Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over o.a. het Fiche: Omnibuspakket veiligheid van voedsel en diervoeder (Kamerstuk 22112-4261)
22 112 Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie
Nr. 4305
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 10 april 2026
De vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur heeft een aantal
vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister en Staatssecretaris van Landbouw,
Visserij, Voedselzekerheid en Natuur over de brief van de Minister van Buitenlandse
Zaken over «Fiche: Omnibuspakket veiligheid van voedsel en diervoeder (Kamerstuk 22 112, nr. 4261)».
De vragen en opmerkingen zijn op 2 maart 2026 aan de Minister en Staatssecretaris
van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur voorgelegd. Bij brief van 10 april
2026 zijn de vragen door de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid
en Natuur beantwoord.
De voorzitter van de commissie, Steen
De griffier van de commissie, Jansma
Inleiding
Hierbij beantwoord ik, mede namens de Minister van VWS, de inbreng van de leden van
de fracties van D66, VVD, GroenLinks-PvdA, PVV, CDA, JA21, BBB, SGP, PvdD en Groep
Markuszower in de Tweede Kamer. Deze zijn gesteld tijdens het schriftelijk overleg
van 2 maart 2026 over het BNC fiche dat is opgesteld over het Omnibus pakket voor
de veiligheid van voedsel en diervoeder. Deze brief is ambtelijk afgestemd met de
Staatssecretaris van IenW.
Daarnaast beantwoord ik een vraag van het lid Kostić (PvdD) die tijdens het debat
over de Landbouw- en Visserijraad van 25 maart 2026 is gesteld.
Het Omnibus pakket over voedsel- en diervoederveiligheid, dat op 16 december 2025
is gepubliceerd door de Europese Commissie, bevat drie voorstellen waarmee drie richtlijnen
en elf verordeningen worden aangepast. Het maakt deel uit van een bredere serie Omnibusvoorstellen
die zijn bedoeld om Europese regelgeving te vereenvoudigen. Deze Omnibusvoorstellen
worden besproken in zogenaamde AGS-besprekingen in Brussel (Antici Group on Simplification). Ieder Omnibusvoorstel kent een ander traject, er is geen blauwdruk voor een exacte
tijdslijn. Er wordt maandelijks een overzicht verstuurd door het voorzitterschap (op
dit moment is dat het Cypriotische) van de geplande AGS-besprekingen voor die maand.
Op 29 april staat de volgende AGS-bespreking gepland. Over het proces daarna zal ik
uw Kamer informeren wanneer concrete stappen zijn gezet.
Verder heb ik uw Kamer eerder geïnformeerd (Kamerstuk 22 112, nr. 4261) dat er geen impact assessment is uitgevoerd voor dit Omnibus-pakket, wat gangbaar
is voor dergelijke voorstellen omdat een impact assessment te veel vertraging zou
veroorzaken, aldus de Europese Commissie. Deze werkwijze zal, ondanks dat ik een impact
assessment wenselijk vind, niet voor deze Food & Feed Omnibus worden aangepast. Een behandelingsvoorbehoud hiervoor opnemen zal de Nederlandse
onderhandelingspositie aanzienlijk verslechteren, waardoor ik geen voorstander ben
van een onderhandelingsvoorbehoud.
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en antwoord / Reactie van de Staatssecretaris
van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het BNC-fiche over
het Omnibuspakket veiligheid van voedsel en diervoeder (Kamerstuk 22 112, nr. 4261) en van de brief van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
(LVVN) over de uitvoering van de motie van de leden Podt (D66) en Bromet (GroenLinks-PvdA)
(Kamerstuk 27 858, nr. 742). Deze leden waarderen de genuanceerde positie die het kabinet inneemt en zijn verheugd
te lezen dat het kabinet het handhaven van het hoge beschermingsniveau voor mens,
dier en milieu als harde eis stelt. Tegelijkertijd hebben zij nog een aantal vragen
over de wijze waarop de Minister uitvoering geeft aan de motie en over de concrete
Nederlandse inzet in de Europese onderhandelingen.
De leden van de D66-fractie constateren dat het kabinet in beginsel positief tegenover
het Omnibuspakket staat, maar tegelijkertijd kritisch is op onderdelen die risico's
kunnen opleveren voor veiligheid, milieu en uitvoerbaarheid. Deze leden vragen de
Staatssecretaris nader toe te lichten hoe hij in de praktijk de balans zal bewaken
tussen vereenvoudiging van regelgeving enerzijds en het behoud van het beschermingsniveau
anderzijds. Op welke concrete momenten en via welke mechanismen zal de Minister dit
beschermingsniveau bewaken tijdens de Europese onderhandelingen? Welke rode lijnen
hanteert de Minister daarbij?
Antwoord
Dit zal op alle verschillende niveaus van de onderhandelingen plaatsvinden. Ten eerste
wordt hier aandacht aan besteed in de technische onderhandelingen over de concrete
compromisteksten waar uiteindelijk over gestemd zal worden. Ten tweede wordt er ook
apart overlegd met verschillende lidstaten om te komen tot gemeenschappelijke posities,
om de Nederlandse positie te versterken tijdens de onderhandelingen. Daarnaast voer
ik op politiek niveau het gesprek met mijn ambtsgenoten. Tijdens de Landbouw- en Visserijraad
van 23 februari 2026 is de Omnibus bijvoorbeeld nadrukkelijk ter sprake gekomen (Kamerstuk
21 501-32 nr. 1765).
Het Nederlandse standpunt zoals vastgesteld in het BNC fiche is voor mij leidend in
de onderhandelingen. Voor Nederland is het in ieder geval belangrijk dat dit Omnibus
pakket daadwerkelijk versimpeling van regelgeving teweegbrengt en dat het beschermingsniveau
voor mens, dier en milieu blijft gehandhaafd.
De leden van de D66-fractie lezen in de brief over de uitvoering van de motie van
de leden Podt (D66) en Bromet (GroenLinks-PvdA) (Kamerstuk 27 858, nr. 742) dat Nederland een kopgroep zal vormen met gelijkgestemde lidstaten om de Nederlandse
inzet kracht bij te zetten. Deze leden vragen de Staatssecretaris welke lidstaten
hij daarvoor benadert of reeds heeft benaderd en in hoeverre er al sprake is van gedeelde
posities. Kan de Staatssecretaris ook toelichten op welke specifieke onderdelen van
het voorstel hij verwacht dat er steun is voor de Nederlandse positie en waar hij
de meeste weerstand verwacht?
Antwoord
Op dit moment zijn wij met een zestal lidstaten in gesprek om te komen tot gedeelde
posities. Het is gebruikelijk om tijdens onderhandelingen identiteiten van lidstaten
niet te openbaren.
Het krachtenveld is momenteel complex vanwege de breedte van het Omnibus voorstel
en het is daardoor lastig in te schatten waar de steun en weerstand ligt. Ik verwacht
dat er steun zal zijn voor onze zorgen over de brede definitie van biocontrol en over
uitvoeringsproblemen van het nieuwe herbeoordelingsysteem. Ik verwacht meer weerstand
waar onze standpunten meer ingaan op onze nationale omstandigheden, bijvoorbeeld over
waterkwaliteit. Nederland heeft als laaggelegen (delta)gebied een groot belang om
te voorkomen dat gevaarlijke stoffen ons land binnen kunnen komen.
De leden van de D66-fractie hebben met zorg kennisgenomen van de voorgestelde overgang
van een periodieke herbeoordeling van werkzame stoffen naar een risicogestuurde benadering
via een werkprogramma. Deze leden begrijpen dat het huidige systeem is vastgelopen
en dat de beschikbare beoordelingscapaciteit niet optimaal wordt ingezet. Tegelijkertijd
vragen zij hoe de Staatssecretaris kan garanderen dat een risicogestuurd systeem geen
feitelijke verslechtering van het beschermingsniveau oplevert. Kan de Staatssecretaris
uiteenzetten aan welke minimumeisen het werkprogramma naar zijn oordeel moet voldoen
om dit te voorkomen en hoe hij erop zal toezien dat deze eisen ook daadwerkelijk in
het voorstel worden verankerd? Deze leden merken op dat bij een herbeoordeling van
de middelen de verplichting om data aan te leveren niet meer bij de aanvrager zal
liggen. Zij vragen de Staatssecretaris hoe hij zal borgen dat alle noodzakelijke informatie
beschikbaar is voor de beoordelingsautoriteiten. Kan hij toezeggen zich in te zetten
voor een Europees monitoringsprogramma en datasysteem om te zorgen dat alle (nieuwe)
inzichten beschikbaar zijn voor de Europese Unie (EU), haar lidstaten en toelatingsautoriteiten?
Kan de Staatssecretaris tevens toezeggen dat dit monitoringsprogramma een van de kritische
voorwaarden wordt voor het kabinet? Aan welke andere voorwaarden moet worden voldaan,
wil het kabinet instemmen met het Omnibus-voorstel? Welke acties verbindt het kabinet
aan zijn kritische opmerkingen over de gerichte herbeoordeling?
Antwoord
Vooropgesteld wil ik stellen dat, conform het BNC fiche, het kabinet het eens is met
de Commissie dat het huidige EU-toelatings- en herbeoordelingsyssteem voor werkzame
stoffen van gewasbeschermingsmiddelen onvoldoende efficiënt functioneert. Het kabinet
staat daarom open om dit systeem te hervormen. In het huidige systeem worden stoffen
vaak pas opnieuw beoordeeld wanneer hun goedkeuringstermijn afloopt. Soms wordt de
goedkeuringstermijn procedureel verlengd vanwege capaciteitsoverwegingen. Bij een
risicogestuurd systeem kan capaciteit flexibeler worden ingezet omdat geen rekening
meer met deze periodieke herbeoordelingen hoeft te worden gehouden en daarmee kan
mogelijk ook eerder een nieuwe (her)beoordeling plaatsvinden, dan binnen het huidige
systeem. Hierdoor kan er juist sneller gereageerd worden op wetenschappelijke inzichten
en maatschappelijke zorgen. Ten slotte stelt de Commissie in het Omnibus voorstel
dat de vrijgekomen capaciteit in kan worden gezet om biocontrol te stimuleren. Ik
vind het belangrijk dat lidstaten aanvullende capaciteit alloceren om daadwerkelijk
in te zetten op de markttoegang van biocontrol producten. Nederland zet hier reeds
op in, bijvoorbeeld door het opzetten van het verduurzamingsloket bij het Ctgb en
zal de komende periode, gesteund door de aangenomen amendement Podt/Bromet (Kamerstuk
36 800 XIV, nr. 21), aanvullende middelen inzetten voor capaciteit op aanvragen van gewasbeschermingsmiddelen
die bijdragen aan verduurzaming. Dit kan de transitie naar laagrisico en biocontrol
middelen stimuleren en daarmee bijdragen aan het verhogen van het beschermingsniveau.
Een risicogestuurd herbeoordelingssysteem is daarmee niet minder veilig of veiliger
dan een periodiek herbeoordelingssysteem.
Zoals in het BNC-fiche is aangegeven, is het voor mij van belang dat het werkprogramma
van een nieuw risicogestuurd systeem aan duidelijke randvoorwaarden voldoet. De minimale
eisen waaraan dit werkprogramma moet voldoen, zijn in het fiche helder beschreven.
Zo is een belangrijke voorwaarde dat het werkprogramma gebaseerd wordt op een signaleringssysteem
voor nieuwe wetenschappelijke inzichten en monitoringsdata. Verder is het belangrijk
dat dit werkprogramma openbaar toegankelijk is en met een duidelijke planning werkt,
zodat iedereen, zowel stakeholders als overheid, weten waar ze aan toe zijn. Bij de
uitvoering van het werkprogramma dient het voorzorgsbeginsel te worden gehanteerd
en bij de aanlevering van data ten behoeve van de beoordelingsautoriteiten, als het
gaat om de bewijslast, dienen producenten eenzelfde rol te spelen als nu het geval
is. Als laatste vind ik het belangrijk dat lidstaten werkzame stoffen kunnen aandragen
voor het werkprogramma ter herbeoordeling, om zo ook tegemoet te komen aan nationale
uitdagingen en zorgen.
Ik kan toezeggen dat ik mij inzet voor een proactief Europees signaleringssysteem
om te zorgen dat alle (nieuwe) inzichten beschikbaar zijn voor de Europese Unie (EU),
haar lidstaten en toelatingsautoriteiten. Het BNC-fiche is leidend voor de inzet van
Nederland bij de onderhandelingen en de uiteindelijke stemming. Voor Nederland is
het in ieder geval belangrijk dat dit Omnibus pakket daadwerkelijk versimpeling van
regelgeving teweegbrengt en dat het beschermingsniveau voor mens, dier en milieu blijft
gehandhaafd. Deze inzet wordt gepleegd in de gesprekken met andere lidstaten, het
zoeken naar gemeenschappelijke posities met andere lidstaten, in de onderhandelingen
in de raadswerkgroepen en op politiek niveau in de Landbouw- en Visserijraad.
De leden van de D66-fractie vragen de Staatssecretaris nader toe te lichten hoe de
Europese Commissie (EC) en het kabinet actief signalen ophalen over twijfels of aanwijzingen
met betrekking tot mogelijke risico's van werkzame stoffen. Op welke manier wordt
onafhankelijke wetenschap daarbij betrokken en op welke manier worden maatschappelijke
organisaties en bewonersorganisaties een rol gegund in dit proces?
Antwoord
De beoogde uitwerking van dit instrument is dat de European Food Safety Authority
(EFSA) een grote rol krijgt in het verzamelen van deze signalen, bijvoorbeeld uit
wetenschappelijk onderzoek of monitoring. Het is voor mij belangrijk dat dit instrument
op wetenschap gebaseerd is. Zorgen vanuit maatschappelijke organisaties en bewonersorganisaties
kunnen aanleiding zijn om wetenschappelijk onderzoek te doen naar werkzame stoffen,
hiermee kunnen dergelijke zorgen indirect op de radar van zo'n signaleringssysteem
komen.
Hoe wordt het besluitvormingsproces ingericht dat bepaalt welke stoffen gericht worden
herbeoordeeld en hoe worden transparantie en democratische verantwoording daarin gewaarborgd?
Antwoord
De Commissie zal periodiek, na het consulteren bij EFSA, het werkprogramma via een
uitvoeringshandeling vaststellen in de zogenaamde Standing Committee on Plants, Animals,
Food and Feed (SCoPAFF). In het SCoPAFF nemen alle lidstaten deel en kan deze uitvoeringshandeling
tot stemming worden gebracht; net zoals nu al de stemmingen over goedkeuren van stoffen
in dit comité plaatsvinden. Het voorstel geeft aan dat in ieder geval bij het opstellen
van het werkprogramma rekening zal worden gehouden met zorgen over veiligheid van
stoffen, nieuwe wetenschappelijke inzichten, monitoringsdata en verzoeken vanuit lidstaten.
Deze leden vragen de Staatssecretaris ook hoe het kabinet en de EC voorkomen dat politieke
of sociaaleconomische factoren, zoals het ontbreken van een chemisch alternatief voor
een schadelijk bestrijdingsmiddel, meewegen in het besluit om een stof al dan niet
te herbeoordelen. Hoe wordt voorkomen dat dergelijke sociaaleconomische argumenten,
die volgens Verordening 1107/2009 expliciet geen grond zijn voor de wetenschappelijk
gefundeerde herbeoordeling van stoffen, alsnog een rol spelen in dit besluitvormingsproces?
Antwoord
Ik ben het met de leden van de D66 fractie eens dat sociaaleconomische factoren geen
rol moeten spelen bij de beoordeling en herbeoordeling van werkzame stoffen. Dit volgt
ook uit het voorzorgsbeginsel van de verordening (EG) 1107/2009. Daarom zet ik mij
in dat dit nieuwe risicogestuurde herbeoordelingssysteem objectief is en gebaseerd
op wetenschap en geen sociaaleconomische factoren meeneemt. In de afgelopen Landbouw-
en Visserijraad is er een voorstel gedaan door een aantal lidstaten om sociaaleconomische
factoren wel mee te laten wegen. Nederland heeft zich hier uitdrukkelijk tegen uitgesproken.
De leden van de D66-fractie constateren dat het kabinet kritisch is op de voorgestelde
stilzwijgende toelating van biocontrol-middelen na 120 dagen, zolang de definitie
van biocontrol niet is aangescherpt. Deze leden hebben daarbij zorgen over die termijn
omdat er in 120 dagen geen behoorlijke beoordeling kan worden gedaan die recht doet
aan de specifieke Nederlandse wateromstandigheden. Zij vragen de Staatssecretaris
hoe hij dit knelpunt concreet wil oplossen in de onderhandelingen. Overweegt de Staatssecretaris
te pleiten voor een langere beoordelingstermijn, een aanpassing van de procedure,
of een combinatie van beide? Hoe verhoudt dit zich tot de wens om de toelating van
laag-risicomiddelen juist te versnellen?
Antwoord
De mogelijkheid om een goede nationale beoordeling op specifieke Nederlandse omstandigheden
uit te kunnen voeren, moet gewaarborgd blijven. Ik zet mij dan ook in om tot een oplossing
te komen rondom die stilzwijgende toelating. De genoemde mogelijkheden kunnen onderdeel
van de oplossing zijn, wat afhangt van het Europees krachtenveld. Ik ben uiteraard
voorstander van het versnellen van de toelating van laagrisicomiddelen en de toelating
waar mogelijk te versimpelen. Dit mag echter niet ten koste gaan van het beschermingsniveau
voor mens, dier en milieu. Ik zoek daarom in dit Omnibus voorstel naar een acceptabel
compromis waarin beide uitgangspunten kunnen worden bereikt.
De leden van de D66-fractie lezen in het fiche dat het kabinet hecht aan een efficiëntere
toelatingsprocedure, maar ondanks een breed gedragen wens vanuit de Kamer lezen deze
leden niet expliciet de houding van het kabinet ten opzichte van prioriteitsroutes
of fasttrack-opties voor Novel Foods, zoals kweekvlees, additieven en biocontroleproducten.
Zij vragen of de Staatssecretaris kan toelichten waarom dit niet expliciet is meegenomen
en zich hard te maken voor versnelling om te zorgen dat innovatieve producten die
onze voedselketen helpen verduurzamen en versterken sneller worden toegelaten.
Antwoord
Het kabinet ondersteunt vereenvoudiging, versnelling en harmonisatie van Europese
regels, zolang deze bijdragen aan innovatie, verduurzaming, een gelijk speelveld,
en het beschermingsniveau voor mens, dier en milieu wordt gehandhaafd. Dit geldt ook
voor wetgeving op het gebied van o.a. novel foods en additieven. Gelijktijdig met
Omnibus pakket veiligheid van voedsel en diervoeder heeft de Europese Commissie ook
de Biotech Act I gepubliceerd. Hierin worden concrete wijzigingen voorgesteld in de
algemene levensmiddelenverordening om de risicobeoordelingsprocedures te vereenvoudigen
en doorlooptijden te verkorten. Het kabinet steunt deze voorstellen en zet in op een
snelle invoering zoals eerder aan uw Kamer gemeld (Kamerstuk 22 112, nr. 4268).
De leden van de D66-fractie lezen in het BNC-fiche dat Nederland sterk hecht aan de
mogelijkheid voor lidstaten om herbeoordelingen aan te dragen voor het werkprogramma
en om tussentijds wetenschappelijke inzichten mee te wegen in nationale beoordelingen.
In de brief van de Minister wordt gesteld dat het officiële voorstel van 16 december
2025 op dit punt significant verschilt van de eerder gelekte versie en dat de nationale
toetsing en de laatste stand van de wetenschap niet buiten spel worden gezet. Kan
de Staatssecretaris dit nader onderbouwen en toelichten welke concrete bepalingen
in het voorstel waarborgen dat lidstaten hun rol kunnen blijven spelen bij het signaleren
van nieuwe wetenschappelijke inzichten?
Antwoord
Zoals aangegeven in de Kamerbrief (Kamerstuk 27 858 nr. 742), wekte de toelichtende tekst van het uitgelekte voorstel de indruk dat lidstaten
bij nationale beoordelingen geen nieuwe wetenschappelijke informatie mochten gebruiken.
In de toelichtende tekst van het definitieve voorstel is verduidelijkt dat lidstaten
de mogelijkheid hebben om bij de Europese Commissie aan te geven dat een update nodig
is vanwege nieuwe informatie.
Verder was in het gelekte voorstel in het werkprogramma voor het nieuwe herbeoordelingssysteem
van werkzame stoffen niet concreet opgenomen dat aanvragen van lidstaten mee kunnen
worden genomen in het werkprogramma. In de definitieve versie van het voorstel is
dit wel het geval.
De leden van de D66 fractie lezen dat de verwachting is dat het verruimen van respijtperiodes
in het voorstel geen negatieve impact zal hebben voor het hoge Nederlandse beschermingsniveau,
omdat het aan lidstaten zelf is om wel of niet respijtperiodes in te stellen. Klopt
het, zo vragen deze leden, dan dat de Staatssecretaris hiermee zegt dat er in de Nederlandse
situatie geen verruiming zal optreden en dat Nederland zelf zeer kritisch zal (blijven)
omgaan met het instellen van de mogelijkheid om schadelijke middelen langer te gebruiken?
Kan de Staatssecretaris tevens toelichten wat de gevolgen voor Nederland zijn wanneer
ons omringende lidstaten wél toestaan dat schadelijke middelen langer worden gebruikt?
Zijn er bijvoorbeeld consequenties voor de waterkwaliteit, zo vragen deze leden. Zo
ja, is de Staatssecretaris dan bereid alsnog te pleiten deze respijtperiodes niet
te verruimen?
Antwoord
In Nederland is het Ctgb verantwoordelijk voor besluiten over de respijttermijn bij
het vervallen of intrekken van een toelating. Het Ctgb weegt bij het bepalen van de
termijn verschillende factoren mee, zoals de mate van risico, de mate van onvoorzienbaarheid,
het moment en duur van het teeltseizoen en de omvang van de bestaande voorraad. Dit
is vastgelegd in een beleidsregel. Het Ctgb blijft deze zorgvuldige afweging maken,
ook als de verordening een langere maximale respijttermijn mogelijk maakt.
Het toestaan van middelen binnen de kaders van EU regelgeving is een nationale competentie.
Het is inderdaad mogelijk in zo'n scenario dat door emissies uit andere lidstaten
middelen in het milieu van Nederland terecht kunnen komen. In zo'n scenario zou dat
inderdaad een consequentie kunnen hebben op de waterkwaliteit en daarmee op het doelbereik
van de KRW in bepaalde delen van Nederland. Aanvullend kunnen de respijtperioden ook
negatief werken op het gelijke speelveld in Europa. Nederland pleit daarom in de onderhandelingen
voor het niet verruimen van de respijtperioden.
De leden van de D66-fractie vragen ook aandacht voor het ontbreken van een impact
assessment bij dit pakket. Het kabinet onderschrijft de noodzaak van een impact assessment
en ook de Better Regulation Guidelines van de EU schrijven een dergelijke toets voor
bij voorziene substantiële gevolgen. Welke concrete stappen zet de Staatssecretaris
in Brussel om alsnog een impact assessment te laten uitvoeren? Deelt de Staatssecretaris
de mening dat het niet doen van een impact assessment in dit geval mogelijk grote
ecologische, economische en gezondheidseffecten heeft? Is hij voornemens in te stemmen
met het Omnibus-voorstel in een situatie waarin geen impact assessment is uitgevoerd?
Kan het kabinet toezeggen zich te onthouden van stemming dan wel tegen te stemmen
zolang een impact assessment ontbreekt? Is de Staatssecretaris voorts bereid zich
in Europa in te spannen voor een behandelvoorbehoud zolang een impact assessment niet
is uitgevoerd?
Antwoord
Voor de Omnibus-voorstellen presenteert de Europese Commissie (EC) ten principale
geen impact assessments. De EC geeft als reden dat het gaat om urgente aanpassingen
van politiek belang, die te veel vertraging zouden oplopen als er een volledig impact
assessment moet worden uitgevoerd. Deze werkwijze zal niet voor de Food & Feed Omnibus
worden aangepast. Dit is onderdeel van de Omnibus aanpak en hier is in het algemeen
breed draagvlak voor. In het coalitieakkoord is opgenomen dat het kabinet het Europese
Omnibus principe onderschrijft en daarmee ook het politieke belang benadrukt.
Tijdens de onderhandelingen over dit Omnibus voorstel is door Nederland nadrukkelijk
aangegeven dat een impact analyse belangrijk is en gevraagd of dit alsnog uitgevoerd
kan worden. Ik acht het echter niet waarschijnlijk dat de Commissie alsnog een impact
assessment zal uitvoeren.
Een impact analyse is niet de enige manier om inzicht te krijgen in de eventuele impact
van dit Commissievoorstel. Zo is er een advies geschreven door het Ctgb, heeft de
Europese Commissie een werkdocument gepubliceerd en zijn er stakeholders over dit
voorstel geconsulteerd. Desalniettemin zou een impact assessment zeker bijdragen aan
het beter in kaart krijgen wat de impact van een voorstel zal zijn.
De uiteindelijke Nederlandse stem over het voorstel zal afhangen van de inhoud van
het uiteindelijke compromisvoorstel. Hierbij zal het ontbreken van een impact assessment
in zichzelf niet doorslaggevend zijn. Het nemen van een behandelingsvoorbehoud zou
ten koste gaan van de onderhandelingspositie van Nederland. Omdat een impact assessment
naar verwachting niet gaat plaatsvinden zal Nederland met een behandelingsvoorbehoud
politiek buitenspel komen te staan in de Europese discussie. Hierdoor kunnen belangrijke
punten voor Nederland potentieel niet worden meegenomen. Ik ben daarom niet van plan
om een dergelijk behandelingsvoorbehoud te maken. Uiteraard zal ik wel het belang
van impact assessments bij Omnibusvoorstellen blijven benadrukken.
Deze leden vragen tevens wanneer het volgende reguliere evaluatiemoment van Verordening
1107/2009 is? Waarom is er geen aparte horizonbepaling in het Omnibus-voorstel opgenomen?
In welke situaties is een dergelijke bepaling verplicht? Waarom valt het Omnibus-voorstel
daar volgens de EC niet onder?
Antwoord
Evaluatiebepalingen geven aan dat de werkzaamheid van een regeling op een vooraf bepaald
moment zal worden geëvalueerd. Er staat geen concreet volgend evaluatiemoment gepland
voor Verordening 1107/2009. Horizonbepalingen zijn clausules in EU-wetgeving waarin
wordt bepaald dat een regeling op een vooraf vastgestelde datum zal eindigen. Met
een Omnibus voorstel worden eenmalig wijzigingen doorgevoerd in diverse bestaande
EU-verordeningen met het oog op vereenvoudiging van regelgeving. Na de vaststelling
en inwerkingtreding van de Omnibusverordening zijn de wijzigingen doorgevoerd en heeft
de Omnibusverordening zijn juridisch effect gehad. Een horizonbepaling opnemen in
de Omnibusverordening zou tegen het principe van een Omnibusverordening ingaan doordat
de doorgevoerde wijzigingen op een later moment alsnog zouden komen te vervallen,
waarmee de versimpeling van regeldruk in de toekomst zou worden teruggedraaid. Er
zijn geen situaties waar evaluatie- of horizonbepalingen verplicht zijn. In sommige
gevallen kunnen evaluatie- of horizonbepalingen bijdragen aan minder wetgeving of
de verbetering van de kwaliteit van wetgeving. Een evaluatie- of horizonbepaling kan
ook wenselijk zijn bij wetgeving die onderhevig is aan wetenschappelijke vooruitgang,
grote financiële gevolgen heeft of concrete doelen in de tijd stelt. De Commissie
heeft verder geen toelichting gegeven op het niet opnemen van een horizonbepaling,
omdat dit niet gebruikelijk is voor Omnibus voorstellen. Daarnaast staat er momenteel
geen «reguliere» evaluatie van Verordening 1107/2009 gepland.
De leden van de D66-fractie vragen ten slotte aandacht voor de voorgestelde goedkeuring
van stoffen voor onbepaalde tijd. Het kabinet geeft aan dat zorgelijke stoffen zoals
candidates for substitution en prioritaire stoffen onder de Kaderrichtlijn Water (KRW)
moeten worden uitgesloten van goedkeuring voor onbepaalde tijd. Deze leden onderschrijven
dit standpunt, maar vragen de Staatssecretaris of hij ook bereid is te pleiten voor
een bredere categorie van stoffen waarvoor een beperkte goedkeuringstermijn blijft
gelden en zo ja, welke criteria hij daarvoor hanteert.
Antwoord
De stoffen onder de KRW waarover zorgen bestaan, zoals de prioritaire stoffen, zijn
specifiek als extra uitzondering opgenomen in het BNC fiche om het nationale uitdaging
te onderstrepen waar wij als Nederland voor staan. Tegelijkertijd wil ik voorkomen
dat er een onduidelijke lappendeken ontstaat over welke groepen wel of niet onder
dit nieuwe herbeoordelingssysteem zullen vallen. Ik zal mij daarom niet inzetten om
andere groepen stoffen uit te sluiten van het voorgestelde risicogestuurde herbeoordeling
systeem, tenzij hier duidelijk aanleiding toe is.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het BNC-fiche
over het Omnibuspakket inzake de veiligheid van voedsel en diervoeder. Deze leden
wensen in dit kader enkele specifieke aandachtspunten te benadrukken en vragen hierover
nadere toelichting van het kabinet.
De leden van de VVD-fractie onderschrijven het belang van hoge standaarden op het
gebied van voedselveiligheid, consumentenbescherming en diergezondheid binnen de Europese
interne markt. Een gelijk speelveld is immers essentieel voor zowel consumentenvertrouwen
als voor de concurrentiekracht van Nederlandse ondernemers.
De leden van de VVD-fractie vragen het kabinet nader toe te lichten in hoeverre de
voorgestelde wijzigingen leiden tot daadwerkelijke vereenvoudiging van regelgeving
en vermindering van administratieve lasten voor het bedrijfsleven. Kan het kabinet
concreet maken welke regeldrukreductie wordt voorzien, met name voor het midden- en
kleinbedrijf? Hoe wordt voorkomen dat aanvullende rapportage- of controleverplichtingen
juist tot extra lasten leiden voor bonafide ondernemers?
Antwoord
Het doel van dit Omnibus pakket is om inderdaad daadwerkelijke vereenvoudiging van
regelgeving en vermindering van administratieve lasten te realiseren. Voor dit kabinet
is dit ook een belangrijk uitgangspunt, zo is dit ook opgenomen in ons coalitieakkoord.
Voor het bedrijfsleven wordt er door de Commissie een jaarlijkse kostenbesparing berekend
van 335 miljoen euro vanaf 2027 tot een bedrag van 428 miljoen euro vanaf 2029. Voor
overheden worden ook significante kostenbesparingen verwacht, ongeveer 661 miljoen
euro per jaar. Tijdens mijn inzet in Brussel zal ik er aandacht aan besteden dat maatregelen
ook daadwerkelijk het beoogde effect zullen hebben. In het BNC fiche, met name in
hoofdstuk 5, 6 en 7, wordt aan dit onderwerp nadere aandacht besteed.
De leden van de VVD-fractie hechten aan een risicogerichte en proportionele handhaving.
In hoeverre bieden de voorstellen voldoende ruimte voor lidstaten om toezicht efficiënt
en doelmatig in te richten, zonder afbreuk te doen aan het hoge beschermingsniveau?
Hoe wordt geborgd dat innovatieve ontwikkelingen in de agro- en voedselsector niet
onnodig worden belemmerd door verouderde of te rigide voorschriften?
Antwoord
Het voorstel wijzigt geen zaken met betrekking tot nationale competenties, in principe
blijft er daardoor voldoende ruimte voor lidstaten om zelf handhaving in te richten.
Tegelijkertijd zet Nederland zich in om het herbeoordelingssysteem voor gewasbeschermingsmiddelen
ook risicogestuurd te maken, in aanvulling op het Europese herbeoordelingssysteem
voor werkzame stoffen. In het Omnibus pakket worden voorstellen gedaan om juist met
innovaties aan de slag te gaan. Bijvoorbeeld stimuleringsmaatregelen voor biocontrol
en nieuwe regels voor het gebruik van drones voor toepassing van gewasbeschermingsmiddelen
waarbij moet worden voldaan aan de minimale eisen voor dosering en drift.
De leden van de VVD-fractie benadrukken tot slot dat Europese regelgeving op deze
terreinen moet bijdragen aan zowel veiligheid als economische weerbaarheid. Een sterke
interne markt met duidelijke en handhaafbare regels vormt de basis voor duurzame groei
en strategische autonomie. Hoe gaat het kabinet bij de verdere onderhandelingen in
Brussel inzetten op uitvoerbaarheid, rechtszekerheid en een concurrerend ondernemersklimaat?
Antwoord
Het kabinet zal zich inzetten conform het BNC fiche over dit voorstel. Daarin staat
opgenomen dat het kabinet het pakket steunt waar vereenvoudiging en efficiëntie bijdragen
aan innovatie, uitvoerbaarheid en een gelijk speelveld binnen de EU. Het kabinet is
voorstander van een verlaging van onnodige regeldruk en wil inzetten dat dit een concreet
onderdeel zal zijn in het Omnibus pakket. Het kabinet is wel kritisch en heeft voorwaarden
waar voorstellen risico’s kunnen opleveren voor veiligheid, milieu, uitvoerbaarheid
of internationale verplichtingen, waaronder de KRW.
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn bezorgd over de deregulering van gewasbeschermingsmiddelen.
Het voorstel heft voor 90 procent van de gewasbeschermingsmiddelen de periodieke herbeoordeling
op, met alle milieu- en gezondheidsrisico’s van dien. De EC heeft net zoals bij alle
andere Omnibus dereguleringspakketten ook dit keer geen impact assessment gemaakt
en zal dit zover bekend ook niet meer gaan doen. Hoe kan het kabinet garanderen dat
dit Omnibus-voorstel geen nadelige effecten heeft op het milieu?
Antwoord
Het kabinet zet er in de onderhandelingen op in dat met de voorstellen uit deze Omnibus
het beschermingsniveau mens, dier en milieu blijft gewaarborgd. Ik vind het belangrijk
dat stoffen worden herbeoordeeld wanneer hier wetenschappelijke aanleiding toe is
en pleit in Europa dan ook voor werkplannen hiervoor met duidelijke criteria wanneer
stoffen hierin worden opgenomen. Op deze manier kan het Omnibusvoorstel zelfs bijdragen
aan snellere herbeoordeling van stoffen, waar dit noodzakelijk is.
Ook met een impact analyse is het onmogelijk om volledig inzichtelijk te krijgen wat
eventuele effecten van nieuwe wetsvoorstellen zijn. Uiteraard zou een impact analyse
zeer nuttig zijn geweest bij het inschatten van de effecten van de voorstellen.
Een impact analyse is niet de enige manier om inzicht te krijgen in de eventuele impact
van dit Commissievoorstel. Het kabinet baseert zich in het BNC-fiche dan ook op adviezen
van onder andere het Ctgb, het werkdocument van de Europese Commissie en op gesprekken
met stakeholders. Tegelijkertijd zal het kabinet het gebrek van impactanalyses bij
omnibusvoorstellen blijven agenderen, ook bij dit voorstel.
Hoe garandeert het kabinet dat werkenden in de agrarische sector, boeren en omwonenden
geen extra gezondheidsrisico’s lopen wanneer het overgrote deel van de landbouwpesticiden
niet meer standaard periodiek wordt gecontroleerd tegen de laatste wetenschappelijke
kennis, zoals dit Omnibus dereguleringspakket over voedselveiligheid beoogt? Hoe gaat
het kabinet hun belangen borgen in het besluitvormingsproces omtrent deze Omnibus?
Antwoord
Zoals aangegeven in derde beantwoording van de vragen van de D66-fractie functioneert
het huidige EU-toelatings- en herbeoordelingssysteem voor werkzame stoffen van gewasbeschermingsmiddelen
onvoldoende. Dit zorgt voor grote vertragingen en procedurele verlengingen van goedkeuringstermijnen.
Het Omnibusvoorstel beoogt een meer risico-gestuurd herbeoordelingssysteem waarbij
de goedkeuring van stoffen juist sneller zullen worden aangepast aan de laatste wetenschappelijke
kennis. Doordat bij aanwijzingen van extra gezondheidsrisico’s stoffen worden opgenomen
in het werkprogramma, zullen de mogelijke risico’s sneller beoordeeld worden dan binnen
het huidige systeem. In het BNC fiche staan een aantal belangrijke randvoorwaarden
die het kabinet stelt bij dit Omnibuspakket, die daar aan dienen bij te dragen. Zo
wil het kabinet dat er een Europees georganiseerd signaleringssysteem wordt ingericht
om nieuwe wetenschappelijke inzichten, zorgen en monitoringsdata op tijd mee te nemen
in het risicogestuurde werkprogramma dat onder het herbeoordelingssysteem zal liggen.
Verder wil Nederland dat dit werkprogramma transparant en met vaste termijnen wordt
georganiseerd. Tegelijkertijd blijft er ook de mogelijkheid voor lidstaten om zelf
werkzame stoffen aan te dragen voor een herbeoordeling in dit nieuwe systeem, waardoor
dit ook een route kan zijn om zorgelijke stoffen in dit werkprogramma te agenderen.
Op ambtelijk en op politiek niveau zal het Nederlandse standpunt worden ingebracht
in de lopende onderhandelingen. Bijvoorbeeld in contacten met andere lidstaten en
in de onderhandelingen zelf.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn eveneens bezorgd over de zogeheten «respijtperiode»
van drie jaar waarin middelen die aantoonbar gezondheids- en milieuschade veroorzaken
nog mogen worden gebruikt. Deze leden willen graag weten welke mogelijkheden lidstaten
hebben om het gebruik van zulke middelen al gedurende deze respijtperiode te voorkomen
en verbieden. Zij zijn ook benieuwd wat het kabinet voornemens is te doen wanneer
tegen het einde van het wetgevingsproces nog steeds onduidelijkheid bestaat over de
impact van de aanpassing van de «respijtperiode»? Is het kabinet voornemens zich actief
tegen zo een respijtperiode te verzetten en op welke manier?
Antwoord
Zoals aangegeven in mijn beantwoording van de vragen van de D66 fractie over ditzelfde
onderwerp is in Nederland het Ctgb verantwoordelijk voor besluiten over de respijttermijn
bij het vervallen of intrekken van een toelating. Het Ctgb weegt bij het bepalen van
de termijn verschillende factoren mee, zoals de mate van risico, de mate van onvoorzienbaarheid,
het moment en duur van het teeltseizoen en de omvang van de bestaande voorraad. Dit
is vastgelegd in een beleidsregel. Het Ctgb blijft deze zorgvuldige afweging maken,
ook als de verordening een langere maximale respijttermijn mogelijk maakt.
Het instellen van een respijttermijn binnen de Europese kaders is een nationale competentie.
Hierdoor mogen lidstaten dus zelf binnen de gestelde termijnen een respijttermijn
vaststellen of helemaal geen respijttermijn instellen, dit is ook nu al het geval.
Nederland pleit in de onderhandelingen tegen de verlenging van de respijttermijnen.
Gezien de breedte van het Omnibus pakket is het nu nog niet te zeggen hoe de respijtperiodes
zullen worden meegewogen in het uiteindelijke oordeel van het kabinet.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie betreuren de ontwikkeling dat Omnibussen niet
langer enkel voor technische aanpassingen worden gebruikt, maar voor systemische wijzigingen
van Europese regelgeving. De Europese Ombudsman heeft naar aanleiding van ervaringen
met andere Omnibussen geoordeeld dat dit tot wanbeleid leidt, omdat niet alle belanghebbenden
zijn gehoord en er zonder gedegen onderbouwing tot verregaande wijzigingen in wetgeving
is besloten (Europese Ombudsman, 25 november 2025, «Recommendation on the European
Commission’s compliance with «Better Regulation» rules and other procedural requirements
in preparing legislative proposals that it considered to be urgent» (https://www.ombudsman.europa.eu/en/recommendation/en/215920)). Deelt het kabinet de mening dat dit Omnibus-voorstel niet enkel een technische
wijziging is, dat daarmee democratische waarborgen worden overgeslagen en dat het
onwenselijk is om zulke grote wijzigingen in een Omnibus-voorstel te regelen? Deelt
het kabinet de conclusies van de Europese Ombudsman? Welke lessen trekt de het kabinet
hieruit?
Antwoord
Het kabinet onderschrijft het belang van het Omnibus-principe. In een tijd van geopolitieke
onzekerheid is het belangrijk dat Europese regelgeving waar mogelijk sneller wordt
vereenvoudigd, zodat Europa economisch concurrerend kan blijven. Tegelijkertijd vindt
het kabinet het essentieel dat de gevolgen van Europese voorstellen zorgvuldig worden
beoordeeld. Daarom zal het kabinet ook bij Omnibus-voorstellen blijven benadrukken
dat een goede impactanalyse noodzakelijk is.
Er bestaat geen juridisch vastgelegde definitie van wat precies onder een «technische
wijziging» valt. Daardoor is het lastig om een duidelijke grens te trekken. In het
geval van het Omnibus-voorstel worden de inhoudelijke beleidsdoelen, zoals het voorzorgsprincipe,
en de bestaande beschermingsniveaus in principe niet aangepast. Vanuit dat perspectief
kan worden betoogd dat het inderdaad om technische wijzigingen gaat.
Ik onderschrijf de conclusies van de Europese Ombudsman daarom gedeeltelijk. Het blijft
belangrijk dat Europese wetgeving op een democratische, transparante en zorgvuldige
manier tot stand komt. Tegelijkertijd moet dit in balans worden gebracht met de noodzaak
om Europese regelgeving waar nodig snel te vereenvoudigen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat het voorstel van de EC de
bewijslast verschuift van producenten naar overheden. Als er vermoedens zijn dat een
middel schadelijk is, dan moet de EC dat voortaan onderbouwen en moet niet langer
de producent, maar de beoordelende instantie zoals het College voor de toelating van
gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) voor de kosten opdraaien. Deze leden
vinden dit een onwenselijke verschuiving van verantwoordelijkheden. Wat zijn de gemiddelde
kosten en duur voor een herbeoordeling en hoe gaat dat veranderen onder de nieuwe
regels? Welke extra financiering verwacht het kabinet dat het Ctgb nodig heeft? Wat
vindt het kabinet van deze verschuiving van kosten?
Antwoord
Onder het Omnibus voorstel zal de bewijslast niet verschuiven van producenten naar
overheden. Bij het uitvoeren van een herbeoordeling van een werkzame stof zal een
producent in het Omnibus voorstel nog steeds een dossier moeten aanleveren op hun
eigen kosten. Hierdoor zal de kosten en duur voor de herbeoordeling van een werkzame
stof niet veranderen.
Het kabinet zegt dat de verwachte kostenbesparing bij de European Food Safety Authority
(EFSA) en het Ctgb niet kan worden gekwantificeerd. Tegelijkertijd heeft de EC in
een «Working Document» de verwachte kostenbesparingen per stof berekend (Europese
Commissie, 16 december 2025, «Simplification Omnibus Package «Commission Staff Working
Document»» (https://food.ec.europa.eu/document/download/863722d6-85d9-4273-b1f6-475…)). Kan het kabinet deze ogenschijnlijk tegenstrijdige informatie toelichten? Hoeveel
beoordelingen verwacht het kabinet dat het Ctgb minder zal gaan uitvoeren en wat betekent
dat voor het vermogen van het Ctgb om benodigde expertise te behouden? Hoe gaat het
kabinet ervoor zorgen dat er geen belangrijke expertise verloren gaat bij het Ctgb?
Antwoord
Nederland verwacht, zoals beschreven in het BNC fiche, dat door de loskoppeling van
de herbeoordelingen van werkzame stoffen en middelen er juist een lastenverzwaring
ontstaat bij de herbeoordeling van middelen. Doordat de Commissie dit niet meeneemt
in haar verwachte kostenbesparing ontstaat de ogenschijnlijke tegenstrijdige informatie.
Nederland pleit daarom dat de herbeoordelingen voor middelen wel gelijk blijven lopen
voor de herbeoordelingen van werkzame stoffen.
In principe gaat het voorstel ervan uit dat alle capaciteit die bij EFSA en nationale
toelatingsautoriteiten die vrijkomt zal worden gebruikt om de toelating van nieuwe
werkzame stoffen en middelen. Daarmee verwacht ik dat de belasting voor het Ctgb ongeveer
gelijk zal blijven. Wel belangrijk hiervoor is dat het werkprogramma, dat het nieuwe
herbeoordelingssysteem zal aansturen, transparant en voorspelbaar is, zodat de bedrijfsvoering
van het Ctgb zich hierop kan aanpassen. Het kabinet zet zich in om belangrijke voorwaarden
voor de bedrijfsvoering van het Ctgb in de compromistekst van het Omnibus voorstel
te verwerken. Het kabinet baseert haar inzet op de adviezen van het Ctgb1. Tegelijkertijd zal het Ctgb vanuit de voorjaarsnota, gesteund door het aangenomen
amendement Podt/Bromet (36 800-XIV-21), met aanvullende middelen ondersteund worden bij het beoordelen van aanvragen die
bijdragen aan verduurzaming en blijft ik in gesprek met het Ctgb om knelpunten, zoals
het verloren gaan van expertise, te voorkomen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zien dat er een grote behoefte is aan doorontwikkeling
van gewasbeschermingsmiddelen terwijl de onbeperkte toegang van middelen vernieuwing
en innovatie juist in de weg staan. Erkent het kabinet dat dit een risico is? Wat
wordt de inzet van het kabinet in onderhandelingen over de omnibus om dit risico te
mitigeren en zo ja, hoe?
Antwoord
Ik zie dit wat genuanceerder, omdat dit voorstel ook kansen voor innovatie en doorontwikkeling
kan bieden. Doordat capaciteit bij toelatingsautoriteiten efficiënter wordt ingedeeld,
kan de lange wachttijd voor nieuwe innovatieve werkzame stoffen en middelen worden
ingekort. Hierdoor wordt het aantrekkelijker om met innovatieve nieuwe werkzame stoffen
en middelen op de Europese markt te komen. Daarnaast wil ik met het overeenkomen van
convenanten in Nederland een verdere beweging inzetten naar doorontwikkeling en innovatie.
Ik zal andere lidstaten uiteraard meenemen in deze aanpak. Aansluitend blijft de reden
voor herbeoordeling in dit voorstel dat dit moet gebeuren op wetenschappelijke basis
en vanwege zorgen over negatieve effecten op de gezondheid van mens, dier en milieu.
Het kabinet zal zich verzetten tegen voorstellen die ook de sociaal-economische aspecten
hierin mee willen nemen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben vernomen dat een Franse ngo heeft uitgezocht
dat er 49 chemische bestrijdingsmiddelen zijn die volgens het huidige voorstel vanaf
1 januari 2027 een toelating voor onbepaalde tijd krijgen (Generations Futures, 5 februari
2026, «Une approbation illimitée pour 49 pesticides dangereux dont le glyphosate et
l’acétamipride? Générations Futures demande des clarifications à la Commission Européenne»
(https://www.generations-futures.fr/actualites/omnibus-pesticides-illimi…)). Dit zijn stoffen waarvan de toelating recentelijk is vernieuwd. Hieronder vallen
het voor bijen zeer giftige acetamiprid, het omstreden glyfosaat en de veelgebruikte
PFAS-stof trifloxystrobin. Wat betekent dit voor de middelen op basis van deze stoffen
die in Nederland zijn toegelaten?
Antwoord
Voor middelen die op basis van deze stoffen in Nederland zijn toegelaten verandert
er in principe weinig met het voorstel in de directe toekomst. Wat wel verandert is
dat de werkzame stoffen waarop deze middelen zijn gebaseerd risicogestuurd zullen
worden herbeoordeeld. Met name in het geval dat het gaat om werkzame stoffen waar
zorgen over zijn kan het zijn dat deze sneller zullen worden herbeoordeeld dan het
geval zou zijn als deze stoffen periodiek zouden worden herbeoordeeld.
De EC verwacht dat de toelating voor onbepaalde tijd voor glyfosaat ten minste € 605.500
bespaart, zoals geformuleerd in het «Working document». Voor acetamiprid is dit € 176.100.
Waarop zijn deze bedragen gebaseerd? Onder welke voorwaarden kan Nederland een toelating
voor middelen op basis van deze actieve stof intrekken als de stof op Europees niveau
voor onbepaalde tijd is toegelaten? Deze leden vrezen dat toelating van glyfosaat
en andere risicovolle stoffen voor onbepaalde tijd voor veel onrust bij onder andere
omwonenden en mensen die met de stoffen werken, verder vergroot. Hoe weegt het kabinet
deze terechte zorgen, en hoe verhoudt dit zich tot het voorzorgsprincipe?
Antwoord
Deze bedragen zijn gebaseerd op openbare gegevens en aangeleverde data van toelatingsautoriteiten
van lidstaten. In principe veranderen deze voorwaarden niet met het Omnibus voorstel.
Het Ctgb kan kiezen voor een herbeoordeling uit te voeren voor middelen als zij zorgen
hebben over de veiligheid van bepaalde middelen. Dit gebeurt op dit moment bijvoorbeeld
voor middelen die PFAS bevatten.
Het kabinet begrijpt dat er zorgen kunnen bestaan over de goedkeuring van werkzame
stoffen voor onbepaalde tijd, met name bij omwonenden en mensen die beroepsmatig met
deze stoffen werken. Voor het kabinet staat daarom voorop dat het beschermingsniveau
voor mens, dier en milieu gewaarborgd moet blijven. Het voorzorgsbeginsel is daarbij
voor mij een belangrijk uitgangspunt. Met het Omnibus voorstel zal het nog steeds
zo zijn dat stoffen alleen mogen worden goedgekeurd als zij voldoen aan de hoge eisen
van bescherming voor mens, dier en milieu, zoals is vastgelegd in verordening (EG)
nr. 1107/2009. Het blijft met het voorstel mogelijk om goedkeuringen te herzien of
in te trekken, als daar nieuwe wetenschappelijke inzichten of monitoringsgegeven aanleiding
toe geven.
Het kabinet erkent dat een systeem van goedkeuringen voor onbepaalde tijd vragen kan
oproepen over de manier waarop nieuwe risico’s tijdig worden gesignaleerd en beoordeeld.
Het kabinet vindt daarom dat een dergelijk systeem moet worden ondersteund door een
robuust en transparant systeem voor gerichte herbeoordelingen, waarbij nieuwe wetenschappelijke
inzichten actief worden gevolgd en stoffen zo nodig opnieuw worden beoordeeld. Ik
zal mij daarnaast nationaal inzetten om met het afsluiten van convenanten met diverse
stakeholders juridisch bindende afspraken te maken over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen.
Het kabinet wil ook dat prioritaire stoffen onder de KRW worden uitgesloten van toelating
voor onbepaalde tijd, net zoals de Kandidaten voor Vervanging (KvV). Vallen alle niet-toetsbare
stoffen onder de KvV en/of onder de prioritaire stoffen uit de KRW?
Antwoord
Nee, een deel van de niet toetsbare stoffen vallen onder de KRW en/of de Kandidaten
voor Vervanging. Met de aanstaande herziening van de Richtlijn Prioritaire Stoffen
die naar verwachting in april wordt vastgesteld komen er weer nieuwe stoffen bij.
Daarmee worden ook een aantal niet-toetsbare stoffen toegevoegd aan de lijst prioritaire
stoffen.
Welke toegelaten stoffen die structureel normoverschrijdend in het oppervlaktewater
zijn, vallen onder de toelating voor onbepaalde tijd?
Antwoord
Het Ctgb stelt jaarlijks de lijst met structureel toelatingsnormsoverschrijdende stoffen
vast. Op deze lijst staan zes stoffen. Twee van deze stoffen zijn kandidaten voor
vervanging en zullen dus geen goedkeuring voor onbepaalde tijd krijgen. Voor drie
stoffen loopt de herbeoordeling; deze stoffen krijgen mogelijk een goedkeuring voor
onbepaalde tijd, afhankelijk van de uitkomst van de herbeoordeling. De zesde stof,
spinosad, is recent herbeoordeeld en zal op basis van het Omnibusvoorstel een goedkeuring
voor onbepaalde tijd krijgen.
Los van het omnibusvoorstel blijft het beleid van het Ctgb om toelatingen van middelen
op basis van structureel normoverschrijdende stoffen waar nodig tussentijds te herbeoordelen.
Hoe staat het kabinet tegenover het uitsluiten van de specifiek verontreinigende stoffen
van de toelating voor onbepaalde tijd?
Antwoord
In de kabinetsreactie staat aangegeven dat het Kabinet zich zal inzetten dat stoffen
waarvoor zorgen bestaan vanuit de KRW, zoals de prioritaire stoffen, worden uitgesloten
van een toelating voor onbepaalde tijd. Dit is een Europees duidelijk gedefinieerde
groep en daarmee gemakkelijker in te brengen tijdens de Europese onderhandelingen.
Welke mogelijkheden zijn hiervoor op nationaal niveau? Hoe staat het kabinet tegenover
het uitsluiten van alle PFAS-bestrijdingsmiddelen van de toelating voor onbepaalde
tijd? Welke mogelijkheden zijn hiervoor op nationaal niveau?
Antwoord
Er is in het Omnibus voorstel specifiek een mogelijkheid opgenomen voor lidstaten
om werkzame stoffen of groepen stoffen aan te dragen voor een herbeoordeling in het
nieuwe werkprogramma van de Commissie. Het nieuwe herbeoordelingssysteem van de Commissie
gaat specifiek over de herbeoordeling van werkzame stoffen. Het is daarom niet mogelijk
om dat op die manier in te brengen. Verder heeft het Ctgb recent aangekondigd om 46
PFAS-middelen te herbeoordelen op basis van wetenschappelijke informatie vanuit Denemarken.
Uw Kamer is hierover op 19 december 2025 schriftelijk geïnformeerd (Kamerstuk 27 858, nr. 739).
Is het kabinet bereid om met drinkwaterbedrijven en waterschappen in gesprek te gaan
over de zorgelijke stoffen in het oppervlakte- en grondwater en de aanbevelingen van
deze instituties mee te wegen in de kabinetsappreciatie van de uitsluitingsgronden
voor toelating voor onbepaalde tijd?
Antwoord
Ik ben zeker bereid om met drinkwaterbedrijven en waterschappen in gesprek te gaan.
Overigens is dit ook al in aanloop naar het BNC fiche gedaan, bijvoorbeeld door het
organiseren van een stakeholderbijeenkomst en de mogelijkheid voor waterschappen om
mee te lezen en commentaar te leveren op het BNC fiche.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat in het voorstel een toelating
van onbepaalde tijd wordt toegekend aan actieve stoffen met uitzondering van KvV's,
derogaties verleend onder Artikel 4, lid 7 en actieve stoffen met een toelating voor
bepaalde tijd vanwege «relevant uncertainties arising form the risk assessment, including
those resulting form data gaps». Maatschappelijke organisaties maken zich zorgen dat
deze vaag geformuleerde uitzonderingsgrond het maatschappelijk fundament van de toelatingsprocedure
aantast en politieke factoren mee kunnen gaan wegen. Wat is de appreciatie van het
kabinet van deze uitzonderingsgrond? Hoeveel en welke in Nederland toegestane actieve
stoffen en middelen op basis van deze actieve stoffen krijgen naar verwachting per
1 januari 2027 een toelating voor onbepaalde tijd, mocht het voorstel in zijn huidige
vorm van kracht gaan? Kan het kabinet een overzicht maken van de actieve stoffen en
middelen die als gevolg van herbeoordeling reeds van de markt zijn gehaald? Kan daarbij
worden aangegeven of dit om een KvV ging en wat de onderbouwing (risico's) waren om
de stof dan wel middel van de markt te halen?
Antwoord
Voor werkzame stoffen die worden uitgezonderd van het nieuwe risicogestuurde herbeoordelingssysteem
zal het huidige periodieke herbeoordelingssysteem blijven gelden. De onderbouwing
hiervoor is dat deze stoffen extra risicovol kunnen zijn en het daarom van belang
is dat deze stoffen om de zoveel tijd herbeoordeeld zullen worden. Ik kan deze redenering
volgen en begrijp ook dat als er onzekerheden ontstaan bij de beoordeling van stoffen,
het beter is om deze stoffen dan niet goedkeuring te geven voor onbepaalde tijd.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn ten slotte benieuwd of het kabinet bereid
is om met andere Europese lidstaten op te trekken om alle verslechteringen uit dit
dereguleringspakket te halen, of om anders een blokkerende minderheid in de Raad van
de EU te organiseren, wanneer de natuur en de gezondheid van boeren, werkenden, omwonenden
en de algehele volksgezondheid negatief worden beïnvloed door dit tiende Omnibuspakket.
Antwoord
De inzet van het kabinet staat beschreven in het BNC fiche dat over dit voorstel met
de Kamer is gedeeld. Ik zal mij daarbij inzetten om regelgeving te versimpelen, zolang
het veiligheidsniveau voor mens, dier en milieu gehandhaafd blijft. Ik zal mij bij
deze inzet ook verhouden tot de aangenomen motie van leden Podt en Bromet (Kamerstuk
21 501-32 nr. 1744).
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van het Omnibuspakket veiligheid
van voedsel en diervoeder en hebben hierover enkele opmerkingen en vragen gericht
aan de Minister van LVVN.
1. Gebrek aan Impact Assessment en democratische verantwoording
De leden van de PVV-fractie constateren met grote zorgen dat de EC geen impact assessment
heeft uitgevoerd voor dit omvangrijke pakket aan wijzigingen. Zonder een dergelijke
analyse ontbreekt inzicht in de economische, sociale en ecologische gevolgen voor
de Nederlandse agrarische sector (Kamerstuk 22 112, nr. 4261). Kan de Minister uitleggen waarom de bereidheid er is een standpunt in te nemen
over voorstellen waarvan de feitelijke impact op de praktijk en de voedselzekerheid
volstrekt onduidelijk is en is hij bereid in Brussel te eisen dat er alsnog een volledige
effectbeoordeling komt voordat Nederland definitief instemt?
Antwoord
Voor de omnibussen presenteert de Europese Commissie (EC) in het algemeen geen impact
assessments. De EC geeft als reden dat het gaat om urgente aanpassingen van politiek
belang, die te veel vertraging zouden oplopen als er een volledig impact assessment
moet worden uitgevoerd. Deze werkwijze zal niet voor de food & feed omnibus worden
aangepast. Dit is onderdeel van de omnibus aanpak en hier is in het algemeen breed
draagvlak voor. In het coalitieakkoord is opgenomen dat het kabinet het Europese Omnibus
principe onderschrijft en daarmee ook het politieke belang benadrukt.
Tijdens de onderhandelingen over dit Omnibus voorstel is door Nederland nadrukkelijk
aangegeven dat een impact analyse belangrijk is en gevraagd of dit alsnog uitgevoerd
kan worden. Ik acht het echter niet waarschijnlijk dat de Commissie alsnog een impact
assessment zal uitvoeren.
Een impact analyse is niet de enige manier om inzicht te krijgen in de eventuele impact
van dit Commissievoorstel. Zo is er een advies geschreven door het Ctgb, heeft de
Europese Commissie een werkdocument gepubliceerd en zijn er stakeholders over dit
voorstel geconsulteerd. Desalniettemin zou een impact assessment zeker bijdragen aan
het beter in kaart krijgen wat de impact van een voorstel zal zijn. De uiteindelijke
Nederlandse stem over het voorstel zal afhangen van de inhoud van het uiteindelijke
compromisvoorstel. Hierbij zal het ontbreken van een impact assessment worden meegewogen.
2. Verschuiving van kosten van bedrijfsleven naar de burger
De leden van de PVV-fractie lezen dat uit de bronnen blijkt dat bij de toelating van
diervoederadditieven de kosten voor het monitoren van de veiligheid verschuiven van
het bedrijfsleven naar de overheid (EFSA en de lidstaten). Het kabinet noemt dit zelf
«zeer onwenselijk» (Kamerstuk 22 112, nr. 4261). Deze leden delen deze mening. Het is onacceptabel dat de belastingbetaler opdraait
voor de veiligheidsborging van commerciële producten. Welke harde garanties kan de
Minister geven dat deze kostenverschuiving in de definitieve verordening wordt geschrapt
en welke alternatieven gaat hij aandragen om de lasten bij de producenten te houden?
Antwoord
In het BNC-fiche heb ik de zorg geuit, dat het voorstel mogelijk kan leiden tot een
kostenverschuiving naar overheden en EFSA voor bijvoorbeeld een veiligheidsmonitoring.
Of dit daadwerkelijk het geval zal zijn, moet in de praktijk nog blijken. Ik zie echter
ook gunstige elementen. Doordat het niet meer verplicht is om diervoederadditieven
elke tien jaar een herbeoordeling te laten ondergaan, kan dit tijd en middelen besparen.
Met name EFSA kan deze vrijgekomen capaciteit elders inzetten. Daarnaast krijgt EFSA
ook extra bevoegdheden, zoals de mogelijkheid om dossiers rechtstreeks bij bedrijven
op te vragen.
Ik kan op dit moment geen harde garanties geven dat dit onderdeel zal worden geschrapt
uit het Omnibus voorstel. Momenteel ben ik nog in gesprek met de Europese Commissie
over het voorstel. Omnibus voorstellen worden vastgesteld met een gekwalificeerde
meerderheid van lidstaten. Indien er onvoldoende steun is voor het Nederlandse standpunt
in deze, zal het voorstel van de Commissie in beginsel worden doorgevoerd.
3. Verlies van nationale soevereiniteit door de «Lex Silencio Positivo»
De leden van de PVV-fractie lezen dat het voorstel een vorm van stilzwijgende instemming
(lex silencio positivo) bij de wederzijdse erkenning van bepaalde gewasbeschermingsmiddelen
introduceert: als een lidstaat niet tijdig beslist, wordt de toelating automatisch
verleend (Kamerstuk 22 112, nr. 4261). Dit beperkt de nationale beleidsruimte en zet de Nederlandse toelatingsautoriteit
(Ctgb) buitenspel. Deelt de Minister de mening dat het onaanvaardbaar is dat de Nederlandse
controle op de eigen markt wordt uitgehold door Europese besluitvormingstermijnen,
zeker wanneer het gaat om potentieel giftige stoffen die onder een te brede definitie
van «biocontrol» kunnen vallen?
Antwoord
Nederland is inderdaad tegenstander van stilzwijgende goedkeuring met de huidige brede
definitie van biocontrol. Ik zet mij daarom in om dit te veranderen in de onderhandelingen
in Brussel.
4. Onuitvoerbaarheid en extra druk op de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA)
en het Ctgb
De leden van de PVV-fractie lezen dat de bronnen aangeven dat het wegvallen van periodieke
herbeoordelingen van werkzame stoffen leidt tot inefficiënte inzet van capaciteit
en uitvoeringproblemen bij nationale instanties zoals het Ctgb en de NVWA (Kamerstuk
2026D05988). De NVWA heeft momenteel al onvoldoende budget voor haar huidige taken, terwijl
de monitoringstaken juist dreigen toe te nemen. Hoe kan de Minister verdedigen dat
Nederland instemt met een pakket dat de regeldruk voor Brussel verlaagt, maar in de
praktijk leidt tot een grotere chaos en hogere werkdruk bij onze eigen nationale toezichthouders?
Antwoord
Nederland heeft tot nu toe – net als andere lidstaten – nog niet gestemd over het
Omnibus pakket, de onderhandelingen over dit pakket lopen op dit moment nog.
Onderdeel van de Nederlandse inzet is om regelgeving uitvoerbaar, naleefbaar en handhaafbaar
te houden. Hierbij wordt ook gekeken naar de gevolgen voor een hogere regeldruk op
nationaal niveau. Indien een voorstel straks door de lidstaten wordt aangenomen, zal
ik in overleg met onze toezichthouders waarborgen dat veranderingen in taken zo goed
mogelijk landen binnen de organisaties die het betreft.
5. Risico's voor de internationale handel en exportpositie
De leden van de PVV-fractie menen dat de voorgestelde aanscherping van de eisen voor
maximale residulimieten (MRL's) op geïmporteerde producten uit derde landen kan leiden
tot handelsconflicten bij de Wereldhandelsorganisatie (WTO). Het kabinet erkent dat
dit de import van noodzakelijke producten kan bemoeilijken en onze logistieke positie
als doorvoerland kan schaden (Kamerstuk 22 112, nr. 4261). Heeft de Minister scherp in beeld wat de gevolgen zijn voor de Nederlandse consumentenprijzen
en de beschikbaarheid van voedsel wanneer belangrijke handelspartners tegenmaatregelen
nemen tegen deze Europese protectionistische neigingen?
Antwoord
De Europese Commissie heeft eerder een impact assessment aangekondigd in de Visie
voor Landbouw en Voedsel waarin de gevolgen van de voorgestelde aanscherping voor
de concurrentiepositie van de EU en de internationale implicaties worden onderzocht.
Hieruit zal moeten blijken wat de consequenties zijn wanneer stoffen met bepaalde
gevaarseigenschappen niet meer worden toegelaten op geïmporteerde producten, waar
dit nu nog wel mag. De resultaten van dit impact assessment zijn essentieel voordat
wijzigingen worden doorgevoerd. Zodoende pleit het kabinet voor het uitvoeren van
dit impact assessment, waarvan de voorbereidende studie in de zomer van 2026 wordt
verwacht. Op het voorliggende Omnibusvoorstel zelf wordt geen impact assessment uitgevoerd.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het Omnibuspakket veiligheid
van voedsel en diervoeder en de Nederlandse positie in Europa en hebben daarbij enkele
vragen.
De leden van de CDA-fractie vinden het belangrijk dat het beschermingsniveau voor
mens, dier en milieu prioriteit heeft in de inbreng van Nederland in de EU. Kan de
Minister bevestigen dat vereenvoudiging van regelgeving niet zal leiden tot verlaging
van het huidige beschermingsniveau voor mens, dier en milieu en dat het voorzorgsbeginsel
volledig overeind blijft bij de uitvoering van het Omnibuspakket?
Antwoord
Dit zal inderdaad het uitgangspunt zijn voor Nederland tijdens de onderhandelingen
over het Omnibus pakket.
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het voornemen van het kabinet
in het beschikbaar komen van de monitoring van innovatie in dronegebruik bij gewasbescherming
voor inspectie en onderzoek. Deze leden zien ook het belang van wetenschappelijk verantwoorde
innovatie en constateren dat dat zekerheid en duidelijkheid verschaft voor ondernemers
die investeren in innovatie. Op welke termijn kan de Minister hierover duidelijkheid
geven aan de sector, zodat ondernemers weten waar zij aan toe zijn? Deelt de Minister
de zorg dat aanhoudende onzekerheid over toelatingseisen en datavereisten investeringen
in innovatie en verduurzaming vertragen? Welke stappen zet de Minister om die onzekerheid
te minimaliseren?
Antwoord
Allereerst moet er in Brussel een akkoord worden bereikt over het Omnibus pakket.
De Commissie zal na dat akkoord volgens het voorstel 4 jaar de tijd krijgen om een
lijst op te stellen met drones die minstens even veilig zijn en dat er wordt voldaan
aan minimale eisen t.a.v. drift en dosering zodat er geen risico’s ontstaan voor het
realiseren van waterkwaliteitsdoelen (KRW en Drinkwaterrichtlijn) als landgebonden
apparatuur voor de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen. Nadat deze lijst is opgesteld
kunnen lidstaten een derogatie geven voor het gebruik van drones die op deze lijst
staan. Gedurende deze periode zal ik de sector tijdig informeren bij belangrijke mijlpalen.
Ik deel de zorg dat onnodige onzekerheid inderdaad zorgt dat innovatie en verduurzaming
moeilijk van de grond komt. Tegelijkertijd wil ik wel waken voor een zorgvuldig proces
en ik zal daarom inzetten op een duidelijke wetstekst in het Omnibus pakket en een
duidelijke implementatie van deze richtlijn in Nederland.
De leden van de CDA-fractie constateren dat technische innovatie, zoals dronegebruik
in precisielandbouw, grote investeringen met zich meebrengt. Welke financiële middelen,
stimuleringsregelingen of overgangsmaatregelen stelt de Minister beschikbaar om innovatieve
toepassingen te ondersteunen zolang er nog onzekerheid bestaat over het definitieve
toelatingskader?
Antwoord
Met het innovatieprogramma «Robots naar de Boerenpraktijk» wordt geïnvesteerd in onderzoek
voor innovatieve technieken in het kader van arbeidsbesparing, teeltmaatregelen, automatisering
en precisielandbouw. Dit programma richt zich op het versneld, verantwoord en inclusief
implementeren van robotisering in de Nederlandse land- en tuinbouw. Dit omvat zowel
het valideren en testen van technieken onder praktijkomstandigheden bij telers zelf
als het doorontwikkelen van de randvoorwaarden zoals data-infrastructuur en data-eigenaarschap.
Er wordt gewerkt aan een financieel arrangement voor telers om aanschaf of lease van
deze innovaties te ondersteunen.
De leden van de CDA-fractie zijn van mening dat de administratieve lasten voor ondernemers
in de sector groot zijn en een hoge regeldruk veroorzaken. Deze leden willen de Minister
dan ook vragen erop toe te zien dat deze zo veel mogelijk worden vermeden. Wat zijn
de verwachte veranderingen in administratieve lasten voor Nederlandse boeren, diervoederproducenten
en voedselverwerkers als gevolg van het Omnibuspakket?
Antwoord
Deze zorg van de leden van de CDA-fractie sluit aan bij het doel van dit Omnibus pakket.
Met het Omnibuspakket worden een breed aantal verschillende versimpelingsmaatregelen
voorgesteld. Voor dit kabinet is dit ook een belangrijk uitgangspunt, zo is dit ook
opgenomen in ons coalitieakkoord. Voor het bedrijfsleven wordt er door de Commissie
een jaarlijkse kostenbesparing berekend van 335 miljoen euro vanaf 2027 tot een bedrag
van 428 miljoen euro vanaf 2029. Voor overheden worden ook significante kostenbesparingen
verwacht, ongeveer 661 miljoen euro per jaar.
De leden van de CDA-fractie maken zich zorgen over de resistentieontwikkeling van
ziekten en plagen, omdat het afnemende aantal toegelaten gewasbeschermingsmiddelen
en werkingsmechanismen ertoe kan leiden dat telers vaker terugvallen op dezelfde middelen.
Hoe beoordeelt de Minister het risico dat een kleiner aantal beschikbare werkingsmechanismen
leidt tot versnelde resistentieontwikkeling bij ziekten en plagen? Welke maatregelen
worden genomen om te voorkomen dat het huidige toelatingsregime op termijn juist de
effectiviteit van gewasbeschermingsstrategieën ondermijnt?
Antwoord
Het risico van resistentie ontwikkeling tegen gewasbeschermingsmiddelen is altijd
aanwezig. Een gelimiteerde «gereedschapskist» kan ervoor zorgen dat impact groter
wordt als een resistentie zich ontwikkelt. Zo'n gereedschapskist bestaat naast gewasbeschermingsmiddelen
ook uit bijvoorbeeld het gebruik van weerbare rassen, biologische bestrijders en goed
bodem gebruik. Ik zet mij in om deze gereedschapskist zo goed gevuld mogelijk te houden.
Hier kan het nieuwe Omnibus voorstel goed ondersteunen, omdat dit voorstel ervoor
kan zorgen dat nieuwe (biocontrol)gewasbeschermingsmiddelen sneller op de Europese
en Nederlandse markt kunnen komen.
De leden van de CDA-fractie hebben geconstateerd dat telers bepaalde gewassen uit
hun bouwplan schrappen vanwege toenemende risico’s en beperkte correctiemogelijkheden.
Heeft de Minister zicht op mogelijke teeltuitval in Nederland of andere EU-lidstaten
als gevolg van het huidige tempo van intrekkingen en herbeoordelingen? Hoe wordt dit
risico meegewogen in het licht van Europese voedselzekerheid en strategische autonomie?
Antwoord
Ik deel de zorg over Europese strategische autonomie en daarom zet Nederland in op
innovatie, precisielandbouw en verbeterde beschikbaarheid van alternatieven voor telers.
Daarnaast worden binnen het Uitvoeringsprogamma toekomstvisie gewasbescherming 2030
actuele vraagstukken zoals deze besproken. We staan in nauw contact met de sector
zodra er middelen wegvallen en steunen hen in het zoeken naar alternatieven. Ook is
er op nationaal niveau de mogelijkheid tot het verlenen van tijdelijke vrijstellingen
in het geval van een ernstig landbouwkundige noodsituatie.
De Nederlandse inzet is gericht op het handhaven van het beschermingsniveau voor mens,
dier en milieu. Het op de markt houden van stoffen en middelen die niet voldoen aan
de veiligheidscriteria zou een verlaging van dit niveau betekenen. Nederland steunt
de voorstellen die het op de markt komen van duurzame alternatieven versnellen.
De leden van de CDA-fractie constateren dat bestaande middelen moeten verdwijnen,
voordat effectieve alternatieven beschikbaar zijn. Deelt de Minister de analyse dat
verduurzaming alleen houdbaar is wanneer effectieve alternatieven beschikbaar zijn
vóórdat bestaande middelen verdwijnen? Is hij bereid zich in Europees verband in te
zetten voor een expliciete toets op de beschikbaarheid van alternatieven bij voorgenomen
intrekkingen?
Antwoord
Ik zie zeker het belang dat er effectieve middelen beschikbaar moeten zijn om de verduurzaming
van de landbouw te faciliteren. Echter wordt bij de goedkeuring van werkzame stoffen
en middelen alleen gekeken naar welke risico's deze stoffen en middelen kunnen vormen
voor mens, dier en milieu. Hierbij worden geen landbouwkundige overwegingen meegenomen.
Dit is een cruciaal onderdeel van de invulling van het voorzorgsbeginsel, dat de CDA
fractie ook aanstipt in haar eerste vraag. Ik ben daarom niet bereid om mij in te
zetten voor een dergelijke toets. Een dergelijk beleid zou innovatie juist kunnen
remmen. Ik zet mij echter wel in om alternatieve middelen sneller op de markt te krijgen
door binnen Europa actief bij te dragen aan snellere procedures en ik ondersteun het
Ctgb, gesteund door het aangenomen amendement Podt/Bromet (36 800-XIV-21), door aanvullende financiële middelen voor snellere beoordeling van duurzame gewasbeschermingsmiddelen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie
De leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen van het onderwerp Omnibuspakket
veiligheid van voedsel en diervoerder. Deze leden hebben daarover de volgende verduidelijkende
vragen.
De leden van de JA21-fractie vragen de Minister welke inzet hij kiest om in Europees
verband de aangekondigde impact assessment rond het aanpassen van import toleranties
zo vorm te geven dat concurrentiepositie, beschikbaarheid van grondstoffen en handelsbelemmeringen
zo efficiënt mogelijk worden meegewogen.
Antwoord
De Europese Commissie heeft eerder een impact assessment aangekondigd in de Visie
voor Landbouw en Voedsel waarin de gevolgen van de voorgestelde aanscherping voor
de concurrentiepositie van de EU en de internationale implicaties worden onderzocht.
Op het voorliggende Omnibusvoorstel zelf zal de Europese Commissie geen impact assessment
uitvoeren. Uit de eerder aangekondigde impact assessment zal moeten blijken wat de
consequenties zijn wanneer stoffen met bepaalde gevaarseigenschappen niet meer worden
toegelaten op geïmporteerde producten, waar dit nu nog wel mag. De resultaten van
dit impact assessment zijn essentieel voordat wijzigingen worden doorgevoerd. Zodoende
pleit het kabinet voor het uitvoeren van dit impact assessment voordat er wijzigingen
worden doorgevoerd. De voorbereidende studie wordt in de zomer van 2026 verwacht.
De leden van de JA21-fractie vragen de Minister of hij bereid is om een programma
op te stellen voor het versnellen van onderzoek naar alternatieven voor chemische
gewasbeschermingsmiddelen en toepassing daarvan in de praktijk.
Antwoord
Er loopt op dit onderwerp al veel vanuit de overheid en hier wordt tevens binnen de
voorjaarsnota extra aandacht aan gegeven. Sinds 2017 loopt de kennisimpuls groene
gewasbescherming voor de ontwikkeling van geheel nieuwe, innovatieve teeltontwerpen.
Sinds 2021 zijn nieuwe casussen opgestart voor de teelten aardbei, tomaat, potplant
en prei. Dit jaar wordt er een pilot gestart om kennis te ontwikkelen over de randvoorwaarden
voor versnelde integratie van nieuwe groene middelen in geïntegreerde teeltsystemen.
De pilot is een samenwerking tussen telers, distributeurs, toelatingshouders, sectororganisaties
en LVVN. Met behulp van een proefontheffing wordt dit jaar ervaring opgedaan met twee
nieuwe groene middelen, één in aardappel, één in komkommer. Ook loopt er een driejarige
pilot bij de Lidl, in samenwerking met CLM en Natuur & Milieu in aardappels, appels
en aardbeien. Hierbij wordt kennis ontwikkeld over alternatieven voor chemische gewasbeschermingsmiddelen
en toepassing in de praktijk van deze alternatieven. Naast kennisontwikkeling wordt
ingezet op het opschalen van gebruik van deze alternatieven bij toeleverende telers.
Verder wordt er binnen de huidige onderzoeksprogrammering (KIA) nadrukkelijk aandacht
voor de ontwikkeling van weerbare teeltsystemen besteed waarbij het doel is om de
afhankelijkheid van chemische gewasbeschermingsmiddelen zo minimaal mogelijk te maken.
Tenslotte is er een «Innovatie Programma-Weerbare Teeltsystemen» in ontwikkeling,
zodat agrarische ondernemers sneller een vollere gereedschapskist met handelingsopties
verkrijgen om duurzaam, economische renderend en weerbaar te kunnen telen. Ik zet
mij verder in om alternatieve middelen sneller op de markt te krijgen door binnen
Europa actief bij te dragen aan snellere procedures en ik ondersteun het Ctgb, gesteund
door het aangenomen amendement Podt/Bromet (36 800-XIV-21), door aanvullende financiële middelen voor snellere beoordeling van duurzame gewasbeschermingsmiddelen.
Naast deze lopende programma’s heeft het kabinet ook het voornemen om een bindend
convenant op te stellen voor het verminderen van het gebruik van schadelijke gewasbeschermingsmiddelen.
In dit convenant zal er ook aandacht worden besteed aan de beschikbaarheid van alternatieven.
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het BNC-fiche inzake
het Omnibuspakket veiligheid van voedsel en diervoeder. Deze leden zien in het voorstel
verschillende verbeteringen en vereenvoudigingen van bestaande wet- en regelgeving.
Zij steunen in beginsel de voorgestelde vereenvoudigingen van de verschillende verordeningen
en constateren dat, ondanks de voorgestelde aanpassingen, het beschermingsniveau voor
mens, dier en milieu nadrukkelijk blijft geborgd. Deze leden zien dat er veel oog
is voor veiligheid en welzijn. Wel hebben deze leden nog enkele vragen en opmerkingen.
De leden van de BBB-fractie constateren dat in het voorstel stappen worden gezet richting
het principe «wat we niet mogen produceren, mogen we niet importeren»: onder meer
door het intrekken van MRL's voor bepaalde stoffen bij invoer uit derde landen, indien
deze stoffen in de EU niet langer zijn goedgekeurd. Deze leden zien dit als een belangrijke
stap, zowel vanuit het oogpunt van voedselveiligheid als met het oog op een eerlijker
speelveld voor Europese en Nederlandse producenten. Deelt de Minister de mening dat
dit onderdeel van het pakket een duidelijke verbetering is ten opzichte van de huidige
situatie? Deze leden wijzen erop dat Bureau Risicobeoordeling en Onderzoek (Buro)
in januari 2026 een rapport heeft gepubliceerd over residuen van in Nederland niet-toegestane
gewasbeschermingsmiddelen op geïmporteerde rozen uit niet-EU-landen (Kamerstuk 27 858, nr. 740). Aanleiding hiervoor was onder meer een vraag van het voormalig lid Pierik (BBB)
tijdens het commissiedebat Gewasbescherming op 15 mei 2024 over de mogelijkheid om
residulimieten vast te stellen voor sierteeltproducten waarop middelen worden aangetroffen
die in Nederland niet zijn toegelaten.
Antwoord
In het Omnibuspakket veiligheid van voedsel en diervoeder wordt een aanscherping voorgesteld
ten aanzien van de eisen van de aanwezigheid van gewasbeschermingsmiddelen op geïmporteerde
levensmiddelen en diervoerders van plantaardige en dierlijke oorsprong. Omdat controle
op residuen in de basis wordt uitgevoerd om eventuele risico’s voor (humane en dier-)
consumptie inzichtelijk te maken, zijn sierteeltproducten uitgesloten van dit voorstel.
De impact van de voorgestelde aanscherping zal nog moeten blijken uit de resultaten
van de aangekondigde impact assessment. De resultaten van dit impact assessment zijn
essentieel voordat wijzigingen worden doorgevoerd. De voorbereidende studie wordt
in de zomer van 2026 verwacht.
De leden van de BBB-fractie constateren dat hiermee reeds langer aandacht wordt gevraagd
voor het gelijke speelveld en voor mogelijke risico’s voor mens en milieu bij geïmporteerde
producten. Kan de Minister aangeven op welke wijze de bevindingen en aanbevelingen
uit het Buro-rapport worden betrokken bij de Nederlandse inzet ten aanzien van de
voorgestelde aanpassingen van de MRL-systematiek in het Omnibuspakket? Is de Minister
bereid in Brussel expliciet te bepleiten dat, waar werkzame stoffen in de EU niet
langer zijn toegelaten vanwege risico’s voor mens, dier of milieu, dit ook consequenties
heeft voor de residunormen op geïmporteerde producten, inclusief sierteeltproducten?
Kan de Minister bevestigen dat de inzet van Nederland in lijn is met het eerder door
het voormalig lid Pierik (BBB) opgebrachte punt dat het onwenselijk is dat producten
uit derde landen op de Europese markt worden toegelaten met residuen van middelen
die hier niet zijn toegestaan? Deze leden vragen de Minister voorts of hij de mening
deelt dat het voorstel van de EC een concrete kans biedt om het principe «wat we niet
mogen produceren, mogen we niet importeren» steviger te verankeren, mede in het licht
van de uitkomsten van het Buro-onderzoek.
Antwoord
Het advies van Buro gaat over residuen van gewasbeschermingsmiddelen op geïmporteerde
rozen. In dit onderzoek is gekeken of de aanwezigheid van residuen van gewasbeschermingsmiddelen
op rozen afkomstig uit derde landen in Nederland een risico oplevert voor onder andere
werkers en consumenten. Snijbloemen zijn niet bedoeld voor consumptie – er geldt daarom
andere wetgeving met betrekking tot residuen van gewasbeschermingsmiddelen dan voor
levensmiddelen en diervoeders het geval is. In het omnibuspakket worden wijzigingen
voorgesteld voor maximumgehalten aan gewasbeschermingsmiddelen in of op levensmiddelen
en diervoeders. De Europese Commissie heeft eerder in de visie voor landbouw en voedsel
aangegeven een principe vast te willen stellen dat de meest gevaarlijke bestrijdingsmiddelen
die in de EU vanwege gezondheids- en milieuredenen verboden zijn, niet via geïmporteerde
producten weer in de EU mogen worden toegelaten. Daartoe werd een impact assessment
door de Europese Commissie voorgesteld, dat op 25 november 2025 gestart is en waarvan
de resultaten verwacht worden in de zomer van 2026. De uitkomsten ervan zijn cruciaal
voor verder handelen.
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de discussie over het voorstel
om over te stappen van een vaste herbeoordelingscyclus (van doorgaans 10 tot 15 jaar)
naar een meer risicogebaseerde systematiek. Kan de Minister bevestigen dat onder het
huidige systeem werkzame stoffen in beginsel voor een vaste periode van 10 tot 15
jaar worden toegelaten, waarna herbeoordeling plaatsvindt? Klopt het dat het voorgestelde
systeem het mogelijk maakt om werkzame stoffen opnieuw te beoordelen zodra daar op
basis van nieuwe wetenschappelijke inzichten of risicosignalen aanleiding toe is,
dus ook vóór afloop van een vaste termijn? Deelt de Minister de mening dat een risicogebaseerde
benadering juist kan bijdragen aan een effectiever beschermingsniveau doordat sneller
kan worden ingegrepen wanneer nieuwe risico’s zich aandienen, terwijl middelen zonder
nieuwe risicosignalen niet onnodig door een volledige herbeoordeling hoeven? Kan de
Minister expliciet bevestigen dat de toelatingscriteria zelf niet worden versoepeld,
maar dat het hier gaat om een aanpassing van de procedure en prioritering?
Antwoord
Dat klopt inderdaad en het aanpassen van het herbeoordelingssysteem is inderdaad een
aanpassing van procedure en prioritering.
De leden van de BBB-fractie wijzen erop dat de motie van de leden Podt (D66) en Bromet
(GroenLinks-PvdA) (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1744) is aangenomen, waarin wordt gesuggereerd dat sprake zou zijn van toelating «voor
onbepaalde tijd». Kan de Minister aangeven op welke onderdelen van het Omnibus-voorstel
deze kwalificatie zou zijn gebaseerd?
Antwoord
Deze kwalificatie verwijst naar het nieuwe artikel 5 dat in het Omnibus voorstel wordt
voorgesteld om in verordening (EG) 1107/2009 te vervangen. Hierbij wordt een vastgestelde
goedkeuringstermijn vervangen door een risicogebaseerd stelsel, waarbij een werkprogramma
voor herbeoordelingen wordt vastgesteld op basis de wetenschappelijke noodzaak om
stoffen te herbeoordelen.
Deelt de Minister de opvatting van deze leden dat een risicogebaseerde herbeoordeling
juist geen blanco toelating inhoudt, maar een systeem waarin actuele wetenschappelijke
inzichten centraal staan? Deze leden zijn van mening dat het voorgestelde systeem,
mits goed ingericht, kan bijdragen aan zowel veiligheid als werkbaarheid voor ondernemers.
Zij vragen de Minister of hij deze analyse deelt en of hij bereid is dit ook nadrukkelijk
in Brussel uit te dragen.
Antwoord
Indien dit nieuwe risicogestuurde herbeoordelingssysteem op de juiste manier wordt
ingericht met de juiste randvoorwaarden kan dit systeem er inderdaad voor zorgen dat
werkzame stoffen eerder worden herbeoordeeld wanneer hier wetenschappelijke aanleiding
toe is en daarmee bijdragen aan zowel veiligheid als werkbaarheid voor ondernemers.
Daar zet ik mij voor in.
Is de Minister het daarnaast met deze leden eens dat bijvoorbeeld versterken van de
mogelijkheden om MRL’s bij invoer aan te passen moeilijk te rijmen is met de stelling
(in de motie van de leden Podt (D66) en Bromet (GroenLinks-PvdA) (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1744)) dat dit pakket zou leiden tot een verzwakking van de bescherming van volksgezondheid
en milieu?
Antwoord
In het Omnibuspakket worden veel verschillende wijzigingen voorgesteld voor diverse
Verordeningen. De motie van leden Podt (D66) en Bromet (GroenLinks-PvdA) doelt op
de voorgestelde wijzigingen ten aanzien van de toelating van gewasbeschermingsmiddelen
in Verordening (EG) 1107/2009. Zoals aangegeven hoeft een risicogestuurd herbeoordelingssysteem
niet minder veilig of veiliger te zijn dan een periodiek herbeoordelingsysteem.
De wijzigingen die worden voorgesteld ten aanzien van maximale residulimieten (MRL’s),
in verordening (EG) 396/2005 staan hier los van.
De leden van de BBB-fractie wijzen daarnaast op de motie van het lid Van der Plas
(BBB) (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1759), waarin de regering wordt verzocht voorstellen van de EC ter vereenvoudiging van
wet- en regelgeving met open vizier tegemoet te treden en niet op voorhand langs de
meetlat te leggen dat elke vorm van versoepeling moet worden afgewezen. Kan de Minister
toelichten op welke wijze hij uitvoering geeft aan deze motie bij de beoordeling van
het onderhavige Omnibuspakket?
Antwoord
Dit kabinet heeft nadrukkelijk in haar coalitieakkoord opgenomen dat wij het omnibusprincipe
onderschrijven. Daarmee treden wij dus elk Omnibus voorstel met open vizier tegemoet.
Ik ben dan ook zeker voorstander van versimpeling van regelgeving waar dit kan bij
dit voorstel, zolang dit niet ten koste gaat van de bescherming van mens, dier en
milieu.
Is de Minister bereid, indien wordt gepleit voor aanvullende impact assessments, daarbij
ook nadrukkelijk de gevolgen voor concurrentiepositie, verdienvermogen en praktische
uitvoerbaarheid voor ondernemers mee te nemen, conform de genoemde motie?
Antwoord
Daar ben ik toe bereid.
De leden van de BBB-fractie merken op dat uit sectorgegevens blijkt dat Nederlandse
boeren en tuinders in de afgelopen jaren het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen
al substantieel hebben verminderd en dat Nederland in Europees perspectief relatief
efficiënt en zorgvuldig omgaat met het gebruik van deze middelen. Kan de Minister
bevestigen dat Nederland in vergelijking met veel andere lidstaten al relatief weinig
middelen per hectare gebruikt en dat verdere verduurzaming in belangrijke mate afhankelijk
is van de beschikbaarheid van effectieve, laag-risico alternatieven? Deelt de Minister
de opvatting dat het versnellen van de toelating van biocontrol- en laag-risicomiddelen
juist kan bijdragen aan verdere vermindering van het gebruik van zwaardere chemische
middelen?
Antwoord
Nederland is op gebied van het verminderen van gebruik van gewasbeschermingsmiddelen
inderdaad vooruitstrevend dat is ook nodig, gezien de grote ruimtelijke vraagstukken
waar we in het dichtbevolkte Nederland mee kampen. Verdere verduurzaming is afhankelijk
van een aantal factoren, daar zijn de beschikbaarheid van effectieve laagrisico alternatieven
inderdaad onderdeel van. Ik deel de mening dat het versnellen van biocontrol- en laagrisicomiddelen
kan bijdragen aan deze verduurzaaming.
Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie
De leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorliggende
voorstel van de EC en de positieve reactie van het kabinet daarop. Deze leden steunen
onder meer de voorstellen voor versnelling van de toelating van biocontrol middelen
en de risicogebaseerde herbeoordeling.
De leden van de SGP-fractie constateren dat er veel verschillen zijn tussen lidstaten
wat betreft nationale toelatingen van en vrijstellingen voor gewasbeschermingsmiddelen,
ook binnen een zone. Deze leden horen graag hoe de Minister zich wil inzetten voor
snellere wederzijdse erkenning van toegelaten middelen. Zou het niet beter zijn om
een zonale toelating als uitgangspunt te nemen?
Antwoord
Ik ben voorstander van het versimpelen en versnellen van procedures waar dit kan,
tegelijkertijd vind ik het wel van groot belang dat onze toelatingsautoriteit de nationale
omstandigheden moeten blijven beoordelen. Sommige lidstaten in onze «centrale zone»
hebben andere nationale omstandigheden in vergelijking met onze waterrijke geografie.
Het is daarom niet altijd mogelijk om toelatingen uit dezelfde zone één op één over
te nemen.
De leden van de SGP-fractie delen de kanttekening van het kabinet bij de voorgestelde
wijzigingen met betrekking tot de maximale residulimieten. Kan de Minister een eerste
inschatting geven van de mogelijke gevolgen voor de import van onder meer groente
en fruit?
Antwoord
De Europese Commissie heeft een impactassessment aangekondigd in de Visie voor Landbouw
en Voedsel waarin de gevolgen van de voorgestelde aanscherping voor de concurrentiepositie
van de EU en de internationale implicaties worden onderzocht. Hieruit zal moeten blijken
wat de consequenties zijn wanneer stoffen met bepaalde gevaarseigenschappen niet meer
worden toegelaten op geïmporteerde producten, waar dit nu nog wel mag. De resultaten
van dit impactassessment zijn essentieel voordat wijzigingen worden doorgevoerd. Het
kabinet kan daarom nog geen inschatting geven van de mogelijke gevolgen voor de import
van onder meer groente en fruit. Zodoende pleit het kabinet voor het uitvoeren van
het impactassessment, waarvan de voorbereidende studie in de zomer van 2026 wordt
verwacht.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie
De leden van de PvdD-fractie hebben met ontzetting kennisgenomen van het BNC-fiche
Omnibuspakket veiligheid van voedsel en diervoeder. Deze leden constateren dat het
vorige kabinet met dit fiche de wens van de Kamer, zoals verwoord in verschillende
aangenomen moties en de onderbouwde zorgen van wetenschappers en natuur- en zorgorganisaties
negeert. Zij kunnen zich dan ook niet voorstellen dat het nieuwe kabinet en de nieuwe
Minister van LVVN dit BNC-fiche overneemt. Kan het kabinet toezeggen dat ze een nieuw
BNC-fiche zal opstellen, dan wel het BNC-fiche zeer ingrijpend zal wijzigen, zodat
het in lijn wordt gebracht met de wens van de Kamer en tegemoetkomt aan de zorgen
van wetenschappers, natuur- en milieuorganisaties? Kan het kabinet aangeven op welke
punten het BNC-fiche zal worden aangepast?
Antwoord
Bij het uitkomen van het Omnibus pakket heb ik ook kennis genomen van de maatschappelijke
zorgen die leven over het voorstel. Ik vind dat hier in het BNC fiche ook rekening
mee is gehouden en dat er een genuanceerd standpunt wordt ingenomen. Ik ben daarom
niet van plan om het BNC fiche opnieuw op te stellen of significant te wijzigen.
De leden van de PvdD-fractie vragen de Minister of hij het verzoek van maatschappelijke
organisaties en de Kamer (Kamerstuk 27 858, nr. 589) om te komen tot een strenger toelatingsbeleid, waarmee de gezondheid van mensen
en de natuur beter wordt beschermd, onderschrijft. Zo nee, waarom niet? Erkent de
Minister dat het voorliggende Omnibus-voorstel juist het tegenovergestelde doet door
het toelatingsbeleid af te zwakken?
Antwoord
Het uitgangspunt van het Omnibus principe is om regelgeving te versimpelen. Mochten
er met deze versimpelingen zaken kunnen worden geregeld waardoor het toelatingsbeleid
nog betere bescherming biedt, dan zal ik mij daarvoor inzetten. Met de juiste randvoorwaarden,
beschreven in het BNC fiche, is het mijn inzet dat het veiligheidsniveau voor mens,
dier en milieu blijft gewaarborgd in het Omnibus voorstel.
Heeft de Minister kennisgenomen van de zorgen van de Parkinson Alliantie Nederland
en Natuur & Milieu die schrijven dat het versoepelen van het toelatingsbeleid van
bestrijdingsmiddelen met een risicogestuurde aanpak «een fundamentele fout» is en
de door het (vorige) kabinet voorgestelde waarborgen «dusdanig beperkt en vrijblijvend
zijn, dat het loslaten van de periodieke herbeoordeling de facto een verslechtering
van het beschermingsniveau van mens, dier en milieu betekent» (Natuur & Milieu, 16 december
2025, «alarmering door maatschappelijke organisaties en wetenschappers tegen EC-voorstellen
Food and Feed Safety Omnibus om het beoordelingskader van bestrijdingsmiddelen te
verslechteren» (https://natuurenmilieu.nl/app/uploads/Brandbrief-toelating-en-beoordeli…))? Onderschrijft de Minister dit? Zo nee, waarom niet?
Antwoord
Mijn ambtsvoorganger op LVVN heeft op 11 februari 2026 een Kamerbrief (Kamerstuk 27 858 nr. 742) gestuurd over deze zorgen en hoe deze zijn meegenomen in het BNC fiche. Ik sluit
mij aan bij de inhoud van deze brief en onderschrijf de notie niet, dat risicogestuurde
aanpak een fundamentele fout is. Zoals in de brief beschreven is, hoeft een risicogestuurd
herbeoordelingssysteem niet persé beter of slechter te zijn dan een periodiek herbeoordelingssysteem,
dit hangt af van hoe dit risicogestuurde systeem is ingericht. Het BNC fiche en de
Kamerbrief licht daarbij toe hoe Nederland hier extra randvoorwaarden bij stelt. Hierbij
vind ik het van essentieel belang dat stoffen worden herbeoordeeld wanneer hier wetenschappelijke
aanleiding toe is. Doordat niet meer alle stoffen standaard worden herbeoordeeld,
kan capaciteit worden vrijgemaakt voor de herbeoordeling van stoffen waarbij herbeoordeling
ook daadwerkelijk noodzakelijk is.
De leden van de PvdD-fractie lezen in het fiche dat het (vorige) kabinet voorstander
is van een verlaging van «onnodige regeldruk». Kan de Minister aangeven welke onderdelen
van de toelatingsprocedure hij ziet als «onnodig»? Kan hij aangeven waarom deze ook
onnodig zijn voor de bescherming van mens, dier en milieu?
Antwoord
In principe wordt de toelatingsprocedure voor werkzame stoffen niet aangepast, maar
wordt de herbeoordelingsprocedure aangepast. Het huidige systeem van periodieke herbeoordelingen
zorgt voor ongewenste vertragingen. Daarom wordt voorgesteld om over te stappen op
een risicogestuurd systeem. Dit heeft tevens als gevolg dat meer capaciteit kan worden
besteed aan de beoordeling van duurzame alternatieve «biocontrol» stoffen en middelen.
Voor de verduurzaming van het gehele middelenpakket kan een risicogestuurd herbeoordelingssysteem
een bijdrage leveren.
De leden van de PvdD-fractie vragen of de Minister kennis heeft genomen van de brief
van 200 wetenschappers en experts op het gebied van onder meer toxicologie, parkinson,
ecologie, neurobiologie, waaronder meerdere gerenommeerde Nederlandse wetenschappers,
die duidelijk oproepen om de door de EC voorgestelde «harmful revisions» te verwerpen
en in plaats daarvan in te zetten op een versterkt beoordelingskader (Institute for
Game and Wildlife Research, 9 december 2025, «Scientific statement on pesticides in
the Omnibus package» (https://www.irec.es/wp-content/uploads/2025/12/Scientific-Statement-on-…))? Wat is de reactie van de Minister op deze brief?
Antwoord
Ik heb hiervan kennisgenomen en deze brief sluit aan bij de brief van Stichting Natuur
en Milieu waar de PvdD fractie eerder naar refereerde. Belangrijk om aan te geven
is dat deze brief zich baseert op een gelekte versie van het voorstel en niet op het
uiteindelijke voorstel. Ik neem de zorgen over het Omnibus voorstel serieus en daarom
worden er in de Nederlandse positie ook een aantal aanvullende voorwaarden gesteld
aan het Omnibus voorstel, zoals het instellen van een actief signaleringssysteem om
de laatste stand van de wetenschap actief bij te houden op Europees niveau.
Onderschrijft de Minister de uitspraak van deze 200 wetenschappers dat verplichte
periodieke beoordeling van landbouwgif het voornaamste mechanisme is om te waarborgen
dat schadelijke giffen worden ingeperkt en van de markt verdwijnen? Zo nee, waarom
niet en op welke wetenschappelijke bronnen baseert hij dat? Onderschrijft de Minister
de uitspraak van deze 200 wetenschappers dat schadelijke landbouwgiffen, volgens de
laatste wetenschappelijke inzichten, snel van de markt moeten worden verwijderd? Hoe
verhoudt zich dat tot het voorstel van de EC?
Antwoord
Met het Omnibus voorstel blijft het mechanisme om werkzame stoffen te herbeoordelen
bestaan en is er een wettelijke verplichting om dit via het nieuw voorgestelde werkprogramma
te doen. Ik onderschrijf dat onwenselijke schadelijke werkzame stoffen inderdaad snel
van de markt moeten verdwijnen. Hier leent zo’n risicogestuurd systeem zich juist
goed voor, omdat hiermee sneller op dit soort ontwikkelingen kan worden gereageerd.
Kan de Minister tevens individueel ingaan op de verschillende aanbevelingen die deze
wetenschappers hebben gedaan?
Antwoord
Hierbij een reactie op de individuele aanbevelingen:
1.
De verplichte periodieke herbeoordeling van goedgekeurde werkzame stoffen in pesticiden
(art. 20) is het belangrijkste mechanisme om ervoor te zorgen dat schadelijke effecten
die bij gebruik in de praktijk naar voren komen, leiden tot beperkingen en verwijdering
van de markt.
In principe hoeft een risicogestuurd systeem niet slechter of beter te zijn dan een
periodiek systeem. Het is daarbij vooral afhankelijk hoe dit systeem wordt ingericht.
Nederland doet daarom, zoals in het BNC fiche te lezen is, een aantal voorstellen
om randvoorwaarden te stellen bij het voorgestelde risicogestuurde systeem. Indien
dit systeem correct wordt ingericht ben ik ervan overtuigd dat dit systeem ook als
belangrijk mechanisme kan werken om te zorgen dat schadelijke effecten die bij gebruik
in de praktijk naar voren komen, leiden tot snellere beperking en verwijdering van
de markt.
2.
Pesticiden waarvan is aangetoond dat zij schadelijk zijn, moeten snel van de markt
en uit gebruik worden genomen, waarbij de meest recente wetenschappelijke inzichten
worden gekoppeld aan de bescherming van mens en milieu.
Ik ben het eens met deze aanbeveling en dit is juist een belangrijk argument om het
voorgestelde risicogestuurde systeem op die manier in te richten. Aanvullend is Nederland
ook geen voorstander van het verruimen van de respijttermijnen, al is het invullen
van de respijttermijnen binnen de Europese kaders een nationale competentie en zal
daarmee de impact van dat voorstel voor Nederland beperkt zijn.
3.
Bij de toelating van gewasbeschermingsmiddelen (PPP’s) moet de meest recente beschikbare
wetenschappelijke kennis door de beoordelaars van de lidstaten worden meegenomen,
zodat het hoogst mogelijke beschermingsniveau wordt gewaarborgd.
Ik ben het eens dat er zoveel mogelijk met de meest recente wetenschappelijke kennis
wordt beoordeeld. Tegelijkertijd begrijp ik ook de noodzaak voor uniformiteit in Europa.
Nederland zet zich daarom in dat er een Europees signaleringssysteem komt die nieuwe
wetenschappelijke inzichten signaleert en doorvertaalt naar het nieuwe werkprogramma
van het voorgestelde herbeoordelingssysteem.
4.
De beoordeling van pesticiden vóór toelating tot de markt moet een realistischer en
gevoeliger opsporing van gevaren en risico’s omvatten, zodat schadelijkere pesticiden
worden voorkomen om op de markt te komen.
Dit is een aanbeveling die – zoals de wetenschappers zelf ook aangeven – buiten de
scope valt van het Omnibus voorstel. Desalniettemin bevat deze aanbeveling ook zaken
waar Nederland in Europees verband regelmatig aandacht voor vraagt, bijvoorbeeld als
het gaat om neurotoxiciteit.
Is de Minister er absoluut zeker van dat het Omnibus-voorstel niet indruist tegen
het voorzorgsbeginsel en de eis uit de EU-verordening 1107/2009 waarin staat dat «Gewasbeschermingsmiddelen
mogen uitsluitend stoffen bevatten waarvan is aangetoond dat zij een duidelijk voordeel
inhouden voor de teelt van planten en waarvan niet wordt verwacht dat zij een schadelijke
uitwerking op de gezondheid van mens en dier of onaanvaardbare effecten voor het milieu
hebben»? Zo ja, op grond waarvan? Zo nee, is het kabinet bereid om zich in Europa
in te spannen voor een juridische toets? Zo nee, waarom niet?
Antwoord
Het voorzorgsbeginsel blijft een uitgangspunt voor EU Verordening (EG) 1107/2009.
In principe wordt de toelatingsprocedure van werkzame stoffen niet aangepast en zal
daar het hoge veiligheidsniveau blijven gewaarborgd. Voor het nieuwe herbeoordelingssysteem
stelt Nederland aanvullende randvoorwaarden voor, om daarmee het beschermingsniveau
te handhaven. Ik zie niet de noodzaak om hier een juridische toets in Europa voor
te vragen, zeker aangezien de onderhandelingen op dit moment nog lopen.
De leden van de PvdD-fractie lezen in het Omnibus-voorstel dat hormoonverstorende
eigenschappen niet zijn meegenomen als uitsluitingsgrond voor een derogatie onder
Artikel 4, lid 7 van EU-verordening 1107/2009. Dit, terwijl het Europees Hof van Justitie
in 2024 nog verduidelijkte dat bij de beoordeling van een stof rekening moet worden
gehouden met de laatste wetenschappelijke kennis over hormoonverstorende eigenschappen.
Welke gevolgen heeft het Omnibus-voorstel voor deze rechterlijke uitspraak? Waarom
is «hormoonverstorend» niet meegenomen als uitsluitingsgrond? Deelt het kabinet de
mening dat stoffen die bewezen hormoonverstorend zijn alsnog niet mogen worden toegelaten
onder Artikel 4, lid 7 van de EU-verordening 1107/2009?
Antwoord
Hormoonontregeling is onderdeel van de beoordeling van werkzame stoffen. In de huidige
verordening zijn hormoonontregelende werkzame stoffen uitgesloten van goedkeuring.
Het omnibusvoorstel verandert dit niet. De bestaande derogatiemogelijkheid in artikel 4(7)
maakt het ook nu al mogelijk om dergelijke stoffen toch goed te keuren als er sprake
is van een niet op een andere manier te bestrijden ernstig fytosanitair gevaar, onder
voorwaarde dat voor het gebruik risicobeperkende maatregelen gelden om de blootstelling
aan mens en milieu te minimaliseren. Met het omnibusvoorstel wordt de mogelijkheid
voor deze derogatie verbreed tot een ernstig gevaar voor de plantaardige productie
en wordt het mogelijk voor aanvragers om data hierover ook later in het herbeoordelingsproces
aan te leveren. Het kabinet kan zich hierin vinden. De door de Commissie beoogde wijziging
van dit artikel staat los van de uitspraak van het Europese Hof van Justitie, dat
betrekking heeft op het rekening houden met de laatste wetenschappelijke kennis over
hormoonontregelende eigenschappen bij de (her)beoordeling van een gewasbeschermingsmiddel.
Het kabinet vreest dat het Omnibus-voorstel op termijn de hoge beschermingsdoelen
van de verordening, of de realisatie van de doelen van Europese richtlijnen zoals
de KRW, de Drinkwaterrichtlijn, de Vogel- en Habitatrichtlijn en de Natuurherstelverordening
zullen ondermijnen. Deze leden delen die zorgen. Kan het kabinet toelichten waarop
zij deze zorgen baseert?
Antwoord
Het citaat dat u aanhaalt uit het BNC fiche gaat over de beoordeling van het kabinet
van de Omnibus voorstellen van het veranderen van de verordening inzake biociden.
Deze valt onder de verantwoordelijkheid van de Staatssecretaris van Infrastructuur
en Waterstaat (IenW). De kern van de zorgen betreft de toelatingen voor onbepaalde
tijd in combinatie met onvoldoende helderheid over de werkwijze om tot een herbeoordeling
te komen. Bovendien loopt er op dit moment een evaluatie van de biocidenverordening
en is het niet logisch nu een ingrijpend besluit te nemen voordat de resultaten daarvan
bekend zijn. Een toelating voor onbepaalde termijn van biociden die negatieve effecten
hebben op organismen in het water en op de natuur en de kwaliteit van het drinkwater
kan ertoe leiden dat deze stoffen nodeloos lang op de markt blijven, innovatie wordt
belemmerd en het voldoen aan de eisen in de KRW verder in gevaar komt.
Kan het kabinet aangeven op welke manier zij deze zorg aan het licht heeft gebracht
bij betrokken partijen en op welke wijze zij nog van plan is dit te doen?
Antwoord
De zorgen die in het antwoord op de vorige vraag staan beschreven zijn opgenomen in
de kabinetsreactie in het BNC-fiche. Daarnaast worden deze zorgen ingebracht in de
lopende onderhandelingen over de omnibus.
Welke instrumenten hebben het kabinet en de EC om vooraf vast te stellen in hoeverre
de beschermingsdoelen mogelijk zullen worden ondermijnd?
Antwoord
Zoals in eerdere beantwoording van vragen van de D66 en GL/PvdA fracties al aangegeven
stelt de Commissie geen impact assessments op bij Omnibus voorstellen. Hierdoor mist
het kabinet en de EC dit instrument bij de beoordeling van het voorstel. Wel heeft
de Commissie een werkdocument opgesteld met daarin een toelichting over de verwachte
impact. Verder baseert het kabinet haar positie op basis van bestaande expertise,
adviezen van o.a. het Ctgb en gesprekken met stakeholders. Het kabinet zal in Europees
verband het belang van een impactassessment blijven benadrukken.
Mocht dit het geval zijn, wat zijn dan de juridische implicaties? Wordt het Omnibus-voorstel
daarmee onrechtmatig?
Antwoord
Het voorstel zou hier niet onrechtmatig mee worden.
De leden van de PvdD-fractie hebben begrepen dat Pesticide Action Network Europe (PAN
Europe) heeft vastgesteld dat één van de belangrijkste redenen waarom de herbeoordelingsprocedures
van pesticiden zo lang duren en vertraging oplopen is dat vanuit de pesticidenindustrie
onvolledige aanvraagdossiers worden ingediend. Hoewel deze vervolgens afgewezen zouden
moeten worden door de lidstaten worden deze desalniettemin toch geaccepteerd, met
jarenlange vertraging in het herzieningsproces tot gevolg. Hoe beoordeelt het kabinet
het feit dat vanuit de industrie onvolledige aanvraagdossiers worden ingediend met
vertraging tot gevolg, aangezien één van de doelen van het Omnibus-voorstel is om
de vertragingen in de herbeoordelingsprocedures te verkorten? Hoe beoordeelt het kabinet
de gang van zaken dat partijen die onvolledige formulieren indienen nu worden beloond
met toelatingen voor onbepaalde tijd en waarschijnlijk grotere winsten? Wat vindt
het kabinet ervan dat hierdoor ook nog eens extra risico’s voor de vervuiling van
de omgeving en gezondheid van mensen en dieren bij de maatschappij worden neergelegd?
Is het kabinet bereid om in Europees verband deze belangrijke oorzaak voor vertraging
in te dienen? Zo ja, waarom wel en op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Antwoord
Uit evaluaties van het Europese toelatingssysteem blijkt dat meerdere factoren een
rol spelen, zoals de complexiteit van de wetenschappelijke beoordeling, wijzigingen
in beoordelingsrichtsnoeren, de capaciteit van beoordelingsautoriteiten en het grote
aantal stoffen dat gelijktijdig moet worden beoordeeld. Het kabinet ziet het daarom
als een gezamenlijke verantwoordelijkheid van aanvragers, lidstaten, EFSA en de Europese
Commissie om het proces zo efficiënt mogelijk te laten verlopen. Aanvragers zullen
nog steeds verantwoordelijk zijn voor het aanleveren van dossiers voor herbeoordelingen,
als de werkzame stoffen van deze aanvragers in het werkprogramma van de Europese Commissie
worden opgenomen. Zoals benoemd zijn er uitgebreide evaluaties geweest over de lange
doorlooptijd van aanvragen en herbeoordelingen, ik zal mij tijdens mijn inzet in Europa
baseren op het BNC fiche en de informatie uit dergelijke evaluaties.
De leden van de PvdD-fractie brengen in herinnering dat in november 2025 het Europees
Hof van Justitie heeft geoordeeld dat de EC niet systematisch en automatisch verlengingen
van goedkeuringen van pesticiden kan toestaan in geval van vertragingen in het herbeoordelingsproces
(Het Gerecht (Hof van Justitie van de Europese Unie), 19 november 2025 ECLI:EU:T:2025:1034).
Op welke manier verhoudt het Omnibus-voorstel zich, waarin toelating van stoffen voor
onbepaalde tijd is opgenomen, zich tot deze uitspraak van het Europees Hof van Justitie?
Worden de risico’s voor mens, dier en milieu wel voldoende meegenomen in het Omnibus-voorstel?
Antwoord
Het kabinet voorziet dat het Omnibus voorstel probeert een structurele oplossing te
bieden voor de problematiek die ook in deze uitspraak van het Europees Hof van Justitie
naar voren kwam, namelijk de onwenselijkheid van procedurele verlengingen. Door dit
nieuwe systeem zou dit in de toekomst voorkomen moeten worden.
Het doel van het Omnibus voorstel is om versimpelingen door te voeren, zonder dat
dit ten koste mag gaan van de bescherming van mens, dier en milieu. In grote lijnen
klopt dit, op sommige punten missen er nog wel belangrijke randvoorwaarden, zoals
beschreven is in het BNC fiche.
De leden van de PvdD-fractie lezen dat het kabinet extra tijd nodig heeft om nationale
uitvoerings- en beleidsregels in overeenstemming te brengen met de gewijzigde EU-procedures.
Kan het kabinet een overzicht geven over welke regels dit gaat en wat hierin moet
worden veranderd? Is het kabinet verplicht om bij deze wijzigingen een uitvoeringstoets
te laten maken? Zo nee, is zij bereid om dit alsnog te doen?
Antwoord
Het is soms nodig om extra tijd te vragen om nationale uitvoerings- en beleidsregels
in lijn te brengen met de gewijzigde EU-procedures. Het gaat hierbij om Verordening
(EG) 1107/2009 en Verordening (EG) 999/2001, daarbij gaat het bijvoorbeeld om het
inregelen van nieuwe procedures bij het Ctgb rondom toelatingen en herbeoordelingen
en het inregelen van nieuwe processen voor het toezicht op het gebruik van behandeld
uitgangsmateriaal.
Het is niet verplicht een uitvoeringstoets te doen voor een verordening vanuit Europa,
omdat deze rechtstreeks geldig is. Ik ben niet van plan een uitvoeringstoets te doen,
tenzij hier een concrete aanleiding toe is.
De leden van de PvdD-fractie lezen dat het kabinet aanpassing van de bevoegdheden
van de EC om uitvoeringshandelingen vast te stellen wenselijk acht. Wat zijn de voor-
en nadelen van dit aanpassingsbesluit? Welke beleidsruimte heeft de Nederlandse overheid
bij een gedelegeerde handeling ten opzichte van een uitvoeringshandeling? Hoe worden
lidstaten betrokken bij de besluiten die de EC neemt op basis van de uitvoeringshandeling?
Antwoord
Het voordeel van uitvoeringshandelingen is dat dit uniformiteit en een gelijk speelveld
geeft in Europa. Bovendien zijn uitvoeringshandelingen over het algemeen gemakkelijker
aan te passen dan verordeningen en daarmee flexibeler. Het nadeel is dat men zich
nationaal wel tot deze uitvoeringshandelingen moet verhouden, ook als dat wringt met
nationale regelgeving.
Er zit geen verschil in de mate van beleidsruimte. Hoeveel beleidsruimte de Nederlandse
overheid heeft, is afhankelijk van de inhoud van de handelingen. Deze uitvoeringshandelingen
zullen worden behandeld in de Standing Committee on Plants, Animals, Food and Feed
(SCoPAFF).
Is de Minister bereid tot een impact assessment, juridische toets en horizonbepaling
voor deze wijzigingen van het toelatingsbeleid? Zo nee, waarom niet?
Antwoord
Voor de omnibussen presenteert de Europese Commissie (EC) in het algemeen geen impact
assessments of horizonbepaling.
Tijdens de onderhandelingen over dit Omnibus voorstel is door Nederland nadrukkelijk
aangegeven dat een impact analyse belangrijk is en gevraagd of dit alsnog uitgevoerd
kan worden. Ik acht het echter niet waarschijnlijk dat de Commissie alsnog een impact
assessment zal uitvoeren.
Een impact analyse is niet de enige manier om inzicht te krijgen in de eventuele impact
van dit Commissievoorstel. Zo is er een advies geschreven door het Ctgb, heeft de
Europese Commissie een werkdocument gepubliceerd en zijn er stakeholders over dit
voorstel geconsulteerd. Desalniettemin zou een impact assessment zeker bijdragen aan
het beter in kaart krijgen wat de impact van een voorstel zal zijn. Een horizonbepaling
zou tegen het Omnibus principe zijn, want hiermee zou er potentieel een grote verhoging
van regeldruk ontstaan doordat regelgeving zou worden teruggedraaid. Ik heb geen aanleiding
gezien voor de noodzaak van een juridische toets.
De Minister geeft in zijn reactie op de brandbrief en de brief van PAN Nederland aan
dat voor hem voorop staat om het hoge veiligheidsniveau bij Europese voorstellen te
behouden. Tegelijkertijd geeft hij aan dat hij een voorstander is van het verminderen
van onnodige regeldruk. Als blijkt dat door de wijzigingen, voortvloeiend uit het
Omnibus-voorstel, het veiligheidsniveau daalt, is hij dan bereid om zich met klem
tegen het Omnibus-voorstel uit te spreken en de veiligheidsregels aan te scherpen?
Zo nee, waarom niet?
Antwoord
De Kamerbrief waar de leden van de PvdD naar verwijzen is verstuurd door mijn ambtsvoorganger.
Ik zal het belang van een Europese impactassessment over dit Omnibus voorstel in Europees
verband blijven benadrukken, met voornoemde winstwaarschuwing. Het belangrijkste uitgangspunt
van het Omnibus voorstel is het vereenvoudigen van de huidige wetgeving, terwijl het
huidige beschermingsniveau wordt gewaarborgd. De Nederlandse inzet is om nog een aantal
aanvullende randvoorwaarden in te bouwen in een eventuele compromistekst van het Omnibus
voorstel. Daarbij zal ik mij ook inzetten voor een evaluatiebepaling, waarbij, mocht
er negatieve effecten ontstaan door het Omnibus voorstel, er ingegrepen moet kunnen
worden.
De leden van de PvdD-fractie horen graag van de Minister hoe het voorstel van het
kabinet omtrent genetisch gemodificeerde micro-organismen zich verhoudt tot de door
de Kamer aangenomen motie van het voormalige lid Akerboom (PvdD) (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1590)?
Antwoord
De voorgestelde wijziging omtrent genetisch gemodificeerde micro-organismen (GMM)
betreft een verduidelijking van de juridische status van levensmiddelen en diervoeders
die zijn verkregen met behulp van GMM. Doordat de huidige tekst in de regelgeving
onduidelijk is over deze producten, wordt de regelgeving niet consistent geïnterpreteerd
door lidstaten. Dit leidt tot onzekerheden en uiteenlopende handhavingspraktijken.
Het voorstel betreft een verduidelijking van de regelgeving op dit punt, zodat hier
geen misverstanden meer over kunnen ontstaan en de regelgeving consistent wordt geïnterpreteerd.
Het kabinet ziet dit voorstel van de Commissie daarom niet als een versoepeling van
de GGO wetgeving, maar enkel een noodzakelijke verduidelijking van de huidige situatie.
Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep Markuszower
De leden van de Groep Markuszower hebben kennisgenomen van het BNC-fiche Omnibuspakket
veiligheid van voedsel en diervoeder en hebben hierover de volgende vragen. Waarom
wordt ervoor gekozen de kosten voor veiligheidsmonitoring te verschuiven van het bedrijfsleven
naar EFSA en de lidstaten? Kan er enig inzicht in de financiële impact op de lidstaten
worden gegeven? Wat zijn de verwachte extra kosten voor lidstaten en hoe worden deze
gefinancierd en door wie specifiek? Welke financiële gevolgen worden er voor Nederland
verwacht indien de monitoringstaken (gedeeltelijk) bij lidstaten worden belegd? Klopt
het dat hierdoor publieke middelen worden ingezet voor veiligheidsmonitoring van commerciële
producten? Zo ja, hoe rechtvaardigt u deze verschuiving? Het (vorige) kabinet vond
deze ontwikkeling «zeer onwenselijk». Vindt het nieuwe kabinet dit ook? Zo ja, waarom?
Zo nee, waarom niet? Kan het verschuiven van de veiligheidsmonitoring leiden tot verschillen
in niveau van toezicht tussen EU-lidstaten? Hoe gaat dit voorkomen worden? Wat gaat
hierbij de Nederlandse inzet zijn?
Antwoord
De Europese Commissie heeft het Omnibus voorstel gepresenteerd met als doel de regeldruk
te verlagen. De Commissie ziet echter geen kostenverschuiving van het bedrijfsleven
naar EFSA en de lidstaten. Het voorstel legt geen nieuwe verplichtingen op aan lidstaten,
hoewel EFSA meer bevoegdheden krijgt om dossiers bij bedrijven op te vragen. Het is
nog onduidelijk of dit extra kosten voor lidstaten met zich meebrengt, aangezien het
afhangt van hoe EFSA haar nieuwe bevoegdheden zal inzetten. Nederland blijft zich
in Europees verband inzetten voor harmonisatie van de uitvoering van het voorstel,
om te voorkomen dat er grote verschillen in toezicht ontstaan tussen lidstaten. De
inzet van publieke middelen voor veiligheidsmonitoring wordt gerechtvaardigd door
het maatschappelijke belang van consumentenbescherming, zodat consumenten kunnen vertrouwen
op de veiligheid van de producten die zij kopen.
Vraag lid Kostić (LVR-debat 25 maart 2026)
Hoe staat het met de PFAS-stoffen (en verbod daarop) in algemene zin en de tijdlijn
die IenW als verantwoordelijk departement daarvoor voor ogen heeft?
Antwoord
Nederland heeft in 2020 het initiatief genomen voor een EU-brede restrictie op PFAS
en dit samen met vier andere lidstaten begin 2023 ingediend bij ECHA (Europese Chemicaliën
Agentschap). Deze heeft recent de opinie over risico en de conceptopinie van de sociaaleconomische
weging afgerond. De verwachting is dat de afgeronde opinies eind 2026 naar de Europese
Commissie worden gestuurd die vervolgens een voorstel ter discussie en besluitvorming
zal voorleggen (medio 2027).
In het door Nederland en vier andere lidstaten opgestelde voorstel wordt een uitzondering
gemaakt voor stoffen die al een expliciet toelatingsregime kennen. Dit betreft de
werkzame stoffen in biociden, gewasbeschermingsmiddelen, diergeneesmiddelen en geneesmiddelen.
Voor deze vier regimes gaat geen generiek verbod gelden, maar worden stoffen individueel
beoordeeld binnen het toetsingskader.
Het Ctgb heeft intussen – zoals aan uw Kamer gemeld – voor 46 middelen op basis van
zes werkzame stoffen een herbeoordeling ingezet. Dit is op basis van wetenschappelijke
informatie vanuit Denemarken. Het Ctgb volgt daarbij, net als Zweden en Noorwegen,
het zogenoemde artikel 44 traject van de Verordening 1107/2009 (gewasbeschermingsmiddelenverordening).
Daarnaast bekijk ik – in samenwerking met mijn collega van IenW – hoe grondwaterbeschermingsgebieden
beter kunnen worden beschermd tegen de risico’s van PFAS-stoffen.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
H.S. Steen, voorzitter van de vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur -
Mede ondertekenaar
R.P. Jansma, griffier