling in de apotheekzorg
wordt benut.
Vraag 166:
Zijn de besparingen door patentverloop (rivaroxaban en apixaban) meegenomen in de
structurele bijstelling op de apotheekzorg van € 47 miljoen? Kunnen de opbrengsten
daarvan ook worden ingezet om maatregelen als pakketuitstroom van geneesmiddelen te
voorkomen?
Antwoord: 166
De structurele bijstelling is gebaseerd op de actuele realisatiecijfers over 2025.
In de structurele bijstelling wordt geen rekening gehouden met eventueel toekomstige
instroom en uitstroom van geneesmiddelen. Deze realisatie wordt ook bepaald door de
instroom en uitstroom geneesmiddelen. Ontwikkelingen ten aanzien van de in- en uitstroom
in het verleden worden hierdoor doorgetrokken. Patentverloop en ook introductie van
nieuwe geneesmiddelen zijn onderdeel van de trendmatige ontwikkeling van de uitgavenontwikkeling
van apotheekzorg. Het is vaak ook niet duidelijk wanneer een geneesmiddel in zijn
geheel octrooivrij zal zijn. Bovendien is voor een besparing niet de afloop van het
octrooi/patent bepalend, maar de beschikbaarheid van generieke varianten van het geneesmiddel
en tegen welke prijzen deze worden gedeclareerd bij zorgverzekeraars.
Vraag 167:
Wat is de verwachte stijging van de tranchering van het eigen risico voor de komende
jaren?
Antwoord: 167
Het maximumbedrag per behandelprestatie in de medisch-specialistische zorg bedraagt
€ 150 in 2028. Vanaf 2029 zal dit bedrag zich via de indexering van het verplicht
eigen risico, ontwikkelen met de stijging van de zorguitgaven. Volgens huidige inzichten
zal het maximumbedrag in 2029, 2030 en 2031 jaarlijks met € 5 stijgen tot € 165 in
2031. Dit kan nog wijzigen als de zorguitgaven worden bijgesteld.
Vraag 168:
Wat valt er precies onder de bezuiniging op passende zorg die oploopt tot € 548 miljoen?
Hoe is dit bedrag onderbouwd? Wat zullen mensen hiervan merken?
Antwoord: 168
Het kabinet maakt een samenhangend pakket aan wet- en regelgeving dat passende zorg
altijd en overal de norm maakt. Iedereen moet erop kunnen rekenen dat de aangeboden
zorg voor haar of hem passend is. Dit betekent dat de ruimte voor niet-passende zorg
wordt verkleind. Mensen zullen merken dat hun zorgvragen van een passender antwoord
voorzien worden: alleen zorg die bijdraagt aan gezondheid en kwaliteit van jouw leven;
geen zorg als zorg niet het juiste antwoord is, maar bijvoorbeeld maatschappelijke
ondersteuning. Mensen zullen ook merken dat zorg op de best passende plek aangeboden
wordt: basiszorg in nauwe samenwerking met het sociaal domein dichtbij, en complexe
zorg geconcentreerd op een plek waar dat vanuit kwaliteit en doelmatigheid beter is.
Het pakket aan maatregelen is een samenhangend geheel, waarvan de opbrengst is gebaseerd
op een matiging van de verwachte groei van de uitgaven aan zorg in de Zorgverzekeringswet
tot en met 2035. De hoogte is gebaseerd op een 30% beperking van de verwachte groei,
met uitzondering van groei die wordt verklaard door de stijging van zorgvraag door
de demografische ontwikkeling en de ontwikkeling van lonen en prijzen.
Vraag 169:
Worden de bezuinigingen op Zorgverzekeringswet ingezet voor verlaging van de lasten
van burgers (via een lager premie, zonder daaraan gekoppelde verhogingen van belastingen
of andere premies), of wordt dit (deels) ingezet als dekking voor andere maatregelen
op de Rijksbegroting? Indien het wordt ingezet voor andere maatregelen, op welke manier
wordt dit daarnaar doorgesluisd? Gaat dat via belastingverhogingen?
Antwoord: 169
De ombuigingen in het coalitieakkoord leiden tot lagere Zvw-uitgaven. De hoogte van
de inkomensafhankelijke bijdrage (IAB) en de verwachte nominale premie zijn gekoppeld
aan de hoogte van de Zvw-uitgaven. Lagere Zvw-uitgaven leiden daardoor tot een lagere
IAB en lagere verwachte nominale premie. Dit betekent lagere inkomsten voor de overheid.
In het coalitieakkoord is afgesproken dat deze lagere inkomsten voor de overheid worden
gecompenseerd met lastenverzwaring elders. Hier is invulling aan gegeven via de inkomstenbelasting
en de AOF-premie. Door de lagere zorgpremies en de hogere compenserende lasten blijven
de inkomsten voor de overheid gelijk. Omdat de Zvw-zorguitgaven afnemen door de maatregelen
in het coalitieakkoord en de totale inkomsten voor de overheid gelijk blijven, ontstaat
er ruimte voor uitgaven elders zonder het EMU-saldo te verslechteren of om het EMU-saldo
te verbeteren.
Vraag 170:
Waar is het ingeboekte bedrag aan bezuiniging via de invoering van een eigen bijdrage
in de wijkverpleging op gebaseerd? Is er al een idee hoe dit zal worden ingericht?
Antwoord: 170
Er is gekozen voor een taakstellende opbrengst voor het ingeboekte bedrag. Er zijn
verschillende varianten van de eigen bijdrage denkbaar. Op dit moment worden deze
nog nader uitgewerkt. De voorkeur gaat uit naar een variant die:
– voldoende rekening houdt met draagkracht van de gebruikers van wijkverpleging;
– waarbij complexiteit in de uitvoering zoveel mogelijk wordt voorkomen en welke ook
begrijpelijk is voor de gebruikers van wijkverpleging;
– en waarbij onnodige zorgmijding of het doen van beroep op duurdere zorg zoveel mogelijk
wordt voorkomen.
De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport vindt het belangrijk ook met de Kamer
over de uitwerking te spreken. Rond de zomer zal de Kamer geïnformeerd worden over
de uitwerking van deze maatregel.
Vraag 171:
Wat is uw reactie op de brandbrief van UMCNL, Antoni van Leeuwenhoek, Prinses Máxima
Centrum en diverse patiëntenorganisaties over de bezuiniging op de beschikbaarheidsbijdrage
academische zorg?
Antwoord: 171
Met de Beschikbaarheidbijdrage Academische Zorg (BBAZ) worden naast de ziekenhuisfunctie
drie publieke functies vervuld, namelijk (1) het leveren van topreferente patiëntenzorg,
(2) het verrichten van (bio)medisch wetenschappelijk onderzoek, en (3) het aanbieden
van medisch onderwijs en opleidingen. Naast de BBAZ zijn er verschillende andere geldstromen
die bijdragen aan de genoemde functies van respectievelijke de universitaire medische
centra, het Antoni van Leeuwenhoek en het Prinses Máxima Centrum.
Dit kabinet is van oordeel dat ook met de verlaging van de BBAZ de academische functie
op verantwoorde wijze kan worden ingevuld. De totale BBAZ-middelen bedragen thans
ruim € 1 miljard. Via de BBAZ blijven – ook na deze taakstelling – substantiële middelen
beschikbaar voor genoemde functies.
Voor de uitwerking van deze maatregel wordt de komende periode met de BBAZ-ontvangers
inzichtelijk gemaakt welke activiteiten via de BBAZ worden uitgevoerd. Op basis hiervan
wordt, in afstemming met de veldpartijen, bezien op welke wijze de verlaging het beste
kan worden verwerkt. Het uitgangspunt hierbij is dat de patiënt zo min mogelijk wordt
geraakt.
Vraag 172:
Wat zullen de gevolgen zijn van deze bezuinigingen op de beschikbaarheidsbijdrage
academische zorg op noodzakelijke zorg voor patiënten?
Antwoord: 172
Voor de uitwerking van deze maatregel wordt de komende periode met de BBAZ-ontvangers
inzichtelijk gemaakt welke activiteiten via de BBAZ worden uitgevoerd. Op basis hiervan
wordt, in afstemming met de veldpartijen, bezien op welke wijze de verlaging het beste
kan worden verwerkt. Op dit moment is het nog niet mogelijk om de precieze gevolgen
in detail in beeld te brengen. Het uitgangspunt bij de uitwerking is dat de patiënt
zo min mogelijk wordt geraakt.
Vraag 173:
Hoe heeft u zich over deze gevolgen van de bezuiniging op de beschikbaarheidsbijdrage
academische zorg geïnformeerd? Op welke manier heeft u informatie hierover ingewonnen?
Bij wie en wanneer?
Antwoord: 173
Voor de uitwerking van deze maatregel wordt de komende periode met de BBAZ-ontvangers
inzichtelijk gemaakt welke activiteiten via de BBAZ worden uitgevoerd. Op basis hiervan
wordt, in afstemming met de veldpartijen, bezien op welke wijze de verlaging het beste
kan worden verwerkt. Op dit moment is het nog niet mogelijk om de precieze gevolgen
in detail in beeld te brengen. Het uitgangspunt bij de uitwerking is dat de patiënt
zo min mogelijk wordt geraakt.
Vraag 174:
Hoe verhoudt de bezuiniging om huishoudelijke zorg bijna volledig uit de Wmo te halen
zich tot het wetsvoorstel voor de Wet vervanging abonnementstarief Wmo 2015?
Antwoord: 174
De besparing die verbonden is aan de maatregel «huishoudelijke hulp uit de Wmo 2015
met vangnet» is aanvullend op de verwachte besparing van de invoering van de inkomens-
en vermogensafhankelijke eigen bijdrage ter vervanging van het abonnementstarief Wmo
2015 (cf. het voorstel van wet vervanging abonnementstarief Wmo 2015).
Vraag 175:
Kunnen de bijstellingen op de eerstelijnszorg nader worden toegelicht?
Antwoord: 175
Bij het beantwoorden van deze vraag zijn we ervan uitgegaan dat de bijstelling van
€ 115,9 miljoen bij de eerstelijnszorg van tabel 4 op pagina 52 wordt bedoeld.
De geraamde uitgaven zijn geactualiseerd op basis van de vierde kwartaallevering 2025
van het Zorginstituut. Deze voorlopige uitgaven van 2025 baseert het Zorginstituut
op ramingen van zorgverzekeraars die op hun beurt hun ramingen bijstellen op basis
van de binnengekomen declaraties, waarbij zij tevens rekening houden met de kenmerken
van hun verzekerde populatie en inkoopafspraken.
Per eerstelijnssector resulteert dit in de volgende bijstellingen:
Bedragen in miljoen euro
2026
2027
2028
2029
2030
Huisartsenzorg
IZA
– 60,0
– 60,0
– 60,0
– 60,0
– 60,0
Multidisciplinaire zorgverlening
IZA
– 46,9
– 46,9
– 46,9
– 46,9
– 46,9
Tandheelkundige zorg
Niet-IZA
– 6,2
– 6,2
– 6,2
– 6,2
– 6,2
Verloskundige zorg
Niet-IZA
– 9,9
– 9,9
– 9,9
– 9,9
– 9,9
Kraamzorg
Niet-IZA
– 13,4
– 13,4
– 13,4
– 13,4
– 13,4
Zorg voor zintuigelijk gehandicapten
Niet-IZA
– 5,7
– 5,7
– 5,7
– 5,7
– 5,7
Paramedische zorg
Niet-IZA
26,1
26,1
26,1
26,1
26,1
Totaal Eerstelijnszorg
– 115,9
– 115,9
– 115,9
– 115,9
– 115,9
VWS hanteert als uitgangspunt voor de niet-IZA-sectoren dat een bijstelling in de
raming van 2025 in beginsel doorwerkt in de uitgaven van toekomstige jaren. Hier is
niet van afgeweken.
Voor de IZA-sectoren Huisartsenzorg en Multidisciplinaire zorgverlening worden conform
de afspraken van het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord
(AZWA) de onderschrijdingen van de budgettaire kaders van de IZA-sectoren meerjarig
bijgesteld. Bij de Multidisciplinaire zorgverlening is de volledige onderschrijding
van 2025 structureel verwerkt. Bij de Huisartsenzorg slechts een deel, omdat het andere
deel van de onderschrijding 2025 naar verwachting incidenteel zal zijn.
Vraag 176:
Waarom wordt de € 23,2 miljoen die nu uit het budget voor Meer Tijd voor de Huisartsen
wordt gehaald niet geïnvesteerd in de huisartsenzorg?
Antwoord: 176
Voor «Meer tijd voor huisartsen» was een oplopende reeks van € 4 miljoen tot structureel
€ 120 miljoen beschikbaar gesteld in het coalitieakkoord van Rutte IV (2022). Van
dit bedrag is structureel € 64 miljoen gereserveerd voor meer opleidingsplaatsen voor
huisartsen (en een beperkt aantal opleidingsplaatsen voor verpleegkundig specialisten
en physician assistants).
Het restant van de middelen (structureel € 56 miljoen) was in principe bestemd voor
de opschaling van Meer Tijd voor de Patiënt (MTVP), maar bleek daarvoor niet meer
nodig. De versnelde landelijke opschaling is reeds structureel vanuit het huisartsenkader
gefinancierd en gerealiseerd. Hiervoor was in het Integraal Zorgakkoord (IZA) voldoende
volumegroei beschikbaar gesteld. Deze middelen zijn daarom alternatief ingezet voor
o.a. de financiering van afspraken in het AZWA en voor diverse knelpunten en beleidsintensiveringen
op de VWS-begroting.
Vraag 177:
Wat is de onderbouwing van de bezuiniging van € 30 miljoen op allergiemiddelen?
Antwoord: 177
De onderbouwing is gelegen in het advies van Zorginstituut Nederland over allergiemiddelen
van 12 maart 2026, waarin het Zorginstituut aangeeft dat alleen chronisch gebruik
van allergiemiddelen noodzakelijk te verzekeren zorg is. De maatregel van het kabinet
betreft een aanpassing van de bestaande vergoedingsvoorwaarde, zodat voortaan alle
allergiemiddelen (waaronder ook de receptplichtige geneesmiddelen) uitsluitend nog
vergoed worden bij chronisch gebruik. Hiermee wordt ook substitutie van gebruikers
van niet receptplichtige middelen naar receptplichtige middelen voorkomen, een risico
waar het Zorginstituut op wijst.
Vraag 178:
Kunt u nader toelichten en uitsplitsen voor welke beleidsmatige intensiveringen het
resterende budget uit Meer Tijd voor de Huisartsen wordt benut?
Antwoord: 178
Het resterende budget uit Meer Tijd voor de Huisartsen wordt grotendeels benut voor
het structureel dekken van de uitbreiding van het Mobiel Medisch Team (MMT) met een
extra traumahelikopter en grondgebonden MMT. Hiermee wordt invulling gegeven aan amendement
Bevers (TK 20252026, 36.800 nr. 79). Verder worden de middelen ingezet ter dekking
van het programma Informatievoorziening Infectiebestrijding en een kleiner deel wordt
aangewend ten behoeve van de structurele bekostiging van de Verloskundige Samenwerkingsverbanden
(VSVs) per 2027.
Vraag 179:
Hoe verhoudt de structurele besparing van € 30 miljoen op allergiemiddelen zich tot
het advies van het Zorginstituut om de huidige vergoedingsvoorwaarden voor medicijnen
bij allergie juist te behouden?
Antwoord: 179
Het kabinet volgt het Zorginstituut in zijn oordeel dat niet-chronisch gebruik geen
noodzakelijk te verzekeren zorg is. De maatregel van het kabinet betreft een aanpassing
van de bestaande vergoedingsvoorwaarde, zodat voortaan alle allergiemiddelen, waaronder
ook de receptplichtige geneesmiddelen, uitsluitend nog vergoed worden bij chronisch
gebruik. Hiermee wordt ook substitutie van gebruikers van niet receptplichtige middelen
naar receptplichtige middelen voorkomen; een risico waar het Zorginstituut op wijst.
Vraag 180:
Kan het uit het pakket halen van allergiemiddelen leiden tot duurdere zorg elders?
Antwoord: 180
Ja, dat kan. In het advies van het Zorginstituut wordt aangegeven dat de kans op substitutie
reëel is. Bijvoorbeeld naar zwaardere geneesmiddelen zoals corticosteroïden en, in
uitzonderlijke gevallen, naar (dure) biologische geneesmiddelen. Uit de consultatie
blijkt dat partijen een risico zien dat een volgende stap in de behandeling sneller
zal worden ingezet als geneesmiddelen bij allergie niet meer worden vergoed. Wel wijst
het kabinet erop dat het verbreden van de vergoedingsvoorwaarde naar receptplichtige
allergiegeneesmiddelen betekent dat substitutie naar deze middelen wordt voorkomen.
Overigens schat het Zorginstituut de gevolgschade en dus kosten als gevolg van verminderde
therapietrouw als «niet hoog» in.
Vraag 181:
Wat is de aanleiding voor de besparing van € 30 miljoen op allergiemiddelen vanaf
2027?
Antwoord: 181
Aanleiding is het besluit van het Kabinet Schoof (bij Voorjaarsnota 2025) om per 2027
€ 70 miljoen te besparen op de uitgaven aan zelfzorggeneesmiddelen. Het Zorginstituut
is vervolgens om een advies gevraagd, te beginnen met allergiemiddelen. In dat advies,
dat is gepubliceerd op 12 maart 2026, heeft het Zorginstituut geoordeeld dat niet-chronisch
gebruik van allergiemiddelen geen noodzakelijk te verzekeren zorg is.
Vraag 182:
Wordt er nu € 602 miljoen weggehaald bij het budget van de Wlz voor 2026, zoals het
lijkt op basis van pagina 17 van de Voorjaarsnota?
Antwoord: 182
Uit de februaribrief van de NZa blijkt dat de verwachte uitgaven op grond van de Wet
langdurige zorg (Wlz) in 2026 € 602 miljoen lager zijn dan waarmee in de ontwerpbegroting
rekening is gehouden. De VWS-begroting is bij de eerste suppletoire begroting 2026
op basis van deze februaribrief geactualiseerd. Het Wlz-kader waarover de zorgkantoren
beschikken ten behoeve van hun zorginkoop blijft overigens ongewijzigd gelijk aan
het bedrag dat eerder via de definitieve kaderbrief Wlz 2026 beschikbaar is gesteld.
Dit is een bedrag van € 41.059 miljoen voor het jaar 2026. Daarmee beschikken de zorgkantoren
dus ook over een buffer voor het geval de zorgvraag zich in het verloop van 2026 minder
gunstig ontwikkelt dan de NZa verwacht in haar februaribrief. Over deze ontwikkelingen
wordt de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport door de NZa geïnformeerd via
haar julibrief die bij de augustusbesluitvorming over het Wlz-kader zal worden betrokken.
Vraag 183:
Waarop is het gebaseerd dat er geld «over» zou zijn in de Wlz? Vindt u dat er veel
zaken vastlopen in de Wlz? Waarom wordt dit geld niet ingezet voor het aanpakken van
de problemen, zoals het personeelstekort? En waarom wordt dit niet ingezet om bezuinigingen
zonder onderbouwing te schrappen?
Antwoord: 183
De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) geeft tweemaal per jaar, op basis van twee scenario’s
(indicaties en declaraties), inzicht in de verwachte benutting van het beschikbare
budgettaire kader van de Wlz. Op basis van het scenario «indicaties» verwacht de NZa
dat het kader met € 133 miljoen wordt onderschreden, en op basis van het scenario
«declaraties» met € 301 miljoen. Het gemiddelde van deze scenario’s komt daarmee uit
op € 217 miljoen, in combinatie met de gereserveerde herverdeelmiddelen (€ 390 miljoen),
leidt dit tot de verwachting dat ruim € 600 miljoen van het kader niet wordt benut.
Daarbij geldt dat zorgkantoren binnen de Wlz, in het kader van hun wettelijke zorgplicht,
zich inspannen om ervoor te zorgen dat geïndiceerde cliënten de gevraagde Wlz-zorg
ontvangen.
Op grond van de begrotingsregels van het kabinet kunnen meevallers niet worden ingezet
ter dekking van intensiveringen. Het terugdraaien van bezuinigingen betreft een beleidsmatige
keuze en geldt daarmee als intensivering.
Vraag 184:
Welk tijdspad wordt verwacht voor de onderhandelingen met de veldpartijen over het
voorgenomen bestuurlijk akkoord voor de Wlz?
Antwoord: 184
Als de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport hecht ik veel waarde aan een zorgvuldig
proces om tot afspraken en invulling van de voorgenomen akkoorden te komen. Mijn streven
is om dit najaar al tot afspraken te komen met de veldpartijen, waarna ruimte is voor
achterbanconsultatie alvorens een akkoord definitief kan worden ondertekend. Ik zal
de Kamer graag blijven informeren over de voortgang in de gesprekken en (de beoogde
effecten van) de keuzes en afspraken die ik met de sectoren wil maken.
Vraag 185:
Voor welke specifieke doeleinden worden de AP-middelen POK ingezet?
Antwoord: 185
De AP-middelen POK zijn beschikbaar voor gemeenten om de hulp en bescherming aan gezinnen
en huishoudens die in een onveilige situatie verkeren te verbeteren, volgens de ontwikkelrichting
van het Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming en de uitwerking daarvan in de
komende veranderstrategie. In een aantal proeftuinen is ervaring opgedaan met een
andere werkwijze volgens de uitgangspunten van het Toekomstscenario: gezinsgericht
(0–100), eenvoudig, lerend en rechtsbeschermend en transparant. Voor het bestendigen
en verbreden van deze werkwijze in álle regio’s vraagt dit om extra inzet. De middelen
bieden gemeenten de mogelijkheid regionale projectleiders aan te stellen die de meest
recent opgedane inzichten vanuit de proeftuinen in de gemeenten en regio’s verder
kunnen brengen. Tevens wordt bijgedragen aan landelijk inzicht, wat nodig is voor
een mogelijke toekomstige wetswijziging en implementatie hiervan.
Vraag 186:
Kunt u toelichten waarom de bezuinigingen op pandemische paraatheid slechts deels
worden teruggedraaid in de Voorjaarsnota? Welke eerdere bezuinigingen worden niet
teruggedraaid?
Antwoord: 186
Ten eerste zijn de bezuinigingen slechts deels teruggedraaid, omdat we in gedachten
moeten houden dat de uitdagingen in de bredere context van de zorg groot zijn en dat
we elke euro maar één keer uit kunnen geven. Er is daarom bezien wat echt essentieel
is om de kern van de versterkingen in stand te houden. Verder is het zo dat voor een
deel van maatregelen al eerder andere middelen waren gevonden, zoals maatregelen voor
leveringszekerheid, de opleiding Basis Acute zorg en monitoring en surveillance in
de ouderenzorg en gehandicaptenzorg. Voor een deel zijn programma onderdelen inmiddels
ook afgerond, zoals het ZonMw programma doorgang reguliere zorg.
Aangezien de bezuinigingen op pandemische paraatheid zijn ingevoerd op het moment
dat het beleidsprogramma nog deels in opbouw was, is een deel van de onderdelen destijds
«on hold» gezet en heeft (nog) niet volledig invulling en vorm gekregen. Het is daarom
niet mogelijk om precies aan te geven welke eerdere bezuinigingen niet zijn teruggedraaid.
De tabel bij het antwoord op vraag 4 geeft wel inzicht in de besteding van de middelen
die bij Voorjaarsnota zijn vrijgemaakt.
Vraag 187:
Kunt u toelichten hoe het terugdraaien van de bezuinigingen op pandemische paraatheid
wordt teruggedraaid, samenhangt met de bezuinigingen op de aanpak antibioticaresistentie
– terwijl dit juist een toenemend risico vormt voor de weerbaarheid van de zorg en
de beheersbaarheid van toekomstige gezondheidscrises?
Antwoord: 87
Er is geen relatie tussen het terugdraaien van de bezuinigingen op pandemische paraatheid
en de in de Voorjaarsnota verwerkte ruimte op de middelen voor antibioticaresistentie.
Laatstgenoemde ruimte ontstaat omdat VWS ervoor kiest om de huidige projectsubsidie
regionale zorgnetwerken antibioticaresistentie te laten aflopen.
Vraag 188:
Kunt u aangeven welke middelen beschikbaar komen voor weerbare zorg om ook in de curatieve
zorg de crisisparaatheid op orde te houden en voorbereid te zijn op pandemieën, militaire
situaties en hybride dreigingen?
Antwoord: 188
Het kabinet stelt de volgende middelen beschikbaar, zoals omschreven in de Kamerbrief
Pakket Pandemische Paraatheid van 27 maart29, om onder meer de versterkingen van de weerbaarheid van de curatieve gezondheidszorg
voort te zetten:
– Voor inzicht in zorgcapaciteit/patiëntspreiding en Regionaal Overleg Acute Zorgketen
(ROAZ) komt € 16,1 miljoen structureel beschikbaar. Met deze middelen wordt het inzicht
in de actueel beschikbare capaciteit in de (acute) zorgketen structureel geborgd.
Onder andere door financiering van het Landelijk Platform Zorgcoördinatie (LPZ) worden
de mogelijkheden van de zorg om uniforme, brede en actuele capaciteitsinformatie te
delen vergroot. Een actueel inzicht is de basis voor patiëntenspreiding bij crises.
Daarnaast wordt met deze middelen de capaciteit van de ROAZ’en die sinds COVID-19
is opgebouwd structureel geborgd. De ROAZ’en zorgen voor de benodigde samenwerking
en afspraken om de acute zorg toegankelijk te houden. In tijden van crises wordt via
de ROAZ’en de informatievoorziening, de patiëntenspreiding en de samenwerking in de
zorg in de regio’s georganiseerd.
– Voor de uitbreiding van de Mobiel Medische Teams (MMT’s) komt € 14,7 miljoen structureel
beschikbaar. Dit betreft pre-hospitale medische zorg, in aanvulling op ambulancezorg,
waarbij hulp wordt geboden aan ernstig zieke of gewonde patiënten buiten het ziekenhuis.
De uitbreiding die is voorzien, bestaat uit een extra helikopter-MMT én auto met een
standplaats op luchthaven Teuge (nabij Apeldoorn) en een grondgebonden (alleen een
auto) MMT in Limburg. Dit is conform het aangenomen amendement van de leden Bevers
(VVD) en Wiersma (BBB).30
– Voor het aanleggenen van weerbaarheidsvoorraden van medische producten lopen de beschikbare
middelen op tot € 67 miljoen in 2029. De jaren hierna blijft er voor het beheren van
deze voorraden € 17 miljoen structureel beschikbaar. Het aanleggen van weerbaarheidsvoorraden
van medische producten (geneesmiddelen en medische hulpmiddelen) is bedoeld om in
crisissituaties de verhoogde vraag naar medische producten binnen de zorg op te vangen.
Dergelijke voorraden kunnen de druk op de zorg, die ontstaat door een toegenomen toestroom
van patiënten, slachtoffers en/of gewonden, verlichten. Daarom wordt in dit traject
ook verkend hoe we binnen de beschikbare middelen de zorg paraat kunnen maken tegen
leveringsonderbrekingen van medische hulpmiddelen
– Voor opschaalbare productie komt € 10 miljoen structureel beschikbaar. Conflicten
en andere crises kunnen de levering van medische producten voor langere tijd verstoren.
Tegelijkertijd kan in een dergelijke situatie juist sprake zijn van een plotseling
verhoogde vraag naar medische producten. Opschaalbare productie kan dan een belangrijke
bijdrage leveren aan de weerbaarheid van de Nederlandse zorg. Het kabinet kijkt daarom
hoe opschaalbare productie van medische producten kan worden ingezet om de zorg beter
voor te bereiden op diverse scenario’s.
Vraag 189:
Voor welke specifieke doeleinden zullen de AP-middelen huishoudelijke hulp gebruikt
worden
Antwoord: 189
In de Voorjaarsnota 2026 wordt onder de kop «Resterende middelen AP huishoudelijke
hulp» gemeld dat voor de invoering van een inkomens- en vermogensafhankelijke bijdrage
(ivb) in de Wmo 2015 op de Aanvullende Post nog resterende middelen van structureel
€ 5 miljoen zijn gereserveerd en dat deze worden overgeheveld naar de VWS-begroting.
Deze middelen zijn ingezet voor bredere problematiek op de VWS-begroting.
Daarnaast blijft op de VWS-begroting het budget beschikbaar dat reeds eerder is gereserveerd
voor de invoering en uitvoering van de inkomens- en vermogensafhankelijke bijdrage
(ivb).
Vraag 190:
Wat zijn de inhoudelijke en budgettaire afwegingen die gemaakt zijn voor de ingeboekte
ombuiging van 39 miljoen voor de backpay-regeling van voormalig KNIL-militairen en
ambtenaren?
Antwoord: 190
Voor de opzet van de backpay-regeling voor weduwen en weduwnaars zijn verschillende
opties opgesteld. Van deze opties is alleen een regeling voor nog levende weduwen
en weduwnaars mogelijk uitvoerbaar. De kosten van deze optie worden ingeschat op ongeveer
€ 11,5 miljoen. Het resterende budget van € 38,5 miljoen is naar verwachting niet
noodzakelijk voor de uitvoering van een backpay-regeling voor weduwen en weduwnaars.
Vraag 191:
Kunt u nader toelichten hoe maatregel 61 (Efficiency) concreet ingevuld zal worden?
Antwoord: 191
Op dit moment is de efficiencytaakstelling voorlopig technisch ingevuld. Hierbij is
een verdeling naar rato gemaakt van de apparaatsbudgetten voor het kerndepartement,
de inspecties, raden en de uitvoeringsorganisaties. De komende tijd zal worden bezien
of herschikking van deze technische invulling nodig is. In dat geval wordt u hierover
in begrotingsstukken geïnformeerd.
Vraag 192:
Op welke budgetten wordt specifiek gekort voor de structurele budgetkorting van € 41
miljoen en hoeveel wordt er per budget gekort?
Antwoord: 192
Op dit moment staat de (structurele) budgetkorting (een naar rato verlaging van de
beleidsartikelen) gereserveerd op artikel 11. Deze zal bij de Ontwerpbegroting 2027
worden doorverdeeld naar de beleidsartikelen. Dan zal inzichtelijk worden welke budgetten
gekort zullen worden.
Vraag 193:
Wanneer wordt het ontwerp voor de backpayregeling voor weduwen van KNIL-militairen
en ambtenaren voorgelegd aan de Kamer?
Antwoord: 193
Zodra de uitvoeringstoets is uitgevoerd, wordt de concept backpay-regeling voor weduwen
en weduwnaars aan de Tweede Kamer voorgelegd.
Vraag 194:
Waardoor vindt de opschaling van het domeinoverstijgend indiceren later plaats dan
verwacht?
Antwoord: 194
In het AZWA zijn afspraken gemaakt om domeinoverstijgend indiceren (DOI) landelijk
uit te rollen. De uitwerking van deze afspraken is later dan gepland gestart, doordat
het sluiten van het AZWA langer duurde dan verwacht en omdat een langere doorlooptijd
nodig is om DOI landelijk op te schalen dan vooraf verwacht.
De AZWA-partijen hebben begin 2026 een plan van aanpak voor het uitrollen van DOI
opgeleverd. Voordat de aanpak landelijk kan worden uitgerold, is het nodig om eerst
goed zicht te krijgen op hoe de werkwijze het beste kan worden ingezet, en wat deze
werkwijze oplevert in termen van euro’s en fte. Daarom wordt er in 2026 gestart met
pilots voor DOI voor een periode van twee jaar om, door middel van actieonderzoek
goed zicht te krijgen op wat werkt en wat niet, en zo in te kunnen zetten op landelijke
uitrol van de aanpak.
Vraag 195:
Kunt u concreet toelichten welke onderdelen van de standaardisatie van gegevensuitwisseling
vertraging oplopen en wat de belangrijkste oorzaken hiervan zijn?
Antwoord: 195
De ontwikkeling van een toekomstbestendig gezondheidsinformatiestelsel (GIS) is een
ingewikkeld en langjarig traject, waarbij de precieze timing en doorlooptijd meebewegen
met inhoudelijke en externe ontwikkelingen. Door deze ontwikkelingen schuiven verschillende
onderdelen die nodig zijn voor het (door)ontwikkeling van het GIS, waaronder standaardisatie
van gegevensuitwisseling, in de fasering en planning. De belangrijkste redenen voor
deze bijstellingen zijn:
– De inwerkingtreding van de European Health Data Space (EHDS) in maart 2025, waarbij
enkele uitgangspunten ten opzichte van de Wet elektronische gegevensuitwisseling in
de zorg (Wegiz/2023) wijzigen, zorgt voor een langere doorlooptijd van lopende trajecten.
Hierbij worden de vereisten en tijdlijnen van de EHDS, samen met essentiële onderdelen
van de Wegiz, integraal onderdeel van de Nationale Visie en Strategie op het gezondheidsinformatiestelsel
(NVS/2023–2024) voor het realiseren van een gezondheidsinformatiestelsel en toekomstgerichte
zorg.
– Het absorptievermogen van zowel het zorgveld als ICT-leveranciers blijkt bij het organiseren
en invoeren van veranderingen lager dan eerder ingeschat.
Bovengenoemde oorzaken, in combinatie met de complexiteit van het onderwerp voor alle
betrokken partijen, leiden tot een latere oplevering van een landelijk dekkend netwerk
van infrastructuren, generieke functies en technische afspraken. Dit werkt door op
de onder de Wegiz geprioriteerde gegevensuitwisselingen; Medicatieoverdracht, elektronische
verpleegkundige overdracht, Bassisset Zorg, Beeldbeschikbaarheid en Acute Zorg.
Vraag 196:
Welke doeleinden heeft de SPUK niet-beoogde jeugdzorgkosten?
Antwoord: 196
Doel van deze SPUK is gemeenten met verblijfsinstellingen te compenseren die te maken
hebben met een clustering van hoge niet beoogde jeugdzorgkosten van jeugdigen die
in hun gemeente verblijven. Het betreft bijvoorbeeld jeugdigen die in de betreffende
gemeente in verblijf komen, geen binding hebben met deze gemeente en niet eerder in
een andere Nederlandse gemeente zijn ingeschreven. In de regel gaat het om jeugdigen
uit het buitenland en jeugdigen die geboren worden in een verblijfsinstelling.
Vraag 197:
Welke gedragseffecten worden verwacht naar aanleiding van het afschaffen van de tegemoetkoming
specifieke zorgkosten, uitgesplitst per inkomensgroep?
Antwoord: 197
In de raming van de opbrengst van de maatregel is geen rekening gehouden met gedragseffecten.
Naar verwachting leidt de maatregel in de eerste plaats tot een inkomenseffect, doordat
de gedeeltelijke fiscale tegemoetkoming in de kosten vervalt. Het is niet ondenkbaar
dat er gedragseffecten optreden bij belastingplichtigen met specifieke zorgkosten,
maar deze zijn hoogst onzeker en moeilijk te kwantificeren. Zo is het mogelijk dat
mensen keuzes maken in de omvang of het type zorguitgaven, bijvoorbeeld door te kiezen
voor een minder dure optie, doordat er geen sprake meer is van de mogelijkheid tot
aftrek.
Vraag 198:
Op basis van welke factoren is bepaald dat de raming voor de Rijksbijdrage Wlz structureel
bijgesteld dient te worden met € 3.8 miljard?
Antwoord: 198
Het structurele niveau van de geraamde Rijksbijdrage Wlz in de ontwerpbegroting 2026
was € 20,4 miljard in 2030. Het structurele niveau in de 1e suppletoire begroting
is € 24,2 miljard in 2031. De stijging van € 3,8 miljard van 2030 op 2031 is grotendeels
het gevolg van de verwachte groei van de netto Wlz-uitgaven tussen 2030 en 2031 met
€ 3,0 miljard. De rest van de opwaartse bijstelling is het gevolg van de (fiscale)
maatregelen in het coalitieakkoord waardoor de geraamde premie-ontvangsten Wlz en
de Rijksbijdrage in de kosten van kortingen (BIKK) op termijn lager uitvallen. Dit
leidt tot lagere ontvangsten voor het Fonds langdurige zorg (Flz) die worden gecompenseerd
via een hogere Rijksbijdrage Wlz.
Vraag 199:
Kan uitgesplitst worden per sector (gehandicaptenzorg, ggz en ouderenzorg) hoe de
bezuinigingen op de Wlz verdeeld zullen worden, mede gelet op de aangenomen motie
om de bezuinigingen in de gehandicaptenzorg te schrappen?
Antwoord: 199
Zoals de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport heeft aangegeven in haar brief
van 9 maart jl.31 zal zij voor de zomer de Kamer informeren over de verdeling en onderbouwing hiervan.
Vraag 200:
Kan aangegeven worden wanneer er excuses gemaakt zullen worden in het kader van de
gesloten jeugdzorg en de ZIKOS-afdelingen, gelet op de eerder gedane toezegging dat
de Kamer voor de zomer ingelicht zal worden over het excuses- en hersteltraject?
Antwoord: 200
VWS voert, samen met een afvaardiging van aanbieders van gesloten jeugdhulp vanuit
Jeugdzorg Nederland en de VNG, gesprekken met jongeren en oud-cliënten over de erkenning
van het leed dat zij hebben ervaren binnen de gesloten jeugdhulp. Onderdeel van deze
gesprekken is hoe excuses, erkenning en herstel op een betekenisvolle manier vorm
kunnen krijgen. Daarbij wordt besproken wat jongeren en oud-cliënten nodig hebben
om zich daadwerkelijk gehoord en erkend te voelen. Op dit moment verlopen deze gesprekken
voorspoedig. Er wordt naar gestreefd om in overleg met de partijen zo snel mogelijk
(waar mogelijk voor de zomer) een besluit te nemen over het geheel en zal in ieder
geval voor de zomer hierover informeren.
Vraag 201:
Hoeveel geld is er inmiddels besteed aan het hersteltraject voor de gesloten jeugdzorg,
waarbij uitgesplitst wordt voor welke doeleinden het geld is ingezet?
Antwoord: 201
Tot eind april 2026 lopen de zes pilots gefinancierd vanuit het amendement Westerveld
(€ 200.000, amendement 36 600 XVI, nr. 113). De basis voor de invulling van dit erkenning- en hersteltraject zijn de geleerde
lessen van deze zes pilotprojecten. De komende periode zal de Minister van Langdurige
Zorg, Jeugd en Sport samen met jongeren en ervaringsdeskundigen verdere invulling
geven aan het erkenning- en hersteltraject. Er wordt naar gestreefd na de zomer van
2026 te starten met het meerjarige erkennings- en hersteltraject.
Vraag 202:
Wat zijn de inhoudelijke en budgettaire overwegingen om een eigen bijdrage in de wijkverpleging
in te voeren? Welke afweging is hierin gemaakt?
Antwoord: 202
Ons zorgstelsel is gebouwd op solidariteit en dit is een groot goed. Solidariteit
betekent: dat gezonde mensen meebetalen aan de zorgkosten van mensen die zorg nodig
hebben; dat mensen met een hoog inkomen meer bijdragen dan mensen met een laag inkomen
en dat we mensen met weinig geld die voor zorgkosten komen te staan ondersteunen.
Dit fundament wil het kabinet behouden, zowel nu als op de lange termijn. Dit vraagt
om keuzes die ervoor zorgen dat we de premies beheersbaar houden en die ervoor zorgen
dat gezonde mensen ook in de toekomst solidair willen blijven met mensen die zorg
nodig hebben. Dit betekent dat we mensen die zorg gebruiken in sommige gevallen vragen
om iets extra’s mee te betalen als je daadwerkelijk zorg gebruikt. Hiertoe neemt het
kabinet verschillende maatregelen en een onderdeel hiervan is de eigen bijdrage in
de wijkverpleging.
Vraag 203:
Hoe verhoudt de eigen bijdrage in de wijkverpleging zich tot de toenemende onderuitputting
van het macrokader wijkverpleging?
Antwoord: 203
De invoering van de eigen bijdrage in de wijkverpleging staat los van de mate waarin
de middelen in de wijkverpleging voldoende worden besteed. Immers, het doel van de
maatregel is de solidariteit van het zorgstelsel te bevorderen. Ons zorgstelsel is
namelijk gebouwd op solidariteit en dit is een groot goed. Solidariteit betekent:
dat gezonde mensen meebetalen aan de zorgkosten van mensen die zorg nodig hebben;
dat mensen met een hoog inkomen meer bijdragen dan mensen met een laag inkomen en
dat mensen met weinig geld die voor zorgkosten komen te staan worden ondersteund.
Dit fundament wil het kabinet behouden, zowel nu als op de lange termijn. Dit vraagt
om keuzes die ervoor zorgen dat we de premies beheersbaar houden en die ervoor zorgen
dat gezonde mensen ook in de toekomst solidair willen blijven met mensen die zorg
nodig hebben. Dit betekent dat we mensen die zorg gebruiken in sommige gevallen vragen
om iets extra’s mee te betalen als je daadwerkelijk zorg gebruikt. Hiertoe neemt het
kabinet verschillende maatregelen en een onderdeel van deze extra financiering is
de eigen bijdrage in de wijkverpleging.
Vraag 204:
Welk budget is er beschikbaar voor het opleiden van medewerkers in de wijkverpleging?
Antwoord: 204
Voldoende en goed opleiden voor de wijkverpleging is essentieel gelet op de verwachte
tekorten in de zorg. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt primair bij werkgevers.
Werkgevers financieren dit vanuit de opbrengsten via de zorginkoop. VWS biedt daarnaast
(tijdelijke) subsidies aan werkgevers, zoals Stagefonds Zorg (tot en met schooljaar
2026–2027) en de subsidie Strategisch opleiden zorg en welzijn (2026). Specifiek voor
de wijkverpleging is aanvullend op deze
instrumenten per 2025 structureel € 60 miljoen beschikbaar op de VWS-begroting. Voor
opleidingsactiviteiten in de jaren 2025 en 2026 wordt via de subsidieregeling Werkgeverskosten
Opleiden Wijkverpleging subsidie beschikbaar gesteld. Deze regeling wordt naar verwachting
voorjaar 2026 gepubliceerd.
Vraag 205:
Hoe zijn de kosten voor het opleiden in de wijkverpleging opgebouwd (begeleiding,
stage, onderwijs, e.d.)?
Antwoord: 205
De instroom in de wijkverpleging komt grotendeels vanuit de beroepsbegeleidende leerweg
(mbo bbl) of een hbo duaal traject. Vanuit het Investeringsakkoord Opleiden Wijkverpleging
is in 2024 door SEO Economisch Onderzoek een onderzoek gedaan naar de kosten en baten
van opleiden in de wijkverpleging32. Daaruit blijkt dat de grootste kosten bestaan uit loonkosten van leerlingen tijdens
hun studie-uren. Daarnaast worden kosten gemaakt voor begeleidingsuren door praktijkopleiders
en voor collegegeld.
Vraag 206:
In hoeverre is het rechtmatig om de opleiding in wijkverpleging te bekostigen vanuit
incidentele middelen?
Antwoord: 206
Opleiden in de wijkverpleging is primair een verantwoordelijkheid van werkgevers,
en wordt dan ook door hen gefinancierd. Van bekostiging vanuit incidentele financiële
middelen is dus geen sprake. Ter tegemoetkoming van de werkgeverskosten voor het opleiden
stelt VWS structureel € 60 miljoen ter beschikking. Of er incidenteel of structureel
budget beschikbaar is voor het financieren van opleiden heeft in beginsel overigens
geen invloed op de rechtmatigheid van de uitgaven, mits er geen verplichtingen worden
aangegaan of toezeggingen worden gedaan met financiële consequenties in jaren waarin
geen budget beschikbaar is.
Vraag 207:
Welk deel van het Wlz-budget wordt vanaf 2026 beschikbaar gesteld voor de uitvoering
van de Wet Domeinoverstijgende Samenwerking (DOS)?
Antwoord: 207
Het Wlz-budget voor de uitvoering van de Wet DOS is opgenomen in de definitieve kaderbrief
Wlz 2026–2030 (Kamerstukken II, 2025–2026, 34 104, nr.450), onder het nieuwe deelkader «Overige uitvoeringskosten».
Zoals in de kaderbrief is aangegeven, is voor 2026 € 96 miljoen beschikbaar gesteld
voor de uitvoering van de Wet DOS. Dit bedrag is als volgt opgebouwd: € 47 miljoen
voor preventieve maatregelen, € 31 miljoen voor onafhankelijke cliëntondersteuning
(OCO) en € 18 miljoen voor de financiering van de cliëntvertrouwenspersoon (CVP).
De middelen voor OCO en CVP zijn structureel beschikbaar. De middelen voor preventieve
maatregelen zijn bij eerste suppletoire begroting 2026 ook voor de jaren 2027 en 2028
beschikbaar gesteld.
Vraag 208:
Kan de voorgenomen maatregel om de huishoudelijke hulp uit de Wmo te schrappen met
een vangnet inhoudelijk en financieel onderbouwd worden?
Antwoord: 208
De maatregel «huishoudelijke hulp uit de Wmo 2015 met vangnet» moet nog inhoudelijk
worden uitgewerkt. De maatregel levert taakstellend per saldo structureel € 435 miljoen
op voor de Rijksbegroting:
– bij de verwerking van de maatregel in de Rijksbegroting is verondersteld dat bij gemeenten
per saldo een besparing van € 1.010 miljoen kan worden gerealiseerd. Daarbij is er
rekening mee gehouden dat wordt voorzien in een vangnet voor de meest kwetsbare mensen.
– ook is verondersteld dat de maatregel gepaard gaat met een weglek van kosten naar
de Wlz (€ 660 miljoen) en een besparing van € 85 miljoen op de Zvw-uitgaven (per saldo
minder uitgaven aan wijkverpleging).
Vraag 209:
Welke kostenbesparing wordt op termijn verwacht van een combinatie van het schrappen
van de huishoudelijke hulp uit de Wmo en het invoeren van de inkomensafhankelijke
eigen bijdrage?
Antwoord: 209
De besparing voor de Rijksbegroting van de vervanging van het abonnementstarief Wmo
2015 door een inkomens- en vermogensafhankelijke eigen bijdrage (ivb) is structureel
€ 225 miljoen. De aanvullende besparing voor de Rijksbegroting van het schrappen van
huishoudelijke hulp als maatwerkvoorziening uit de Wmo 2015 (met vangnet) is structureel
€ 435 miljoen. Bij elkaar opgeteld is dit € 660 miljoen.
Vraag 210:
Welke gedragseffecten worden er verwacht naar aanleiding van het invoeren van de inkomensafhankelijke
eigen bijdrage in de Wmo? Kan in het bijzonder toegelicht worden welke effecten verwacht
kunnen worden op het gebied van zorgmijdend gedrag?
Antwoord: 210
In de memorie van toelichting en de nota naar aanleiding van het verslag bij het voorstel
van wet vervanging abonnementstarief Wmo 2015 is ingegaan op de te verwachten gedragseffecten
van de inkomens- en vermogensafhankelijke eigen bijdrage Wmo 2015 (ivb) in relatie
tot zorgmijding (Kamerstukken II, 2024/25, 36 713, nrs. 3 en 8).
Vraag 211:
Wat is de omvang en reikwijdte van het beoogde vangnet voor het schrappen van de huishoudelijke
hulp uit de Wmo?
Antwoord: 211
De omvang en reikwijdte van het vangnet is onderwerp van nadere uitwerking. Uitgangspunt
is dat mensen die dat kunnen, zelf gaan betalen voor hun huishoudelijke hulp en dat
voor de mensen die niet zelf hulp kunnen regelen, de gemeente daarin blijft voorzien.
Vraag 212:
Klopt het dat de geraamde bedragen voor de bezuinigingen binnen de Wmo inmiddels afwijken
van zowel de doorrekening van het Centraal Planbureau (CPB) als van de berekeningen
in het Houdbaarheidsonderzoek Wmo? Zo ja, hoe kunnen deze verschillen worden verklaard?
Antwoord: 212
De financiële effecten van de maatregel «huishoudelijke hulp uit de Wmo 2015 met vangnet»,
zoals verwerkt in de Voorjaarsnota 2026, komen overeen met de effecten die het Centraal
Planbureau heeft verwerkt in het Centraal Economisch Plan 2026.
De bovengenoemde financiële effecten wijken af van de financiële effecten die zijn
vermeld in het Houdbaarheidsonderzoek Wmo 2015, omdat bij verwerking van de coalitieakkoordafspraken
een ruimer vangnet is verondersteld en een ramingsveronderstelling is geactualiseerd.
Deze actualisatie is in lijn met het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg (HLO) waarbij
gestuurd wordt op het langer thuis wonen van ouderen.
Vraag 213:
Kunt u door middel van een tabel vormgeven waar in de Wlz eventuele onderuitputtingen
zitten?
Antwoord: 213
Bij de eerste suppletoire begroting van het Ministerie van VWS 2026 is de Wlz-begroting
geactualiseerd op basis van de februaribrief van de NZa. Hierbij is de gevraagde tabel
opgenomen, zie tabel 5, p. 59 waarin de onderuitputting in de Wlz zichtbaar is gemaakt.
De NZa merkt in haar februaribrief op dat het beeld over de afgelopen jaren laat zien
dat het aantal indicaties blijft toenemen, maar dat de totale groei in 2025 lager
was dan in voorgaande jaren. Daarmee wijkt 2025 af van de trend in voorgaande jaren.
Wanneer de NZa kijkt naar de ontwikkeling in indicatiegroei in de periode van januari
2025 tot en met januari 2026, ziet zij op dit moment geen aanwijzingen dat de groei
in 2026 sterk zal toe- of afnemen. De NZa heeft in haar februaribrief rekening gehouden
met deze ontwikkelingen en dit veroorzaakt nu een meevaller (lagere groei) in de begroting
van € 602 miljoen in 2026. Het restant van € 24 miljoen aan overige meevallers hangt
samen met een lagere loon- en prijsontwikkeling op grond van geactualiseerde macro-economische
cijfers van het Centraal Planbureau en enkele kleine technische mutaties.
Vraag 214:
Welke verschuivingen richting de Wlz zijn er eventueel te verwachten naar aanleiding
van het beoogde implementeren van een inkomensafhankelijke eigen bijdrage binnen de
Wmo en welke gevolgen heeft dit voor de zorgkosten als geheel?
Antwoord: 214
De vervanging van het abonnementstarief Wmo 2015 door een inkomens- en vermogensafhankelijke
eigen bijdrage (ivb) zal naar verwachting niet leiden tot een toename van de doorstroom
van cliënten van de Wmo 2015 naar de Wlz. Deze verwachting is gebaseerd op de Monitor
Abonnementstarief Wmo 2015 (Kamerstukken II 2021/22, 29 538, nr. 331) en is nader toegelicht in de nota naar aanleiding van het verslag bij het voorstel
van wet vervanging abonnementstarief Wmo 2015 (Kamerstukken II, 2024/25, 36 713, nr. 8).
Vraag 215:
Welke (gemiddelde) stijging in kosten per maand kan verwacht worden per inkomensgroep
en doelgroep naar aanleiding van de implementatie van een inkomensafhankelijke eigen
bijdrage in de Wmo?
Antwoord: 215
Afhankelijk van onder andere het inkomen en vermogen van cliënten en hun eventuele
partner bedraagt de stijging van de eigen bijdrage per maand – als gevolg van de vervanging
van het abonnementstarief door een inkomens- en vermogensafhankelijke eigen bijdrage
Wmo 2015 (ivb) – € 0 tot € 340 (prijspeil 2026).
Voor een meer gedetailleerd overzicht van de verwachte financiële effecten voor burgers,
wordt er verwezen naar de tabellen die daarover zijn opgenomen in de nota van toelichting
bij het ontwerp van het Besluit vervanging abonnementstarief Wmo 2015 (bijlage bij
Kamerstukken II 2024/25, 36 713, nr. 5) en in de nota naar aanleiding van het verslag bij het voorstel van wet vervanging
abonnementstarief Wmo 2015 (Kamerstukken II 2024/25, 36 713, nr. 8).
Vraag 216:
Welke (gemiddelde) stijging in kosten per maand kan verwacht worden per inkomensgroep
en doelgroep naar aanleiding van het schrappen van de huishoudelijke hulp uit de Wmo?
Antwoord: 216
De (gemiddelde) stijging in kosten per maand is niet bekend. De komende tijd wordt
de maatregel «huishoudelijke hulp uit de Wmo 2015 met vangnet» verder uitgewerkt.
Vraag 217:
Kan nader geschetst worden waardoor de Wlz uitgaven in 2026 € 626 miljoen lager uitvallen
dan begroot in de ontwerpbegroting?
Antwoord: 217
De NZa merkt in haar februaribrief op dat het beeld over de afgelopen jaren laat zien
dat het aantal indicaties blijft toenemen, maar dat de totale groei in 2025 lager
was dan in voorgaande jaren. Daarmee wijkt 2025 af van de trend in voorgaande jaren.
Wanneer de NZa kijkt naar de ontwikkeling in indicatiegroei in de periode van januari
2025 tot en met januari 2026, ziet zij op dit moment geen aanwijzingen dat de groei
in 2026 sterk zal toe- of afnemen. De NZa heeft in haar februaribrief rekening gehouden
met deze ontwikkelingen en VWS heeft op grond daarvan de begroting geactualiseerd.
Dit leidt tot een meevaller (lagere groei) van € 602 miljoen in 2026. Het restant
van € 24 miljoen hangt samen met een lagere loon- en prijsontwikkeling op grond van
geactualiseerde macro-economische cijfers van het Centraal Planbureau en enkele kleine
technische mutaties.
Vraag 218:
Kan nader geschetst worden waardoor de groei van de Wlz-uitgaven in 2026 lager is
uitgevallen dan verwacht?
Antwoord: 218
De NZa merkt in haar februaribrief op dat het beeld over de afgelopen jaren laat zien
dat het aantal indicaties blijft toenemen, maar dat de totale groei in 2025 lager
was dan in voorgaande jaren. Daarmee wijkt 2025 af van de trend in voorgaande jaren.
Wanneer de NZa kijkt naar de ontwikkeling in indicatiegroei in de periode van januari
2025 tot en met januari 2026, ziet zij op dit moment geen aanwijzingen dat de groei
in 2026 sterk zal toe- of afnemen. De NZa heeft in haar februaribrief rekening gehouden
met deze ontwikkelingen en VWS heeft op grond daarvan de begroting geactualiseerd.
Dit leidt tot een meevaller (lagere groei) van € 602 miljoen in 2026. De lagere groei
hangt dus samen met een minder snelle stijging van het beroep op Wlz-zorg dan oorspronkelijk
geraamd.
Vraag 219:
Welke middelen worden aangewend voor het Nationaal Actieplan Dakloosheid?
Antwoord: 219
Vanaf 2022 is structureel € 65 miljoen extra beschikbaar gesteld voor de aanpak van
dakloosheid. Er is structureel € 55 miljoen toegevoegd aan de decentralisatie uitkering
Nationaal Actieplan Dakloosheid (voor centrumgemeenten). De middelen komen boven op
de € 385 miljoen (excl. indexatie via het accres) die via de decentralisatie uitkering
Maatschappelijke Opvang aan 44 centrumgemeenten wordt verstrekt. Gemeenten ontvangen
via decentralisatie uitkeringen dus € 440 miljoen in totaal (excl. indexatie via het
accres). Deze middelen zijn structureel beschikbaar voor de aanpak van dakloosheid.
Daarnaast is er van de overige € 10 miljoen vanaf 2026 € 2 miljoen aangewend voor
bredere Wmo doeleinden en € 8 miljoen onderdeel van de VWS-begroting ten behoeve van
de aanpak van dakloosheid, waaronder de Pilot dakloze EU-burgers. SZW is medefinancier
van deze pilot, waardoor er sprake is van een intensivering van de beschikbare middelen
per 2026.
Vraag 220:
Welke middelen vanuit de begroting van VWS worden aangewend voor het opvolgen van
de aanbevelingen uit de parlementaire verkenning verward/ onbegrepen gedrag?
Antwoord: 220
Er is op de begroting van VWS € 3,8 miljoen structureel beschikbaar voor de opvolging
van het programma Grip op Onbegrip van ZonMw. Deze middelen worden onder andere besteed
aan de opvolging van de aanbevelingen van de parlementaire verkenning. Daarnaast zijn
er middelen gereserveerd voor de coördinatiekosten van de levensloopaanpak (€ 3 miljoen
structureel), voor het meldpunt zorgwekkend gedrag (€ 0,3 miljoen structureel) en
een bijdrage aan het landelijk bureau van de zorg- en veiligheidshuizen (€ 0,6 miljoen
tot 2030).
Vraag 221:
Welke bezuinigingen worden er in 2026, 2027 en 2028 doorgevoerd binnen de ggz?
Antwoord: 221
In de genoemde jaren worden geen specifieke bezuinigingen doorgevoerd in de curatieve
ggz. Wel zijn in het IZA (t/m 2026) en AZWA (t/m 2028) inhoudelijke afspraken gemaakt
die moeten leiden tot een beheerste uitgavenontwikkeling in de ggz. In de bestuurlijke
akkoorden zijn daartoe meerjarenkaders afgesproken met voor de ggz een groei van 0,4%.
Voor de langdurige ggz binnen de Wlz is er sprake van een tariefmaatregel van € 13
miljoen vanuit het kabinet Rutte IV die is opgenomen in het basispad van begroting.
Daarnaast is in het coalitieakkoord een maatregel «bestuurlijk akkoord Wlz» opgenomen
om de groei van de Wlz-uitgaven af te remmen en te komen tot een beheerste uitgavenontwikkeling.
De effecten voor de langdurige ggz van deze maatregel zijn afhankelijk van de keuzes
en afspraken die ik met de sectoren in de langdurige zorg wil maken. Mijn streven
is om dit najaar tot afspraken te komen.
Vraag 222:
Welke bezuinigingen worden er in 2026, 2027 en 2028 doorgevoerd binnen de ouderenzorg?
Antwoord: 222
Voor de Wlz-ouderenzorg zijn afspraken gemaakt via het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg
«Samen voor kwaliteit van bestaan».33 Onderdeel hiervan zijn een verzachte tariefmaatregel voor de ouderenzorg die is ingegaan
per 2026 en een maatregel gericht op vereenvoudiging van de leveringsvormen thuis
die ingaat per 2027. De effecten voor de ouderenzorg van de maatregel bestuurlijk
akkoord Wlz/scheiden wonen en zorg uit het coalitieakkoord zijn afhankelijk van de
keuzes en afspraken die de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport met de sectoren
in de langdurige zorg wil maken. Het streven is om dit najaar tot afspraken te komen.
Vraag 223:
Waarop is de bijstelling van -602 miljoen bij de «Actualisatie Wlz-uitgaven» voor
2026 gebaseerd? Hoe verhoudt dit bedrag zich tot de februaribrief van de NZa, waarin
veel lagere bedragen genoemd worden: van €-301 miljoen (scenario declaraties) tot
€-133 miljoen (scenario indicaties)? Kunt u dit verschil nader onderbouwen?
Antwoord: 223
De neerwaartse bijstelling van € 602 miljoen is gebaseerd op het gemiddelde van de
twee scenario’s uit de februaribrief van de NZa. De NZa benoemt in haar februaribrief
per scenario het verschil met het beschikbaar gestelde Wlz-kader. Dit verschil is gemiddeld € 217 miljoen (€ 301 miljoen + € 133
miljoen gedeeld door 2). De NZa laat daarbij de op de begroting gereserveerde herverdelingsmiddelen
ad € 390 miljoen buiten beschouwing. Op grond van de februaribrief is de
verwachting dat het niet nodig is om deze herverdelingsmiddelen in te zetten. Opgeteld
levert dit een totaal verschil van € 607 miljoen (€ 390 miljoen + € 217 miljoen).
Dit wijkt licht af van het bedrag dat is opgenomen in de begroting vanwege technische
verschillen.
Vraag 224:
Is de verwachting van zorgkantoren dat zij in 2026 een tekort van € 63 miljoen op
de Wlz voorzien meegenomen in de bijstelling in de Voorjaarsnota? Zo ja, op welke
wijze? Zo nee, waarom deed de NZa een uitvraag bij de zorgkantoren als de uitkomst
niet gebruikt wordt in deze bijstelling?
Antwoord: 224
Ja, de inzichten van zorgkantoren zijn door de NZa betrokken bij het opstellen van
de februaribrief. De NZa heeft in de voorbereiding van de februaribrief een consultatiebijeenkomst
gehouden met Zorgverzekeraars Nederland (ZN) en de zorgkantoren. De NZa heeft de opmerkingen
van ZN en de zorgkantoren ook meegewogen bij het opstellen van de februaribrief. Overigens
verwachten ook de zorgkantoren dat het bestaande Wlz-kader toereikend is om alle zorg
te vergoeden. Zoals ook is opgenomen in het februariadvies is in de interne prognose
van de zorgkantoren een bedrag van € 108 miljoen opgenomen aan manoeuvreerruimte.
Deze manoeuvreerruimte wordt benut om onderhandelingen tussen zorgkantoren en zorgaanbieders
over de productieafspraken te kunnen versoepelen. Gecorrigeerd voor deze manoeuvreerruimte
verwachten de zorgkantoren dus dat er binnen het beschikbaar gestelde Wlz-kader nog
een vrije ruimte is van € 43 miljoen. Zoals te doen gebruikelijk baseert VWS zich
op het gemiddelde van de beide scenario’s uit de prognoses van de NZa voor de actualisatie
van de uitgaven in de begroting.
Vraag 225:
Waarom wordt de maatregel versterken informatieplicht zorgverzekeraars met een jaar
vervroegd?
Antwoord: 225
De maatregel versterken informatieplicht zorgverzekeraars is met een jaar vervroegd,
zodat zorgverzekeraars eerder in positie worden gebracht en de baten van deze maatregel
één jaar eerder worden gerealiseerd.
Vraag 226:
Hoe verhoudt de maatregel versterken informatieplicht zorgverzekeraars zich tot de
afspraken uit de zorgakkoorden IZA en AZWA om de administratieve lasten te verminderen?
Antwoord: 226
Doel van de maatregel is dat zorgverzekeraars een beter onderscheid kunnen maken tussen
aanbieders van passende zorg en aanbieders die dat niet of minder leveren. Zo kunnen
zorgverzekeraars beter waarborgen dat de zorg die zij voor hun verzekerden inkopen,
passende zorg is. Beoogd is de informatiepositie van zorgverzekeraars te versterken
door zorgverzekeraars toegang te geven tot informatie die al bestaat, maar die nu
nog niet toegankelijk voor zorgverzekeraars is, en door daarbij aan te sluiten bij
bestaande geautomatiseerde gegevensuitwisselingsprocessen. Zorgmedewerkers administreren
dan niets extra’s, en automatisering houdt de lasten voor de bedrijfsvoering van zorgaanbieders
laag. Daar waar informatie wel al bestaat bij zorgaanbieders, maar niet in een gestandaardiseerde
vorm, biedt uniformering kansen. De maatregel sluit daarmee aan bij afspraak 4 «Data
worden digitaal, eenduidig en gestandaardiseerd geregistreerd in het zorgproces en
beschikbaar gesteld voor diverse secundaire doelen» van werkagenda I «Digitalisering
en Gegevensuitwisseling» van het IZA (p.96–97).
Vraag 227:
Hoe verhoudt de kasschuif van € 304 miljoen naar 2029 zich tot de ambitie om tijdig
te voldoen aan de Europese verplichtingen uit de European Health Data Space (EHDS)? Acht u het realistisch dat deze doelstellingen alsnog worden gehaald?
Antwoord: 227
De verplichtingen uit de EHDS worden gefaseerd van toepassing. Dit gebeurt in 2027,
2029, en 2031. We werken momenteel hard om aan de gestelde eisen en bijbehorende tijdlijnen
te kunnen voldoen. Daarvoor zijn we bezig om de EHDS in nationale wet- en regelgeving
te borgen, maar werken we ook aan de realisatie een toekomstbestendig gezondheidsinformatiestelsel
dat randvoorwaardelijk is om aan de EHDS te kunnen voldoen. De middelen die we daarvoor
nodig hebben zullen op een zo efficiënt mogelijke manier worden ingezet de komende
jaren. Aansluitend bij de momenten waarop de verplichtingen uit de EHDS-verordening
van toepassing worden, die doorlopen in 2029 en verder. Doordat de EHDS pas in 2031
volledig van toepassing zal zijn, zullen er ook in 2029 middelen nodig zijn in de
voorbereiding op de EHDS. Daarbij zullen we rekening houden met de technische vereisten
die voortkomen uit de EHDS en momenteel op Europees niveau worden uitgewerkt. Voor
de middelen die doorgeschoven zijn naar 2029 zullen voorstellen worden ingediend zodat
deze middelen die momenteel nog op de begroting van het Ministerie van Financiën staan
over kunnen worden geboekt naar de VWS-begroting.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
M. Mohandis, voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport -
Mede ondertekenaar
M. Heller, adjunct-griffier