Verslag van een commissiedebat : Verslag van een commissiedebat, gehouden op 26 maart 2026, over GGZ / Suïcidepreventie
25 424 Geestelijke gezondheidszorg
Nr. 786
VERSLAG VAN EEN COMMISSIEDEBAT
Vastgesteld 29 mei 2026
De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft op 26 maart 2026 overleg
gevoerd met mevrouw Hermans, Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, over:
– de brief van de Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport d.d. 24 april 2025 inzake
uitkomst bestuurlijk overleg cruciale ggz over verdere beperking marktwerking in de
acute ggz (Kamerstuk 25 424, nr. 748);
– de brief van de Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport d.d. 4 juli 2025 inzake
uitstelbrief Actieprogramma Mentale gezondheid & ggz (Kamerstuk 25 424, nr. 764);
– de brief van de Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport d.d. 2 juli 2025 inzake
reactie op verzoek commissie over de petitie Stop eenzame opsluiting in de ggz (Kamerstuk
25 424, nr. 763);
– de brief van de Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport d.d. 9 september 2025 inzake
contouren Actieprogramma Mentale gezondheid & ggz (Kamerstuk 25 424, nr. 767);
– de brief van de Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport d.d. 20 oktober 2025 inzake
rapport van de Raad voor Volksgezondheid & Samenleving: Op de rem! Voorbij de hypernerveuze
samenleving (Kamerstuk 25 424, nr. 770);
– de brief van de Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport d.d. 9 oktober 2025 inzake
stand van zaken uitvoering moties en toezegging naar aanleiding van de initiatiefnota
van het lid De Korte over een kritische reflectie op euthanasie bij psychisch lijden
van jonge mensen (Kamerstuk 36 624) (Kamerstuk 36 624, nr. 17);
– de brief van de Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport d.d. 3 oktober 2025 inzake
verzamelbrief curatieve ggz (Kamerstuk 25 424, nr. 768);
– de brief van de Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport d.d. 3 oktober 2025 inzake
rapport van het ibo over mentale gezondheid en ggz (Kamerstuk 25 424, nr. 769);
– de brief van de Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport d.d. 17 december 2025 inzake
Versterkingsagenda Mentale gezondheid & ggz (Kamerstuk 25 424, nr. 774);
– de brief van de Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport d.d. 15 december 2025 inzake
stand van zaken moties en toezeggingen over de geestelijke gezondheidszorg (ggz) (Kamerstuk
25 424, nr. 773);
– de brief van de Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport d.d. 13 januari 2026 inzake
reactie op verzoek commissie over een burgerbrief over artikel 3:3, lid 1 van de Wvggz
(Kamerstuk 25 424, nr. 775);
– de brief van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 9 maart 2026 inzake
antwoorden op vragen commissie over verzamelbrief curatieve ggz (Kamerstuk 25 424, nr. 768) (Kamerstuk 25 424, nr. 780);
– de brief van de Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport d.d. 12 februari 2026 inzake
advies NZa over budgetbekostiging voor de high & intensive care (HIC) en de intensive
home treatment (IHT) (Kamerstuk 25 424, nr. 778);
– de brief van de Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport d.d. 11 februari 2026 inzake
beleidsreactie op het rapport Op de rem! Voorbij de hypernerveuze samenleving (Kamerstuk
25 424, nr. 777);
– de brief van de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport d.d. 17 maart 2026 inzake
voortgang langdurige ggz (Kamerstuk 25 424, nr. 781).
Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.
De voorzitter van de commissie, Mohandis
De griffier van de commissie, Esmeijer
Voorzitter: Mohandis
Griffier: Heller
Aanwezig zijn twaalf leden der Kamer, te weten: Bikker, Coenradie, Diederik van Dijk,
Dobbe, Ten Hove, Van Meetelen, Mohandis, Synhaeve, Tijmstra, Wendel, Westerveld en
Wiersma,
en mevrouw Hermans, Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
Aanvang 14.30 uur.
De voorzitter:
Ik open de vergadering. Welkom allemaal bij het commissiedebat met als hoofdonderwerp
ggz en suïcidepreventie. Ik zie een goede afvaardiging aan de zijde van de Kamer.
Welkom aan de Minister, alle geïnteresseerde aanwezigen en iedereen die dit op afstand
volgt. In verband met andere debatten in dit huis hebben sommige leden het verzoek
gedaan om iets eerder weg te gaan. Ik houd de volgorde aan, behalve dat ik mevrouw
Ten Hove als eerste het woord geef. Die moet zo naar een andere bijeenkomst. Daarna
begin ik bij de eerste spreker en dan gaan we heel rustig het rijtje af. Ik wil ook
alvast zeggen dat er maximaal vier interrupties zijn aan de zijde van de Kamer, dus
onderling vier interrupties. Afhankelijk van de tijd straks, als het kabinet aan het
woord is, kijk ik hoeveel interrupties ik toelaat. Ik noem de aanwezige fracties.
Mevrouw Synhaeve van D66, mevrouw Westerveld van GroenLinks-Partij van de Arbeid,
mevrouw Bikker van de ChristenUnie, mevrouw Wiersma van de BBB-fractie, mevrouw Wendel
van de VVD-fractie, mevrouw Tijmstra van het CDA, mevrouw Ten Hove van Groep Markuszower,
mevrouw Van Meetelen van de PVV-fractie, de heer Van Dijk van de SGP-fractie, mevrouw
Dobbe van de SP en mevrouw Coenradie van JA21. Ook mevrouw Westerveld en mevrouw Bikker
moeten eerder weg. Het is even wat het is. We gaan zo snel mogelijk beginnen en dan
wijst het zichzelf.
Mevrouw Ten Hove, aan u het woord. Uw vier minuten gaan in.
Mevrouw Ten Hove (Groep Markuszower):
Dank u wel, voorzitter. Dank aan de overige leden dat ik voor mag vanwege de drukke
agenda. Ik vond het belangrijk om hier toch mijn inbreng te doen.
Voorzitter. De mentale gezondheid in Nederland blijft verslechteren. Inmiddels ervaart
bijna de helft van de Nederlanders mentale problemen. De Raad voor Volksgezondheid
& Samenleving, de RVS, beschrijft een hypernerveuze samenleving. Het tot rust brengen
van de samenleving is nodig om de mentale gezondheid te verbeteren, aldus de RVS.
Mentale gezondheid heeft te maken met alle beleidsterreinen en vergt daarom een kabinetsbrede
aanpak.
De overheid dient te zorgen voor stabiliteit en zekerheid. Dat brengt pas rust. In
plaats daarvan zijn de boodschappen niet meer te betalen, schieten brandstofprijzen
door het dak, zijn energierekeningen torenhoog, neemt de woningnood alsmaar toe en
houdt de hardwerkende Nederlander steeds minder over van zijn zuurverdiende loon.
Ziet de Minister ook de relatie tussen een mentale gezondheid en bestaanszekerheid?
Hoe zorgt dit kabinet voor stevig beleid rondom die mentale gezondheid, in het bijzonder
van jongeren? Bij de start met antidepressiva bij jongeren is bekend dat dit een verhoogde
suïcidaliteit kan geven. Daarom wordt wekelijkse monitoring geadviseerd. De Vereniging
Afbouwmedicatie attendeerde ons gisteren op het feit dat in de praktijk blijkt dat
in de helft van de gevallen een termijn van twee weken of langer bij de controle wordt
gehanteerd. Ik ben daar enorm van geschrokken. Mijn vraag aan de Minister is of bekend
is waardoor dit komt. Hoe wordt ervoor gezorgd dat deze controles zo spoedig mogelijk
volgens de NHG-standaard worden uitgevoerd? Is bekend welke gevolgen het niet opvolgen
van de richtlijn heeft gehad?
Vorig jaar liet het uitgevoerde interdepartementale beleidsonderzoek Uit balans ook
al zien dat er grote zorgen zijn over de mentale gezondheid in Nederland. Het ibo
laat zien dat de kosten van psychische klachten in Nederland kunnen oplopen tot wel
51 miljard euro per jaar. Een kabinetsreactie op het ibo volgt pas in het derde kwartaal
van 2026. Waarom duurt dit zo lang? Kan de Minister al een vooruitblik geven? Op welke
manier investeert het kabinet in de conclusies van het ibo?
Voorzitter. Kliniek Veldzicht in Balkbrug behandelt het hele jaar asielzoekers met
ernstige geestelijke problemen. Hopelijk wordt dit snel afgebouwd en stopt daarmee
het onnodig bezet houden van onder andere tbs-plekken. Hoe worden ggz-klinieken voorbereid
om deze patiënten straks op te vangen? Welke invloed hebben asielzoekers, statushouders
en Oekraïners überhaupt ketenbreed op de ggz? Welk effect heeft dit vandaag de dag
op de wachtlijsten en welk effect verwachten we hierbij op de lange termijn? Hoe wordt
hier rekening mee gehouden en hoe is de gehele keten hierop voorbereid?
Er loopt een verkenning naar budgetbekostiging voor de high intensive care en de intensive
home treatment binnen de ggz om de beschikbaarheid ervan te borgen. Groep Markuszower
is hier blij mee, want het is nodig deze zorg beschikbaar te houden voor de mensen
die deze zorg het hardst nodig hebben. Wat is de status van de verkenning en is de
invoering per 1 januari 2028 haalbaar? Wat gebeurt er tot die tijd om de beschikbaarheid
van deze plekken te garanderen?
Tot slot roep ik de Minister op de hulpverleners van hulplijn 113 te steunen met de
benodigde financiële middelen. Wanneer is daarover duidelijkheid?
Dank u wel.
De voorzitter:
Ik dank u zeer voor uw inbreng. Ik begreep dat u zo naar een ander debat moet, dus
we gaan gelijk door met de eerste spreker. Dat is mevrouw Synhaeve. U was namelijk
als eerste. Even voor de duidelijkheid: in de tweede termijn hanteer ik wel gewoon
de oude volgorde. Mevrouw Synhaeve, aan u het woord.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Dank u wel, voorzitter. Het debat van vandaag komt voor mij dichtbij. Ik was 15 toen
ik op psychiatrie werd opgenomen en intensieve zorg nodig had. Gelukkig was de zorg
die ik nodig had beschikbaar. Tijdens die opname pleegde een van mijn groepsgenoten
zelfmoord. Ik zag van dichtbij wat dat deed met de groepsgenoten, met het personeel
en met mijzelf. We kregen de opdracht om niet over zijn dood te praten. Dat was killing.
Daar gaat het mis. We moeten het er juist over hebben: op school, thuis en online.
Wat gun ik het onze samenleving dat we vrijer mogen praten over gedachten aan de dood
en dat mensen dan juist durven doorvragen.
Voorzitter. Elke maand sterft een schoolklas aan jonge mensen door zelfmoord. Die
cijfers blijven toenemen. Een schoolklas. Elke maand. Daar kunnen en moeten we het
verschil maken. We hebben in Nederland verschillende interventies die bewezen helpen
als het gaat om mentale gezondheid en suïcidepreventie. We zien tegelijkertijd een
wildgroei aan apps en nieuwe projecten. Hoewel de intenties goed zijn, zorgt dit voor
versnippering en komen initiatieven die bewezen werken en die de doelgroep echt bereiken
daardoor niet verder dan de start-upfase. Dat kunnen we ons niet veroorloven. D66
wil daarom een gerichte aanpak mentale gezondheid waarbij we kiezen voor een selectie
van interventies die echt werken. Deelt de Minister dat de versnippering in het huidige
aanbod effectieve hulp belemmert en dat er meer regie nodig is? Is zij bereid die
selectie te maken en deze interventies landelijk te ondersteunen en op te schalen?
Ik heb nog twee vragen aan de Minister hierover. De voormalige Staatssecretaris heeft
toegezegd dat er een aanvullend onderzoek komt naar het stijgend aantal suïcides bij
jonge vrouwen. Wat is de stand van zaken daarvan? Als tweede: hoe garandeert de Minister
de toegankelijkheid van Stichting 113 Zelfmoordpreventie zodat zij haar belangrijke
werk kan voortzetten en dat de telefoon altijd wordt opgenomen?
Dan de ggz. Voor mij was de zorg er toen ik die heel hard nodig had. Het doet me pijn
om te constateren dat dit voor veel mensen nu niet zo is. Juist de meest kwetsbare
mensen wachten het langst op zorg. Dat is echt de omgekeerde wereld. Daarom pleit
D66 voor in ieder geval de volgende twee punten. Een: de uitsluitingscriteria moeten
van tafel. Het kan niet zo zijn dat mensen met complexe zorgvragen worden vermeden.
Juist dan is alle hulp en ondersteuning nodig in plaats van afwijzingen en ellenlange
wachtlijsten. Twee: zorgverzekeraars moeten zelf in actie komen als iemand te lang
moet wachten en de treeknorm in zicht komt. Zorgverzekeraars, pak zelf die telefoon
op en help iemand aan een andere plek. Nu ligt de verantwoordelijkheid nog veel te
veel bij de patiënt die überhaupt zelf al moet weten dat je de zorgverzekeraar hierover
kan bellen. Graag hoor ik van de Minister hoe zij op beide punten gaat sturen.
Voorzitter. Ik rond af. Ik weet uit eigen ervaring hoeveel het betekent als goede
zorg er op tijd is. Juist daarom moeten we dit debat gebruiken om door te pakken en
ervoor te zorgen dat iedereen kan rekenen op de zorg wanneer die nodig is. Een schoolklas
jonge mensen per maand verliezen accepteer ik niet. Dat gaan we voorkomen.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik zag een interruptie van mevrouw Bikker. Misschien komen er meer, maar
ik begin bij mevrouw Bikker.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Dank aan collega Synhaeve voor haar indrukwekkende verhaal. Dat raakt me en ik vind
het mooi om te merken hoe het haar nu persoonlijk drijft om zich in te zetten voor
al die jongeren die nu die hulp verdienen. Het is altijd fijn om te weten dat je zo'n
collega hebt. Die waardering wil ik eerst uitspreken. Dat leidt tot mijn vraag over
de 113-suïcidepreventie. We krijgen verschillende signalen dat er meer wordt gebeld
naar deze lijn. Helaas is dat nodig, zeg ik erbij, maar het is wel heel goed dat de
lijn bekend is en gebeld wordt. Nu is er onlangs een wet aangenomen, een initiatiefwet
vanuit de Kamer, unaniem gesteund. Daarin is wettelijk vastgelegd dat het bekostigd
moet worden als er meer wordt gebeld. Dat mag niet ten koste gaan van een ander budget.
Deelt D66 dat? Hoe kijkt collega Synhaeve ernaar dat we opnieuw de vraag moeten beantwoorden
van Stichting 113 Zelfmoordpreventie of het wel goed gaat komen met dat budget?
Mevrouw Synhaeve (D66):
Dank voor de mooie woorden en de vraag. Afgelopen maandag was ik op werkbezoek bij
Stichting 113 Zelfmoordpreventie. Ik was me natuurlijk al bewust van het belangrijke
werk dat de stichting doet, maar dan zie je het helemaal als de telefoon wordt opgenomen
en als de chat wordt beantwoord. Het spreekt voor zich dat dit in de toekomst zo moet
blijven. Als het aantal telefoontjes stijgt en als het aantal chatgesprekken stijgt,
moet dat allemaal beantwoord worden. Dat is het uitgangspunt en dat hebben we met
elkaar wettelijk vastgelegd. Als ik kijk naar de reactie van de Minister hierover
begrijp ik dat zij gaat kijken wat er kan binnen de kaders en de middelen die er zijn.
Ik ga ervan uit dat zij bij ons terugkomt op het moment dat het onvoldoende is. Dat
is de reden waarom ik mijn vragen heb gesteld aan de Minister, namelijk hoe zij de
toegankelijkheid garandeert van 113 nu en in de toekomst. U weet dat we vorige week
voor uw amendement hebben gestemd. Als het nodig is, is het nodig.
De voorzitter:
Dank u wel. Nu mevrouw Dobbe.
Mevrouw Dobbe (SP):
Ik sluit mij aan bij de woorden van mevrouw Bikker over de waardering voor het delen
van het persoonlijke verhaal. Dat raakt mij ook. Ik vind het mooi maar ook dapper
dat mevrouw Synhaeve dat deelt hier in dit debat. Dat wil ik even gezegd hebben. Dat
geldt ook voor de bevlogenheid die eruit spreekt als het gaat over de ggz. Op het
punt van de langdurige ggz zien we een aantal bezuinigingen die nog zijn ingepland
en die worden ingepland. Dat zit in de bezuinigingen op de Wlz. Een deel daarvan landt
bij de langdurige ggz. De onderbouwing daarvoor is het meerjarig contracteren. Nu
horen wij van organisaties dat juist dat meerjarig contracteren wordt opgevoerd als
besparing, maar dat dit niets gaat opleveren omdat meerjarig contracteren nauwelijks
wordt toegepast in de langdurige ggz. Dat betekent dus dat die bezuiniging ongedekt
zou zijn. We weten allemaal waar dat toe leidt, want dat betekent dat het van de zorg
af gaat. Is D66 bereid om te kijken of we een andere manier kunnen vinden voor die
ongedekte bezuiniging?
Mevrouw Synhaeve (D66):
Voor ons spreekt het voor zich dat juist de heel complexe zorg beschikbaar moet zijn.
Dat is precies de zorg waarvan we zien dat die steeds minder beschikbaar komt. Daarvoor
staan we aan de lat. We moeten zorgen dat die in de toekomst maar ook volgende week
al beschikbaar is voor de mensen die dat nodig hebben. Er vallen verschillende onderdelen
onder de ombuigingen op de Wlz. We hebben de ouderenzorg, de gehandicaptenzorg, de
langdurige ggz. Daarvan hebben we nog helemaal niet bepaald hoe die wordt verdeeld.
We weten dus nog helemaal niet hoe dat landt bij de langdurige ggz. Juist daarom hebben
we dat aan het kabinet meegegeven: ga nu kijken wat mogelijk is op een zorgvuldige
manier. De kosten blijven toenemen en die willen we ook betalen, maar we moeten ze
in de toekomst wel ergens gaan remmen. Dat willen we doen vanuit een gedegen, inhoudelijk
plan en daar is het kabinet nu mee aan de slag.
Mevrouw Dobbe (SP):
Dank voor het antwoord. Die bezuiniging komt voort uit het vorige kabinet, als ik
het goed heb. Die is blijven staan. Dat gaat over het meerjarig contracteren. Een
organisatie als Valente zegt dat dit geen besparing gaat opleveren. Dat meerjarig
contracteren gebeurt namelijk niet. Die besparing zal dus niet worden gehaald. Die
staat nog wel op die manier onderbouwd. Als D66 het ermee eens is dat die onderbouwing
er is en is blijven staan, kunnen we er in ieder geval naar kijken. Ik wil mijn vraag
herhalen, want dan kunnen we misschien samen kijken hoe we dat van tafel kunnen halen.
Dat gaat in ieder geval om dat niet onderbouwde deel.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Ik zie op dit moment geen aanleiding om dat van tafel te halen. Wat ons betreft blijft
de lijn staan zoals we die eerder met elkaar hebben afgesproken.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik heb een vraag aan mevrouw Synhaeve over de kabinetsplannen. Er wordt onder meer
fors bezuinigd op sociale zekerheid en ook de zorgkosten gaan omhoog. Ongecontracteerde
zorgverleners moeten misschien stoppen met hun praktijken. Erkent mevrouw Synhaeve,
wat de gevolgen voor de sociale zekerheid betreft, dat dit bij de mensen kan zorgen
voor meer stress en dat dit het mentaal welzijn raakt? In alle uitwerkingen van de
plannen moeten we toch oog blijven houden voor het mentale welzijn van grote groepen
mensen in Nederland?
Mevrouw Synhaeve (D66):
Ja, absoluut. Volgens mij zeggen we met elkaar dat we mentale gezondheid veel meer
bespreekbaar willen maken. Daar staan we allemaal, als hele samenleving, voor aan
de lat. Volgens mij zeggen we ook dat de zorg beschikbaar moet zijn op het moment
dat die nodig is. We concluderen dat dat nu niet het geval is. Meer dan 100.000 mensen
staan op een wachtlijst. Meer dan de helft wacht te lang. Het zijn juist mensen met
complexe zorgvragen. Wij zeggen daarom dat je echt moet durven kijken naar hoe we
het met elkaar hebben georganiseerd. Dat betekent dat je moet kijken of iedereen die
nu zorg krijgt, echt een zorgvraag heeft. Dat is vaak wel het geval, maar soms ook
niet. Soms kun je elders beter worden geholpen. Voor hen die echt een heel complexe
zorgvraag hebben, moeten we zorgen dat die zorg daadwerkelijk beschikbaar is. Dat
zal keuzes in zich hebben, bijvoorbeeld ten aanzien van ongecontracteerde zorg.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Er zijn heel veel punten die mevrouw Synhaeve noemt en die we van andere collega's
horen, maar die natuurlijk niet nieuw zijn. Dat weten we allebei. De afgelopen jaren
zijn verschillende keren beloftes gedaan, bijvoorbeeld de belofte over de wachttijden
die gemiddeld vijf weken zouden moeten zijn. Beloftes die voortkomen uit het IZA en
uit het AZWA. De belofte om de marktwerking uit de cruciale ggz te halen is gedaan
door Staatssecretaris Karremans. Is mevrouw Synhaeve het met mij eens dat we eigenlijk
allemaal weten dat vorige kabinetten hebben beloofd dit soort zaken aan te pakken
en dat wij er nu voor moeten zorgen dat dit haast krijgt en uitgevoerd gaat worden?
Mevrouw Synhaeve (D66):
Ja, absoluut. Als er één ding is dat we vandaag weten, is het dat beloften niet genoeg
zijn. Daarom verliezen we elke maand die hele schoolklas kinderen. Dat is onacceptabel.
Ik denk ook dat dit betekent dat we echt moeten durven kiezen waar we op gaan inzetten.
Ik heb net in mijn bijdrage een aantal belangrijke knoppen genoemd: mentale gezondheid
bespreekbaar maken en durven kiezen voor initiatieven en projecten waarvan we weten
dat ze werken. Wat het bespreekbaar maken van suïcidepreventie en mentale gezondheid
betreft: durf daarin te kiezen. Op het moment dat iemand zorg nodig heeft, moet je
niet tegen allerlei exclusiecriteria aanlopen. Durf te kiezen voor een zorgverzekeraar
die zelf gaat bellen op het moment dat de treeknorm nadert. Dat zijn volgens mij de
keuzes die je moet maken. Dus nee, geen beloftes meer, maar een aantal selectieve
keuzes maken, daarop inzetten, dat volhouden zodat die wachtlijsten daadwerkelijk
omlaaggaan.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik kom bij de volgende spreker. Dat is mevrouw Westerveld namens GroenLinks-PvdA.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter. Dinsdag vertelde Hanna ons haar verhaal. Ze vertelde dat het
als tiener al duidelijk was dat zij hulp nodig had, maar ze kreeg na jaren pas hulp
na een traject van jaren met wachtlijsten, verschillende suïcidepogingen, afgewezen
worden, van het kastje naar de muur en nieuwe diagnoses. Dat waren jaren waarin haar
leven stilstond. Niet alleen haar leven stond stil. Haar vader stond erbij en vertelde
dat ze als ouders zeven jaar lang in onzekerheid en angst hadden gezeten en dat hij
nog iedere keer schrikt als onverwacht de telefoon gaat. Niemand kan verrast zijn
over dit verhaal, hoe erg ook. Het is namelijk het verhaal van tienduizenden mensen.
Dat is al jaren bekend en al jaren worden er beloftes gedaan die niet worden nagekomen.
Er staan 100.000 mensen op de wachtlijst voor de ggz. Bij veel van hen zijn de afgesproken
wachttijden, de treeknormen, ruim overschreden. Niet voor niets haalden ze precies
40.316 handtekeningen op. Kan de Minister reageren op het manifest dat ze ons maar
ook de Minister hebben aangeboden?
Voorzitter. Ik zei het al: de wachttijden nemen toe en de maatregelen van dit kabinet
maken het op sommige punten veel erger. Bezuinigingen op sociale zekerheid en hoge
zorgkosten zorgen voor stress en mentale klachten en langere wachtlijsten. Dat blijkt
ook uit het ibo. Mijn vraag is of de Minister dit erkent en ook dat kabinetsplannen
haaks staan op de ambities van hetzelfde kabinet om de wachtlijsten terug te dringen.
Zo ja, wat gaat ze daaraan doen?
Al jarenlang vragen wij de marktwerking uit de cruciale ggz te houden. Vorig jaar
leek er beweging in te komen. Ik zeg heel bewust «leek». De brief die wij afgelopen
februari kregen, deed ons de moed in de schoenen zakken. In april vorig jaar kondigde
Staatssecretaris Karremans via een flink mediaoffensief aan dat er forse stappen zouden
worden gezet om de marktwerking uit de twee delen van de cruciale ggz te halen. Ik
heb het dan over de high intensive care en de intensive home treatments. Dat geldt
overigens niet voor de hele cruciale ggz, zoals ik wel zou willen. Het was in ieder
geval een stap. Nu lezen we in de brief van februari dat dit nog langer gaat duren.
De NZa, die om advies is gevraagd, kan nog geen definitief advies geven omdat de bestaande
beschrijvingen van de HIC en de IHT verder geconcretiseerd moeten worden. Mijn vraag
aan de Minister is wat hier nu eigenlijk staat. Waarom is dit nodig en wanneer wordt
nu echt de concrete stap gemaakt om de marktwerking uit deze vormen van cruciale ggz
te halen? Nog belangrijker: wat gebeurt er in de tussentijd om ervoor te zorgen dat
er voldoende cruciale ggz beschikbaar is?
Voorzitter. Hoe staat het met het actieplan dat er door een motie van ons is gekomen,
voor het faciliteren en organiseren van passende, langdurige zorg voor dakloze mensen
met een Wlz-ggz-indicatie? Mensen in de daklozenopvang geven aan dat de incidenten
toenemen. Onze motie vroeg een paar jaar geleden om een noodplan. Gaat de Minister
haar collega van VRO hierop aanspreken? In maart kwam er een onderzoek uit naar mensen
met een verstandelijke beperking en mentale klachten. Deze mensen blijken ook vaak
tussen wal en schip te vallen, omdat de gehandicaptenzorg en de ggz niet goed genoeg
op elkaar aansluiten. Herkent de Minister dat beeld en wat gaat ze doen? In 2023 is
Kamerbreed een motie van de heer Mohandis aangenomen voor een landelijke dekking met
laagdrempelige steunpunten. Hoe staat het met de uitvoering? Hoeveel zijn er nu en
is bekend of de IZA- en de AZWA-gelden hier echt aan worden besteed?
Ik heb ook een vraag over de ramingen van het Capaciteitsorgaan, namelijk of de Minister
die gaat opvolgen. Wat kunnen we concreet verwachten als het gaat over de wachtlijsten
in de transzorg? Ook daar zijn veel problemen en mensen die al heel lang wachten op
hulp.
Zojuist werden vragen gesteld over de financiering van 113. Kortheidshalve sluit ik
me daarbij aan. Tijd is altijd onze vijand hier.
Ik heb nog een vraag over de STORM-aanpak op scholen, een motie van de heer Ceder
in mei. Hoe staat het met de uitvoering daarvan? De hele Kamer zegt daarvan dit nu
echt te gaan doen. Kan de Minister aangeven welke concrete stappen er worden genomen
zodat de zorg voor patiënten met acute verwardheid en suïcidaliteit binnen de lichamelijke
medische specialistische zorg verbetert, zoals ook in de ziekenhuizen?
Voorzitter. Ik rond af. Ik wil helemaal niet somber zijn; ik wil juist dat we met
elkaar hoop uitstralen naar mensen met psychische problemen. We zijn de afgelopen
jaren voortdurend teleurgesteld door beloftes die zijn gedaan maar niet zijn nagekomen.
Ik hoor heel graag wat deze Minister gaat doen om dat vertrouwen terug te winnen.
Goede ggz, goede suïcidepreventie, redt levens van mensen en van hun naasten.
De voorzitter:
Dank u wel. We komen bij de volgende spreker. Dat is mevrouw Bikker namens de ChristenUnie.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Voorzitter, dank u wel. Dank aan de collega's dat ik iets eerder mag spreken. Excuses
dat ik wegga, maar weet dat ik het debat volg; we luisteren mee.
De analyses van een heel aantal psychiaters liegen er niet om. Of je nu de boeken
leest van Dirk De Wachter of van Damiaan Denys – ik weet nooit hoe je dat nu precies
uitspreekt; dat moet ik nog eens vragen – of gewoon de rapporten leest van onze eigen
Raad voor de Volksgezondheid & Samenwerking: we leven in een hypernerveuze, geïndividualiseerde
samenleving, een ik-maatschappij waarin heel veel mensen op zichzelf betrokken zijn
en minder op de ander en waar grote verbanden als buurt, vereniging of kerk minder
vanzelfsprekend zijn. Dan hebben we ook nog dit ding: we keren in onszelf en zijn
op onszelf aangewezen. We hebben het gevoel dat ons geluk en slagen in het leven van
onszelf afhangen. We moeten het ook in onszelf zoeken, in verbinding, zingeving, moreel
kompas, alles in jezelf. De lat ligt steeds hoger, want je moet wel je ambities halen
en je mooie plaatjes laten zien. Voor we het weten, leggen we dat ook anderen op.
Al jagend hollen we steeds harder om een poosje stil te kunnen staan. Al jagend missen
we zingeving, missen we betekenis. Welk verhaal geeft richting?
Het valt mij op, als ik tussen jongeren zit en met hen praat, dat dit soort dingen
steeds vaker terugkomen. Ik vind het ergens onvoorstelbaar. Voorzitter, u bent nog
maar kortgeleden jong geweest, maar als ik aan mezelf denk van een aantal jaren langer
geleden, had je het vooruitzicht dat het beter ging worden, dat alles mooier ging
worden. Ik zie nu een stukje somberheid waarvan ik denk dat er meer onder ligt dan
alleen de vraag hoe het met de ggz gaat en de dingen die we hier bespreken. Het is
kritiek op onze samenleving. Onze samenleving is ziek. Dat maakt dat ik deze Minister
meer vraag dan het alleen te hebben over de ggz. Het interdepartementaal beleidsonderzoek
legt wat mij betreft de vinger op de zere plek. De huidige ggz voldoet niet aan de
vragen waarvoor onze samenleving staat.
De huidige ggz kijkt primair medisch en individueel, is gericht op behandeling, terwijl
we breder maatschappelijk moeten kijken. We zullen veel gerichter moeten inzetten
op preventie, op het goede samenleven. Ik zie daarin niet alleen een oproep voor de
ggz; ik zie daarin niet alleen een oproep voor de overheid. Ik zie wel een gigantische
stapel huiswerk voor de hele samenleving. Ik bevraag daarom dit kabinet graag om te
zien hoe serieus deze Minister de cultuurkritiek en de stelselkritiek neemt. Ik lees
in het coalitieakkoord over de hervorming van de financiering en organisatie van de
ggz, over de beweging van zorg naar gezondheid en preventie. Prachtig, maar hoe vult
de Minister dit in en hoe voorkomt ze dat ze in de gesprekken met de sector en alle
belanghebbenden en betrokkenen de blik versmalt tot de zorgsector als zij mentale
gezondheid wil verbeteren? Hoe blijft ze structureel breder kijken van zingeving tot
werk, onderwijs en sociale zekerheid? Dat geldt voor zowel de analyse als de oplossingen.
Ik kom op de beweging naar meer preventie die dit kabinet ook wil maken. Dat kan zeker
op steun van de ChristenUnie rekenen. Als ik bijvoorbeeld zie dat een derde van de
nieuwe WIA-uitkeringen in 2024 werd uitgekeerd vanwege problemen met de geestelijke
gezondheid, zijn er een wereld en ook nog een financiële rekening te winnen als we
kunnen voorkomen dat mensen mentaal in de knel komen. Toch is investeren in preventie
niet populair. Ook dit kabinet kiest er – ik zeg dit mild – in de financiële maatregelen
niet ruimhartig voor. De bezuinigingen op preventie van het vorige kabinet worden
nauwelijks teruggedraaid. De opbrengsten komen eigenlijk nooit terecht bij degene
die de investering in preventie doet. Als je kortzichtig kijkt, loont het dus niet
voor het Ministerie van VWS om in preventie te investeren. Hoe kunnen we die spiraal
omkeren en het een kabinetsbrede verantwoordelijkheid maken om te investeren in preventie?
Voorzitter. De voorgaande sprekers hebben goede dingen gevraagd ten aanzien van de
ggz, de wachttijdbemiddeling en de verantwoordelijkheid van zorgverzekeraars. Daar
sluit ik me heel graag bij aan. Ook de stijging van het aantal suïcides onder jongeren
is een enorme rode vlag. Niet voor niets hebben de collega's daar aandacht aan besteed.
Ik sluit me daarbij aan, juist gezien de motie die de ChristenUnie indiende. Het kan
niet zo zijn dat 113 minder bereikbaar wordt of dat het geld alleen voor de lijn wordt
opgesoupeerd en dat het andere beleid niet kan plaatsvinden.
Voorzitter, ik snap dat ik dwars door de tijd heen vlieg, maar ik heb nog een allerlaatste
vraag. Ik heb vanuit het vorige kabinet te weinig regie gezien op de ontwikkeling
dat steeds meer jongeren met psychisch lijden euthanasie krijgen. Wat wil dit kabinet
daarin bereiken?
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel voor uw inbreng. We zijn gekomen bij de volgende spreker. Dat is mevrouw
Wiersma namens de BBB.
Mevrouw Wiersma (BBB):
Dank, voorzitter. Ik begin ook met de jongeren, want die zijn natuurlijk heel belangrijk.
We hebben een tijdje geleden over dit onderwerp een rondetafelgesprek gevoerd. Er
zijn jongeren die in de instanties vastlopen en zichzelf vervolgens afvragen: ben
ik te complex en niet meer te helpen? Een van de sprekers, Manon van den Broek, heeft
ons hier met die bittere werkelijkheid geconfronteerd. Er is ook een bittere realiteit
voor ouders, want die krijgen keer op keer te horen dat hun kind moet wachten. Dat
is soms maanden, soms meer dan een jaar. Dat is lijdend aanzien hoe het leven dat
je hebt gegeven, moeite heeft met het leven zelf. Er zijn mensen die wel zorg krijgen,
maar niet de juiste zorg. Dat zijn geen incidenten meer, maar het lijkt een patroon,
een patroon waarin de samenleving is getekend, waarin een te grote druk staat op de
mentale gezondheid en waarin het stelsel structureel tekortschiet. Het is een gebrek
aan een passend aanbod, muren tussen domeinen en een te primair medisch stelsel.
Voorzitter. We mogen het niet normaal gaan vinden dat zorg begint met wachten. Er
staan meer dan 100.000 mensen op een ggz-wachtlijst waarvan meer dan de helft langer
wacht dan de treeknorm. In die wachttijd verergeren de klachten, haken jongeren af
en houden ouders het niet meer vol. Kortom, het kost levens.
BBB zegt dat de zorg moet aansluiten op de mens en niet op het systeem. Daarom moeten
we versneld regionaal sturen op beschikbaarheid van complexe zorg, exclusiecriteria
schrappen – ik hoorde zojuist een collega daar al iets over zeggen – en wachttijdondersteuning
standaard maken met een landelijk vindbare routekaart. Ik zou willen vragen of er
een mogelijkheid is om een harde wachttijdnorm in te stellen die niet vrijblijvend
is.
Er werd zojuist een aantal keren gesproken over laagdrempelige toegang. Daar wil ik
mij van harte bij aansluiten. 113 wordt gelukkig steeds meer gebruikt. Mensen weten
de toegang te vinden en maken er meer gebruik van. Dat is positief in dit dossier
dat toch heel schrijnend is. Ik lees dat de Minister nu eerst een methodiek wil optuigen
om te kijken of er financiering moet komen voor de meerkosten. Collega Bikker heeft
het net ook al gezegd: dit kan gewoon niet. Het gaat ten koste van inzet en simpelweg
mensenlevens. Kan de Minister aangeven dat ze dit toch gaat regelen, ook voor het
lopende jaar? Anders duurt het te lang. Misschien moeten we de Minister dan helpen
bij de voorjaarsbesluitvorming. Ik zeg het maar alvast. De Kamer heeft daar natuurlijk
instrumenten voor.
Voorzitter. Mentale problemen beginnen vaak al lang voordat het eerste contact met
de ggz is gelegd. De versterkingsagenda laat zien dat er veel winst te behalen is
bij preventie, normalisering en mentaal gezonde leefomgevingen. Onderwijs is daarin
een van de belangrijkste factoren. Ik weet dat we het onderwijs niet kunnen opzadelen
met nog meer taken, maar we kunnen het wel met betere ondersteuning helpen. Dat voorkomt
dat jongeren pas hulp krijgen als het te laat is. Het gevoel van verantwoordelijkheid
mag niet op de verkeerde plek terechtkomen. Dat bleek ook tijdens het rondetafelgesprek
bij de student die binnen het bestuur van Vindicat belast was met de mentale gezondheid
van haar medestudenten. Wij willen daarom pleiten voor laagdrempelige aanspreekpunten
op school. We denken aan een professional of een ervaringsdeskundige die het gesprek
kan voeren, signalen vroeg opvangt en de handelingsverlegenheid bij docenten doorbreekt.
Dit is hard nodig; dit wordt bevestigd door zowel leerlingen als docenten zelf. Kan
de Minister aangeven of zij daarin een coördinerende rol kan nemen?
Voorzitter, tot slot. Het coalitieakkoord benadrukt het belang van digitale veiligheid
en weerbaarheid. Jongeren leven op platforms waar algoritmes hun zelfbeeld en stemming
beïnvloeden. Vaak is dat onzichtbaar voor ouders en leerkrachten. De Raad voor Volksgezondheid
& Samenleving geeft aan dat een sociaal-culturele omslag nodig is. Ik ben benieuwd
welke aanbevelingen de Minister wil overnemen.
Tot slot heb ik nog een aantal vragen. Is het mogelijk om ook apps en games verplicht
te laten verwijzen naar betrouwbare hulp, zoals dat nu ook al gebeurt met 113 bij
bepaalde zoekopdrachten? Kunnen randvoorwaarden voor algoritmes betrokken worden in
het mentale gezondheidsbeleid? Hoe zorgen we ervoor dat jongeren actief toegang krijgen
tot de juiste informatie, vergelijkbaar met de waarschuwing bij suïcidegerelateerde
zoekopdrachten? Dat vind ik heel belangrijk, vooral gezien de proanawebsites en dergelijke
die wijdverspreid zijn op het wereldwijde web.
De voorzitter:
Komt u tot een afronding?
Mevrouw Wiersma (BBB):
Ja. Voor BBB begint goede mentale gezondheid niet bij protocollen of overlegstructuren,
maar bij mensen die elkaar zien.
De voorzitter:
Dank u wel. De volgende spreker van de zijde van de Kamer is mevrouw Wendel namens
de VVD.
Mevrouw Wendel (VVD):
Dank u wel, voorzitter. Iedereen kent wel iemand in zijn of haar omgeving met mentale
gezondheidsproblemen: een goede vriendin, je vader of je oma. Of misschien gaat het
wel om jezelf. De cijfers over mentale gezondheid zijn echt zorgwekkend. Iedere dag
overlijden gemiddeld vijf mensen aan zelfdoding. Met name de mentale gezondheid van
jongeren gaat hard achteruit. Zelfdoding is doodsoorzaak nummer 1 onder jongeren.
Elke maand verliezen we een hele schoolklas. De VVD vindt dit onacceptabel.
Voorzitter. In Nederland zijn er veel verschillende initiatieven om de mentale gezondheid
te verbeteren en suïcides te voorkomen. Deze initiatieven zijn allemaal heel goedbedoeld,
maar ze zijn lang niet allemaal effectief. Sommige kunnen zelfs schadelijk zijn. De
VVD vindt het tijd voor meer centrale regie. Kan de Minister de bestaande initiatieven
in kaart brengen? Kan zij daarbij aangeven welke initiatieven goed werken en schaalbaar
zijn? Welke bereiken daadwerkelijk de doelgroep?
De VVD ziet het bevorderen van de mentale gezondheid en het tegengaan van suïcides
niet slechts als een overheidstaak. Wij willen de kracht meer terugleggen in een samenleving
en we willen investeren op plekken waar mensen al komen. Daarvoor moeten we laagdrempelige
steunpunten faciliteren, zoals een vertrouwenspersoon of een sportcoach. Mentale gezondheid
is de basis om mee te kunnen doen in de samenleving, om te kunnen studeren, om te
werken, om de buren te helpen als ze hulp nodig hebben, om simpelweg gelukkig te zijn.
Dan de ggz. Mentale gezondheid bevorderen en inzetten op het voorkomen van suïcides
is natuurlijk niet voldoende. De VVD vindt het belangrijk dat zorg beschikbaar is
voor mensen die dit nodig hebben. Als mensen acuut ggz nodig hebben, moet die er zijn.
Dat is nu niet het geval. Er zijn lange wachtlijsten en deze wachtlijsten kosten letterlijk
mensenlevens. Regelmatig bellen ouders dat hun kind van de wachtlijst kan worden afgevoerd
omdat het al te laat is. Dat raakt me diep en dat is echt onacceptabel. Daarom moeten
we de prikkel aanpakken die het verlenen van lichte hulp beloont en het verlenen van
complexe zorg ontmoedigt. Ik wil de Minister vragen welke mogelijkheden zij hiertoe
ziet, ook op de korte termijn.
Daarnaast moeten we keuzes maken in wat wel of niet binnen de ggz moet worden opgelost.
Problemen moeten op de juiste plek worden aangepakt. Daarom moeten andere routes,
bijvoorbeeld naar het sociaal domein, breed bekend zijn. Ik wil de Minister vragen
of die routes nu voldoende bekend zijn. Kan de Minister in gesprek gaan met de VNG
om deze bekendheid te vergroten?
Tot slot sociale media. De invloed van sociale media op de mentale gezondheid van
jongeren is zorgwekkend.
De voorzitter:
Gaat u door. Ik geef u zo het woord, mevrouw Westerveld.
Mevrouw Wendel (VVD):
Mede daarom pleit de VVD-fractie voor een Europees handhaafbaar verbod op sociale
media voor minderjarigen. Welke gezondheidseffecten verwacht de Minister van een socialemediaverbod?
Ik vind het echt zorgwekkend als ik zie wat voor schadelijke content er rondgaat op
sociale media; kinderen die zelfmoordtips geven of anderen zelfs opjutten om zelfmoord
te plegen. Hier moeten we tegen optreden. De VVD wil strenger toezicht op grote platforms
zoals X, Instagram en Facebook. Die moeten ook inzicht geven in welke algoritmes ze
gebruikten. Schadelijke content mag niet via verslavende algoritmes blijven terugkeren.
Voor de VVD is het helder: we hebben afgesproken dat wat we offline niet toestaan
ook online niet is toegestaan. Het psychisch aanzetten of aansporen tot zelfmoord
is strafbaar. De VVD wil dat schadelijke content binnen een uur na melding van de
toezichthouder offline gehaald wordt. Ik wil de Minister vragen of zij bereid is met
de Staatssecretaris van JenV, die hier uiteraard over gaat, het gesprek aan te gaan
over de gezondheidsrisico's van sociale media en om de maatregelen die ik voorstel,
te bespreken in het kabinet.
Dank u wel.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Mooie punten, ook bij de afsluiting. Het is een mooie aansporing om de grote socialemediabedrijven
echt aan te pakken. Mijn vraag gaat over de ggz. De VVD zegt ook dat cruciale ggz
beschikbaar zou moeten zijn, maar die is er nu niet altijd. We kennen die lange wachtlijsten.
Mevrouw Dobbe en ik hebben vorig jaar rond deze tijd een motie ingediend met het verzoek
om de marktwerking uit de hele cruciale ggz te halen. Die motie heeft het niet gehaald.
Ook de VVD stemde tegen. Afgelopen jaar is ook een ibo verschenen met onder meer deze
aanbeveling. Stel dat we opnieuw zo'n aansporing zouden doen, is de VVD het dan met
ons eens dat we die marktwerking uit de hele cruciale ggz zouden moeten halen?
Mevrouw Wendel (VVD):
Voor de VVD staat voorop dat de ggz beschikbaar moet zijn voor de mensen die de ggz
het hardst nodig hebben. Dat gaat juist om die specialistische, complexe ggz. Daarom
is het kabinet ermee bezig een deel van de complexe ggz uit de marktwerking te halen.
Ik sla het maar even heel plat. Ik deel wat mevrouw Westerveld eerder zei, namelijk
dat we daar tempo achter moeten zetten. Het voelt voor mij heel cru om te praten over
stelselwijzigingen, terwijl er iedere dag mensen wachten en we ze daar morgen niet
mee kunnen helpen. Om dat voor de hele complexe ggz te doen – dat is uw concrete vraag
– is weer een stap verder. Ik stel voor dat we eerst tempo zetten achter waar het
kabinet nu mee bezig is.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Het probleem is dat waar het kabinet nu mee bezig is, nog wel een paar jaar kan duren
vanwege het advies dat de NZa nog moet geven; ik zag ergens 2027 staan. Ik stel deze
vraag specifiek omdat wij die motie in het voorjaar hebben ingediend. Kort daarna
verscheen het ibo. Dat is een dik rapport van allemaal ambtenaren met een aantal adviezen.
Daarin werd wel degelijk voorgesteld een stap verder te zetten. Dat ging niet alleen
om de acute ggz, maar om de hele cruciale ggz. Ik vraag me gewoon af wat het argument
is om dat niet te steunen. Ook uit het ibo blijkt dat dit een wenselijke stap is.
Mevrouw Wendel (VVD):
Ik vind het echt heel goed dat het ibo is uitgekomen. Volgens mij staan er heel goede
dingen in. Voordat ik daar een knoop over doorhak, wil ik graag eerst de beleidsreactie
van het kabinet zien. Daarna gaan we er wat mij betreft over in gesprek.
De voorzitter:
Dan zie ik mevrouw Synhaeve en mevrouw Dobbe. Het maakt niet uit. Eerst mevrouw Dobbe
en dan mevrouw Synhaeve.
Mevrouw Dobbe (SP):
Dan kan ik hier nog even op door. Ik steun het betoog van de VVD ook. Dat doe ik niet
altijd, maar nu wel. Ik dacht: krijgen we hier nu een pleidooi om de marktwerking
uit de ggz te halen? De VVD heeft het over het aanpakken van de prikkel om de lichte
ggz wel te doen en de cruciale, meer complexe niet. Dat zien we nu. Ik denk dat de
VVD dat net heel goed heeft verwoord in haar betoog. Organisaties zoals MIND, dat
hier van de week nog stond, en Recht op GGZ en nu ook het ibo en zorgeconomen zeggen
dat we van die marktwerking af moeten, in ieder geval bij de cruciale ggz. Ik heb
net de antwoorden op mevrouw Westerveld gehoord. Het kabinet zal met een reactie komen.
Maar waar zit de twijfel na al deze signalen te hebben gehoord en na gezien te hebben
dat het niet goed gaat? Waar zit die twijfel nog bij de VVD?
Mevrouw Wendel (VVD):
Er zijn veel organisaties die zich inzetten voor mentale gezondheid. Die doen hun
stinkende best om suïcides tegen te gaan. Dat is ook heel belangrijk en ook heel goed.
Het zegt wel iets over de ernst van het probleem. Ik denk wel dat er veel verschillende
organisaties zijn die verschillend denken over de oplossing. Hoewel ik de eensgezindheid
met de SP uiteraard fijn vind en ook verfrissend voor een keertje, denk ik niet dat
alle organisaties zeggen dat we de marktwerking uit de volledige ggz moeten halen.
Waar zit de twijfel? Ik vind het belangrijk – dat zei ik net al – dat we eerst de
beleidsreactie van het kabinet afwachten en daarna knopen doorhakken. Wat we voor
de lange termijn doen, moeten we weloverwogen doen.
Mevrouw Dobbe (SP):
Het zijn natuurlijk niet de minste organisaties die dit nu zeggen. Het ibo zegt het
ook en dat nemen we serieus. Zorgeconomen zeggen het ook. Normaal gesproken zijn dat
geen natuurlijke bondgenoten van de SP. Sterker nog, ik heb er weleens voor gepleit
dat hele beroep af te schaffen. Ook die zorgeconomen zeggen nu dat we in de cruciale
ggz – ik zou de hele ggz willen – moeten kijken of we van die marktwerking af kunnen.
Daarom nogmaals mijn vraag. Het zijn niet allerlei organisaties die iets verschillends
zeggen. Het zijn echt dit soort organisaties die de VVD normaal gesproken toch heel
serieus neemt. Waar zit de twijfel, de terughoudendheid om dat voor de cruciale ggz
te doen? Ik snap dat de VVD het een stap te ver vindt om dat voor de hele ggz te doen.
Mevrouw Wendel (VVD):
Ik wil hier echt niet zeggen dat u de VVD nooit aan uw zijde zal vinden om dit te
doen. U hoort mij zeggen dat ik dit gesprek weloverwogen wil voeren. Het ibo is volgens
mij een heel goed rapport dat ik met zorg wil behandelen. Dat kan ik pas doen als
ik ook de reactie van het kabinet heb ontvangen. Daarna voer ik dit gesprek graag
verder met mevrouw Dobbe.
De voorzitter:
U was aan het einde gekomen van uw inbreng, toch? Ja. Ik heb nog een interruptie van
mevrouw Synhaeve.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Ook ik hoorde het pleidooi om veel vaker het open gesprek te voeren over mentale gezondheid.
Ik denk dat we dat breed delen. Ik hoorde de VVD ook zeggen dat er heel veel lopende
initiatieven zijn, heel veel projecten, honderden zo weten we, die gericht zijn op
het verbeteren van mentale gezondheid. Sommige zijn effectief; sommige zijn niet effectief
en sommige zijn echt schadelijk. Ik hoor de oproep van de VVD om de initiatieven in
kaart te brengen en de mate waarin ze effectief zijn. Is de VVD het met mij eens dat
je ook een keer moet kiezen, dat je moet durven zeggen dat we bijvoorbeeld zo'n STORM-aanpak
landelijk moeten uitrollen?
Mevrouw Wendel (VVD):
Zeker, zeker. Ik denk niet dat de VVD een partij is die eindeloos zaken in kaart wil
brengen en vervolgens geen knopen kan doorhakken. Wij zijn juist een partij die de
grote problemen wil oplossen. Daar vallen mentale gezondheid en het veel te grote
aantal suïcides natuurlijk ook onder. Ik ga hier vandaag niet één specifiek initiatief
noemen. De afgelopen weken zijn er veel initiatieven voorbijgekomen, ook bij de rondetafel.
Ik noem Life After School, dat soort initiatieven. Uiteraard wil ik ze wel in kaart
hebben, zodat we weloverwogen voor de lange termijn knopen kunnen doorhakken. We moeten
de komende debatten niet meer over specifieke initiatieven hoeven praten.
De voorzitter:
Dank u wel. We zijn gekomen bij de volgende spreker aan de zijde van de Kamer, mevrouw
Tijmstra namens het CDA.
Mevrouw Tijmstra (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Aangrijpende persoonlijke verhalen, veel gesprekken met instellingen
en rapporten die achter elkaar aangeven hoe vast de ggz loopt: toen ik mij inwerkte
in deze portefeuille heb ik me af en toe echt afgevraagd of er ook nog iets positiefs
te melden is. En ja, dat is er ook. Daar wil ik mee beginnen, omdat dagelijks vele
professionals zich met hart en ziel inzetten om mensen met mentale problemen te helpen.
Voordat ik mijn inbreng ga leveren, wil ik daarbij stilstaan, want laten we ook niet
uit het oog verliezen wat er dagelijks wel goed gaat.
In mijn inbreng sta ik stil bij drie punten. Het eerste punt is preventie, waaronder
suïcidepreventie. Het rapport Op de rem! van de Raad voor Volksgezondheid & Samenleving
is door een aantal collega's al aangehaald. Dit rapport maakt duidelijk dat mentale
klachten veroorzaakt worden door de hypernerveuze samenleving waarin we leven, met
hoge druk en weinig rust. Het CDA kijkt breed naar preventie. Dat betekent dat die
laagdrempelige steunpunten in een wijk en herstelvoorzieningen heel belangrijk zijn,
maar dat we ook met elkaar uit moeten zoomen om de oorzaken aan te pakken. Dan gaat
het over die mentale volksgezondheid waar het rapport Op de rem! over spreekt. Deelt
de Minister deze opvatting en wordt het rapport van de RVS verder gebruikt bij het
vormgeven van preventief beleid?
Juist in dat licht is suïcidepreventie ook belangrijk. Dagelijks zijn er gemiddeld
vijf zelfdodingen, met een stijging onder jongeren. De oorzaken zijn heel divers,
zoals prestatiedruk, eenzaamheid, toekomstonzekerheid en sociale media. Ook jongeren
staan tegenwoordig continu aan. Het rondetafelgesprek onderstreepte drie dingen. Mentale
gezondheid moet een vanzelfsprekend onderdeel van het onderwijs worden. Praten helpt.
Jongeren hebben behoefte aan laagdrempelige plekken waar ze open kunnen zijn over
mentale problemen. En stop met exclusiecriteria. De sleutel ligt vaak bij mensen die
al dicht bij hen staan, zoals mentoren, jongerenwerkers en sportcoaches. Zij zien
de signalen als eersten. Dat vraagt om investeren in deze professionals, zodat zij
het gesprek aan durven gaan. Kan de Minister dit meenemen in de aanpak voor sterke
wijken en buurten?
Dan ga ik verder naar mijn tweede punt: de complexe zorg. Vooral mensen met een complexe
hulpvraag krijgen nu niet de zorg die ze nodig hebben. Ze wachten veel langer dan
de treeknormen, met risico op verslechtering. De problemen zijn groot en ook niet
direct opgelost. Mijn vraag aan de Minister is: welke concrete stappen zijn op korte
termijn te zetten om ervoor te zorgen dat met name de groep mensen met een complexe
zorgvraag sneller passende zorg krijgt?
Het CDA vindt het goed dat budgetbekostiging voor de acute zorg bij de HIC's en de
IHT's – daar ging het net al over – in voorbereiding is. Budgetbekostiging zorgt namelijk
niet alleen voor het borgen van de beschikbaarheid van deze cruciale zorg, maar geeft
teams ook de ruimte om hun werk goed te doen. Nu de NZa het advies over de invoering
heeft uitgesteld tot 2027, vraag ik de Minister: blijft invoering van budgetbekostiging
per 1 januari 2028 haalbaar?
De hoge druk op de ggz leidt tot een toenemend aantal incidenten met onbegrepen gedrag
in wijken en buurten. In het coalitieakkoord hebben we afgesproken dat vaker bemoeizorg
wordt aangeboden aan mensen die zorg mijden of onbegrepen gedrag vertonen. Is de Minister
bereid om hiervoor een concreet plan te maken?
Tot slot ga ik naar mijn derde punt: het stelsel. Het ibo is heel helder: dit stelsel
is onhoudbaar. De focus ligt te veel op medische behandeling en te weinig op preventie
en wat mensen wel kunnen. Het bevat verkeerde prikkels, en versnipperde financiering
zorgt voor hoge administratieve druk. De groei van ongecontracteerde zorg heeft geleid
tot een wildgroei aan aanbieders, wat personeel wegtrekt uit de complexe zorg. Dat
is juist de plek waar we de mensen zo hard nodig hebben. Dat vergroot personeelstekorten,
zeker in de noordelijke provincies en in Zeeland, waar de druk op specialistische
en acute zorg inmiddels zorgwekkend hoog is. Het vraagt om duidelijke keuzes waar,
wat het CDA betreft, het ibo hele goede handvaten voor biedt. Daar heb ik de volgende
vragen over. Is de Minister bereid om de uitkomsten van het ibo expliciet mee te geven
aan de staatscommissie zorg als richtinggevend kader? Welke concrete stappen kan de
Minister op korte termijn zetten om toch nog een beetje verbetering aan te brengen
in het stelsel dat we op dit moment hebben?
Tot zover mijn inbreng.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan komen we bij de volgende spreker van de zijde van de Kamer. Dat is
mevrouw Van Meetelen namens de PVV.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Dank u, voorzitter. We spreken vandaag over mensen die soms nog maar één ding hopen:
dat hulp op tijd komt. Ze hopen dat er iemand is die ziet hoe ernstig het is, iemand
die niet doorschuift, afhoudt, maar handelt. En juist daar gaat het mis in de ggz,
niet aan de rand maar in de kern. Uit de stukken rijst een hard beeld op. De vraag
groeit en de wachttijden lopen op. De kosten stijgen. Juist mensen met ernstige of
complexe psychische problematiek krijgen nog te vaak niet de zorg die echt bij hen
past. Het stelsel piept en kraakt, maar voor de patiënt betekent dat vooral: nergens
echt terechtkunnen. Bij ernstige depressie en gedachten over zelfmoord is dat levensgevaarlijk.
Dan maakt het alles uit waar iemand terechtkomt, hoe snel dat gebeurt en of daar ook
echt passende behandeling voor is. Een open bed is nog geen oplossing en een intake
is nog geen behandeling. En iemand ergens plaatsen omdat daar toevallig plek is, is
nog geen hulp. Sterker nog, een verkeerde plaatsing kan de situatie verergeren met
meer wantrouwen, meer onrust en meer afstand tot herstel. Daarom vraag ik de Minister:
erkent zij dat niet-passende plaatsing bij ernstige depressie en gedachten over zelfmoord
schadelijk kan zijn? Wil zij inzicht geven in hoe vaak mensen met deze problematiek
toch terechtkomen op een plek die feitelijk niet aansluit op hun zorgvraag, alleen
omdat een passend alternatief ontbreekt?
Voorzitter. De leidraad over suïcidepreventie is helder. Niet-passende zorg, gebrekkige
continuïteit, afwijzingen en mislukte overgangen vergroten het risico op suïcide.
Wat beschermt is ook helder: verbondenheid met het gezin en vrienden, een stabiel
behandelteam, passende behandeling, bereikbare hulp en een warme overdracht. Dat is
precies waar het misgaat als een organisatie faalt, en dus is dit ook politiek. Deze
problemen raken zelden alleen de patiënt; een heel gezin wordt meegetrokken. Ouders
die dag en nacht alert zijn, partners die op eieren lopen, broers, zussen en kinderen
die leven met angst en spanning, en toch worden naasten er nog te vaak laat bij betrokken.
Soms worden zij er mondjesmaat bij betrokken en soms zelfs helemaal niet, terwijl
zij juist kunnen signaleren en stabiliteit en bescherming kunnen bieden. Daarom vraag
ik de Minister: hoe wordt geborgd dat ouders, partners en andere naasten, vrienden
en studentenverenigingen er veel eerder en veel vanzelfsprekender bij worden betrokken,
uiteraard voor zover dat juridisch en medisch verantwoord is? En wat doet zij eraan
om te voorkomen dat naasten pas serieus in beeld komen als het bijna is misgegaan
of al te laat is?
Voorzitter. Ook in de rest van de stukken zie je hetzelfde patroon. Wachttijdondersteuning
moet mensen zich gezien laten voelen. Maar gezien worden is nog geen behandeling.
Bij de overgang van jeugdhulp naar volwassenen-ggz wordt opnieuw gesproken over gesprekken
en gezamenlijke acties, terwijl de problemen allang bekend zijn: afwijzing, zorgmijding,
gebrekkige overdracht en jongeren die tussen wal en schip vallen. Tegelijk zegt het
ibo dat het stelsel in deze vorm niet houdbaar is en dat juist voor ernstige problematiek
het benodigde aanbod onvoldoende van de grond komt. Ik vraag de Minister daarom: hoe
voorkomt zij dat wachttijdondersteuning een keurige verpakking wordt om het tekort
aan echte behandelcapaciteit heen? Welke norm hanteert zij voor passende plaatsing
bij ernstige depressie en gedachten over zelfmoord? Wanneer komt zij met concrete
maatregelen om te voorkomen dat mensen bij gebrek aan beter ergens belanden waar hun
problematiek feitelijk niet past?
Voorzitter. We moeten oppassen voor woorden die netjes klinken, maar weinig veranderen.
«Samenwerking», «handreiking», «verkenning» en «agenda» zijn allemaal mooie termen,
maar voor gezinnen die dagelijks vrezen dat het misgaat, telt iets anders. Is er op
tijd hulp? Is die hulp passend? Blijft hulp overeind bij een overgang en staat het
gezin er niet alleen voor? Dat zijn de vragen waar het om draait. Ik wil daarom van
de Minister niet horen dat het beter moet, want dat weten we allemaal – ik denk dat
we dat allemaal al hebben vastgesteld – maar wat zij concreet gaat afdwingen. Ik zou
willen horen hoe zij passende zorg voor ernstige problematiek gaat organiseren, hoe
zij continuïteit niet als een wens maar als een norm gaat behandelen en hoe zij naasten
niet langer ziet als een bijlage, maar als onderdeel van de aanpak. Bij ernstige depressie
en gedachten over zelfmoord zit het verschil tussen systeemtaal en werkelijkheid namelijk
soms precies in die ruimte waarin iemand verder zakt.
Dank u.
De voorzitter:
Ik dank u zeer. De volgende spreker is Diederik van Dijk, namens de SGP.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Dank u wel, voorzitter. Weet u hoeveel coaches we op dit moment in Nederland hebben?
Dan bedoel ik geen bondscoaches, maar mentale coaches. Dat zijn er meer dan 100.000.
Het aantal van dit soort coaches is in de afgelopen tien jaar meer dan verdubbeld.
Wat zegt de massale vraag naar mentale ondersteuning over onze samenleving? Hoe kan
het dat in zo'n welvarend, op zich gelukkig land als het onze zo veel mensen op de
wachtlijst staan bij de ggz? Ik zeg het bepaald niet om psychische problemen te relativeren
of kleiner te maken, want de mentale gezondheid in Nederland staat daadwerkelijk onder
druk. Maar het vergroten van het hulpaanbod is niet het juiste antwoord op de stijgende
hulpvraag. Het is misschien zelfs water naar de zee dragen. In het lezenswaardige
advies Op de rem! beschrijft de Raad voor Volksgezondheid & Samenleving de gevolgen
van de hypernerveuze samenleving. Individualisering, prestatiedruk en voortdurende
haast eisen hun tol. Daar zijn we als Kamer ook vatbaar voor.
Heel fijntjes wees de vorige Staatssecretaris er in haar kabinetsreactie op dat de
Kamer zo snel mogelijk een reactie wilde op dit rapport dat juist pleitte voor vertraging
en rust. Het rapport in beleid vertalen is niet eenvoudig. Het gaat om een cultuurverandering
die je als overheid niet zomaar kunt afdwingen. Toch kunnen we wel een paar verstandige
dingen doen. Neem de ontwikkeling naar een meer gezinsgerichte benadering. Het is
heel goed dat het kabinet de SGP-motie op dit punt oppakt. Ik voorzie hierbij wel
een botsing met de manier waarop de indicatiestelling en financiering van de ggz,
maar ook de jeugdhulp zijn geregeld. Die gaat uit van het individu in plaats van gezinnen.
Erkent de Minister dat dit anders zou moeten? Hoe wil ze hier sturing aan geven? En
hoe staat het met de uitvoering van mijn motie over onderzoek naar de effectiviteit
van systeemtherapie?
Preventie is ook belangrijk. Het kabinet onderkent de noodzaak van een stevige sociale
basis, maar trekt hier geen structurele middelen voor uit. Ook is er geen geld gereserveerd
om het interdepartementaal beleidsonderzoek Mentale gezondheid op te pakken. Pakt
de Minister dit alsnog op?
De wachtlijsten in de ggz zijn lang. Helaas komen mensen die hulp het hardst nodig
hebben hierdoor in de knel. De financieringsprikkels staan niet goed afgesteld. Het
is voor zorgaanbieders nu aantrekkelijker om lichte zorg aan te bieden. Hoe zorgt
de Minister ervoor dat er voldoende aanbod is van complexe zorg, bijvoorbeeld als
het gaat om voldoende woonzorgvormen voor mensen met psychische problemen? We moeten
slim omgaan met de personeelskrapte. Vanaf 2022 werd eraan gewerkt om kinderpsychologen,
K&J-psychologen en gz-psychologen onder te brengen in één beroepsgroep. Hierdoor steeg
het aantal instromers in de K&J-opleiding explosief. In 2024 werd het plan echter
onverwacht weer ingetrokken. Dat is onverstandig en schadelijk. Is het nieuwe kabinet
bereid om het samenbrengen van deze beroepsgroepen alsnog op te pakken?
De SGP maakt zich zorgen over het plan in het coalitieakkoord om de vergoeding voor
ongecontracteerde zorg volledig te schrappen. Hoe voorkomt het kabinet dat mensen
in problemen komen doordat de verzekeraar hun behandeling niet langer vergoedt? Naar
aanleiding van de initiatiefnota-De Korte voerden we destijds het debat over euthanasie
bij psychiatrie. De SGP betreurt het dat het vorige kabinet geen noodzaak zag voor
de wetswijziging. Neemt dit kabinet ook dat standpunt in? Acht de Minister het denkbaar
dat toekomstige ontwikkelingen, zoals een verdere stijging bij jonge patiënten, alsnog
aanleiding kunnen geven tot aanscherping van wettelijke waarborgen?
Dan heb ik nog een laatste punt. De SGP was mede-indiener van het amendement om het
budget voor de 113-hulplijn te verhogen. De Minister meldde gisteren dat ze eerst
meer onderbouwing wil voordat ze structureel voldoende extra geld beschikbaar maakt.
Zonder extra financiering kan 113 haar werk niet doen. De SGP vraagt de Minister daarom
om spoedig over de brug te komen.
Dank u, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we verder met de volgende spreker van de zijde van de Kamer.
Dat is mevrouw Dobbe namens de SP.
Mevrouw Dobbe (SP):
Dank u wel, voorzitter. Twee dagen geleden waren Hanna en haar ouders hier in de Tweede
Kamer. Mevrouw Westerveld had het al even over die ontmoeting en het gesprek dat wij
met hen hebben gehad, dat heel indrukwekkend was. Zij vertelden namelijk dat Hanna
jarenlang van wachtlijst naar wachtlijst is gestuurd. Dat is eigenlijk wat er is gebeurd.
Ze wilde in die jaren meermaals haar eigen leven nemen. Haar ouders beschreven de
onzekerheid en de angst die het met zich meebrengt als je kind haar eigen leven wil
nemen en hoe je jarenlang met die angst moet leven. Dat is heel ingewikkeld. Zij vragen
nu ook: los die wachtlijst in de ggz op, zeker voor de complexe K&J en de langdurige
ggz; los het op. Ik begreep dat de Minister via MIND het verhaal van Hanna voor dit
debat heeft ontvangen. Mevrouw Westerveld heeft al een reactie gevraagd op de oproep
van MIND zelf, maar ik zou ook graag een reactie willen op dit verhaal van Hanna en
haar ouders. De wachtlijsten in de ggz worden erger in plaats van beter. Dat is toch
wel heel schrijnend. Er zijn namelijk nog altijd meer dan 100.000 wachtplekken in
de ggz, ondanks alle actieplannen die al naar de Kamer zijn gestuurd en alle debatten
die we hierover hebben gehad en alle intenties die we hier met elkaar hebben uitgesproken.
Dat komt omdat fundamentele keuzes om dit te verbeteren niet worden gemaakt, bijvoorbeeld
om de markt aan te pakken in de ggz. We zien wel dat die markt en de marktwerking
en concurrentie eindelijk steeds meer ter discussie komen te staan. Dat is volgens
mij goed. Marktwerking in de ggz zorgt er namelijk voor dat mensen die complexe ggz-zorg
nodig hebben dit niet krijgen. MIND zegt dit, de Stichting Recht op GGZ zegt dit en
zelfs zorgeconomen zeggen dit, wat ik net al heb gezegd. Het ibo zegt ook dat een
fundamentele hervorming van het stelsel en de markt in de ggz nodig is. Neemt de Minister
deze oproepen serieus, naast het feit dat ze zelf ook kan zien dat het op deze manier
niet goed werkt? Wat gaat de Minister dan doen om de markt in de ggz aan te pakken?
Zouden wij, gezien de urgentie die spreekt uit alle inbrengen van de collega's in
deze Kamer, de reactie op dat ibo-rapport eerder kunnen ontvangen? Ik geloof dat die
nu op het derde kwartaal staat, maar zouden we die niet al voor de zomer kunnen ontvangen
of misschien nog eerder? Ik denk dat dat belangrijk is en dat de urgentie uit al onze
inbrengen hier ook om vraagt. Is de Minister bereid – MIND vroeg daar ook om – om
de staatscommissie inzake de herziening van het zorgstelsel de opdracht te geven om
de rol en de effecten van de markt in de ggz te onderzoeken? Ik ben benieuwd wat de
Minister vindt van dat idee.
Dan ga ik verder met de budgetplafonds. Die houden in dat zorginstellingen geen mensen
meer mogen aannemen als het budgetplafond is bereikt, terwijl er wel plek is voor
mensen. Dit houdt in dat het uitmaakt waar je verzekerd bent als het gaat om de vraag
of je zorg krijgt of niet. De Kamer heeft onze motie al aangenomen om met die budgetplafonds
te stoppen, maar het kabinet wil die niet uitvoeren. Daarom is mijn vraag: welk positief
effect hebben deze budgetplafonds dan eigenlijk? Welk voordeel hebben deze budgetplafonds
ons gebracht? Waar twijfelt het kabinet dan over als het gaat om het afschaffen van
deze budgetplafonds en het uitvoeren van deze motie? Dat concrete antwoord hebben
we namelijk nog niet gekregen.
Er staan nog bezuinigingen gepland voor de langdurige ggz, plus een deel nieuwe bezuinigingen
op de Wlz. In ieder geval is een deel daarvan ongedekt in die zin dat ook organisaties
zeggen: wij kunnen de besparingen waar deze bezuinigingen op gebaseerd zijn niet halen.
Dan krijg je dus dat het ten koste gaat van de zorg en de wachtlijsten. We zien de
tekorten die er zijn terug in de samenleving. Onlangs was in het nieuws dat er meer
intense incidenten zijn in maatschappelijke opvanglocaties en dat het risico op geweld
toeneemt. Welk effect denkt de Minister dat deze verdere bezuinigingen dan nog zullen
hebben?
Voorzitter. Dan ga ik naar het niet langer vergoeden van de ongecontracteerde zorg.
Dat is echt een paardenmiddel dat de toegankelijkheid van de zorg op dit moment kan
verslechteren en de macht van de zorgverzekeraars vooral vergroot. Het is toch niet
verstandig om dit te doen nu de wachtlijsten alleen maar langer worden? Ook hier graag
een antwoord op.
Voorzitter, tot slot. De mentale gezondheid van vrouwen staat steeds meer onder druk,
meer dan de mentale gezondheid van mannen. Dat blijkt uit allerlei rapporten. In oktober
werd onze motie aangenomen die de regering verzocht om met een aanpak te komen om
de mentale gezondheid van jonge vrouwen te verbeteren. Hoe staat het met de uitvoering
van die motie? Ik heb hierover nog een specifieke vraag, die ik al eerder heb gesteld.
Die gaat over de toegang tot mentale ondersteuning en ggz voor slachtoffers van seksueel
geweld, want dat is niet altijd goed geregeld. Stel je eens voor: dan heb je seksueel
geweld meegemaakt en dan kom je op een wachtlijst terecht. Wat vindt de Minister daarvan
en is zij bereid om daar wat aan te doen?
Omdat ik toch uit de tijd loop, wil ik me aansluiten bij de goede vragen over suïcidepreventie
en 113, want ik vind het uiteraard ook heel belangrijk dat dat goed wordt geregeld.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u zeer. Dan komen we bij de volgende spreker. Dat is mevrouw Coenradie namens
JA21.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Dank, voorzitter. Laat ik beginnen bij de kern van het probleem: mensen met verward
gedrag horen niet thuis in de strafrechtsketen, niet in een politiecel en niet in
de gevangenis. Zij horen in de zorg. Toch zien we in de praktijk precies het tegenoverstelde
en daar wordt echt helemaal niemand beter van; de samenleving niet, de politie niet
en de persoon zelf al helemaal niet. Maar dit is wel de harde realiteit van de huidige
situatie.
Voorzitter. In 2025 registreerde de politie ongeveer 168.000 incidenten met personen
met verward gedrag en dit is stijgende. Politieagenten geven zelf aan dat zij steeds
vaker worden geconfronteerd met situaties die eigenlijk geen veiligheidsvraag, maar
een zorgvraag omvatten. Tegelijkertijd piept en kraakt de ggz: wachttijden lopen op,
personeelstekorten nemen toe en bedden zijn schaars. Daarom pleit JA21 voor een tussenvoorziening
tussen straat en ggz, een plek waar mensen met verward gedrag tijdelijk worden opgevangen
en beoordeeld door professionals. Dat gebeurt dan dus niet in een politiecel, maar
in een zorgomgeving. We pleiten dus voor een soort ggz light. Daar wordt snel vastgesteld
wat iemand nodig heeft: specialistische ggz of een paar therapiesessies waarna iemand
weer door kan. Die triage is cruciaal. Nu laten we mensen eerst ontsporen voordat
we ingrijpen en dat is toch de wereld op zijn kop.
Voorzitter. In het coalitieakkoord staat dat het kabinet wil inzetten op preventie,
betere samenwerking en meer ruimte voor complexe zorg in de ggz. Dat is heel mooi,
maar uit de doorrekening van het CPB blijkt dat er wordt bezuinigd op ggz-wonen. Bovendien
staat in het coalitieakkoord dat prikkels voor lichte ggz-zorg worden afgebouwd. Daarom
heb ik de volgende vragen aan de Minister. Kan de Minister toelichten hoe het afbouwen
van prikkels voor lichte zorg in de ggz, zoals vermeld in het coalitieakkoord, zich
verhoudt tot de groei van het aantal incidenten met mensen met verward gedrag? Is
de Minister niet bang dat het afbouwen van prikkels voor lichte zorg ertoe leidt dat
mensen later in beeld komen bij de ggz, waardoor problemen escaleren en incidenten
met verward gedrag juist toenemen? En tot slot: hoe rijmt de Minister de combinatie
van een stijgende vraag in de ggz-zorg met een bezuiniging op ggz-wonen? Hoe voorkomt
de Minister dat deze combinatie leidt tot nog meer incidenten met verward gedrag?
Voorzitter. Eeuwenlang waren infectieziekten de belangrijkste doodsoorzaak onder jongeren.
In de vorige eeuw namen op den duur verkeersongevallen die plaats in. Vandaag zien
we echter een zorgwekkende verschuiving. Zelfdoding is onder jongeren en jongvolwassenen
uitgegroeid tot doodsoorzaak nummer 1. Door onderzoek weten we dat veerkracht onder
jongeren zeer belangrijk is voor het voorkomen van dit soort problematiek. En die
veerkracht begint thuis. Niet de overheid, school of hulpverlening, maar de ouders
spelen de belangrijkste rol in het leven van jongeren. Dit betekent dat ouders zich
daarvan bewust moeten zijn en daarnaar moeten handelen, en waar nodig ook ondersteund
moeten worden. Zij moeten het goede voorbeeld geven en grenzen stellen, ook in de
digitale wereld. We weten ook dat de financiële situatie veel verband houdt met het
risico op suïcide en de mentale gezondheid van mensen. Tegelijkertijd kiest dit kabinet
voor echt ongekende lastenverzwaringen voor de mensen thuis. Daarom hebben we de volgende
vragen aan de Minister. Ziet zij niet dat dit beleid haaks staat op het verbeteren
van de mentale gezondheid? Is de Minister bekend met de financiële opgave en huidige
financieringsproblematiek van Stichting 113 Zelfmoordpreventie? Zo ja, hoe beoordeelt
de Minister de continuïteit van deze organisatie in het licht van de toenemende vraag
naar hulp? En tot slot: hoe waarborgt de Minister dat het huidige en toekomstige beleid
zich niet beperkt tot kortetermijninterventies of «pleisterwerk», maar bijdraagt aan
een structurele langetermijnvisie op mentale gezondheid en suïcidepreventie onder
jongeren?
Tot zover, voorzitter.
De voorzitter:
Ik dank u zeer. Dan zijn we aan het einde gekomen van de eerste termijn van de zijde
van de Kamer. In overleg met de Minister ga ik ongeveer 35 minuten schorsen. We gaan
dus om 15.15 uur weer verder. U wordt geacht om een minuut eerder in de zaal te zijn,
en ikzelf natuurlijk ook. Tot straks. Ik schors de vergadering.
De vergadering wordt van 15.38 uur tot 16.15 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. We zijn nog steeds bij het commissiedebat Ggz/Suïcidepreventie.
We zijn gekomen bij de eerste termijn van de zijde van het kabinet. Ik geef Minister
Hermans het woord. Misschien kunt u ons even meenemen in de blokken? Het woord is
aan u.
Minister Hermans:
Ja, voorzitter, daar zal ik mee beginnen. Ik begin met enkele inleidende opmerkingen.
Daarin komt ook al een aantal door veel Kamerleden gestelde vragen aan de orde, maar
daarna zal ik dieper ingaan op de curatieve ggz en specifiek de wachtlijsten, dus
de wachttijden, en de cruciale complexe zorgvragen die daarover zijn gesteld. In het
tweede blokje volgt suïcidepreventie. Daar zal ik ook ingaan op alle vragen over 113.
In het derde blokje volgen de samenwerking en de overlap met het sociale domein. Tot
slot behandel ik nog een aantal overige vragen.
De voorzitter:
Dat is helemaal goed. Ik geef u het woord.
Minister Hermans:
Voorzitter, dank. Dank voor alle verhalen van de Kamerleden, ook de persoonlijke,
in het bijzonder het verhaal van mevrouw Synhaeve. Ik denk dat dit net als de voorbeelden
die u allen genoemd heeft in uw inbreng laat zien hoe ingewikkeld het leven soms kan
zijn. Soms is dat tijdelijk, door druk en stress. Het kan door werk komen of door
school, of, zoals een aantal van u ook zei, door zaken die de bestaanszekerheid raken.
Maar je kunt ook voor langere tijd heel heftig in de knoop zitten, met alle heftige
mogelijke consequenties van dien. Die verhalen kennen we uit onze persoonlijke omgeving,
zoals mevrouw Wendel ook zei. Die kennen we allemaal van werkbezoeken of op basis
van de petitie die is aangeboden. Die zou ik vlak voor het debat in ontvangst hebben
willen nemen, maar dat is door mijn debatplanning niet gelukt. Maar ik heb hem hier
wel in mijn stapeltje. Ik heb er net ook even in gelezen en dat zal ik natuurlijk
nog uitgebreider doen. Ik denk namelijk dat dit soort petities langs de lijn van individuele
verhalen aandacht vragen voor het grotere vraagstuk: hoe zorgen we ervoor dat er zorg
is voor jou als jij dermate problemen ervaart dat je even niet meer weet hoe met het
leven om te gaan en je zorg nodig hebt? Het gaat dan om passende zorg die beschikbaar
is op het juiste moment. Dat is nu te vaak al te lang niet het geval. Dat zeg ik tegen
mevrouw Westerveld, die ik hoorde praten in de plenaire zaal terwijl ik hiernaartoe
liep. Zij hoort het nu dus niet live, maar mogelijk luisteren zij of haar medewerkers
dit terug. Ze heeft namelijk gelijk.
De afgelopen tien jaar, in elk geval toen ik begon als Kamerlid als woordvoerder zorg,
voerden we ook al dit debat over de wachtlijsten voor mensen die de ggz-zorg zo keihard
nodig hebben. Het is onvoldoende gelukt om daar echt een kentering in aan te brengen.
Volgens mij zei mevrouw Van Meetelen: ik hoef geen belofte van mevrouw Hermans, van
de Minister, te horen dat ze zich daarvoor gaat inzetten, maar ik wil gewoon dat het
gebeurt. Met dat laatste ben ik het ongelofelijk eens. Ik kan niet anders dan hier
toe te zeggen dat ik samen met de collega's van VWS en met alle partijen in het veld
zal zoeken naar hoe we hier nu echt een doorbraak kunnen forceren. Dat zal ik doen
met alles wat ik in mij heb, met de energie en de motivatie die ik voel, want dat
die doorbraak er moet komen, staat als een paal boven water. Ik blijf er ook van overtuigd
dat het kan. Ik sluit me ook heel erg aan bij wat mevrouw Tijmstra zei. Al die mensen,
al die professionals die werken in de ggz of in de ondersteuning in het sociaal domein
of die bezig zijn met preventieve programma's, bijvoorbeeld op scholen, doen dat met
ongelofelijk veel professionaliteit, betrokkenheid en deskundigheid. Voor hen is de
werkdruk hoog, maar we hebben ze keihard nodig. Ik voel mij dus gesteund om daaraan
te werken en daar met hen aan te werken, ook om het werkplezier te behouden in deze
hele ingewikkelde sector. Dat geeft me dus ook het vertrouwen dat het kan. Het zal
niet makkelijk zijn, maar we moeten altijd blijven geloven in dat we die verandering
teweeg kunnen brengen, dus dat doe ik ook.
Voorzitter. De ambitie van dit kabinet is om werk te maken van de gezondste generatie
ooit. Dat gaat over het voorkomen van ziekte, van eenzaamheid, het werken aan welzijn
en aan je eigen verantwoordelijkheid, en dat er goede zorg en ondersteuning is als
jij die nodig hebt. Maar die gezonde generatie betekent voor mij ook een samenleving
en een generatie waarin mensen veerkrachtig zijn, waarin ze steun ervaren en goed
om kunnen gaan met dagelijkse stress, of dat nu op school is of op je werk of omdat
je moet verhuizen maar nog geen nieuw huis hebt gevonden. Kortom, het gaat om alles
waar je in het leven tegen aan kan lopen en wat je stress kan opleveren. Om kunnen
gaan met tegenslagen en uitdagingen die allemaal op ons pad kunnen komen in het leven
vraagt iets van ieder van ons. Daarom is het belangrijk dat we ook het individu blijven
versterken en een gezonde leefstijl stimuleren. Het vraagt iets van de omgeving, de
omgeving waarin je opgroeit, waarin je werkt en waarin we met elkaar samenleven. Ik
geloof dat de heer Van Dijk daar ook echt aandacht voor vroeg. Het gaat ook over het
bespreekbaar maken van het onderwerp mentale gezondheid. Het gaat niet alleen om het
bespreekbaar maken van dit onderwerp, maar ook over doorvragen, hoorde ik mevrouw
Synhaeve heel expliciet zeggen. En tot slot – ik herhaal het nog maar een keer – gaat
het om passende zorg en ondersteuning voor mensen die dat nodig hebben.
Ik zei al dat we daar echt nog te ver van zijn verwijderd. We zien de hulpvraag van
mensen met mentale problemen sterk groeien, terwijl te veel mensen te lang wachten
en de professionals onder grote druk staan. Dat vraagt om een stevige aanpak, om het
doorgaan met een stevige aanpak die al in gang is gezet door mijn voorgangers en ook
door de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport; zij heeft natuurlijk ook belangrijke
elementen van dit onderwerp in haar portefeuille. Daar waar het nodig is – het ibo
biedt daar handvaten voor – en waar het ons echt kan helpen, zullen we aanvullende
stappen en maatregelen natuurlijk niet uit de weg gaan. Ik zal straks nog uitgebreider
ingaan op dat ibo en een aantal vragen die daarover zijn gesteld.
Voorzitter. Volgens mij heeft elk van de Kamerleden mij de volgende vragen gesteld.
Wat doet u op dit moment voor de mensen die op een wachtlijst staan? Hoe zorgt u ervoor
dat zij zo snel mogelijk geholpen kunnen worden? Hoe zorgt u ervoor dat ze de zorg
krijgen die aansluit op hun hulpvraag en dat die specialistische ggz er is? Daarvoor
zetten we een aantal stappen. Misschien moet ik het zo zeggen: we werken langs een
aantal lijnen. De eerste is: het versterken van de mentale veerkracht en de mentale
weerbaarheid. Dat doen we via de agenda Mentale gezondheid. Daar zijn nog wat vragen
over gesteld, bijvoorbeeld over de vrouwengezondheid en de wachttijdondersteuning.
Daar zal ik straks verder op ingaan, maar dit is alvast een van de lijnen waar we
aan werken. Daar zijn namelijk echt knelpunten in benoemd vanuit doelgroepen, vanuit
mensen die zorg of ondersteuning nodig hebben. Zij hebben aangegeven: hier zien wij
nu een knelpunt in de dagelijkse praktijk en u kunt ons echt helpen als hier gericht
op wordt ingezet. Als tweede gaan we onverminderd door met het uitvoeren van de afspraken
uit zowel het IZA als het AZWA. Dat gaat erover dat die mentale gezondheidsnetwerken
stevig een plek krijgen en dat van daaruit het verkennend gesprek gevoerd wordt. Dat
moet eraan bijdragen dat mensen die in het sociaal domein geholpen kunnen worden,
ook daar geholpen worden en niet te snel of automatisch doorstromen naar de curatieve
ggz. Zo worden daar de plekken beschikbaar gehouden voor de mensen die dat keihard
nodig hebben. We kijken naar het vergroten van het aandeel dat groepsbehandelingen
kunnen bijdragen, ook om de lichte zorgvraag op die manier vorm te geven en daarmee
ruimte te creëren voor de complexe zorgvraag.
Dan ga ik naar de proactieve zorgbemiddeling en het schrappen van exclusiecriteria,
waar afspraken over gemaakt zijn. Mevrouw Synhaeve vroeg: hoe gaat de Minister daarop
sturen? Dat zijn bestuurlijk gemaakte afspraken. We hebben afgesproken dat die exclusiecriteria
eruit zijn in de contractering voor het volgende jaar, dus in de afspraken die nu
gemaakt worden. We zullen dat straks moeten gaan zien in de contracten. Als dan blijkt
dat het toch niet gebeurd is, dan is dat een reden om aan die tafel te vragen wat
daar gebeurt en waarom dat niet gebeurd is. Voor die proactieve zorgbemiddeling geldt
eigenlijk hetzelfde. Daar wordt op dit moment invulling aan gegeven. Volgens de laatste
informatie die ik heb, gaat er in de loop van april ook echt proactief gebeld worden.
Het systeem daarvoor is nu ingericht, maar dat gaat ook echt actief gebeuren. Dat
zullen we ook heel scherp in de gaten houden. Ik denk namelijk dat dit een hele belangrijke
vorm is voor mensen die op de wachtlijst staan, maar misschien wel op een andere plek
geholpen kunnen worden. Dat kan niet verder weg zijn, maar een goed gesprek tussen
de verzekeraar en de cliënt kan natuurlijk een oplossing bieden.
Voorzitter. Een derde lijn waarlangs we werken, is dat er een routekaart voor passende
zorg komt. Ik wil oppassen met een agenda op een programma op een routekaart te stapelen,
maar deze is heel belangrijk in het licht van een vraag die mevrouw Dobbe mij ook
al bij de begrotingsbehandeling stelde: hoe zit het nu met die omzetplafonds en de
aangenomen motie om daarmee te stoppen? Dat loopt nu. Hoe zouden we dat kunnen doen?
Stel dat je daarmee stopt, bijvoorbeeld voor de complexe, cruciale ggz-zorgvormen,
wat zou je daar dan voor in de plaats moeten stellen aan instrumenten voor zorgverzekeraars
om wel goed op dat vraag en aanbod te kunnen blijven sturen? Er zijn ook vragen gesteld
over de verkenning naar de invoering van de budgetbekostiging van de high intensive
care en de intensive home treatment. Daar zal ik straks specifieker op ingaan, maar
daar gaan we mee door, zeg ik alvast tegen de Kamerleden die mij vroegen of ik hier
wel mee doorga, aangezien de verkenning die net naar buiten is gekomen, een beetje
op een soort uitstel lijkt af te koersen.
Dit zijn dus de lijnen waarlangs ik werk en het gesprek voer aan de IZA/AZWA-tafel.
De afspraken zijn gemaakt, maar het moet echt tot veranderingen in de praktijk gaan
leiden.
Dan stip ik alvast even het ibo Ggz aan, dat eind vorig jaar verschenen is. Dat geeft
handvaten om ook echt naar de toekomst te kijken. Waar moet je mogelijk in het stelsel
fundamenteler dingen anders doen of anders organiseren? We werken nu aan die reactie.
Mevrouw Ten Hove vroeg waarom dat zo lang moet duren. Dat duurt even omdat ik hier
echt een zorgvuldige reactie op wil geven, ook in afstemming en in samenwerking met
de meest betrokken partijen. Ik wil hier ook heel erg de balans bewaken. Die reactie
op het ibo, waar wat meer de langeretermijnvraagstukken in geadresseerd worden, mag
er niet toe leiden dat we laten zitten wat we in het hier en nu kunnen doen voor mensen
die op de wachtlijst staan. Het mag er niet toe leiden dat problemen binnen het huidige
stelsel worden uitgesteld of niet worden aangepakt in afwachting van vervolgstappen
op dat ibo. Het is en-en: in het hier en nu eraan werken om mensen die op de wachtlijst
staan zo snel mogelijk passende zorg te bieden én kijken wat er op de lange termijn
nodig is om te voorkomen dat we opnieuw met lange wachtlijsten te maken krijgen.
Voorzitter. Dit gezegd hebbende, zou ik tegen mevrouw Bikker willen zeggen: hier schuilt
in hoe ik, zoals zij het formuleerde, herinnerd wil worden aan het einde van mijn
ministerschap. Het is wel raar om daar na zes weken over te spreken, maar laat ik
het zo zeggen: dit is hoe ik mijn ministerschap wil invullen op dit specifieke thema.
We praten al zo lang over die wachtlijsten. We kennen allemaal zoveel van die heftige
persoonlijke verhalen. Zonder de verwachting te wekken dat die allemaal helemaal weggaan
en er nooit meer zullen zijn, voel ik mij in elk geval enorm gemotiveerd om hier werk
van te maken.
Ik noemde al iets over de petitie van MIND. Ik hoop dat ik met mijn reactie daarop
tegemoet ben gekomen aan de vraag van mevrouw Dobbe in dat kader. Als dat niet zo
is, hoor ik dat vast van haar. De vragen over het ibo heb ik ook beantwoord. Dan waren
dit mijn inleidende opmerkingen en al een aantal antwoorden op terecht gestelde vragen.
Mevrouw Tijmstra (CDA):
Misschien komt het nog terug in een blokje als dit de inleiding was, maar u sprak
over de agenda Mentale gezondheid, waarin met name een aantal preventieve stappen
besproken staan, maar daar staan volgens mij vooral stappen in die over het individu
of de omgeving gaan. Met name die Raad voor Volksgezondheid & Samenleving zoomt uit
naar de mentale volksgezondheid. Daar gaat mijn vraag over: krijgt die cultuurverandering,
waarbij je echt veel breder naar dit vraagstuk moet kijken en naar wat er in de samenleving
gebeurt, op een andere manier of bij een vervolg ook een plek? Hoe kijkt de Minister
daarnaar?
Minister Hermans:
Dat betrekken we ook bij het ibo. De heer Van Dijk haalde ook de Raad voor Volksgezondheid
& Samenleving aan. In beide onderzoeken wordt dat juist op deze manier geconcludeerd.
Je moet dat in een bredere context bezien, dus waar het probleem vandaan komt en hoe
je zoekt naar de oplossing. We zullen dat dus ook betrekken in de reactie op het ibo.
Dat neemt niet weg dat daar waar ik dat al in de komende maanden een plek kan geven
ik natuurlijk niet ga wachten op die reactie op het ibo. Daar zullen we in ieder geval
op dit punt op ingaan.
De voorzitter:
Voordat ik u het woord geef, mevrouw Tijmstra, wil ik aangeven dat u vier interrupties
heeft, wat vanzelfsprekend is in deze commissie. Afhankelijk van de tijd kan er altijd
een vijfde komen. Mevrouw Tijmstra, uw tweede interruptie.
Mevrouw Tijmstra (CDA):
Ik heb nog een vraag over een ander punt. U sprak terecht over het IZA en het AZWA.
Daar staan mooie afspraken in die samen met het veld gemaakt zijn. Mijn vraag gaat
over het tempo van de uitvoering. Loopt dit volgens planning? Ik denk namelijk dat
we er heel veel belang bij hebben als we al die afspraken snel implementeren. Ik hoop
dat de Minister daar nu wat over kan zeggen.
Minister Hermans:
Er zijn een heel aantal afspraken gemaakt specifiek voor de ggz. Zij hebben een deadline
in het eerste kwartaal van dit jaar. Dat loopt ongeveer nog een week. Eind volgende
week zullen we daar dus zicht op hebben, maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat
ik nu al weet dat niet alles in het eerste kwartaal gehaald zal worden. Dat komt ook
omdat het AZWA uiteindelijk wat later formeel is afgesloten; de handtekening is wat
later gezet dan de afspraken gemaakt zijn. Maar ik vind wel dat er geen tijd te verliezen
is. Dat geldt voor heel veel afspraken, dus niet alleen voor de ggz, maar zeker ook
voor de afspraken die hier worden gemaakt. Ik probeer nu in kaart te brengen wat je
wel kunt halen als je volgende week Q1 niet haalt. Wat is dan een reële korte termijn
waarop het wel zou kunnen?
Mevrouw Tijmstra (CDA):
Mag ik nog een korte vervolgvraag stellen?
De voorzitter:
Dat mag zeker.
Mevrouw Tijmstra (CDA):
Is het mogelijk om daar de Kamer over te informeren?
Minister Hermans:
Jazeker, dat kunnen we doen.
De voorzitter:
Kunt u daar iets meer over zeggen?
Minister Hermans:
Er komt ook een commissiedebat over de IZA- en AZWA-afspraken. Ik zal zorgen dat wij
voor die tijd een update of een voortgangsbrief sturen en dan ook hierop ingaan. Dan
doe ik het breder. Het gaat dan om alle gemaakte afspraken.
De voorzitter:
U geeft voor het commissiedebat over de IZA en AZWA een update. Dat staat genoteerd.
Gaat u door.
Minister Hermans:
Dan kom ik bij de curatieve ggz. Ik begin met de wachttijden. Ik heb al het een en
ander gezegd over de maatregelen die we nemen, juist om mensen met die complexe problematiek
sneller te kunnen helpen. Ik ben ingegaan op de exclusiecriteria en het vergroten
van de behandelcapaciteit, dus dat zal ik niet herhalen.
Mevrouw Wiersma vroeg in het bijzonder wat we specifiek voor de jeugd doen. Zij vroeg
hoe we voorkomen dat er nog een generatie opgroeit die op de wachtlijst staat. De
Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg ziet echt op het aanpakken van knelpunten
bij de contractering van specialistische jeugdzorg. In de jeugd-ggz geldt dat gemeenten
in hun regiovisie moeten aangeven hoe ze werken aan de aanpak van wachttijden en hoe
ze met elkaar maximaal aanvaardbare wachttijden formuleren. Dat heeft als doel dat
die wachttijd wordt teruggedrongen. Om het helemaal volledig te maken: dit specifieke
onderwerp ligt bij mijn collega, de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport.
Maar volgens mij is het wel goed om daar een paar dingen over te zeggen naar aanleiding
van de vragen van mevrouw Wiersma.
Voorzitter. Mevrouw Synhaeve vroeg mij naar die proactieve zorgbemiddeling. Ik heb
al gezegd dat er echt gebeld gaat worden in de loop van april. Mevrouw Synhaeve zegt:
die verantwoordelijkheid ligt nu wel heel erg bij de patiënt. Die moet überhaupt weten
dat dit kan. Kunnen we daar nog wat meer bij helpen? Daar ziet natuurlijk deze hele
aanpak op. Vanuit privacyoogpunt doen we dat wel na toestemming van de patiënt. Dat
blijft zo staan als afspraak, maar patiënten worden er wel actief op gewezen.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Als ik het goed heb begrepen, is juist vanuit het IZA/AZWA de afspraak gemaakt dat
zorgverzekeraars proactief gaan bellen als iemand langer op die wachtlijst staat.
Ik snap dat dat moet passen binnen de privacywet- en regelgeving, maar volgens mij
is dat precies wat we gaan doen vanaf april.
Minister Hermans:
Ja, maar daarover wordt wel gewisseld tussen de zorgaanbieder en de patiënt. Als je
het dan echt niet wilt, dan kun je natuurlijk aangeven dat je dat niet wilt. Zo was
mijn opmerking bedoeld.
Voorzitter. Mevrouw Wiersma vroeg mij: zou je niet een harde wachttijdnorm kunnen
instellen die niet vrijblijvend is? Die wachttijden of treeknormen zijn veldnormen
die door het veld zijn gemaakt. Die worden op dit moment herzien, want ze zijn al
lange tijd geleden vastgesteld. Die worden dus herzien of geactualiseerd. Dan zijn
het nog steeds geen wettelijke normen. Ze stammen uit 1999. Het is inmiddels 2026.
Dan zijn ze dus hopelijk actueler, meer aansluitend op deze tijd. Dat geldt dan voor
de hele context van de afspraken die we gemaakt hebben met het AZWA. Het is natuurlijk
ook de ambitie van de ggz zelf, want het is niemands ambitie om iemand langer dan
nodig is op de wachtlijst te laten staan. Er gaat dan ook vanuit die herziene wachttijdnormen
onderling op gestuurd worden om daaraan te voldoen. Maar het is dus niet zo dat die
herziene normen dan ook wettelijke normen zijn. Zo werkt het systeem van die veldnormen
niet.
Mevrouw Wiersma (BBB):
Het zal u niet verrassen dat ik niet helemaal tevreden ben met dit antwoord. Ik heb
toevallig met deze Minister ooit een hele discussie gevoerd over streefdoelen en einddoelen.
Er zijn volgens dat ibo-rapport ook alternatieven, zodat niet per se direct een behandeling
hoeft te worden ingezet, maar daar komt de Minister nog op terug. Ik zou dat ook af
willen wachten, om te kijken welke suggesties zij vanuit dat ibo overneemt. Het gaat
bijvoorbeeld om groepsbehandelingen die een positief effect kunnen hebben. Maar er
zijn ook een aantal andere zaken, bijvoorbeeld dat behandelaars op dit moment de behandeling
niet stopzetten omdat ze door die wachtlijsten bang zijn dat iemand weer in dat systeem
terechtkomt bij een terugval. Overigens kun je tijdens die wachtlijst al iets inzetten
met vrijwilligers of ervaringsdeskundigen, zodat er in de tussentijd in ieder geval
een luisterend oor is. Ik denk dat het niet vrijblijvend opnemen van een tussennorm...
Zou de Minister in ieder geval bij de reflectie op het ibo mee willen nemen of dit
een effectieve maatregel kan zijn?
Minister Hermans:
Die normen zijn er natuurlijk om duidelijkheid of iets van zekerheid te bieden aan
patiënten over hoelang je maximaal zou moeten mogen wachten. Ik realiseer me dat die
normen nu voor een hele grote groep patiënten worden overschreden, vooral de norm
die voor de start van de behandeling geldt. Mevrouw Wiersma noemt heel terecht een
aantal maatregelen die je kan nemen, en die ook al genomen worden, om daar in de tussentijd
iets aan te doen, bijvoorbeeld een groepsbehandeling, zeker voor de lichtere zorgvraag.
Ik heb nog een brief toegezegd aan mevrouw Ten Hove waarin nader wordt gespecificeerd
over wat voor type zorgvraag je het dan hebt. Ook is er de wachtlijstondersteuning.
Dan heb je wel een luisterend oor in de tijd dat je werkt in de hoop dat klachten
niet verergeren.
Ik zal in de reactie op het ibo natuurlijk ingaan op de verschillende opties die in
het ibo genoemd worden. Ik heb nu zelf even niet scherp of daar ook de verplichte
of afdwingbare norm in staat. Als dat zo is: vanzelfsprekend. Als dat niet zo is,
denk ik dat we er wel iets over kunnen zeggen, maar dan denk ik ook dat we dat wat
breder trekken: wat is nou de werking van die normen en hoe komen ze tot stand, ook
in het licht van de herziening of de actualisatie die nu plaatsvindt?
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Ik was even aan het wachten, want de Minister heeft natuurlijk verschillende blokjes.
Ik heb een vraag over wachttijdondersteuning, maar ik hoorde het de Minister al hebben
over de norm. Ik had gevraagd of het niet een soort verpakking wordt, want dat krijg
je dan wel snel. Je ziet nu al dat mensen heel lang wachten. Je wordt niet gezien
en gehoord, en dan word je wel gezien en gehoord, maar kom je nog steeds nergens.
En ik had natuurlijk ook een vraag over die passende zorg. Er zijn de afgelopen weken
echt heel veel mensen bij mij op de lijn gekomen. Ik ga één voorbeeld noemen. Ik heb
met een moeder gesproken. Haar dochter van 16 jaar heeft echt acute hulp nodig en
die is dan maar even ergens geplaatst, zodat ze ergens zit, maar ze hoort daar helemaal
niet te zijn. Die moeder schreeuwt om hulp, zo van: oké, ze is nu ergens, maar daar
hoort ze eigenlijk niet. Dus dan word je gezien en gehoord, je wordt dan toch maar
ergens neergezet, maar eigenlijk zit je niet waar je hoort. Het gaat aan twee kanten
fout, denk ik. Aan de ene kant krijgt zo'n meisje niet de complexe hulp die ze nodig
heeft en aan de andere kant blijven de mensen met die lichtere hulp ook wachten. Dan
hebben we dadelijk een ander iets: wachttijdondersteuning. Nou, je wordt gezien en
gehoord, en daar gaan we dan alles onder scharen. Ik ben er een beetje bang voor dat
we een nog grotere groep mensen gaan krijgen die gaan zitten wachten op iets wat er
nog steeds niet komt. Daarom vroeg ik aan de Minister: is daar een norm voor, hoe
kijkt de Minister ernaar en hoe gaan we dat voorkomen?
Minister Hermans:
Laat ik beginnen met te zeggen dat ik het helemaal met mevrouw Van Meetelen eens ben
dat wachttijdondersteuning niet in de plaats komt, of niet een «verpakking» is, zoals
mevrouw Van Meetelen zegt, voor de zorg of de ondersteuning waar je op zit te wachten.
Het is bedoeld om de tijd die je wacht op een zo goed mogelijke manier door te komen,
met een luisterend oor of met een verwijzing naar iets waar je mogelijk even tijdelijk
terechtkunt. Ik noem maar iets: een inloopvoorziening. Het verschilt natuurlijk per
persoon wat dan passend is. Daar is ook niet één oplossing of één vorm van wachttijdondersteuning
voor.
Dan de passende plaatsing; dat is natuurlijk het doel. Wij willen met z'n allen dat
je op de plek terechtkomt waar je de zorg en de ondersteuning krijgt die hoort bij
jouw zorgvraag. Als dat niet gebeurt, als dat niet passend is, zullen er manieren
moeten worden gevonden om die passende plek wel te vinden. Dit is nog iets anders
dan de vraag of de plek waar je terechtkomt ook kwalitatief goed is: wordt daar kwalitatief
de goede zorg verleend? Daar ziet de IGJ natuurlijk op toe. Ideaal zou het systeem
natuurlijk zo moeten werken dat je met je zorgvraag op de goede plek terechtkomt.
Een reden waarom we de exclusiecriteria willen afschaffen, heeft ook hiermee te maken:
niet alleen dat je weer onderaan de wachtlijst komt als je eindelijk aan de beurt
bent, maar ook dat naar iedereen heel persoonlijk wordt gekeken: wat heb jij nodig
en waar kunnen we jou de beste zorg en ondersteuning bieden?
De voorzitter:
Wilt u nog een vraag stellen? Ja, dat mag.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Toch nog heel even. Ik heb met die moeder gesproken, en niet alleen met haar maar
met verschillende mensen. Haar geval heeft me echt aangegrepen. Ze zegt: ik heb echt
een schreeuw om hulp, want mijn dochter zit niet waar ze moet zitten. Vervolgens wil
ze, waar ze zit, een herbeoordeling. Die raden haar dat af omdat ze bang zijn dat
ze dan weer nergens terechtkomt en weer in de wachtketen terechtkomt; laat ik het
zo maar zeggen. Ik maak me zorgen om dit soort gevallen. Ik ben bang dat we dadelijk
met z'n allen zeggen: we hebben iemand verloren. Dat moet echt niet zover komen. Ik
probeer even die schreeuw om hulp van die moeder te vertalen naar hier. Wat kunnen
we nou in dit soort gevallen concreet doen? Wat kan de Minister hieraan doen?
Minister Hermans:
Ik moet even oppassen, want ik ken deze casus, dit individuele geval, niet. Ik begrijp
wel heel goed de onderliggende, of bovenliggende, oproep. Die zit natuurlijk in de
inbreng van u allemaal, en heel terecht. Of iemand wacht eindeloos en heeft vandaar
een schreeuw om hulp, of je zit eindelijk ergens en het is niet de plek waar je moet
zitten. Voor iedereen is de vraag: hoe krijg je zo snel mogelijk, op het juiste moment,
op de juiste plek, de zorg die je nodig hebt? Als mevrouw Van Meetelen nog verder
over dit specifieke geval wil spreken, moeten we dat even buiten het debat om doen.
Dan wil ik daarnaar kijken. Maar in het algemeen geldt voor mij: hoe zorgen we dat
je zo snel mogelijk op de goede plek terechtkomt en, als je niet op de goede plek
zit, dat je vervolgens zo snel mogelijk wordt begeleid naar wat wel de juiste plek
is. In hoe het nu georganiseerd is, zien we dat dat te vaak misgaat of te lang duurt.
De voorzitter:
Vervolgt u uw beantwoording. Nee, mevrouw Synhaeve had ook nog een vraag.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Ik weet niet of dit al het einde van het blokje is? Nee? Dan wacht ik nog even.
De voorzitter:
Dat lijkt me goed; dat doen we straks. Gaat u door.
Minister Hermans:
Voorzitter. Dan vroeg mevrouw Ten Hove mij nog naar de asielzoekers met ggz-problemen
en welk effect dit heeft op de wachtlijsten. Hier geldt dat mensen die zorg nodig
hebben die moeten krijgen. Dat heb ik nu een aantal keren gezegd en dat geldt voor
iedereen, dus ook voor asielzoekers of mensen uit Oekraïne. Die noemde mevrouw Ten
Hove ook.
Afgelopen vrijdag, 20 maart, hebben de Minister van AenM en de Staatssecretaris van
Justitie en Veiligheid de Kamer geïnformeerd over de opname van de COA-doelgroep in
Veldzicht, zodat hier meer tbs-plekken zijn. Daarin is ook aangegeven hoe de eerdere,
tijdelijke afbouw van hun aantal bedden structureel wordt voor die doelgroep. De brief
is gestuurd door collega's van mij uit het kabinet. Misschien dat ik mevrouw Ten Hove
daarnaar mag verwijzen.
Dan tot slot nog over de wachtlijsten. Mevrouw Westerveld zei dat de plannen van het
kabinet eigenlijk haaks staan op de ambitie om de wachtlijsten terug te dringen. De
vraag was wat de Minister daaraan gaat doen. Ik heb volgens mij een aantal dingen
gezegd die ik ga doen, wat mijn inzet is om die wachtlijsten terug te dringen. Maar
ik zie niet dat die plannen daarmee tegenstrijdig zouden zijn. Het verbeteren van
de toegankelijkheid is het speerpunt, de inzet. De afspraken die we daarover in het
AZWA hebben gemaakt, zetten we door. Sterker nog, het kabinet zegt ook dat het dit
op een aantal punten wettelijk wil verankeren, die norm ook wettelijk wil vastleggen.
Dus dat is juist bedoeld om die wachtlijsten terug te dringen.
Voorzitter. Dan kom ik bij de vragen over de cruciale en complexe ggz.
Mevrouw Dobbe (SP):
Mevrouw Westerveld is hier niet, en die stelde die vraag. Ze stelde natuurlijk niet
de vraag over de plannen over de zorg, hoewel daar ook wel wat op af te dingen is
met de miljarden bezuinigingen van dit kabinet. Zij stelde de vraag natuurlijk ook
vanwege de afbraak en de bezuinigingen op de sociale zekerheid. Doorrekeningen van
de plannen van dit kabinet laten zien dat de ongelijkheid zal groeien. Dat gaat ook
stress bij mensen opleveren. Het gaat ook druk, mentale druk, op mensen geven. Dat
was de achtergrond van de vraag van mevrouw Westerveld, denk ik. Daar ga ik van uit.
Op die toenemende groei wilde zij, in ieder geval ik wel, een reflectie.
Minister Hermans:
Ik wil ervoor oppassen om in dit geval, als mevrouw Westerveld niet aanwezig is, te
gaan interpreteren. Maar nu stelt mevrouw Dobbe mij deze vraag. Wij hebben in de begrotingsbehandeling
volgens mij vrij uitgebreid met elkaar gedebatteerd over wat die stapeling van maatregelen
nou doet in je portemonnee en, terecht ook in het kader van dit debat, wat die nou
doet voor stress of mentale gezondheid, mentale weerbaarheid. Ik zei al in de richting
van mevrouw Tijmstra dat in het ibo en ook in het advies van de Raad voor de Volksgezondheid
wordt geschetst dat mentale problemen, eigenlijk alles waar je hier mee te maken hebt,
in het leven voor kunnen komen. Natuurlijk hebben we daar oog en aandacht voor. Hoe
maken we, ver voordat je met ggz-zorg te maken hebt, in die preventieve sfeer of anders
in het sociale domein, mensen ook weerbaarder om met uitdagingen die je onherroepelijk
tegenkomt in het leven om te kunnen gaan?
De voorzitter:
Gaat u door, Minister.
Minister Hermans:
Voorzitter. Dan vroegen de heer Van Dijk en mevrouw Westerveld mij hoe we er nou voor
zorgen dat er voldoende cruciale ggz beschikbaar is. We hebben over die cruciale ggz
bestuurlijke afspraken gemaakt in het IZA en ook in het AZWA, bijvoorbeeld dat er
voor het inkoopjaar 2026–2027 geen cruciaal ggz-aanbod verdwijnt om financiële redenen
en dat we dat onderzoek doen naar de budgetbekostiging voor de high intensive care
en de intensive home treatment.
Misschien is het goed om gelijk even over te gaan naar die HIC en IHT, als ik de afkortingen
mag gebruiken. Mevrouw Westerveld, maar ook mevrouw Ten Hove en mevrouw Tijmstra vroegen
mij wat er nou precies in de Kamerbrief staat en hoe ik nu verderga met dit traject.
De NZa heeft de eerste verkenning afgerond en heeft inderdaad nog geen definitief
advies gegeven. Zij zeggen dat de reden daarvoor is dat een duidelijke afbakening,
«een normenkader», zoals de NZa het noemt, voor die HIC en IHT ontbreekt. Dat hebben
we nodig om heel duidelijk te kunnen stellen wat het nu wel en wat het niet is. Ik
vind wel dat in de verkenning van de NZa meer dan voldoende aanknopingspunten zitten
om hiermee door te gaan. Dus blijft ook mijn ambitie en streven om daar voor januari
2028 die duidelijkheid over te hebben. Dat vraagt wel iets van iedereen die hierbij
betrokken is, dus ook partijen in de sector, om zo snel mogelijk tot die definitie
en dat normenkader te komen. Ik weet ook dat daar hard aan gewerkt wordt. Mijn oproep
kan alleen maar zijn: laten we daar als de wiedeweerga mee doorgaan en tot dat kader
komen. Dat helpt voor die vervolgstap die we moeten zetten.
Mevrouw Tijmstra, volgens mij, vroeg mij wanneer ik daar weer nadere informatie over
heb. Ik kan haar toezeggen dat ik de Kamer nog voor de zomer van 2026 zal informeren
over de voortgang.
Voorzitter. Over de exclusiecriteria en over de volgende vraag op mijn blaadje hebben
we het gehad. Dan kom ik op de budgetplafonds of de omzetplafonds. Ik heb daar al
wat over gezegd in mijn inleiding in de richting van mevrouw Dobbe. Maar ik zie hier
ook nog de vraag: welk positief effect hebben ze nou gebracht? Die vraag stelde mevrouw
Dobbe mij specifiek. De gerichte inzet van die omzetplafonds kan ertoe bijdragen dat
we de schaarse capaciteit in de ggz op een doelmatige manier inzetten en verdelen,
bijvoorbeeld om de lichtere zorg te begrenzen, waardoor je capaciteit overhoudt voor
zwaardere zorg. We zien nu dat die vraag naar zorg structureel groter is dan het aanbod.
Dat ligt natuurlijk ten grondslag aan het probleem met de wachtlijsten. Volgens mij
zei ik in de begrotingsbehandeling tegen mevrouw Dobbe dat die omzetplafonds, hoe
we ze nu gebruiken, wel een vrij bot instrument zijn. Je wil natuurlijk dat het helpt,
dat het bijdraagt. Daarom is die Routekaart Passende zorg er waar ik in mijn inleiding
naar verwees. Daarin komen we terug op hoe we nu omgaan met die aangenomen motie.
Wat kun je, als je bijvoorbeeld bij complexe zorgvragen iets niet meer doet met die
omzetplafonds, daar dan voor in de plaats zetten, zodat zorgverzekeraars wel een instrument
houden om op dat aanbod te kunnen sturen?
Dan is er nog een vraag in dit blokje van de heer Van Dijk over zijn motie over het
onderzoek naar de effectiviteit van systeemtherapie. Zoals de heer Van Dijk ongetwijfeld
weet, kent systeemtherapie een grote variëteit in behandeling en ondersteuning. Dat
maakt het lastig om de effectiviteit te onderzoeken. Voor de uitvoering van de motie
zijn we op dit moment in gesprek met professionals, maar ook kennisinstituten die
gaan over de ondersteuning van jeugd en gezin. Dat kost even tijd, maar in de reguliere
voortgangsbrieven zal ik u ook over de voortgang van de uitvoering van deze motie
informeren. Maar we hebben die dus ter hand genomen.
Dan vroeg mevrouw Westerveld mij nog of ik de ramingen van het Capaciteitsorgaan ga
opvolgen. De ramingen van het Capaciteitsorgaan zijn onafhankelijk. Ik denk ook dat
dat heel belangrijk is. Ze zijn belangrijk en ook leidend voor besluiten over het
aantal centraal gefinancierde opleidingsplekken dat beschikbaar komt. Maar dat wil
niet zeggen dat VWS ze altijd een-op-een overneemt. De besluitvorming over door VWS
centraal gefinancierde plekken voor 2027 zal later dit jaar plaatsvinden in een reactie
op het capaciteitsplan. Daarover zal ik de Kamer in het tweede kwartaal informeren.
Voorzitter. Dan nog wat vragen over het ibo, al heb ik ook daar al wat over gezegd.
Mevrouw Tijmstra vroeg mij nog of ik de uitkomsten van het ibo mee wil geven aan de
nog in te stellen staatscommissie, zodat zij die als richtinggevend kader kan gebruiken;
ik zei daar al iets over. Ik vind niet dat wij moeten wachten op de staatscommissie
om de noodzakelijke hervormingen in de ggz door te voeren. Tegelijkertijd kan ik me
wel voorstellen dat alle rapporten die er liggen, waaronder dus ook het ibo, belangrijke
input zijn voor de staatscommissie. Dus ja, ik kan dat natuurlijk onder de aandacht
brengen, zo zij daar al niet zelf naar zullen kijken. Maar ik herhaal dat ik niet
vind dat alles op alles moet wachten. De staatscommissie zal natuurlijk onafhankelijk
advies geven, dus ik kan ook niet zeggen: u moet hier iets mee doen.
Specifiek over de staatscommissie: we moeten nog de inhoudelijke invulling vaststellen.
Dat zal hopelijk zo spoedig mogelijk gebeuren, zodat ook snel daarna de samenstelling
van de commissie kan worden vastgesteld en de commissie daadwerkelijk aan het werk
kan.
Voorzitter. Dan is er nog een vraag van de heer Van Dijk, realiseer ik me nu, over
de gezinsgerichte aanpak; dat is weer iets anders dan de systeemtherapie waar ik het
net over had. Ook die motie wordt inderdaad opgepakt. Het is een belangrijke basis
voor de integrale benadering van de problematiek van de jeugd. Samen met de sector
wordt er werk gemaakt van hoe je dat nou vormgeeft in de praktijk. In het ibo wordt
daar ook nog op ingegaan. Ik denk dus dat mijn reactie op het ibo ook een goede plek
is om, ook in relatie tot de motie van de heer Van Dijk, daarop terug te komen. Dat
wil niet zeggen dat er in de tussentijd niet al over nagedacht en gesproken wordt.
Voorzitter. Dit was het blokje curatieve ggz.
De voorzitter:
Ik wil vaststellen dat dit het einde is van het blok curatieve ggz, inclusief wachtlijsten.
Dan gaan we door naar het blokje suïcidepreventie. Voor ik dat doe kijk ik even rond.
Mevrouw Synhaeve had al aangekondigd te willen interrumperen. Daarna kom ik bij mevrouw
Dobbe.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Ik wil nog even terug naar die wachtlijsten. Volgens mij delen we allemaal dat die
wachtlijsten te lang zijn, zeker voor al die mensen die de zorg het hardst nodig hebben.
Een onderdeel waar we nog niet over gesproken hebben in het debat, gaat over dat verkennend
gesprek. Als een huisarts doorverwijst naar ggz-zorg moeten we daar de stap tussen
zetten om met een lokaal team en de ggz-aanbieders te kijken of ggz nu echt is wat
het beste helpt. We weten uit de eerste pilots dat voor een groot deel, ongeveer een
derde van de mensen, geldt dat zij eigenlijk veel beter geholpen worden buiten de
ggz. Ik hoorde net een toezegging om voor het debat over IZA en AZWA op een aantal
onderdelen terug te komen. Zou het mogelijk zijn om dan ook op dit onderdeel terug
te komen?
Minister Hermans:
Ja, dat kan ik toezeggen.
Mevrouw Dobbe (SP):
Het is crisis in de ggz. We hebben het inderdaad gehad over de wachtlijsten. Veel
van ons hebben daar een inbreng over geleverd. Als ik dan hoor wat deze Minister zegt
over de aanpak, de drie lijnen, dan hoor ik: we gaan de mentale weerbaarheid versterken.
Dan is er eigenlijk geen reflectie op het afbreken van die mentale weerbaarheid door
de plannen van dit kabinet om bijvoorbeeld de sociale zekerheid af te breken en de
ongelijkheid in de samenleving te vergroten. Dan hoor ik «een proactieve zorgbemiddeling»
en dan hoor ik over de routekaart op de agenda van het programma. Ik denk niet dat
dit genoeg zal zijn om deze crisis in de ggz op te lossen. Waar in deze oplossingen
en de lijnen die deze Minister afloopt om deze crisis op te lossen is bijvoorbeeld
het aanpakken van de markt? Daarvan zeggen zo veel mensen: dit zit de ggz in de weg;
die markt moet uit de ggz. Waar zit dat dan? In welke lijn moet ik dat dan ontdekken?
Waar zit het tegengaan van die bezuinigingen, die de wachtlijsten niet korter, maar
alleen maar langer zullen maken? We hebben het ook gehad over die bezuinigingen, ook
op de langdurige ggz, waarvoor er geen grondslag ligt, die niet goed zijn onderbouwd.
Die gaan de wachtlijsten alleen maar langer maken. Dat ontbreekt dus nog wel in de
analyse van de Minister. Ik zou daar graag nog wel een antwoord op willen.
Minister Hermans:
Ik denk dat we hiermee op moeten passen. Nou, laat ik het zo zeggen: ik heb mezelf
voorgenomen om op te passen met hoe we over de problemen praten en welke labels we
daarop plakken. Dat de problemen groot zijn en om een urgente aanpak vragen, is duidelijk.
Daar is iedereen van doordrongen: iedereen hier in de Kamer – dat bewijst dit debat
– maar ook mijn collega's op het ministerie, de partijen in de ggz-sector zelf en
ook de vertegenwoordigers namens de ggz aan tafel bij het AZWA. Er is echt een heel
aantal afspraken gemaakt, al in het IZA en aanvullend in het AZWA, en in de tussentijd
werken we natuurlijk door. Het is niet zo dat we op geen enkele manier naar het stelsel
kijken, naar de prikkels in het stelsel. Integendeel, ik heb net duidelijk aangegeven
dat ik het belangrijk vind dat de aanpak voor de budgetbekostiging van de HIC- en
de IHT-behandelingen doorgaat. Ik vind het ook belangrijk dat we als de wiedeweerga
nu met dat normenkader komen, omdat dat zo ongelofelijk belangrijk is om die volgende
stap te kunnen zetten. Ik denk dat dit een belangrijke route kan zijn naar de beschikbaarheid,
in elk geval van deze vorm van zorg.
We hebben straks een reactie op het ibo, waarin ik ook inga op de twee punten die
door mevrouw Dobbe bij de begrotingsbehandeling onder de aandacht zijn gebracht. We
moeten blijven nadenken over meer fundamentele hervormingen in de organisatie en de
bekostiging, de financiering van de ggz. Maar ik wil dus niet dat we in afwachting
daarvan in de tussentijd stoppen met al die afspraken die we gemaakt hebben over de
behandelcapaciteit, over het potentieel dat in groepsbehandelingen zit, over het schrappen
van de exclusiecriteria en over de verkennende gesprekken. Dat loopt allemaal; daar
wordt aan gewerkt. En ja, ik vind ook dat dat op dit moment nog onvoldoende resultaat
laat zien, maar doen alsof er niets gebeurd is of dat dit kabinet daarvan wegkijkt,
vind ik in elk geval geen recht doen aan al die professionals in de ggz die keihard
aan het werk zijn.
Mevrouw Dobbe (SP):
Ik hoorde de Minister die tegenstelling net ook maken, namelijk dat we nu niet moeten
stoppen met wat we doen, alsof dat dan echte oplossingen in de weg zou zitten waarvan
wij vinden dat die veel te lang duren. Maar niemand zegt natuurlijk dat je moet stoppen
met waar de Minister nu mee bezig is. Dat heeft helemaal niemand gezegd. Maar wat
ik wel heb gezegd is: maak nou haast met het aanpakken van de markt in de ggz, omdat
zo veel organisaties, maar ook het ibo, zeggen dat je daar haast mee moet maken. Dan
krijgen wij pas in het derde kwartaal van dit jaar een reactie op het ibo en dan moeten
we daar nog eens over gaan praten et cetera. Als het zo duidelijk is dat dat de ggz
in de weg zit en de wachtlijst alleen maar langer maakt, waarom doen we dat dan niet
nu? Mijn tweede vraag was: waarom, als het gaat om het aanpakken van die wachtlijsten,
voert deze Minister dan wel nu alvast bezuinigingen door die geen grondslag hebben
en die de wachtlijst alleen maar langer zullen maken? Er zijn namelijk organisaties
en zorginstellingen die zeggen: dit gaat ons niet helpen, het heeft geen onderbouwing,
het zit ons in de weg en zal de wachtlijsten langer maken. Het gaat om niet heel veel
geld, maar wel om heel grote invloed. Die moeten dan gewoon van tafel volgens mij.
Waarom hoor ik dat dan niet terug in alle lijnen die deze Minister uitzet om die wachtlijsten
aan te pakken?
Minister Hermans:
Omdat hier een heleboel door elkaar loopt. Het begint sowieso met een principieel
verschil van mening over hoe mevrouw Dobbe en ik naar ons zorgstelsel kijken. Als
we problemen in de ggz gaan terugslaan tot een – laat ik het zo maar even noemen –
enge of eenzijdige discussie over marktwerking, vind ik dat we de problemen in de
ggz geen recht doen. Dan verzanden we ook in een stelseldiscussie die ons afleidt
van problemen die we binnen het huidige stelsel aan kunnen pakken en waar ook afspraken
over gemaakt zijn. Het komt er nu op aan dat die afspraken ook worden nagekomen en
uitgevoerd.
Dan heel kort over de bezuiniging. Mevrouw Dobbe wijst op de bezuiniging in de Wlz,
het ggz-deel in de Wlz, denk ik. Volgens mij heeft mijn collega, de Minister van Langdurige
Zorg, heel duidelijk gezegd dat zij nu gaat kijken hoe we die bezuiniging die we hebben
afgesproken in het coalitieakkoord, die ziet op een aantal sectoren in de Wlz, de
Wet langdurige zorg, gaan invullen. Daar is nog geen verdeling over afgesproken. Laten
we dat dus alsjeblieft ook stap voor stap doen. Dat bezuinigen niet leuk is en pijnlijke
keuzes vraagt, realiseer ik me heel goed. Maar soms is dat juist ook belangrijk om
heel duidelijk en scherp te krijgen wat nou de zorg is die we absoluut moeten kunnen
bieden en waarvan we de toegankelijkheid ook moeten kunnen blijven waarborgen, ook
in een tijd waarin het personeelstekort ons voor grote vraagstukken stelt.
De voorzitter:
Uw laatste interruptie, mevrouw Dobbe. Dat mag.
Mevrouw Dobbe (SP):
Tot slot. Bezuinigen is niet leuk en is heel pijnlijk. Dat zegt deze Minister nu even
tussen neus en lippen door. Er wordt bezuinigd op de langdurige ggz, waar nu enorm
lange wachtlijsten zijn, waarvan we weten dat mensen in hele pijnlijke, schrijnende
situaties zitten. Om dan niet alleen maar te zeggen dat het pijnlijk en niet leuk
is, maar het ook nog eens te schetsen als een soort van kans om dan eens te kijken
welke zorg wel of niet nodig is, vind ik echt ongepast. Dat is wat deze Minister hiermee
nu zegt. Deze bezuinigingen zullen één effect hebben. Ze zijn niet gegrond in een
besparing. Als bijvoorbeeld de markt wordt aangepakt en er dan wordt verwacht dat
het minder geld gaat kosten, zouden we dat nog kunnen snappen. Maar deze bezuiniging
heeft geen grondslag. Het enige effect dat deze bezuiniging dus zal hebben – dat gaat
over ongeveer 13 miljoen euro – is dat die wachtlijsten zullen groeien. Het zou mooi
zijn als de Minister in elk geval erkent dat die bezuiniging bestaat en dat het niet
een kans is, maar gewoon een enorm probleem.
Minister Hermans:
Mevrouw Dobbe geeft nu wel een heel vrije interpretatie van wat ik zojuist gezegd
heb. Ik heb aangegeven hoe ik kijk naar het vraagstuk van de marktwerking in de curatieve
ggz, want in de Wet langdurige zorg is dat natuurlijk niet aan de orde. Met zorgkantoren
zitten we in een heel ander systeem dan de inkoop van de curatieve ggz die via de
zorgverzekeraars loopt. Mijn collega Mirjam Sterk komt met een uitwerking van hoe
we die bezuiniging op de Wet langdurige zorg gaan vormgeven in de specifieke sectoren
die daaronder vallen. Ik ben op dit moment bezig langs de lijnen van de afspraken
in het AZWA, aanvullend op wat ik daarover gezegd heb, om de wachtlijsten in de curatieve
zorg terug te dringen.
De voorzitter:
Mevrouw Wendel, had u net een vraag? Nee? Dan heb ik het verkeerd onthouden. Mevrouw
Coenradie.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Ook ik had op dit onderdeel een paar vragen gesteld. Voordat de Minister doorgaat,
ben ik toch wel benieuwd naar de antwoorden daarop, of ik heb ze gemist. De drie vragen
die ik heb gesteld, gaan over het afbouwen van de prikkels voor de lichte zorg in
de ggz, zoals vermeld in het coalitieakkoord. Hoe verhouden die zich tot de groei
van het aantal incidenten met mensen met verward gedrag? De tweede vraag is of de
Minister niet bang is dat het afbouwen van prikkels voor de lichte zorg ertoe leidt
dat mensen later in beeld komen bij de ggz, waardoor problemen escaleren en incidenten
met verward gedrag juist toenemen. Tot slot: hoe rijmt de Minister de combinatie van
een stijgende vraag in de ggz-zorg met een bezuiniging op ggz-wonen? Hoe voorkomt
de Minister dat deze combinatie zal leiden tot nog meer incidenten met verward gedrag?
Ik zou daar toch heel graag een antwoord op willen hebben.
Minister Hermans:
Op de vraag over wonen kom ik zo nog terug. Die zit bij het blokje sociaal domein.
Dan over de prikkels met licht en complex. Bij mijn weten heb ik daar een aantal dingen
over gezegd. Maar als ik daarmee niet de vraag van mevrouw Coenradie heb beantwoord,
dan ga ik daar nu alsnog nader op in. Mevrouw Synhaeve noemde terecht het verkennend
gesprek. Dat gebruiken we om ervoor te zorgen dat mensen die niet per se de curatieve
ggz in hoeven, ook niet de curatieve zorg ingaan en dat zij hun zorg of ondersteuning
krijgen via het sociaal domein. Als je in de ggz zit, willen we dat er maximaal de
ruimte is en plek is op het moment dat je die nodig hebt voor de complexe vragen.
Dat kan betekenen dat je de lichte vormen van zorg bijvoorbeeld in groepsbehandeling
of in een hybride vorm vormgeeft. Dat is ook een van de afspraken die we gemaakt hebben
in het AZWA. Zo moet mevrouw Coenradie dus mijn punt over balans brengen tussen de
lichte en de zwaardere zorgvraag zien en zo houden we dus ook die prikkels in de gaten.
Op de woonvraag kom ik straks terug. Er was nog een derde vraag die mevrouw Coenradie
mij stelde. Wil zij mij daar nog even aan helpen herinneren?
Mevrouw Coenradie (JA21):
Hoe rijmt de Minister de combinatie van een stijgende vraag in de ggz-zorg met een
bezuiniging op ggz-wonen? Dat is dan de vraag waar de Minister op terugkomt. Ik had
ook gevraagd of de Minister niet bang is dat het afbouwen van prikkels voor de lichte
zorg ertoe leidt dat mensen later in beeld komen bij de ggz, waardoor problemen escaleren
en incidenten met verward gedrag juist toenemen.
Minister Hermans:
Het is niet de bedoeling dat mensen met een lichte zorgvraag die zorg niet krijgen.
Alleen kijken we of je die lichte zorgvraag bijvoorbeeld door groepsbehandelingen
vorm kan geven, waardoor we capaciteit organiseren voor de complexe zorgvraag waarin
dat absoluut niet kan. Het is dus niet bedoeld om mensen uit die lichte zorgvraag
te houden. Alleen, we hebben het verkennend gesprek. Als je daar niet naartoe hoeft
en als het binnen het sociaal domein kan, is dat hartstikke mooi en fijn. Maar heb
je die curatieve ggz nodig, dan moet die plek er voor je zijn. Is het een lichte zorgvraag,
dan kijken we of dat via groepsbehandelingen kan, zodat we die capaciteit voor de
complexe zorg zo maximaal mogelijk vrijspelen, als ik het even zo mag formuleren.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Dat geeft wel enigszins antwoord op de vraag. Nou heeft de Tweede Kamer recent een
motie aangenomen die eigenlijk voorziet in een pilot in Rotterdam, waarbij mensen
met verward gedrag eigenlijk direct van de straat gehaald kunnen worden en in ieder
geval op een plek terechtkomen waar zorg is, maar waar vooral een hele cruciale triage
plaatsvindt. Daar wordt gekeken of iemand dan inderdaad richting de ggz moet of dat
er iets anders nodig is. Ten gunste van de veiligheid van de samenleving en ten gunste
ook van de persoon zelf vindt de Tweede Kamer dat deze pilot in ieder geval doorgang
zou moeten vinden. Begrijp ik dan ook goed van deze Minister dat dit niet alleen een
pilot is die we uit kunnen gaan rollen, maar dat we dit misschien wel met veel grotere
stappen in het land zouden moeten doorvoeren om te voldoen aan wat de Minister hier
aangeeft? Volgens mij staat er dan namelijk niet zoveel in de weg om heel gedifferentieerd
met dit ggz-vraagstuk om te gaan.
Minister Hermans:
De vraag waar mevrouw Coenradie naar verwijst en waarover we het ook in het begrotingsdebat
hadden, waarna ook die motie is aangenomen, betreft een bijzondere groep binnen het
hele ggz-vraagstuk. We hebben daar over twee weken nog een apart debat over, met ook
de collega's van BZK, VRO en ik dacht ook JenV. Binnen de crisis-ggz hebben we beoordelingslocaties
waar mensen naartoe kunnen worden gebracht om te bezien of zij ggz-zorg nodig hebben.
De specifieke tussenvoorziening waarnaar mevrouw Coenradie in haar bijdrage verwees,
is er niet. We hebben inderdaad wel de motie-Coenradie – het is toch uw motie, vraag
ik via de voorzitter, en ik zie u knikken – en wij zijn in gesprek met de gemeente
Rotterdam over hoe zij dit precies voor zich ziet en hoe wij dit hierin expliciet
kunnen meenemen. Ik kan toezeggen dat ik voor de zomer een brief aan de Kamer stuur
waarin ik schrijf waar we staan en hoe we hieraan invulling willen geven. Maar dit
is dus hoe we met de motie omgaan en met de achterliggende vraag naar de groep die
mevrouw Coenradie noemt.
De voorzitter:
Ik wil het even vastklikken. Voor de zomer volgt een brief met een nadere uitvoering
van de motie-Coenradie, vanuit het perspectief van deze portefeuille.
Minister Hermans:
Ja, de motie van mevrouw Coenradie in het licht van het debat dat we daarover bij
de begroting hebben gevoerd en de vraag die mevrouw Coenradie mij nu stelt. De brief
zal gaan over de stand van ons gesprek.
De voorzitter:
Helder; genoteerd. Dan gaan we door naar het volgende blok: suïcidepreventie.
Minister Hermans:
Voorzitter. Ik begin met een vraag van mevrouw Wendel en van mevrouw Synhaeve. Hun
vragen lagen in het verlengde van elkaar als ik ze goed heb beluisterd. Beiden zeggen
dat op dit moment heel veel projecten en programma's in uitvoering zijn die zijn gericht
op preventie en het versterken van de mentale weerbaarheid en mentale gezondheid.
Hoe kunnen we er nou voor zorgen dat de programma's die echt werken, eruit worden
gehaald en in een pakket worden aangeboden? Zo zei mevrouw Synhaeve het volgens mij
letterlijk. We moeten dan ook zorgen dat ze op meer plekken worden toegepast. Ik zeg
toe dat ik kijk wat ik kan doen in het borgen van die effectieve aanpakken en hoe
ik dat bij elkaar kan brengen en op een goede manier kan aanbieden. Ik denk dat dit
past bij de beweging die wij willen inzetten van de passende zorg naar het daadwerkelijk
borgen. Dit ziet breder dan alleen in het zorgdomein – dat realiseer ik me – maar
dit hoort daar wel bij. Dat zou ik dus willen toezeggen aan mevrouw Synhaeve en mevrouw
Wendel.
Dan kom ik bij de vragen over 113.
De voorzitter:
Voordat u dat doet, heeft mevrouw Synhaeve een vraag. Ik heb hem niet genoteerd als
toezegging.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Ik heb hem als toezegging opgeschreven. Maar goed, die moet vooral daar genoteerd
worden. Is er ook al een deadline die we daaraan kunnen koppelen?
Minister Hermans:
Ik moet natuurlijk weten dat dit, op het moment dat ik een toezegging doe, de volgende
vraag is die ik krijg.
De voorzitter:
Als u een toezegging doet, is het gewoon makkelijker als u zelf aangeeft «dan en dan
kunt u iets verwachten».
Minister Hermans:
Dat is heel terecht. Bij heel veel dingen heb ik dat opgeschreven, maar bij dit ding
niet. Laat me dat heel even nagaan. O, voor de zomer, hoor ik net. Voor de zomer kom
ik daarop bij u terug.
De voorzitter:
Voor het zomerreces?
Minister Hermans:
Voor het zomerreces.
De voorzitter:
Check.
Minister Hermans:
Terecht. Je kan een lange zomer hebben, maar dit is vóór het zomerreces.
Voorzitter. Dan de vragen over 113. Ik denk dat hier niemand is die niet het ongelofelijke
belang en de waarde ziet van 113 en het werk dat zij verrichten in onze hele aanpak
van suïcidepreventie; in het bijzonder noem ik de mensen aan de telefoon. Ik in elk
geval ook niet, want u heeft het allemaal in woorden uitgedrukt en ik doe dat bij
dezen ook. Zij zijn voor mensen letterlijk een levenslijn. Ik vind het belangrijk
en goed dat wij daarin investeren, dat er vanuit de overheid geld naartoe gaat, zodat
de hulplijn conform de wet beschikbaar is. Ik vind het tegelijkertijd belangrijk dat
we een goed beeld krijgen bij de vraag naar de hulplijn. Hoe ziet die vraag eruit
en hoe ontwikkelt die zich? Hoe verwachten we dat die eruit zal zien in de komende
periode en wat vraagt dat dan van de bezetting, met het oog op de kwaliteit, bereikbaarheid,
effectiviteit en efficiency die we met elkaar voor ogen hebben? Het is best lastig
om dat nu in te schatten. Daarom wil ik samen met 113 werken aan een methode om dat
beter in beeld te krijgen. Dat heb ik in de brief geschreven die ik gisteren aan u
heb gestuurd. Dat doe ik juist omdat ik het belangrijk vind om voor de lange termijn
een duurzame stabiele hulplijn te hebben die bereikbaar en beschikbaar is. Dat is
de manier waarop ik met 113 in de komende periode er werk van wil maken. Zodra we
dit klaar hebben, deel ik dat met de Kamer.
Mevrouw Bikker en de heer Van Dijk vroegen mij expliciet hoe het precies is geregeld
dat meer budget voor de hulplijn niet ten koste gaat van ander beleid. Daarover kan
ik zeggen dat ik alle wettelijke taken uitvoer die volgen uit de Wet integrale suïcidepreventie.
Dat moet gewoon, want dat staat in de wet. Ik vind dat volstrekt logisch. Naast de
hulplijn zijn dat ook zaken als het integrale beleid suïcidepreventie. Daarvoor hebben
we de Landelijke nota gezondheidsbeleid. Op basis van die nota kunnen gemeenten daaraan
invulling geven. We hebben nog een aantal elementen in de AMvB staan, zoals nationale
communicatie, het onderzoeksprogramma en de Landelijke Agenda Suïcidepreventie die
ik gisteren met de brief heb meegestuurd. Bij het uitvoeren van die taken hoort ook
financiering. In de uitvoering van die taken worden over de tijd soms wisselende accenten
gelegd, omdat een taak urgenter is of even meer aandacht nodig heeft dan een andere.
Die afweging maken we altijd in gezamenlijkheid. Specifiek voor de hulplijn volg ik
de aanpak die ik net geschetst heb. Mevrouw Ten Hove vroeg mij specifiek wanneer daar
duidelijkheid over is. Ik wil de Kamer voor het einde van het jaar informeren over
hoe we daar met elkaar uit zijn gekomen.
Mevrouw Synhaeve vroeg mij naar de stand van het aanvullend onderzoek naar suïcide
bij jonge vrouwen. Dit is een toezegging van mijn voorganger, de Staatssecretaris.
Wij zijn nu bezig – dat is vanuit die wettelijke taak – met het vormgeven van het
onderzoeksprogramma. Dat doen we in samenwerking met ZonMw. Ik ben in gesprek met
ZonMw over hoe we in dat programma een lijn kunnen inrichten die zich specifiek richt
op jongvolwassenen en specifiek op jonge vrouwen. Die zal gaan over het herkennen
van signalen en wat we van daaruit kunnen leren om specifiek voor deze groep iets
te kunnen betekenen. Dat ZonMw-onderzoeksprogramma wordt dit jaar verder uitgewerkt
en moet medio volgend jaar van start gaan. Als dit onderzoeksprogramma begin volgend
jaar klaarstaat om uitgevoerd te worden, zal ik dat uiteraard met de Kamer delen.
Voorzitter. Mevrouw Wiersma vroeg mij naar social media en vroeg hoe we zorgen dat
jongeren actief toegang krijgen tot goede informatie, vergelijkbaar met waarschuwingen
die je krijgt als je suïcidegerelateerde zoekopdrachten plaatst. Ik ben het met mevrouw
Wiersma eens dat je, als je als jongere op zoek gaat naar informatie over mentale
gezondheid, moet kunnen rekenen op betrouwbare informatie en dat je daar op een goede
manier snel bij terecht kunt komen. Het platform In je bol is daarvoor ontwikkeld.
Dit platform biedt informatie over mentale gezondheid, is een plek om ervaring uit
te wisselen, biedt laagdrempelige ondersteuning en geeft mogelijkheden voor doorverwijzing,
bijvoorbeeld naar 113. De eerste resultaten laten zien dat het platform goed gevonden
en goed bezocht wordt. We kijken hoe we de maatschappelijke inbedding, de toeleiding
en de koppeling met verschillende omgevingen – dat kan ook vanuit school of een sportvereniging
zijn – verder kunnen doorontwikkelen zodat het platform een zo breed mogelijk bereik
krijgt.
Dan vroeg mevrouw Wiersma mij of je apps en games verplicht naar betrouwbare hulp
kunt laten verwijzen. Er is geen wettelijke plicht voor niet-medische apps en games
om naar betrouwbare hulp of 113 te verwijzen. Bij mediapartijen in het algemeen zien
we wel dat die verwijzing naar 113 loopt. Dat komt dan voort uit de maatschappelijke
verantwoordelijkheid die die partijen voelen. Voor sociale media is dit nog echt in
ontwikkeling. Ik noemde al In je bol en de doorontwikkeling ziet echt op de koppeling
met contentcreators en socialemediaplatforms. Die koppeling is wel complexer, zeg
ik tegen mevrouw Wiersma, omdat er heel veel factoren of zoektermen zijn die op beginnende
mentale klachten kunnen wijzen. Hoewel dat niet een reden is om het niet te doen,
is dit lastiger vorm te geven. Dit is ook niet zomaar van vandaag op morgen geregeld.
Mevrouw Wiersma vroeg of we algoritmes betrekken. De Staatssecretaris van Economische
Zaken is daar druk mee bezig. Dat beleid is heel sterk in ontwikkeling. Het beleid
is gericht op het veiliger en gezonder maken van de onlineomgeving. Verslavende en
schadelijke elementen van socialemediaplatforms zijn tot op zekere hoogte gereguleerd
via de Digital Services Act. De Digital Fairness Act, die in ontwikkeling is, is gericht
op de aanpak van verslavende algoritmes en schadelijke ontwerptechnieken. In opdracht
van BZK worden impactassessments uitgevoerd om de risico's van digitale diensten beter
in beeld te krijgen.
Mevrouw Wiersma (BBB):
Gedeeltelijk ben ik redelijk tevreden over het aanpakken van die algoritmes. Het hangt
er wel vanaf welke consequenties daaraan gehangen worden, want ik ben er oprecht heel
erg van geschrokken. Ik zit in de gelukkige positie dat ik vier tienerkinderen heb
en ik zie hoe gemakkelijk je in algoritmes terechtkomt waar het om gedachten over
zelfdoding gaat en ook zeker over proana. Dat is echt zorgwekkend. Ik roep op om daar
voortvarend mee aan de slag te gaan. Ik ben wat minder tevreden over alle beperkingen
met de doorverwijzingen, want ik denk dat het wel degelijk van belang kan zijn. Nogmaals,
ik heb vier tienerkinderen en van de website injebol.nl heb ik nog nooit gehoord,
terwijl zeker mijn twee oudste kinderen veel gebruikmaken van sociale media. Ik denk
dat het promoten van 113 een jongere wel degelijk kan helpen op de juiste plek te
komen als die op internet een zoektocht houdt. Als jonge meisjes op zoek gaan naar
anorexiacontent kan het helpen als er een waarschuwing gegeven wordt. Als we het hebben
over «van zorg naar gezondheid» en over preventie en als de Minister daar echt werk
van wil maken, zou ik al die belemmeringen achter me laten en hiermee iets gaan doen.
Ik hoor daarop graag een reflectie van de Minister.
Minister Hermans:
Ik begrijp de oproep van mevrouw Wiersma heel goed. Ik schetste een aantal stappen
die gezet zijn en ontwikkelingen die gaande zijn, ook bij mijn collega's van BZK en
EZ. Misschien mag ik het zo doen dat ik bij hen naga welke stappen worden gezet en
waar ze mogelijkheden zien om iets te doen met de opmerking die mevrouw Wiersma plaatst.
Maar ik heb nu niet het totale overzicht van wat er vanuit BZK en EZ gebeurt.
Mevrouw Wiersma (BBB):
Oké, dan in ieder geval dank daarvoor. Ik ben benieuwd wat daaruit voortvloeit. Ik
denk dat het heel belangrijk is, gezien de verkokering per departement, om expliciet
op dit thema het samen op te pakken en samen te werken. Ik had nog een essentiële
vraag gesteld – die zit op dit aspect, maar ook op preventie – over iemand op school
die deze rol op zich gaat nemen. Vroege signalering, juist op scholen, is op basis
van alle gesprekken die ik daarover gevoerd heb, echt een ontbrekende factor. Voor
de verbinding tussen onderwijs en volksgezondheid is een bruggenbouwer nodig die op
de scholen, waar jongeren niet echt weten waar ze terechtkunnen, aanwezig moet zijn.
Ik vraag me af of dit nog later terugkomt of dat dit de beantwoording was van de vragen
die ik zojuist heb gesteld.
Minister Hermans:
Ik ga straks nog in op het sociaal domein en de verbinding tussen het medisch en sociaal
domein. Ik dacht dat ik dan daarop in zou gaan en zo niet, dan ga ik dat toch doen,
want mevrouw Wiersma heeft die vraag gesteld.
De voorzitter:
Gaat u dat nu doen of straks?
Minister Hermans:
Ik zou nu beginnen aan die vragen, maar wacht nog even.
De voorzitter:
Ik snap het. Heeft u hier een vraag over, mevrouw Tijmstra? Of dit blokje klaar is?
Minister Hermans:
Nee, ik moet nog de verbinding tussen medisch en sociaal domein doen.
De voorzitter:
Dan ga ik ga eerst naar meneer Van Dijk.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Mijn vraag gaat over 113, waaraan de Minister hele warme woorden heeft gewijd. De
hulpvraag is stijgende en de Kamer heeft eerder breed uitgesproken dat het budget
daarbij volgend moet zijn. Het mag niet zo zijn dat het tegemoetkomen aan die vraag
belemmerd of gefrustreerd wordt door een tekortschietend budget. De Minister zegt
dat een onderzoek door een onafhankelijke partij loopt en dat dit eind van het jaar
terugkomt. Is «het budget volgt» echt het vertrekpunt van de Minister als het over
het werk van 113 gaat?
Minister Hermans:
In de wet hebben we afgesproken dat 24 uur per dag 7 dagen per week een hulplijn beschikbaar
moet zijn. Daar sta ik ook voor. Het staat in de wet en ik vind het belangrijk dat
die ook gratis te bereiken is. We zien nu dat 113 heeft aangegeven dat de vraag naar
de hulplijn toeneemt. Die nam de afgelopen jaren al toe en er is al extra budget beschikbaar
gekomen. In de eerste maanden van 2026 zien we die vraag verder toenemen. Ik vind
het belangrijk dat die lijn er is; daarover is geen discussie. Die moet ook voortbestaan
en beschikbaar blijven. Maar ik wil ook een beetje een gevoel krijgen bij hoe die
vraag zich ontwikkelt, wat de prognoses ervan zijn en wat het betekent voor de financiering,
ook voor de financiering van andere taken die we bij 113 hebben neergelegd. Ik wil
een methode ontwikkelen zodat we goed met elkaar in beeld hebben hoe we een stabiele
financiering voor de hulplijn en voor het goede werk dat 113 doet met elkaar vorm
kunnen geven. Juist voor een duurzame hulplijn en voor een duurzaam voortbestaan van
113 doe ik dit. Vanuit de wettelijke taak die ik heb, zorg ik dat een hulplijn 24
uur per dag 7 dagen per week beschikbaar is.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Dank. Ik geloof de Minister uiteraard en een duurzame methode en duurzame financiering
zijn uiterst belangrijk. Ik hoor ook haar warme woorden over het belangrijke werk.
Mag ik het dan misschien zo samenvatten of toespitsen dat de Minister eigenlijk zegt:
het zou mijn eer te na zijn als ik op dit punt door de Kamer moet worden gedwongen
of aangespoord om voldoende geld ter beschikking te stellen, gelet op het grote belang
van wat deze organisatie doet?
Minister Hermans:
Volgens mij delen de Kamerleden en ik het belang van deze lijnen, en ook het belang
van wat ik net zei: 24 uur per dag, 7 dagen per week. Ik vind het wel belangrijk ...
We hebben een subsidierelatie met 113. Die heeft VWS met heel veel organisaties, maar
ook met 113. Ik vind dat een subsidierelatie een wederkerig gedrag en wederkerige
verantwoordelijkheid in zich heeft. Dat is één. Ik moet aan mijn afspraken voldoen
en moet meedenken over hoe we problemen kunnen oplossen als die zich voordoen. De
andere kant is dat we goed kijken waar je nou tegenaan loopt, in dit geval bij 113
met het beschikbare budget. Als er een tekort is, waar komt dat dan precies vandaan?
Hoe zat dat vorig jaar? We zien gewoon dat dat fluctueert. Waar komt dat vandaan en
kan je een tekort even tijdelijk opvangen door te prioriteren binnen de middelen die
je hebt? Ik vind dat een hele logische vraag die ik in die wederkerige relatie kan
en moet stellen, ook omdat ik dat doe bij alle subsidierelaties die VWS onderhoudt.
Maar ik doe dat wel vanuit het volle besef dat het hier gaat over een hulplijn waarvan
we met z'n allen in de wet hebben gezegd dat die beschikbaar moet zijn.
De voorzitter:
Antwoorden moeten iets korter zijn, zeg ik ook tegen de Minister. Er ontstaat nu ook
af en toe wat herhaling en dat mag, maar de tijd tikt ook door. Mevrouw Wendel eerst
en dan ga ik naar mevrouw Van Meetelen.
Mevrouw Wendel (VVD):
Ik heb twee vragen. De eerste is kort. Was dit al het einde van het blokje social
media? Nee, zie ik. Oké, dat was mijn eerste vraag. De tweede was ...
De voorzitter:
Maar stelt u uw vraag maar gewoon als die over social media gaat.
Mevrouw Wendel (VVD):
Mijn vraag was eigenlijk dat mijn vragen over social media nog niet zijn beantwoord.
De voorzitter:
Ah, oké.
Mevrouw Wendel (VVD):
Dan mijn tweede vraag. De Minister is wel ingegaan op mijn vraag over de versnipperde
initiatieven. Daar heeft de Minister ook een hele mooie toezegging over gedaan, volgens
mij. Maar de Minister is nog niet ingegaan op mijn vraag over wat zij ziet in centrale
sturing. Is de Minister het met mij eens is dat het tijd is om op dit onderwerp meer
centrale sturing te hebben?
Minister Hermans:
Dat zou ik eigenlijk willen betrekken bij die toezegging die ik gedaan heb, omdat
sommige programma's lokaal of soms zelfs via scholen lopen. Ik kom zo meteen op de
vragen die over het programma STORM zijn gesteld. Ik ga niet aan een school opleggen
wat die moet aanbieden. Daar zit mijn terughoudendheid. Ik wil niet in algemene zin
zeggen dat ik erop wil sturen. Voor mij geldt wel dat je bewezen effectieve aanpakken
er natuurlijk wil uittillen, uitlichten, in de spotlight zetten; laat ik het zo zeggen.
Mevrouw Wendel (VVD):
Dat snap ik uiteraard. Ik denk dat we dat ook delen. Met mijn vraag over centrale
sturing doel ik ook echt op het rijksgeld, als ik het zo mag zeggen, dat naar al die
initiatieven toegaat. Mijn doel is dat we daar meer focus in aanbrengen, dus dat we
dat niet naar heel veel verschillende initiatieven toesturen, maar dat we echt kijken
wat er effectief werkt, ook in de praktijk, en dat daar meer regie op komt vanuit
de bewindspersoon.
Minister Hermans:
Bij de keuzes die ik vanuit VWS maak, natuurlijk samen met de Minister van Langdurige
Zorg, kijk ik natuurlijk heel scherp naar wat voor subsidies wij verstrekken. Ik wil
die dingen ondersteunen die ook echt werken en die we op kunnen schalen, zoals mevrouw
Synhaeve ook zei, zodat we zo veel mogelijk mensen of jongeren daarmee kunnen bereiken.
Dan had mevrouw Wendel inderdaad nog een vraag over de gezondheidseffecten van een
socialmediaverbod en hoe ik dat zie. Sociale media kunnen heel leuk, verbindend en
gezellig zijn, maar hebben ook echt een schaduwkant. Er zijn ook steeds meer onderzoeken
die gezondheidsrisico's aantonen. Maar social media zijn niet het enige waar jongeren
zich online mee bezighouden. Wat mevrouw Wiersma schetste over haar vier tieners laat
zien dat het meer is dan sociale media alleen. Het schermgebruik is dus breder. Hoe
je die sociale media of dat scherm dan weer gebruikt, is natuurlijk van belang. We
weten dus dat veel factoren van invloed zijn op de mentale gezondheid van jongeren.
Ik vind het lastig om zo een-op-een te zeggen of een socialmediaverbod op zichzelf
gaat leiden tot positieve gezondheidseffecten. Ik zie wel echt die schaduwkant, dus
daarover is er echt geen discussie. Ik denk wel dat zo'n verbod of een leeftijdsgrens,
waar nu natuurlijk ook over gesproken wordt, mogelijkheden biedt om passend bij de
leeftijd, pedagogisch, onder begeleiding van ouders gezond socialmediagebruik te stimuleren,
in samenhang ook met de ontwikkeling van digitale vaardigheden. Dus daar zie ik ook
wel mogelijkheden. Maar dat zo een-op-een aan gezondheidseffecten koppelen is om de
redenen die ik noemde lastig.
Mevrouw Wendel (VVD):
Mijn laatste interruptie, denk ik. Ik wil de Minister vragen of zij kan toezeggen
om in ieder geval het gesprek hierover aan te gaan met de Staatssecretaris van JenV
en van EZK over de invloed van sociale media of jongeren online op de mentale gezondheid
van jongeren, en om de maatregelen die ik voorstelde in mijn spreektekst in ieder
geval binnen het kabinet met de verantwoordelijke bewindspersonen te gaan bespreken.
Minister Hermans:
Dat kan ik toezeggen. Ik denk dat ik dat dan combineer met de toezegging die ik net
aan mevrouw Wiersma deed, want dat geeft dan een beeld van wat er al gebeurt en waar
we nog aanvullende mogelijkheden zien.
De voorzitter:
Hadden we die toezegging aan mevrouw Wiersma als toezegging genoteerd?
Minister Hermans:
Ik geloof het wel, ja.
De voorzitter:
Wanneer komt die? Ik kan me even niet ... Voor de zomer?
Minister Hermans:
Ik denk dat het daarna wordt. Ik heb nu al wel veel voor de zomer. Ik zou het willen
betrekken bij de reactie op het ibo, als de Kamer het goed vindt. Die komt voor de
begrotingsbehandeling van VWS.
De voorzitter:
Voor de begrotingsbehandeling van VWS, genoteerd. Ja? En dan kom ik bij mevrouw Van
Meetelen. Het hoeft niet, hè. Ik had het nog onthouden. Nee? Dan gaan we even door.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Nou, ik hoop en neem aan dat in het blokje sociaal domein nog de borging en betrokkenheid
van ouders en partners terugkomen. Dus ik kijk even naar de Minister: komt dat daar
nog in terug?
De voorzitter:
Komt de betrokkenheid van ouders en partners nog terug in het volgende blok sociaal
domein?
Minister Hermans:
Ik heb net iets gezegd in de richting van de heer Van Dijk over de gezinsgerichte
benadering. Daar had ik ook mevrouw Van Meetelen aan toe moeten voegen, want die heeft
inderdaad die vraag ook gesteld. Voor mij hoort dat bij elkaar, maar misschien bedoelt
mevrouw Van Meetelen iets anders.
De voorzitter:
Ik constateer dat het aan de orde is geweest, maar als u nog een gerichte vraag heeft,
mag u die stellen, mevrouw Van Meetelen.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Dan ga ik het toch doen, want ik had een heel specifieke vraag over de borging van
ouders, partners en andere naasten. Die moeten er standaard bij worden betrokken.
In de Landelijke Agenda Suïcidepreventie staat ook dat hiervoor handvatten moeten
komen in die periode, maar ik zou ook wat breder willen kijken, ook in die periode
daarvoor. Je kunt op het moment aankomen waarop je denkt: mijn kind, mijn man of mijn
geliefde, wie het dan ook maar mag zijn, heeft het probleem. Het is namelijk een gezinsprobleem.
Het is niet alleen het probleem van het individu, het is veel breder. De broertjes,
de zusjes, de vaders, de moeders, de partners, de opa's en oma's, een heel gezin wordt
er vaak in meegesleurd. Daar vraag ik dus naar, voor zover dat kan en het juridisch
en medisch verantwoord is. Ik snap het als de Minister hier niet gelijk een antwoord
op kan geven. Dat begrijp ik en dan hoop ik op een toezegging dat de Minister misschien
kan kijken naar een plan voor structurele betrokkenheid van naasten en het gezin.
In al die rapporten komt ook naar voren hoe belangrijk het is. Ik vind dit persoonlijk
echt een heel belangrijk punt.
De voorzitter:
Volgens mij is uw punt helder.
Minister Hermans:
Ja, heel helder. Voor mij valt dit onder wat ik in de richting van de heer Van Dijk
toezegde. Dat benadruk ik ook richting mevrouw Van Meetelen. Ik zal in de ibo-reactie
terugkomen op de vraag hoe we die gezinsgerichte benadering erbij kunnen betrekken,
een plek kunnen geven. Ik begrijp de oproep van mevrouw Van Meetelen namelijk. De
heer Van Dijk deed die oproep eerder ook al in een motie. Ik ben – hoe zal ik dat
zeggen? – positief aangejaagd om hiermee verder te gaan.
Voorzitter. Dan het blokje sociaal domein.
De voorzitter:
Mevrouw Tijmstra toch nog?
Mevrouw Tijmstra (CDA):
Ja, ik heb netjes het einde van het blokje afgewacht, maar dat is nu. We hebben net
een rondetafelgesprek gehad over suïcidepreventie bij jongeren en in mijn inbreng
ben ik daar ook op ingegaan. Uit dat gesprek heb ik echt als rode draad meegenomen
dat er zo vaak gezegd werd: praten erover helpt, vaak met de mensen die het dichtst
bij je staan, dus de mentor, de voetbaltrainer, de jongerenwerker. Ik weet dat we
heel veel verschillende programma's hebben op preventie. Er is net een wet vastgesteld
waar gemeenten mee aan de slag moeten. Dit gaat, denk ik, ook zo erg over of je oog
hebt voor een ander en of je het gesprek dan durft aan te gaan. «Gaat het goed of
kan ik wat voor je doen?» Daar ben ik eigenlijk een beetje naar op zoek. Het gaat
echt over die sterke samenleving, want ik denk dat we daar gewoon heel veel verschil
kunnen maken, wat helemaal niet ingewikkeld of groots is en niet veel geld hoeft te
kosten. Daar heb ik een vraag over gesteld in mijn inbreng, maar ik wil hem graag
nog een keer stellen in dit blokje. Is er nou een plek waar we dit kunnen agenderen,
zonder grootse programma's of zoiets op te tuigen? Het gaat er meer om hoe we kunnen
stimuleren dat juist als die steun- en sleutelfiguren voor jongeren zien dat het niet
helemaal lekker gaat, zij wel het gesprek aan durven gaan.
Minister Hermans:
Ik denk dat het feit dat wij dit debat voeren en deze zaken benoemen en agenderen
aangeeft hoe belangrijk het is om dat gesprek te voeren. Het is inderdaad goed om
af en toe eens even de tijd te nemen voor iemand: hoe gaat het met je? Dan heb ik
het niet over de vluchtige manier die we waarschijnlijk allemaal kennen als we elkaar
hier in de gang tegenkomen en eigenlijk alweer doorgelopen zijn voordat je het antwoord
gehoord hebt, maar over het echt serieus iemand aankijken en vragen: hoe gaat het
en kan ik iets voor je betekenen? Daar kan je geen programma's, aanpakken of wat dan
ook op maken. Dit zit in hoe we met elkaar omgaan. Dat gaat werken door erover te
praten en natuurlijk door een voorbeeldfunctie die we hebben. Dat is de ene kant van
het verhaal. De andere kant is dat we natuurlijk wel van alles en nog wat proberen
om dit in de haarvaten van onze samenleving een plek te geven. Dan heb je laagdrempelige
steunpunten waarvan we hopen dat niet alleen jongeren, iedereen natuurlijk, maar ook
jongeren naar binnen lopen als ze even een vraag hebben of iets kwijt willen. We maken
natuurlijk ook initiatieven die echt op jongeren gericht zijn. Dat In je bol, dat
mevrouw Wiersma nog niet kent, is toch een plek waar bijvoorbeeld jongeren heel makkelijk
terechtkomen.
De voorzitter:
Gaat u door.
Minister Hermans:
Voorzitter. Ik heb hier de vraag die ...
De voorzitter:
Met het verzoek ook om echt te kijken of dingen worden beantwoord waar nog niet op
is ingegaan. Dus als dingen al gepasseerd zijn, dan is dat zo.
Minister Hermans:
Ja, dan stop ik daarmee. Dan ga ik dat niet meer vertellen. Maar misschien mag ik
in aanvulling nog iets tegen mevrouw Tijmstra zeggen, want ik heb hier nu net die
vraag voor mijn neus. Ik heb nog niet genoemd dat we afgelopen jaar onder de naam
«Praatpower» met bijna 3.000 jongeren het gesprek hebben gevoerd over wat zij nodig
hebben om mentaal gezond op te groeien. De conclusie daar was – dat heeft u waarschijnlijk
ook in die rondetafel of die technische briefing gehoord – dat jongeren zonder een
drempel te ervaren eigenlijk heel makkelijk die stap kunnen zetten om met anderen
te delen hoe ze zich echt voelen. Dat gesprek kan inderdaad overal gevoerd worden,
dus ook via het AZWA. Dan kom ik toch weer even op die bestuurlijke afspraken. Daar
hebben we ook afspraken gemaakt over een gezonde en sociale basisinfrastructuur waar
je dit kan vormgeven. Maar dit ontslaat ons er niet van dat dit ook in het normale
menselijke verkeer een plek moet krijgen.
Voorzitter. Dan heb ik deze wel beantwoord. Dan over die steunpunten. Mevrouw Westerveld
vroeg mij hoe het staat met de structurele financiering daarvoor. Dat is via het AZWA
geregeld. Vanaf 2027 zijn er structurele middelen beschikbaar. Daarmee heb ik ook
invulling gegeven aan de motie-Mohandis.
Dan vroeg mevrouw Westerveld mij nog hoe het staat met de totstandkoming van die steunpunten.
Er zijn er op dit moment 318 in kaart gebracht. Dat zijn er meer dan in 2024, want
toen hadden we er 278.
Voorzitter. Dan vroeg mevrouw Wendel mij naar de publiek-private samenwerking in het
sociaal domein: hoe kan je goede initiatieven daar opschalen? Dat hangt ook een beetje
samen met de toezegging die ik eerder deed; alleen vindt dit dan lokaal plaats. Je
ziet daar echt mooie aanpakken ontstaan, bijvoorbeeld in de aanpak Eén tegen eenzaamheid,
waar samenwerkingsverbanden ook met een grote supermarkt en PostNL plaatsvinden. Die
bedrijven maken ruimte voor een gesprek met mensen, de zogenaamde «kletskassa», zodat
eenzaamheid vermindert en mentale klachten worden voorkomen. Ik had daar nog niet
van gehoord, maar leerde daarover in de voorbereiding op dit debat. Dan hebben we
natuurlijk het Oranjefonds, dat een heel aantal van dit soort initiatieven ook ondersteunt.
Dus ik zie daar echt kansen, potentie. Ik zie dus ook dat dat al gebeurt in de praktijk.
Voorzitter. Dan zijn er een paar vragen gesteld over wonen, onder anderen door mevrouw
Coenradie. Mevrouw Westerveld vroeg mij wat de stand van zaken van het actieplan is.
De stand van zaken is dat in de zomer van 2025 tien pilotregio's zijn gestart. De
voortgang blijven we monitoren. Dat is belangrijk omdat we partijen ook echt oproepen
om scherp te blijven op signalen in de regio, zodat we in acute situaties snel passende
oplossingen kunnen vinden; dit is in het geval van dakloosheid. Minister Sterk, bij
wie de verantwoordelijkheid voor dit actieplan ligt, zal de Kamer in het najaar informeren
over de voortgang.
Dan vroeg mevrouw Westerveld mij ook of ik mijn collega van VRO actief ga betrekken
in het realiseren van passende huisvesting binnen dat actieplan daklozen ggz/Wlz.
Dat doe ik. VWS en VRO hebben hier structureel en veelvuldig contact over. We hebben
de Wet versterking regie volkshuisvesting en verschillende programma's die helpen,
ook voor mensen met verward of onbegrepen gedrag, zeg ik via u, voorzitter, tegen
mevrouw Coenradie. Daarin laten we echt zorg, wonen en veiligheid samenkomen. We trekken
dus heel nauw samen op, wil ik maar zeggen.
Dan is er nog een vraag van mevrouw Westerveld over het onderzoek naar verstandelijke
beperking en mentale klachten, waarbij mensen tussen wal en schip vallen. De vraag
is of ik dat beeld herken en wat ik eraan ga doen. We herkennen dit beeld en zien
ook echt mogelijkheden en kansen om de samenwerking tussen de ggz en de gehandicaptenzorg
te verbeteren. Daarover zijn we nu in overleg en daar zetten we ook actief op in samen
met die beide sectoren. De Minister van Langdurige Zorg zal in een brief over de voortgang
van de langdurige ggz hier ook nader op ingaan. Ik verwacht die brief in het najaar.
Dan nog de specifieke vraag van mevrouw Coenradie. Voorzitter, als u mij toestaat,
dan kom ik daar graag op terug in het commissiedebat dat we over twee weken hebben.
Dat is namelijk weer een specifieke groep. Ik wil daar heel nauwkeurig op antwoorden
en dan kan ik dat ook doen met de betrokken collega's.
Voorzitter. Dit was het blokje sociaal domein, volgens mij.
De voorzitter:
Dit was dan het blokje samenwerking sociaal domein. Dan zouden we nu naar het blokje
varia gaan. Mevrouw Wendel, uw allerlaatste.
Mevrouw Wendel (VVD):
Gelukkig, ik was bang dat ik er al doorheen was. Ik had nog een vraag gesteld over
de vindbaarheid van het sociaal domein en of de Minister daarover in gesprek wil gaan
met de VNG om die vindbaarheid voor inwoners te verbeteren.
Minister Hermans:
Ik had het over de laagdrempelige ondersteuning. Dat is een belangrijke basisfunctionaliteit
– een vreselijk woord; excuus voor het jargon – waar we een afspraak over hebben gemaakt.
Die laagdrempelige ondersteuning moet natuurlijk ook gevonden worden; daar wordt aan
gewerkt. Ik noemde net heel kwantitatief het aantal laagdrempelige steunpunten, maar
de vraag is natuurlijk ook hoe die worden gevonden en hoe daar gebruik van wordt gemaakt.
Ik denk dat we daar in de voortgang van de IZA/AZWA-afspraken ook nader op in kunnen
gaan.
De voorzitter:
Helder. Gaat u door.
Minister Hermans:
Excuus. Dan kom ik op de overige vragen. Ik begin met een zwaar onderwerp, namelijk
euthanasie in de psychiatrie. Daar hebben de heer Van Dijk en mevrouw Bikker mij het
een en ander over gevraagd. Ik begin met het noodventiel waar de heer Van Dijk naar
vroeg. Het vorige kabinet zag daar geen noodzaak voor. De vraag was hoe dit kabinet
daarin staat. Ook dit kabinet is van mening dat er geen noodzaak is voor een noodventiel
in de euthanasiewet. Uit de evaluaties, de toetsingspraktijk en ook het vervolgingsbeleid
van het OM blijkt dat de euthanasiewet goed functioneert en dat er sprake is van een
zorgvuldige euthanasiepraktijk.
Dan kom ik op de vraag van mevrouw Bikker; de heer Van Dijk had een soortgelijke vraag.
We zien dat steeds meer jonge mensen die psychisch lijden euthanasie krijgen. De vraag
is hoe wij daarnaar kijken. Euthanasie bij psychisch lijden is, zeker waar het jonge
mensen betreft, nog steeds heel zeldzaam. En het blijft heftig dat jongeren – mensen
überhaupt, maar zeker ook jongeren – daarvoor willen kiezen, maar het is een mogelijkheid
die we hebben. Bij uitzichtloos lijden kan die keuze aan de orde zijn. Het is alleen
aan de beroepsgroep en niet aan het kabinet om te bepalen en te beoordelen of ontwikkelingen
aanleiding vormen voor een aanpassing van geldende medisch-professionele normen. Dat
vind ik ook echt van het allergrootste belang. De Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie
herziet op dit moment wel haar richtlijn en daarbij zal ook aandacht zijn voor psychisch
lijden bij jonge mensen.
Voorzitter, misschien nog tot slot. Vandaag is het jaarverslag 2025 van de Regionale
Toetsingscommissies Euthanasie gepubliceerd en daarin zien we dat het aantal meldingen
van euthanasie bij psychisch lijden van mensen jonger dan 30 jaar gedaald is naar
19, tegen 30 in 2024. Geen van deze meldingen is als onzorgvuldig beoordeeld. Dat
waren de vragen over euthanasie.
Dan kom ik op de vraag van mevrouw Bikker en mevrouw Westerveld over de uitvoering
van de motie over STORM van de heer Ceder en mevrouw Westerveld. Kortheidshalve: de
Kamer wordt in het tweede kwartaal over de uitvoering van deze motie geïnformeerd
door de Staatssecretaris van OCW. Zij zal hier dan verder op ingaan.
Dan vroeg mevrouw Ten Hove mij naar antidepressiva bij jongeren, die bij jongeren
kunnen leiden tot verhoogde suïcidaliteit. In de praktijk wordt een termijn van twee
weken of langer gehanteerd voor de monitoring. De vraag is of mij bekend is waarom
dit is. Het signaal waar mevrouw Ten Hove op inging, is mij niet bekend. Dus ik zal
in gesprek gaan met de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie over die richtlijn,
het opvolgen daarvan en ook of dit signaal herkend wordt, want ik herken het niet.
Voorzitter. Mevrouw Dobbe ging nog in op de ongecontracteerde zorg en de aanpak daarvan
en de heer Van Dijk vroeg of ik bereid ben om het volledig schrappen van die vergoedingenplicht
te heroverwegen. Ik ga dat niet heroverwegen. We hebben dat nu net afgesproken, maar
ik ga wel met partijen in gesprek over hoe we hier op de beste manier invulling aan
kunnen geven, met ook oog voor het behoud van zorgpersoneel en zorg die inclusief
is. We zien dat de toegankelijkheid onder druk staat; daar hebben we veel over gezegd.
Als we de zorg beschikbaar willen houden, ook in de toekomst, moeten we in de organisatie
wat dingen anders doen: minder versnipperd, meer gericht op die passende zorg. Daar
hoort dit wat mij betreft bij. Overigens hoort daar ook bij dat ook met kleinere aanbieders
contracten worden gesloten, dus dat zorgverzekeraars dat gaan doen, en dat we natuurlijk
op die invulling van de zorgplicht strak gaan sturen. Dat voor wat betreft de ongecontracteerde
zorg.
Dan heb ik nog een vraag van mevrouw Dobbe over de mentale gezondheid en vrouwengezondheid,
namelijk om met een aanpak te komen om de mentale gezondheid van jonge vrouwen te
verbeteren. De vraag is hoe het staat met de motie. Over de motie is een brief gestuurd,
de brede jeugdbrief van juni 2025, met de toezegging om de maatregelen op te volgen.
Dat loopt via het thema vrouwengezondheid en mentale gezondheid in de versterkingsagenda.
Ik kan me voorstellen dat mevrouw Dobbe nu denkt: hoe wordt er nu precies uitvoering
aan gegeven? Dat denk ik zelf ook, als ik dit zo zeg. Laat ik toezeggen dat ik hier
even apart op terugkom. Ik deel het belang van dit onderwerp, dus ik zal dat wat concreter
formuleren.
Voorzitter, u vroeg mij dingen niet te herhalen, dus dat zou ik dan ook niet willen
doen. Ik heb hier nog een vraag die mevrouw Tijmstra mij stelde over bemoeizorg. We
bieden vaker bemoeizorg aan bij mensen die zorg mijden of onbegrepen gedrag vertonen;
dat hebben we in het coalitieakkoord afgesproken. We hebben een handreiking van Movisie
en een rapport van het Toezicht Sociaal Domein. Op basis van de bevindingen daaruit
vind ik het belangrijk dat we – ik zeg daar direct bij: samen met de Minister van
Langdurige Zorg – goed kijken hoe we die bemoeizucht beter kunnen organiseren. Daarvoor
loopt nu een proces: tot wat voor acties of maatregelen moet je dan overgaan? In de
Voortgangsbrief aanpak verward en onbegrepen gedrag die we in de tweede helft van
2026 sturen, zal ik daar samen met de Minister van Langdurige Zorg op ingaan, uiteraard
ook in lijn met de afspraak uit het coalitieakkoord.
Voorzitter. Volgens mij heb ik bijna alles beantwoord. Dan heb ik nog een vraag van
mevrouw Westerveld over de lange wachtlijsten voor transgenderzorg. Volgens mij hadden
mevrouw Westerveld en ik het daar al even over bij de begrotingsbehandeling. Die wachtlijsten
in de transgenderzorg zijn erg lang, met name voor psychologische begeleiding en ondersteuning.
Naar aanleiding van een eerdere motie van het lid Kostić – dat was bij de begrotingsbehandeling,
dacht ik – heb ik toegezegd om in gesprek te gaan met partijen in de transgenderzorg
over die wachtlijsten. Dus dat doe ik en voor de zomer kom ik terug op de uitkomsten
van die gesprekken.
Mevrouw Dobbe stelde een vraag over mentale ondersteuning en ggz-zorg voor slachtoffers
van seksueel geweld. Dat is ook de verantwoordelijkheid van mijn collega op het ministerie,
de Minister van Langdurige Zorg. Er zijn casemanagers van het Centrum Seksueel Geweld
die educatie bieden aan slachtoffers van seksueel geweld. Gemeenten bieden inwoners
laagdrempelige mentale ondersteuning, zoals de steunpunten waar ik het net over had,
ook voor deze doelgroep. Een belangrijk kenmerk van het werk in die steunpunten is
dat ervaringsdeskundigen in the lead zijn. Slachtoffers van seksueel geweld kunnen
hier ook terecht en hopelijk een vorm van ondersteuning vinden.
Voorzitter. Bij mijn weten heb ik dan alle vragen beantwoord.
De voorzitter:
Heel goed. Mevrouw Wiersma heeft zich gemeld. Het is uw laatste interruptie.
Mevrouw Wiersma (BBB):
Het gaat om een vraag die volgens mij niet is beantwoord, of ik heb hem gemist. Ik
had net al gevraagd of hij nog zou worden beantwoord. De Minister zei toen dat ze
er in een later blokje op terug zou komen. Het ging erover of zij een coördinerende
rol zou kunnen nemen bij de aanspreekpunten die, wat mij betreft, op scholen zouden
moeten komen. Ik heb daar in mijn inbreng een tekst aan gewijd. Ik heb het antwoord
niet gehoord.
De voorzitter:
Dat klopt. Ik heb hem ook niet genoteerd als interruptie. Kan de Minister daar nog
op ingaan?
Minister Hermans:
Zeker. Ik ging heel kort in op het programma STORM, waarover onder anderen mevrouw
Bikker een vraag stelde. De Staatssecretaris van Onderwijs komt in het tweede kwartaal
met een brief over dat specifieke programma en ook breder over de Gezonde School en
hoe daaraan invulling wordt gegeven. Ik zal deze vraag bij mijn collega onder de aandacht
brengen. Ik denk dat het belangrijk is dat het aan die onderwijskant blijft, want
anders gaan we ons allemaal met van alles en nog wat bemoeien. Dat komt dit type zorg
en ondersteuning of de werking van deze programma's niet ten goede, denk ik. Ik zal
de vraag wel onder de aandacht brengen van de Staatssecretaris.
Mevrouw Wiersma (BBB):
Dit is dan wel mijn laatste interruptie; ik leer snel. Ik ben daar toch niet helemaal
tevreden mee. De verkokering op deze gebieden is volgens mij totaal onwenselijk. We
zien dat docenten op veel scholen handelingsverlegen zijn. Dat horen we ook terug
van studenten die daar met mentale problemen rondlopen. Ik heb gevraagd of de Minister
daarin een coördinerende rol wil spelen. Ik hoor dat dat niet het geval is. Dan is
mijn vraag: hoe ziet de Minister de samenhang, vooral op het gebied van preventie,
en hoe ziet ze de rol van VWS in dat geheel? Volgens mij is preventie op scholen een
cruciale factor, zeker op dit gebied.
Minister Hermans:
Dat ben ik met mevrouw Wiersma eens, maar de vraag is eventjes: coördinerend, regie
... We werken aan preventie en aan het versterken van mentale weerbaarheid, zeker
ook bij jongeren. Dan doen we via allerlei programma's, ook op school, bijvoorbeeld
de Gezonde Schoolaanpak en Welbevinden op School. Daarmee werken we integraal aan
de mentale gezondheid van jongeren in het p.o., vo en mbo. Het is wel het Ministerie
van Onderwijs en in dit geval de Staatssecretaris die hier het overzicht heeft en
een aanpak om dit op een goede manier een plek te geven. Zij heeft ook zicht op de
mogelijkheden om verder te gaan met een programma als STORM. Dat is niet het enige
programma, maar wel een bekend programma dat volgens mij nu in negen regio's wordt
toegepast. Ik zou dat dus daar willen laten, want anders moet ik de informatie bij
de Staatssecretaris gaan opvragen, terwijl zij daarover al een brief heeft toegezegd.
Ik vind de vraag dus terecht – die zal ik ook doorgeleiden – en we hebben vanzelfsprekend
contact en afstemming, maar dit zit echt in het onderwijsdomein. Ik denk dat het goed
is dat de Staatssecretaris daarover gaat.
De voorzitter:
Dan kom ik tot een einde van de eerste termijn van de zijde van het kabinet, denk
ik zo. Dan wil ik heel snel doorgaan met de tweede termijn. Daar heeft u maximaal
1 minuut en 20 seconden voor. Ik dank de Minister voor de beantwoording. Ik ga gelijk
door.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Ik hou het kort. Allereerst wil ik graag een tweeminutendebat aanvragen. Daarnaast
wil ik deze 1 minuut en 20 seconden gebruiken om alle mensen te bedanken die aan het
rondetafelgesprek hebben deelgenomen en die een rol hebben gehad in de voorbereiding
daarvan. Dank ook aan de mensen die bij de petitie aanwezig waren. Het was bijzonder
indrukwekkend. En heel veel dank aan alle mensen die ons nog los daarvan hebben gesproken
en die hele persoonlijke verhalen hebben gedeeld.
De voorzitter:
Mevrouw Wiersma.
Mevrouw Wiersma (BBB):
Dank, voorzitter. Ik kan me alleen maar bij die woorden aansluiten. Ik heb geen vragen
meer aan het kabinet. Dank voor de beantwoording. Ik zal meedoen aan het tweeminutendebat,
dus tot dan.
De voorzitter:
Dank u wel. Mevrouw Wendel.
Mevrouw Wendel (VVD):
Ik wil me allereerst uiteraard ook aansluiten bij de mooie dankwoorden van mevrouw
Synhaeve. Daarnaast wil ik de Minister bedanken. Ze heeft vandaag een aantal toezeggingen
gedaan, waar ik heel blij mee ben, omdat ik ervan overtuigd ben dat het belangrijk
is om de mentale gezondheid in Nederland te verbeteren en het aantal suïcides enorm
terug te dringen. Dank daarvoor. Ik zie uit naar het tweeminutendebat.
De voorzitter:
Tijmstra.
Mevrouw Tijmstra (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Ik wil de Minister bedanken voor de beantwoording. Wij zullen
de voortgang van de IZA- en de AZWA-afspraken nauw volgen. Dat is volgens mij de kortst
mogelijke termijn waarin we echt het verschil kunnen gaan maken in de samenleving
voor de mensen die de zorg zo hard nodig hebben. Voor de langere termijn is het ibo
ontzettend belangrijk, dus ik kijk vol verwachting uit naar het najaar. Dan krijgen
we ongetwijfeld ook moeilijke keuzes voorgelegd, maar dan gaat het wel om een keuze
die op de langere termijn tot een oplossing moet leiden.
De voorzitter:
Van Meetelen.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Dank u wel, voorzitter. Met het risico dat het sleets wordt: allereerst dank aan alle
mensen die op wat voor manier dan ook een inbreng hebben geleverd. Er zijn verschillende
ouders die op dit moment meekijken, van wie ik weet dat ze gezien en gehoord willen
worden op het gebied van wachtlijstondersteuning. Ik hoop dat zij in het bijzonder
zich gezien en gehoord voelen vandaag en dat ze hebben gemerkt dat wij de situatie
als commissie echt serieus nemen. Ik wacht de reactie op het ibo af, waarna we weer
met elkaar verder spreken.
De voorzitter:
De heer Van Dijk.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Dank, voorzitter. Dank aan de Minister. Heel veel van wat mijn collega's op enigerlei
wijze hebben gezegd, komt terug, dus dat hoef ik niet allemaal meer aan te stippen.
Wat dit overleg mij duidelijk maakt, is dat de psychische problematiek in het land
erg groot is. Misschien moet ik het «een veelkoppig monster» noemen. Er zijn geen
simpele remedies, omdat het deels gaat om een noodzakelijke cultuurverandering. Het
rapport Op de rem! indachtig, dat veel is aangehaald, zijn we als SGP bang dat de
decennialange nadruk op het individu misschien toch ten koste is gegaan van het versterken
van gezinnen, relaties en gemeenschap. Een sterkere samenleving begint bij sterke
en stabiele gezinnen. Ik daag de Minister uit om dat te laten doorwerken in beleid.
De voorzitter:
Dobbe.
Mevrouw Dobbe (SP):
Dank u wel, voorzitter. Ik vind het mooi dat we vandaag samen met de Kamer hier een
brede urgentie hebben geuit over het aanpakken van de wachtlijsten en wachttijden
in de ggz. Het mag duidelijk zijn dat mijn fractie het bezuinigen op de langdurige
ggz absoluut een onverstandig idee vindt. Wij kunnen dat op geen enkele manier steunen,
omdat dit zal leiden tot langere wachtlijsten in de ggz.
Ik zou de Minister verder willen oproepen om eerder te komen met een reactie op het
ibo-rapport dan nu gepland staat, namelijk Q3 van dit jaar, geloof ik. Het moet ook
zorgvuldig kunnen als je dat voor de zomer doet, volgens mij. Dan is er nog heel veel
tijd om met een zorgvuldige reactie te komen. Het scheelt namelijk wel als wij allemaal
de urgentie delen om de wachtlijsten aan te pakken. Dan moet het volgens mij ook gebeuren.
Tot slot. Wij begrijpen dat voor 113 duidelijkheid over financiering aan het eind
van het jaar echt te laat is. Het is voor hen dan te laat om bijvoorbeeld nog mensen
te kunnen aannemen en er ontstaat voor 2027 een gat in de begroting en de ondersteuning.
Ik wil graag een reflectie van de Minister of dat niet eerder zou kunnen. Voor dit
jaar staat er ook nog een tekort. Vooral de niet-hulplijngerelateerde activiteiten
lijden daaronder. Iedereen hier heeft geuit dat we moeten zorgen dat de activiteiten
van 113 doorgang kunnen vinden, dus het zou heel mooi zijn als we dat kunnen oplossen.
Graag nog een reactie daarop.
De voorzitter:
Dank u wel voor uw inbreng. Er is een einde gekomen aan de tweede termijn van de inbreng
van de Kamer. Ik hoor dat de Minister een korte schorsing vraagt. Ik schors voor enkele
ogenblikken.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
De voorzitter:
De Minister voor de tweede termijn van de zijde van het kabinet.
Minister Hermans:
Voorzitter, dank. Er zijn mij nog twee vragen gesteld door mevrouw Dobbe. Ze vraagt
of de reactie op het ibo eerder kan. Ik heb een motie van mevrouw Dobbe die is ingediend
bij de begrotingsbehandeling, waarin staat: het derde kwartaal, voor de begrotingsbehandeling
van VWS. Daar richt ik mij op. Het staat niet in de weg ... Wat zegt u? Voorzitter?
Mevrouw Dobbe (SP):
Dat staat u niet in de weg om het eerder te doen, toch?
Minister Hermans:
Nee, dat staat mij niet in de weg om in de tussentijd wel door te gaan met de aanpak
van de wachttijden en wachtlijsten. Mevrouw Dobbe zei dat heel terecht. Dat was ook
de reden waarom ik daar eerder in mijn inbreng iets over zei. Ik ga met een grondige
en gedegen reactie op het ibo komen, omdat het gaat over de lange termijn, de toekomstbestendigheid
van onze ggz-zorg. Maar we willen ook in het hier en nu, binnen het bestaande stelsel,
verbeteringen aanbrengen, zodat als mensen zorg nodig hebben, ze die op het juiste
moment op de juiste plek krijgen. Daar gaan we gewoon mee door; dat stopt niet terwijl
ik een reactie op het ibo aan het schrijven ben. Integendeel, zou ik willen zeggen.
Dan vroeg mevrouw Dobbe of de duidelijkheid aan het eind van het jaar niet te laat
is voor 113. Ik denk dat het belangrijk is om twee dingen uit elkaar te halen. Eén:
we hebben even nodig voor de methode, waarover ik sprak, om een stabieler beeld te
krijgen van hoe de vraag zich ontwikkelt en wat dit betekent voor de financiën, de
inzet van middelen. Dat zal eind van het jaar worden. Wat ik nu wil, is bekijken wat
de ruimte is, wat de mogelijkheid is om binnen de bestaande middelen te herprioriteren.
Ik voer daarover graag zelf het gesprek met 113, dus dat zeg ik bij dezen nog toe
aan mevrouw Dobbe en alle anderen die daarover vragen hebben gesteld. We willen ook
dat het werk doorgaat. Ik wil het wel graag op deze manier doen, in het belang van
de toekomstbestendigheid van 113, maar ook vanwege het belang dat ik hecht aan het
op een zorgvuldige manier invullen van de subsidierelatie, beide kanten op. Ik voer
dat gesprek graag zelf.
De voorzitter:
Heel kort, als allerlaatste.
Mevrouw Tijmstra (CDA):
Ik heb een checkvraag. Het ging steeds over de reactie op het ibo, maar er is toch
toegezegd dat er een gecombineerde reactie komt op het ibo en het rapport Op de rem!?
Minister Hermans:
Op dat RVS-rapport is al gereageerd. Er is wel overlap en samenhang, dus ik denk maar
zo dat we dat ook in de ibo-reactie betrekken.
De voorzitter:
Ja, er wordt vast verwezen naar ... Mevrouw Dobbe, tot slot. Eén vraag in deze termijn.
Mevrouw Dobbe (SP):
Ik denk dat het heel goed is als de Minister gaat spreken met 113. Ik denk dat hier
de voornaamste oproep is: wacht niet met het bijspijkeren van of duidelijkheid geven
over de financiering voor 2026 en 2027 totdat het onderzoek is afgerond. Zorg dat
het in ieder geval is geregeld voor dit jaar en volgend jaar. Wij hebben van 113 begrepen
dat er nu een tekort is, ook voor dit jaar. Als 113 het te laat hoort, loopt dat tekort
door en loopt het ook op. Dat zou zonde zijn. Het is dus heel goed dat de Minister
aan de slag gaat met het onderzoek, maar dit zou mijn oproep daarbij zijn.
De voorzitter:
Een oproep.
Minister Hermans:
Die oproep heb ik gehoord. Daarom zegde ik net toe dat ik zelf dat gesprek zal voeren.
Ik wil natuurlijk wel weten hoe het zit en wat eronder zit. Ik voel me verantwoordelijk;
er loopt niet alleen met 113 maar met heel veel organisaties een subsidierelatie.
We moeten wel een goed beeld hebben van hoe het in elkaar zit en waar het tekort vandaan
komt. Vandaar ook de vraag: wat kan je mogelijk dit jaar opvangen binnen de bestaande
middelen? In ieder geval ga ik het gesprek voeren. Ik kan me voorstellen dat het een
vervolgvraag is van mevrouw Dobbe, maar ik zal uiteraard de Kamer daarover informeren.
Het gesprek moet gepland worden; ik weet niet hoe snel dat kan.
De voorzitter:
Oké. Nu zijn we echt aan het einde gekomen van het commissiedebat. Voor ik dat afconcludeer:
er is een tweeminutendebat aangevraagd door mevrouw Synhaeve; dat geleiden we door
richting plenair. We wachten af wanneer dat wordt ingepland. Er zijn verschillende
toezeggingen gedaan. Ik lees ze even voor; dat is het makkelijkst. Mocht er iets niet
kloppen, dan hoor ik het wel.
– De Minister stuurt voor het commissiedebat IZA/AZWA, 1 juli aanstaande, een voortgangsbrief
en gaat in op welke resultaten tussentijds zijn behaald en op andere vragen die in
dit kader zijn gesteld.
– De Minister informeert de Kamer voor de zomer over de voortgang met betrekking tot
het onderzoek naar een normenkader voor budgetbekostiging van de HIT, high intensive
care, en de intensive home treatment, IHT.
– De Minister informeert de Kamer voor de zomer over de uitvoering van de motie-Coenradie
c.s. over een plan van aanpak voor een pilot met lichte ggz-interventies.
– De Minister informeert de Kamer voor de zomer over haar inzet om effectieve aanpakken
omtrent suïcidepreventie te borgen.
– De Minister informeert de Kamer voor het einde van het jaar over de financiering van
hulplijn 113 en gaat ook in gesprek met 113; daar komt dan ook een terugkoppeling
van.
– De Minister gaat met enkele andere bewindspersonen in gesprek over de gezondheidseffecten
van sociale media bij jongeren en zal in haar reactie op het ibo terugkomen op de
vragen die hierover zijn gesteld. Dat gebeurt in ieder geval voor de begrotingsbehandeling
VWS.
– In het ibo zal de Minister ook ingaan op de motie met betrekking tot gezinsgerichte
benadering en de vragen die hierover zijn gesteld.
– De Staatssecretaris van OCW informeert de Kamer in het tweede kwartaal van 2026 over
de uitvoering van de motie van de leden Westerveld en Ceder over de STORM-aanpak.
– De Minister informeert de Kamer over de uitvoering van de motie-Dobbe over een aanpak
met betrekking tot de mentale gezondheid van jonge vrouwen, voor het zomerreces.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Even een dubbelcheck: volgens mij was het de vierde toezegging, waarbij we de effectieve
aanpak niet hadden beperkt tot suïcidepreventie, maar het ook ging om mentale gezondheid
in bredere zin.
De voorzitter:
Ja, dat kan, zeker. Mevrouw Wendel.
Mevrouw Wendel (VVD):
Ik hoop dat dat mag van de Minister, maar ik had zelf een toezegging genoteerd, namelijk
dat de Minister in gesprek gaat om ervoor te zorgen dat de laagdrempelige steunpunten
in het sociaal domein ook daadwerkelijk worden gevonden; dus niet alleen dat ze er
zijn, maar ook dat ze worden gevonden.
Minister Hermans:
Ja, voorzitter. Daar zal ik dan in de voortgangsbrief op terugkomen.
De voorzitter:
Dat komt dan terug in de voortgangsbrief. Die was al toegezegd, dus dat is geen nieuw
punt, ik had het niet apart genoteerd. Het is goed dat u het in de gaten houdt. Anderen
nog, eenmaal, andermaal? Dan komen we aan het einde.
Ik dank de Minister, alle ondersteuning, alle Kamerleden, iedereen die hier aanwezig
is, iedereen op afstand. Dank. Het is twee minuten voor tijd. Ik sluit de vergadering.
Sluiting 18.28 uur.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
M. Mohandis, voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport -
Mede ondertekenaar
M.E. Esmeijer, griffier