Voorstel van wet : Voorstel van wet
36 922 Wijziging van de Wet studiefinanciering 2000 in verband met de verstrekking van een aanvullende tegemoetkoming aan studenten die onder het studievoorschotstelsel hebben gestudeerd
ARTIKEL I. WIJZIGING WET STUDIEFINANCIERING 2000
ARTIKEL II. INWERKINGTREDING
Nr. 2 VOORSTEL VAN WET
Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het billijk is aan studenten die onder
het studievoorschotstelsel hebben gestudeerd een aanvullende tegemoetkoming te verstrekken;
Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen
overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden
en verstaan bij deze:
ARTIKEL I. WIJZIGING WET STUDIEFINANCIERING 2000
De Wet studiefinanciering 2000 wordt als volgt gewijzigd:
A
Na artikel 11.5 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:
Artikel 11.6. Grondslag verwerking gegevens over gezondheid
1. Onze Minister is bevoegd om gegevens over gezondheid als bedoeld in artikel 4, onderdeel
15, van de Algemene verordening gegevensbescherming te verwerken, voor zover dit noodzakelijk
is in het kader van besluiten over voorzieningen als bedoeld in het tweede lid.
2. De voorzieningen, bedoeld in het eerste lid, zijn de in de volgende artikelen omschreven
voorzieningen:
a. artikel 4.12;
b. artikel 4.13;
c. artikel 4.14, eerste lid;
d. artikel 4.14, tweede lid;
e. artikel 4.14, derde lid;
f. artikel 4.14, vierde lid;
g. artikel 5.2b;
h. artikel 5.15;
i. artikel 5.16, eerste lid;
j. artikel 5.16, tweede lid;
k. artikel 5.16, derde lid;
l. artikel 5.16, vierde lid;
m. artikel 12.30;
n. artikel 12.31.
Artikel 11.7. Waarborgen verwerking gegevens over gezondheid
1. Onze Minister bewaart de in het kader van besluiten over voorzieningen als bedoeld
in artikel 11.6, tweede lid, verwerkte gegevens over gezondheid tot tien jaar nadat
het desbetreffende besluit is genomen.
2. In afwijking van het eerste lid bewaart Onze Minister de gegevens, bedoeld in het
eerste lid, tot vijf jaar nadat de rechten en verplichtingen van de betrokkene uit
hoofde van deze wet zijn geëindigd, indien deze termijn van vijf jaar verstrijkt voordat
de termijn van tien jaar, bedoeld in het eerste lid, is verstreken.
3. In afwijking van het eerste lid bewaart Onze Minister het gegeven dat een voorziening
als bedoeld in artikel 11.6, tweede lid, is toegekend en gegevens over aan het besluit
tot toekenning van zo’n voorziening verbonden rechtsgevolgen tot vijf jaar nadat de
rechten en verplichtingen van de betrokkene uit hoofde van deze wet zijn geëindigd,
indien deze termijn van vijf jaar verstrijkt nadat de termijn van tien jaar, bedoeld
in het eerste lid, is verstreken.
4. In afwijking van het eerste, tweede en derde lid bewaart Onze Minister de gegevens,
bedoeld in het eerste lid, tot twee jaar na het overlijden van de betrokkene, indien
deze termijn van twee jaar verstrijkt voordat de desbetreffende termijn of termijnen,
bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, is of zijn verstreken.
5. De gegevens, bedoeld in het eerste lid, zijn uitsluitend toegankelijk voor onder
het gezag van Onze Minister vallende daartoe geautoriseerde personen. Bij ministeriële
regeling worden regels gesteld over de autorisatie van deze personen.
B
Artikel 12.30 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het opschrift wordt na «Tegemoetkoming» ingevoegd «en aanvullende tegemoetkoming».
2. Het eerste lid komt te luiden:
1. In dit artikel wordt begrepen onder:
tegemoetkoming:
een tegemoetkoming van Onze Minister, niet zijnde studiefinanciering in de zin van
artikel 3.1, in verband met het volgen van hoger onderwijs in een periode waarin een
ho-student ingevolge de Wet studievoorschot hoger onderwijs geen aanspraak kon maken
op een basisbeurs;
aanvullende tegemoetkoming:
een aanvullende tegemoetkoming van Onze Minister, niet zijnde studiefinanciering in
de zin van artikel 3.1, in verband met het volgen van hoger onderwijs in een periode
waarin een ho-student ingevolge de Wet studievoorschot hoger onderwijs geen aanspraak
kon maken op een basisbeurs.
3. Het tweede lid wordt als volgt gewijzigd:
a. In de aanhef wordt «een tegemoetkoming» vervangen door «de tegemoetkoming en aanvullende
tegemoetkoming» en vervalt «die».
b. In onderdeel a wordt voor «in de periode» ingevoegd «die».
c. In onderdeel b wordt voor «gedurende de periode» ingevoegd «die».
d. Onderdeel c komt te luiden:
c. die:
1°. binnen de diplomatermijn hoger onderwijs of, indien hij geen studiefinanciering heeft
aangevraagd, binnen tien jaar nadat hij zich voor het eerst heeft ingeschreven voor
het hoger onderwijs, met goed gevolg een opleiding als bedoeld in artikel 5.7 heeft
afgerond; of
2°. als direct gevolg van bijzondere omstandigheden van structurele aard als bedoeld in
artikel 5.16, derde lid, niet in staat is binnen de diplomatermijn hoger onderwijs,
of indien hij geen studiefinanciering heeft aangevraagd, binnen tien jaar nadat hij
zich voor het eerst heeft ingeschreven voor het hoger onderwijs, met goed gevolg het
afsluitend examen te behalen; of
3°. op enig moment binnen de diplomatermijn hoger onderwijs, of indien hij geen studiefinanciering
heeft aangevraagd, binnen tien jaar nadat hij zich voor het eerst heeft ingeschreven
voor het hoger onderwijs, duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie meer
heeft in de zin van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten of
niet langer in staat is om met arbeid meer dan 20% te verdienen van het maatmaninkomen
in de zin van die wet en recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van hoofdstuk
3 van die wet bestaat.
4. Onder vernummering van het derde tot en met zevende lid tot vijfde tot en met negende
lid worden twee leden ingevoegd, luidende:
3. In afwijking van het tweede lid, onderdeel c, onder 1°, 2° en 3°, wordt voor degene
die geen studiefinanciering heeft aangevraagd en die als direct gevolg van bijzondere
omstandigheden van tijdelijke aard als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, of bijzondere
omstandigheden van structurele aard als bedoeld in artikel 5.16, tweede lid, niet
in staat is binnen de termijn van tien jaar met goed gevolg het afsluitend examen
te behalen, de termijn van tien jaar verlengd met de duur van die bijzondere omstandigheden,
met dien verstande dat de termijn ten hoogste vijftien jaar bedraagt.
4. Bij de toepassing van het tweede lid wordt voor degene die op grond van artikel 5.16,
vierde lid, een nieuwe aanspraak op studiefinanciering heeft ontvangen alleen de periode
van de nieuwe aanspraak op studiefinanciering betrokken.
5. In het vijfde lid (nieuw) wordt «De tegemoetkoming bedraagt» vervangen door «De tegemoetkoming
en aanvullende tegemoetkoming bedragen», wordt voor «per maand» ingevoegd «, onderscheidenlijk
€ 44,50,» en wordt «de rechthebbende op een tegemoetkoming» vervangen door «de rechthebbende
op de tegemoetkoming en aanvullende tegemoetkoming».
6. In het zesde lid (nieuw) wordt «het derde lid» vervangen door «het vijfde lid» en
wordt na «wordt» ingevoegd «voor de rechthebbende op de tegemoetkoming en aanvullende
tegemoetkoming, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, onder 1°».
7. Het zevende lid (nieuw) wordt als volgt gewijzigd:
a. In onderdeel a wordt na «tegemoetkoming» ingevoegd «en aanvullende tegemoetkoming».
b. In onderdeel b wordt na «tegemoetkoming» ingevoegd «en aanvullende tegemoetkoming»
en wordt «wordt» vervangen door «worden».
8. In het achtste lid (nieuw) wordt «het bedrag» vervangen door «de bedragen», wordt
«derde lid» vervangen door «vijfde lid» en wordt «artikel 11.1» vervangen door «artikel
11.1, eerste lid».
9. In het negende lid (nieuw) wordt «een tegemoetkoming» vervangen door «de tegemoetkoming
en aanvullende tegemoetkoming».
ARTIKEL II. INWERKINGTREDING
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat
voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
In dat besluit kan worden bepaald dat artikel I, onderdeel B, van deze wet voor zover
het betreft artikel 12.30, vijfde en achtste lid, van de Wet studiefinanciering 2000,
terugwerkt tot en met 1 september 2026.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries,
autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.