Verslag (initiatief)wetsvoorstel (nader) : Verslag
36 911 Wijziging van de Wet kinderopvang in verband met de verbetering van enkele bepalingen op het terrein van kinderopvangtoeslag
Nr. 5
VERSLAG
Vastgesteld 15 april 2026
De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, belast met het voorbereidend
onderzoek van voorliggend wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen
van haar bevindingen.
Onder het voorbehoud dat de in het verslag opgenomen vragen en opmerkingen afdoende
door de regering worden beantwoord acht de commissie de openbare behandeling van het
wetsvoorstel voldoende voorbereid.
Inhoudsopgave
I.
Algemeen
1
1.
Inleiding
2
2.
Promovendi en technologisch ontwerpers in opleiding
2
3.
Inburgering
4
4.
Openingstijden
5
5.
Vaste voet
5
6.
Inkomenseffecten
6
7.
Financiële consequenties
6
8.
Regeldruk
6
9.
Monitoring en evaluatie
6
10.
Uitgebrachte adviezen
6
11.
Uitkomsten internetconsultatie
6
12.
Inwerkingtreding
6
I. Algemeen
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het wetsvoorstel Kinderopvang i.v.m. de verbetering
van enkele bepalingen op het terrein van kinderopvang.
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de stukken omtrent de inbreng Wijziging van de Wet kinderopvang
in verband met de verbetering van enkele bepalingen op het terrein van kinderopvangtoeslag.
Deze leden hebben verder geen vragen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden hebben enkele
vragen.
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het wetsvoorstel Wijziging van de Wet kinderopvang
in verband met de verbetering van enkele bepalingen op het terrein van kinderopvangtoeslag.
Deze leden hebben nog enkele vragen.
1. Inleiding
De leden van de D66-fractie zien met dit wetsvoorstel een verbetering van het systeem van de kinderopvang en
onderschrijven de richting die hiermee ingezet wordt, maar kijken uit naar de toekomstige
meer fundamentele systematische verandering die deze leden voorstaan en die in het
regeerakkoord is afgesproken, te weten het afschaffen van de kinderopvangtoeslag en
bijna gratis kinderopvang voor werkende ouders. Deze leden zien dat het complexe toeslagenstelstel
onnodig drempels en risico’s opwerpt, terwijl het nieuwe stelsel de emancipatie ten
goede komt, overheidsdruk en -bemoeizucht vermindert en efficiëntie ten goede komt.
In de inleiding wordt benoemd dat de verbeteringen uit dit wetsvoorstel worden meegenomen
naar een nieuw financieringsstelsel, hoe ziet die overgang eruit? Wat is de laatste
stand van zaken aangaande de overgang naar een nieuw financieringsstelsel?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn benieuwd welke lessen getrokken kunnen worden uit het loslaten van de koppeling
gewerkte uren. Deze leden vragen of de regering kan toelichten hoe zij terugkijkt
op deze maatregel, en of de maatregel heeft uitgepakt zoals verwacht. Deze leden vragen
in ieder geval te reflecteren op het terugdringen van terugvorderingen en verhogen
van zekerheid. Welke mogelijkheden ziet de regering voor verdere vereenvoudiging van
de kinderopvangtoeslag (KOT)?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de voorgestelde aanpassingen in
het wetsvoorstel «allemaal worden meegenomen bij de overgang naar een nieuw financieringsstelsel
voor de kinderopvang». Deze leden vinden dat op zich wenselijk, maar maken zich enige
zorgen over het feit dat de huidige complexiteit in de KOT mogelijk óók meegenomen
wordt naar het nieuwe stelsel. Zo werkt de huidige KOT met een steeds langere lijst
van specifieke situaties waarin de arbeidseis, dat wil zeggen de eis dat inkomen uit
werk en woning in de zin van de Wet Inkomstenbelasting 2001 wordt genoten. Is de regering
het ermee eens dat daarmee in feite steeds nieuwe pleisters geplakt worden, terwijl
de kern van het probleem, de arbeidseis zelf, niet aangepakt wordt?
2. Promovendi en technologisch ontwerpers in opleiding
De leden van de D66-fractie zijn positief over de uitbreiding naar promovendi en technologisch ontwerpers in
opleiding, omdat de richting bevestigt dat gratis kinderopvang toegankelijk zou moeten
zijn voor alle werkenden. Deze leden hebben hierbij enkele vragen. In de doelgroepomschrijving
is ervoor gekozen deze uit te breiden naar «anderszins onderzoek», hoe verzekeren
deze leden zich ervan dat daarmee de doelgroep als geheel wordt bereikt? Welke risico’s
zitten er aan deze formulering en welke afstemming heeft hierover plaatsgevonden met
de uitvoeringsorganisaties? Hoeveel en van welke hoogte zijn de terugvorderingen geweest
voor promovendi afgelopen jaren? Zijn er situaties bekend dat promovendi hierdoor
in de problemen zijn geraakt en wat de effecten daarvan zijn geweest? En hoe wordt
er gezorgd voor communicatie richting deze doelgroepen om er zorg voor te dragen dat
zij straks recht krijgen op deze toeslagen, zo vragen deze leden.
De leden van de D66-fractie concluderen dat de probleemstelling voor deze groepen
duidelijk is en zijn voorts benieuwd welke andere groepen overeenkomstige constructies
hebben qua werk en opleiding die voor deze regeling in aanmerkingen zouden moeten
kunnen komen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat in de afgelopen jaren verschillende nieuwe doelgroepen die recht hebben
op KOT zijn toegevoegd aan artikel 1.6 van de Wet kinderopvang (Wko). Deze leden vragen
welke doelgroepen dat zijn, en wanneer die zijn toegevoegd. Voorts vragen deze leden
of voorzien kan worden dat in de toekomst andere doelgroepen zullen worden toegevoegd,
die nu nog niet zijn opgenomen. Deze leden vragen de regering daarnaast of er signalen
zijn van groepen die nu geen recht hebben op KOT, maar waarvoor de arbeidseis in de
praktijk averechts werkt, bijvoorbeeld omdat de zorg voor kinderen het vinden van
betaald werk of het anderszins participeren in de samenleving bemoeilijkt. Zo ja,
welke groepen zijn dat?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen ook of het klopt dat het voorliggende
wetsvoorstel niet regelt dat onderzoekers in een professioneel doctoraat-traject recht
krijgen op KOT. Deze leden lezen dat «dit wetsvoorstel» ervoor zorgt dat voor die
groep recht op KOT ontstaat; bedoelt de regering daarmee het wetsvoorstel dat in voorbereiding
is om professionele doctoraten wettelijk te erkennen?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie delen het standpunt van de regering dat het
onwenselijk is dat het recht op KOT afhankelijk is van de vormgeving van de beurs
van een promovendus, en steunen het voorstel om alle promovendi het recht te geven
op KOT. Deze leden vragen wel in hoeverre te controleren valt of dit recht onder de
voorgestelde nieuwe regels daadwerkelijk bestaat. Klopt het dat een buitenpromovendus
het promotietraject volledig zelf bekostigt, terwijl de universiteit wél een premie
krijgt op het moment dat de promotie wordt afgerond, en dat er daarmee dus een prikkel
bestaat om veel buitenpromovendi aan te nemen? En klopt het dat een buitenpromovendus
in principe zelf kan beslissen hoe lang diens promotietraject duurt, terwijl gedurende
dat hele traject recht op KOT bestaat? Deze leden maken zich geen zorgen om misbruik
van de voorgestelde regeling. Wel stellen zij dat het veel eenvoudiger zou zijn om
de arbeidseis volledig te laten vervallen; de controle of iemand daadwerkelijk een
promotietraject volgt is dan immers niet nodig, wat zowel voor de KOT-ontvanger als
de Dienst Toeslagen veel tijd en moeite scheelt. Kan de regering hierop reflecteren?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen voorts of er nog meer opleidingen zijn
die, vergelijkbaar met de opleiding tot technologisch ontwerper, wel erkend zijn als
opleiding, maar geen recht geven op KOT. Deze leden lezen dat de opleiding tot technologisch
ontwerper beschouwd wordt als een traject in de derde cyclus, net als promoveren.
Zou het mogelijk zijn om in plaats van alleen promovendi en technologisch ontwerpers
in opleiding de hele categorie «derde cyclus» toe te voegen aan artikel 1.6 van de
Wko? Waarom heeft de regering daar niet voor gekozen?
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen in de memorie van toelichting het volgende: «In sommige gevallen kan deze arbeidseis
de arbeidsparticipatie juist in de weg zitten. Bijvoorbeeld als de partner langdurig
ziek is, waardoor de werkende ouder minder moet gaan werken of stoppen met werken.
Daarom zijn er in artikel 1.6 van de Wko verschillende doelgroepen gedefinieerd die
recht hebben op KOT, ook al werken zij niet.» Deze leden vinden het rechtvaardig dat
er voor bepaalde groepen uitzonderingen zijn opgenomen in de Wko. Daarom zijn deze
leden ook voorstander om promovendi zonder dienstverband en technologisch ontwerpers
in opleiding zonder dienstverband recht te verschaffen op de KOT. Deze leden krijgen
regelmatig signalen van mensen met een arbeidsongeschiktheidsuitkering, zoals de WIA,
die geen recht hebben op kinderopvangtoeslag. De partner is dan vaak genoodzaakt om
minder te gaan werken om voor de kinderen te zorgen. Kan de regering uiteenzetten
welke mensen met een arbeidsongeschiktheidsuitkering aanspraak kunnen maken op artikel
1.6 lid 1 onder i, en welke mensen niet? Welke redenering ligt hieraan ten grondslag,
en acht de regering de huidige uitzonderingsbepalingen rechtvaardig?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering of er andere doelgroepen bekend
of in beeld zijn die recht zouden willen hebben op kinderopvangtoeslag, maar niet
voldoen aan de arbeidseis of één van de uitzonderingsbepalingen uit artikel 1.6 van
de Wko. Acht de regering de afbakening van de uitzonderingsbepalingen na aanvaarding
van voorliggend wetsvoorstel volledig?
3. Inburgering
De leden van de D66-fractie zijn positief dat de technische correctie plaatsvindt, tegelijkertijd zijn zij verrast
dat deze situatie heeft kunnen ontstaan en vragen daarom hoe dit heeft kunnen gebeuren.
Waarom is deze groep mensen onbedoeld buiten de regeling terechtgekomen, zo vragen
deze leden. Kan het zijn dat er nog andere groepen hierdoor benadeeld zijn en hoe
kunnen deze leden zich ervan verzekeren dat deze technische correctie afdoende is
om het probleem als geheel op te lossen?
De leden van de D66-fractie vragen voorts hoe zorg wordt gedragen voor een uniforme
toepassing van deze gecorrigeerde regels binnen alle gemeenten. Deze leden merken
op dat deze correcties tot veel frustraties leiden bij mensen die hier recht op hebben,
maar dat dit ook de overheid veel tijd, energie en ambtelijke capaciteit kost. Zodoende
hebben deze leden ook hier de vraag of het niet veel beter zou zijn dit stelsel af
te schaffen en over te gaan op een bijna gratis toegang van de kinderopvang voor alle
werkenden.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat kinderopvang «een belangrijke randvoorwaarde» kan zijn «voor inburgeraars
om in te burgeren en aan hun verplichte activiteiten in het inburgeringstraject te
kunnen voldoen». Deze leden zijn het daarmee eens, en vragen of de regering erkent
dat een vergelijkbare situatie geldt voor werkzoekenden en anderen die nu geen recht
hebben op KOT. Ziet de regering ook dat kinderopvang een belangrijk hulpmiddel, of
zelfs een randvoorwaarde, kan zijn om volwaardig deel te nemen aan de samenleving?
En dat kinderopvang daarnaast van grote meerwaarde kan zijn voor de ontwikkeling van
kinderen? Is zij bereid om de doelgroep van de KOT stapsgewijs verder te verbreden
en uiteindelijk de arbeidseis volledig te laten vervallen?
4. Openingstijden
De leden van de D66-fractie zijn het eens met de verduidelijking van de openingstijden. Het feit dat dit tot
onduidelijkheid leidt en soms tot onprettige en ongewenste situaties tot gevolg heeft
is iets wat moet worden voorkomen, zo vinden deze leden. Wederom zien zij in een verdere
versimpeling van dit systeem een (gedeeltelijke) oplossing van dit probleem. Daarbij
hedden zijn enkele vragen. In hoeveel gevallen is afgelopen jaren de onduidelijkheid
aanleiding geweest tot problemen bij ontvangers van de KOT en heeft dit geleid tot
geschillen? Hoe worden de financiële consequenties voor ouders ingeschat? Zijn er
oudercommissies of andere organisaties geraadpleegd over de voorgenomen wijzigingen
en welke mening hebben zij hierover? Welke effecten worden verwacht bij de kinderopvangorganisaties?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de Dienst Toeslagen sinds 2013 toeslag uitkeert voor uren die op een nationale
feestdag vallen, ook als de betreffende kinderopvangorganisatie op die dag gesloten
is. Deze leden vragen waarom ouders zouden betalen voor kinderopvang op dagen waarop
de kinderopvangorganisatie gesloten is. Zou het niet logischer zijn als ouders in
dat geval eventueel betaalde kosten voor dergelijke dagen terugkrijgen van de kinderopvangorganisatie?
Deze leden vragen voorts of het klopt dat geen recht op KOT bestaat voor andere dagen
waarop een kinderopvangorganisatie gesloten is (bijvoorbeeld als deze standaard op
zondag gesloten is).
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen daarnaast naar de situatie waarin kinderopvangorganisaties
toch kosten in rekening brengen, ook al zijn ze gesloten. Deze leden vragen om nader
inzichtelijk te maken hoe vaak het voorkomt dat kinderopvangorganisaties toch uren
in rekening brengen terwijl er geen kinderopvang wordt afgenomen. Zij vragen tevens
of de regering het signaal herkent dat hiermee door kinderopvangorganisaties wordt
gesjoemeld en dat kinderopvangorganisaties van de situatie gebruik maken dat ouders
niet op de hoogte zijn van alle regels.
De leden van de ChristenUnie-fractie begrijpen dat dit wetsvoorstel poogt de voorwaarden die gelden voor de beschikbaarheid
en openingstijden van de opvang voor het recht op KOT te verduidelijken. In de memorie
van toelichting lezen deze leden dat er opvangorganisaties zijn die op zondagen geopend
zijn. Is er informatie beschikbaar hoeveel opvangorganisaties op zondag geopend zijn
c.q. hoeveel hiervan gebruik gemaakt wordt?
Ouders worden in sommige gevallen onnodig geconfronteerd met hoge kosten doordat opvangorganisaties
dusdanig ruime openingstijden hebben maar ouders hier zelf geen gebruik van maken
(bijvoorbeeld uren tot halverwege de avond). De leden van de ChristenUnie-fractie
vragen de regering of er informatie beschikbaar is over de reikwijdte en het gebruik
van ruime openingstijden.
5. Vaste voet
De leden van de D66-fractie hebben een aantal vragen over de aanpassing van de wet over de vaste voet voor de
KOT. Kan de regering toelichten waarom de huidige wettekst afwijkt van de praktijk
en hoe dit zo heeft kunnen ontstaan? Zijn er situaties denkbaar waarin ouders ondanks
deze wijziging effectief alsnog onder de 33,3% uitkomen, bijvoorbeeld door andere
parameters in het stelsel, zo vragen deze leden.
6. Inkomenseffecten
De leden van de D66-fractie hebben een vraag over de inkomenseffecten van de voorgenomen wetswijzing. Hoe verhouden
deze inkomenseffecten zich tot het bredere doel van het stelsel om werken lonend te
maken?
7. Financiële consequenties
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de inschattingen van de financiële consequenties van dit
wetsvoorstel en hebben daar een aantal vragen over. Zo vragen deze leden waar de verwachting
op is gebaseerd dat de wijziging betrekking heeft op 300 promovendi en 20 technologisch
ontwerpers. Zijn er middelen onbesteed gebleven door de onbedoelde niet vormgegeven
KOT voor inburgeraars in de wet terwijl daar financieel wel in voorzien was? In hoeverre
zijn deze middelen toekomstbestendig gezien de overgang naar een nieuw financieringsstelsel?
8. Regeldruk
De leden van de D66-fractie zien een afname van de regeldruk als een gewenst resultaat van de wijzingen van de
wet en hebben een tweetal vragen. Hoe wordt geborgd dat de uitvoeringspraktijk daadwerkelijk
leidt tot minder complexiteit, in plaats van een verschuiving van complexiteit? En
hoe verandert de regeldruk concreet voor ouders, en in het bijzonder voor de nieuwe
doelgroep die moet aantonen dat zij onder de regeling valt?
9. Monitoring en evaluatie
10. Uitgebrachte adviezen
11. Uitkomsten internetconsultatie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen hoe het komt dat het wetsvoorstel nu pas ingediend is en de beoogde inwerkingtredingsdatum
is verschoven naar 1 januari 2027, in plaats van de eerder gecommuniceerde 1 januari
2025. Voorts vragen deze leden of het klopt dat door de voorgestelde terugwerkende
kracht ongelijkheid ontstaat tussen diegenen die wél KOT hebben aangevraagd en diegenen
in vergelijkbare situaties die dat niet hebben gedaan. Waarom regelt de regering geen
terugwerkende kracht voor deze laatste groep? Deze leden snappen dat veel promovendi
zonder arbeidsovereenkomst zich in een financieel precaire situatie bevinden, maar
merken op dat dat wel sterk kan verschillen en bijvoorbeeld ook afhankelijk is van
of de promovendus in kwestie een (werkende) partner heeft of niet. Deze leden stellen
dat er zeker situaties denkbaar zijn waarin de kosten van kinderopvang (mogelijk met
moeite) opgebracht zijn zonder KOT. Kan de regering uitsluiten dat dergelijke gevallen
bestaan? Zo niet, vindt zij het dan niet wenselijk om de betreffende groep alsnog
recht op KOT te geven over 2025 en 2026?
12. Inwerkingtreding
De voorzitter van de commissie, Van der Lee
Adjunct-griffier van de commissie, Van den Broek
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
T.M.T. van der Lee, voorzitter van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid -
Mede ondertekenaar
E.E. van den Broek, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.