Inbreng verslag schriftelijk overleg : Inbreng verslag schriftelijk overleg over 'Samenvattend rapport Zorgverzekeringswet 2025' van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa)(Kamerstuk 29689-1327)
2026D18106 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
In de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport bestond bij enkele fracties
behoefte een aantal vragen en opmerkingen voor te leggen aan de Minister van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport over de brief d.d. 1 april 2026 inzake «Samenvattend rapport Zorgverzekeringswet
2025» van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) (Kamerstuk 29 689, nr. 1327).
De voorzitter van de commissie,
Mohandis
Adjunct-griffier van de commissie,
Sjerp
Inhoudsopgave
I.
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep Markuszower
II.
Reactie van de Minister
I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van het «Samenvattend rapport Zorgverzekeringswet
2025» van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en de begeleidende brief van de Minister.
Deze leden danken de NZa voor het inzicht in de uitvoering van de Zorgverzekeringswet
en de Minister voor de bijgevoegde brief. Zij hebben hierover enkele vragen.
De leden van de D66-fractie lezen dat de premie voor de basisverzekering in 2025 minder
sterk is gestegen dan in voorgaande jaren, mede doordat zorgverzekeraars hun reserves
hebben ingezet. Deze leden vragen de Minister hoe zij kijkt naar de houdbaarheid van
deze ontwikkeling. Kan de Minister aangeven wat de mogelijke effecten van het verhogen
en trancheren van het eigen risico zijn op de premieontwikkeling?
De leden van de D66-fractie lezen de opmerkingen van de NZa over zorgverzekeraars
die vanuit hun zorgplicht een verantwoordelijkheid hebben om tijdige toegang tot zorg
te waarborgen. Hoe stuurt de Minister momenteel op deze zorgplicht in de ggz? Wat
zijn de resultaten daarvan, en wat zijn alternatieve instrumenten die de Minister
zou kunnen inzetten om deze impact te vergroten?
De leden van de D66-fractie constateren dat de NZa aangeeft dat zorgverzekeraars nog
stappen te zetten hebben in de invulling van hun zorgplicht in de kraamzorg. Deze
leden vinden dit zorgelijk, juist omdat de toegankelijkheid van kraamzorg al langere
tijd onder druk staat. Wat doet de Minister om zorgverzekeraars nadrukkelijker aan
te spreken op hun zorgplicht in de kraamzorg? Hoe neemt de Minister hierin haar stelselverantwoordelijkheid
en hoe wordt geborgd dat de uitvoering van deze zorgplicht daadwerkelijk op orde komt?
De NZa geeft aan deze ontwikkelingen te blijven volgen. Kan de Minister aangeven hoe
zij de Kamer actief zal informeren over de voortgang?
De leden van de D66-fractie lezen dat de NZa constateert dat de contractering in 2025
later tot stand kwam dan in het jaar ervoor. Deze leden vinden dit een zorgelijke
ontwikkeling, omdat dit zowel voor zorgaanbieders als voor verzekerden leidt tot onzekerheid
over zorgaanbod en vergoeding. Welke mogelijkheden ziet de Minister om te bevorderen
dat contractering tijdiger plaatsvindt? Welke rol ziet de Minister hierbij voor zichzelf
en de NZa, en acht zij aanvullende maatregelen nodig?
De leden van de D66-fractie lezen dat het aantal polissen hoog blijft, terwijl veel
polissen nauwelijks van elkaar verschillen, wat de transparantie voor consumenten
niet ten goede komt. Deze leden delen de zorg dat dit het maken van een weloverwogen
keuze bemoeilijkt. Welke stappen is de Minister voornemens te zetten om de transparantie
van het polisaanbod te verbeteren? Ziet de Minister mogelijkheden om zorgverzekeraars
sterker te prikkelen om zich te onderscheiden op relevante aspecten, zoals de mate
waarin zij voldoen aan hun zorgplicht?
De leden van de D66-fractie lezen dat de NZa het onwenselijk vindt dat aanvullende
verzekeringen worden gekoppeld aan bepaalde basisverzekeringen, omdat dit de keuzevrijheid
van consumenten beperkt en kan leiden tot hogere kosten. Hoe beoordeelt de Minister
deze analyse van de NZa? Welke vervolgstappen is de Minister bereid te zetten om deze
praktijk tegen te gaan en de keuzevrijheid van consumenten te beschermen?
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het «Samenvattend
rapport Zorgverzekeringswet 2025» van de Nederlandse Zorgautoriteit. Ze hebben hierover
nog een enkele vraag.
De leden van de VVD-fractie begrijpen dat de beperkte stijging van de zorgpremie te
wijten is aan het feit dat zorgverzekeraars hun reserves hiervoor hebben ingezet.
Kan de Minister aangeven hoe groot het deel van hun reserves zij hiervoor hebben ingezet,
procentueel gezien? In welke mate was de zorgpremie gestegen als zorgverzekeraars
geen gebruik hadden gemaakt van hun reserves?
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de
brief van de Minister over het «Samenvattend rapport Zorgverzekeringswet 2025» van
de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa)». Genoemde leden hebben nog enkele vragen en opmerkingen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie maken zich zorgen over de medicijntekorten
in Nederland. De genoemde leden lezen dat «Om die regierol goed te kunnen oppakken,
is verbetering nodig van hun inzicht in huidige en toekomstige vraag en aanbod van
generieke geneesmiddelen die mensen bij de apotheek kunnen krijgen.» Kan nader worden
toegelicht wat er concreet van zorgverzekeraars wordt verwacht ten aanzien van medicijntekorten
Worden er ook concrete doelen opgesteld ten aanzien van het verminderen van medicijntekorten?
Zijn er ook zorgverzekeraars waar de medicijntekorten relatief laag zijn? Zo ja, kan
worden toegelicht waarom de medicijntekorten bij die zorgverzekeraars minder problematisch
zijn dan bij andere? In hoeverre draagt het preferentiebeleid bij aan deze tekorten?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie maken zich tevens grote zorgen over de tekorten
in de kraamzorg. Vooral in kwetsbare wijken zijn de tekorten nijpend. Kan de Minister
toelichten of een differentiatiebeleid tussen wijken mogelijk is? Kunnen er verschillende
scenario’s van minimumtarieven worden geschetst waarbij er vooral wordt ingegaan wat
dit betekent voor het aanbod en de impact op de tekorten?
In het onderzoek naar de toegankelijkheid van fysiotherapie worden er geen prognoses
gedaan voor de toekomst. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen wat de verwachting
is van de tekorten en wachtlijsten voor de fysiotherapie over 2, 5 en 10 jaar. Uit
een enquête van Fysiovakbond FDV blijkt namelijk dat 70 procent van de fysiotherapeuten
overweegt iets ander te doen1. Kan ook worden toegelicht hoe dit zich verhoudt tot de beweging naar passende zorg
waarin fysiotherapie een steeds belangrijkere rol krijgt?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de NZa aanraadt om de eerste twintig
behandelingen voor chronisch zieken te vergoeden via de basisverzekering. Kan worden
toegelicht welke kosten hiermee zijn gepaard en wat de impact is op de gemiddelde
zorgpremie per jaar?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat het aantal polissen de laatste jaren
niet afneemt, waardoor patiënten met een gigantisch polisaanbod te maken hebben. Kan
worden toegelicht welke middelen of maatregelen genomen kunnen worden om het aantal
polissen te laten afnemen?
Ten aanzien van de contractering blijkt uit het onderzoek dat het aantal gesloten
contracten op 8 december 2025 voor het jaar 2026 in veel sectoren lager is dan vorig
jaar. Deze leden vinden dat een zorgelijke ontwikkeling. Kan worden toegelicht waarom
dit aantal lager is? Welke stappen gaan de veldpartijen (NZa, zorgverzekeraars, zorgaanbieders)
zetten om de contractering voor aankomend jaar eerder rond te hebben?
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van het «Samenvattend rapport Zorgverzekeringswet
2025» van de Nederlandse Zorgautoriteit en van de aanbiedingsbrief van de Minister.
Deze leden lezen in het rapport opnieuw een aantal hardnekkige problemen terug waar
patiënten en premiebetalers in de praktijk gewoon last van hebben. De druk op de zorg
neemt toe, wachttijden blijven bestaan, de rol van zorgverzekeraars schiet op onderdelen
tekort, het polisaanbod blijft onoverzichtelijk en ook de contractering loopt opnieuw
achter. De leden van de PVV-fractie vinden dat dit geen papieren problemen zijn, maar
zaken die mensen direct raken op het moment dat zij zorg nodig hebben.
De leden van de PVV-fractie lezen dat de NZa van zorgverzekeraars een actievere en
meer proactieve rol verwacht bij het signaleren en oplossen van knelpunten. Deze leden
vragen de Minister hoe zij dit beoordeelt. Waarom is die actieve opstelling kennelijk
nog steeds niet vanzelfsprekend? Hoe kan het dat zorgverzekeraars, terwijl zij binnen
dit stelsel juist zo’n belangrijke regierol hebben, op wezenlijke punten nog steeds
door de toezichthouder tot extra inzet moeten worden aangespoord?
De leden van de PVV-fractie lezen daarnaast dat in 2025 sprake is geweest van verscherpt
toezicht op een zorgverzekeraar vanwege tekortkomingen bij de uitvoering van de zorgplicht
in de geestelijke gezondheidszorg (ggz) en de medisch-specialistische zorg in een
specifieke regio. Deze leden vinden dat een ernstig signaal. Kan de Minister aangeven
wat hier precies misging, hoeveel verzekerden hierdoor geraakt zijn en wat dit zegt
over de manier waarop de zorgplicht in de praktijk wordt ingevuld? Hoe wordt voorkomen
dat verzekerden pas merken dat hun zorgverzekeraar tekortschiet als de toezichthouder
al heeft moeten ingrijpen?
De leden van de PVV-fractie vinden het ook zorgelijk dat de NZa bij de invulling van
de zorgplicht voor generieke geneesmiddelen nog steeds duidelijke verbeterpunten ziet.
Deze leden vragen de Minister hoe zij het beoordeelt dat zorgverzekeraars kennelijk
nog onvoldoende zicht hebben op de huidige en toekomstige beschikbaarheid van geneesmiddelen
en niet altijd tijdig kunnen ingrijpen bij tekorten. Wat betekent dit concreet voor
patiënten die afhankelijk zijn van deze middelen? Welke eisen stelt de Minister aan
zorgverzekeraars om te zorgen dat mensen niet de dupe worden van tekorten en gebrekkige
regie?
De leden van de PVV-fractie lezen verder dat ook de toegankelijkheid van de kraamzorg
nog altijd onder druk staat en dat de NZa verwacht dat zorgverzekeraars meer doen
om hun zorgplicht op dit punt waar te maken. Deze leden vragen de Minister hoeveel
regio’s in 2025 met serieuze problemen in de kraamzorg te maken hadden, in hoeveel
gevallen minder zorg kon worden geleverd dan normaal en hoe vaak moest worden teruggevallen
op een minimumvariant of digitale zorg. Acht de Minister het aanvaardbaar dat juist
rond zwangerschap en geboorte zulke structurele knelpunten blijven bestaan?
De leden van de PVV-fractie lezen dat de gemiddelde premie in 2025 uitkwam op 157 euro
per maand en dat zorgverzekeraars 0,4 miljard euro uit hun reserves hebben ingezet
om de premiestijging te dempen. Deze leden vragen de Minister hoe houdbaar zij dit
vindt. Is hier niet gewoon sprake van het tijdelijk dempen van de pijn, terwijl de
onderliggende kosten in het stelsel blijven oplopen? Hoe groot acht de Minister het
risico dat premiebetalers de komende jaren alsnog met forse premiestijgingen te maken
krijgen?
De leden van de PVV-fractie constateren daarnaast dat er in 2025 nog steeds 59 basispolissen
zijn, en dat de NZa zelf aangeeft dat veel polissen nauwelijks van elkaar verschillen
en dat dit de transparantie niet ten goede komt. Deze leden delen die kritiek. Voor
veel mensen is het al lang niet meer duidelijk waar zij precies uit kunnen kiezen
en wat nu echt het verschil is tussen al die polissen. Waarom sleept dit probleem
al jaren voort? Wat gaat de Minister concreet doen om dit aanbod overzichtelijker
en begrijpelijker te maken?
De leden van de PVV-fractie lezen bovendien dat er per 2025 geen restitutiepolissen
meer worden aangeboden en dat deze zijn vervangen door combinatiepolissen met vergoedingsbeperkingen.
Deze leden vragen de Minister hoe zij deze ontwikkeling beoordeelt. Wat betekent dit
voor mensen die juist waarde hechtten aan keuzevrijheid of die afhankelijk zijn van
niet-gecontracteerde zorg? Hoeveel verzekerden zijn hierdoor er in de praktijk op
achteruitgegaan?
De leden van de PVV-fractie lezen verder dat aanvullende verzekeringen nog steeds
worden gekoppeld aan bepaalde basisverzekeringen en dat de NZa dit onwenselijk vindt,
omdat dit de keuzevrijheid beperkt en tot hogere kosten kan leiden. Deze leden vragen
de Minister waarom deze praktijk nog steeds mogelijk is. Is de Minister bereid te
kijken hoe aan deze vorm van koppelverkoop een einde kan worden gemaakt? Is de Minister
van mening dat de NZa de mogelijkheid moet krijgen om op te treden tegen ongewenste
koppelingen tussen basis- en aanvullende verzekeringen?
De leden van de PVV-fractie vinden het ook zorgelijk dat de contracteergraad op 8 december
2025 in veel sectoren lager lag dan een jaar eerder. Juist in de overstapperiode moeten
mensen weten waar zij aan toe zijn. Deze leden vragen de Minister wat dit concreet
heeft betekend voor verzekerden. Hoe kan iemand een weloverwogen keuze maken voor
een polis indien nog niet duidelijk is of zijn of haar zorgaanbieder wel gecontracteerd
zal zijn? Welke maatregelen worden genomen om te voorkomen dat deze onzekerheid zich
jaar op jaar blijft herhalen? Hoe gaat de Minister ervoor zorgen dat alle premies
bij de start van het overstapseizoen bekend zijn?
De leden van de PVV-fractie lezen daarnaast dat de NZa relatief veel meldingen heeft
ontvangen van ggz-aanbieders over contractvoorstellen van zorgverzekeraars en daarom
een toezichtonderzoek is gestart. Deze leden vragen de Minister hoe zij dit beoordeelt,
juist in een sector waar de wachttijden al hoog zijn en waar patiënten juist gebaat
zijn bij duidelijkheid en continuïteit. Deelt de Minister de opvatting dat onduidelijke
of onvoldoende onderbouwde contractvoorstellen de problemen in de ggz alleen maar
verder kunnen vergroten?
De leden van de PVV-fractie lezen dat de NZa bij fysiotherapie op dit moment geen
acute problemen in de toegankelijkheid ziet, maar wel waarschuwt voor risico’s voor
de continuïteit van zorg in de toekomst. Deze leden vinden dat een zorgelijk signaal,
juist omdat fysiotherapie voor veel mensen belangrijk is om klachten te beperken,
zwaardere zorg te voorkomen en zo lang mogelijk mobiel en zelfstandig te blijven.
Als de toegankelijkheid onder druk komt te staan, raken de gevolgen patiënten direct.
Hoe wil de Minister de toegankelijkheid van fysiotherapie vergroten?
De leden van de PVV-fractie lezen verder dat de resultaten van het onderzoek naar
de bruikbaarheid van de informatie op websites van zorgverzekeraars in het voorjaar
van 2026 worden gepubliceerd. Deze leden vragen de Minister de Kamer direct na publicatie
hierover te informeren, inclusief een reactie op de uitkomsten. Welke maatregelen
is de Minister bereid te nemen als uit dat onderzoek blijkt dat de informatie voor
consumenten onvoldoende duidelijk of bruikbaar is?
De leden van de PVV-fractie lezen voorts dat de NZa het onderzoek naar de risicoverevening
heeft geïntensiveerd en dat een verdiepend onderzoek loopt naar kosten zonder vastgesteld
NZa-tarief of prestatie, waardoor de definitieve vaststelling van de verantwoordingsinformatie
over 2022 is uitgesteld. Deze leden vragen de Minister hoe ernstig zij dit vindt.
Om welke bedragen gaat het precies en welke risico’s ziet zij voor de rechtmatigheid
en controleerbaarheid van de besteding van collectieve zorgmiddelen?
De leden van de PVV-fractie hebben ook vragen over de transformatiemiddelen. Zij lezen
dat voor de periode 2023–2028 1,9 miljard euro beschikbaar is en dat de NZa oordeelt
dat deze middelen plausibel zijn besteed en rechtmatig kunnen worden ingebracht. Deze
leden merken op dat dit nog niet automatisch betekent dat patiënten daar ook echt
verbetering van merken. Kan de Minister daarom concreet aangeven welke aantoonbare
resultaten in 2025 met deze middelen zijn bereikt als het gaat om wachttijden, toegankelijkheid,
personeel en passende zorg? Hoeveel van deze middelen zijn daadwerkelijk in de zorgpraktijk
terechtgekomen en hoeveel zijn opgegaan aan proceskosten, overlegstructuren, monitoring
en organisatie?
De leden van de PVV-fractie lezen ten slotte in de beslisnota dat het rapport volgens
het ministerie geen nieuwe informatie bevat en dat de Kamer over deze onderwerpen
al eerder is geïnformeerd. Deze leden vragen de Minister of dat niet juist onderstreept
dat dezelfde problemen rond toegankelijkheid, keuzevrijheid, contractering en transparantie
steeds terugkomen, zonder dat mensen daar in de praktijk voldoende verbetering van
merken. Kan de Minister per hoofdonderwerp aangeven welke concrete verbetering patiënten
en verzekerden in 2026 daadwerkelijk mogen verwachten?
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het «Samenvattend rapport Zorgverzekeringswet
2025» van de NZa en hebben hierover nog enkele vragen.
Naar aanleiding van paragraaf 2.5 Toegang tot fysiotherapie. De leden van de CDA-fractie
lezen dat de NZa (opnieuw) in overweging geeft om de eerste twintig behandelingen
voor chronisch zieken te vergoeden via de basisverzekering. Deze leden vragen wat
de reactie van de Minister is op deze oproep, die eerder ook door het Zorginstituut
Nederland is gedaan en wat de implicaties hiervan zijn.
Naar aanleiding van paragraaf 3 Polismarkt. De leden van de CDA-fractie vragen hoe
het komt dat de korting bij een eigen risico van 885 euro per jaar de afgelopen jaren
is afgenomen (figuur 1).
Voorts lezen de leden van de CDA-fractie dat het aantal combinatiepolissen is gestegen,
met als oorzaak het niet meer aanbieden van restitutiepolissen. Deze leden vragen
hoe de Minister hiernaar kijkt. Wat is het verschil tussen een combinatiepolis en
een restitutiepolis en hoe sturen zorgverzekeraars via de combinatiepolis op minder
niet-gecontracteerde zorg? Wat is daar voor hen het voordeel van een combinatiepolis
ten opzichte van de restitutiepolis?
De leden van de CDA-fractie vragen of de Minister met de NZa deelt dat het grote aantal
polissen, dat ook niet afneemt, onwenselijk is vanwege de kleine verschillen tussen
polissen en het daarmee gepaard gaande gebrek aan transparantie voor verzekerden.
Deze leden vragen ook hoe de Minister aankijkt tegen het koppelen van aanvullende
verzekeringen aan (duurdere) basisverzekeringen. Deelt de Minister dat dit in het
nadeel van verzekerden is en niet past bij de maatschappelijke verantwoordelijkheid
van zorgverzekeraars?
Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie
De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van het «Samenvattend rapport Zorgverzekeringswet
2025» van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa). Zij hebben hier nog een aantal opmerkingen
en een enkele vraag over.
De leden van de SP-fractie lezen dat er in 2025 één zorgverzekeraar onder verscherpt
toezicht stond van de NZa vanwege de gebrekkige uitvoering van de zorgplicht op het
gebied van de ggz en de medisch specialistische zorg. Zij constateren echter dat de
zorgplicht structureel wordt geschonden door meerdere zorgverzekeraars als het gaat
om de ggz. De wachtlijsten in de ggz zijn namelijk structureel te lang, waardoor de
Treeknormen niet worden gehaald. Zorgverzekeraars hanteren ondertussen nog steeds
een inkoopbeleid dat niet is gericht op het maximaal verkorten van de wachtlijst,
door bijvoorbeeld omzetplafonds op te leggen. Waarom grijpt de NZa niet vaker in bij
zorgverzekeraars op dit gebied? Welke mogelijkheden heeft de NZa om zorgverzekeraars
verantwoordelijk te houden voor het schenden van de zorgplicht?
Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep Markuszower
De leden van de Groep Markuszower hebben kennisgenomen van het «Samenvattend rapport
Zorgverzekeringswet 2025» van de NZa. Deze leden constateren dat het rapport wederom
symptomen beschrijft van een stelsel met dieperliggende architectuurproblemen: een
zorgplicht die te vrijblijvend wordt ingevuld, een polismarkt die schijnkeuze biedt
en een bekostigingssysteem dat preventie actief ontmoedigt. Structurele reparatie
vraagt om een eerlijk debat over de prikkels waarop het gehele systeem (verzekeraars,
ziekenhuizen en specialisten) feitelijk reageert. Deze leden hebben hierover de volgende
vragen en opmerkingen.
Inzake het onderdeel: Zorgplicht: verwachten of handhaven? De leden van de Groep Markuszower
constateren dat de NZa bij kraamzorg en geneesmiddelentekorten meerdere jaren achtereen
dezelfde verbeterpunten vaststelt, maar zich beperkt tot het uiten van «verwachtingen»
en «oproepen». Is de Minister het met deze leden eens dat vrijblijvende taal bij structurele
tekortkomingen niet langer passend is? Welke concrete handhavingsinstrumenten worden
dit jaar daadwerkelijk ingezet en wanneer kan de Kamer de eerste resultaten verwachten?
Genoemde leden merken tevens op dat restitutiepolissen per 2025 volledig zijn verdwenen
en dat zorgverzekeraars aanvullende verzekeringen blijven koppelen aan specifieke
basispolissen, iets wat de NZa zelf «onwenselijk» noemt. Is de Minister bereid een
wettelijk verbod in te voeren op deze koppelverkoop?
Inzake het onderdeel: Preventie en «longevity»: het stelsel beloont ziekte, niet gezondheid.
De leden van de Groep Markuszower constateren dat het NZa-rapport opnieuw zwijgt over
de structurele rem die de huidige bekostigingsarchitectuur legt op preventie. Dit
is geen nieuw inzicht. Uit onderzoek van het Talma-instituut (VU) bleek dat van elke
euro bespaard door passende zorg via de risicoverevening slechts circa 24 cent bij
de verzekeraar terugvloeit. Gezondheidseconoom Xander Koolman formuleerde het als
volgt: een zorgverzekeraar kan nooit meer dan 24 euro investeren om in de toekomst
100 euro aan zorgkosten te besparen, wil hij zijn concurrentiepositie niet schaden.
Investeren in preventie is daarmee voor individuele verzekeraars financieel irrationeel,
niet omdat bestuurders het niet willen, maar omdat het systeem het afstraft2.
Genoemde leden wijzen op het groeiende internationale wetenschappelijke inzicht dat
gezondheidszorg fundamenteel moet verschuiven van curatie naar preventie, niet als
moreel appel, maar als economische en demografische noodzaak. Arts en longevity-expert
dr. Peter Attia (Stanford/Johns Hopkins)3 betoogt in Outlive: The Science and Art of Longevity (2023) dat het huidige medische
model de vier grote chronische verouderingsziekten (hart- en vaatziekten, kanker,
dementie en type 2 diabetes) structureel te laat en te reactief aanpakt. Vroegtijdige
screening op biomarkers zoals ApoB-cholesterol, bloeddruk en insulineresistentie kan
hart- en vaatziekten, wereldwijd de grootste doodsoorzaak, significant uitstellen
of voorkomen. Een review in Frontiers in Aging (Milev et al., 2024) bevestigt dat
evidence-gedreven preventiestrategieën, inclusief leefstijlinterventies en biomarkermonitoring,
de meest kosteneffectieve route zijn om gezonde levensjaren te winnen.
Inzake het onderdeel: Stelselarchitectuur: een systeem dat zichzelf in stand houdt.
De leden van de Groep Markuszower stellen een fundamentelere vraag, die dit rapport
onbeantwoord laat: is het huidige zorgstelsel als geheel nog optimaal ontworpen voor
de uitdagingen van de komende decennia, of worden perverse prikkels op systeemniveau
structureel gereproduceerd? Genoemde leden verwijzen daarbij naar de economische literatuur
over principal-agent problemen in de gezondheidszorg.
Het huidige stelsel kent een gestapeld principal-agent probleem. Zorgaanbieders (de
agenten) worden per verrichting betaald, de zogenoemde p×q-bekostiging waardoor zij
een financiële prikkel hebben om zo veel mogelijk handelingen te verrichten, ongeacht
de gezondheidsuitkomst.4 Verzekeraars (als principaal tegenover zorgaanbieders) hebben in theorie belang bij
lagere kosten, maar worden via de risicoverevening feitelijk gecompenseerd voor hogere
zorguitgaven. De overheid (als principaal tegenover verzekeraars) wil lagere kosten
en betere gezondheidsuitkomsten, maar beschikt niet over de informatie en instrumenten
om dit effectief te sturen. De uitkomst van dit driedubbele principal-agent probleem
is een stelsel dat structureel meer productie, meer behandelingen en hogere kosten
genereert dan noodzakelijk is voor de volksgezondheid.
De NZa erkende dit zelf al eerder. Toenmalig bestuursvoorzitter Marian Kaljouw stelde
onomwonden dat de zorg «te veel een verdienmodel is geworden» en dat 15 tot 20 procent
van de behandelingen niet bewezen effectief is.5 Haar opvolger Josefien Kursten formuleerde de logische consequentie van passende
zorg nog scherper: «Als mensen minder naar het ziekenhuis gaan, zullen ziekenhuizen
moeten afslanken.»
Dit is de kern van het probleem dat dit rapport niet durft te benoemen: een consequente
preventieagenda, waarbij een significant deel van patiënten door vroegtijdige interventie
niet ziek wordt, ondermijnt de omzetbasis van ziekenhuizen en specialisten die nu
juist per verrichting worden betaald. De prikkel om te investeren in preventie en
gezondheid bestaat daarmee voor geen enkele actor in het stelsel. Ziekenhuizen worden
financieel geraakt als hun patiëntenpopulatie krimpt. Specialisten verdienen minder
als ze minder behandelen. Verzekeraars profiteren nauwelijks van kostenbesparingen.
En de overheid compenseert dit alles via de risicoverevening en de premie.
Genoemde vragen de Minister of zij bereid is een onafhankelijke evaluatie te laten
uitvoeren van de fundamentele prikkels in het zorgstelsel, specifiek gericht op de
vraag of de huidige combinatie van p×q-bekostiging, risicoverevening en marktwerking
compatibel is met een stelsel dat serieus inzet op preventie, longevity en gezondheidswinst
in plaats van zorgvolume.6 Is de Minister bereid de Kamer voor het einde van 2026 een onderzoeksopdracht voor
te leggen die deze vraag beantwoordt, met expliciete aandacht voor alternatieve bekostigingsmodellen
zoals populatiebekostiging en value-based healthcare?
Inzake het onderdeel: Financiële verantwoording: openstaand onderzoek. De leden van
de Groep Markuszower constateren dat het NZa-onderzoek naar de risicoverevening over
2022 opnieuw is uitgesteld. Wat is de financiële omvang van de posten onder verdiepend
onderzoek, en is terugvordering mogelijk als declaraties onrechtmatig blijken? Deze
leden vragen tevens of de Minister bereid is de Kamer jaarlijks te informeren over
concreet behaalde gezondheidsuitkomsten per zorgverzekeraar met de 1,9 miljard euro
aan IZA-transformatiemiddelen en niet slechts over de plausibiliteit van besteding,
maar over meetbare gezondheidswinst.
Tot slot vragen deze leden de Minister wanneer de Kamer een beleidsreactie op het
NZa-rapport kan verwachten die verder gaat dan het herhalen van bekende doelstellingen
en met concrete wetgevingsacties, handhavingsmaatregelen, en een eerlijk antwoord
op de vraag of het huidige stelsel structureel geschikt is voor een gezondheidspolitiek
die preventie serieus neemt.
II. Reactie van de Minister
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
M. Mohandis, voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport -
Mede ondertekenaar
E.M. Sjerp, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.