Inbreng verslag schriftelijk overleg : Inbreng verslag van een schriftelijk overleg over de Fiches: Simplificatie NIS2-richtlijn (Kamerstuk 22112-4284) en Herziening Cybersecurity Act (Kamerstuk 22112-4286)
2026D15953 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Binnen de vaste commissie voor Digitale Zaken hebben enkele fracties de behoefte om
enkele vragen en opmerkingen voor te leggen aan de Minister van Justitie en Veiligheid
inzake «Fiches Simplificatie NIS2-richtlijn (Kamerstuk 22 112, nr. 4284) en Herziening Cybersecurity Act (Kamerstuk 22 112, nr. 4286)».
De voorzitter van de commissie,
Dekker
Adjunct-griffier van de commissie,
Muller
Inhoudsopgave
I
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de GL-PvdA-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
II
Antwoord/reactie van de bewindspersoon
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de fiches. Hierover
hebben deze leden nog enkele vragen.
Zij onderschrijven het belang van versterkte Europese samenwerking op het gebied van
cyberveiligheid, mede gelet op de toename van cyberdreigingen en de groeiende digitale
afhankelijkheden. De leden van de D66-fractie vragen het kabinet hoe zij de balans
beoordeelt tussen versterkte EU-coördinatie en het behoud van nationale bevoegdheden,
in het bijzonder waar het gaat om de uitbreiding van het mandaat van het Europees
Agentschap voor netwerk- en informatiebeveiliging (ENISA). Hoe wordt voorkomen overlap
ontstaat met nationale structuren zoals Computer Security Incident Response Teams
(CSIRT’s), en welke inzet kiest het kabinet ten aanzien van de voorgestelde operationele
taken van ENISA?
Voorts onderschrijven deze leden het belang van het beperken van risico’s van hoog-risicoleveranciers.
Daarnaast vragen zij hoe het kabinet aankijkt tegen de voorgestelde bevoegdheden van
de Europese Commissie met betrekking tot ICT-toeleveringsketens en het aanwijzen van
hoog-risico leveranciers. Welke waarborgen gelden hierbij, hoe wordt de proportionaliteit
van maatregelen zoals verplichte uitfasering geborgd en welke gevolgen verwacht het
kabinet voor Nederlandse bedrijven en vitale infrastructuur? Tevens vragen de leden
van de D66-fractie hoe wordt voorkomen dat certificering feitelijk toezicht vervangt
en leidt tot onevenredige lasten.
Deze leden steunen het streven naar vereenvoudiging en harmonisatie van het Europese
cyberbeveiligingskader. Zij vragen het kabinet hoe de voorgestelde wijzigingen bijdragen
aan lastenverlichting voor bedrijven en toezichthouders. Daarnaast zijn de leden van
de D66-fractie benieuwd hoe wordt geborgd dat vereenvoudiging niet ten koste gaat
van het cyberbeveiligingsniveau. In het bijzonder vragen deze leden hoe de introductie
van nieuwe categorieën entiteiten en aanpassingen in het toepassingsbereik in de praktijk
uitwerken.
Tot slot vragen zij hoe het kabinet de voorgestelde harmonisatie beoordeelt, waarbij
lidstaten minder ruimte krijgen om strengere eisen te stellen. In hoeverre acht het
kabinet dit wenselijk, mede gelet op nationale veiligheidsbelangen en bestaande instrumenten?
Ook vragen de leden van de D66-fractie hoe de opeenvolging van regelgeving, terwijl
de implementatie van de NIS2-richtlijn nog niet is afgerond, zich verhoudt tot rechtszekerheid
en uitvoerbaarheid voor betrokken partijen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de Fiches
Simplificatie NIS2-richtlijn (Kamerstuk 22 112-4284) en Herziening Cybersecurity Act (Kamerstuk 22 112-4286) (hierna: fiches). Deze leden onderschrijven het belang van een hoog niveau van cyberweerbaarheid
in Europa, juist in een tijd waarin statelijke dreigingen, sabotage en afhankelijkheden
in digitale ketens toenemen. Tegelijkertijd achten deze leden het essentieel dat nieuwe
Europese regelgeving uitvoerbaar blijft voor ondernemers en dat onnodige regeldruk
wordt voorkomen. Zij stellen nog enkele vragen.
De leden van de VVD-fractie steunen het uitgangspunt dat de implementatie van de NIS2-richtlijn
eenvoudiger en beter uitvoerbaar moet worden gemaakt. Tijdens het wetgevingsoverleg
over de Cyberbeveiligingswet en de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten op 23 maart
2026 heeft de VVD-fractie reeds benadrukt dat cyberweerbaarheid pas effectief is wanneer
bedrijven en instellingen niet verdwalen in overlappende meldplichten, verschillende
toezichtregimes en onduidelijke verantwoordelijkheidsverdelingen. Deze leden vragen
het kabinet daarom hoe wordt voorkomen dat de voorgestelde Europese vereenvoudiging
in de praktijk juist leidt tot nieuwe complexiteit, bijvoorbeeld doordat certificering
naast bestaande nationale toezichtsystemen komt te staan in plaats van deze te vereenvoudigen?
Zij constateren dat de Europese Commissie certificering nadrukkelijker wil inzetten
als bewijs van naleving van zorgverplichtingen. De leden van de VVD-fractie begrijpen
het streven naar uniformiteit, maar vragen het kabinet nadrukkelijk te bevestigen
dat certificering nooit een papieren tijger mag worden als het gaat om feitelijke
cyberweerbaarheid. Hoe voorkomt het kabinet dat nationale toezichthouders in audit-
en inspectiebevoegdheden worden beperkt zodra certificering aanwezig is? En hoe wordt
voorkomen dat bedrijven worden geconfronteerd met certificeringsverplichtingen terwijl
certificeringsschema’s nog niet volledig beschikbaar of operationeel zijn? Deze leden
wijzen daarnaast op het advies van de Raad van State over de Cyberbeveiligingswet,
waarin is gewezen op het belang van heldere taakafbakening tussen verschillende toezichthouders
en bevoegde autoriteiten. In welke mate wordt dit advies volgens het kabinet opgevolgd
met dit nieuwe voorstel?
Zij onderschrijven dat Europa strategischer moet omgaan met risicovolle afhankelijkheden
in vitale digitale infrastructuur. Tegelijkertijd vragen zij of het kabinet van mening
is dat de Europese Commissie voldoende transparante criteria hanteert bij het aanwijzen
van derde landen of leveranciers als hoog-risico leveranciers? Op basis van welke
objectieve criteria worden landen en leveranciers als hoog-risico aangemerkt? Welke
formele rol behouden lidstaten bij deze aanwijzingen? In hoeverre kan Nederland zelfstandig
aanvullende nationale veiligheidsafwegingen blijven maken wanneer nationale dreigingsbeelden
daartoe aanleiding geven?
De leden van de VVD-fractie zien dat de Commissie bedrijven verplicht kan laten overgaan
tot uitfasering van technologie van hoog-risicoleveranciers. Deze leden erkennen dat nationale veiligheid soms ingrijpende keuzes
vereist, maar wijzen erop dat verplicht vervangen van bestaande infrastructuur grote
gevolgen kan hebben voor investeringen, leveringszekerheid en continuïteit van vitale
diensten. Zij vragen daarom hoe wordt voorkomen dat verplichte uitfasering leidt tot
verstoringen van vitale dienstverlening en welke overgangstermijnen het kabinet noodzakelijk
acht om de uitvoerbaarheid te waarborgen?
Vragen en opmerkingen van de leden van de GL-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van zowel de voorgestelde
simplificatie van de NIS2-richtlijn (en de kabinetspositie) als de herziening van
de Cybersecurity. Deze leden hebben vragen en opmerkingen, ook gezien recent de Cyberbeveiligingswet
is behandeld die de NIS2-richtlijn implementeert. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
zijn benieuwd naar de gevolgen van de simplificatie voor deze wetgeving.
Deze leden zijn ervan op de hoogte dat de deadline voor de implementatie van de NIS2-richtlijn
(17 oktober 2024) door Nederland niet is gehaald. Het valt op dat het Nederland vaker
niet lukt om de implementatiedeadlines van Europese richtlijnen te halen. Dit baart
deze leden zorgen, vooral als dit richtlijnen betreft die de cyberveiligheid van Nederland
raken. Snelle implementatie is nodig om tijdig te reageren op nieuwe ontwikkelingen
in het cyberdomein. Kan het kabinet aangeven wat de redenen zijn voor het vertraagd
implementeren van verschillende richtlijnen in het verleden en wat het kabinet wil
gaan doen om ervoor te zorgen dat de richtlijnen die in deze fiches worden besproken,
en toekomstige richtlijnen, wél tijdig geïmplementeerd worden?
Zij lezen dat voortaan elektriciteitsproducenten alleen onder de NIS2-richtlijn vallen
als zij een totale opwekkingscapaciteit van meer dan 1 megawatt hebben. De leden van
de GroenLinks-PvdA-fractie zijn benieuwd naar de praktische gevolgen hiervan voor
Nederland. Hoeveel elektriciteitsproducenten die minder dan 1 megawatt produceren
kent Nederland? Wat is het totale aandeel van deze producenten van de elektriciteitsproductie
in Nederland? Betekent het feit dat deze «kleine» elektriciteitsproducenten worden
uitgesloten van de NIS2-richtlijn dat er geen controlemechanisme meer is om ervoor
te zorgen dat ook deze elektriciteitsproducenten cyberveilig zijn? En zo ja, wat zouden
dan bijvoorbeeld de gevolgen zijn voor het Nederlandse elektranetwerk indien al deze
«kleine» elektriciteitsproducenten te maken krijgen met bijvoorbeeld sabotage?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben een vergelijkbare vraag ten aanzien
van DNS (Domain Name System)-dienstverleners. Hoeveel van deze dienstverleners die
binnen de Nederlandse jurisdictie vallen worden als micro of klein beschouwd? Wat
zijn de definities van een micro of kleine DNS-dienstverlener en hoe groot is hun
aandeel in de markt? Heeft de Minister zicht op hoeveel kritieke entiteiten, vitale
organisaties of organisaties die onder de NIS2-richtlijn vallen gebruik maken van
een micro of kleine DNS-dienstverlener die hiermee minder veilig zouden kunnen zijn?
Of betekent dit een effectief verbod voor dergelijke entiteiten en organisaties om
gebruik te maken van een micro of kleine DNS-dienstverlener?
Deze leden snappen de behoefte voor een certificeringsraamwerk, maar zijn ook verbaasd
dat toezichthouders entiteiten niet (meer) mogen onderwerpen aan beveiligingsaudits
voor zover de betreffende onderdelen door de certificering worden gedekt. Zij begrijpen
dat dit iets doet aan de regeldruk, maar maken zich ook zorgen over hoe zij in de
praktijk regelmatig een «papieren» certificering zien waarbij wordt voldaan aan de
eisen die de certificering oplegt maar niet wordt gecontroleerd of die eisen ook daadwerkelijk
worden nageleefd. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie roepen de Minister op om
zich in te zetten voor het behoud van de controlemogelijkheden van toezichthouders.
Wat is de inzet van het kabinet in Brussel op dit gebied? Wat is de positie van andere
lidstaten hierop?
Deze leden lezen tevens dat de Europese Commissie een maximumharmonisatie voorstelt
in relatie tot de uitvoeringshandelingen met betrekking tot de zorgplichtmaatregelen.
Hiermee wordt lidstaten de bevoegdheid ontzegd om, zoals nu nog wel mogelijk is, bepalingen
vast te stellen of te handhaven die een hoger cyberbeveiligingsniveau waarborgen.
Zij zijn hier hoogst verbaasd over. Hoewel de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
snappen dat dit leidt tot minder complexiteit, merken zij op dat dit in de praktijk
ook regelmatig leidt tot lagere eisen en dus minder veiligheid. Zij roepen het kabinet
dan ook op om zich in te zetten om deze maximumharmonisatie uit het voorstel te halen.
Acht het kabinet de voorgestelde maximumharmonisatie proportioneel en verstandig?
Behouden lidstaten ruimte om hogere beveiligingsniveaus te hanteren voor kritieke
infrastructuur? Welke mogelijkheden behouden nationale toezichthouders om in te grijpen
bij acute cyberdreigingen? Welke lidstaten zijn voor- en tegenstander van deze maximumharmonisatie?
Heeft Nederland medestanders in het verzet tegen deze maximumharmonisatie?
Deze leden lezen dat het kabinet positief staat tegenover het beperken van het toepassingsbereik
van elektriciteitsproducenten zodat alleen producenten die daadwerkelijk impact kunnen
hebben op de stabiliteit van het elektriciteitsnetwerk onder het toepassingsbereik
van de NIS2-richtlijn vallen. Zij zijn hier toch enigszins verbaasd over. Kan het
kabinet aangeven wat het gevolg voor de stabiliteit van het elektriciteitsnetwerk
in Nederland zou zijn als alle producenten die minder dan 1 megawatt produceren gelijktijdig
verstoord raken? Is ons netwerk in staat om een dergelijke klap te ondervangen? Deelt
het kabinet de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie eens dat een dergelijke sabotageactie
van een statelijke actor, ook naar aanleiding van sabotageacties die reeds zijn waargenomen
in bijvoorbeeld Oekraïne in de afgelopen jaren, niet ondenkbaar is? Kan het kabinet
aangeven waarom het, indien een dergelijke sabotageactie denkbaar is en ons netwerk
een dergelijke klap niet op kan vangen, toch voorstander is van het uitsluiten van
dergelijke elektriciteitsproducenten van de NIS2-richtlijn?
Deze leden hebben ook kennisgenomen van de voorgestelde herziening van de Cybersecurity
Act (CSA2). Deze bevat een herschikking van taken en verantwoordelijkheden, waarin
deze meer op Europees niveau worden belegd. Net als het kabinet zien deze leden voor-
en nadelen waar zij nog vragen en opmerkingen over hebben.
Zij roepen in herinnering dat de Kamer recent de Cyberbeveiligingswet (Cbw) en de
Wet weerbaarheid kritieke entiteiten (Wwke) heeft behandeld. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
vragen het kabinet om duidelijk toe te lichten welke gevolgen de herziening van de
CSA heeft voor de twee wetten. Op welke wijze is er rekening gehouden met de CSA2
in hoe de wetten zijn vormgegeven, en voorziet het kabinet dat er wetswijzigingen
nodig zijn om de Cbw en de Wwke in lijn te brengen met de CSA2? Zo ja, op welke termijn
verwacht het kabinet dat deze aanpassingen nodig zullen zijn? Ook vragen deze leden
de informatievoorziening van de overheid, bijvoorbeeld via handreikingen en bewustwordingscampagnes,
nog actueel is als de CSA wordt herzien. Specifiek vragen zij om meer uitleg te geven
over de zelfscantool die TNO verzocht is te ontwikkelen. Hoe verhoudt deze zich tot
de vitaalbeoordeling die moet plaatsvinden onder de Cbw en de Wwke? Wat is het doel
van die tool, wordt hierin al rekening gehouden met de herziening van de CSA, en wat
moeten vitale aanbieders doen met de uitkomsten? Per wanneer is de tool gereed?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat er een verschuiving plaatsvindt
van de CSA als middel om cyberveiligheid te vergroten, naar een CSA die ook ingezet
wordt voor Europese economische veiligheid en diplomatieke doeleinden. Het is onmogelijk
om de herziening los te zien van de wens om met name Chinese leveranciers van de Europese
markt te weren. Deze leden hebben begrip voor de voorgestelde maatregelen om leveranciers
te weren, maar er bestaan zorgen over de diplomatieke gevolgen, de beperkte zeggenschap
van lidstaten, en de uitvoerbaarheid van interventies voor entiteiten.
Deze leden vragen het kabinet hoe zij kijkt naar de geopolitieke en de economische
dimensie van de CSA. Vindt het kabinet het wenselijk dat via leveranciersverboden
en certificeringsschema’s de Europese strategische autonomie wordt versterkt? Ziet
het kabinet het afbouwen van strategische afhankelijkheden en het stimuleren van Europese
alternatieven als terecht doelen van de CSA? Zo niet, hoe kunnen deze doelen dan beter
worden bereikt?
Zij lezen het kabinetsstandpunt over het Europese Agentschap voor Cyberveiligheid
(ENISA) met interesse. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn van mening dat
ENISA een ondersteunende en faciliterende rol moet spelen richting lidstaten en toezichthouders.
Tegelijk zijn deze leden waakzaam dat de rol van lidstaten en toezichthouders niet
wordt beperkt. Kan het kabinet toelichten wat, naar haar mening, de ideale inrichting
en het takenpakket zou zijn van ENISA, zodat lidstaten maximaal ondersteund worden?
Welke concrete suggesties doet het kabinet om naar dit ideaalbeeld toe te werken?
Als de voorstellen over ENISA niet wijzigen t.o.v. het huidige Commissievoorstel,
gaat Nederland daar dan mee akkoord?
Zij zijn positief over het voorstel voor een certificeringsraamwerk. Dit zorgt volgens
hen voor een eerlijkere markt, waarin Europese aanbieders vooraf kunnen aantonen dat
zij voldoen aan alle relevante wet- en regelgeving. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
hopen ook dat autonomie expliciet onderdeel wordt van het Europese raamwerk, zodat
aanbieders die bewezen autonome diensten leveren bij aanbestedingen een eerlijke kans
krijgen. Is dit het geval, en deelt het kabinet deze opvatting? Deze leden lezen voorts
dat het kabinet zich inzet «om te zorgen dat certificering technisch van aard blijft»:
zij vragen om dit standpunt uit te leggen. Hoe heeft Nederland dit bepleit? Ook vragen
deze leden welke termijn voor het opstellen van certificatieschema’s wél reëel is.
Zij onderschrijven de zorg dat het toezicht op orde moet blijven en niet feitelijk
verzwakt mag worden. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen het kabinet welke
voorstellen zij doet om de toezichthouders in positie te houden. Het pleidooi van
het kabinet voor risico-gebaseerd en niet-discriminatoir uitsluiten van leveranciers
staat op gespannen voet met wat de Commissie voorstelt en de rol van ENISA die groeit.
Ook krijgt de Commissie de bevoegdheid om hele landen aan te wijzen als riskant en
om leveranciers als «hoog risico» aan te merken. Hoe kijkt het kabinet naar deze bevoegdheid
van de Commissie in relatie tot de interventiebevoegdheid die is opgenomen in het
Cyberbeveiligingsbesluit en het Besluit weerbaarheid kritieke entiteiten?1 Is het weren van producten en diensten bij entiteiten onder de CSA2 nog een nationale
bevoegdheid? Hoe ziet het kabinet dit voor zich?
Deze leden benadrukken de noodzaak om strategische digitale afhankelijkheden af te
bouwen. Het grootste cyberveiligheidsrisico in hun ogen is de totale dominantie van
enkele niet-Europese bedrijven in de digitale markt. Dit maakt de EU als geheel gevoelig
voor politieke druk. De CSA2 mag dan ook niet uitsluitend zien op het weren van Chinese
leveranciers, terwijl keer op keer wordt erkend dat ook de Verenigde Staten de machtspositie
van haar techgiganten misbruikt om druk uit te oefenen op Europese besluitvorming.
Ook moeten deze bedrijven voldoen aan Amerikaanse spionagewetgeving, zoals de CLOUD
Act, de Foreign Intelligence Surveillance Act, en Executive Order 12333. Welke rol
ziet het kabinet voor de CSA2 weggelegd om marktmonopolies te doorbreken? Voldoen
Amerikaanse leveranciers, die moeten voldoen aan de zojuist genoemde wetgeving, aan
de criteria om aangemerkt te worden als «hoog risico» en afkomstig uit «een land dat
cyberzorgen met zich meebrengt»? Zo nee, waarom zij niet, en Chinese leveranciers
in de telecomsector bijvoorbeeld wel?
Tot slot vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie of ook overwogen is om het
uitsluiten van producten en diensten minder afhankelijk te maken van het land van
afkomst. Een product uit een bevriend land kan evengoed een kwetsbaarheid bevatten
die cyberrisico’s met zich meedraagt. Wat vindt het kabinet van een nationale, of
zelfs een Europese, bevoegdheid om productverboden of leveranciersverboden op te leggen,
los van de banden met een land? Zijn deze mogelijkheden onderzocht in het kader van
de Cbw en de Wwke, die nu enkel een interventiebevoegdheid bevatten die ziet op het
weren van producten en diensten bij specifieke entiteiten in plaats van een algemene
interventie op het mogen leveren van die producten en diensten?
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de fiches
over de herziening van de Cybersecurity Act en de vereenvoudiging van de NIS2-richtlijn.
Deze leden onderschrijven het belang van een sterker Europees cyberbeveiligingskader
en van het verminderen van risicovolle strategische afhankelijkheden in vitale digitale
infrastructuur. Tegelijk achten zij het van belang dat nieuwe Europese bevoegdheden
voldoende risicogebaseerd, proportioneel en uitvoerbaar blijven, en dat nationale
veiligheidsafwegingen en effectief toezicht niet onnodig worden uitgehold.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de Commissie de bevoegdheid krijgt om derde
landen en leveranciers als hoog risico aan te wijzen en daaraan bindende gevolgen
te verbinden. Deze leden vragen op basis van welke criteria deze aanwijzingen plaatsvinden,
welke rol lidstaten in deze besluitvorming behouden en hoe wordt geborgd dat nationale
dreigingsbeelden en bestaande nationale instrumenten voldoende gewicht houden.
Voorts vragen zij hoe het kabinet aankijkt tegen de proportionaliteit en uitvoerbaarheid
van de verplichte uitfasering van technologie van hoog-risicoleveranciers, in het
bijzonder in telecom- en andere vitale netwerken. Welke voorwaarden acht het kabinet
daarbij noodzakelijk ten aanzien van de continuïteit van dienstverlening, de beschikbaarheid
van alternatieve technologie, differentiatie naar het risicoprofiel van netwerkonderdelen
en realistische overgangstermijnen?
De leden van de CDA-fractie lezen daarnaast dat certificering een veel centralere
rol krijgt binnen het Europese cyberkader. Deze leden vragen hoe het kabinet voorkomt
dat certificering in de praktijk een indirect instrument voor uitsluiting of markttoegang
wordt, terwijl de onderliggende Europese certificeringskaders nog niet volledig zijn
uitgewerkt. Ook vragen zij hoe wordt voorkomen dat het verminderen van afhankelijkheden
uiteindelijk leidt tot nieuwe afhankelijkheden van een zeer beperkt aantal leveranciers.
Ten aanzien van de vereenvoudiging van NIS2 vragen de leden van de CDA-fractie hoe
het kabinet zich inzet om audit- en inspectiebevoegdheden van nationale toezichthouders
te behouden, juist omdat certificering niet steeds een volledig beeld geeft van actuele
risico’s of sectorspecifieke kwetsbaarheden. Ook vragen deze leden hoe ruimte behouden
blijft voor andere bestaande normenkaders, zodat dubbel werk en onnodige lasten worden
voorkomen.
Tot slot vragen zij hoe het kabinet de versterkte rol van het ENISA en de voorgestelde
maximumharmonisatie beoordeelt. Waar ligt voor het kabinet de grens tussen nuttige
Europese coördinatie en een onwenselijke beperking van nationale beleidsruimte, zeker
wanneer nationale veiligheid of een specifieke dreiging aanleiding geeft tot aanvullende
maatregelen?
Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie
De leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen van de onderhavige stukken inzake
de fiches over de herziening van de Cybersecurity Act en de vereenvoudiging van de
NIS2-richtlijn.
Deze leden besteden graag aandacht aan de versterkte rol van ENISA binnen het kader
van het voorstel voor de herziening van de Cyber Security Act. ENISA fungeert als
expertisecentrum voor cyberbeveiliging binnen de EU en krijgt met het voorstel een
aanzienlijk uitgebreid mandaat, waarbij de organisatie zowel coördinerend als operationeel
optreedt op het gebied van beleid, regelgeving en capaciteitsopbouw. ENISA zal een
belangrijke rol vervullen bij de operationele samenwerking tussen lidstaten, onder
meer door het faciliteren van informatie-uitwisseling. Zo wordt ENISA ook verantwoordelijk
voor een early alerts-dienst voor CSIRT’s en entiteiten, en voor het monitoren van
trends en ransomware-aanvallen. Bovendien zal ENISA ondersteuning bieden bij concrete
incidenten via een helpdesk.
Deze leden zien deze versterking van ENISA als een kans voor betere samenwerking,
maar wijzen ook op een aantal aandachtspunten en potentiële risico’s op het gebied
van coördinatie en verantwoordelijkheidsafbakening. Deze leden hebben de volgende
vragen: hoe voorkomen we overlap of dubbel werk tussen ENISA en de nationale CSIRT’s,
en wie grijpt in als er overlap ontstaat? Kan het kabinet toelichten wat er gebeurt
bij grensoverschrijdende incidenten die meerdere lidstaten raken: wie heeft de leiding
en regie? Kan het kabinet verduidelijken, hoe bij grootschalige grensoverschrijdende
incidenten de coördinatie wordt georganiseerd, en hoe versnippering wordt voorkomen
als operationele taken bij nationale CSIRT’s blijven?
Zij besteden verder graag aandacht aan het voorstel van de Cyber Security Act rond
de aanwijzing van hoog-risicoleveranciers binnen Europese en nationale infrastructuren.
Het voorstel geeft de Europese Commissie de bevoegdheid om leveranciers uit derde
landen, zoals China, Rusland en Noord-Korea, aan te merken als hoog-risico. Leveranciers
die als hoog-risico worden aangemerkt, mogen vervolgens niet deelnemen aan overheidsaanbestedingen
of aanspraak maken op EU-financiering. Dit kan bijdragen aan het versterken van de
cyberbeveiliging. Tegelijkertijd kunnen lidstaten zelf hoog-risico leveranciers aanwijzen,
waardoor sprake is van een combinatie van nationale en EU-brede maatregelen. Dit beleid
is gericht op het versterken van de cyberveiligheid en strategische autonomie van
Europa, blijven er belangrijke vragen bestaan op het gebied van proportionaliteit,
nationale zeggenschap en de betrouwbaarheid van de risicobeoordelingen. Het instrument
dat de Europese Commissie zal introduceren voor risicobeoordelingen is namelijk nog
niet volledig operationeel, enkel deels, waardoor extra aandacht voor waarborgen en
uitvoering nodig is.
De leden van de JA21-fractie zijn tevreden over deze strategische autonomie, maar
hebben de volgende vragen: in hoeverre wordt het proportionaliteitsbeginsel gehanteerd,
zodat economische schade beperkt blijft wanneer leveranciers als hoog-risico worden
aangemerkt? Kan het kabinet verduidelijken welke mogelijkheden en criteria er bestaan
om een leverancier in de toekomst weer van de hoog-risicolijst te verwijderen? Is
er voorzien in periodieke herbeoordeling? Kan het kabinet verder toelichten in hoeverre
lidstaten zelf de controle over de aanwijzing van hoog-risico leveranciers (preventieve
uitsluiting) behouden? Kan het kabinet bovendien toelichten hoe wordt voorkomen dat
de Europese Commissie te veel macht krijgt in nationale veiligheidskwesties? Kan het
kabinet tot slot toelichten hoe betrouwbaar de risicobeoordelingen zijn, en of er
hierbij voldoende handvatten voor de uitvoering zijn, aangezien het instrument dat
de Commissie zal introduceren nog niet (geheel) aanwezig is?
Deze leden willen daarnaast nog aandacht vragen voor de evaluatiebepaling van het
voorstel. Volgens het voorstel vindt een eerste evaluatie plaats na vijf jaar, gevolgd
door periodieke evaluaties elke vijf jaar. Tegelijkertijd wordt voorzien dat de implementatie
van het voorstel circa anderhalf jaar in beslag zal nemen, waardoor de regeling pas
na verloop van tijd volledig operationeel zal zijn.
Zij merken op dat dit betekent dat eventuele knelpunten of onvoorziene effecten pas
relatief laat in beeld komen. Juist bij complexe en ingrijpende regelgeving op het
gebied van cybersecurity, waarin technologische ontwikkelingen en dreigingen zich
snel opvolgen, is het van belang dat wetgeving tijdig kan worden bijgesteld indien
deze in de praktijk niet effectief of proportioneel blijkt te zijn. Een te lange evaluatietermijn
kan ertoe leiden dat inefficiënties of uitvoeringsproblemen onnodig lang blijven bestaan.
Een evaluatietermijn van drie jaar zou daarom passend zijn. Kan het kabinet toelichten
of de evaluatietermijn kan worden verkort en of een eerste evaluatie na drie jaar
niet passender zou zijn, zodat eventuele tekortkomingen eerder kunnen worden gesignaleerd
en aangepakt?
De leden JA21-fractie willen tevens aandacht vragen voor de samenloop van verschillende
wettelijke kaders op het gebied van cyberbeveiliging. Organisaties kunnen in de praktijk
onder meerdere wetten vallen, zoals de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten (WWKE),
de Cyberbeveiligingswet (Cbw) en de Cybersecurity Act, die elk eigen verplichtingen
kennen, bijvoorbeeld ten aanzien van zorgplicht, meldplicht en certificering. Dit
kan ertoe leiden dat bij niet-naleving meerdere sancties worden opgelegd voor verschillende
overtredingen.
Deze leden begrijpen dat niet twee bestuurlijke boetes naast elkaar kunnen worden
opgelegd indien het gaat om dezelfde overtreding. Het kan echter voorkomen dat de
overtredingen verschillend zijn. Kan het kabinet daarom toelichten hoe in de praktijk
wordt geborgd dat toezichthouders gescheiden sancties opleggen voor verschillende
wettelijke verplichtingen, en hoe wordt voorkomen dat dit leidt tot onevenredige (financiële)
lasten voor organisaties, terwijl tegelijkertijd de cyberweerbaarheid en naleving
van alle relevante regels wordt gewaarborgd?
Zij willen tot slot ingaan op de voorgestelde verplichting tot uitfasering van apparatuur
van hoog-risicoleveranciers binnen kritieke infrastructuren. Deze verplichting kan
grote financiële en operationele gevolgen hebben voor telecombedrijven en andere aanbieders
van vitale diensten. Daarbij speelt dat niet alle netwerkonderdelen per definitie een hoog risicoprofiel hebben, waardoor het niet
noodzakelijk hoeft te zijn om alle apparatuur te vervangen. Dit roept vragen op over
de proportionaliteit en uitvoerbaarheid.
De leden van de JA21-fractie maken zich zorgen over het feit dat lidstaten verschillen
in hun afhankelijkheid van specifieke buitenlandse leveranciers, wat de onderhandelingen
complex maakt en kan leiden tot politieke spanningen. Ook is het van belang dat maatregelen
rondom uitfasering in lijn zijn met bestaande handelsafspraken en internationale verplichtingen,
en dat zij niet leiden tot nadelige effecten voor de concurrentiepositie van Europese
bedrijven. Tegelijkertijd moet worden voorkomen dat het beperken van het aantal toegestane
leveranciers juist leidt tot nieuwe afhankelijkheden.
Deze leden stellen daarom de volgende vragen: kan het kabinet toelichten of de uitfasering
van Chinese of andere buitenlandse technologieën wordt afgestemd op bestaande handelsafspraken
of internationale verplichtingen? Kan het kabinet verduidelijken hoe het beleid bij
kan dragen aan strategische autonomie zonder Europese bedrijven te benadelen in internationale
concurrentie, mede gezien het feit dat niet elk netwerkonderdeel een hoog risicoprofiel
heeft? Kan het kabinet ook toelichten hoe de verwachte kosten eruit zien voor kleinere
bedrijven of leveranciers van kritieke infrastructuur, en kan het kabinet toelichten
hoe deze kleinere bedrijven financiële lasten redelijkerwijs kunnen dragen, wordt
er rekening gehouden met de financiële draagkracht? Hoe waarborgt het kabinet bovendien
dat Cyber Security Act niet leidt tot een te beperkte groep leveranciers en zo de
strategische afhankelijkheid vergroot? Kan het kabinet eveneens benadrukken hoe lock-ins
(vastzitten aan één leverancier) en operationele kwetsbaarheid worden voorkomen, wanneer
bepaalde leveranciers beperkt beschikbaar zijn?
Zij hebben gezien dat het voorstel een nieuwe categorie kleinere bedrijven («small
mid-cap»), introduceert, zodat zij onder lichter toezicht vallen. Ook European Business
Wallets vallen nu ook onder de Richtlijn. Bedrijven kunnen aantonen dat ze voldoen
aan de zorgplicht via een certificaat, waardoor extra audits door toezichthouders
niet nodig zijn. Dit verlaagt de regeldruk, vooral voor bedrijven die in meerdere
EU-landen actief zijn.
De leden van de fractie JA21-fractie hebben de volgende vragen: Kan het kabinet aangeven
welke Nederlandse entiteiten door deze wijzigingen nieuw in scope komen, waaronder
ook European Business Wallets, en hoeveel entiteiten naar verwachting geraakt worden
door de nieuwe categorie small mid-cap? Wat betekent dit concreet voor toezicht, regeldruk
en cyberweerbaarheid? Kan het kabinet bovendien toelichten hoeveel Nederlandse entiteiten
hierdoor naar verwachting van essentieel naar belangrijk zullen verschuiven met de
introductie van de nieuwe categorie small mid-cap?
Deze leden lezen verder dat het kabinet een bredere definitie van ransomware voorstaat
en wil dat essentiële informatie in de richtlijn zelf wordt opgenomen. Welke definitie
van ransomware wil het kabinet concreet bepleiten, mede gelet op nieuwe vormen van
afpersing waarbij niet uitsluitend sprake is van versleuteling, maar wel van een losgeldeis?
Acht het kabinet het verder wenselijk dat informatie over aanvalsvectoren, ransom-verzoeken,
betalingen en betaalde bedragen rechtstreeks in de richtlijn wordt opgenomen in plaats
van deels afhankelijk te maken van toekomstige uitvoeringshandelingen?
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de twee belangrijke
voorstellen om de digitale weerbaarheid van de Europese Unie te versterken en hebben
nog enkele vragen.
Allereerst vragen deze leden hoe de Minister de waarschuwing van het Adviescollege
toetsing regeldruk (ATR) beoordeelt dat de regeldrukeffecten van het uitgebreide toepassingsbereik
en de nieuwe richtlijnen van ENISA nog onvoldoende in kaart zijn gebracht.
Verder lezen zij dat het kabinet aangeeft dat de voorgestelde implementatietermijn
van 12 maanden voor de NIS2-wijzigingen niet haalbaar is. Welke concrete stappen onderneemt
de Minister in Brussel om een realistische termijn van minimaal 18 maanden te bepleiten,
zodat ondernemers niet opnieuw in de knel komen door te krappe deadlines?
Tot slot vragen de leden van de BBB-fractie: waarom ondersteunt de Minister de uitbreiding
van het register bij ENISA naar alle essentiële en belangrijke entiteiten, terwijl
het kabinet zelf toegeeft dat de noodzaak hiervan ongeclausuleerd en onvoldoende onderbouwd
is?
II Antwoord/reactie van de bewindspersoon
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
R.J. Dekker, voorzitter van de vaste commissie voor Digitale Zaken -
Mede ondertekenaar
Alisha Müller, Tweede Kamerlid
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.