Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over het Fiche: Mededeling Internationale Digitale Strategie (Kamerstuk 22112-4102)
22 112 Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie
Nr. 4312
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 15 april 2026
De vaste commissie voor Digitale Zaken heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd
aan de Minister van Buitenlandse Zaken en de Staatssecretaris van Economische Zaken
en Klimaat over de brief van 11 juli 2025 over het Fiche: Mededeling Internationale
Digitale Strategie (Kamerstuk 22 112, nr. 4102).
De vragen en opmerkingen zijn op 19 september 2025 aan de Minister van Buitenlandse
Zaken en de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat voorgelegd. Bij brief
van 15 april 2026 zijn de vragen beantwoord.
De voorzitter van de commissie, Kathmann
Adjunct-griffier van de commissie, Muller
Inhoudsopgave
I
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van de bewindspersoon
2
Vragen en opmerkingen van de leden van PVV-fractie
2
Vragen en opmerkingen van de leden van GroenLinks-PvdA-fractie
5
Vragen en opmerkingen van de leden van NSC-fractie
14
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van bewindspersoon
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de stukken behorende
bij het schriftelijk overleg inzake het fiche «Mededelingen Internationale Digitale
Strategie». Naar aanleiding hiervan hebben deze leden de volgende vragen.
Zij merken op dat de Europese strategie vrij ambitieus is. Veel onderdelen lijken
vooral een bundeling van plannen die al langer lopen. Wat zijn écht nieuwe maatregelen
en hoe wordt voorkomen dat dit een herhaling wordt van eerder beleid in nieuwe bewoordingen?
Antwoord van het kabinet
De EU internationale digitale strategie zet nieuwe beleidsinitiatieven op en brengt
bestaande initiatieven samen, allen gefocust op het externe beleid van de Europese
Unie. Door reeds bestaande initiatieven te bundelen creëert de strategie een eenduidige
visie van Europese beleidsplannen en doelen, waarmee duplicatie voorkomen wordt. Daarnaast
bevorderen de voorstellen in de internationale digitale strategie de Europese concurrentiekracht
en ondersteunen ze digitale weerbaarheid van de Europese Unie. Voorbeelden van nieuwe
maatregelen zijn het EU Tech Business Offer en het opzetten van een wereldwijd netwerk
van digitale partnerschappen.
De leden van de PVV-fractie lezen dat de strategie zes pijlers telt. De eerste twee
pijlers stellen dat de digitale infrastructuur niet alleen binnen Europa ontwikkeld
dient te worden, maar ook in samenwerking met derde landen. Ook wordt feitelijk opgeroepen
tot intensievere samenwerking met onder andere de Verenigde Staten. Pijler 3 richt
zich op het aanbieden van Europese alternatieven, maar pijlers 4 en 5 roepen weer
op tot samenwerking met derde landen. De laatste pijler roept de EU eigenlijk op om
te zeggen: «Kijk, wij horen er ook bij.» Deze pijlers zijn breed en veelbelovend,
maar nergens wordt duidelijk hoe het succes wordt gemeten. Deze leden vragen of er
duidelijke benchmarks of indicatoren zijn voor de impact van de zes pijlers. Zo ja,
kan de Minister deze nader toelichten?
Antwoord van het kabinet
De strategie zelf bevat geen specifieke indicatoren. De strategie biedt een raamwerk
om de verschillende bestaande instrumenten en initiatieven in één perspectief te bezien.
Wel heeft de EU andere bredere EU-monitoringsinstrumenten. De EU heeft meerdere van
deze instrumenten, waaronder de jaarlijkse Digital Decade rapportages, ondersteund
door data van Eurostat en nationale statistiekbureaus, waarin de voortgang van de
EU en haar lidstaten op onder andere digitale infrastructuur en digitale overheidsdiensten
wordt gemeten
Samengevat roept de strategie op om niet alleen te investeren in digitale infrastructuur
en veiligheid, maar ook om een goede samenwerking met derde landen, waaronder de VS,
niet uit de weg te gaan. Die lezing kunnen de leden van de PVV-fractie volgen en tot
op zekere hoogte ook delen. Deze leden constateren terughoudendheid van het kabinet
om die samenwerking met de VS te benoemen dan wel te onderstrepen. Gaarne zouden zij
van dit kabinet willen weten of het kabinetsstandpunt hierin afwijkt van het standpunt
zoals deze door de Europese Commissie gedeeld wordt alsook een onderbouwing waarom
deze al dan niet afwijkt.
Antwoord van het kabinet
Het kabinet onderschrijft het belang van goede samenwerking met derde landen, waaronder
met de VS. Zeker op het gebied van digitale infrastructuur en veiligheid is de samenwerking
met de VS nauw. Het kabinet blijft zich dan ook inzetten voor de trans-Atlantische
relatie. Tegelijkertijd is het ook van belang om te investeren in het Europese concurrentievermogen
en de strategische afhankelijkheden af te bouwen. De Agenda Digitale Open Strategische
Autonomie (DOSA) van het kabinet voorziet in beleidsacties om deze strategische afhankelijkheden
af te bouwen en daarmee de Nederlandse en Europese positie te versterken.
Het kabinetsstandpunt wijkt daarmee niet af van het standpunt van de Europese Commissie.
Net als de Commissie combineert het kabinet een trans-Atlantische samenwerking met
het versterken van het Europese concurrentievermogen en het gericht afbouwen van strategische
afhankelijkheden.
Daarnaast constateren zij dat betreffende de digitale infrastructuur wordt gesproken
over de zeekabels in het licht van het Programma Bescherming Noordzee Infrastructuur
en niet in het kader van verbeterde connectiviteit en strategisch belang. Graag vernemen
de leden van de PVV-fractie hoe het kabinet ertoe zorg draagt dat de Nederlandse positie
ten opzichte van intercontinentale connectiviteit wordt verbeterd en dat het aantal
aanlandingen van intercontinentale datakabels in Nederland wordt vergroot. Deze leden
lezen daarover enkel de opmerking van het kabinet «... het bevorderen van investeringen
in onderzeese kabels en in het satellietcommunicatieprogramma IRIS» en vragen wat
het kabinet bedoelt met «bevorderen».
Antwoord van het kabinet
Het kabinet onderkent het strategisch belang van intercontinentale zeekabels voor
de digitale economie en de positie van Nederland als digitaal knooppunt. Conform meerdere
aangenomen Kamermoties zet het kabinet actief in op het realiseren van nieuwe aanlandingen
van zeekabels en het versterken van de connectiviteit en redundantie van de Nederlandse
zeekabelinfrastructuur.
De inzet richt zich op het faciliteren van publiek-private samenwerking via de Zeekabel
Coalitie, het verbeteren van randvoorwaarden voor aanlanding en het actief verkennen
van nieuwe zeekabelprojecten, zowel binnen Europa als intercontinentaal. Daarnaast
zet het kabinet in op de internationale promotie van Nederland als aanlandlocatie
en op Europese financieringsinstrumenten.
Met deze gecombineerde inzet werkt het kabinet aan het behoud en de versterking van
het digitaal vestigingsklimaat en de positie van Nederland als digitale hub, en aan
de veiligheid en weerbaarheid van de onderzeese kabelinfrastructuur op de Noordzee
middels het Programma Bescherming Noordzee Infrastructuur.
Voorts lezen zij dat het kabinet, voor wat betreft kwantumtechnologie, van mening
is dat de positie van de EU in deze moet worden versterkt en de Nederlandse positie
in de groeiende wereldwijde leveringsketen voor kwantumtechnologieën moet worden verbeterd.
Deelt het kabinet de mening van de leden van de PVV-fractie dat het Nederlandse belang
in deze geprevaleerd dient te worden boven het belang van de EU, aangezien Nederland
een van de koplopers is op het gebied van deze technologie1?
Antwoord van het kabinet
Het kabinet is van mening dat het Nederlandse belang het beste gediend wordt binnen
een sterke Europese leveringsketen. Kwantumtechnologieën, zoals kwantumcomputers en
kwantuminternet, zijn samengesteld uit verschillende componenten en systemen binnen
een lange leveringsketen. Alleen door op Europees niveau samen te werken zullen we
in staat zijn een eigen volledige leveringsketen op te bouwen, en daarbij onze afhankelijkheid
van andere werelddelen tot een minimum te beperken. Het is daarbij de inzet van het
kabinet om de Nederlandse kwantumbedrijven onmisbare schakels te laten worden in een
Europese leveringsketen. Op deze manier kunnen we onze koploperspositie verzilveren
en deze bedrijven laten bijdragen aan onze toekomstige welvaart en het verminderen
van onze afhankelijkheden.
Deze leden lezen vervolgens dat het kabinet de prioriteiten en handhaving van de Digitaledienstenverordening
(DSA) onderschrijft. Zij vrezen dat het crisisresponsemechanisme van deze verordening
zou kunnen leiden tot censuur, terwijl de effectiviteit van «community notes» reeds
volstaat ter bestrijding van onjuiste informatie. Deelt het kabinet deze zorg en wat
gaat dit kabinet doen om te voorkomen dat deze verordening leidt tot censuur? Zo nee,
waarom niet?
Antwoord van het kabinet
Het kabinet deelt deze zorg niet. Het kabinet heeft er bij de totstandkoming van de
DSA succesvol op aangedrongen om robuuste waarborgen op te nemen met betrekking tot
de uitoefening van deze bepaling over het crisisresponsemechanisme.
De drempel voor het inzetten van artikel 36, waarin het crisisresponsmechanisme is
vastgelegd, is hoog. Het kabinet heeft bij de totstandkoming van de DSA ook aangedrongen
op het opnemen van robuuste waarborgen met betrekking tot de inzet voor deze bevoegdheid.
De Europese Commissie moet bij het uitoefenen van haar bevoegdheid aan twee cumulatieve
voorwaarden voldoen: (i) er moet een aanbeveling zijn van de Europese Raad voor digitale
diensten, en (ii) er moet sprake zijn van een crisis waarbij buitengewone omstandigheden
leiden tot een ernstige bedreiging van de openbare veiligheid of volksgezondheid in
de Unie, of een aanzienlijk deel daarvan. De Europese Commissie moet bovendien aan
zowel de Raad als het Parlement rapporteren als zij de bevoegdheid van artikel 36
inzet en daarmee verantwoording afleggen. Bovendien heeft het kabinet actief en succesvol
gepleit voor een tijdsgebonden limiet aan de maatregelen die de zeer grote online
platforms en zoekmachines in kwestie zouden moeten nemen als er ooit gebruik zou worden
gemaakt van artikel 36 DSA. Conform artikel 36, derde lid, onder c, mag het besluit
van de Europese Commissie om maatregelen van zeer grote online platforms en zoekmachines
te eisen niet langer dan drie maanden van toepassing zijn.
Voor wat betreft de effectiviteit van «community notes», heeft dit instrument inderdaad veel potentie, die op dit moment helaas nog niet
volledig gerealiseerd wordt.2
De leden van de PVV-fractie merken ten slotte op dat er wederom meer macht belegd
wordt bij de EU. Deze leden willen graag weten wat dit kabinet gaat doen voor het
behoud van de Nederlandse autonomie.
Antwoord van het kabinet
De Internationale Digitale Strategie richt zich op het externe digitale beleid van
de Europese Unie, en beoogt daarbij de samenhang van het interne en externe beleid
te versterken. De IDS zet nieuwe beleidsinitiatieven op en brengt bestaande initiatieven
samen, alle gefocust op het richting geven aan het externe beleid van de Europese
Unie. De nieuwe beleidsinitiatieven verlenen de EU daarbij geen nieuwe bevoegdheden.
Vragen en opmerkingen van de leden van de GL-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van de Internationale
Digitale Strategie (IDS). Techniek is geopolitiek, snappen deze leden. Daarom pleiten
zij voor een gezamenlijke Europese strategie met drie prioriteiten: 1) beschermen
van Europese waarden; 2) het bevorderen van strategische autonomie; 3) het versterken
van de eigen economie. Dit vraagt om een digitale industriepolitiek met een sterke
rol voor Nederland. Deze punten zullen naar voren komen in de inbreng van deze leden.
Deze leden zich achter de zes genoemde prioriteiten. Deze dragen volgens hen bij aan
waardevolle digitalisering. Echter, vragen deze leden hoe de pijlers tot stand zijn
gekomen. Zijn dit dezelfde prioriteiten die Nederland had gesteld? Zijn er nog prioriteiten
die nog missen?
Antwoord van het kabinet
De zes pijlers van de strategie sluiten aan bij bestaande EU-prioriteiten voor digitalisering
en internationale samenwerking. De Commissie bouwt dan ook voort op eerdere EU-beleidskaders,
evenals op consultaties met de verschillende actoren. Het Kabinet staat achter de
zes genoemde prioriteiten, welke ook grotendeels overeenkomen met Nederlandse strategieën
op het gebied van digitalisering, waaronder de Agenda Digitale Open Strategische Autonomie.3
Zij pleiten verder voor een ambitieuze digitale industriepolitiek. De Rijksoverheid
heeft de unieke mogelijkheid om als marktmeester vorm te geven aan de techindustrie
die nodig is voor de veiligheid van Nederland en de Europese autonomie. Deze leden
stellen dat de totale afhankelijkheid van Amerikaanse bedrijven, met name op het gebied
van cloudtechnologie, een ernstig risico vormt voor lidstaten en de EU als geheel.
Deelt de Minister de mening dat deze strategische afhankelijkheid met spoed moet worden
teruggedrongen? Welke stappen kan de bewindspersoon zetten om de komende jaren deze
afhankelijkheden af te bouwen?
Antwoord van het kabinet
De Europese afhankelijkheid op het gebied van cloud is groot. Europa moet voor zijn
veiligheid eenzijdige afhankelijkheden, zoals op cloudgebied, afbouwen. Tegelijkertijd
blijft het kabinet zich inspannen voor de trans-Atlantische relatie en is het niet
in ons belang om ons volledig los te maken van de VS, onder meer om continuïteit van
clouddienstverlening en toegang tot hoogwaardige diensten te waarborgen. De Agenda
Digitale Open Strategische Autonomie van het kabinet voorziet in beleidsacties die
ons concurrentievermogen en onze weerbaarheid in het digitale domein versterken, onder
meer door het mitigeren van risicovolle strategische afhankelijkheden.
Het kabinet neemt actief stappen om afhankelijkheden van cloudtechnologie af te bouwen,
zowel bij overheidsgebruik van clouddiensten maar ook in de bredere markt. In de kabinetsreactie
op de initiatiefnota «Wolken aan de Horizon» van de leden Kathmann en Six Dijkstra
heeft het kabinet uiteengezet dat het – vanwege de internationale aard van de problematiek
op de cloudmarkt – van essentieel belang is om deze problemen waar mogelijk in Europees
verband beleidsmatig aan te pakken, bijvoorbeeld middels wetgeving als de reeds bestaande
Dataverordening en de aankomende Cloud and AI Development Act (CADA). In de Kamerbrief
over Europese cloud-alternatieven heeft de toenmalige Minister van Economische Zaken
de Tweede Kamer geïnformeerd over de lopende initiatieven die onderdeel zijn van de
geïntegreerde Europese aanpak om Europese cloud-alternatieven te stimuleren en afhankelijkheid
te verminderen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie herinneren de Minister aan de vele aangenomen
Kamermoties (Kamerstuk 36 574, nr. 5) die verzoeken om clouddiensten van Nederlandse-Europese leveranciers af te nemen.4 Betrekt de Minister deze moties bij de uitvoering van de Internationale Digitale
Strategie? Wat is zijn bijdrage aan het bouwen van een soevereine Rijkscloud? Ook
wijzen deze leden op dat huidige inkooptrajecten en aanbestedingen een sterke nationale
techindustrie in de weg staan. Telkens weer gaan overheden in zee met de makkelijkste
optie – Microsoft, Google, Amazon – waardoor er geen business case ontstaat voor Nederlands-Europese
bedrijven. Deelt de Minister deze analyse en wat gaat hij doen om deze trend te keren?
Moet het aanpassen van inkoop- en aanbestedingswetgeving op Europees niveau volgens
hem een onderdeel zijn van de IDS?
Antwoord van het kabinet
Momenteel vindt er een herziening van de aanbestedingsrichtlijnen plaats in Europa.
Met de IDS wil het kabinet dit traject niet doorkruisen.
Het kabinet is ter ore gekomen dat de Commissie in de herziening van de aanbestedingsrichtlijnen
overweegt om een Europees voorkeursprincipe bij aanbesteden voor strategische sectoren
op te nemen. Daarbij kan ook gekeken worden naar de cloudsector. Het kabinet is terughoudend
met de inzet van een dergelijk principe en is van mening dat per sector zorgvuldig
en gericht moet worden afgewogen of de baten van de inzet van een dergelijk principe
opwegen tegen de kosten.5 Het kabinet is tevens van mening dat het instrument in beginsel enkel moet worden
ingezet om de weerbaarheid van de Unie te versterken en eventuele toepassing moet
daarbij tijdelijk, doelmatig en proportioneel zijn. De toegang voor gelijkgestemde
handelspartners moet hierin niet belemmerd worden. Een Europees voorkeursprincipe
in aanbestedingen zou, samen met andere maatregelen, kunnen bijdragen aan het afbouwen
van strategische afhankelijkheden.
Deze leden lezen dat de Europese Commissie buurlanden en kandidaat-lidstaten nauw
betrekken. Graag vernemen zij om welke landen dit gaat en hoe die samenwerking er
in de praktijk uitziet.
Antwoord van het kabinet
De Commissie noemt in de strategie geen individuele landen als specifieke partnerlanden.
De beoogde samenwerking kan verschillende vormen aannemen, waaronder technologische,
regelgevende en capaciteitsopbouwende activiteiten. Deze vormen van samenwerking zullen
worden geïntegreerd in de EU-brede digitale partnerschappen.
Ook lezen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie dat de private sector een belangrijke
rol heeft in de strategie. Kan de Minister duidelijk uitleggen welke rol hij voor
de private techsector ziet? Hoe gaat hij hen in staat stelt om alternatieven te ontwikkelen
voor technologie uit andere grootmachten?
Antwoord van het kabinet
Uiteraard is het aan de Europese techindustrie om te innoveren en mondiaal concurrerend
te zijn om eenzijdige afhankelijkheden te verminderen. Het is de taak van de overheid
om de juiste randvoorwaarden te creëren voor de techindustrie, evenals waar nodig
en mogelijk innovatie te faciliteren en bevorderen.
Voor AI wordt dat bijvoorbeeld in Nederland en de EU gedaan in de vorm van AI-fabrieken,
waardoor AI-startups geavanceerde AI-modellen kunnen trainen en vanuit de overheid
financiële middelen beschikbaar zijn gesteld (zie voor meer AI voorbeelden vraag 14).
Een ander voorbeeld is het Important Project of Common European Interest (IPCEI) instrument,
een Europees samenwerkingsverband van bedrijven en onderzoeksorganisaties. Nederland
neemt deel aan IPCEI CIS, waaraan meer dan 100 bedrijven en onderzoeksorganisaties
uit twaalf EU-lidstaten deelnemen met hulp van staatssteun met een totaal investeringsvolume
van ongeveer 4 miljard euro voor de periode 2024–2031. Het doel is om een volledig
nieuwe Europese gedecentraliseerde software infrastructuur voor het geavanceerde gebruik
van computerbronnen op het gebied van cloud en edge (een zogenoemd «Multi Provider CloudEdge Continuum») te bouwen.
Voor andere initiatieven die onderdeel zijn van de geïntegreerde Europese aanpak om
Europese cloud-alternatieven te stimuleren verwijs ik naar de Kamerbrief over Europese
cloud-alternatieven.6 Tot slot wil het kabinet nog benoemen dat met de aankomende Cloud and AI-development
Act wordt aangezet om de duurzame private datacenter capaciteit in vijf tot zeven
jaar te verdriedubbelen in Europa en de ontwikkelingen en adoptie van zelfstandige
Europese cloud alternatieven te stimuleren.
Volgens deze leden vraagt dat om een investeringsagenda en een inkoop- en aanbestedingsbeleid
van de Rijksoverheid dat de eigen markt versterkt. Deelt de bewindspersoon deze mening,
en zo ja, hoe gaat hij hier aan bijdragen?
Antwoord van het kabinet
Ten aanzien van het versterken van de eigen markt door middel van inkoop- en aanbestedingsbeleid
verwijs ik naar het antwoord op vraag 10.
Zij zijn blij met de aandacht die de Internationale Strategie vestigt op de inrichting
van het internet. De EU heeft een unieke positie om met standaarden en afspraken vorm
te geven aan het internet. Deze leden vragen de Minister om toe te lichten wat volgens
hem een «open, vrij en veilig internet» betekent. Op welke manieren is het internet
momenteel niet open, vrij en veilig? Wat is de ideale situatie waar we naartoe moeten
werken volgens hem? En welke maatregelen stelt Nederland voor om daar te komen? Welke
middelen wendt de Minister daarvoor aan?
Antwoord van het kabinet
Een open, vrij en veilig internet betekent dat gebruikers vrij zijn van oneigenlijke
invloeden op het internet. Het internet is een netwerk dat innovatie, kennisuitwisseling
en communicatie stimuleert en verbetert. Fundamentele vrijheden zoals vrijheid van
meningsuiting en vrijheid van verenigingen worden door een open, vrij en veilig internet
beschermd en ondersteund.
Tussen veiligheid en vrijheid is een spanningsveld aanwezig en dat spanningsveld is
eveneens zichtbaar in internationale discussies. Maatregelen die beantwoorden aan
nationale prioriteiten kunnen gevolgen hebben voor de internationale interoperabilitieit
of interconnectiviteit en leiden tot fragmentatie van het internet. Ook kunnen deze
maatregelen inbreuk maken op fundamentele vrijheden en mensenrechten. Het kabinet
zet zich in om fragmentatie tegen te gaan en mensenrechten te beschermen.
In de Internationale Cyberstrategie 2023–2028 wordt de diplomatieke inzet omschreven
die nodig is voor een open, vrij en veilig digitaal domein. Daarnaast richt Nederland
zich op het versterken van het multistakeholdermodel voor het beheer van het internet,
zodat er niet één overheid, bedrijf of belangengroep een dominante rol aanneemt in
het vormgeven van het internationale internet. Het Kabinet streeft naar strategische
coalities met gelijkgestemde landen en partners. Daarnaast zoekt Nederland actief
een dialoog met landen voor erkenning en toepassing van internationaal recht en mensenrechten
online. We doen dit in een breed scala van internationale organisaties en gremia,
waaronder het Internet Governance Forum (IGF), waaraan Nederland ook een financiële
bijdrage levert.
Ook is Nederland lid van de Freedom Online Coalition (FOC). De Freedom Online Coalition
is een internationaal samenwerkingsverband opgericht in december 2011 tijdens de Freedom
Online Conference in Den Haag. De coalitie richt zich op internetvrijheid en digitale
rechten. Er zijn 41 landen lid, verspreid over alle continenten. Alle lidstaten verbinden
zich ertoe de mensenrechten en fundamentele vrijheden, zoals verankerd in de Universele
Verklaring van de Rechten van de Mens, ook in de online wereld te waarborgen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie steunen de ambitie van het kabinet om actief
bij te dragen aan een waardengedreven Europees digitaal ecosysteem. Deze leden constateren
echter dat Nederland in de praktijk weinig voor elkaar krijgt op dit gebied. Zo is
het nog steeds onduidelijk welke middelen er zijn voor de Nederlandse Digitaliseringsstrategie,
leeft de Rijksoverheid bij lange na niet de eigen digitale standaarden na, en worden
we eerder méér dan minder afhankelijk van Big Tech-bedrijven. Kan de Minister uitleggen
hoe hij dit gaat keren? Welke aanvullende nationale maatregelen neemt hij op basis
van de IDS?
Antwoord van het kabinet
De IDS richt zich op digitaliseringsvraagstukken in de verhoudingen tussen de EU en
derde landen; de Nederlandse Digitaliseringsstrategie op het stellen van prioriteiten,
wegnemen van belemmeringen en gericht versnellen van onze digitale transitie in Nederland.
Er zijn duidelijk thematische raakvlakken tussen deze plannen en gedeelde belangen,
en het kabinet steunt deze inzet van de Europese Unie dan ook. Het ligt echter niet
voor de hand om aanvullende nationale maatregelen te nemen naar aanleiding van de
IDS.
Zij steunen de ambitie op het gebied van artificiële intelligentie (AI). Het ontwikkelen
van het Nederlandse taalmodel GPT-NL en het bouwen van de AI-fabriek in Groningen
dragen hieraan bij. Welke rol ziet Minister voor zich om deze twee projecten te ondersteunen?
Deelt hij de mening dat deze projecten van strategisch belang zijn en de volle steun
van het kabinet verdienen?
Antwoord van het kabinet
Het kabinet onderschrijft de ambitie van Nederland om een sterke positie op te bouwen
op het gebied van AI. Initiatieven zoals de ontwikkeling van GPT-NL en de realisatie
van een AI-fabriek spelen hierbij een belangrijke rol.
Het kabinet voorziet voornamelijk een faciliterende en stimulerende rol. Dat betekent
onder meer dat het Rijk kan bijdragen door financiële ondersteuning, zoals is gebeurd
bij de start van GPT-NL met financiering vanuit de Faciliteiten Toegepast Onderzoek
(FTO) investering door RVO. Voor de AI-fabriek in Groningen heeft het Rijk eveneens
meegefinancierd, samen met de regio Groningen en Noord-Drenthe en de Europese Commissie.
Ook draagt het kabinet bij aan het verbinden van partijen uit de wetenschap, het bedrijfsleven
en de overheid, onder meer via de AI Coalitie voor Nederland (AIC4NL) en Digital Holland,
zodat projecten als GPT-NL en de AI-fabriek ook landen in het bredere ecosysteem.
Ten slotte is het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties afnemer
in de eerste fase van GPT-NL, waarin GPT-NL beproefd wordt in een aantal verschillende
toepassingen. Het doel is testen, doorontwikkelen en finetunen van GPT-NL voor specifieke
taken.
Het kabinet erkent dat projecten zoals GPT-NL en de Nederlandse AI-fabriek kunnen
bijdragen aan digitale soevereiniteit, innovatiekracht en economische groei en daarmee
van strategisch belang zijn. Bovendien dragen deze projecten bij aan een verantwoorde
ontwikkeling van AI. Daarom wordt in samenwerking met kennisinstellingen, bedrijven
en overheden bekeken hoe deze initiatieven het best kunnen worden ondersteund en ingebed
in de bredere Nederlandse en Europese AI-strategie.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen hoe Nederland een onderscheidende rol
kan spelen om betrouwbare AI te ontwikkelen. Deze leden zien dat vrijwel elk land
zich opwerpt als «koploper» op AI. Welke unieke expertise heeft Nederland die de Minister
wil inzetten? Welke samenwerkingen ziet de bewindspersoon voor zich? Bovendien benadrukken
de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie dat het van het grootste belang is dat de
implementatie van de Europese AI-verordening geen vertraging oploopt. Dit zou betekenen
dat de EU haar regulerende taak laat schieten en zich verder buitenspel zet op het
gebied van waardevolle AI-ontwikkeling. Kan de bewindspersoon toezeggen dat hij te
alle tijden zal pleiten voor een volledige en snelle implementatie van de AI-verordening?
Antwoord van het kabinet
Nederland kan een onderscheidende rol spelen in de ontwikkeling van betrouwbare AI
door te bouwen op een combinatie van sterke wetenschappelijke expertise, een publiek-privaat
innovatie-ecosysteem, zowel nationaal als regionaal, en initiatieven die expliciet
gericht zijn op ethische, juridische en maatschappelijke waarborgen. Op dat laatste
heeft Nederland internationaal een sterke positie. Dit komt onder meer tot uitdrukking
in de ELSA-labs, waarin onderzoekers, bedrijven, overheden en maatschappelijke organisaties
samenwerken rond de ethische, juridische en maatschappelijke aspecten van AI. Met
het initiatief GPT-NL wordt gewerkt aan een transparant Nederlands taalmodel, waarbij
een deel van de opbrengsten terugvloeit naar de auteursrechthebbenden. Ten slotte
zal de AI-fabriek in Groningen de nodige randvoorwaarden bieden om betrouwbare AI
te kunnen ontwikkelen.
Zij onderschrijven dat de geopolitieke situatie dwingt tot actie op het gebied van
strategische autonomie. Hiertoe wil de Minister nieuwe partnerschappen aangaan en
bestaande partnerschappen versterken. Deze leden wensen te vernemen welke strategische
partnerschappen de Minister kansrijk vindt. Wat is het standpunt van dit kabinet over
de samenwerking met de Verenigde Staten, wetende dat de regering-Trump een vijandige
houding heeft tegenover de EU en hardop zegt dat onze wet- en regelgeving niet deugt?
De leden vragen om nooit toe te geven aan de druk vanuit de VS om digitale wet- en
regelgeving te verzwakken of vertragen. Deelt de bewindspersoon deze mening?
Antwoord van het kabinet
Voor het kabinet staat voorop dat Nederland en de EU over hun eigen wet- en regelgeving
gaan en dat aanpassing van regelgeving onder druk van derde landen niet aan de orde
is.
Daarbij is het zo dat de VS een belangrijke bondgenoot is. Het is dan ook van belang
om actief in gesprek te blijven met de VS en Amerikaanse bedrijven. Amerikaanse technologiebedrijven
leveren bovendien belangrijke producten en diensten waar onze digitale economie en
samenleving op draait. Het kabinet zet zich er bij de EU er voor in om de Europese
innovatiekracht en concurrentievermogen te vergroten en hecht eraan dat eenzijdige
afhankelijkheden, bijvoorbeeld op cloudtechnologie, waar nodig worden afgebouwd.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn zeer kritisch op het voorstel in de ProtectEU
Strategie om te onderzoeken of end-to-endencryptie verbroken kan worden. In een recente
Kamerbrief van de Minister van Buitenlandse Zaken inzake «Fiche: Routekaart rechtmatige
en effectieve toegang tot data ten behoeve van de opsporing» d.d. 29 augustus jl.
(Kamerstuk 22 112-4116) geeft de bewindspersoon aan dat hij deze onderzoeken steunt, maar tegelijk end-to-endencryptie
niet onmogelijk wil maken. Dit zijn volgens deze leden tegenstrijdige wensen die niet
beide waar kunnen zijn. Waarom steunt het kabinet zowel een onderzoek naar decryptie
als het kabinetsstandpunt dat end-to-endencryptie in stand moet worden gehouden? Zij
vragen hem om de Kamer nauw te informeren over zijn inzet op dit gebied. Heeft de
bewindspersoon kennisgenomen van de brandbrief van de Global Encryption Coalition
van 26 mei 2025?7 Kan hij deze voorzien van een appreciatie? De leden benadrukken dat encryptie een
essentiële beveiliging biedt en dat het ontwikkelen van decryptiemogelijkheden onze
cyberveiligheid en privacy ernstig onder druk zetten. Daarom verzoeken deze leden
om een negatieve grondhouding aan te nemen tegenover voorstellen die encryptie bedreigen,
zoals is verzocht door de Kamer in de motie van het lid Van Raan c.s.8 en de motie van het lid Kathmann c.s.9 op een soortgelijk onderwerp.
Antwoord van het kabinet
De ProtectEU strategie roept niet op om encryptie te doorbreken. Daar waar de Commissie
het in de strategie heeft over «decryptie», betreft het een oproep tot samenwerking
op reeds bestaande technische voorzieningen van de lidstaten om toegang te verkrijgen
tot in beslag genomen telefoons in strafzaken. Voor wat betreft encryptie geeft de
Commissie in haar ProtectEU het volgende aan:
«Om gevolg te geven aan de aanbevelingen van de [High Level Group, hierna «HLG»] zal
de Commissie in de eerste helft van 2025 een routekaart presenteren met de juridische
en praktische maatregelen die zij voorstelt te nemen om een rechtmatige en effectieve
toegang tot gegevens te waarborgen. In het kader van de follow-up van deze routekaart
zal de Commissie prioriteit geven aan een beoordeling van het effect van de regels
inzake gegevensbewaring op EU-niveau en aan de voorbereiding van een technologieroutekaart
inzake encryptie, teneinde technologische oplossingen te vinden en te beoordelen die
rechtshandhavingsinstanties in staat zouden stellen op rechtmatige wijze toegang te
krijgen tot versleutelde gegevens, waarbij de cyberbeveiliging en de grondrechten
worden gewaarborgd.»
Op 24 juni 2025 heeft de Commissie deze routekaart gepresenteerd. In deze routekaart
kondigde de Commissie tevens aan, conform de aanbevelingen van de HLG, dat zij een
technologische routekaart zal uitwerken. Hiermee zal, waar nodig, de mogelijkheid
en haalbaarheid worden onderzocht van gerichte rechtmatige toegang tot versleutelde
informatie, waarbij cybersecurity en de bescherming van grondrechten gewaarborgd blijven.
Met betrekking tot de routekaart van 24 juni heeft het kabinet een BNC-fiche gezonden aan de Kamer d.d. 29 augustus 2025. Hierin schreef het kabinet, indachtig
de aanbevelingen van de HLG om een voorzichtige aanpak te hanteren bij het ontwerpen
van oplossingen voor rechtmatige toegang tot systemen – dat de industrie mag niet
worden gevraagd systemen te integreren die de encryptie op een algemene of systematische
manier voor alle gebruikers van een dienst kunnen verzwakken. Rechtmatige toegang
tot gegevens moet in dit kader gericht blijven en beperkt blijven tot specifieke communicatie,
van geval tot geval. Ook schreef het kabinet dat dergelijke regulering vorm krijgen
met inachtneming van grondrechten (waaronder privacy en vertrouwelijkheid van communicatie),
de jurisprudentie van het EU-Hof en relevante wetgeving inzake gegevensbescherming
– en op proportionele en evenwichtige wijze, met betrokkenheid van alle relevante
stakeholders. Daarbij is het belangrijk om digitale en nationale veiligheidsrisico’s
te voorkomen.
Zij steunen de positie van het kabinet over platformregulering. Sociale media zijn
een cruciaal middel gebleken waarop overheden, bedrijven en statelijke actoren druk
en beïnvloeding kunnen uitoefenen. Het reguleren van Big Tech is daarmee een geopolitieke
kwestie geworden. Hoe definieert de Minister «Big Tech» en wanneer is er sprake van
een strategische afhankelijkheid? Hoe kijkt hij vanuit zijn positie naar wetgeving
als de Digital Services Act (DSA) en de Digital Markets Act (DMA)? Bieden deze voldoende
(strategisch) tegenwicht aan de Amerikaanse monopolisten die de grootste sociale media
platforms beheren? Zijn er zaken die volgens de bewindspersoon absoluut een plek moeten
krijgen in de Digital Fairness Act (DFA)?
Antwoord van het kabinet
De DSA en DMA zijn tot stand gekomen om een veilige digitale omgeving te creëren en
om eerlijke concurrentie in het digitale domein te realiseren, niet vanwege geopolitieke
doeleinden. In de context van de DMA wordt «Big Tech» veelal gedefinieerd als poortwachter
van kernplatformdiensten en in de context van de DSA als Very Large Online Platforms (VLOPs) of Very Large Online Search Enginges (VLOSe). Een VLOP/VLOS is een online platform of zoekmachine met gemiddeld meer dan
45 miljoen maandelijkse actieve gebruikers in de EU. Het kabinet steunt de Europese
Commissie en andere toezichthouders in het onverkort en niet-discriminatoir handhaven
van de DSA en DMA, ongeacht waar de bedrijven vandaan komen. Op dit moment lopen diverse
onderzoeken en procedures naar bedrijven, waardoor het kabinet op dit moment geen
zorgen heeft dat er sprake is van terughoudendheid of aarzeling bij handhaving.
Het kabinetsbeleid aangaande afhankelijkheden is uiteengezet in de Kamerbrief over
kabinetsaanpak Strategische Afhankelijkheden10. Het kabinet spreekt van een afhankelijkheid voor Nederland als (i) we van een product,
dienst of technologie relatief veel importeren ten opzichte van de binnenlandse productie
en (ii) de invoer hiervan afkomstig is uit een beperkt aantal landen van buiten de
EU. Hierbij zijn zowel directe afhankelijkheden als indirecte afhankelijkheden (handelsstromen
die via andere landen lopen) relevant. Ook kunnen afhankelijkheden ontstaan op het
terrein van de Nederlandse zeggenschap-, kennis-, innovatie- of investeringspositie.
Een afhankelijkheid is strategisch wanneer het betreffende product, dienst of technologie
cruciaal is voor het borgen van publieke belangen van Nederland en/of de EU, of de
afhankelijkheid een risico vormt voor de continuïteit van vitale processen of de toegang
tot gevoelige informatie voor derden. Om te bepalen of een strategische afhankelijkheid
ook als risicovol kan worden bestempeld, zal het risico op leveringsonderbrekingen
beoordeeld moeten worden. Het kabinet heeft in aanloop naar de aangekondigde Digital Fairness Act (DFA) een non-paper opgesteld.11 Het kabinet zet zich onder meer in voor de Europese aanpak van verslavend ontwerp
in sociale media en verleidingstechnieken in games, zoals in-game aankopen en lootboxes.
Het wetgevend voorstel wordt het vierde kwartaal van dit jaar verwacht. De Tweede
Kamer zal via de regulier route van een BNC-fiche nader geïnformeerd worden over de
Nederlandse inzet.
Deze leden onderstrepen het belang van interoperabiliteit. Zij vragen de Minister
om uit te leggen welke diensten met spoed interoperabel moeten worden en hoe hij deze
ontwikkeling in gang zet. Geldt dit ook voor sociale media platforms?
Antwoord van het kabinet
Het kabinet ziet interoperabiliteit als belangrijk instrument om digitale markten
open, eerlijk en concurrerend te houden. Interoperabiliteit kan het voor gebruikers
eenvoudiger maken om tussen diensten te wisselen of verschillende diensten met elkaar
te gebruiken, en bevordert daarmee de keuzevrijheid voor gebruikers. Met de Digital
Markets Act (DMA) is een goede stap gezet om interoperabiliteit in digitale markten
te vergroten. Zo geldt voor aangewezen poortwachters een interoperabiliteitsverplichting
voor berichtendiensten. Dit betekent dat aanbieders van dergelijke diensten interoperabiliteit
moeten faciliteren zodat gebruikers van verschillende berichtendiensten met elkaar
kunnen communiceren.
In algemeenheid moedig ik interoperabiliteit in digitale diensten dus aan, maar mijn
inzet wat betreft het (via regulering) verplicht stellen hiervan verschilt per dienst.
Zo geldt er momenteel geen interoperabiliteitsverplichting voor sociale-mediaplatforms.
Deze verplichting zou gebruikers meer keuzevrijheid kunnen bieden en tegelijkertijd
is het technisch realiseren van operabiliteit in deze markt uitdagend. Sociale media
bestaan uit verschillende soorten diensten, die in functionaliteit onderling verschillen.
Dit maakt dat verdere verkenning nodig is om helder te krijgen hoe deze diensten technisch
en operationeel het beste interoperabel gemaakt kunnen worden.
Eén markt die eruit springt bij discussies over interoperabiliteit is de markt voor
clouddiensten. Ook hier is sprake van een complexe markt, met verschillende soorten
diensten en aanbieders. Er zijn signalen dat het voor afnemers van clouddiensten momenteel
uitdagend kan zijn om van de ene naar de andere aanbieder over te stappen, of om diensten
van verschillende aanbieders te laten samenwerken. Bedrijfseconomische overwegingen
spelen hierin een rol maar ook technologische beperkingen zijn van belang. Mogelijk
kan een grotere mate van interoperabiliteit helpen om deze overstapdrempel te verlagen.
Tegelijkertijd is de markt voor clouddiensten nog in ontwikkeling en tegen die achtergrond
is het op dit moment te vroeg om vooruit te lopen op mogelijke vervolgstappen. Ik
volg de ontwikkelingen op deze markt nauwgezet en clouddiensten zijn ook onderdeel
van de evaluatie van de DMA die de Commissie momenteel uitvoert. De uitkomsten hiervan
worden begin mei verwacht en deze neem ik mee in het bepalen van mijn nadere inzet
op het gebied van cloud en interoperabiliteit.
Tot slot benadrukken de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie dat, ondanks de goede
ambities, de Internationale Digitale Strategie nog niet concreet is. Het gaat uit
van acties van individuele lidstaten, echter doet Nederland volgens de leden nog niet
genoeg. Deze leden vragen de Minister om uit te leggen hoe Nederland zich hard zal
maken om zo snel mogelijk een concreet vervolg te geven aan de strategie.
Antwoord van het kabinet
Nederland zet zich actief in voor de verdere uitwerking en concretisering van de internationale
digitale strategie. Dit gebeurt onder meer via consultaties met de Europese Commissie
en via inbreng in verschillende Raadswerkgroepen in Brussel.
Vragen en opmerkingen van de leden van de NSC-fractie
De leden van de NSC-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het BNC-Fiche
Internationale Digitale Strategie en willen naar aanleiding daarvan enkele vragen
aan het kabinet voorleggen.
Het kabinet stelt in het BNC-fiche vast dat een aantal belangrijke digitale domeinen
niet in de IDS zijn opgenomen. Deze leden verzoeken het kabinet daarom om aan te geven
welke domeinen volgens haar ontbreken en hoe het kabinet beoogt deze alsnog te integreren
binnen de uitvoering van de strategie. Daarnaast merkt het kabinet in het BNC-fiche
op dat de IDS geen heldere prioritering bevat. Deze leden vragen welke prioriteiten
het kabinet zelf als meest urgent en relevant beschouwt.
Antwoord van het kabinet
In het coalitieakkoord heeft het kabinet beschreven dat het de ontwikkeling van Nederlandse
en Europese capaciteiten als essentieel beschouwt. Digitale autonomie is daarbij het
uitgangspunt, waarbij afhankelijkheden in cloud, data en cruciale systemen worden
afgebouwd. De focus van de IDS op de opbouw van een sterkere Europese techsector sluit
daarom goed aan bij de inzet van het kabinet. Daarnaast biedt de IDS, onder meer via
het EU Tech Business Offer en de digitale partnerschappen, Nederland en de EU middelen
om deze doelen te behalen. Onderwerpen die niet in de IDS benoemd worden, maar wel
door het kabinet als belangrijk worden gezien, kunnen bijvoorbeeld via deze partnerschappen
geïntegreerd worden in de uitvoering van de strategie.
Ook valt het op dat in het BNC-Fiche het onderwerp digitale soevereiniteit niet expliciet
door het kabinet wordt benoemd, terwijl dit binnen de Nederlandse Digitaliseringsstrategie
(NDS) als een speerpunt geldt. De leden van de NSC-fractie willen het kabinet dan
ook vragen hoe zij de relatie tussen de Europese Internationale Digitale Strategie
en het NDS ziet en welke rol het kabinet hierin voor zichzelf weggelegd acht. Daarnaast
willen zij weten of het kabinet bereid is zich in EU-verband actief in te zetten voor
aanbestedingscriteria die het gebruik van open source software en Europese technologische
oplossingen stimuleren, bijvoorbeeld door strategische publieke inkoop als instrument
in te zetten om Europese innovatie te bevorderen en een eerlijkere markt te creëren.
Antwoord van het kabinet
Zoals opgemerkt bij de beantwoording van vraag 13 richt de IDS zich op digitaliseringsvraagstukken
in de verhoudingen tussen de EU en derde landen. De Nederlandse Digitaliseringsstrategie
richt zich voornamelijk op het stellen van prioriteiten, wegnemen van belemmeringen
en gericht versnellen van onze digitale transitie in Nederland. Thematisch is digitale
autonomie een duidelijk raakvlak tussen de twee plannen, en een prioriteit van het
kabinet. Zo gaat de IDS bijvoorbeeld in op samenwerkingen met derde landen op het
gebied van veilige en weerbare digitale infrastructuur, waarvan ook Nederland gebruik
maakt.
Ten aanzien van aanbestedingscriteria en strategische inkoop ter stimulering van Europese
technologische oplossingen verwijs ik naar het antwoord op vraag 10.
In de IDS koppelt de Commissie toegang tot de interne markt en deelname aan internationale
partnerschappen nadrukkelijk aan de naleving van EU-regels zoals de AI Act, DSA, DMA
en AVG. Hoewel het kabinet dit principe onderschrijft, benadrukt zij in het BNC-Fiche
dat er meer duidelijkheid nodig is over de praktische uitwerking hiervan, met name
met betrekking tot verantwoordelijkheden en toezicht. De leden van de NSC-fractie
vragen het kabinet of zij ook voorstellen heeft voor het vormgeven van de implementatie
van deze koppeling en op welke wijze toezicht en handhaving daarbij het beste kunnen
worden georganiseerd.
Antwoord van het kabinet
Het kabinet onderschrijf het uitgangspunt van de Commissie dat toegang tot de interne
markt en deelname aan de internationale digitale partnerschappen gekoppeld moet zijn
aan naleving van EU-regels. Wat betreft de praktische uitwerking van deze koppeling
is tot op heden de inschatting van het kabinet dat de controle van deze naleving in
het beginsel zal blijven bij de op dit moment daarvoor aangewezen Europese en nationale
toezichthouders. Het kabinet zal zich inzetten voor duidelijke criteria voor de wijze
waarop naleving worden betrokken bij besluiten over het aangaan, voortzetten of aanpassen
van partnerschappen. Daarbij zal, wanneer de IDS-voorstellen verder zijn geconcretiseerd,
het kabinet bezien welke aanvullende afspraken nodig zijn om de koppeling tussen naleving
van EU-regels en internationale partnerschappen goed te organiseren.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
B.C. Kathmann, voorzitter van de vaste commissie voor Digitale Zaken -
Mede ondertekenaar
S.R. Muller, adjunct-griffier