Verslag (initiatief)wetsvoorstel (nader) : Verslag
36 905 Regels ter uitvoering van Verordening (EU) 2023/1543 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2023 betreffende het Europees verstrekkingsbevel en het Europees bewaringsbevel voor elektronisch bewijsmateriaal in strafzaken en de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen als gevolg van een strafprocedure en Richtlijn (EU) 2023/1544 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2023 tot vaststelling van geharmoniseerde regels inzake de aanwijzing van aangewezen vestigingen en de aanstelling van wettelijke vertegenwoordigers ten behoeve van de vergaring van elektronisch bewijsmateriaal in strafprocedures (Uitvoeringswet elektronisch bewijsmateriaal)
Nr. 5
VERSLAG
Vastgesteld 10 april 2026
De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid, belast met het voorbereidend onderzoek
van dit voorstel van wet, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen. Onder het
voorbehoud dat de hierin gestelde vragen en gemaakte opmerkingen voldoende zullen
zijn beantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van het voorstel van wet
genoegzaam voorbereid.
INHOUDSOPGAVE
I
ALGEMEEN
2
1.
Inleiding
2
2.
Hoofdlijnen van het elektronisch bewijsmateriaal
3
3.
Hoofdlijnen van het wetsvoorstel
4
4.
Uitvoering
5
5.
Toezicht en handhaving
7
6.
Financiële gevolgen
8
7.
Reacties van het OM, de Raad voor de rechtspraak, de politie en de ACM
8
8.
Overgangsrecht en inwerkingtreding
10
II
ARTIKELSGEWIJS
11
I. ALGEMEEN
1. Inleiding
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de Uitvoeringswet
elektronisch bewijsmateriaal (hierna: het wetsvoorstel). Het is van belang om daadkrachtig
op te kunnen treden tegen de toenemende grensoverschrijdende en digitale criminaliteit
in Nederland en andere lidstaten van de Europese Unie (EU). Deze leden vinden het
daarom goed dat er een Europees e-Evidence pakket is gekomen om dit mogelijk te maken.
Zo kunnen we samen met onze Europese buren en bondgenoten samenwerken om sneller,
directer en grensoverschrijdend digitaal bewijsmateriaal te verkrijgen. Zeker omdat
erg veel strafonderzoek tegenwoordig een digitale component kent. Toch is het hierbij
van belang om in de gaten te houden dat we het kind niet met het badwater weggooien.
Meer daadkracht mag niet ten koste gaan van grondrechten van Europese burgers en principes
van proportionaliteit, subsidiariteit en noodzakelijkheid. Ook de uitvoerbaarheid
van de wet is een punt van aandacht, want pas in de toepassing vindt een wet zijn
daadwerkelijke effect. In dit kader hebben deze leden nog enkele vragen.
De leden van de VVD-fractie hebben met interesse en enige zorgen kennisgenomen van
het wetsvoorstel. Deze leden stellen dat elektronisch bewijsmateriaal tegenwoordig
in circa 85% van de strafzaken een rol speelt. Vaak zijn gegevens echter buiten het
grondgebied van Nederland opgeslagen en de toegang tot deze gegevens blijkt in de
praktijk soms weerbarstig en langdurig. Het wetgevingspakket van de EU inzake elektronisch
bewijsmateriaal is dan ook voor deze leden een waardevolle aanvulling op de bestaande
EU-instrumenten voor de justitiële samenwerking in strafzaken. In die zin steunen
deze leden ook de doelen van het wetsvoorstel. Toch hebben zij een aantal vragen en
opmerkingen over het voorliggende wetsvoorstel.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van
het wetsvoorstel. Deze leden begrijpen dat dit wetsvoorstel voortvloeit uit bindende
Europese regelgeving waardoor de speelruimte van de Nederlandse wetgever om eigen
regels te stellen beperkt is. Wel zouden de aan het woord zijnde leden er, wellicht
ten overvloede, op willen wijzen dat met de invoering van het Europees verstrekkingsbevel
en het Europees bewaringsbevel, waardoor buitenlandse opsporingsdiensten rechtstreeks
bij Nederlandse dienstaanbieders elektronische gegevens kunnen opvragen of doen bewaren,
twee ingrijpende instrumenten voor Europese rechtshulp worden ingevoerd. Hoewel deze
leden ook begrijpen dat in deze tijden waarbij ook de criminaliteit als het ware «gedigitaliseerd»
is effectievere en snellere wederzijdse rechtshulp nodig kan zijn, menen zij dat er
reden tot zorg is ten aanzien van onder andere de rechtsbescherming nu het gebruik
van deze instrumenten zonder tussenkomst van een rechter vooraf gaat gebeuren. Deze
leden hebben daarmee een aantal vragen en opmerkingen.
De leden van de CDA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het wetsvoorstel.
Deze leden hebben nog enkele vragen aan de regering over dit wetsvoorstel.
De leden van de CDA-fractie lezen dat een van de voorwaarden voor een Europees verstrekkingsbevel
en bewaringsbevel is dat een bevel slechts kan worden uitgevaardigd indien een soortgelijk
bevel zou kunnen zijn uitgevaardigd in een soortgelijk nationaal geval. De uitvaardigende
autoriteit moet dus ook voorwaarden uit het Wetboek van Strafvordering in acht nemen.
Begrijpen deze leden het goed dat dit dus niet hoeft te gelden voor de autoriteit
die het bevel ontvangt?
De leden van de CDA-fractie lezen dat in sommige gevallen een verplichting bestaat
tot kennisgeving aan de tenuitvoerleggingsautoriteit op grond van artikel 8 van Verordening
2023/1543, bijvoorbeeld als het gaat om verkeersgegevens en inhoudelijke gegevens.
Is het denkbaar dat een bewarings- of verstrekkingsbevel dat buiten die verplichting
valt, soms ook ter kennisgeving wordt gegeven aan de tenuitvoerleggingsautoriteit?
En zo ja, in welke gevallen?
De leden van de CDA-fractie lezen dat er sprake kan zijn van verschillende weigeringsgronden
in het kader van de tenuitvoerleggingsprocedure, zoals het geval waarin naleving niet
mogelijk is vanwege feitelijke omstandigheden. Kan de regering daar verder op ingaan
en aangeven welke gevallen hieronder kunnen vallen?
2. Hoofdlijnen van het elektronisch bewijsmateriaalpakket
De leden van de D66-fractie hebben vragen over de omschrijving van de hoofdlijnen
van het elektronisch bewijsmateriaalpakket. In de memorie van toelichting is opgenomen
dat elektronisch bewijsmateriaal in dezen gaat over «abonneegegevens, verkeersgegevens
of inhoudelijke gegevens die door of namens een dienstaanbieder zijn opgeslagen op
het tijdstip van de ontvangst van het bevel». Toekomstige gegevens zijn uitgesloten,
net als versleutelde berichten (decryptie/ontsleuteling valt buiten de reikwijdte).
Nationaal kan er niet zomaar getornd worden aan het type gegevens wat onder deze wetgeving
valt. Dat kan alleen via wijziging van de Europese verordening. Dat roept bij deze
leden de vraag op hoe gemakkelijk dit op Europees niveau gewijzigd kan worden en welke
waarborgen er op dat niveau zijn voor oprekken of wijziging van het type gegevens
in de toekomst. Kan de regering daar toelichting op geven?
De leden van de D66-fractie vragen daarnaast hoe wordt gecontroleerd dat gegevens
niet breder gebruikt worden dan voor het doel van het strafrechtelijk onderzoek in
kwestie, en wie daar op controleert als er niet altijd sprake is van tussenkomst van
een rechter-commissaris. En onder welke voorwaarden kunnen deze gegevens worden ingezien
op aanvraag? Hoe worden maatregelen tegen misbruik van deze gegevens genomen?
De leden van de VVD-fractie constateren dat criminele netwerken zich niet laten tegenhouden
door landsgrenzen. In dat licht is het cruciaal dat elektronische gegevens over criminele
activiteiten die zijn opgeslagen op servers buiten Nederland en in beheer zijn van
hostingdiensten snel kunnen worden opgevraagd en vervolgens snel kunnen worden betrokken
bij de opsporing, vervolging en berechting van criminelen. Kan de regering aangeven
welke impact het wetsvoorstel zal hebben op de werkdruk en de doorlooptijden bij de
nationale politie, het Openbaar Ministerie (OM) en de rechtspraak? Is het de bedoeling
dat er na inwerkingtreding van het wetsvoorstel meer capaciteit vrijkomt voor het
verwerken van rechtshulpverzoeken? Kunnen er dus ook meer rechtshulpverzoeken worden
gedaan door Nederland?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie menen dat in het kader van onderlinge rechtshulp
binnen de EU tot nu toe het uitgangspunt van dubbele strafbaarheid geldt. De aan het
woord zijnde leden zouden niet graag zien dat een justitiële autoriteit uit een land
waar bijvoorbeeld euthanasie of abortus wordt vervolgd met behulp van in Nederland
verkregen digitale gegevens iemand zou kunnen vervolgen. Of dat een officier van justitie
uit een uitvaardigende lidstaat waar de rechtsstaat onder druk staat met behulp van
uit Nederland verkregen gegevens een politieke tegenstander kan vervolgen. Deelt de
regering deze mening? Zo ja, welke waarborgen gelden er om te voorkomen dat het Europees
verstrekkingsbevel/bewaringsbevel voor dergelijke doelen wordt gebruikt? Zo nee, waarom
deelt de regering deze mening niet?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen tevens in welke mate de voorwaarde
van dubbele strafbaarheid ook gaat gelden voor het Europees verstrekkingsbevel en
het Europees bewaringsbevel. Hoe moeten deze leden in dit verband de voorwaarde dat
een Europees verstrekkingsbevel/bewaringsbevel slechts kan worden uitgevaardigd indien
een soortgelijk bevel zou kunnen zijn uitgevaardigd in een soortgelijk nationaal geval
(artikelen 5 en 6 van Verordening 2023/1543) lezen? En tevens in dit verband: deze
leden lezen dat aan het opvragen van elektronisch bewijsmateriaal betreffende verkeersgegevens
en inhoudelijke gegevens restricties zijn verbonden waaronder dat voor de uitvaardiging
van een Europees verstrekkingsbevel voor dit soort gegevens de tenuitvoerleggingsautoriteit,
in Nederland de officier van justitie, verplicht in kennis moet worden gesteld. Die
officier van justitie kan vervolgens toetsen of er sprake is van een weigeringsgrond
op grond waarvan de gevraagde gegevens niet hoeven te worden verstrekt. Een van die
weigeringsgronden is als een feit niet strafbaar is in de tenuitvoerleggingsstaat,
tenzij het om een van de 32 ernstige misdrijven gaat zoals vermeld in bijlage IV van
Verordening 2023/1543. Betekent dat dat in het geval het niet om een van die 32 misdrijven
gaat, de Nederlandse officier van justitie geen mogelijkheid heeft om een bevel te
toetsen? En, zo vragen de aan het woord zijnde leden, is er als het om abonneegegevens
en identificerende gegevens gaat helemaal geen mogelijkheid dat er in de uitvoerende
staat een toets plaats kan vinden? Met andere woorden: als er vanuit een lidstaat
aan een Nederlandse dienstaanbieder om dergelijke informatie wordt gevraagd is die
direct gehouden daaraan tegemoet te komen zonder mogelijkheid van bezwaar of beroep
in eigen land? Klopt het dat in het geval een dienstaanbieder bezwaar wil maken tegen
het verstrekken van de gevraagde abonnee- of identificerende gegevens die aanbieder
alleen bezwaar dan wel beroep kan aantekenen bij een autoriteit van het uitvaardigende
land?
Hoe verhoudt de rechtsbescherming in het geval van een Europees verstrekkingsbevel
of bewaringsbevel zich tot de rechtsmiddelen die open staan bij de uitvoering of uitvaardiging
van een Europees opsporingsbevel, bijvoorbeeld als het om een toetsende rol van de
rechter(-commissaris) gaat, zo vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie. En aanvullend:
hoe gaat de rechtsbescherming, bijvoorbeeld ten aanzien van proportionaliteit en de
rechten van betrokkenen, in de praktijk werken? Welke concrete mogelijkheden zijn
er om op basis van deze gronden geen gegevens te verstrekken of te bewaren?
3. Hoofdlijnen van het wetsvoorstel
De leden van de D66-fractie hebben vragen over de hoofdlijnen van het wetsvoorstel.
Daarbij wordt er ook een onderscheid gemaakt tussen de typen gegevens en de waarborgen
die daaraan verbonden zijn: voor abonnee- of identificerende gegevens is er geen kennisgeving
of tussenkomst van een officier van justitie of rechter-commissaris verplicht. Bij
verkeers- en inhoudelijke gegevens is een machtiging van de rechter-commissaris vereist.
Vooral de uitwerking in de praktijk van deze aspecten van de Verordening roepen enkele
vragen op bij deze leden. Hoe verhouden de vorderingen voor verstrekking of bewaring
van gegevens door een officier van justitie zonder tussenkomst van rechters zich tot
het evenredigheidsbeginsel, effectieve rechtsbescherming en het recht op een eerlijk
proces ten opzichte van partijen die enkel in Nederland gevestigd zijn? Als er geen
tussenkomst is van een rechter in bepaalde gevallen, hoe kan dan van de geadresseerde
verwacht worden dat er een gedegen controle komt op het «ne bis in idem»-beginsel
en tegenstrijdige verplichtingen in de betreffende lidstaat of derde landen? En gezien,
de geadresseerde in sommige gevallen vorderingen ontvangt zonder rechterlijke toetsing
en direct benaderd wordt door (het buitenlandse equivalent van) de officier van justitie:
hoe kan de geadresseerde dan zelf toetsen of voldoen aan de vordering feitelijk onmogelijk
is, of dat weigering gegrond is? Hoe verhoudt zich dat tot het recht op een eerlijk
proces en tot de geldboetes en andere straffen voor niet tijdig voorzien in verstrekking/bewaring?
De leden van de D66-fractie lezen dat de regering aangeeft niet aan de kritiekpunten
van de Afdeling advisering van de Raad van State (hierna: de Afdeling) over de «fundamentele
kritiekpunten over rechtsbescherming en de systematiek van directe grensoverschrijdende
bevelen» tegemoet te kunnen komen omdat deze punten voortvloeien uit bindende regelgeving.
Dat klinkt deze leden wat tegenstrijdig in de oren. De punten waar meer fundamentele
kritiek op is gegeven op het gebied van rechtsbescherming en systematiek van directe
grensoverschrijdende bevelen zijn de basis waarop deze wet berust en gaan over grondrechten
van betrokkenen. Het betreft bij de kritiekpunten over rechtsbescherming en de systematiek
van grensoverschrijdende bevelen onder anderen: de beperkte rol van zowel Nederlandse
als buitenlandse rechters bij binnenkomende en uitgaande bevelen, de positie van dienstaanbieders,
de bescherming van de gegevens die uitgewisseld worden en de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid
van de wet. Kan de regering meer context geven bij de (on)mogelijkheden van het tegemoetkomen
aan de deze kritiek en hoe de rechtsbeginselen die in het geding zijn onder de Europese
verordening worden geborgd? Gaat het hier om dwingend EU-recht, en hoe verhoudt zich
dat tot de mogelijk verzwakte rechtspositie van betrokkenen? Zou de regering aan kunnen
geven waar zij mogelijkheden ziet waarop de wet wél ingevoerd kan worden zonder mogelijk
de rechtspositie van betrokkenen te schaden?
De leden van de VVD-fractie constateren dat het wetsvoorstel onder andere een nieuwe
titel van het vijfde boek van het Wetboek van Strafvordering introduceert. Deze leden
vragen hoe de uitvoeringswet zich verhoudt tot het nieuwe Wetboek van Strafvordering.
Worden de bevoegdheden uit de uitvoeringswet direct en beleidsneutraal overgezet via
de tweede aanvullingswet bij het nieuwe Wetboek of via de invoeringswet van het nieuwe
Wetboek?
4. Uitvoering
De leden van de D66-fractie hebben de volgende vragen en opmerkingen met betrekking
tot de uitvoering. Opgemerkt wordt door NLconnect, dat het beoogde systeem voor het
delen van de gegevens in kwestie het Reference Implementation Systeem betreft. Dat
systeem voldoet niet aan alle Nederlandse standaarden voor systemen voor dit soort
gegevensdeling. Heeft de regering alternatieven verkend of gekeken hoe de vereisten
om aan Nederlandse standaarden te voldoen toegepast kunnen worden op het Reference
Implementation Systeem? Hoe reflecteert de regering breder op de zorgen die bij deze
branche leven?
De leden van de D66-fractie hebben vernomen dat NLconnect aangeeft dat er grote zorgen
en vragen zijn over implementatie. Hoe kan verzekerd worden dat geadresseerden voorzien
worden in hun recht op een eerlijk proces als randvoorwaarden voor goede uitvoer nog
niet in werking zijn, maar er wel al gehandhaafd wordt?
De leden van de VVD-fractie vragen naar de verdere gevolgen van de wijze waarop het
wetsvoorstel wordt uitgevoerd voor de regeldruk en administratieve lastendruk voor
bedrijven. Deze leden constateren dat sommige lidstaten ervoor kiezen om bedrijven
eerst te waarschuwen en hulp te bieden bij het inrichten van de wettelijk vertegenwoordiger,
voordat er mogelijk miljoenenboetes worden opgelegd. Hoe kijkt de regering hiernaar?
De leden van de VVD-fractie lezen dat bij de uitvoering van het Europees verstrekkingsbevel
en het bewaringsbevel gebruik zal worden gemaakt van e-Codex. Dat is een bestaande
gemeenschappelijke dienst in het justitiedomein en de Nederlandse standaard voor digitale
grensoverschrijdende gegevensuitwisseling. Justid verzorgt de fysieke aansluiting.
Gelet op de problemen bij Justid die de afgelopen jaren zijn ontstaan, zoals het moeten
uitvoeren van een correctie bij 8% van de inzageverzoeken (bijlage bij Kamerstuk 35 916, nr. 6) vragen deze leden of er een uitvoeringstoets bij Justid is gedaan en zo ja, of die
met de Kamer kan worden gedeeld.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van een brief van NLconnect,
de branchevereniging van de telecomindustrie, waarin deze sector grote zorgen uit
over de implementatie van het Europees verstrekkingsbevel en het Europees bewaringsbevel.
Die zorgen richten zich met name op het ontbreken van belangrijke technische afspraken,
duidelijke procesbeschrijvingen en goede beveiligingsafspraken. NLconnect meent dat
daardoor een zorgvuldige invoering binnen de gestelde implementatietermijn onhaalbaar
is en men voorziet spanning met bestaande cybersecurityregels. Zo stelt NLconnect
dat de benodigde informatie over de werking van e-Evidence te laat is verstrekt, waardoor
de sector nu te weinig tijd heeft om systemen te ontwerpen, bouwen en testen, medewerkers
op te leiden en processen goed in te richten. Zij menen daarom dat zij niet aan de
nieuwe regels die 18 augustus 2026 in werking treden kunnen voldoen. Om die reden
zou toezicht en handhaving pas moeten beginnen als aanbieders een redelijke termijn
hebben gehad om hun systemen op orde te brengen en op een veilige manier de juiste
informatie kunnen delen. Kan de regering hierop in gaan? Voorts wijst NLconnect erop
dat de regels van de Nederlandse Cyberbeveiligingswet aanbieders verplicht om hun
netwerken en systemen zo goed mogelijk te beschermen tegen cyberaanvallen. Dat strookt
naar de mening van NLconnect niet met het wisselen van informatie ten behoeve van
e-Evidence via het openbare internet. Om hackers of inbraak door buitenlandse staten
te voorkomen vragen de aanbieders een fysiek gesloten en zwaarbeveiligd systeem. Deelt
de regering deze mening van de sector? Zo ja, welke gevolgen heeft dit voor de invoeringstermijn
of het handhaven van de wettelijke regels? Kan met het opleggen van sancties worden
gewacht tot dat de sector wel in staat is gebleken om de wet veilig uit te voeren?
De leden van de CDA-fractie lezen dat onderhavig wetsvoorstel uitvoeringsgevolgen
heeft voor het Openbaar Ministerie (OM), de rechtspraak en de Autoriteit Consument
en Markt (ACM). Kan de regering nader ingaan op de omvang van deze gevolgen en op
de vraag of de uitvoeringsorganisaties voldoende capaciteit beschikbaar hebben om
het wetsvoorstel uit te voeren?
5. Toezicht en handhaving
De leden van de D66-fractie hebben de volgende vraag over toezicht en handhaving.
De ACM geeft aan dat zij vier randvoorwaarden schetst voor de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid
van het wetsvoorstel. Kan de regering inmiddels meer informatie verschaffen over de
stand van zaken op deze vier benodigde randvoorwaarden (te weten: rekening houden
met onvoorspelbaarheid en omvang en beweeglijkheid van het aantal marktspelers dat
onder het toezicht valt; een operationeel registratieplatform; een aanpassing met
duidelijke scheiding tussen bestuursrecht en strafrecht; en de opname van een rechtsgrondslag
voor de samenwerking en gegevensuitwisseling tussen het OM en de ACM)?
De leden van de VVD-fractie lezen in de reactie op het verzoek voor een uitvoerbaarheids-
en handhaafbaarheidstoets van de ACM dat door ABDTOPConsult een verkenning is gedaan
om te verkennen welke organisatie een geschikte toezichthouder als bedoeld in de richtlijn
zou zijn. Kan worden toegelicht waarom deze verkenning niet bij verzending van het
wetsvoorstel naar de Kamer is gestuurd?
De leden van de VVD-fractie lezen in de verkenning dat ABDTOPConsult concludeerde
dat er geen ideale partij is om de taken van de centrale autoriteit op zich te nemen,
maar dat de ACM wel kan worden aangemerkt als de plek die zoveel mogelijk recht doet
aan de opgave en aan de Haagse werkelijkheid. Deze leden vinden het vooral belangrijk
dat er wordt gekeken hoe een autoriteit effectief kan bijdragen aan het oplossen van
problemen van mensen en hoe in dit geval de belangen van de Nederlandse burgers, van
de strafrechtketen en in het bijzonder de opsporing het beste worden gediend. Deze
leden constateren dat de taak die het wetsvoorstel toebedeelt aan de ACM in beginsel
niet goed past bij de ACM, omdat het geen markttoezicht betreft. Ook de kennis en
expertise van de strafrechtketen is bij de ACM niet direct aanwezig. Kan de regering
toelichten hoe de ACM wordt ondersteund om de nieuwe taak uit te voeren zonder dat
uitvoering van de bestaande wettelijke taken van de ACM onder druk komen te staan?
Hoe is de ministeriële verantwoordelijkheid straks geborgd als er fouten worden gemaakt
bij het uitvoeren van het toezicht op de naleving van de richtlijn? Is dat de Minister
van Economische Zaken die verantwoordelijk is voor de ACM of is dat de Minister van
Justitie en Veiligheid als opdrachtgever?
De leden van de VVD-fractie begrijpen dat de ACM straks toeziet op de aanwezigheid
van de wettelijke vertegenwoordiger en dus niet op de inhoud van de gegevensverstrekking.
Wat gebeurt er straks in de praktijk als een bedrijf wel een wettelijk vertegenwoordiger
heeft aangesteld, maar de wettelijk vertegenwoordiger structureel niet thuis geeft
wanneer het OM Europese verstrekkingsbevelen en bewaringsbevelen uitvaardigt en bijvoorbeeld
niet voldoende responsief handelt of adequaat meewerkt aan het bevel? Deze leden constateren
dat de scheidslijn in de praktijk dun kan zijn. Kan de regering nader toelichten hoe
de coördinatie tussen de ACM en het OM is vormgegeven? Wordt er een samenwerkingsprotocol
of convenant opgesteld om afspraken te maken voor gevallen waarin een «papieren» wettelijk
vertegenwoordiger de effectieve opsporing belemmert? En welke grondslag biedt het
wetsvoorstel om de kwaliteit en slagkracht van de wettelijk vertegenwoordiger te toetsen,
naast de enkele formele aanwezigheid?
In de bijlage bij de reactie van de ACM op de artikelsgewijze toelichting lezen de
leden van de VVD-fractie dat de ACM heeft voorgesteld om een grondslag op te nemen
in het wetsvoorstel voor samenwerking en gegevensuitwisseling met het OM. Kan de regering
toelichten waarom deze opmerking van de ACM niet heeft geleid tot het opnemen van
een dergelijke wettelijke grondslag?
6. Financiële gevolgen
De leden van de VVD-fractie lezen dat de gereserveerde bedragen voor de implementatie
oplopen van 4.8 miljoen euro in 2024 tot 10.7 miljoen euro in 2029. Naarmate die datum
dichterbij komt en de binnen het programma in te voeren werkprocessen concreter worden,
zal het inzicht in de kosten scherper worden. Deze leden vragen welke aannames er
worden gedaan bij het ramen van deze kosten en welke mogelijkheden er zijn om bij
te sturen als de aantallen van het aantal inkomende en uitgaande Europese verstrekkingsbevelen
en bewaringsbevelen veel hoger zijn dan geraamd
7. Reacties van het OM, de Raad voor de rechtspraak, de politie en de ACM
De leden van de D66-fractie hebben op basis van de reacties van het OM, de Raad voor
de rechtspraak, de politie en de ACM de volgende vragen. In reactie op de kritiek
van de Raad voor de rechtspraak en privacy-organisaties wordt gewezen op de wijze
waarop rechtsbescherming van burgers geborgd wordt, in het bijzonder over het op de
hoogte stellen van het opvragen van hun gegevens zodat zij gebruik kunnen maken van
rechtsmiddelen. In de memorie van toelichting staat voorts dat betrokkenen in beginsel
moeten worden geïnformeerd, maar dat uitstel van kennisgeving ook mogelijk is «indien
het belang van het onderzoek dit dringend vereist». In de memorie van toelichting
worden geen vaste termijnen genoemd waarbinnen de kennisgeving alsnog moet plaatsvinden,
en dat betrokkenen achteraf beklag kunnen doen via bestaande rechtsmiddelen (en lijkt
dus vooral ex post te zijn). Daar zit voor betrokkenen een afhankelijkheid in van
actieve kennisgeving door de betreffende (lid)staat/het OM en een risico voor misbruik
van de mogelijkheid tot uitstel van kennisgeving. Kan de regering toelichten hoe deze
afhankelijkheid verholpen wordt en welke maatregelen er zijn om misbruik van de uitstelregeling
te voorkomen?
In reactie op de opmerkingen van het OM stelt de regering in dat artikel 2, tweede lid,
van Verordening 2023/1543 de reikwijdte van de Verordening is beperkt tot strafzaken.
In geval van een urgente persoonsvermissing – zonder dat tevens sprake is van een
verdenking van een strafbaar feit – kan daarom geen Europees verstrekkingsbevel of
Europees bewaringsbevel worden uitgevaardigd. De leden van de VVD-fractie vragen naar
aanleiding van deze passage of bij de totstandkoming van artikel 2, tweede lid van
de Verordening expliciet is besproken dat urgente persoonsvermissingen buiten het
toepassingsbereik vallen en zo ja, of de regering bereid is bij de evaluatie van het
e-Evidencepakket dit punt in te brengen, zodat ook in deze gevallen een Europees verstrekkingsbevel
of Europees bewaringsbevel kan worden uitgevaardigd.
De leden van de VVD-fractie betreuren daarnaast dat vooralsnog niet is gekozen om
het onderscheppen van real-time dataverkeer of te verwachten dataverkeer onder het
bereik van de richtlijn en de Verordening te brengen. Datzelfde geldt voor het ontsleutelingsbevel.
Klopt het dat de politie en het OM in de praktijk hier wel om hebben gevraagd of dit
behulpzaam vinden? Kan de regering bevestigen dat Europol hier ook heel erg mee geholpen
zou zijn?
Deze leden merken op dat het onderscheid tussen «opgeslagen gegevens» en «real-time
gegevens» technisch gezien anno 2026 kunstmatig is geworden en dat onder de Amerikaanse
CLOUD-act het bijvoorbeeld wel mogelijk is om vergelijkbare bevelen uit te breiden
met onder andere ontsleutelingsbevelen en het onderscheppen van real-time dataverkeer.
Wil de regering zich hier in EU-verband voor inzetten dat er uiterlijk bij de eerste
evaluatie van de Verordening een voorstel wordt ingediend om de Verordening uit te
breiden naar real-time interceptie en ontsleuteling, om te voorkomen dat de handhavingskloof
tussen de opsporingsdiensten in de Verenigde Staten en de EU te groot wordt? Deze
leden vragen of de regering in dit verband het belang erkent van de aanpak van de
georganiseerde grensoverschrijdende misdaad en of de regering uitgebreid wil motiveren
waarom het toch onwenselijk zou zijn om voor deze uitbreidingen te pleiten.
De leden van de VVD-fractie constateren dat diverse organisaties vragen hebben gesteld
over de problemen die in de praktijk mogelijk ontstaan ten aanzien van de eerbiediging
van het verschoningsrecht. Deze leden merken op dat de kring van verschoningsgerechtigden
groter is dan in sommige andere lidstaten en dat het verschoningsrecht in Nederland
anders wordt toegepast dan in andere lidstaten. Gegeven de toename van complexiteit
van de beoordeling van de mate waarin gegevens vallen onder het Nederlandse verschoningsrecht,
stellen deze leden hier nog een aantal vragen over. In Nederland krijgt de rechter-commissaris
straks een rol bij de vraag of er bepaalde gegevens bij Europese verstrekkingsbevelen
en bewaarbevelen onder het verschoningsrecht vallen. In veel andere lidstaten zal
deze beoordeling niet plaatsvinden door een rechter-commissaris. Kan de regering een
inschatting geven van het aantal extra beslissingen die straks na inwerkingtreding
van de uitvoeringswet moeten worden genomen door een rechter-commissaris? Zijn hun
kabinetten hierop ingericht? Wordt hier voldoende extra capaciteit voor vrijgemaakt?
De leden van de VVD-fractie vragen ook hoe bij de kennisgeving binnen tien dagen,
of bij spoed binnen 96 uur, de rechter-commissaris deze toets op verschoningsgerechtigde
gegevens kan uitvoeren? Hoe beoordeelt de regering het risico dat bedrijven naar aanleiding
van het wetsvoorstel beslissen om hun servers of clouddiensten in Nederland te plaatsen,
omdat hier veel meer gegevens onder het verschoningsrecht vallen dan in de meeste
andere EU-lidstaten? Onderkent de regering dat het wetsvoorstel in die zin rechtsongelijkheid
met zich meebrengt omdat er verschillen ontstaan tussen Nederlandse verschoningsgerechtigden
op basis van waar zij fysiek of juridisch hun servers of clouds hebben staan?
De leden van de VVD-fractie constateren dat de effectiviteit van de Verordening voor
de Nederlandse opsporing valt of staat met de snelheid en kwaliteit van de kennisgevingsprocedures
in andere lidstaten. Kan de regering toelichten hoe zij omgaat met lidstaten die de
kennisgevingsplicht uit artikel 8 van de Verordening op een wijze hebben ingericht
die minder waarborgen biedt dan de Nederlandse toets door de rechter-commissaris?
Wordt er op EU-niveau gewerkt aan een geharmoniseerde kwaliteitsstandaard voor de
autoriteiten die deze kennisgevingen beoordelen, om te voorkomen dat Nederlandse opsporingsonderzoeken
vertraging oplopen door willekeur in andere lidstaten?
De leden van de VVD-fractie vragen of zowel de overheid als de telecomaanbieders in
Nederland voldoende in staat zijn en worden gesteld om tijdig systemen te bouwen of
aan te passen om het wetsvoorstel uit te voeren. Voor zover deze leden kunnen overzien,
zijn er tot nu toe te weinig technische specificaties verstrekt om alle dienstaanbieders
in staat te stellen dit te doen. Graag ontvangen deze leden een reactie hierop van
de regering en ook een overzicht van de overleggen en inbreng die er zijn geweest
vanuit de dienstaanbieders. In het verlengde hiervan vragen zij of er is voorzien
in een adequaat implementatieprogramma en op welke wijze aanbieders worden geïnformeerd
over de uitvoering van het wetsvoorstel. Welke rol ziet de regering om aanbieders
voor te lichten over niet alleen de uitvoeringswet maar ook de adequate toepassing
ervan? Is de regering bijvoorbeeld voornemens een handreiking op te stellen voor de
aanbieders?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat omdat het wetsvoorstel over implementatie
van het EU-recht gaat consultatie niet voorgeschreven was. Wel heeft de regering over
het concept van de voorliggende uitvoeringswet het OM, de Raad voor de rechtspraak,
de politie en de ACM om commentaar heeft gevraagd. De aan het woord zijnde leden zouden
het op prijs stellen indien de regering ook de Nederlandse Orde van Advocaten en de
Autoriteit Persoonsgegevens om commentaar zou vragen. Is de regering daartoe bereid
en zouden die commentaren uiterlijk tegelijkertijd met de nota naar aanleiding van
het verslag aan de Kamer kunnen worden gestuurd?
De leden van de CDA-fractie lezen dat het OM opmerkt te veronderstellen dat de bevoegdheid
van de officier van justitie tot de uitvaardiging van een Europees verstrekkingsbevel
of Europees bewaringsbevel ruimte laat voor de voorbereiding door de opsporingsambtenaar.
De regering geeft aan dat wordt beoogd dat de officier van justitie de beslissing
neemt en de verantwoordelijkheid draagt over de uitoefening van de bevoegdheid, maar
dat vereist niet dat de officier van justitie deze eigenhandig opstelt. Deze leden
vragen of het feitelijk wel mogelijk is dat de officier van justitie het bevel opstelt,
of dat dit in de praktijk altijd een opsporingsambtenaar zal zijn. En zo ja, wat houdt
dit in voor de toename van de werklast voor de politie?
De leden van de CDA-fractie lezen dat de politie en het OM de vraag stellen of het
niet wenselijk is om ook de opsporingsambtenaar als bevoegde autoriteit aan te wijzen
omdat dit behulpzaam kan zijn in noodsituaties. De regering antwoordt hierop dat dit
niet voor de hand ligt omdat het Europees verstrekkingsbevel en bewaringsbevel instrumenten
zijn in het kader van de justitiële samenwerking in strafzaken tussen bevoegde autoriteiten,
en dat dit het domein is van de officier van justitie. Deze leden vragen of andere
lidstaten de opsporingsambtenaar wel hebben aangewezen als bevoegde autoriteit, nu
de lidstaten de vrijheid hebben om zelf een autoriteit aan te wijzen.
Daarnaast lezen de leden van de CDA-fractie dat de Verordening uitsluitend ziet op
strafzaken en daarom niet kan worden toegepast bij urgente persoonsvermissingen zonder
verdenking van een strafbaar feit. Deze leden vragen de regering of zij, juist in
situaties waarin bij een vermissing wél sprake is van een verdenking van een strafbaar
feit en snelheid cruciaal is, mogelijkheden ziet om opsporingsambtenaren een duidelijkere
rol te geven in het proces rond het Europees verstrekkings- of bewaringsbevel.
De leden van de CDA-fractie vragen aan de regering wat het wetstraject rondom de modernisering
van het Wetboek van Strafvordering betekent voor onderhavige wet, nu er verschillende
verwijzingen zijn opgenomen naar artikelen uit dat betreffende wetboek.
8. Overgangsrecht en inwerkingtreding
De leden van de D66-fractie hebben vernomen dat vanuit de telecom- en internetaanbieders
in Nederland grote zorgen zijn geuit over de implementatie van de wet in augustus
2026. Hoe is de regering van plan de zorgen voor de beoogde inwerkingtreding weg te
nemen? En indien dat niet lukt, welk tijdspad ziet de regering voor zich om openstaande
vragen en zorgen over de implementatie van de wet weg te nemen?
De leden van de CDA-fractie constateren dat de implementatiedeadline van 18 februari
2026 niet is gehaald. Wat zijn hiervan de consequenties en lopen andere lidstaten
ook achter op schema? Is de regering van mening dat de deadline van 18 augustus 2026,
waarop de Verordening in werking treedt en rechtstreeks werkt, wel wordt gehaald?
II ARTIKELSGEWIJS
Artikel 8 (bestuurlijke boete)
De leden van de VVD-fractie constateren dat artikel 7 de grondslag biedt voor de ACM
een last onder dwangsom op te leggen en dat artikel 8 de grondslag biedt voor oplegging
van een bestuurlijke boete. Deze leden vragen of de opbrengst van de lasten onder
dwangsom en bestuurlijke boetes toe komt aan de ACM conform de algemene regeling in
de Algemene wet bestuursrecht in de artikelen 5:10, eerste lid jo. 1:1, vierde lid.
Kan de regering bevestigen dat bedoeld is dat de opbrengsten van de sancties integraal
terugvloeien naar de algemene middelen? Ook vragen deze leden of de ACM bij het vaststellen
van de hoogte van de last onder dwangsom en bestuurlijke boetes rekening houdt met
de grootte van het bedrijf. Deze leden vinden het in dat licht redelijk dat een last
onder dwangsom of een boete in verhouding staat tot de gevolgen voor het bedrijf.
Iemand uit het midden- en kleinbedrijf (mkb) zal eerder failliet worden verklaard
na oplegging van een boete dan een grote onderneming met duizenden werknemers. Kan
de regering hierop reageren?
De voorzitter van de commissie, Eerdmans
Adjunct-griffier van de commissie, Meijer
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
B.J. Eerdmans, voorzitter van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid -
Mede ondertekenaar
S.F.F. Meijer, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.