Advies Afdeling advisering Raad van State en Reactie van de initiatiefnemer(s) : Advies Afdeling advisering Raad van State en Reactie op de initiatiefnemer
36 774 Voorstel van wet van het lid Bushoff tot wijziging van de Mededingingswet in verband met de uitbreiding van het concentratietoezicht (Wet inroepbevoegdheid ACM)
Nr. 4
ADVIES VAN DE AFDELING ADVISERING VAN DE RAAD VAN STATE EN REACTIE VAN DE INITIATIEFNEMER
Hieronder zijn opgenomen het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State
d.d. 1 oktober 2025 No. W18.25.00155/IV en de reactie van de initiatiefnemer d.d. 16 april
2026, aangeboden aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Het advies
van de Afdeling advisering van de Raad van State is cursief afgedrukt.
Bij brief van de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 25 juni 2025
heeft de Tweede Kamer bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging
aanhangig gemaakt het voorstel van wet van het lid Bushoff tot wijziging van de Mededingingswet
in verband met de uitbreiding van het concentratietoezicht (Wet inroepbevoegdheid
ACM), met memorie van toelichting.
Het wetsvoorstel regelt dat de Autoriteit Consument en Markt (ACM) toezicht kan uitoefenen
op concentraties van kleinere ondernemingen; een aanvulling op het toezicht dat de
ACM nu al uitoefent bij grotere concentraties. Dat toezicht moet voorkomen dat gezonde
vormen van concurrentie worden beperkt en dat prijzen stijgen, de kwaliteit van producten
of diensten achteruitgaat, het aanbod schraler wordt of er minder innovaties zijn.
Het voorstel is mede ingegeven door recente problemen die ontstonden doordat huisartsen-,
dierenartsenpraktijken en kinderdagverblijven werden opgekocht door investeringsmaatschappijen.
In toelichting wordt onvoldoende gemotiveerd waarom deze aanvullende concentratietoets
noodzakelijk is voor alle sectoren van de economie. De toelichting noemt drie sectoren
waarin zich problemen zouden hebben voorgedaan. Voor slechts één van deze sectoren
– die van de huisartsenzorg – wordt informatie gegeven waaruit blijkt dat daar inderdaad
problemen aan de orde zijn waartegen het voorstel een remedie bevat. De toelichting
veronderstelt dat het voorstel nauwelijks extra lasten betekent voor de ACM en voor
de betrokken ondernemingen.
De Afdeling advisering van de Raad van State merkt op dat de toelichting op dit punt
onvoldoende overtuigend is, omdat:
– het voorstel een sterke uitbreiding betekent van het aantal ondernemingen dat onder
het concentratietoezicht valt,
– de interpretatie van de regels kan leiden tot rechtsonzekerheid, en
– er rekening mee moet worden gehouden dat ondernemers voorgenomen concentraties vaak
zullen gaan voorleggen aan de ACM.
Een concentratietoets zou wel een zinvolle reactie kunnen zijn op problemen in de
zorgsector, zoals die zich al hebben voorgedaan. Die sector kent echter al een concentratietoets
door de Nederlandse Zorgautoriteit. Bij die toets wordt er rekening mee gehouden dat
in de zorgsector samenwerking mogelijk moet zijn, zodat de zorg van goede kwaliteit
is en voor iedereen toegankelijk en beschikbaar is. In het wetsvoorstel ontbreekt
een toelichting op de vraag waarom de bestaande sectorspecifieke regels voor de zorgsector
geen adequate remedie voor de gesignaleerde problematiek vormen.
In verband met deze opmerkingen is aanpassing wenselijk van het wetsvoorstel en de
toelichting.
1. Inleiding
De Autoriteit Consument en Markt (ACM) houdt toezicht op grote fusies en andere concentraties1 van ondernemingen (toezicht-vooraf), en kan daarnaast optreden tegen misbruik van
reeds bestaande economische machtsposities (toezicht-achteraf). Het wetsvoorstel regelt
dat de ACM ook toezicht-vooraf kan uitoefenen bij kleinere concentraties. Dit nieuwe
toezicht moet voorkomen dat gezonde vormen van concurrentie worden beperkt en dat
prijzen stijgen, de kwaliteit van producten of diensten achteruitgaat, het aanbod
schraler wordt of er minder innovaties zijn. Het voorstel is mede ingegeven door recente
problemen die ontstonden doordat huisartsen- en dierenartsenpraktijken en kinderdagverblijven
werden opgekocht door investeringsmaatschappijen (private equity). De ACM is niet
bevoegd om daartegen vooraf op te treden.
Het huidige toezicht-vooraf is van toepassing op concentraties waarbij de gezamenlijke
omzet van de betrokken ondernemingen in het voorafgaande kalenderjaar meer bedroeg
dan € 150.000.000 en waarbij ten minste twee van de betrokken ondernemingen elk ten
minste € 30.000.000 omzet in Nederland hebben behaald.2 Zulke concentraties moeten vooraf worden gemeld bij de ACM.
De ACM kan een vergunningplicht opleggen als zij reden heeft om aan te nemen dat de
concentratie de daadwerkelijke mededinging op de Nederlandse markt of een deel daarvan
op significante wijze zou kunnen belemmeren, met name doordat een economische machtspositie
ontstaat of wordt versterkt. Vervolgens kan zij de vergunning weigeren of verlenen
onder beperkingen of voorschriften.3
De ACM kan ook optreden tegen misbruik van reeds bestaande economische machtsposities
(toezicht-achteraf). Deze bevoegdheid kon tot voor kort niet worden gebruikt om toezicht-achteraf
uit te oefenen op het tot stand brengen van economische machtsposities. Sinds 1 september
2025 is dat wél mogelijk.4
Het wetsvoorstel regelt dat de ACM ook toezicht vooraf kan gaan uitoefenen op kleinere
concentraties. De enige eis is dat de in Nederland behaalde omzet in het voorafgaande
kalenderjaar van ten minste één van de betrokken ondernemingen ten minste € 30.000.000
bedroeg.5 Er moet dus nog wel één grote onderneming betrokken zijn bij de concentratie, maar
het toezicht wordt ook van toepassing als er één grote onderneming is die kleinere
bedrijven opkoopt. Deze vorm van toezicht kent een lichtere procedurestart: de betrokken
onderneming hoeft alleen actie te ondernemen (informatie verschaffen aan de ACM) als
de ACM daarom verzoekt («inroepbevoegdheid»).6 Het vervolg van deze nieuwe procedure is hetzelfde als bij de bestaande concentratietoets.
Deze uitbreiding van het instrumentarium van de ACM is volgens de toelichting nodig
in drie situaties:
– bij een serie van opeenvolgende kleine overnames («kralenrijgen»). Het gaat dan vaak
om concentraties die ieder op zich beneden de huidige wettelijke omzetdrempels blijven
en daardoor niet kunnen worden getoetst, maar die in samenhang leiden tot problemen;
– bij overnames in kleine lokale of niche-markten, die onder de omzetdrempels blijven,
maar toch tot negatieve gevolgen voor consumenten kunnen leiden. Dit doet zich met
name voor in de zorg, waar de markt vaak lokaal of regionaal is georganiseerd;
– bij «killer acquisitions», waarbij grote ondernemingen kleine innovatieve spelers
opkopen en de innovatie afremmen.
In deze situaties is toezicht achteraf volgens de toelichting een erg zwaar middel,
vooral in gevallen waarin de remedie is gelegen in de ontbinding van de transactie,
met als gevolg dat de ondernemingen bloot komen te staan aan private schadevergoedingsprocedures.
Volgens de toelichting hebben problemen in de vorm van het «kralenrijgen» zich de
laatste jaren vooral voorgedaan bij de huisartsenzorg: overnames hebben ertoe geleid
dat de bereikbaarheid en beschikbaarheid van de zorg in het gedrang kwam en de huisartsenpraktijken
in financiële problemen kwamen.7 Verder werden er dierenartsenpraktijken opgekocht door private equity-bedrijven,
hetgeen gepaard ging met stijging van tarieven en slechtere bereikbaarheid. En in
de markt van kinderdagverblijven nam de concentratiegraad toe door overnames, met
name door private equity-bedrijven.
Nieuwe overheidsbevoegdheden kunnen alleen worden toegekend wanneer de noodzaak daarvan
voldoende is aangetoond.8 Gemotiveerd zal moeten worden dat er een probleem is en, zo ja, wat de omvang van
het probleem is. De voorgestelde oplossing zal bij de omvang van het probleem moeten
aansluiten. Bovendien is inzicht nodig in de omvang van de uitvoeringslasten en in
alternatieve oplossingen voor het probleem.
De Afdeling toetst het voorstel aan deze uitgangspunten. Daarbij wordt eerst aandacht
besteed aan de voorgestelde bevoegdheid over de volle breedte van het werkterrein
van de ACM (punt 2). Daarna gaat de Afdeling in op drie van de sectoren waarin volgens
de toelichting problemen spelen (punt 3). Ten slotte wordt de situatie in de zorg
besproken, omdat de toelichting vooral aandacht besteedt aan de situatie in de huisartsenzorg
(punt 4).
2. Noodzaak van nieuwe bevoegdheid voor alle ondernemingen
a. Het probleem
De voorgestelde uitbreiding van het concentratietoezicht gaat over de volle breedte
van onze economie: het betreft alle ondernemingen waarop de ACM toezicht uitoefent.
De toelichting noemt echter drie sectoren waarin zich problemen met concentraties
hebben voorgedaan: huisartsenzorg, dierenartspraktijken en kinderopvang. Voor het
overgrote deel van de bedrijvigheid wordt niet gemotiveerd dat er een probleem is;
evenmin dat de problemen in die drie sectoren representatief zijn voor andere sectoren.
De voorgestelde oplossing lijkt dus een veel grotere reikwijdte te hebben dan het
gesignaleerde probleem. Daarvoor bestaat geen noodzaak. Er bestaan al verschillende
alternatieve instrumenten, die kunnen worden toegespitst op bepaalde sectoren (zie
punten 3a en 4c van dit advies).
Voor de motivering van het voorstel verwijst de toelichting onder meer naar buitenlandse
ontwikkelingen. In een aantal Europese en niet-Europese landen is er namelijk toezicht
op kleinere concentraties gekomen, vaak in de vorm van een inroepbevoegdheid.9 Die voorbeelden zijn relevant, omdat eruit blijkt dat meer landen het toezicht op
kleinere concentratie willen of wilden uitbreiden. De relevantie is echter ook beperkt,
omdat de situatie in andere landen niet altijd goed vergelijkbaar is met die in Nederland:
een dichtbevolkt land met vaak andere (bijvoorbeeld semipublieke) marktstructuren.
De toelichting gaat bovendien niet in op de ervaringen die zijn opgedaan in landen
die dit toezicht al langer kennen.
Volgens de toelichting hebben een aantal lidstaten van de Europese Unie toezicht op
kleinere concentraties gevestigd, omdat dat een voorwaarde is om zulke concentraties
te kunnen doorverwijzen naar de Europese Commissie.10 Door nu ook in Nederland het toezicht uit te breiden krijgt de ACM de mogelijkheid
om kleine concentraties te verwijzen naar de Commissie, zo lijkt de initiatiefnemer
te redeneren. De Afdeling begrijpt dit, maar merkt op dat verwijzing naar de Commissie
alleen mogelijk is bij concentraties die de handel tussen de lidstaten beïnvloeden.11 Bij kleinere concentraties, vooral als er sprake is van «kralenrijgen», bijvoorbeeld
op lokale of regionale markten, zal dat niet vaak aan de orde zijn.
b. Uitvoeringslasten
Volgens de toelichting zal het voorstel slechts geringe administratieve lasten betekenen
voor een beperkt aantal grote ondernemingen die een concentratie overwegen. De mededingingsregels
waaraan concentraties worden getoetst worden niet veranderd, de verwachting van de
ACM is dat zij slechts een gering aantal concentraties op basis van het voorliggend
wetsvoorstel jaarlijks gaat toetsen. De ACM zal via een leidraad vooraf duidelijk
maken welke uitgangspunten zij hanteert bij het mogelijk inroepen van concentraties,
en ondernemingen kunnen met een simpel (online) formulier snel uitsluitsel krijgen
over een voorgenomen fusie of overname, aldus de toelichting.12
De Afdeling heeft hierbij enkele kanttekeningen.
– Het aantal ondernemingen, en daarmee ook het aantal concentraties, dat onder het toezicht
komt zal vermoedelijk vele malen groter zijn dan het aantal dat daar nu onder valt,
eenvoudigweg omdat er veel meer kleine dan grote ondernemingen zijn in Nederland.13 En als het gaat om «kralenrijgen», zal de ACM bij elke kraal telkens opnieuw een
eerste beoordeling moeten doen. De ACM zal dus bij een veel groter aantal concentraties
een eerste verkenning moeten uitvoeren.
– De Afdeling houdt er rekening mee dat de nieuwe concentratietoets ook inhoudelijk
meer van de ACM zal vragen. Bij de huidige toets ontvangt de ACM een melding met de
nodige informatie bij elke voorgenomen concentratie; bij de nieuwe toets zal de ACM
zelf moeten bepalen of zij informatie over een voorgenomen concentratie gaat opvragen.
Om dat op een verstandige manier te kunnen doen zal zij de ontwikkelingen in alle
of bepaalde kwetsbare sectoren moeten monitoren om te weten of zich een onwenselijke
ontwikkeling voordoet. Het risico is dat de gevallen die aandacht behoeven onvoldoende
worden opgemerkt. De ACM zelf verwachtte dat de toezichtskosten per saldo nauwelijks
zouden veranderen, maar dat was mede op basis van haar voorstel om de omzetdrempels
voor het bestaande concentratietoezicht te verhogen,14 dat niet door de initiatiefnemer is overgenomen.
– De ACM zal – vooral bij overnames door private equity-bedrijven – een inschatting
moeten maken of de concentratie bedoeld is om bedrijven door schaalvoordelen of synergie
sterker te maken, of juist om zo veel mogelijk waarde aan de bedrijven te onttrekken
met negatieve effecten voor de afnemers, zoals prijsstijgingen of kwaliteitsverlies.
Bij bedrijven die werken aan innovatie gaat het erom of de overnemende partij de innovatie
wil stoppen of juist wil stimuleren met extra kapitaal. Voor de ACM is het complex
om dat te beoordelen; de aangekondigde leidraad kan daar maar beperkt inzicht in geven.
En het hulpmiddel van een eenvoudig formulier, dat in de toelichting wordt genoemd,
is niet behulpzaam als de onderliggende vragen niet eenvoudig zijn.
– Het is niet goed vooraf te voorspellen hoe ondernemingen zullen reageren op de nieuwe
bevoegdheid. Denkbaar is dat ondernemingen niets anders zullen doen dan op een logisch
moment een voorgenomen concentratie openbaar maken. In dat geval zullen voor hen de
uitvoeringslasten te verwaarlozen zijn, behalve in de kleine aantallen gevallen waarin
de ACM nadere informatie opvraagt. VNO-NCW en MKB Nederland verwachten echter dat
het aantal (informele) meldingen enorm zal stijgen, omdat ondernemingen zo vroeg mogelijk
zekerheid willen hebben.15 Mocht die ontwikkeling zich inderdaad gaan doen, dan zal de werklast voor ondernemingen
en de ACM groter worden dan zij nu voorziet.
c. Alternatieven
De ACM beschikt sinds 1 september 2025 over de bevoegdheid om achteraf op te treden
tegen misbruik van machtspositie, indien dit misbruik is gelegen in het tot stand
brengen van deze machtspositie, ook wanneer deze bijvoorbeeld bestaat in de vorm van
«kralenrijgen». De toelichting merkt op dat dergelijk toezicht-achteraf een erg zwaar
middel is, omdat de ACM dan alleen nog kan bepalen dat de transactie wordt ontbonden.16 Die opmerking is echter te eenzijdig. Bij misbruik van een economische machtspositie
kan de ACM ook een bestuurlijke boete of een last onder dwangsom opleggen, die erop
gericht is dat het misbruik wordt beëindigd (zodat bijvoorbeeld levering aan een bepaalde
klant niet meer wordt geweigerd). Dat betekent dat de machtspositie op zichzelf niet
hoeft te worden afgebroken, als maar verzekerd is dat daarvan geen misbruik meer wordt
gemaakt.17
d. Conclusie
Alles afwegend merkt de Afdeling op dat de motivering van de voorgestelde inroepbevoegdheid
niet overtuigend is. De toelichting verwijst naar enkele sectoren waarin zich concrete
problemen hebben voorgedaan, maar de bevoegdheid is aanzienlijk ruimer dan die sectoren.
De reikwijdte van de nieuw voorgestelde bevoegdheid is daarmee onevenredig breed in
verhouding tot het gestelde probleem dat ermee moet worden opgelost, ook al omdat
de ACM sinds 1 september 2025 toezicht achteraf kan uitoefenen. Er is bovendien twijfel
mogelijk bij de stelling dat de nieuwe bevoegdheid niet of nauwelijks extra lasten
oplevert voor de ACM en voor ondernemingen.
De Afdeling adviseert de noodzaak van een inroepbevoegdheid voor alle sectoren overtuigend
te motiveren. Indien die motivering niet kan worden gegeven, adviseert zij het wetsvoorstel
aan te passen.
De initiatiefnemer leest de kanttekeningen die de Afdeling heeft bij de noodzaak om
een nieuwe inroepbevoegdheid in te voeren. Hij gaat wil graag nader toelichten waarom
de nieuwe bevoegdheid nodig is om te voorkomen dat gezonde vormen van concurrentie
worden beperkt, dat prijzen gaan stijgen, de kwaliteit van producten of diensten achteruitgaat,
het aanbod schraler wordt of er minder innovaties zijn. De initiatiefnemer heeft ter
voorbereiding hiervoor gebruik gemaakt van de door hem gevraagde reactie van de Autoriteit
Consument en Markt (ACM) over het voorliggend advies van de Afdeling. Deze reactie
wordt als bijlage toegevoegd.
De initiatiefnemer wil eerst graag ingaan op het feit dat er wel degelijk een probleem
met de mededinging is of kan ontstaan dat door de bestaande mededingingswetgeving
onvoldoende aangepakt kan worden en waarvoor de door hem voorgestelde aanvullende
onderzoeksmogelijkheid voor de ACM nodig is.
Behalve in Nederland is er een wereldwijde ontwikkeling zichtbaar waaruit blijkt dat
ook concentraties die onder de omzetdrempels van de nationale mededingingsregels blijven,
tot gevolg kunnen hebben dat de mededinging wordt aangetast. Daarnaast is er echter
ook sprake van ongewenst overnamegedrag en «killer acquisitions» die grote mededingingsuitdagingen
opleveren waarbij dominante spelers innovatieve concurrenten vroegtijdig uitschakelen,
de marktwerking bedreigen. En waarbij de bestaande instrumenten om dergelijk gedrag
tegen te gaan tekort schieten.18 Ook de OESO wijst erop dat opeenvolgende kleine overnames de afgelopen jaren in kracht
zijn toegenomen, met name door private equity-firma’s, en dat dat omdat ze aan het
huidig toezicht ontsnappen de bezorgdheid over het potentiële risico op concurrentievervalsing
heeft aangewakkerd19.
De internationale ontwikkelingen ten aanzien van het bovengenoemde ongewenste overnamegedrag
gaan niet aan Nederland voorbij. Voor Nederland constateert de ACM dat het aantal
concentratiemeldingen waarbij een investeringsmaatschappij is betrokken, in de afgelopen
jaren verdubbeld is. Deze maatschappijen lijken zich steeds vaker te richten op overnames
waarbij bewust gefragmenteerde industrieën door seriële overnames in een bepaalde
sector geconsolideerd worden. Als dat overnames betreffen beneden de wettelijke omzetdrempels
waarbij de toezichthouder kan ingrijpen, dan betekent dat door deze lacune in het
toezichtinstrumentarium niet tegen potentieel concurrentiebeperkende concentraties
kan worden opgetreden. In andere landen van de Europese Unie heeft de wetgever al
ingezien dat deze lacune in de nationale wetgeving door een inroepbevoegdheid moet
worden opgevuld. Dat betreft Denemarken, Hongarije, Ierland, Italië, Letland, Litouwen,
Slovenië, Zweden, IJsland en Noorwegen. Daarnaast overwegen verschillende landen een
inroepbevoegdheid te introduceren, zoals België, Frankrijk, Griekenland, Polen, Portugal,
Tsjechië, Estland, Finland, Luxemburg, Malta en Slowakije.
De Afdeling heeft enkele kanttekeningen bij de stelling in het voorstel dat er sprake
zal zijn van slechts geringe administratieve lasten voor een beperkt aantal grote
ondernemingen die een concentratie overwegen. De initiatiefnemer begrijpt dat de nieuwe
toetsingsmogelijkheid met zich mee kan brengen dat er meer concentraties dan nu het
geval is, in aanmerking komen voor toetsing. Dat zal echter slechts bij een klein
aantal concentraties het geval zijn. Zoals de Eurocommissaris voor Mededinging er
al op wees is er slechts bij een minderheid van concentraties waarbij een grote partij
een kleinere partij met een lage omzet overnam sprake van ongewenste concurrentiebeperking20. De initiatiefnemer verwacht dat ook in het geval de inroepbevoegdheid in de wet
is opgenomen het aantal toetsingen beperkt zal blijven. Het bestaan van de toetsingsbevoegdheid
zal ondernemingen die inschatten dan een voorgenomen concentratie een significante
beperking van de mededinging gaat opleveren en derhalve niet de goedkeuring van de
ACM zal krijgen al doen afzien van die concentratie.
Dat neemt niet weg dat er een aantal concentraties «ingeroepen» zal gaan worden. Het
wetsvoorstel beoogt echter niet alle geringe concentraties onder de wettelijke omzetdrempels
te laten toetsen, maar alleen de concentraties waarbij tenminste een van de al in
de Mededingingswet opgenomen omzetdrempels overschreden wordt. Daarmee wordt ten opzichte
van het wetsvoorstel zoals dat eerder in consultatie is gebracht het aantal potentiële
extra concentratietoetsingen al sterk gereduceerd. De voorgestelde omzetdrempel brengt
met zich mee dat enkel in het geval er tenminste een grote onderneming met een jaarlijks
omzet van tenminste 30 mln. euro betrokken is, een concentratie door de ACM ingeroepen
kan gaan worden. Dergelijke relatief grote ondernemingen moeten in staat worden geacht
te kunnen inschatten of de voorgenomen concentratie eventueel in aanmerking kan komen
voor het inroepen door de ACM. Daarbij zullen zij geholpen worden door de guidance
die de ACM over de bevoegdheid zal geven. Voorts kunnen ondernemingen zelf een voorgenomen
concentratie bij de ACM informeel laten toetsen. Daardoor is de verwachting gerechtvaardigd
dat de belasting voor het bedrijfsleven bescheiden zal blijven.
De ACM zelf gaat ervan uit dat er 500 uur per jaar aan capaciteit nodig zal zijn voor
het behandelen van informele meldingen van een voorgenomen concentratie en het behandelen
van 5 á 10 zaken per jaar waarvoor naar schatting de inroepbevoegdheid aan de orde
zal komen. De initiatiefnemer is van mening dat de genoemde 500 uur door middel van
een verhoging van het budget van de ACM opgevangen kan gaan worden.
De Afdeling vraagt de initiatiefnemer om nader in te gaan op alternatieven voor de
inroepbevoegdheid. Daarbij wordt verwezen naar de bevoegdheid om achteraf op te treden
tegen misbruik van machtspositie. Met de ACM is de initiatiefnemer van mening dat
handhaving nadat de concentratie al tot stand is gebracht minder effectief en ingrijpender
is dan de inroepbevoegdheid om verstoring van de vooraf mededinging tegen te gaan.
Bij handhaving achteraf is immers de gewraakte mededing beperking al ontstaan en vergt
het terugdraaien daarvan meer inspanningen en zullen de gevolgen van dat terugdraaien
ook groter zijn dan in het geval van het concentratietoezicht vooraf. Het ontvlechten
van een reeds tot stand gekomen concentratie, zo dat al mogelijk is, vraagt veel meer
van de betrokken ondernemingen dan het geval is bij toetsing vooraf. De ACM wijst
er in dit verband op dat ontvlechting meer tijd en diepgang van het benodigde onderzoek
vraagt, het aantonen van misbruik van machtspositie een hogere bewijsstandaard vereist,
de gevolgen van ontvlechting voor de betrokken ondernemingen zwaarder zullen zijn
en de rechtszekerheid voor betrokken ondernemingen, die soms pas na jaren zekerheid
kunnen krijgen, meer in het geding komt dan bij toezicht vooraf. Te meer daar bij
het vooraf toetsen ook nog de mogelijkheid bestaat om een informele zienswijze aan
de ACM te vragen of om vrijwillig een melding van een voorgenomen concentratie te
doen. Dit alles overziende brengt de initiatiefnemer tot de conclusie dat het achteraf
toetsen op grond van vermeend misbruik van machtpositie geen zinvol alternatief is
voor de inroepbevoegdheid.
3. Nieuwe bevoegdheden voor alle sectoren; problematiek in drie sectoren
a. Het probleem
Zoals eerder benoemd, vermeldt de toelichting de problematiek in drie sectoren als
aanleiding voor het voorstel. Er wordt niet nader toegelicht of het aannemelijk is
dat soortgelijke problemen zich voordoen in andere sectoren.
De Mededingingswet biedt de mogelijkheid om tijdelijk, voor bepaalde sectoren, lagere
omzetdrempels vast te stellen, zodat het toezicht in die sectoren wordt uitgebreid
tot kleinere concentraties.21 Bij het invoeren van deze bevoegdheid heeft de wetgever uitsluitend gedacht aan een
sector in transitie,22 al is die beperking niet in de wettekst zelf terug te vinden. De huisartsenzorg is
bij uitstek een sector die op dit moment in transitie is. Vanwege het structurele
tekort aan huisartsen zoekt de sector naar allerlei vormen van samenwerking, maar
die situatie geeft ook ruimte voor financiers met minder goede bedoelingen, zoals
beschreven in de toelichting.23
Volgens de toelichting is overwogen om zulke lagere drempels in te voeren alleen voor
die sectoren waarvan al eerder duidelijk is geworden dat de marktverhoudingen verstoord
zijn geraakt. Dat heeft – zo stelt de toelichting – als nadeel dat de ACM dan pas
kan ingrijpen als het feitelijk al te laat is. Het terugdraaien van reeds (lang geleden)
afgeronde concentraties kan vrijwel niet. Wat het toezicht dan slechts rest is alleen
nog om ervoor te zorgen dat nieuwe concentraties in de betreffende sector beperkt
worden.24
De Afdeling merkt echter op dat, als het gaat om «kralenrijgen», tussentijds ingrijpen
juist goed mogelijk is: wanneer het patroon zichtbaar is, is de schade door de eerste
concentraties (de eerste kralen) nog beperkt. Als bijvoorbeeld de bereikbaarheid van
de huisartsenzorg in een regio na een eerste overname begint terug te lopen, kan de
ACM extra alert zijn bij plannen om een volgende praktijk in dezelfde regio op te
kopen. In andere sectoren is de ACM al tegen «kralenrijgen» opgetreden.25
Het valt bovendien op dat de toelichting bij twee van de drie genoemde sectoren slechts
summier ingaat op de problemen.26
– Volgens de toelichting zijn er in de sector van dierenartsen grote overnametransacties
door een aantal dierenzorgketens, een versterking van de greep van private equity-bedrijven
en tegelijkertijd een stijging van de tarieven en slechtere bereikbaarheid. Doordat
het toezicht ontbreekt is niet met zekerheid te zeggen of dit verband houdt met de
concentraties en of dit tot problemen leidt in de markt waar een marktmeester aan
te pas zou moeten komen. Verwezen wordt naar een uitzending van het televisieprogramma
Pointer. De toelichting maakt geen melding van een onderzoek, uitgevoerd door Ecorys
in opdracht van de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
naar de prijsontwikkelingen in de diergeneeskundige zorg voor gezelschapsdieren.27 In dat onderzoek komt geen eenduidig verband naar voren tussen ketenvorming en prijsstijgingen.
De toelichting vermeldt evenmin dat de ACM momenteel onderzoek doet of de markt voor
huisdierenzorg in Nederland goed werkt en waar mogelijke knelpunten zitten.28
– In de markt van kinderdagverblijven neemt door overnames, met name van private equity
bedrijven, de concentratiegraad toe. Ook dat wil – volgens de toelichting – niet bij
voorbaat betekenen dat de kwaliteit of omvang van het aanbod slechter wordt, maar
preventief toezicht is ook hier vanwege de relatief kleine omvang van de overnames
niet mogelijk. Verwezen wordt naar een rapport van SEO Economisch Onderzoek.29 Uit dat onderzoek blijken echter geen opvallende kwaliteitsverschillen tussen kinderopvang
die met private equity wordt gefinancierd en kinderopvang van non-profitorganisaties.30
b. Conclusie
In de toelichting wordt vooralsnog onvoldoende aangetoond dat er in deze twee sectoren
problemen door concentraties zijn. Dat betekent dat – voor deze sectoren – de noodzaak
om een nieuwe bevoegdheid toe te kennen onvoldoende aannemelijk is gemaakt.
De Afdeling adviseert de introductie van een inroepbevoegdheid voor deze sectoren
nader te motiveren.
De Afdeling vraagt de initiatiefnemer nader aan te tonen dat in de genoemde sectoren
een inroepbevoegdheid nodig is om concentratieproblemen tegen te gaan. De initiatiefnemer
zou er op willen wijzen dat de door hem genoemde sectoren van huisartszorg, dierenartsen
en kinderdagverblijven bedoeld zijn als voorbeelden van sectoren waarin door concentraties
problemen ten aanzien van de mededinging kunnen of zijn ontstaan. Over de medische
zorg voor huisdieren heeft de ACM onlangs een (concept)marktonderzoek gepubliceerd.
Daaruit blijkt onder andere dat de dierenartsenzorg zodanig geconcentreerd is geraakt
dat in sommige regio’s mededingingsproblemen zijn ontstaan. Echter bij gebrek aan
een inroepbevoegdheid kan de ACM daartegen niet optreden.31
Daarnaast ontvangt de ACM zorgelijke signalen over «kralenrijgen» in andere sectoren
waaronder gezondheidsklinieken, autodealers, palletfabrieken, glasvezelnetwerken,
accountantskantoren en auto/onderdelen distributie.
Dergelijke signalen over mededinging verstorende concentraties in specifieke sectoren
vormen voor de initiatiefnemer de aanleiding voor zijn voorstel voor een inroepbevoegdheid.
De problematiek in alleen die specifieke sectoren zou op zich al genoeg reden zijn
voor zijn voorstel. Zijn voorstel gaat echter verder dan dat. Het belang van de inroepbevoegdheid
is om nu en in de toekomst mededingingsproblemen te voorkomen. Het is daarbij op voorhand
niet eenvoudig om te voorspellen over welke sectoren dat kan gaan. De ACM wijst er
dan ook op dat in markten waar de (technologische en/of economische) dynamiek hoog
is, vooraf gedefinieerde sectoren snel achterhaald kunnen zijn.
Een sectorspecifieke inroepbevoegdheid kan bovendien pas gaan werken nadat aangetoond
is dat in die specifieke sector er sprake is van mededingingsproblematiek. Dat heeft
tot gevolg dat als er eerst aangetoond zou moeten worden dat er sprake is van die
sectorspecifieke problematiek de inroepbevoegdheid pas daarna achteraf zou kunnen
worden gehanteerd. Dat acht de initiatiefnemer te laat en dat ondergraaft de preventieve
werking die de inroepbevoegdheid zou moeten hebben. De initiatiefnemer is dan ook
van mening dat er een generieke inroepbevoegdheid moet komen.
4. Noodzaak van nieuwe bevoegdheden in de (huisartsen)zorg
De derde sector die aanleiding vormt voor het voorstel is de huisartsenzorg. De toelichting
verwijst in dat verband naar de activiteiten van Co-Med bij het opkopen van huisartsenpraktijken.
Over deze overgenomen praktijken kwamen veel klachten over de bereikbaarheid en de
beschikbaarheid van de zorg. Het kwam zelfs tot een aanwijzing van de Inspectie Gezondheidszorg
en Jeugd (IGJ). Bovendien raakte de keten in financieel zwaar weer en moest het de
zorgverlening stoppen. Omdat de overnames ieder op zich beneden de drempels bleven,
kon de marktmeester, de ACM, überhaupt niet aan een concentratietoets toekomen, aldus
de toelichting.32
a. Het probleem
De toelichting besteedt aandacht aan concrete incidenten in de huisartsenbranche.
Dat geeft enige onderbouwing voor de stelling dat er serieuze problemen zijn in de
huisartsenzorg (maar nog niet dat die problemen zich ook voordoen in andere onderdelen
van de zorgsector).
b. Uitvoeringslasten
Een concentratietoets kan helpen om de gesignaleerde problemen te voorkomen. Daar
staat tegenover dat niet alle concentraties schadelijk zijn: concentraties in de zorgsector
kunnen behulpzaam zijn om de zorg beter, goedkoper en toegankelijker te maken. In
een rapport van de IGJ en de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) (maart 2024) over de
opkomst van bedrijfsketens in de huisartsenzorg, worden beide kanten belicht.
Geconcludeerd wordt dat de kwaliteit en toegankelijkheid van de huisartsenzorg bij
een deel van de bedrijfsketens niet altijd voldoende geborgd is, maar ook dat er grote
behoefte is aan bedrijfsketens die de huisarts kunnen ontzorgen en bedrijfsprocessen
efficiënter kunnen inrichten, omdat de druk op de hele zorg de komende jaren hoog
zal blijven en de arbeidsmarkt krap is.33
De Eerstelijnscoalitie stelt in haar consultatiereactie dat een concentratietoets
door de ACM concentratie van kleinere praktijken onevenredig kan belemmeren. In een
markt waar het aanbod van praktijkhoudende huisartsen en andere zorgaanbieders toch
al schaars is, kan door de ACM-toets de schaarste van huisartsenpraktijken toenemen,
zo meent de Eerstelijnscoalitie.34
Het is niet op voorhand te zeggen of deze inschatting juist is. De Afdeling merkt
echter op dat de toelichting op beide kanten van de concentratietoets zou moeten ingaan.
c. Alternatieven
Op grond van de Wet marktordening gezondheidszorg houdt de NZa toezicht op de concurrentieverhoudingen
en het marktgedrag op het gebied van de zorg en houdt zij voorts toezicht op de aanmerkelijke
marktmacht van zorgaanbieders.35 Daarnaast behoeft een concentratie van zorgaanbieders de goedkeuring van de NZa alvorens
de goedkeuring bij de ACM kan worden aangevraagd.36 De NZa kan aan de goedkeuring voorwaarden, voorschriften of beperkingen verbinden.
Zij onthoudt goedkeuring:37
– als cliënten, personeel en andere betrokkenen niet op een zorgvuldige wijze zijn betrokken
bij de voorbereiding van de concentratie, of als hun oordeel en aanbevelingen niet
goed zijn meegewogen,
– als de continuïteit van cruciale zorg in gevaar komt, of
– als de IGJ een onderzoek doet naar de kwaliteit van zorg omdat die zorg in ernstige
mate afbreuk doet aan het verlenen van goede zorg. Deze rol van de IGJ is wettelijk
verankerd bij amendement en geldt met ingang van 1 januari 2025.38
In voorbereiding is een voorstel waarin de zorgspecifieke fusietoets wordt aangescherpt:39
– de toets geldt nu alleen voor cruciale zorg (zoals huisartsenzorg), maar wordt uitgebreid
tot alle zorg,
– bij de fusietoets kan de NZa ook rekening houden met het risico dat de zorg na de
fusie onrechtmatig wordt verleend,
– de goedkeuring van een fusie kan achteraf worden ingetrokken als de aangeleverde informatie
achteraf onjuist blijkt te zijn.
De zorgspecifieke toets is volgens de toelichting geen alternatief, omdat deze toets
slechts geldt voor zorgverleners met meer dan 50 werknemers: veel seriële overnames
van kleinere aanbieders zullen daarbuiten vallen.40 De toelichting gaat echter niet in op de vraag hoe die benedengrens zich verhoudt
tot de omzetdrempels in de Mededingingswet en in het wetsvoorstel,41 en of het wenselijk zou kunnen zijn die benedengrens te verlagen.
Het voorgaande roept de vraag op of de NZa-toets – al dan niet na het doorvoeren van
de voorgenomen aanpassingen – wellicht meer geschikt is om de problemen in de huisartsenzorg
het hoofd te bieden. Die toets is meer concreet toegespitst op de situatie in de zorg
en de NZa zal die situatie ook beter kennen dan de ACM, zodat de vraag is of een ACM-toets
nog aanvullende betekenis zal hebben.
Naast deze zorgspecifieke fusietoets is op dit punt het voorstel van wet integere
bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders relevant, dat in januari 2025 bij de
Tweede Kamer is ingediend. Het voorstel geldt voor de gezondheidszorg en de jeugdhulp;
het voorziet in een verplichting om normale, marktconforme voorwaarden te hanteren
en een verbod om onverantwoorde risico’s te nemen bij het aantrekken of terugbetalen
van eigen of vreemd vermogen. Het beperkt het doen van winstuitkeringen.42 Met deze maatregelen wil het kabinet niet-integere aanbieders in de zorg en jeugdhulp
aanpakken en zoveel mogelijk weren. Deze nieuwe normen zullen onder het handhavingsregime
van de NZa komen. Dit voorstel komt in de toelichting niet ter sprake.
d. Conclusie
De Afdeling adviseert in de toelichting in te gaan op de bijzondere kenmerken van
de zorgsector en om aandacht te besteden aan bestaande en voorgenomen bevoegdheden
om concentraties in de zorg te toetsen. Zij adviseert de noodzaak van introductie
van een inroepbevoegdheid voor de ACM nader te motiveren.
De initiatiefnemer heeft hierboven al uiteengezet waarom hij sectorspecifieke oplossingen
om mededingingsproblemen het hoofd te bieden niet wenselijk acht en een generieke
inroepbevoegdheid de voorkeur geniet. De daar genoemde bezwaren tegen sectorspecifieke
regelgeving gelden evenzeer als het om de zorgsector gaat. Dat de concurrentie in
die sector kenmerken heeft die afwijken van andere sectoren rechtvaardigt niet dat
er sectorspecifieke regelgeving ten aanzien van de mededinging de voorkeur zou genieten.
Overigens is ook vanuit de toezichthouders uit de zorgsector, te weten het Zorginstituut
Nederland (het Zorginstituut) en de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) gevraagd om de
hier voorgestelde inroepbevoegdheid voor de ACM in te voeren. Zij adviseren samen
met de ACM om de Minister van VWS om zich bij de Minister van Economische Zaken in
te zetten op het mogelijk maken van de inroepbevoegdheid.43
5. Verduidelijking van de toetsingscriteria
In de toelichting wordt onderkend dat ondernemingen die een fusie of overname overwegen
moeten kunnen beoordelen of die concentratie onderworpen zal worden aan de toets en
of die zal worden toegestaan. Onzekerheid daarover kan een fusie of overname onnodig
belemmeren en kan leiden tot hoge advieskosten. Eén van de methoden om d rechtsonzekerheid
te verminderen is de leidraad die de ACM al heeft aangekondigd. Daarin zal de ACM
vooraf duidelijk maken waar zij op let bij het mogelijk inroepen van concentraties,
zo stelt de toelichting.44
Zoals hiervoor, in punt 2b, opgemerkt, is de afweging die de ACM bij de nieuwe concentratietoets
moet maken gecompliceerder dan bij de toets die nu al bestaat. Bij de huidige toets
ontvangt de ACM een melding met de nodige informatie bij elke voorgenomen concentratie;
bij de nieuwe toets zal de ACM zelf moeten bepalen of er aanleiding is om informatie
over een voorgenomen concentratie op te vragen. Dit zal zij moeten doen op basis van
een beoordeling vooraf of de voorgenomen concentratie zal leiden tot betere samenwerking
en betere dienstverlening, of juist schadelijk zal zijn voor de branche en de afnemers.
De concentratietoets is een instrument dat de vrijheid van ondernemingen vergaand
beperkt. Een eventueel concentratieverbod kan ook met bestuurlijke bevoegdheden worden
gehandhaafd. Uit oogpunt van rechtszekerheid is het van belang dat de criteria die
in die eerste gecompliceerde beoordelingsfase worden gehanteerd zo duidelijk en concreet
mogelijk zijn en bij voorkeur in de wet worden opgenomen. De voorgestelde leidraad
(een beleidsregel) is niet zonder meer bindend en biedt in dat opzicht minder zekerheid.45
Meer zekerheid kan worden geboden door bij wet of bij algemene maatregel van bestuur
criteria te regelen.46 De criteria zouden kunnen worden vastgelegd bij of krachtens de Mededingingswet,
maar eventueel ook bij of krachtens bijzondere wetten, zodat rekening kan worden gehouden
met de kenmerken van een bepaalde sector. De NZa-toets in de zorgsector is daarvan
een voorbeeld.
De Afdeling adviseert de toetsingscriteria zo veel mogelijk wettelijk te regelen.
De Afdeling merkt op dat met de invoering van een inroepbevoegdheid de rechtsonzekerheid
voor ondernemingen zal toenemen. Hierboven is al opgemerkt dat ondernemingen vanwege
de omzetdrempel die ook voor de inroepbevoegdheid zal gaan gelden relatief grote ondernemingen
zullen zijn die zelf moeten kunnen inschatten in hoeverre een voorgenomen concentratie
toelaatbaar is. In het geval van twijfel kunnen zij de ACM om een informele zienswijze
vragen. De genoemde omzetdrempel voor de inroepbevoegdheid is bovendien gelijk aan
een drempel voor melding die nu al in de Mededingingswet is opgenomen. Deze omzetdrempel
heeft zich bewezen een in de praktijk goed hanteerbare maatstaf te zijn.
Daarnaast wordt in het initiatiefwetsvoorstel aangesloten bij de reeds lang bekende
grond waarmee de ACM voorgenomen concentraties toetst. Namelijk het toetsen op grond
van het criterium of een concentratie de
mededinging «op significante wijze zou kunnen belemmeren». Dit criterium is inmiddels
in de praktijk goed bruikbaar gebleken en door jurisprudentie duidelijk ingekaderd.
De initiatiefnemer heeft geen reden om te veronderstellen dat dat in het geval van
de inroepbevoegdheid anders zal zijn.
Zoals de ACM in de reactie op het advies van de Afdeling al memoreerde is de bewijsstandaard
voor de inroepfase bij het gebruik van de inroepbevoegdheid lager dan die voor de
meldingsfase. In de inroepfase moet de ACM «aanleiding» hebben om aan te nemen dat
de mededinging op een significante wijze zou kunnen worden belemmerd, in de meldingsfase
moet de ACM daar «reden» voor hebben en in de vergunningsfase moet dit «aannemelijk»
zijn. Dit biedt de mogelijkheid om ondernemingen zo snel als mogelijk duidelijkheid
over een voorgenomen concentratie te geven en daarmee de rechtsonzekerheid te beperken.
Tevens zal de ACM om de rechtszekerheid verder te bevorderen in een leidraad verduidelijken
welke factoren van invloed kunnen zijn op het inroepen van concentraties. Dat zullen
factoren zijn die reeds in de praktijk van de ACM en de Europese Commissie worden
gebruikt om concentraties te toetsen, waaronder, marktaandelen van de overnemende
partij, de concentratie van de markt, eerdere overnames of signalen van consumenten,
ondernemingen of andere belanghebbenden. Daarboven op gaat de ACM ook de mogelijkheid
bieden om via een eenvoudig (online) formulier vrijwillig een voorgenomen concentratie
aan de ACM voor te leggen. Op deze informele manier kunnen ondernemingen die daar
behoefte aan hebben tijdig duidelijkheid verkrijgen of de kans bestaat dat een concentratie
zal worden ingeroepen.
De enige onzekerheid die met de introductie van de inroepbevoegdheid wordt toegevoegd
is dat gedurende een beperkte periode een concentratie kan worden ingeroepen. Deze
onzekerheid is echter beperkt door de genoemde procedures met daarnaast de mogelijkheid
van een informele zienswijze en de guidance die de ACM gaat geven. Bovendien wordt
de mogelijkheid om concentraties in te roepen in tijd beperkt namelijk tot zeven maanden
na de totstandbrenging van een concentratie. De initiatiefnemer meent dat deze beperkte
extra onzekerheid de voorkeur geniet boven de grotere onzekerheid van de door de Afdeling
genoemde bestaande mogelijkheid om achteraf na afronding van een concentratie te moeten
ingrijpen.
6. Inpassing van de nieuwe procedure in de wet
a. Start van de procedure
De ACM kan bij een voorgenomen concentratie een meldplicht opleggen. Dat kan uiterlijk
vier weken na het vroegste van deze tijdstippen:47
– het tijdstip waarop het voornemen voor de concentratie publiek kenbaar is gemaakt,
– het tijdstip waarop de ACM kennis krijgt van het voornemen,
– zes maanden na het tijdstip waarop de concentratie van kracht wordt.
Uit het artikel blijkt niet duidelijk hoe een voorgenomen concentratie publiek kenbaar
kan worden gemaakt en welke informatie daarbij moet worden verschaft, en ook niet
via welk communicatiekanaal ACM kennis kan krijgen van het voornemen.48 Voor zowel ondernemingen als voor de ACM is het praktisch als daarover duidelijkheid
komt.
De Afdeling adviseert op deze vragen in de toelichting in te gaan en het voorstel
aan te vullen.
b. Bestaande en nieuwe procedure
De procedure die van toepassing is bij «kleinere» concentraties begint op een andere
manier dan bij de concentratietoets die nu al in de Mededingingswet is geregeld: in
de nieuwe procedure is er pas een meldplicht als die plicht door de ACM is ingeroepen.49 Verder verloopt de nieuwe procedure op dezelfde manier. In het voorstel is ervoor
gekozen de nieuwe procedure in zijn geheel afzonderlijk uit te schrijven; daarbij
worden de bepalingen van de bestaande procedure soms overgeschreven, maar in andere
gevallen worden die bepalingen van overeenkomstige toepassing verklaard.
Deze methode betekent dat de wet twee vrijwel identieke procedures zal bevatten, die
deels afzonderlijk zijn uitgeschreven. Uit oogpunt van voor de gebruikers doenbare
en heldere wetgeving lijkt het eenvoudiger om wel apart uit te schrijven hoe de nieuwe
procedure begint, maar daarna de bepalingen van de bestaande procedure van overeenkomstige
toepassing te verklaren (vanzelfsprekend met uitzondering van de bepaling die een
meldplicht van rechtswege oplegt50).
De Afdeling adviseert het voorstel aan te passen.
c. Rechtsbescherming
De toelichting bespreekt niet expliciet tegen welke besluiten rechtsbescherming openstaat
en tegen welke niet. De Afdeling leest het voorstel zo dat voorzien is in rechtsbescherming
tegen twee nieuwe soorten besluiten van de ACM: het opleggen van een plicht om een
concentratie te melden (met een voorlopig verbod om de concentratie tot stand te brengen)
en het opleggen van een vergunningplicht.51 Er komt geen rechtsbescherming tegen het inroepen van de inroepbevoegdheid, omdat
– zo neemt de Afdeling aan – dat een voorbereidingsbesluit is.52
De Afdeling kan deze keuzes volgen, en adviseert om dit voor de goede orde in de toelichting
te expliciteren.
d. NZa-toets in de zorg
Bij concentraties in de zorg is de ACM-concentratietoets gekoppeld aan een voorafgaande
NZa-toets.53 Het voorstel regelt een nieuwe ACM-concentratietoets voor kleinere concentraties.
Uit de toelichting blijkt niet of het de bedoeling is om voor die nieuwe concentraties
ook een NZa-toets in te voeren.54 De Afdeling adviseert – onverminderd punt 4 – dit ondubbelzinnig te regelen.
De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal opmerkingen bij het
initiatiefvoorstel en adviseert om daarmee rekening te houden.
De initiatiefnemer gaat graag in op de opmerkingen die de Afdeling maakt ten aanzien
van enkele aspecten van het inroepproces.
De ACM kan op drie manieren kennis krijgen van een voorgenomen concentratie te weten:
uit het publiek maken van een voorgenomen concentratie door de betrokken ondernemingen,
doordat deze ondernemingen zelf de ACM daarvan op de hoogte stellen en de doordat
de ACM kennis van de voorgenomen concentraties via haar detectieproces heeft gekregen.
Over de rechtsbescherming merkt de initiatiefnemer op dat er tegen het inroepen van
een concentratie door de ACM wel rechtsbescherming openstaat. Zowel in de meldings-
als vergunningsfase staat bezwaar tegen besluiten van de ACM open. Daarna is beroep
mogelijk waarin de rechter kan toetsen of de ACM op de juiste gronden een concentratie
heeft ingeroepen. De initiatiefnemer zal de memorie van toelichting op dit punt aanvullen.
De initiatiefnemer sluit zich aan bij het advies van de Afdeling en de reactie van
de ACM daarbij om in het wetsvoorstel alleen de procedure voor het inroepen van een
concentratie onder de omzetdrempels te regelen en voor het overige aan te sluiten
bij de bepalingen van reguliere meldingsplichtig concentraties in de Mededingingswet.
Daartoe zal een herzien wetsvoorstel met toelichting worden ingediend.
De waarnemend Vice-President van de Raad van State,
L.F.M. Verhey
De initiatiefnemer, Bushoff
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
Th.C. de Graaf, vicepresident van de Raad van State -
Mede ondertekenaar
Julian Bushoff, Tweede Kamerlid
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.