Nota n.a.v. het (nader/tweede nader/enz.) verslag : Nota naar aanleiding van het verslag
36 900 Wijziging van de Landbouwkwaliteitswet en de Wet dieren in verband met de implementatie van Verordening (EU) 2024/1143 over kwaliteitsaanduidingen
Nr. 6
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG
Ontvangen 14 april 2026
1
De leden van de PvdD-fractie wijzen erop dat aanduidingen, zoals bijvoorbeeld een
Beschermde Oorsprongsbenaming of Beschermde Geografische Aanduiding (BGA) onterecht
de indruk kunnen wekken dat ze gepaard gaan met hoge standaarden en daarmee misleidend
kunnen zijn voor de consument. Het idee van beschermde traditionele en lokale producten
wordt te vaak nog geassocieerd met hogere standaarden met betrekking tot dierenwelzijn,
terwijl in de praktijk dierenwelzijn geen een eis is die wordt meegenomen in de vaststelling
of een product in aanmerking komt voor een bescherming door middel van een geografische
aanduiding of oorsprongsbenaming. Nederland importeert bijvoorbeeld veel parmaham
uit Italië. Consumenten kunnen onterecht denken dat parmaham gepaard gaat met hoge
dierenwelzijnsstandaarden, terwijl uit onderzoek van een Italiaanse dierenrechtenorganisatie
blijkt dat er ernstige misstanden plaatsvinden bij de productie van parmaham. Varkens
worden voor «premium parma ham» geslagen en getrapt, en zonder pijnstilling gecastreerd
(Essere Animali, «Cruelty on Pigs» (https://www.essereanimali.org/en/cruelty-italian-pig-farm/)). Onderschrijft de regering deze zorgen?
Antwoord
Een kwaliteitsaanduiding is een keurmerk voor producten die een geografische binding
hebben met een gebied of een specifieke traditionele wijze van bereiding hebben. Er
zijn andere keurmerken zoals bijvoorbeeld het Europese bio-keurmerk dat specifiek
dierenwelzijn meeneemt.
In Vo (EU) 2024/1143 kunnen producenten van een kwaliteitsaanduiding op vrijwillige
basis afspraken maken over duurzame praktijken die milieu-, sociale en economische
doelstellingen omvatten en verder gaan dan verplichte normen. Onderdeel van deze duurzame
praktijken is de bevordering van dierenwelzijn. Die praktijken kunnen in het productdossier
of in een afzonderlijk initiatief worden opgenomen.
2
Kan de regering aangeven of zij op Europees niveau heeft gepleit voor het meenemen
van dierenwelzijnsstandaarden bij kwaliteitsaanduidingen? Zo nee, waarom niet?
Antwoord
De doeldoelstelling van deze Verordening richt zich op de bescherming van de Europese
gastronomie en cultuur. Ook de inzet van de Nederlandse regering bij de totstandkoming
van deze verordening richtte zich daarop. Overigens is in de Verordening opgenomen
dat criteria met betrekking tot duurzaamheid, waar dierenwelzijn onderdeel van is,
kunnen worden gesteld aan het product en/of productieproces door de producenten.
3
De leden van de PvdD-fractie vragen de regering welke stappen zij van plan is te nemen
om transparantie te vergroten over het feit dat dergelijke aanduidingen niks zeggen
over de wijze waarop dieren zijn behandeld.
Antwoord
Een kwaliteitsaanduiding is een keurmerk voor producten die een geografische binding
hebben met een gebied of een specifieke traditionele wijze van bereiding hebben. Deze
producten leveren een bijdrage aan het levend cultureel en gastronomisch erfgoed van
de Europese Unie. Op vrijwillige basis kunnen producenten van een kwaliteitsaanduiding
afspraken maken over duurzame praktijken die milieu-, sociale en economische doelstellingen
omvatten en verder gaan dan verplichte normen. Onderdeel van deze duurzame praktijken
is de bevordering van dierenwelzijn. Die praktijken kunnen in het productdossier of
in een afzonderlijk initiatief worden opgenomen.
4
Kan de regering aangeven waarom zij ervoor heeft gekozen om in deze implementatiewet
niks mee te nemen over het waarborgen van dierenwelzijn en het tegengaan van misleiding
van de consument? Is de regering er alsnog toe bereid om dat te doen? Zo nee, waarom
niet?
Antwoord
Een kwaliteitsaanduiding is een keurmerk voor producten die een geografische binding
hebben met een gebied of een specifieke traditionele wijze van bereiding hebben. Er
zijn andere keurmerken zoals bijvoorbeeld het Europese bio-keurmerk dat specifiek
dierenwelzijn meeneemt. Verder geeft Vo (EU) 2024/1143 de producentengroepering de
mogelijkheid om afspraken te maken over duurzaamheid, waarvan dierenwelzijn een onderdeel
kan zijn. In de Verordening is niet opgenomen dat de lidstaten hier verplichtingen
over mogen stellen.
Verder is het beleid van het kabinet om de regeldruk voor bedrijven te verminderen.
Om daar aan te voldoen is de Verordening geïmplementeerd zonder nationale koppen.
In het kader van de waarborging van dierenwelzijn werkt Nederland toe naar een dierwaardige
veehouderij. De inzet is dit ook zoveel mogelijk doorgevoerd te krijgen in de nog
te herziene EU-wetgeving inzake dierenwelzijn (voor productiedieren). Met het oog
hierop is de inzet van Nederland bij de Europese Commissie en andere EU-lidstaten
draagvlak te creëren voor relevante maatregelen op dit vlak.
5
Deze leden vragen de regering in hoeverre deze Verordening daadwerkelijk de positie
van de Nederlandse boer en producent versterkt of dat het wederom een extra laag bureaucratie
betreft die vooral de Europese Commissie (EC) meer bevoegdheden geeft.
Antwoord
Het aanvragen van een kwaliteitsaanduiding voor een product of het produceren van
een product met een kwaliteitsaanduiding is iets waarvoor de boer of ondernemer zelf
kiest. Dit omdat een kwaliteitsaanduiding kansen biedt voor de versterking van de
positie van de boer of ondernemer die zich met zijn product wil onderscheiden.
6
Kan de regering garanderen dat de «vereenvoudiging» van procedures waar de Verordening
over spreekt, in de praktijk niet zal leiden tot méér regeldruk voor onze lokale producenten?
Antwoord
In de nieuwe Verordening is de procedure voor registratie van producten (landbouwproducten,
levensmiddelen, wijn en gedistilleerde dranken) met een kwaliteitsaanduiding vereenvoudigd
en is er geen verschil meer in de procedure voor de registratie van landbouwproducten,
levensmiddelen, wijn en gedistilleerde dranken.
7
De leden van de D66-fractie vragen de regering toe te lichten hoe wordt omgegaan met
situaties waarin websites of webshops die inbreuk maken op kwaliteitsaanduidingen
en die worden gehost op servers buiten Nederland of buiten de Europese Unie (EU).
Zowel het Controle Orgaan Kwaliteits Zaken (COKZ) als het Kwaliteits-Controle-Bureau
(KCB) wijzen in hun uitvoeringstoetsen op deze praktische moeilijkheid. Hoe beoordeelt
de regering de effectiviteit van de zelfstandige last in dergelijke gevallen?
Antwoord
De inzet van de Nederlandse regering is om onze eigen producten met een kwaliteitsaanduiding
zo goed mogelijk te beschermen tegen inbreuk. Deze inbreuk kan zowel uit de EU komen
als van daar buiten. Optreden tegen inbreuk door partijen van buiten de EU is lastiger
omdat deze partijen niet vallen onder de EU wetgeving.
8
De leden van de D66-fractie vragen de regering voorts toe te lichten hoe de subsidiariteits-
en proportionaliteitstoets in de praktijk wordt uitgevoerd bij het opleggen van een
zelfstandige last aan partijen die als tussenpersoon fungeren en welke procedurele
waarborgen gelden om te voorkomen dat deze bevoegdheid disproportioneel wordt ingezet
jegens partijen die zelf geen inbreuk plegen.
Antwoord
Uitgangspunt is dat pas toepassing gegeven wordt aan deze bevoegdheid om een zelfstandige
last op te leggen indien er geen andere doeltreffende middelen zijn om strijdig gebruik
van namen van producten of diensten te voorkomen of te beëindigen. Eerst wordt vastgesteld
of de overtreding beëindigd kan worden door degene die de overtreding pleegt of medepleegt
(de overtreder). Als dat zo is wordt toepassing gegeven aan artikel 19 van de Landbouwkwaliteitswet
en wordt een last onder dwangsom opgelegd.
Als een last onder dwangsom geen soelaas biedt, bijvoorbeeld omdat bij een overtreding
op het internet niet altijd kan worden achterhaald wie de overtreding begaat, wordt
toepassing gegeven aan de voorgestelde zelfstandige last van artikel 16. De last wordt
dan gericht tot degene die daarvoor het meest in aanmerking komt (anderen dan de overtreder)
en die de overtreding kan beëindigen. In die situatie kan de Minister zich richten
tot degene die een website op het internet geplaatst heeft of degene die in staat
moet worden geacht die website aan te passen of de inhoud daarvan van het internet
te verwijderen (sub a).
De zelfstandige last kan worden opgelegd aan een aanbieder van een hostingdienst,
een beheerder van een domeinregister of een registrerende instantie dan wel aan een
andere partij die ertoe in staat is om de overtreding te stoppen (sub b en c), nadat
de noodzaak daarvan is aangetoond.
In iedere situatie zal de Minister beoordelen welke maatregel het meest doelmatig
is, rekening houdend met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Dat betekent
dat de last wordt gericht tot degene die daarvoor het meest in aanmerking komt en
in staat is om de overtreding te stoppen. Daarbij ligt het in de rede dat de Minister
gelet op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zich in eerste instantie wendt
tot de (rechts)personen genoemd onder a, en pas in laatste instantie tot de (rechts)personen
genoemd onder c.
Vanwege de mogelijke beperking van grondrechten en het bijzondere belang van rechtsbescherming
daarbij wordt in dit wetsvoorstel voorgesteld de opgelegde last pas een week na bekendmaking
in werking te laten treden. Door die uitgestelde inwerkingtreding heeft diegene aan
wie de last is opgelegd tijd om bij de bevoegde bestuursrechter (College van Beroep
voor het bedrijfsleven (CBb) een verzoek om een voorlopige voorziening in te dienen.
Indien binnen die periode bij de Minister bezwaar is gemaakt en bij de bevoegde bestuursrechter
een voorlopige voorziening is gevraagd, treedt de zelfstandige last niet in werking
voordat op dat verzoek is beslist (of het verzoek is ingetrokken).
9
Deze leden vragen de regering of deze verregaande bevoegdheid niet een hellend vlak
vormt richting censuur en een inbreuk op de vrijheid van meningsuiting. Hoe kan de
regering garanderen dat deze machtsmiddelen niet oneigenlijk worden gebruikt tegen
critici of kleinere marktpartijen onder het mom van de bescherming van een «kwaliteitsaanduiding»?
Antwoord
De grondwettelijke waarborgen ten aanzien van de vrijheid van meningsuiting zijn niet
van toepassing op handelsreclame gelet op artikel 7, vierde lid van de Grondwet. Handelsreclame
is iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd
wordt een commercieel belang te dienen.
Het zal in de meeste gevallen van gebruik van namen van producten of diensten met
een kwaliteitsaanduiding gaan om handelsreclame.
Voor zover bij het gebruik van een kwaliteitsaanduiding sprake is van de uitoefening
van de vrijheid van meningsuiting is van belang dat de uitoefening van dit recht op
grond van artikel 10, tweede lid, van het EVRM kan worden beperkt indien dit bij de
wet is voorzien. Ook is het in een democratische samenleving noodzakelijk (proportioneel
en subsidiair) in het belang van onder meer het voorkomen van wanordelijkheden en
strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming
van de goede naam of de rechten van anderen, of om de verspreiding van vertrouwelijke
mededelingen te voorkomen.
De in het wetsvoorstel opgenomen bevoegdheid tot het opleggen van een zelfstandige
last voldoet, aan de vereisten die in het genoemde verdrag zijn gesteld aan een beperking
van de vrijheid van meningsuiting. Het wetsvoorstel voorziet in een wettelijke grondslag
van de bevoegdheid tot het opleggen van een zelfstandige last. Voorts is geborgd dat
de toepassing van deze bevoegdheid alleen plaatsvindt met het oog op het gerechtvaardigde
belang van de bescherming van consumenten (consumentvertrouwen in kwaliteit) en marktdeelnemers
(eerlijke handelspraktijken, reputatie van het product met de geografische aanduiding
mag niet worden geschaad) tegen inbreuken van de bedoelde bescherming van kwaliteitsaanduidingen,
zoals vereist door de nieuwe Verordening (EU) 2024/1143.
Als uitgangspunt is in de bepaling expliciet geformuleerd dat het gebruik van deze
bevoegdheid noodzakelijk en proportioneel moet zijn. De voorgestelde bevoegdheid mag
pas worden ingezet indien er geen andere doeltreffende middelen beschikbaar zijn om
de inbreuk te doen beëindigen. Dat betekent dat de last wordt gericht tot degene die
daarvoor het meest in aanmerking komt en die de overtreding kan beëindigen.
10
Deze leden vragen de regering toe te lichten hoe wordt omgegaan met gevallen waarin
het gebruik van een kwaliteitsaanduiding niet primair een commercieel karakter heeft,
bijvoorbeeld in redactionele of informatieve online-inhoud. Hoe wordt in die gevallen
de grondwettelijke bescherming van de vrijheid van meningsuiting gewaarborgd?
Antwoord
Voor zover bij het gebruik van een kwaliteitsaanduiding sprake is van de uitoefening
van de vrijheid van meningsuiting is van belang dat de uitoefening van dit recht op
grond van artikel 10, tweede lid, van het EVRM kan worden beperkt indien dit bij de
wet is voorzien. Ook is het in een democratische samenleving noodzakelijk (proportioneel
en subsidiair) in het belang van onder meer het voorkomen van wanordelijkheden en
strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming
van de goede naam of de rechten van anderen, of om de verspreiding van vertrouwelijke
mededelingen te voorkomen.
De in het wetsvoorstel opgenomen bevoegdheid tot het opleggen van een zelfstandige
last voldoet, aan de vereisten die in het genoemde verdrag zijn gesteld aan een beperking
van de vrijheid van meningsuiting. Het wetsvoorstel voorziet in een wettelijke grondslag
van de bevoegdheid tot het opleggen van een zelfstandige last. Voorts is geborgd dat
de toepassing van deze bevoegdheid alleen plaatsvindt met het oog op het gerechtvaardigde
belang van de bescherming van consumenten (consumentvertrouwen in kwaliteit) en marktdeelnemers
(eerlijke handelspraktijken, reputatie van het product met de geografische aanduiding
mag niet worden geschaad) tegen inbreuken van de bedoelde bescherming van kwaliteitsaanduidingen,
zoals vereist door de nieuwe Verordening (EU) 2024/1143.
Als uitgangspunt is in de bepaling expliciet geformuleerd dat het gebruik van deze
bevoegdheid noodzakelijk en proportioneel moet zijn. De voorgestelde bevoegdheid mag
pas worden ingezet indien er geen andere doeltreffende middelen beschikbaar zijn om
de inbreuk te doen beëindigen. Dat betekent dat de last wordt gericht tot degene die
daarvoor het meest in aanmerking komt en die de overtreding kan beëindigen.
11
Deze leden vragen de regering toe te lichten op welke termijn het register operationeel
zal zijn en hoe wordt gewaarborgd dat het register bij inwerkingtreding volledig is,
mede gelet op de waarschuwing van de Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO)
dat reeds erkende marktdeelnemers expliciet moeten worden opgenomen om onvolledigheid
te voorkomen.
Het register zal met de inwerkingtreding van de gewijzigde Landbouwkwaliteitswet en
de Wet Dieren operationeel zijn. Beoogd is om 1-1-2027 deze wet en het register in
werking te laten treden.
Antwoord
Het is voor de marktdeelnemer een verplichting om, voordat een product met een kwaliteitsaanduiding
in de handel wordt gebracht, te laten verifiëren dat product overeenkomstig het productdossier
is geproduceerd. Deze verificatie wordt verricht door, afhankelijk van het soort product,
de Stichting KCB, het COKZ en de NVWA (namens de Minister). Een marktdeelnemer die
zich niet meldt bij de bevoegde autoriteit handelt in strijd met de wet- en regelgeving
en hier kan handhavend tegen worden opgetreden.
12
De leden van de D66-fractie vragen de regering voorts toe te lichten hoe de toegang
tot het register is afgebakend tussen de verschillende bevoegde autoriteiten en welke
technische en organisatorische maatregelen worden getroffen om onbevoegde toegang
tot persoonsgegevens te voorkomen.
Antwoord
RVO beheert het deel van het register waar het productdossier en enig document worden
bewaard. De bevoegde autoriteiten (KCB, COKZ en NVWA) beheren ieder hun eigen deel
van het register met daarin de marktdeelnemers die een product met een kwaliteitsaanduiding
in de handel brengen die valt onder hun bevoegdheid.
Gegevens in het register kunnen op verzoek worden uitgewisseld tussen de Minister,
controle-instelling, bevoegde autoriteit of een controle-autoriteit, indien dat noodzakelijk
is gebleken voor de uitvoering van bindende onderdelen van EU-rechtshandelingen betreffende
de kwaliteit van producten. Ook is gebleken in de praktijk dat er behoefte is aan
uitwisseling van gegevens tussen de Minister en de KCB of COKZ. Hiervoor is een grondslag
gemaakt, maar alleen als dit op verzoek gebeurt, het gaat om gegevens die in het register
staan en voor zover dat noodzakelijk is gebleken voor de uitvoering van bindende onderdelen
van EU-rechtshandelingen betreffende de kwaliteit van producten.
13
Deze leden vragen de regering waarom gekozen is voor een bewaartermijn van persoonsgegevens
van vijf jaar na uitschrijving. Is de regering van mening dat dit in verhouding staat
tot het doel en hoe wordt de privacy van onze ondernemers hierbij gewaarborgd tegenover
de drang van de EU naar centrale dataverzameling?
Antwoord
Verordening (EU) 2024/1143 schrijft het volgende voor: Documentatie met betrekking
tot de registratie van een geografische aanduiding en van een gegarandeerde traditionele
specialiteit, in digitale of papieren vorm, moet worden bewaard gedurende een periode
van 10 jaar na de annulering van de registratie, om verlies van historische informatie
te voorkomen en vergelijking met mogelijke latere aanvragen met betrekking tot dezelfde
of soortgelijke namen mogelijk te maken. Eventuele persoonsgegevens die onderdeel
zijn van die documentatie moeten ook worden bewaard.
Voor het bewaren van de persoonsgegevens in de twee registers staat geen termijn in
de verordening. Hiervoor is aangesloten bij de Archiefwet waarin een bewaartermijn
van 5 jaar is opgenomen voor het implementeren van internationale regels in bestaande
of nieuwe regelgeving.
14
Hoe denkt de regering dit praktisch te gaan handhaven zonder dat het eindigt in een
papieren tijger die alleen de eerlijke Nederlandse ondernemer raakt, terwijl malafide
buitenlandse partijen buiten schot blijven?
Antwoord
De inzet van de Nederlandse regering is om onze eigen producten met een kwaliteitsaanduiding
zo goed mogelijk te beschermen tegen inbreuk. Deze inbreuk kan zowel uit de EU komen
als van daar buiten. Optreden tegen inbreuk door partijen van buiten de EU is lastiger
omdat die niet vallen onder de EU wetgeving.
15
De leden van de PVV-fractie constateren dat er onduidelijkheid bestaat over de taakverdeling
tussen de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), het COKZ en het KCB. Het
KCB geeft aan dat een duidelijke taakverdeling nu niet is opgenomen in de wetgeving.
Waarom heeft de regering de zorgen van deze uitvoeringsinstanties over de bevoegdheidsafbakening
niet verwerkt in de memorie van toelichting?
Antwoord
De taakverdeling tussen de bevoegde autoriteiten (COKZ, KCB en NVWA) staat niet in
de Landbouwkwaliteitswet, maar in het Landbouwkwaliteitsbesluit 2007 en de Regeling
dierlijke producten. De onderling gemaakte afspraak over de controles op de markt
(retail, supermarkten) zal in dit besluit en deze regeling worden geformaliseerd.
Concreet zal in het Landbouwkwaliteitsbesluit 2007 de Stichting KCB worden aangewezen
als bevoegde autoriteit voor de controle tijdens de productiefase van groente, fruit,
aardappelen en bananen met kwaliteitsaanduiding. Het toezicht op deze producten zodra
ze op de markt zijn gebracht, zal worden opgedragen aan de NVWA. De Regeling dierlijke
producten zal worden aangepast zodat de Stichting COKZ aangewezen wordt als bevoegde
autoriteit voor de controle in de productiefase van zuivelproducten, vlees van pluimvee
en eieren met een kwaliteitsaanduiding. Het toezicht op deze producten zodra ze op
de markt zijn gebracht, zal worden opgedragen aan de NVWA.
16
Kan de regering de toezegging doen dat dit wetsvoorstel niet zal leiden tot extra
kosten of heffingen voor onze boeren en producenten? Bovendien vragen deze leden waarom
een globale inschatting van de tijd en kosten voor aanvragen ontbreekt, zoals ook
door het Adviescollege Toetsing Regeldruk (ATR) is opgemerkt.
Antwoord
In de memorie van toelichting is opgenomen dat zal worden onderzocht of het mogelijk
is om retributies in te voeren. Met de voorgestelde wijziging van de Landbouwkwaliteitswet
en de Wet Dieren worden geen retributies opgelegd en zijn derhalve geen extra kosten
voor de boeren en producenten gemoeid.
In hoofdstuk 7.5 Adviescollege toetsing regeldruk van de memorie van toelichting is
uiteengezet dat het niet mogelijk is om de regeldrukgevolgen in beeld te brengen door
een beschrijving en kwantificering, conform de Rijksbrede methodiek. Dit vanwege de
veelheid aan verschillende bedrijfstypen en diverse omvang daarvan op dit terrein.
Marktdeelnemers die een product met een kwaliteitsaanduiding produceren zijn zeer
divers, kleine MKB-bedrijven, bijvoorbeeld bakkers die Limburgse vlaaien bakken maar
ook multinationals als Friesland Campina die Noord-Hollandse Gouda kaas produceren.
Het is daarom lastig de regeldrukgevolgen in beeld te brengen. Dat verschilt voor
iedere marktdeelnemer. Een schatting is dat het online aanmelden bij de bevoegde autoriteit
inclusief de daarvoor benodigde gegevens verzamelen ongeveer 1 uur in beslag neemt.
Voor de inschatting van de kosten is gebruik gemaakt van de standaard uurtarieven
opgenomen in het handboek meting regeldrukkosten van het Ministerie van Economische
Zaken en Klimaat van 29 november 2023. Het uurtarief van hoogopgeleide medewerkers
is € 77,– per uur en dat van laaggeschoold en ongeschoold personeel € 23,– is per
uur.
17
Deze leden zouden graag van de Minister willen weten met hoeveel nieuwe aanvragen
rekening wordt gehouden.
Antwoord
In totaal heeft Nederland op dit moment 38 kwaliteitsaanduidingen. Een aanvraag tot
registratie van een kwaliteitsaanduiding voor een product wordt ingediend bij de bevoegde
autoriteiten van de lidstaat van oorsprong van het product door een producentengroepering.
Het aantal leden van een producentengroepering varieert, er zijn kleine en grote.
In totaal hebben de producentengroeperingen samen ongeveer 400 leden. Het ligt niet
in de lijn der verwachting dat het aantal kwaliteitsaanduidingen sterk zal toenemen.
In 2024 zijn twee kwaliteitsaanduidingen voor producten afgegeven, dat is boven gemiddeld.
In 1996 zijn de eerste geografische aanduidingen afgegeven, dus in 30 jaar zijn 38
kwaliteitsaanduidingen afgegeven, gemiddeld 1,3 geografische aanduiding per jaar.
18
Vanaf hoeveel nieuwe aanvragen (boven op het aantal aanvragen dat gemiddeld genomen
per jaar binnenkomt), wordt het noodzakelijk om zo een retributie in te voeren?
Antwoord
In de memorie van toelichting is opgenomen dat zal worden onderzocht of het mogelijk
is om retributies in te voeren. Dit onderzoek loopt nog, derhalve kan ik uw vraag
niet beantwoorden.
19
RVO geeft aan dat zij verwacht dat de implementatie van deze wijziging geen grote
problemen oproept in de uitvoering, aangezien de verwachting is dat er niet heel veel
nieuwe marktdeelnemers zich zullen melden. Waarom wordt er dan toch gekeken naar de
mogelijkheid om een retributie in te voeren?
Antwoord
RVO beheert het deel van het register waar het productdossier en enig document worden
bewaard. De bevoegde autoriteiten (KCB, COKZ en NVWA) beheren ieder hun eigen deel
van het register met daarin de marktdeelnemers die een product met een kwaliteitsaanduiding
in de handel brengen die valt onder hun bevoegdheid.
De kosten voor de aanvraag, wijziging of annulering van een productdossier, taken
die zijn belegd bij RVO, worden nu betaald uit de algemene middelen (waar dus iedereen
aan mee betaalt), terwijl er sprake is van het profijtbeginsel. De marktdeelnemers
profiteren hiervan, hun product zoals beschreven in het productdossier worden beschermd
tegen namaak en inbreuk hierop in de EU.
De kosten voor toezicht en handhaving op of producten in overeenstemming met het productdossier
zijn worden gedaan door de bevoegde autoriteiten. Deze kosten worden op dit moment
niet, gedeeltelijk of geheel doorbrekend aan de marktdeelnemer, afhankelijk van het
betrokken product. Aangezien niet alle kosten geheel worden doorberekend en er een
onderscheid wordt gemaakt naar producten moet dit opnieuw onderzocht worden. Een groot
deel van deze kosten worden betaald uit de algemene middelen (waar dus iedereen aan
mee betaalt), terwijl er sprake is van het profijtbeginsel. De producten met een kwaliteitsaanduiding
zijn beschermd tegen namaak en inbreuk, herkenbaarder en dat heeft een positief effect
op de verhandelbaarheid en de winst.
Het Rijksbrede kader (Maat houden) hanteert als uitgangspunt het streven naar een
eerlijke kostenverdeling, waarbij niet alleen de maatschappij opdraait voor controles
die specifiek nodig zijn voor bepaalde marktdeelnemers. Deze kosten kunnen gezien
het profijt in beginsel worden omgeslagen in een retributie. Daarnaast zal natuurlijk
eerst moeten worden onderzocht welke andere overwegingen er zijn in de afweging om
wel of niet een retributie in te voeren. Deze afweging zal te zijner tijd met de sector
en Kamers worden gedeeld.
20
Daarnaast wordt in de memorie van toelichting aangegeven dat er weliswaar een aantal
nieuwe taken voor RVO en de NVWA te verwachten zijn, maar dat die minimaal zijn en
bovendien inpasbaar in de huidige werkzaamheden. Waarom wordt dan bij de overweging
tot invoering van een retributie wel rekening gehouden met deze minimale uitbreiding
van taken?
Antwoord
In de memorie van toelichting is opgenomen dat zal worden onderzocht of het mogelijk
is om retributies in te voeren. Dit onderzoek loopt nog, derhalve kan ik uw vraag
niet beantwoorden.
21
Zou die invoering niet juist weer een verhoging van (administratieve) lasten geven,
die juist met dit wetsvoorstel vermeden zou moeten worden?
Antwoord
Het wetsvoorstel introduceert geen extra administratieve lasten voor ondernemers.
22
Zou het onderzoek naar het invoeren van een retributie in verband met de extra te
verwachten aanvragen op zich niet al duurder zijn dan het behandelen van de extra
te verwachten aanvragen zonder retributie, gezien het feit dat er sinds de jaren ’90
gemiddeld 1,3 aanvragen per jaar worden gedaan?
Antwoord
Op deze vraag kan ik geen antwoord geven, dit omdat het onderzoek naar retributies
nog loopt.
23
Wanneer wordt het resultaat van het onderzoek naar een mogelijke invoering van de
retributie verwacht?
Antwoord
De verwachting is dat het onderzoek dit jaar zal worden afgerond.
24
Waarom is dit niet gedaan voor het wetsvoorstel naar de Kamer kwam?
Antwoord
In de Vo (EU) 2024/1143 is geen verplichting opgenomen over de invoering van retributies.
Met het wetsvoorstel wordt deze Verordening zuiver geïmplementeerd.
25
De leden van de PVV-fractie vragen of de Raad voor de rechtspraak opnieuw om advies
is gevraagd nadat het wetsvoorstel op belangrijke punten is gewijzigd? Zo nee, waarom
niet?
Antwoord
De Raad voor de rechtspraak adviseert in plaats van een machtiging van de rechter-commissaris
in het wetsvoorstel te regelen dat een opgelegde last pas in werking treedt na een
korte periode (van bijvoorbeeld één week), tenzij binnen die periode bezwaar is gemaakt
en een voorlopige voorziening bij het CBb is gevraagd en zolang daarop nog niet is
beslist. Dit advies is opgevolgd. Omdat het advies is opgevolgd is niet nogmaals om
advies gevraagd.
26
De leden van de PVV-fractie vragen de regering naar de definitieve planning van de
inwerkingtreding.
Antwoord
Beoogd is om 1-1-2027 deze wetten in inwerking te laten treden, zodat we voldoen aan
de vaste verandermomenten van wetgeving.
Het wetsvoorstel tot wijziging van de Landbouwkwaliteitswet en de Wet Dieren heeft
de gebruikelijke procedure doorlopen en ligt nu in de Tweede Kamer. Hierna moet het
wetsvoorstel worden ingediend bij de Eerste Kamer. Een definitieve planning van de
inwerkingtreding van dit wetsvoorstel is op dit moment aldus moeilijk te geven.
27
Gezien het feit dat de Verordening al sinds januari 2025 geldt, vragen deze leden
de regering of zij kan bevestigen dat er geen sprake zal zijn van terugwerkende kracht
voor eventuele handhavingsmaatregelen die voortvloeien uit dit wetsvoorstel.
Antwoord
De regering bevestigt dat er geen sprake zal zijn van terugwerkende kracht van handhavingsmaatregelen
die voortvloeien uit dit wetsvoorstel.
Ondertekenaars
S.P.A. Erkens, staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.