Advies Afdeling advisering Raad van State en Nader rapport : Advies Afdeling advisering Raad van State en Nader rapport
36 928 Wijziging van de Wet op het financieel toezicht ter implementatie van Richtlijn (EU) 2024/790 (Implementatiewet herziening MiFID II 2026)
Nr. 4
ADVIES AFDELING ADVISERING RAAD VAN STATE EN NADER RAPPORT
Hieronder zijn opgenomen het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State
d.d. 4 maart 2026 en het nader rapport d.d. 7 april 2026, aangeboden aan de Koning
door de Minister van Financiën. Het advies van de Afdeling advisering van de Raad
van State is cursief afgedrukt.
Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 9 januari 2026, nr. 2026000009,
machtigde Uwe Majesteit de Afdeling advisering van de Raad van State haar advies inzake
het bovenvermelde voorstel van wet rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies,
gedateerd 4 maart 2026, nr. W06.26.00005/III, bied ik U hierbij aan.
De tekst van het advies treft U hieronder aan, voorzien van mijn reactie.
Bij Kabinetsmissive van 9 januari 2026, no. 2026000009 heeft Uwe Majesteit, op voordracht
van de Minister van Financiën, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter
overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet houdende wijziging van de Wet op
het financieel toezicht ter implementatie van Richtlijn (EU) 2024/790 (Implementatiewet
herziening MiFID II 2026), met memorie van toelichting.
Het wetsvoorstel strekt tot implementatie van de richtlijn (EU) 2024/790 (hierna:
de richtlijn).1 De richtlijn wijzigt de richtlijn markten voor financiële instrumenten (MiFID II).2 De wijziging van MiFID II hangt samen met een wijziging van de verordening markten
voor financiële instrumenten (MiFIR).3 Herziening van MiFID II en MiFIR vindt plaats omdat is gebleken dat op onderdelen
aanpassingen wenselijk zijn om de realisering van een kapitaalmarktunie te bevorderen
en de daarmee verbonden voordelen te verwezenlijken. Ter implementatie van de richtlijn
wijzigt het wetsvoorstel de Wet op het financieel toezicht (Wft). De implementatietermijn,
die liep tot 29 september 2025, is inmiddels verstreken.4
De Afdeling advisering van de Raad van State merkt op dat de toelichting onvoldoende
inzicht geeft in de gevolgen van de overschrijding van de implementatietermijn en
de betekenis daarvan voor de praktijk. In het verlengde hiervan merkt de Afdeling
op dat de toelichting ook niet ingaat op de gevolgen die verbonden zijn aan het nog
geen uitvoering hebben gegeven aan de verordening die de MiFIR wijzigt. De Afdeling
wijst in dit verband op het volgende.
Onderdeel van de wijzigingen van de Wft is het aanscherpen van de voorschriften voor
handelsplatformen ten aanzien van de mechanismen om buitensporige volatiliteit op
de financiële markten te beperken. Geregeld wordt dat de marktexploitant de handel
ook tijdelijk moet kunnen stilleggen of beperken als zich een noodsituatie voordoet.
Aanleiding hiervoor zijn de ervaringen van de energiecrisis in 2022 en de uitzonderlijke
marktomstandigheden die deze situatie tot gevolg had. Ook wordt voorzien in een bevoegdheid
voor de AFM om passende maatregelen te nemen om de ordelijke werking van de markt
te herstellen als de marktexploitant hiertoe niet overgaat.
Het overschrijden van de implementatietermijn betekent dat marktexploitanten en de
AFM nog geen gebruik kunnen maken van de nieuwe bevoegdheden om buitensporige marktvolatiliteit
te beperken. Voor de hiermee verband houdende verplichting voor beleggingsondernemingen
en handelsplatformen om positiebeheerscontroles ook toe te passen bij de handel in
van emissierechten afgeleide instrumenten, heeft de termijnoverschrijding eveneens
gevolgen. In de toelichting wordt op deze gevolgen niet ingegaan. De enkele vermelding
dat de gevolgen van de termijnoverschrijding te overzien zijn,5 volstaat in dit licht niet.6
Verder blijkt uit de toelichting dat nog geen nadere uitvoering is gegeven aan de
met deze richtlijn samenhangende wijzigingen van de MiFIR.7 Omdat de gewijzigde bepalingen van de MiFIR rechtstreeks toepasselijk zijn en al
vanaf 28 maart 2024 gelden, kan dit tot gevolg hebben dat inbreuken op de in deze
verordening opgenomen voorschriften nog niet kunnen worden gehandhaafd.8 De toelichting maakt niet duidelijk of dit gevolg zich voordoet en gaat ook niet
in op eventuele andere gevolgen van het nog geen uitvoering hebben gegeven aan de
wijzigingen van de MiFIR.
De Afdeling adviseert in de toelichting nader in te gaan op de gevolgen van de overschrijding
van de implementatietermijn van de richtlijn. Ook adviseert zij aandacht te besteden
aan de gevolgen die verbonden zijn aan het nog geen uitvoering hebben gegeven aan
de wijzigingen van de MiFIR.
Naar aanleiding van de opmerking van de Raad over de gevolgen van het overschrijden
van de implementatietermijn van de richtlijn is paragraaf 7 opgenomen in de memorie
van toelichting bij het voorstel van wet waarin nader wordt ingegaan op die gevolgen.
Het overschrijden van de implementatietermijn van de richtlijn heeft onder meer gevolgen
voor de toepassing van de bevoegdheid van een marktexploitant om de handel op de door
hem geëxploiteerde gereglementeerde markt tijdelijk stil te leggen of te beperken,
indien zich een noodsituatie voordoet. Voorts heeft het overschrijden van implementatietermijn
gevolgen voor de in de richtlijn neergelegde verplichting voor (exploitanten van)
handelsplatformen waarop van emissierechten afgeleide instrumenten (emissierechtenderivaten)
worden verhandeld om met betrekking tot deze financiële instrumenten positiebeheerscontroles
vast te stellen en toe te passen. Die verplichting geldt voor beleggingsondernemingen
en marktexploitanten die een handelsplatform exploiteren waarop wordt gehandeld in
van emissierechten afgeleide instrumenten.
Met betrekking tot de hiervoor bedoelde bevoegdheid om de handel op een gereglementeerde
markt tijdelijk stil te leggen of te beperken, indien sprake is van een noodsituatie,
wordt opgemerkt dat de exploitant van een dergelijk handelsplatform reeds over de
bevoegdheid beschikt om de handel op een gereglementeerde markt (of op een aanverwante
markt) tijdelijk stil te leggen of te beperken, indien er gedurende een korte periode
sprake is van aanzienlijke koersbewegingen in een financieel instrument.9 Het overschrijden van de implementatietermijn van de richtlijn leidt ertoe dat een
marktexploitant tot het tijdstip waarop Nederland de richtlijn heeft omgezet in nationaal
recht, niet beschikt over de bevoegdheid om de handel op de door hem geëxploiteerde
gereglementeerde markt tijdelijk stil te leggen of te onderbreken, indien zich een
noodsituatie voordoet, tenzij zich gedurende een korte periode aanzienlijke koersbewegingen
in een financieel instrument voordoen.
Voorts wordt erop gewezen de Autoriteit Financiële Markten (AFM) al beschikt over
de bevoegdheid om door middel van het geven van een aanwijzing een beleggingsonderneming
die een handelsplatform exploiteert of een marktexploitant kan verplichten om de handel
in een financieel instrument op te schorten of te onderbreken, indien dit noodzakelijk
is voor de bescherming van de belangen van de beleggers in dit financieel instrument
of de ordelijke handel daarin.10 In de praktijk zal in een noodsituatie veelal sprake zijn van aanzienlijke koersbewegingen
of een onordelijke handel in een financieel instrument, zodat die situaties al kunnen
worden ondervangen. De toevoeging van een noodsituatie is met name bedoeld om de ordelijke
werking van de markten te herstellen en niet alleen de ordelijke handel in een financieel
instrument.
Een ander gevolg van het niet tijdig implementeren van de richtlijn is dat exploitanten
van in Nederland gelegen handelsplatformen waarop wordt gehandeld in emissierechtenderivaten
niet verplicht zijn om bij de handel in emissierechtenderivaten positiebeheerscontroles
toe te passen, zolang de richtlijn nog niet is omgezet in nationaal recht. Echter,
de enige onderneming die in Nederland een handelsplatform exploiteert waarop in enige
omvang emissierechtenderivaten worden verhandeld, past in de praktijk al positiebeheerscontroles
toe.
Voor het overige zijn de gevolgen van het niet tijdig implementeren van de richtlijn
opgenomen voorschriften ook beperkt. Zo kunnen bijvoorbeeld de relevante marktpartijen
de in de richtlijn opgenomen voorschriften met betrekking tot de consolidated tape (CT) nog niet naleven, doordat er momenteel nog geen CT in de Europese Unie wordt
geëxploiteerd. Verder mag worden verwacht dat de kosten die verband houden met de
naleving van enkele rapportage- of publicatieverplichtingen, die thans nog in de Wft
of op die wet gebaseerde lagere regelgeving zijn opgenomen en die door de richtlijn
worden schrapt, zoals de periodieke rapportages met betrekking tot de uitvoering van
cliëntorders, te overzien zijn. Het betreft hier betrekkelijk lichte rapportageverplichtingen
die vervallen.
Daarnaast zijn er gevolgen verbonden aan de niet-tijdige uitvoering van de verordening.
Om ervoor te zorgen dat de AFM tegen inbreuken op de in de verordening opgenomen voorschriften
die MiFIR wijzigen met een bestuurlijke boete of een last onder dwangsom handhavend
kan optreden, wordt het Besluit EU-verordeningen Wft (BEUv) via een algemene maatregel
van bestuur gewijzigd.
De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal opmerkingen bij het
voorstel en adviseert daarmee rekening te houden voordat het voorstel bij de Tweede
Kamer der Staten-Generaal wordt ingediend.
De Vice-President van de Raad van State,
Th.C. de Graaf
Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om enkele wijzigingen in het wetsvoorstel aan
te brengen.
In artikel 4:91ea Wft wordt ter implementatie van artikel 33, derde lid, MiFID II
een nieuw tweede lid ingevoegd. Dat nieuwe tweede lid legt aan een beleggingsonderneming
die een door AFM als mkb-groeimarkt geregistreerde multilaterale handelsfaciliteit
exploiteert de verplichting op om ervoor zorgen dat de mkb-groeimarkt ook na die registratie
blijft voldoen aan de voorwaarden voor registratie als mkb-groeimarkt. In verband
hiermee worden tevens de bijlagen bij de artikelen 1:79 en 1:80 Wft gewijzigd, zodat
de AFM bij een inbreuk op artikel 4:91ea, tweede lid, handhavend optreden door middel
van het opleggen van een last onder dwangsom respectievelijk een bestuurlijke boete.
De thans artikel 5:30d, eerste lid, Wft opgenomen (dynamische) verwijzing naar artikel 49,
derde en vierde lid, van de richtlijn wordt vervangen door een verwijzing naar (het
gehele) artikel 49. Deze wijziging houdt verband met de in het voorstel van wet opgenomen
wijziging van artikel 5:30d, eerste lid. Voorts wordt in artikel 5:30a, eerste lid,
het begrip «minimale verhandelingseenheid» vervangen door «verhandelingseenheid».
Hierdoor sluit de tekst van laatstgenoemd artikel beter aan bij die van het opschrift
en de beide eerste leden van artikel 49 MiFID II.
Artikel 5:89f Wft wordt toegevoegd aan de bijlagen bij de artikelen 1:79 en 1:80 Wft,
zodat de AFM bij een overtreding van het artikel handhavend kan optreden. In het vijfde
lid van het artikel wordt een onjuiste verwijzing naar artikel 4 van de richtlijn
hersteld.
Ik verzoek U het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde memorie
van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.
De Minister van Financiën,
E. Heinen
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
Th.C. de Graaf, vicepresident van de Raad van State -
Mede ondertekenaar
E. Heinen, minister van Financiën
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.