Lijst van vragen : Verslag houdende een lijst van vragen inzake Wijziging van de begrotingsstaat van het Mobiliteitsfonds voor het jaar 2026 (wijziging samenhangende met de Voorjaarsnota)(Kamerstuk 36915-A)
2026D16915 VERSLAG HOUDENDE EEN LIJST VAN VRAGEN
De vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat, belast met het voorbereidend
onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer verslag uit te brengen in de vorm
van een lijst van vragen.
De voorzitter van de commissie,
Huizenga
De griffier van de commissie,
Schukkink
Nr
Vraag
1.
Wat is de reden dat de taakstelling onderuitputting voor 2026 met € 1,5 miljard is
teruggedraaid ten opzichte van de vorige Voorjaarsnota?
2.
Waarom houdt het kabinet rekening met minder onderuitputting in 2026 dan het Centraal
Planbureau (CPB)?
3.
Kunt u een meerjarig cijfermatig overzicht geven van de actuele veronderstellingen
van zowel het kabinet als het CPB ten aanzien van de jaarlijks te verwachten onderuitputting
en de verschillen daarin duiden?
4.
Kunt u nader toelichten waarom «bij de VJN 2027 wordt bezien of deze aanvullende onderuitputting
nog realistisch is»? Waarom wordt in dit licht op p. 18 van de Voorjaarsnota 2026
op voorhand al gesproken over het korten van de prijsbijstelling in 2027?
5.
Kunt u een overzicht geven van de bedragen die alle begrotingen hebben ontvangen in
het kader van de eindejaarsmarge, waarbij ook de budgetflexibiliteit van dat bedrag
wordt aangegeven?
6.
Wat is de reden dat zowel het Mobiliteitsfonds als het Deltafonds in 2026 worden verlaagd
met respectievelijk € 164 en € 160 miljoen door meeruitgaven in 2025? Kunt u nader
toelichten waarom op p. 156 staat dat «de zogenaamde overprogrammering op de fondsen
nu stapsgewijs wordt teruggebracht om nieuwe overschrijdingen, zoals in 2025, te voorkomen»?
7.
In welke mate en op welke posten op de rijksbegroting gaat het kabinet gebruik maken
van het instrument overprogrammering om onderuitputting tegen te gaan? Wat zijn hierbij
de ervaringen en verwachtingen?
8.
Wat zijn de gevolgen van de inzet van middelen uit het programma Woningbouw en Mobiliteit
op artikel 11, 13 en 14 ter compensatie van de ingehouden prijsbijstelling van 2025
en 2026?
9.
Welk deel van de middelen op de Aanvullende post voor beheer en onderhoud van infrastructuur
en ontsluiting woningbouw is beschikbaar voor de instandhouding van infrastructuur
en welk deel voor de bereikbaarheid van woningbouwlocaties?
10.
Voor welke specifieke prioritaire infrastructuurprojecten is het budget van € 1,5 miljard
op de Aanvullende post bestemd?
11.
Hoe verhouden de taakstellingen voor efficiency en vernieuwing Rijksdienst/slagvaardige
overheid zich tot (de extra middelen voor) de instandhoudingsopgave en de ontsluiting
van woningbouwlocaties?
12.
In hoeverre wordt de capaciteit van Rijkswaterstaat hiermee weer een beperkende factor
bij de instandhoudingsopgave? Welke maatregelen worden genomen om dit te voorkomen?
13.
Welk bedrag van de prijsbijstelling tranche 2026 wordt met ingang van 2028 jaarlijks
ingehouden? Tot welk bedrag telt dit op voor de looptijd van het fonds? Welk bedrag
wordt in totaal voor de looptijd van het fonds ingehouden bij de prijsbijstellingen
tranche 2025 en tranche 2026?
14.
Wat zijn de gevolgen van het inhouden van de prijsbijstelling tranche 2026 met ingang
van 2028?
15.
Waarom worden de taakstellingen bij artikel 12 en 15 ondergebracht bij onderhoud?
16.
Op welke specifieke projecten heeft de verplichtingenmutatie van € 1.340,9 miljoen
op artikel 15 (aanleg) betrekking?
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
R.A. Huizenga, voorzitter van de vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat -
Mede ondertekenaar
M. Schukkink, griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.