Inbreng verslag schriftelijk overleg : Inbreng verslag van een schriftelijk overleg over de reactie op verzoek commissie over meerzorg (Kamerstuk 34104-465)
2026D16256 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
In de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport bestond bij enkele fracties
behoefte een aantal vragen en opmerkingen voor te leggen aan de Minister van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport over de brief d.d. 13 februari 2026 inzake Reactie op verzoek commissie
over meerzorg (Kamerstuk 34 104, nr. 465).
De voorzitter van de commissie,
Mohandis
Adjunct-griffier van de commissie,
Sjerp
Inhoudsopgave
I.
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep Markuszower
II.
Reactie van de Minister
I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de brief inzake Reactie op verzoek
commissie over meerzorg. Daarbij hebben deze leden een aantal vragen.
De leden van de D66-fractie stellen de stap naar een landelijk uniforme werkwijze
voor de beoordeling van meerzorg op prijs wat betreft duidelijkheid en gelijke behandeling
voor cliënten. Tegelijkertijd benadrukken deze leden dat maatwerk van belang is; de
zorgbehoefte van cliënten in de thuissituatie is vaak complex en soms lastig in standaardcriteria
te passen. Daartoe vragen de leden van de D66-fractie om een meer gedetailleerde uiteenzetting
van hoe geborgd gaat worden dat zorgkantoren binnen het uniforme kader voldoende ruimte
behouden voor maatwerk om schrijnende situaties te voorkomen.
De leden van de D66-fractie zijn voorstander van het voornemen om de regelgeving rond
meerzorg te verduidelijken. Daartoe vragen deze leden hoe cliënten en hun vertegenwoordigers
concreet betrokken zijn, of nog betrokken zullen worden bij het creëren van deze nieuwe
regels.
Tot slot benadrukken de leden van de D66-fractie het belang van passende zorg thuis
voor mensen met een intensieve zorgvraag. Want toegewezen meerzorg of niet: de zorg
gaat door. Dit leidt er soms toe dat mensen hun banen moeten opzeggen, om zelf het
gat van de afgewezen meerzorg op te vullen. Zij staan soms voor onmogelijke keuzes
om de zorg voor hun geliefden voort te zetten. Daartoe vragen genoemde leden of de
voorgenomen inwerkingtreding per 1 januari 2027 op schema ligt, en hoe wordt geborgd
dat betrokken cliënten tijdig en regelmatig worden geïnformeerd over de voortgang,
zodat zij niet in onzekerheid verkeren.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de brief inzake
Reactie op verzoek commissie over meerzorg. Deze leden benadrukken dat meerzorg beschikbaar
moet zijn voor de mensen die dit nodig hebben. Zij vinden het positief om te lezen
dat er concrete stappen gezet zijn om procedures rond meerzorg voor betrokkenen duidelijker
en voorspelbaarder te maken.
De leden van de VVD-fractie zijn positief dat er een hernieuwd beleidskader is vastgesteld.
Deze leden begrijpen dat sinds1 maart 2026 dit beleidskader tot een uniforme werkwijze
bij zorgkantoren moet leiden voor aanvragen van meerzorg. Kan de Minister aangeven
of dit inderdaad het geval is? Daarnaast vragen zij wat er gebeurt als de zorgbehoefte
voor de cliënt de aan het zorgprofiel verbonden bekostigingsuren niet met 25%, maar
met bijvoorbeeld 20% overstijgt. Wordt er dan op een andere manier tegemoetgekomen
aan de zorgvraag van betrokkene?
De leden van de VVD-fractie lezen dat de Minister aangeeft dat iedereen van wie de
meerzorg aanvraag is afgewezen vanaf 1 januari 2025 en bij wie een redelijke aanname
is dat de cliënt op grond van het nieuwe beleidskader wel voor meerzorg in aanmerking
zou komen, persoonlijk benaderd wordt. Genoemde leden vragen of de Minister inzicht
heeft in de omvang en de stand van zaken van deze opgave. Om hoeveel aanvragen gaat
het? De Minister geeft aan te verwachten dat deze opgave voor 1 maart 2026 zou zijn
afgerond. De leden van de VVD-fractie vragen of dit inderdaad is gelukt.
Tot slot vragen de leden van de VVD-fractie of de Minister de resultaten van de enquête
van Metgezel, over de ervaringen van cliënten en hun naasten, met de Kamer kan delen.
Wanneer zij dit kan, vernemen deze leden graag wanneer zij deze kunnen verwachten.
Zo niet, dan ontvangen deze leden graag een toelichting waarom dit niet mogelijk is.
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA hebben kennisgenomen van de brief inzake
Reactie op verzoek van de commissie van VWS over meerzorg. Zij hebben hierbij nog
enkele vragen en opmerkingen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat zorgkantoren alle cliënten die vanaf
1 januari 2025 een afwijzing op een meerzorgaanvraag hebben ontvangen, persoonlijk
zullen benaderen indien er een redelijke aanname is dat de cliënt op grond van het
nieuwe beleidskader wel voor meerzorg in aanmerking komt. Is er inmiddels al contact
geweest met alle cliënten wie dit betreft? Hoeveel cliënten zijn er die wel zijn afgewezen
voor een meerzorgaanvraag sinds 1 januari 2025, maar die niet binnen het nieuwe beleidskader
voor meerzorg in aanmerking komen? Om wat voor redenen is dit zoal het geval?
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA ontvangen signalen dat meerdere cliënten
inmiddels voor een periode coulance hebben verkregen van hun zorgkantoor. Om hoeveel
cliënten gaat dit (in absolute en relatieve aantallen)? Klopt het dat er verschillen
bestaan tussen de coulanceperiode die wordt toegekend, bijvoorbeeld dat sommige cliënten
per maand coulance wordt toegekend en andere cliënten voor het gehele jaar coulance
krijgen? Zo ja, waardoor komt dit verschil? Zo nee, hoe zit het dan wel? Erkent de
Minister dat het toekennen van coulance per maand (onnodige) stress als gevolg heeft
voor cliënten? Zo ja, welke mogelijkheden ziet de Minister om deze cliënten daarin
tegemoet te komen, in overleg met de zorgkantoren? Zo nee, waarom niet?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben zorgen over de communicatie over de
besluiten over de toekenning van meerzorg. Hoe worden mensen geïnformeerd over de
besluiten over de toekenning? Gebeurt dat in alle gevallen proactief? Wordt er in
de communicatie en besluitvorming ook rekening gehouden met mensen die laaggeletterd
zijn of om een andere reden moeite hebben met de Nederlandse taal of het doorgronden
van de vaak ingewikkelde regelgeving en besluitvorming? Op welke wijze wordt hier
überhaupt rekening mee gehouden in het hele traject?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de Minister voornemens is om de
Regeling langdurige zorg (Rlz) te wijzigen per 1 januari 2027. Hoe ziet dit tijdspad
eruit? In hoeverre is de datum van 1 januari 2027 nog steeds haalbaar? Hoe wordt in
dit traject geborgd dat ook de inbreng van direct betrokkenen en hun vertegenwoordigers
bij cliënten- of belangenorganisaties wordt meegewogen? Welke organisaties zijn tot
dusverre betrokken en wat is er gedaan met hun inbreng?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat bij alle opties geldt dat de beoordeling,
ongeacht welke instantie die het uitvoert, op dezelfde manier zal plaatsvinden om
te voorkomen dat de cliënt wordt geconfronteerd met een ongewenste stapeling van procedures
bij verschillende instanties, in aansluiting op de motie van lid Westerveld c.s.1 Hoe wordt dit in de praktijk gewaarborgd? Hoeveel adviesaanvragen lopen er momenteel
bij het Zorginstituut Nederland (hierna: het Zorginstituut) omtrent bezwaren bij meerzorgaanvragen?
Hoeveel bezwaren lopen er momenteel nog bij meerzorgaanvragen?
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de brief inzake Reactie op verzoek
commissie over meerzorg. Naar aanleiding van deze brief hebben deze leden nog enkele
vragen en opmerkingen aan de Minister.
De leden van de PVV-fractie vinden het onbestaanbaar dat gezinnen die volledig afhankelijk
zijn van zeer intensieve zorg thuis, nog altijd moeten vechten tegen onduidelijke
regels, wisselende beoordelingen en een systeem dat eerder wantrouwen uitstraalt dan
ondersteuning biedt. Voor deze leden staat voorop dat de zorg bereikbaar, menselijk
en uitvoerbaar moet zijn. Regels moeten gezinnen helpen en niet uitputten.
De leden van de PVV-fractie lezen dat zorgkantoren alle cliënten die vanaf 1 januari
2025 een afwijzing op een meerzorgaanvraag hebben ontvangen, persoonlijk zouden benaderen
indien er een redelijke aanname is dat deze cliënten op grond van het nieuwe beleidskader
wel voor meerzorg in aanmerking zouden kunnen komen, en dat de verwachting was dat
deze actie voor 1 maart zou zijn afgerond. Deze leden vragen de Minister of deze actie
inmiddels volledig is afgerond. Zo nee, hoeveel cliënten zijn op dit moment nog niet
benaderd en wat is daarvan de reden?
De leden van de PVV-fractie vragen daarnaast wat de uitkomsten zijn van het persoonlijk
benaderen van cliënten die vanaf 1 januari 2025 een afwijzing op een meerzorgaanvraag
hebben ontvangen. Hoeveel cliënten zijn na dit contact alsnog opnieuw beoordeeld,
hoeveel aanvragen hebben alsnog geleid tot toekenning van meerzorg en welke lessen
trekt de Minister uit deze uitkomsten?
De leden van de PVV-fractie vragen daarnaast hoe wordt voorkomen dat cliënten en hun
vertegenwoordigers in de praktijk afhankelijk blijven van de opstelling, uitleg of
terughoudendheid van een individueel zorgkantoor. Hoe wordt uitgesloten dat vergelijkbare
situaties in de ene regio anders worden beoordeeld dan in de andere? Acht de Minister
het aanvaardbaar dat de toegang tot passende zorg mede afhankelijk kan zijn van waar
iemand woont?
De leden van de PVV-fractie lezen dat eerst wordt beoordeeld of sprake is van het
best passende zorgprofiel, vervolgens of een cliënt behoort tot een profiel dat recht
geeft op meerzorg, daarna of andere toeslagen van toepassing zijn en pas daarna of
sprake is van een zorgprofiel overstijgende zorgbehoefte. Deze leden vragen de Minister
hoeveel aanvragen in de praktijk op elk van deze afzonderlijke stappen stranden. Kan
zij daarnaast toelichten op welke onderdelen in deze systematiek de meeste problemen
ontstaan? Waar loopt het in de praktijk vast?
De leden van de PVV-fractie hebben in het bijzonder vragen over de 25%-grens. Kan
de Minister toelichten waarom juist deze grens in de praktijk een doorslaggevend criterium
moet zijn? Hoe wordt voorkomen dat cliënten met een aantoonbaar zeer zware zorgvraag,
die net niet aan deze norm voldoen, toch buiten de boot vallen? Genoemde leden vragen
de Minister of zij onderkent dat een harde grens in de praktijk kan leiden tot schrijnende
uitkomsten voor gezinnen die nu al op hun tandvlees lopen.
De leden van de PVV-fractie lezen voorts dat zorgkantoren in bijzondere situaties
maatwerk kunnen bieden. Deze leden vragen wat daar precies onder wordt verstaan. Welke
situaties vallen daar wel onder en welke niet? Bestaan hiervoor duidelijke, landelijke
en toetsbare criteria, of blijft dit in de praktijk opnieuw afhankelijk van interpretatie?
Genoemde leden vragen de Minister hoe wordt voorkomen dat het begrip maatwerk een
verzamelterm wordt voor willekeur, waarbij voor cliënten vooraf onduidelijk blijft
waar zij aan toe zijn.
De leden van de PVV-fractie lezen verder dat cliënten die vanaf 1 januari 2025 een
afwijzing hebben ontvangen, persoonlijk zullen worden benaderd indien er een redelijke
aanname is dat zij op grond van het nieuwe beleidskader wel voor meerzorg in aanmerking
zouden kunnen komen. Deze leden vragen wie deze redelijke aanname precies maakt en
op basis van welke criteria. Waarom is niet gekozen voor een ruimere en actievere
herbeoordeling, nu is gebleken dat de eerdere werkwijze voor een deel van de cliënten
onvoldoende recht deed aan de werkelijke zorgbehoefte?
De leden van de PVV-fractie vragen bovendien hoe wordt voorkomen dat juist de mensen
die het vertrouwen in het systeem zijn kwijtgeraakt, buiten beeld blijven. Hoe wordt
gewaarborgd dat gezinnen die eerder zijn vastgelopen, ontmoedigd zijn geraakt of zich
niet gehoord voelden, alsnog actief en zorgvuldig worden bereikt? Acht de Minister
het niet juist bij deze kwetsbare groep noodzakelijk dat de overheid zelf het initiatief
neemt, in plaats van opnieuw af te wachten?
De leden van de PVV-fractie vinden het verder van groot belang dat gezinnen niet opnieuw
in een langdurig en uitputtend traject belanden. Kan de Minister toelichten binnen
welke termijn nieuwe aanvragen van eerder afgewezen cliënten worden beoordeeld? Kan
zij daarnaast concreet aangeven welke vormen van overbrugging beschikbaar zijn voor
cliënten die niet kunnen wachten op een nieuwe beoordeling, omdat de zorg thuis intussen
gewoon door moet gaan?
De leden van de PVV-fractie lezen dat wijziging van de Regeling langdurige zorg (Rlz)
wordt nagestreefd per 1 januari 2027. Deze leden vragen waarom dit pas dan zou moeten
gebeuren, terwijl inmiddels duidelijk is dat de huidige regeling tot grote onzekerheid
en onduidelijkheid leidt. Waarom duurt het zo lang voordat gezinnen duidelijkheid
krijgen? Welke onderdelen kunnen al eerder worden verduidelijkt of aangepast? Kan
de Minister een concreet tijdpad geven van de stappen die vanaf nu worden gezet?
De leden van de PVV-fractie lezen bovendien dat nog wordt bezien welk referentiepunt
moet gelden voor de beoordeling van een bijzondere zorgbehoefte. Deze leden vragen
welk uitgangspunt voor de Minister werkelijk leidend is. Staat de feitelijke zorgbehoefte
van de cliënt centraal, of wordt vooral geredeneerd vanuit systeemgrenzen, uren, kostennormen
en uitvoerbaarheid? Hoe wordt voorkomen dat de regeling nog verder dichtslibt met
technische criteria en juridische afbakeningen, terwijl gezinnen juist behoefte hebben
aan duidelijkheid, snelheid en menselijkheid?
De leden van de PVV-fractie hebben ook vragen over de mogelijkheden voor onafhankelijke
indicatiestelling. Deze leden begrijpen dat dit zorgvuldig moet worden bekeken, maar
merken op dat de roep om onafhankelijkheid niet uit de lucht komt vallen. Die roep
is juist ontstaan doordat mensen het gevoel hebben dat zij nu te veel afhankelijk
zijn van de instantie die ook over de toekenning beslist. Welke concrete varianten
worden onderzocht? Hoe wordt voorkomen dat een eventuele nieuwe opzet leidt tot nog
meer loketten, nog meer procedures en nog meer vertraging?
De leden van de PVV-fractie lezen dat de Kamer tweemaal per jaar monitoringsinformatie
zal ontvangen. Deze leden vinden dat de Kamer alleen goed kan controleren als die
informatie volledig, concreet en vergelijkbaar is. Is de Minister daarom bereid de
Kamer structureel inzicht te geven in het aantal aanvragen, toekenningen, afwijzingen,
heraanvragen, bezwaren, doorlooptijden, verschillen tussen zorgkantoren en de meest
voorkomende afwijsgronden? Is zij daarnaast bereid inzicht te geven in de mate waarin
overbrugging daadwerkelijk wordt ingezet?
De leden van de PVV-fractie vragen de Minister daarnaast of zij de Kamer kan informeren
over de uitkomsten van de enquête van Metgezel. Is de Minister bereid deze uitkomsten,
voorzien van een inhoudelijke reactie, met de Kamer te delen en daarbij aan te geven
op welke punten deze signalen aanleiding geven tot aanpassing van beleid of uitvoering?
De leden van de PVV-fractie vragen verder hoe ervaringen van cliënten, ouders, vertegenwoordigers
en professionals structureel worden meegenomen in de verdere uitwerking van de regeling.
Op welke wijze wordt geborgd dat signalen uit de praktijk niet alleen worden aangehoord,
maar ook daadwerkelijk leiden tot aanpassingen? Hoe voorkomt de Minister dat gezinnen
opnieuw het gevoel krijgen dat zij wel hun verhaal mogen doen, maar vervolgens weinig
terugzien in de besluitvorming?
De leden van de PVV-fractie benadrukken dat meerzorg thuis niet in de eerste plaats
een papieren, juridische of financiële exercitie mag zijn. Het gaat hier om mensen,
om gezinnen en om de vraag of zij de zorg kunnen organiseren die dagelijks nodig is
om waardig en veilig thuis te kunnen leven. Juist dan moet de overheid niet op afstand
blijven redeneren, maar naast mensen gaan staan.
De leden van de PVV-fractie wijzen er daarbij op dat ook mantelzorgers en ouders niet
eindeloos rekbaar zijn. Hoe weegt de Minister de draagkracht van gezinnen mee in de
beoordeling van wat thuis nog verantwoord en uitvoerbaar is? Hoe wordt voorkomen dat
thuis wonen in de praktijk alleen mogelijk blijft doordat ouders en naasten structureel
over hun grenzen gaan?
Tot slot vragen de leden van de PVV-fractie of de Minister kan bevestigen dat het
uitgangspunt moet zijn dat mensen met een zeer intensieve zorgvraag tijdig passende
zorg moeten kunnen krijgen, zonder eerst vast te lopen in een wirwar van regels, procedures
en beoordelingskaders, en dat het systeem dienstbaar moet zijn aan de cliënt en niet
andersom.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de brief over meerzorg en hebben
hierover nog enkele vragen.
Genoemde leden kijken uit naar de reactie op de aangenomen motie-Tijmstra over onafhankelijke
indicatiestelling. Zij lezen dat de Minister dit wil bezien «in de opgave om de regelgeving
te verduidelijken en vereenvoudigen». Wat bedoelt de Minister hiermee? Hoe kijkt zij
naar onafhankelijke indicatiestelling, los van het voornemen om de regelgeving te
verbeteren en verduidelijken per 1 januari 2027? Deelt zij de mening dat dit iets
anders is dan de mogelijkheid voor een onafhankelijk advies van het Zorginstituut
bij een bezwaar? Deelt de Minister de mening dat de vraag of sprake is van bijzondere
zorgzwaarte niet kan worden beoordeeld zonder te bekijken welke zorg, in omvang en
type ervan nodig is. Genoemde leden vragen hoe dit precies en feitelijk wordt vastgesteld.
Tot slot vragen zij op dit punt of al meer bekend is over hoe het Centrum Indicatiestelling
Zorg (CIZ) hiernaar kijkt.
De leden van de CDA-fractie lezen dat niet bekend is of de meerzorggeschillen die
aan het Zorginstituut worden voorgelegd een representatieve afspiegeling zijn van
het totaal aantal geschillen over meerzorg. Deze leden vragen of de Minister hier
wel nader onderzoek naar wil doen, zodat een beter beeld ontstaat over geschillen
over meerzorg.
Tot slot vragen de leden van de CDA-fractie wanneer de volgende beleidsbrief over
meerzorg thuis naar de Kamer komt, gezien de toezegging om de Kamer tweemaal per jaar
te informeren over meerzorg thuis.
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de Reactie op verzoek commissie
over meerzorg. Genoemde leden hebben de volgende vragen aan de Minister.
De leden van de BBB-fractie constateren dat zorgkantoren de afgelopen tijd hebben
gewerkt aan een uniform beleidskader voor de beoordeling van meerzorg thuis, waarbij
sprake is van een stapsgewijze beoordeling en ruimte voor maatwerk in bijzondere situaties.
Hoewel dit een belangrijke stap is naar gelijkgerichtheid, merken deze leden op dat
de recente afwijzingen in de praktijk tot veel onrust hebben geleid bij cliënten en
naasten. Kan de Minister toelichten hoe wordt geborgd dat cliënten eenduidige, begrijpelijke
en tijdige informatie krijgen over de nieuwe werkwijze, zodat nieuwe onzekerheid wordt
voorkomen? Op welke wijze wordt voorkomen dat verschillen in interpretatie van het
beleidskader alsnog leiden tot regionale verschillen in beoordeling? Welke waarborgen
worden ingebouwd om te voorkomen dat maatwerk in de praktijk wordt ingeperkt door
werkdruk, beperkte capaciteit of uiteenlopende beleidsinterpretaties bij zorgkantoren?
De leden van de BBB-fractie lezen dat zorgkantoren alle cliënten met een afwijzing
vanaf 1 januari 2025 persoonlijk zullen benaderen wanneer er redelijke aanleiding
is te denken dat zij mogelijk wel in aanmerking komen op basis van het nieuwe beleidskader.
Deze leden vragen hoe in deze selectie recht wordt gedaan aan cliënten die eerder
niet in bezwaar zijn gegaan, bijvoorbeeld omdat zij destijds geen vertrouwen meer
hadden in de procedure of onvoldoende ondersteuning kregen. Hoe wordt vastgesteld
of een afwijzing «evident» blijft, en hoe wordt voorkomen dat cliënten die eerder
ontmoedigd zijn geraakt onterecht buiten beeld blijven? Is er ruimte voor cliënten
die niet worden benaderd om alsnog ondersteuning te krijgen bij het opnieuw indienen
van een aanvraag, bijvoorbeeld via cliëntondersteuning? Kan de Minister toelichten
hoe wordt omgegaan met situaties waarin het zorgkantoor inmiddels beperkte dossierkennis
heeft, bijvoorbeeld bij verhuizingen of wisseling van vertegenwoordigers?
Verder constateren de leden van de BBB-fractie dat een aanzienlijk deel van de geschillen
betrekking heeft op pgb-levering en dat het Zorginstituut in veel gevallen de lijn
van de zorgkantoren volgt. Genoemde leden vragen in hoeverre deze adviesstructuur
daadwerkelijk bijdraagt aan onafhankelijke rechtsbescherming van cliënten. Hoe beoordeelt
de Minister de toegankelijkheid en laagdrempeligheid van bezwaar en beroep voor ouders
en vertegenwoordigers, gezien de complexiteit van de materie? Is de Minister bereid
te verkennen hoe onafhankelijkheid verder kan worden versterkt, bijvoorbeeld door
uitbreiding van de adviesrol of door structureel cliëntperspectief te betrekken? Hoe
wordt voorkomen dat cliënten onnodig lang in onzekerheid verkeren tijdens bezwaarprocedures,
zeker indien meerzorg essentieel is voor veiligheid en continuïteit van zorg?
Tot slot constateren de leden van de BBB-fractie dat in de brieven wordt benadrukt
dat meerzorg cruciaal is voor cliënten met zeer intensieve zorgbehoeften, en dat het
uitgangspunt is dat zij de zorg moeten ontvangen die zij nodig hebben. Deze leden
vinden het daarom van belang dat het proces rond meerzorg betrouwbaar, voorspelbaar
en transparant is. Kan de Minister toelichten welke stappen worden gezet om te voorkomen
dat vergelijkbare onrust zoals in 2024 en 2025 opnieuw ontstaat? Hoe wordt geborgd
dat alle betrokken partijen zorgkantoren, cliëntondersteuners, professionals en vertegenwoordigers
tijdig en uniform worden geïnformeerd over wijzigingen in beleid en uitvoering?
Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie
De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van de brief over meerzorg. Zij hebben
hier nog enkele vragen en opmerkingen over.
De leden van de SP-fractie constateren dat het hard nodig was dat er is gekeken naar
de toewijzingsprocedure van meerzorgaanvragen door de zorgkantoren. Echter krijgen
zij ook over het nieuwe beoordelingskader signalen dat ouders hier niet per se door
gerustgesteld zijn. Zo zijn er vragen of er wel voldoende rekening wordt gehouden
met de impact die de zorgvraag heeft op het gezin als geheel, het strikte karakter
van het kader met een sterke focus op urennormen en medische eisen, de mate waarin
zorgtaken als «gebruikelijk» kunnen worden gelabeld en in hoeverre de frequentie daarvan
wordt meegewogen en het ontbreken van een hardheidsclausule. Kan de Minister per bezwaar
hierop reageren?
De leden van de SP-fractie hebben ook zorgen over de mate van betrokkenheid van de
belangenverenigingen van de gezinnen waar het om gaat. In hoeverre hebben zij kunnen
meepraten voordat het kader is vastgesteld? Is de Minister bereid om de zorgkantoren
te vragen alsnog in gesprek te gaan met de ouders en hun verenigingen, om serieus
te kijken of dit kader de problemen voldoende oplost?
De leden van de SP-fractie lezen dat de verwachting was dat voor 1 maart 2026 «alle
cliënten die vanaf 1 januari 2025 een afwijzing op een meerzorgaanvraag hebben ontvangen,
persoonlijk [zouden worden benaderd] indien er een redelijke aanname is dat de cliënt
op grond van het nieuwebeleidskader wel voor meerzorg in aanmerking zou kunnen komen».
Is dit gelukt voor 1 maart jl.? Hoeveel mensen hebben daardoor alsnog hun meerzorgaanvraag
toegekend gekregen?
Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep Markuszower
De leden van de Groep Markuszower hebben kennisgenomen van de brief over de invulling
aan de toezegging van de Kamer over meerzorg en hebben daarover nog enkele vragen
en opmerkingen.
Het is goed dat zorgkantoren alle cliënten die vanaf 1 januari 2025 een afwijzing
op een meerzorgaanvraag hebben ontvangen, persoonlijk benaderd hebben wanneer er een
redelijke aanname is dat de cliënt op basis van het nieuwe beleidskader wel in aanmerking
zou kunnen komen voor meerzorg. Is deze actie inmiddels al afgerond? Zo ja, wat zijn
de uitkomsten? Zo nee, waarom niet?
De leden van de Groep Markuszower ontvangen ook nu nog steeds signalen dat cliënten
die gebruikmaken van meerzorg thuis overvallen worden door nieuwe beschikkingen waarin
zij geïnformeerd worden over een herziening van uren. Herkent de Minister deze signalen?
Voor welke periode wordt een indicatie meerzorg afgegeven? Om de hoeveel tijd volgt
er een (her)indicatie? Is de Minister het met genoemde leden eens dat het steeds vernieuwen
van een beschikking, (terwijl de situatie onveranderd is) meerdere keren met de duur
van steeds twee maanden zorgt voor enorme onrust en blijvende stress? Zo ja, waarom
gebeurt dit in de praktijk dan? Indien nee, waarom niet? Welke oplossing heeft de
Minister voor de mensen die nog steeds in deze onzekerheid zitten?
De leden van de Groep Markuszower lezen dat er met de landelijke uniforme beoordeling
van meerzorg thuis met een pgb meer ruimte komt voor maatwerk waar dit nodig is voor
de betreffende thuiswonende cliënten, om te kunnen voorzien in de zorgbehoefte. Wordt
hierbij ook meegenomen dat in sommige gevallen de inzet van zorgprofessionals/(in)formele
zorg en ondersteuning kan worden voorkomen of verminderd door een betere inzet van
hulpmiddelen, zoals een tillift? Zo nee, waarom niet?
II. Reactie van de Minister
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
M. Mohandis, voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport -
Mede ondertekenaar
E.M. Sjerp, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.