Voorstel van wet : Voorstel van Rijkswet
36 925 (R 2219) Regels met betrekking tot de uitlevering voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten (Rijkswet uitlevering voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten)
HOOFDSTUK 1. BEGRIPSBEPALINGEN
Artikel 1.1
HOOFDSTUK 2. VOORWAARDEN VOOR UITLEVERING
Artikel 2.1
Artikel 2.2
Artikel 2.3
Artikel 2.4
Artikel 2.5
Artikel 2.6
Artikel 2.7
Artikel 2.8
Artikel 2.9
Artikel 2.10
Artikel 2.11
Artikel 2.12
HOOFDSTUK 3. PROCEDURE VAN UITLEVERING
HOOFDSTUK 4. ANDERE VORMEN VAN RECHTSHULP
Artikel 4.1
Artikel 4.2
HOOFDSTUK 5 SLOTBEPALINGEN
Artikel 5.1
Artikel 5.2
Artikel 5.3
Artikel 5.4
Artikel 5.5
Artikel 5.6
Artikel 5.7
Artikel 5.8
Artikel 5.9
Artikel 5.10
Nr. 2 VOORSTEL VAN RIJKSWET
Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het gelet op de artikelen 3, eerste lid,
onderdeel h, en 14, eerste lid, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden,
artikel II van de Rijkswet van 21 oktober 2023 tot wijziging van de artikelen 14 en
38 van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden (Stb. 2023, 407) en artikel 8 van de Wet overlevering inzake oorlogsmisdrijven noodzakelijk is de
bepalingen met betrekking tot de uitlevering in strafzaken voor de landen Aruba, Curaçao
en Sint Maarten op te nemen in een Rijkswet;
Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk
gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut
voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk
Wij goedvinden en verstaan bij deze:
HOOFDSTUK 1. BEGRIPSBEPALINGEN
Artikel 1.1
In deze rijkswet wordt verstaan onder:
Gouverneur:
Gouverneur van het land waar de opgeëiste persoon wordt of is aangetroffen dan wel
voor de toepassing van artikel 4.2 de Gouverneur van het land waar de persoon zich
bevindt;
Hof:
het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire,
Sint Eustatius en Saba;
opgeëiste persoon:
degene wiens uitlevering door een vreemde staat is verzocht;
procureur-generaal:
de procureur-generaal van het land waar de opgeëiste persoon wordt of is aangetroffen;
uitlevering:
verwijdering van een persoon uit Aruba, Curaçao of Sint Maarten met het doel hem ter
beschikking te stellen van de autoriteiten van een vreemde staat ten behoeve van hetzij
een in die staat tegen hem gericht strafrechtelijk onderzoek, hetzij de tenuitvoerlegging
van een hem in die staat opgelegde straf of maatregel;
verzoekende staat:
vreemde staat waarvan het verzoek tot uitlevering is uitgegaan.
HOOFDSTUK 2. VOORWAARDEN VOOR UITLEVERING
Artikel 2.1
Uitlevering geschiedt niet dan krachtens een verdrag.
Artikel 2.2
1. Uitlevering kan alleen worden toegestaan ten behoeve van:
a. een door de autoriteiten van de verzoekende staat ingesteld strafrechtelijk onderzoek
ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan
een feit waarvoor, zowel naar het recht van de verzoekende staat als naar dat van
Aruba, Curaçao, onderscheidenlijk Sint Maarten, een vrijheidsstraf van een jaar, of
van langere duur, kan worden opgelegd;
b. de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van vier maanden, of van langere duur,
door de opgeëiste persoon op het grondgebied van de verzoekende staat te ondergaan
wegens een feit als bedoeld in onderdeel a.
2. Voor de toepassing van het voorgaande lid wordt onder een naar het geldend recht
in Aruba, Curaçao, onderscheidenlijk Sint Maarten, strafbaar feit mede verstaan een
feit waardoor inbreuk is gemaakt op de rechtsorde van de verzoekende staat, terwijl
krachtens de wetgeving van Aruba, Curaçao, onderscheidenlijk, Sint Maarten eenzelfde
inbreuk op de rechtsorde van Aruba, Curaçao, onderscheidenlijk Sint Maarten strafbaar
is.
3. Indien het verzoek tot uitlevering betrekking heeft op verscheidene, afzonderlijke
feiten, die alle krachtens de wetgeving van de verzoekende staat en van Aruba, Curaçao,
onderscheidenlijk Sint Maarten, strafbaar zijn gesteld met vrijheidsstraf, maar waarvan
sommige niet voldoen aan de voorwaarde met betrekking tot de hoogte van de straf,
kan de uitlevering eveneens voor deze laatste feiten worden toegestaan.
4. De uitlevering ten behoeve van de tenuitvoerlegging bedoeld in het eerste lid, onderdeel b,
wordt indien de veroordeling tot de vrijheidsstraf bij verstek heeft plaatsgevonden,
slechts toegestaan als de opgeëiste persoon in voldoende mate in de gelegenheid is
geweest of alsnog zal worden gesteld om zijn verdediging te voeren.
Artikel 2.3
Voor de toepassing van deze wet worden gelijkgesteld:
a. met vrijheidsstraffen: door de rechter naast of in plaats van een straf op te leggen
maatregelen strekkende tot vrijheidsbeneming;
b. met vrijheidsstraffen van langere duur dan een jaar: vrijheidsstraffen, met inbegrip
van maatregelen als bedoeld in onderdeel a, voor de duur van het leven of voor onbepaalde
tijd.
Artikel 2.4
1. Uitlevering wordt niet toegestaan voor strafbare feiten van politieke aard, met inbegrip
van daarmee samenhangende feiten.
2. Voor zover deze bepalingen medegelding hebben voor Aruba, Curaçao, onderscheidenlijk
Sint Maarten, is het eerste lid niet van toepassing op uitlevering aan een staat die
gehouden is in een overeenkomstig geval uitlevering aan Aruba, Curaçao, onderscheidenlijk
Sint Maarten niet te weigeren wegens de politieke aard van het feit, wegens een van
de feiten, omschreven in:
– de artikelen 1 en 2 van het Europees Verdrag tot bestrijding van terrorisme (Trb. 1977, 63);
– artikel 2 van het Verdrag inzake de bestrijding van terroristische bomaanslagen (Trb. 1998, 84);
c. artikel 2 van het Internationaal Verdrag ter bestrijding van de financiering van terrorisme
(Trb. 2000, 12);
– artikel 7 van het Verdrag inzake de fysieke beveiliging van kernmateriaal (Trb. 1981, 7), zoals gewijzigd bij de op 8 juli 2005 te Wenen tot stand gekomen wijziging van
dat verdrag (Trb. 2006, 81);
– artikel 2 van het Internationaal Verdrag ter bestrijding van daden van nucleair terrorisme
(Trb. 2005, 290);
– de artikelen 3, 3bis, 3ter of 3quater van het Verdrag tot bestrijding van wederrechtelijke
gedragingen gericht tegen de veiligheid van de zeevaart (Trb. 1989, 17), zoals gewijzigd bij het Protocol van 2005 bij dat Verdrag (Trb. 2006, 223);
– de artikelen 2, 2bis of 2ter van het Protocol tot bestrijding van wederrechtelijke
gedragingen gericht tegen de veiligheid van vaste platforms op het continentale plat
(Trb. 1989, 18), zoals gewijzigd bij het Protocol van 2005 bij dat Protocol (Trb. 2006, 224);
– artikel 1 van het Verdrag tot bestrijding van wederrechtelijke gedragingen betreffende
de burgerluchtvaart (Trb. 2013, 134);
– artikel II van het Aanvullend Protocol bij het Verdrag tot bestrijding van het wederrechtelijk
in zijn macht brengen van luchtvaartuigen (Trb. 2013, 133);
– de artikelen 5, 6, 7 en 9 van het Europees Verdrag ter voorkoming van terrorisme (Trb. 2006, 34);
– de artikelen 2 tot en met 6 van het op 22 oktober 2015 te Riga tot stand gekomen Aanvullend
Protocol bij het Verdrag van de Raad van Europa ter voorkoming van terrorisme (Trb. 2016, 180).
3. De aanslag tegen het leven of de vrijheid van een Staatshoofd of een lid van het
regerende Huis wordt niet beschouwd als een strafbaar feit van politieke aard als
bedoeld in het eerste lid.
4. Militaire delicten die niet tevens misdrijven naar het algemene strafrecht van Aruba,
Curaçao, onderscheidenlijk Sint Maarten, zijn, en fiscale delicten kunnen geen aanleiding
geven tot uitlevering, tenzij bij verdrag uitdrukkelijk anders is bepaald.
Artikel 2.5
Indien naar het recht van de verzoekende staat de doodstraf is gesteld op het feit
waarvoor de uitlevering is gevraagd, wordt de opgeëiste persoon niet uitgeleverd,
tenzij naar het oordeel van de Gouverneur voldoende is gewaarborgd dat die straf,
mocht een veroordeling daartoe volgen, niet ten uitvoer zal worden gelegd.
Artikel 2.6
De uitlevering kan, naast wegens het begaan van het misdrijf, ook worden toegestaan
wegens poging daartoe of medeplichtigheid daaraan, voor zover die poging of die medeplichtigheid
ook in Aruba, Curaçao of Sint Maarten strafbaar is.
Artikel 2.7
1. Nederlanders worden niet uitgeleverd.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien de uitlevering van een Nederlander is
gevraagd ten behoeve van een tegen hem gericht strafrechtelijk onderzoek en naar het
oordeel van de Gouverneur is gewaarborgd dat, als hij ter zake van de feiten waarvoor
zijn uitlevering kan worden toegestaan in de verzoekende staat tot onvoorwaardelijke
vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in eigen land zal mogen ondergaan.
Artikel 2.8
Geen uitlevering wordt toegestaan wegens misdrijven waarvan de vervolging of de opgelegde
straf of maatregel vóór de aanhouding in Aruba, Curaçao of Sint Maarten, of ingeval
er nog geen aanhouding heeft plaats gehad, vóór de oproeping om door het Hof te worden
verhoord, naar de aldaar geldende wetgeving is verjaard.
Artikel 2.9
1. Indien de persoon wegens een ander strafbaar feit dan waarvoor zijn uitlevering wordt
verzocht in Aruba, Curaçao of Sint Maarten wordt vervolgd of straf ondergaat, mag
de uitlevering niet worden toegestaan dan na afloop van de in Aruba, Curaçao of Sint
Maarten ingestelde vervolging en nadat hij de hem opgelegde straf heeft ondergaan
of hem daarvan gratie is verleend.
2. Deze bepaling belet niet dat de persoon tijdelijk wordt uitgeleverd, teneinde in
de verzoekende staat terecht te staan, onder de voorwaarde dat hij na afloop van het
onderzoek wordt teruggevoerd.
Artikel 2.10
Uitlevering wordt niet toegestaan dan onder de voorwaarde dat de opgeëiste persoon
niet zal worden vervolgd of gestraft voor enig strafbaar feit vóór zijn uitlevering
gepleegd en waarvoor hij niet is uitgeleverd, tenzij hij na zijn uitlevering dertig
dagen de tijd heeft gehad om het land weer te verlaten, dan wel de instemming van
de Gouverneur met zodanige vervolging of bestraffing zal zijn verkregen.
Artikel 2.11
1. Uitlevering van de opgeëiste persoon wordt niet toegestaan voor een feit ter zake
waarvan:
a. ten tijde van de beslissing op het verzoek tot uitlevering een strafvervolging tegen
hem gaande is in Aruba, Curaçao, onderscheidenlijk Sint Maarten;
b. hij in Aruba, Curaçao, onderscheidenlijk Sint Maarten, is vervolgd maar hernieuwde
vervolging is uitgesloten op grond van artikel 282, eerste en tweede lid, van de Wetboeken
van Strafvordering van Aruba, Curaçao, onderscheidenlijk Sint Maarten;
c. hij bij onherroepelijk geworden uitspraak van het Hof of het Gerecht in eerste aanleg
van Aruba, Curaçao, onderscheidenlijk Sint Maarten is vrijgesproken of ontslagen van
alle rechtsvervolging, dan wel te zijnen aanzien een overeenkomstige onherroepelijke
beslissing door een andere rechter is genomen;
d. hij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak is veroordeeld, in gevallen
waarin:
1°. de opgelegde straf of maatregel reeds is ondergaan;
2°. die straf of maatregel niet voor onmiddellijke tenuitvoerlegging of verdere tenuitvoerlegging
vatbaar is;
3°. de veroordeling een schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel inhoudt;
of
4°. de onherroepelijk geworden uitspraak afkomstig is van het Hof of het Gerecht in eerste
aanleg van Aruba, Curaçao, onderscheidenlijk Sint Maarten en niet bij verdrag voor
zodanig geval de bevoegdheid tot uitlevering is voorbehouden;
2. Het bepaalde in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, lijdt uitzondering in gevallen
waarin de Gouverneur bij zijn beslissing tot inwilliging van het verzoek tot uitlevering
tevens opdracht geeft de vervolging te staken.
3. Het bepaalde in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, lijdt uitzondering in gevallen
waarin de vervolging in Aruba, Curaçao, onderscheidenlijk Sint Maarten is gestaakt
omdat de strafwet op grond van de artikelen 1:2 tot en met 1:10 van de Wetboeken van
Strafrecht van Aruba, Curaçao, onderscheidenlijk Sint Maarten, niet van toepassing
bleek te zijn, hetzij omdat aan berechting in het buitenland de voorkeur werd gegeven.
Artikel 2.12
1. Uitlevering wordt niet toegestaan in gevallen waarin naar het oordeel van de Gouverneur
een gegrond vermoeden bestaat dat bij inwilliging van het verzoek de opgeëiste persoon
zal worden vervolgd, gestraft of op andere wijze getroffen in verband met zijn godsdienstige,
levensbeschouwelijke of politieke overtuiging, zijn nationaliteit, zijn ras of de
groep van de bevolking waartoe hij behoort.
2. Uitlevering wordt niet toegestaan in gevallen waarin naar het oordeel van de Gouverneur
de gevolgen daarvan voor de opgeëiste persoon van bijzondere hardheid zouden zijn
in verband met diens jeugdige leeftijd, hoge ouderdom of slechte gezondheidstoestand.
HOOFDSTUK 3. PROCEDURE VAN UITLEVERING
§ 3.1 Voorlopige aanhouding
Artikel 3.1
1. Indien een verdrag daarin voorziet kan de persoon wiens uitlevering kan worden verzocht,
in afwachting van het verzoek tot uitlevering, op verzoek van de daartoe bevoegde
justitiële autoriteiten in de verzoekende staat, na een daartoe strekkend bevel van
de procureur-generaal voorlopig worden aangehouden. Het bevel tot voorlopige aanhouding
wordt zo spoedig mogelijk betekend.
2. Kan het optreden van de procureur-generaal niet worden afgewacht, dan is elke opsporingsambtenaar
bevoegd de persoon, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, aan te houden, onder de verplichting
zorg te dragen dat diegene onverwijld voor de procureur-generaal wordt geleid.
3. De voorwerpen die de aangehoudene met zich voert mogen in beslag worden genomen.
Artikel 3.2
1. Na de aangehoudene te hebben gehoord, kan de procureur-generaal bevelen dat deze
gedurende drie dagen, te rekenen vanaf het tijdstip van de voorlopige aanhouding,
in verzekering gesteld zal blijven tot het tijdstip waarop de rechter-commissaris
over diens bewaring beslist. De termijn van inverzekeringstelling kan door de procureur-generaal
eenmaal met drie dagen worden verlengd.
2. De rechter-commissaris kan, na de aangehoudene te hebben gehoord, op vordering van
de procureur-generaal de bewaring van de aangehoudene bevelen.
3. De aangehoudene is bevoegd zich door een raadsman te doen bijstaan. Als raadsman
mag worden gekozen ieder die bevoegd is voor de strafrechter tot verdediging van verdachten
op te treden. De aangehoudene die de gebezigde voertaal niet of onvoldoende beheerst,
is bevoegd zich door een tolk te doen bijstaan.
4. Het bevel tot inverzekeringstelling of bewaring kan te allen tijde ambtshalve of
op verzoek van de aangehoudene of diens raadsman worden opgeheven of worden geschorst.
De te stellen schorsingsvoorwaarden mogen alleen strekken tot voorkoming van vlucht.
5. De procureur-generaal, onderscheidenlijk de rechter-commissaris, beveelt de onmiddellijke
invrijheidstelling van de aangehoudene, tenzij hij uit anderen hoofde behoort in verzekerde
bewaring te blijven, en de teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen, tenzij er
uit anderen hoofde redenen van terughouding bestaan, een en ander indien hem geen
verzoek tot uitlevering met de daarbij nodige bescheiden is medegedeeld binnen een
termijn bij het verdrag te bepalen en van niet langer dan twee maanden na de dagtekening
van het bevel tot voorlopige aanhouding. Geschiedt het verzoek tot uitlevering binnen
de gestelde termijn, dan wordt verder gehandeld overeenkomstig het bepaalde bij de
artikelen 3.6 tot en met 3.11.
§ 3.2 Behandeling van het verzoek tot uitlevering
Artikel 3.3
1. De uitlevering wordt aangevraagd langs diplomatieke weg of, voor zover het toepasselijke
verdrag daarin voorziet, rechtstreeks door toezending aan de procureur-generaal of
de Gouverneur.
2. De uitlevering wordt niet toegestaan dan na uitspraak van het Hof over de toelaatbaarheid
van de uitlevering.
3. Het Hof beslist bij zijn uitspraak welke van de inbeslaggenomen voorwerpen in geval
van uitlevering aan de opgeëiste persoon zullen worden teruggegeven en welke als stukken
van overtuiging zullen worden afgegeven.
Artikel 3.4
Het verzoek tot uitlevering gaat in ieder geval vergezeld van het origineel of een
authentiek afschrift van een voor tenuitvoerlegging vatbaar, tegen de opgeëiste persoon
gewezen strafvonnis, of van een door de daartoe bevoegde autoriteit van de verzoekende
staat gegeven bevel tot zijn aanhouding, of van een stuk dat dezelfde rechtskracht
heeft, een en ander opgemaakt in de vorm voorgeschreven door het recht van die staat,
en betrekking hebbende op de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd en als
zodanig in het verdrag aangewezen.
Artikel 3.5
1. De persoon wiens uitlevering wordt verzocht mag worden aangehouden, voor zover dit
niet reeds is geschied. Artikel 3.2, eerste tot en met het vierde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
2. Het bevel van aanhouding wordt zo spoedig mogelijk betekend.
3. De voorwerpen die de aangehoudene met zich voert mogen in beslag genomen worden.
4. Zo spoedig mogelijk na de aanhouding wordt daarvan kennis gegeven aan de procureur-generaal.
5. Van elke krachtens deze rijkswet gedane aanhouding geeft de procureur-generaal onverwijld
kennis aan de Gouverneur, die op zijn beurt onverwijld aan de procureur-generaal mededeling
doet van ieder tot hem gericht verzoek tot uitlevering.
Artikel 3.6
1. De procureur-generaal vordert zo spoedig mogelijk na ontvangst van het verzoek tot
uitlevering dat de opgeëiste persoon door het Hof wordt verhoord.
2. Aan de opgeëiste persoon wordt mededeling gedaan van de vordering en van de feiten
waarvoor zijn uitlevering is gevraagd, met vermelding van de tijden en de plaatsen
waarop deze zijn begaan, een en ander zoals bij het verzoek tot uitlevering omschreven,
alsmede van de staat die het verzoek heeft gedaan.
3. Indien de opgeëiste persoon zich op Aruba of Sint Maarten bevindt, kan de aangehoudene
naar Curaçao worden overgebracht voor het verhoor door het Hof.
Artikel 3.7
1. Het verhoor geschiedt in het openbaar, tenzij de opgeëiste persoon de behandeling
van de zaak met gesloten deuren verlangt of het Hof om gewichtige redenen, bij het
proces-verbaal van de zitting te vermelden, beveelt dat het geheel of gedeeltelijk
met gesloten deuren zal plaats hebben.
2. Het verhoor vindt plaats in aanwezigheid van de procureur-generaal.
3. Artikel 3.2, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 3.8
1. Indien de opgeëiste persoon beweert dat hij onverwijld kan aantonen niet schuldig
te zijn aan de feiten waarvoor zijn uitlevering is verzocht, dan onderzoekt het Hof
die bewering.
2. Indien het Hof zulks met het oog op het in te stellen onderzoek noodzakelijk acht,
gelast het Hof tegen een door het Hof te bepalen tijdstip de dagvaarding of schriftelijke
oproeping van getuigen of deskundigen.
§ 3.3 Beslissing op het verzoek tot uitlevering
Artikel 3.9
1. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting doet het Hof binnen veertien dagen uitspraak
over het verzoek tot uitlevering. De uitspraak wordt met redenen omkleed.
2. Het Hof verklaart bij zijn uitspraak de uitlevering ontoelaatbaar indien:
a. de door de verzoekende staat overgelegde stukken niet voldoen aan de vereisten omschreven
in artikel 3.4 of aan nadere vereisten gesteld in het toepasselijke verdrag;
b. het verzoek tot uitlevering niet voor inwilliging vatbaar is; of
c. ten aanzien van de opgeëiste persoon geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld
aan de feiten waarvoor zijn uitlevering is gevraagd.
3. In andere dan in het tweede lid voorziene gevallen verklaart het Hof bij zijn uitspraak
de uitlevering toelaatbaar onder vermelding van de toepasselijke wets- en verdragsbepalingen
en het feit of de feiten waarvoor de uitlevering kan worden toegestaan.
4. Indien de uitlevering toelaatbaar wordt verklaard ondanks een bewering van de opgeëiste
persoon overeenkomstig artikel 3.8, dan vermeldt de uitspraak wat het Hof daarover
heeft bevonden.
Artikel 3.10
Binnen veertien dagen na de sluiting van het onderzoek ter zitting zendt het Hof een
gewaarmerkt afschrift van zijn uitspraak met de tot de zaak behorende stukken toe
aan de Gouverneur. Indien de uitlevering toelaatbaar is verklaard, gaat het afschrift
vergezeld van zijn advies over het aan het verzoek tot uitlevering te geven gevolg.
Een afschrift van de uitspraak en het advies worden aan de opgeëiste persoon en diens
raadsman uitgereikt of toegezonden.
Artikel 3.11
1. Na kennis te hebben genomen van de uitspraak en het advies bedoeld in artikel 3.10
gelast of weigert de Gouverneur de uitlevering zo spoedig mogelijk. Indien de uitlevering
door het Hof ontoelaatbaar is verklaard, weigert de Gouverneur de uitlevering.
2. Aan de last tot uitlevering van een Nederlander verbindt de Gouverneur de voorwaarde,
dat als de opgeëiste persoon ter zake van de feiten waarvoor hij wordt uitgeleverd
in de verzoekende staat tot onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt veroordeeld, hij
deze straf in eigen land mag ondergaan.
3. In geval van weigering wordt de opgeëiste persoon, indien hij is aangehouden, onmiddellijk
in vrijheid gesteld, tenzij hij uit anderen hoofde behoort in verzekerde bewaring
te blijven, en worden hem de in beslag genomen voorwerpen teruggegeven, tenzij er
uit anderen hoofde redenen van terughouding bestaan.
§ 3.4 De verkorte procedure
Artikel 3.12
Indien het toepasselijke verdrag daarin voorziet, wordt de persoon wiens voorlopige
aanhouding of uitlevering door een vreemde staat is verzocht, zo spoedig mogelijk
door de procureur-generaal in kennis gesteld van de mogelijkheid tot onmiddellijke
uitlevering.
Artikel 3.13
1. De persoon wiens voorlopige aanhouding of uitlevering door een vreemde staat is verzocht
kan, uiterlijk op de dag voorafgaande aan de dag welke is bepaald voor diens verhoor
door het Hof, verklaren dat hij instemt met onmiddellijke uitlevering.
2. De verklaring wordt afgelegd ten overstaan van een rechter-commissaris.
3. De persoon wiens voorlopige aanhouding of uitlevering door een vreemde staat is verzocht
wordt, voordat diegene de verklaring aflegt, op de mogelijke gevolgen gewezen, daaronder
begrepen dat artikel 2.10 niet van toepassing is. Van de verklaring wordt proces-verbaal
opgemaakt.
4. De persoon wiens voorlopige aanhouding of uitlevering door een vreemde staat is verzocht
kan zich bij het afleggen van de verklaring doen bijstaan door een raadsman. Indien
de persoon zonder raadsman verschijnt, vestigt de rechter-commissaris de aandacht
van de persoon op dat recht. De persoon die de gebezigde voertaal niet of onvoldoende
beheerst, is bevoegd zich door een tolk te doen bijstaan.
5. De rechter-commissaris ten overstaan van wie de verklaring bedoeld in het eerste
lid is afgelegd, zendt het proces-verbaal daarvan aan de bij het verzoek tot voorlopige
aanhouding of uitlevering betrokken procureur-generaal.
Artikel 3.14
1. In afwijking van artikel 3.3, tweede lid, en artikel 3.11, eerste lid, kan, nadat
een verklaring overeenkomstig artikel 3.13 is afgelegd, de procureur-generaal beslissen
dat de persoon wiens voorlopige aanhouding of uitlevering door een vreemde staat is
verzocht ter beschikking zal worden gesteld van de autoriteiten van de staat waarvan
het verzoek tot voorlopige aanhouding of uitlevering is uitgegaan.
2. Van deze beslissing geeft de procureur-generaal zo spoedig mogelijk kennis aan de
Gouverneur.
3. De verzoekende staat wordt binnen twintig dagen na de datum van de verklaring bedoeld
in artikel 3.13 in kennis gesteld van de beslissing ter zake van de onmiddellijke
uitlevering.
4. De procureur-generaal bepaalt, na overleg met de autoriteiten van de staat waarvan
het verzoek tot voorlopige aanhouding of uitlevering is uitgegaan, zo spoedig mogelijk
de tijd en de plaats waarop de uitlevering zal geschieden.
5. Het eerste lid blijft buiten toepassing:
a. indien voor het feit of de feiten, in verband waarmee de voorlopige aanhouding of
de uitlevering is verzocht, ingevolge de artikelen 2.4, 2.5, 2.7, 2.8, 2.9, 2.11 of
2.12 geen uitlevering kan worden toegestaan; of
b. indien blijkt dat tegen de persoon wiens voorlopige aanhouding of uitlevering door
een vreemde staat is verzocht in Aruba, Curaçao dan wel Sint Maarten een strafrechtelijke
vervolging gaande is, of dat tegen deze persoon door een rechter van Aruba, Curaçao,
onderscheidenlijk Sint Maarten, een nog geheel of ten dele voor tenuitvoerlegging
vatbaar strafvonnis is gewezen.
Artikel 3.15
1. Indien het toepasselijke verdrag daarin voorziet wordt, in afwijking van artikel 3.2,
vijfde lid, de verzoekende staat binnen tien dagen na datum van de voorlopige aanhouding
door de procureur-generaal ervan in kennis gesteld of de aangehoudene al dan niet
een verklaring overeenkomstig artikel 3.13 heeft afgelegd teneinde de verzoekende
staat in de gelegenheid te stellen een verzoek tot uitlevering in te dienen. Indien
een verklaring overeenkomstig artikel 3.13 is afgelegd nadat de termijn van tien dagen
is verstreken, wordt de procedure bedoeld in artikel 3.14 toegepast.
2. Na de dag waarop een verklaring overeenkomstig artikel 3.13 is afgelegd, kan de aangehoudene
op bevel van de rechter-commissaris ten hoogste veertig dagen in bewaring gesteld
blijven of gesteld worden. Wanneer de uitlevering door bijzondere omstandigheden niet
binnen de termijn van veertig dagen heeft kunnen plaatsvinden, kan deze termijn op
vordering van de procureur-generaal door de rechter-commissaris voor ten hoogste dertig
dagen worden verlengd. De aangehoudene wordt in de gelegenheid gesteld op de vordering
tot verlenging door de rechter-commissaris te worden gehoord.
3. Indien de aangehoudene een verklaring als bedoeld in artikel 3.13 heeft afgelegd,
maar de procureur-generaal niettemin besluit de procedure bedoeld in artikel 3.14
niet toe te passen, stelt de procureur-generaal de verzoekende staat daarvan zo spoedig
mogelijk in kennis om deze in de gelegenheid te stellen een verzoek tot uitlevering
in te dienen op de wijze als voorzien in artikel 3.3, eerste lid, voordat de gestelde
termijn in artikel 3.2, vijfde lid, verstrijkt. Het tweede lid blijft in dat geval
buiten toepassing.
§ 3.5 Recht op rechtsbijstand
Artikel 3.16
Bijstand door en vergoeding van een raadsman geschieden op overeenkomstige wijze als
bepaald in de Wetboeken van Strafvordering van Aruba, Curaçao, onderscheidenlijk Sint
Maarten.
HOOFDSTUK 4. ANDERE VORMEN VAN RECHTSHULP
Artikel 4.1
1. De Gouverneur kan toestaan dat een persoon wiens uitlevering door een vreemde staat
aan een andere vreemde staat is toegestaan over het grondgebied van Aruba, Curaçao
of Sint Maarten onder medegeleide van ambtenaren van Aruba, Curaçao of Sint Maarten
wordt vervoerd, mits met de staat waaraan de uitlevering geschiedt een uitleveringsverdrag
is gesloten en het misdrijf waarvoor uitlevering is toegestaan onder de werking van
dat verdrag valt.
2. Als het ten gevolge van bijzondere omstandigheden niet mogelijk is het vervoer door
Aruba, Curaçao, onderscheidenlijk Sint Maarten, zonder onderbreking voort te zetten,
kan de persoon, in afwachting van een passende gelegenheid tot vertrek in verzekering
worden gesteld krachtens een bevel van de procureur-generaal.
3. In geval van een landing in Aruba, Curaçao, onderscheidenlijk Sint Maarten, kan de
persoon, op verzoek van de begeleidende buitenlandse ambtenaren, voorlopig worden
aangehouden krachtens een bevel van de procureur-generaal. De artikelen 3.1 en 3.2,
eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
4. Het vervoer van de voorlopig aangehouden persoon kan worden voortgezet, zodra de
Gouverneur daartoe alsnog toestemming verleent. Is de toestemming na afloop van de
termijn, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, niet verleend, of binnen die termijn
geweigerd, dan wordt de voorlopig aangehouden persoon in vrijheid gesteld, behoudens
de mogelijkheid van verdere vrijheidsbeneming uit anderen hoofde.
Artikel 4.2
1. Personen die in Aruba, Curaçao of Sint Maarten in voorlopige hechtenis zijn of straf
ondergaan mogen ter confrontatie of tot het afleggen van verklaringen in strafgedingen
die in een vreemde staat aanhangig zijn, op last van de Gouverneur tijdelijk worden
overgezonden.
2. Indien die personen in Aruba, Curaçao of Sint Maarten straf ondergaan, zal hun straftijd
geacht worden niet te zijn afgebroken door die tijdelijke overzending.
HOOFDSTUK 5 SLOTBEPALINGEN
Artikel 5.1
1. Alle akten en stukken ten gevolge van deze rijkswet op te maken worden kosteloos
afgegeven.
2. Alle ingevolge deze rijkswet te verrichten betekeningen geschieden op overeenkomstige
wijze als bepaald in de Wetboeken van Strafvordering van Aruba, Curaçao, onderscheidenlijk
Sint Maarten.
Artikel 5.2
Waar in deze rijkswet de bevoegdheid wordt gegeven tot het horen of verhoren van personen,
kan daaronder mede worden begrepen het horen of verhoren per videoconferentie op overeenkomstige
wijze als bepaald in de Wetboeken van Strafvordering van Aruba, Curaçao, onderscheidenlijk
Sint Maarten.
Artikel 5.3
Deze rijkswet is niet van toepassing op het aanhouden, het aan boord terugbrengen
of het ter beschikking van de consulaire ambtenaren stellen van gedeserteerde matrozen.
Artikel 5.4
In artikel 2, derde lid, van de Uitvoeringswet Internationaal Strafhof wordt «het
Uitleveringsbesluit van Aruba, Curaçao en Sint Maarten» vervangen door «de Rijkswet
uitlevering voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten».
Artikel 5.5
De Rijkswet cassatierechtspraak in uitleveringszaken voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten
wordt als volgt gewijzigd:
a. In artikel 1, onderdeel b, wordt «het advies van het Gemeenschappelijk Hof, bedoeld
in artikel 8, tweede lid, van het Uitleveringsbesluit van Aruba, Curaçao en Sint Maarten
(Pb. 1983, 84), voor zover dit advies» vervangen door «de uitspraak van het Hof, bedoeld
in artikel 3.3, tweede lid, van de Rijkswet uitlevering voor Aruba, Curaçao en Sint
Maarten, voor zover deze uitspraak».
b. In artikel 1, onderdeel c, wordt «artikel 18, eerste lid, van het Uitleveringsbesluit
van Aruba, Curaçao en Sint Maarten» vervangen door «artikel 3.11, eerste lid, van
de Rijkswet uitlevering voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten».
Artikel 5.6
Artikel 7 van het Besluit overlevering inzake oorlogsmisdrijven Aruba, Curaçao en
Sint Maarten komt te luiden:
Artikel 7
De artikelen 2.2, 2.5, 2.7, 2.8, 2.10, 2.11, 2.12, 3.1, 3.2, 3.5 tot en met 3.16 en
5.1 van de Rijkswet uitlevering voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten zijn van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat de voorlopige aanhouding ook kan worden bevolen
in gevallen waarin de mogelijkheid daartoe niet bij verdrag is voorzien.
Artikel 5.7
Het Uitleveringsbesluit van Aruba, Curaçao en Sint Maarten blijft van toepassing op
de behandeling van een verzoek tot uitlevering en op de in verband daarmee te nemen
beslissingen, in gevallen waarin de stukken betreffende dat verzoek reeds vóór het
tijdstip van het in werking treden van deze rijkswet door het Hof zijn ontvangen.
Artikel 5.8
Het Uitleveringsbesluit van Aruba, Curaçao en Sint Maarten wordt ingetrokken.
Artikel 5.9
Deze rijkswet treedt in werking met ingang van de eerste dag van de tweede kalendermaand
na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.
Artikel 5.10
Deze rijkswet wordt aangehaald als: Rijkswet uitlevering voor Aruba, Curaçao en Sint
Maarten.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad, in het Afkondigingsblad van Aruba, in
het Publicatieblad van Curaçao en in het Afkondigingsblad van Sint Maarten zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven
De Minister van Justitie en Veiligheid,
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.