Verslag (initiatief)wetsvoorstel (nader) : Verslag
36 897 Wijziging van de Mijnbouwwet en enkele andere wetten in verband met de uitvoering van verordening (EU) 2024/1787 over de vermindering van methaanemissies in de energiesector (Uitvoeringswet methaanverordening)
Nr. 6
VERSLAG
Vastgesteld 8 april 2026
De vaste commissie voor Klimaat en Groene Groei, belast met het voorbereidend onderzoek
van dit wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen.
Onder het voorbehoud dat de regering op de gestelde vragen en de gemaakte opmerkingen
tijdig en genoegzaam zal hebben geantwoord, acht de commissie de openbare beraadslaging
over dit wetsvoorstel voldoende voorbereid.
I. ALGEMEEN
De leden van de D66-fractie steunen het doel van de verordening om methaanemissies
in de energiesector te reduceren. Methaan is een krachtig broeikasgas en snelle reductie
levert directe klimaatwinst op. Deze leden hechten eraan dat beleid niet alleen ambitieus
is, maar ook effectief, uitvoerbaar en gericht op daadwerkelijke emissiereductie.
De leden van de D66-fractie hebben hierover nog enkele vragen.
De leden van de D66-fractie verzoeken de regering om toe te lichten hoe wordt voorkomen
dat dit beleid leidt tot onbedoelde lock-in van fossiele infrastructuur.
De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het wetsvoorstel.
Deze leden hebben hierover nog enkele vragen en aandachtspunten. Met name de mogelijke
impact op de toekomstige leveringszekerheid van Liquefied Natural Gas (LNG)/gas en
olie baart deze leden grote zorgen. Wat betekent het als blijkt dat derde landen niet
voldoen aan de standaarden voor methaanuitstoot die opgenomen zijn deze Europese verordening?
Welke risico’s zou dit meebrengen voor de leveringszekerheid van Nederland? Is de
regering het met deze leden eens dat in de huidige onrustig tijd extra standaarden
en verplichtingen kunnen leiden tot leveringszekerheidsproblemen in de toekomst?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie stellen vast dat de fossiele lobby probeert
de omzetting van de methaanverordening naar Nederlands recht af te zwakken of uit
te stellen. Zij concluderen hierbij dat de fossiele lobby de eigen financiële belangen
boven het algemeen belang stelt en klaarblijkelijk niet oprecht is geïnteresseerd
in enige verduurzaming. Zal de regering garanderen dat er géén uitstel van de boeteclausule
wordt verleend? Zal de regering ervoor zorgen dat de uitvoeringswet methaanverordening
niet wordt aangehouden, maar conform oorspronkelijke planning spoedig wordt ingevoerd?
Zal de regering zich standvastig tonen en niet toegeven aan gelegenheidsargumenten
van de fossiele lobby, die geenszins het algemene belang dienen?
De leden van de PVV-fractie vragen waarom Nederland EU-klimaatmaatregelen steunt die leiden tot onbetaalbare energie en brandstoffen, verlies van
strategische industrie en afname van leveringszekerheid, en of dit niet het tegenovergestelde
van wat een verantwoord energiebeleid juist zou moeten doen. Zij vragen of de regering
bereid is deze EU-regels naar de prullenbak te verwijzen.
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de Uitvoeringswet Methaanverordening
en hebben daarover enkele vragen.
De leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen van het onderhavige wetsvoorstel.
Deze leden onderschrijven het belang van het terugdringen van onnodige methaanemissies,
maar constateren op basis van de voorliggende stukken dat bij deze implementatie wezenlijke
vragen openstaan over rechtsstatelijke begrenzing, uitvoerbaarheid, regeldruk, energieleveringszekerheid
en de mate waarin de Kamer thans daadwerkelijk zicht heeft op de praktische werking
van deze wet.
De leden van de JA21-fractie merken daarbij op dat de regering het wetsvoorstel presenteert
als strikte implementatie zonder nationale kop, terwijl uit de stukken tegelijk blijkt
dat een wezenlijk deel van de praktische normstelling, toezichttoedeling en handhaafbaarheid
pas gestalte krijgt via ministeriële regelingen, algemene maatregelen van bestuur
(AMvB’s), een aanvullend mandaatbesluit en toekomstige Europese gedelegeerde en uitvoeringshandelingen.
Deze willen daarom allereerst scherp onderscheiden tussen problemen die voortvloeien
uit het wetsvoorstel zelf, problemen die hun oorsprong vinden in de onderliggende
verordening, en problemen die vooral samenhangen met de uitvoeringspraktijk.
De leden van de JA21-fractie vragen de regering uiteen te zetten welke keuzes per
hoofdonderwerp dwingend voortvloeien uit de verordening. Welke keuzes nationaal nog
wel zijn gemaakt en op welke onderdelen de Kamer feitelijk pas later via ministeriële
regeling of AMvB zicht krijgt op de uiteindelijke normstelling en handhaving?
1. Inleiding
De leden van de D66-fractie verzoeken de regering om nader toe te lichten hoe deze
uitvoeringswet zich verhoudt tot de bestaande nationale aanpak van methaanemissies.
De Nederlandse olie- en gassector heeft samen met Noorwegen de laagste methaanuitstoot
wereldwijd. Deze leden verzoeken de regering aan te geven welke resterende emissiebronnen
in Nederland met deze wet worden aangepakt en wat de additionele verwachte bijdrage
is aan de reductie van methaanemissies en het halen van de klimaatdoelen.
2. De verordening
De leden van de D66-fractie lezen dat de verordening ook van toepassing is op methaanemissies
die buiten de Europese Unie (EU) plaatsvinden bij de productie van fossiele energie
die in de EU in de handel wordt gebracht. Deze leden verzoeken de regering voorts
toe te lichten hoe uitvoerbaar de eisen zijn voor importeurs van fossiele energie,
gezien de afhankelijkheid van data en certificering uit derde landen. Deze leden verzoeken
de regering aan te geven hoe wordt geborgd dat deze informatie betrouwbaar en controleerbaar
is, en welk aandeel van de huidige import naar verwachting tijdig aan deze eisen kan
voldoen.
3. Beleidscontext
De leden van de D66-fractie lezen dat het wetsvoorstel strikte uitvoering van een
Europese verordening is. Deze leden verzoeken de regering aan te geven hoe wordt gewaarborgd
dat andere lidstaten de verordening op vergelijkbare wijze implementeren en handhaven.
3.1 Nationaal
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie wijzen de regering erop dat deze wijzigingen
in de Mijnbouwwet baat zouden hebben bij relevante aanvullingen. Het is wenselijk
toe te voegen dat een opsporingsvergunning niet automatisch leidt tot een winningsvergunning
en dat het aan de Minister is om als bevoegd gezag naar aanleiding van een met een
opsporingsvergunning vastgestelde vondst van delfstoffen, te bepalen of er ook een
winningsvergunning wordt verstrekt, daarbij rekening houdende met de in de Mijnbouwwet
artikel 9 opgenomen criteria. Verder zou een toevoeging wenselijk zijn dat de Minister
als bevoegd gezag een winningsvergunning kan pauzeren of intrekken indien de Minister
acht dat er aan de in artikel 9 genoemde criteria niet afdoende voldaan is, of indien
nieuwe inzichten of in het verleden onvoldoende in overweging genomen overwegingen
het pauzeren of intrekken van een reeds verleende winningsvergunning rechtvaardigen.
Hoe kijkt de regering naar dergelijke toevoegingen?
4. Hoofdlijnen van het wetsvoorstel
4.1 Aanwijzing bevoegde instanties
De leden van de JA21-fractie vragen de regering nader uiteen te zetten hoe de verantwoordelijkheden
tussen de Minister als bevoegde instantie en het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM)
als toezichthouder precies zijn afgebakend, in het bijzonder bij verlaten putten en
gesloten of verlaten kolenmijnen waar de Staat zelf verantwoordelijkheden draagt.
Deze leden vragen tevens hoe wordt voorkomen dat het stelsel de indruk wekt dat de
Minister uiteindelijk toeziet op de naleving van verplichtingen waarvoor de Minister
zelf verantwoordelijk is.
De leden van de JA21-fractie vragen waarom de regering, ondanks de uitdrukkelijke
wens van SodM, er niet voor heeft gekozen het veiligheids- en methaantoezicht bij
gesloten distributiesystemen in één hand te leggen. Kan de regering toelichten waarom
zij hier vasthoudt aan een minder doelmatige toezichtstructuur, terwijl juist bij
implementatiewetgeving eenvoud en uitvoerbaarheid voorop zouden moeten staan?
De leden van de JA21-fractie vragen ten aanzien van het alternatief gebruik van verlaten
ondergrondse kolenmijnen of de regering alsnog bereid is glashelder af te bakenen
voor welke vormen van alternatief gebruik gedeputeerde staten van Limburg bevoegd
gezag zijn en voor welke niet, juist om te voorkomen dat bevoegdheden worden toegedeeld
zonder dat het bijbehorende wettelijke instrumentarium aanwezig is.
4.2 Voorzien in handhavingsbevoegdheden
De leden van de JA21-fractie vragen de regering waarom ervoor gekozen is de concept-ministeriële
regeling, waarin voor grote delen van de Mijnbouwwet, de Energiewet en de Wet milieubeheer
de aan te wijzen voorschriften worden gekoppeld aan toezicht en sanctiebevoegdheden,
niet gelijktijdig met het wetsvoorstel aan de Kamer voor te leggen. Acht de regering
het zorgvuldig dat de Kamer nu een wet behandelt waarvan de feitelijke werking op
kernpunten nog niet toetsbaar is?
5. Verhouding tot ander Europees recht
De leden van de D66-fractie lezen dat er strijdigheid bestaat tussen de (Net-Zero
Industry Act; NZIA) en deze verordening. Deze leden verzoeken de regering aan te geven
hoe wordt voorkomen dat de methaanverordening onbedoeld de ontwikkeling van CO2-opslag belemmert en daarmee het behalen van de klimaatdoelen bemoeilijkt.
De leden van de JA21-fractie vragen welke inzet Nederland in Brussel thans concreet
pleegt op de volgende punten: de uitwerking van rapportagemodellen, de bewijsregels
rond gelijkwaardigheid in derde landen, de berekening van methaanintensiteit, de beschikbaarheid
van geaccepteerde meetnormen, de afbakening van importeurs en de praktische uitvoerbaarheid
voor bevoegde instanties. Kan de regering de Kamer toezeggen hierover periodiek te
informeren zolang de gedelegeerde en uitvoeringshandelingen nog niet zijn vastgesteld?
5.1 Verordening inzake nettonultechnologie
De leden van de JA21-fractie lezen dat de regering in de memorie van toelichting de
spanning beschrijft tussen de methaanverordening en de Verordening inzake nettonultechnologie
(NZIA) ten aanzien van tijdelijk gedichte putten en toekomstig hergebruik voor CO2-opslag. Deze leden vragen de regering de formele status van de uitleg van de Europese
Commissie hierover te verduidelijken. Beschikt de Kamer over een formeel stuk, of
betreft het een informele interpretatie? Welke rechtszekerheid biedt dit exploitanten
die op korte termijn investeringsbeslissingen moeten nemen?
6. Verhouding tot nationaal recht
6.1 Wet op de economische delicten
De leden van de JA21-fractie vragen de regering om nader te onderbouwen waarom voor
bepaalde overtredingen wél strafrechtelijke handhaving via de Wet Economische Delicten
(WED) noodzakelijk is, maar voor systeembeheerders en gesloten systemen niet. Welke
objectieve proportionaliteitscriteria liggen daaraan ten grondslag? Hoe wordt voorkomen
dat het verschil in handhavingsregime in de praktijk moeilijk uitlegbaar of arbitrair
uitpakt?
7. Gevolgen
7.1 Gevolgen voor de ondertoezichtgestelden
De leden van de D66-fractie lezen dat de verordening en dit wetsvoorstel zorgen voor
een verhoogde regeldruk en financiële lasten bij de ondertoezichtgestelden. De leden
van de D66-fractie verzoeken de regering om toe te lichten hoe de verplichtingen uit
de verordening in de praktijk uitwerken voor Nederlandse bedrijven door een compleet
inzicht te geven in de regeldrukkosten voor bedrijven.
De leden van de D66-fractie lezen dat de implementatie van de verordening een toename
van administratieve lasten en dus kosten voor de importeurs betekent. Deze leden verzoeken
de regering voorts om aan te geven of de implementatie van de verordening gevolgen
kan hebben voor de beschikbaarheid van vloeibaar aardgas/LNG. Deze leden verzoeken
de regering te kwantificeren welk aandeel van de huidige LNG-import naar verwachting
tijdig zal voldoen aan de eisen van de verordening.
De leden van de VVD-fractie vragen hoe de regering het grote verschil in kosten verklaart
die gemaakt moeten worden volgens de ondertoezichtgestelden en de impact analyse van
de Europese Unie. Deze leden merken op dat voor beide gevallen deze kosten zijn berekend
voorafgaand aan de huidige geopolitieke onrust die is ontstaan op het gebied van energieleveranties.
Is de regering voornemens een nieuwe impact assessment uit te voeren op basis van
de huidige geopolitieke situatie? Kan het zo zijn dat door de ontstane geopolitieke
situatie de kosten aanzienlijk anders uitvallen dan verwacht? Hoe kijkt de regering
naar de gevolgen voor de Europese industrie als het gaat om de kosten van de uitvoering
van deze wet en de opgelegde beperking van mogelijkheden om olie en LNG te importeren
uit derde landen zonder de juiste certificering?
De leden van de JA21-fractie constateren dat het Adviescollege toetsing regeldruk
(ATR) de regeldrukberekening onvoldoende acht, dat verplichte elementen uit de Rijksbrede
methodiek ontbreken en dat ook de overgang van verwijderingsplan naar beperkingsplan
onvoldoende is doorgerekend. Deze leden achten dat een relevant punt, juist omdat
de regering tegelijk stelt dat dit voorstel slechts strikte implementatie betreft.
De leden van de JA21-fractie vragen de regering of zij bereid is alsnog een volledige,
geactualiseerde regeldrukberekening conform de Rijksbrede methodiek aan de Kamer te
sturen, inclusief de lasten van het beperkingsplan, de lasten van verificatie, de
nalevingskosten voor kleine importeurs en de administratieve lasten die voortvloeien
uit het ontbreken van een drempelwaarde in het importhoofdstuk.
De leden van de JA21-fractie vragen hoe de stelling van de regering dat de vervanging
van het verwijderingsplan door het beperkingsplan niet tot extra regeldruk leidt zich
verhoudt tot de opmerkingen van ATR en SodM dat op dit punt nog wezenlijke onduidelijkheid
bestaat over reikwijdte, timing en feitelijke verplichtingen. Kan de regering uiteenzetten
wat voor bedrijven, netbeheerders, importeurs en overige ondertoezichtgestelden de
meest waarschijnlijke structurele kostenposten zijn, welke aannames daarbij zijn gehanteerd
en op welke punten die aannames volgens de regering nog het meest onzeker zijn? En
is de regering bereid een afzonderlijke appreciatie te geven van de waarschuwingen
van Element NL, Vereniging Energie voor Mobiliteit en Omgeving (VEMOBIN) en de bijgevoegde
impactstudie voor de gevolgen voor raffinage, havenactiviteiten, koolstofafvang en
-opslag (CCS)-projecten, waterstofprojecten en de concurrentiepositie van de Nederlandse
industrie, met daarbij expliciet onderscheid tussen aantoonbare risico’s, aannemelijke
risico’s en lobbymatige scenario’s?
7.2 Energievoorzieningszekerheid
De leden van de D66-fractie lezen dat de verordening ernaar streeft om de emissiereductiedoelen
te realiseren zonder de energievoorzieningszekerheid in gevaar te brengen. Deze leden
verzoeken de regering aan te geven de gevolgen voor de leveringszekerheid van gas
en LNG te kwantificeren en aan te geven hoe deze mogelijke effecten op leveringszekerheid
en energieprijzen worden gewogen. Deze leden verzoeken de regering toe te lichten
welke maatregelen worden overwogen om eventuele risico’s voor leveringszekerheid te
mitigeren, zonder de effectiviteit van de verordening te ondermijnen.
De leden van de VVD-fractie lezen dat de verordening ernaar streeft om de emissiereductiedoelen
te realiseren zonder de energievoorzieningszekerheid in gevaar te brengen. Is de regering
bekend met verschillende onderzoeken die laten zien dat de leveringszekerheid voor
de import van LNG/gas en olie al vanaf 2027 in gevaar kunnen komen? Klopt de veronderstelling
van Wood Mackenzie dat 43% van de Europese gasimporten en 87% van de Europese olie-importen
in 2027 door deze verordening onder druk komen te staan? Hoe liggen deze percentages
voor Nederland? Hoe weegt de regering de beslissing van de Amerikaanse equivalent,
de Environemental Protection Agency (EPA), om een vorm van methaanuitstoot rapportage uit te stellen tot 2034? Welke invloed
kan deze beslissing mogelijk hebben voor de import van LNG uit Amerika als de methaanverordening
in werking treedt? Hoe weegt de regering het gebrek aan soortgelijke methaanuitstoot
regels in landen als Algerije, Oman en Qatar als het gaat om de energievoorzieningszekerheid
van Europa? Is de regering het met de leden van de VVD-fractie eens dat het beperken
van de mogelijkheden om LNG of olie te importeren uit derde landen in de huidige situatie
en toekomst kan leiden tot stijgende kosten voor het bedrijfsleven en huishoudens?
De leden van de VVD-fractie lezen dat artikel 33 aangeeft dat bij het opleggen van
sancties een belangrijke voorwaarde is dat deze sancties de energievoorzieningszekerheid
niet mogen ondermijnen. Geldt deze bepaling ook voor het opleggen van sancties aan
bedrijven die olie en LNG/gas importeren uit derde landen die niet voldoen aan de
standaarden van methaanuitstoot die zijn opgenomen in de uitvoering van deze Europese
verordening?
De leden van de PVV-fractie vragen of de regering bekend is met het bericht «Nieuwe
EU milieuregels blokkeren import olie en gas, forse prijsstijgingen verwacht: «Dit
baart grote zorgen»»1 en de analyse van Wood Mackenzie. Zij vragen of het klopt dat producenten buiten
de EU voorlopig niet aan de nieuwe EU-eisen kunnen voldoen, omdat de verplichte systemen
voor methaanmeting, rapportages en certificering wereldwijd nauwelijks bestaan, waardoor
importeurs niet kunnen aantonen dat olie en gas volgens de Europese standaard zijn
geproduceerd, en dat daardoor tot 87% van de ruwe olie-import en tot 43% van de gasimport
als «niet-conform» zullen worden beschouwd en dus niet meer ingevoerd zullen mogen
worden. De leden vragen wat dit betekent voor de Nederlandse energievoorziening en
leveringszekerheid.
De leden van de PVV-fractie vragen tevens of de regering de analyse van Wood Mackenzie
deelt dat deze regels kunnen leiden tot een forse krimp van raffinagecapaciteit, vergelijkbaar
met de sluiting van veertig raffinaderijen in Europa en wat dit betekent voor de Nederlandse
raffinaderijen.
De leden van de PVV-fractie vragen daarnaast of het klopt dat Nederland hierdoor afhankelijker
wordt van een steeds kleiner aantal leveranciers met alle risico’s voor de leveringszekerheid
van dien en hoe de regering hierover oordeelt.
De leden van de CDA-fractie lezen dat er met de Uitvoeringswet Methaanverordening
wordt gestreefd naar het realiseren van de emissiereductiedoelen zonder de energievoorzieningszekerheid
in gevaar te brengen. De Europese Commissie of nationale autoriteiten moeten daarom
bij het vaststellen van methaanintensiteitswaarden rekening houden met de effecten
op de energievoorzieningszekerheid. Tevens moet bij het opleggen van eventuele sancties
energievoorzieningszekerheid worden meegenomen. Deze leden vragen de regering wanneer,
met welke frequentie en op basis waarvan deze methaanintensiteitswaarden door de Europese
Commissie en/of nationale autoriteiten worden vastgesteld en hoe de regering er daarbij
precies op toe zal zien dat de energievoorzieningszekerheid niet in het geding komt.
De leden van de CDA-fractie merken in deze context op dat er grote zorgen bestaan
binnen de energiesector over de importvereisten die voortvloeien uit de Methaanverordening.
Deze kunnen namelijk tot gevolg hebben dat mogelijk 43% van de huidige gasimport van
de EU en 87% van de ruwe olie vanaf 2027 niet meer aan de regelgeving voldoen en dus
niet langer geïmporteerd kunnen worden. Deze leden delen deze zorgen (zie Kamerstuk
2026D11151), omdat de leveringszekerheid en de betaalbaarheid van gas voor huishoudens, elektriciteitsproductie
en energie-intensieve industrieën in het geding kunnen komen. De leden vragen de regering
of zij de genoemde percentages herkent en of zij deelt in de zorgen vanuit de sector.
Deze leden vragen de regering nadrukkelijk hoe zij – zowel in nationaal als in Europees
verband – zal voorkomen dat de leveringszekerheid en betaalbaarheid van aardgas in
gevaar komen. Voorts vragen deze leden met welke effecten rekening wordt gehouden
met betrekking tot de prijs van olie en gas en de concurrentiekracht van de Nederlandse
en Europese economie als gevolg van dit wetsvoorstel in combinatie met de geopolitieke
situatie in het Midden-Oosten. Tevens vragen deze leden in hoeverre het gezien deze
context mogelijk en wenselijk is om de vereisten voortvloeiend uit de Methaanverordening
aan te passen en zo ja, voor welke vereisten dat mogelijk is.
De leden van de CDA-fractie ontvangen signalen dat veel landen nog niet over een monitoringssysteem
beschikken, waarmee kan worden aangetoond wat de methaanintensiteit van een product
is. Dit komt onder meer doordat niet duidelijk is hoe dit moet en wie dat moet gaan
doen. Hierdoor is beschikbaarheid van olie en aardgas die voldoet aan de methaanverordening
vooralsnog zeer beperkt. Deze leden vragen de regering of zij dit signaal herkent
en wat dat betekent voor de snelheid en striktheid waarmee deze uitvoeringswet wordt
ingevoerd.
De leden van de CDA-fractie constateren dat de methaanvereisten niet gelden voor geïmporteerde
eindproducten. Dit heeft tot gevolg dat raffinaderijen van buiten de Europese Unie
nog steeds diesel, benzine en kerosine op de Europese markt kunnen brengen, zonder
aan de vereisten te hoeven voldoen. De concurrentiekracht van de Nederlandse en Europese
industrie wordt daarmee ondermijnd en de aantrekkelijkheid van import van eindproducten
uit niet-EU landen wordt vergroot. Deze leden vragen de regering in hoeverre zij dit
risico erkent en welke mitigerende maatregelen er op dit vlak worden genomen en/of
voorbereid.
De leden van de CDA-fractie wijzen erop dat indien er niet tijdig wordt opgetreden
om het bovenstaande risico te beperken, de implementatie van deze regelgeving kan
leiden tot grote negatieve gevolgen voor de Europese industrie, maar ook specifiek
voor de Rotterdamse haven en de verduurzaming van de daar gevestigde industrie. Deze
leden vragen de regering daarom in te gaan op de mogelijke gevolgen voor de rentabiliteit
van raffinaderijen en, daaraan verbonden, de gevolgen voor o.a. de Europese afhankelijkheid
van import voor kerosine en diesel, verduurzamingsprojecten in de Rotterdamse haven
(o.a. waterstof en CCS) en de impact op de chemische industrie en het bredere economische
ecosysteem.
De leden van de JA21-fractie onderkennen dat de regering in algemene zin wijst op
bepalingen in de verordening die energievoorzieningszekerheid moeten waarborgen. Deze
leden constateren echter tegelijk dat uit de stukken niet blijkt welke concrete Nederlandse
toets de regering zelf heeft verricht op effecten voor leveringszekerheid, raffinage,
industrie en de haven. Bovendien blijkt uit de stukken dat juist op het importhoofdstuk
veel wezenlijke onderdelen aan de Europese Commissie zijn gelaten.
De leden van de JA21-fractie vragen de regering concreet te maken op basis van welke
Nederlandse scenario’s zij heeft beoordeeld dat de uitvoering van deze verordening
de energievoorzieningszekerheid niet in gevaar brengt. Is daarbij afzonderlijk gekeken
naar aardgas, ruwe olie, raffinage, vloeibaar aardgas (LNG), het Rotterdamse havencluster
en industriële waardeketens?
8. Uitvoeringsaspecten
De leden van de JA21-fractie lezen met zorg dat SodM concludeert dat de uitvoeringswet
alleen uitvoerbaar is wanneer voldoende middelen worden toegekend en een aantal aanpassingen
wordt doorgevoerd, en dat de wet op het moment van de toets zelfs niet handhaafbaar
werd geacht omdat de noodzakelijke sanctiebevoegdheden nog in een ministeriële regeling
moesten worden geregeld. Deze leden lezen eveneens dat de Nederlandse Emissieautoriteit
(NEa) zonder structurele middelen de opgedragen taken niet uitvoerbaar acht en ook
met middelen slechts tot beperkte uitvoerbaarheid komt.
De leden van de JA21-fractie verzoeken de regering om een integraal overzicht te geven
van de actuele stand van zaken rond de uitvoeringsketen, waaronder de ministeriële
regeling, het aanvullende mandaatbesluit, de benodigde informatie- en communicatietechnologievoorzieningen,
samenwerkingsafspraken met de Douane en de structurele financiering van SodM en de
NEa. Welke onderdelen zijn op dit moment nog niet gereed? Voor het importhoofdstuk
constateren deze leden dat de NEa geen volledig zicht heeft op in Nederland gevestigde
importeurs die via andere lidstaten invoeren, dat verificatie van gegevens uit derde
landen uiterst moeilijk is en dat zonder ministeriële regeling feitelijk alleen verslagen
kunnen worden ingenomen. Hoe kan onder deze omstandigheden worden gesproken van een
handhaafbaar stelsel? Welke concrete stappen zet de regering richting Europese Commissie
en andere lidstaten om dit uitvoeringslek te dichten?
9. Toezicht
De leden van de JA21-fractie constateren dat de regering zich op het punt van risicogestuurd
toezicht in belangrijke mate beroept op de ruimte voor de toezichthouder. Kan de regering
toelichten welke minimumeisen aan inspectiefrequentie, informatiebeoordeling en interventie
in elk geval blijven gelden, zodat risicogestuurd toezicht niet de facto uitmondt
in selectief of beperkt toezicht vanwege capaciteitstekorten?
10. Handhaving
De leden van de JA21-fractie vragen de regering nader te motiveren waarom het bestuurlijk
bevel tot inbeslagname, ook na de aangebrachte aanvullingen, voldoende voorzienbaar,
proportioneel en juridisch begrensd is. Welke concrete maatstaven gelden in de praktijk
voor het vaststellen van «behaalde winsten of vermeden verliezen», en kan de regering
dit verduidelijken aan de hand van uitgewerkte voorbeelden? In hoeverre acht de regering
het risico aanwezig dat het bestuurlijk bevel tot inbeslagname in de praktijk een
zwaarder, onzekerder en juridisch diffuser instrument wordt dan de bestuurlijke boete,
juist omdat dit instrument geen bestaande, uitgekristalliseerde plaats kent in het
Nederlandse bestuursrecht? Waarom is niet gekozen voor een soberder nationale invulling,
voor zover de verordening daarvoor ruimte zou laten?
11. Financiële gevolgen
De leden van de PVV-fractie vragen of de regering de analyse van Wood Mackenzie deelt
dat deze EU-regels kunnen leiden tot (benzine- en dieselprijsstijgingen van 24% en
tot een structurele kostenstijging van 17 miljard dollar per jaar voor Europese brandstofimport.
Zij vragen wat betekent dit voor de Nederlandse energievoorziening, leveringszekerheid
en betaalbaarheid.
Deze leden vragen of de regering kan garanderen dat deze EU-regels níét zullen leiden
tot nóg hogere prijzen aan de pomp, nóg hogere energierekeningen en verdere economische
schade voor Nederlandse huishoudens en bedrijven.
De leden van de JA21-fratie vragen of de regering het grote verschil tussen de in
de memorie van toelichting opgenomen financiële raming voor SodM en de door SodM genoemde
veel grotere capaciteitsbehoefte, waaronder 36 FTE voor methaantoezicht en 6 FTE voor
veiligheidstoezicht op gesloten distributiesystemen, kan verklaren? Welke raming acht
de regering thans leidend?
12. Adviezen en toetsen
12.1 Toetsing
De leden van de VVD-fractie maken zich zorgen over de constatering van de emissieautoriteit
dat er veel ruimte bestaat voor interpretatie bij de uitvoering van de verordening.
Hoe wordt voorkomen dat in de Europese Unie er verschillende regimes gaan ontstaan
omtrent de uitvoering van deze verordening? Voor deze leden is met name de concurrentiepositie
van Nederlandse bedrijven met omringende landen van belang bij de uitvoering van deze
wet. Zij lezen dat de regering deze punten herkend en waar mogelijk op EU-niveau zal
aankaarten. Over welke specifieke punten heeft de regering het hier precies? Op welke
manier is de regering van plan zich hier op Europese niveau voor in te zetten?
Daarnaast lezen de leden van de VVD-fractie dat emmissieautoriteit voorziet dat het
ontbreken van een drempelwaarde in de verordening leidt tot onevenredig hoge administratieve
lasten bij importeurs die kleine hoeveelheden importeren. Hoe kijkt de regering aan
tegen dit kritiekpunt van de emmissieautoriteit? Voor deze leden is het onwenselijk
dat kleine importeurs onevenredig hard worden geraakt door grote regeldruklasten.
Waarom is er bij de implementatie niet gekozen voor een drempelwaarde om kleine importeurs
te ontzien van grote administratieve lasten?
De leden van de VVD-fractie vragen hoe de regering de gevolgen voor de regeldruk van
bedrijven weegt met de constatering van TNO en SodM dat er bij een afgesloten put
slechts een kleine kans bestaat op methaanlekkage? Tevens zijn deze leden benieuwd
hoe de regering de eeuwige verantwoordelijkheidsplicht strookt met de hoge kosten
die moeten worden gemaakt voor het monitoren van gesloten gasputten. Welke invloed
zal de uitvoering van de verordening hebben op projecten als Aramis die zich bezighouden
met koolstofopvang en -opslag?
Daarnaast lezen de leden van de VVD-fractie in de reactie van de SodM dat de verordening
exploitanten verplicht tot het sluiten van putten als deze niet worden gebruikt en
hiermee mogelijk toekomstig hergebruik voor CO2-opslag onmogelijk wordt gemaakt. Hoe verhoudt deze constatering zich volgens de regering
tot de Europese doelen om CO2-opslag de realiseren in lege gasvelden?
13. Overgangsrecht en inwerkingtreding
De leden van de JA21-fractie verzoeken de regering de Kamer vóór de verdere behandeling
van dit wetsvoorstel te voorzien van de concept-ministeriële regeling, een update
over het aanvullende mandaatbesluit, een nadere brief over de NZIA-relatie, en een
geactualiseerde regeldruk- en uitvoerbaarheidsnotitie. Acht de regering het zelf wenselijk
dat de Kamer anders over dit voorstel beslist op basis van een onvolledig beeld?
De voorzitter van de commissie, Zwinkels
De adjunct-griffier van de commissie, Teske
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
J.M. Zwinkels, voorzitter van de vaste commissie voor Klimaat en Groene Groei -
Mede ondertekenaar
C.M. Teske, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.