Brief commissie : Brief van de tijdelijke commissie Grondrechten en Constitutionele toetsing over een advies op verzoek van de vaste commissie voor Digitale Zaken over EU-voorstel: Verordening Digitale Omnibus AI COM (2025) 836
22 112 Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie
Nr. 4302
BRIEF VAN DE TIJDELIJKE COMMISSIE GRONDRECHTEN EN CONSTITUTIONELE TOETSING
Aan de Leden
Den Haag, 2 april 2026
De tijdelijke commissie Grondrechten en Constitutionele toetsing (hierna: de tijdelijke
commissie) heeft tijdens haar procedurevergadering van 5 maart 2026 besloten naar
aanleiding van het verzoek van de vaste commissie voor Digitale Zaken van 25 februari
2026 (2026D08516) een adviestraject te starten over constitutionele en grondrechtelijke aspecten in
het voorstel voor de EU-verordening Digitale Omnibus inzake AI COM (2025) 836.1 De vaste commissie voor Digitale Zaken is hierover geïnformeerd met een brief van
5 maart 2026 (2026D10051).
Europese wetgevingsprocedure
De Digitale Omnibus inzake AI is een Europees voorstel. Dat betekent dat niet de nationale,
maar de Europese wetgevingsprocedure hierop van toepassing is. De tijdelijke commissie
merkt in dit verband op dat de Europese wetgevingsprocedure ten tijde van de vaststelling
van dit advies nog gaande is. Tijdens het adviestraject is in de Raad een compromis
bereikt over een nieuwe onderhandelingstekst. Dit compromis adresseert (waarschijnlijk)
twee van de oorspronkelijke aandachtspunten (zie onderdelen F en G). Ook het Europees
Parlement heeft intussen een standpunt ingenomen.2 Dit vond plaats in de afrondende fase van dit advies, waardoor het niet meer kon
worden meegenomen. Mocht de vaste commissie voor Digitale Zaken hier prijs op stellen,
dan kan de tijdelijke commissie hierover aanvullend adviseren.
De standpuntbepaling door het Europees Parlement betekent dat de onderhandelingen
tussen het Europees Parlement, het Voorzitterschap van de Raad en de Europese Commissie
(de triloogfase) aanvangen, waarbij het Omnibus AI-voorstel mogelijk nog wordt aangepast.
Verder wordt opgemerkt dat waar de tijdelijke commissie in dit advies adviseert om
bepaalde informatie op te vragen bij de Europese Commissie (de Commissie), geldt dat
de leden van de vaste commissie voor Digitale Zaken dit gedurende de Europese wetgevingsprocedure
op verschillende manieren kunnen doen. Naast een verzoek aan het kabinet om de desbetreffende
informatie bij de Commissie op te vragen, kan de Kamer dergelijke verzoeken ook rechtstreeks
tot de Commissie richten via een politieke dialoog.3
Doel Omnibus AI-voorstel en AI-verordening
Het Omnibus AI-voorstel heeft als doel de administratieve lasten die voortvloeien
uit de AI-verordening, voor bedrijven en overheden in de EU terug te dringen. De Commissie
wil ervoor zorgen dat de regels uit de AI-verordening innovatie en groei ondersteunen
en het concurrentievermogen versterken. Verder is volgens de Commissie tijdige implementatie
van de AI-verordening op 2 augustus 2026 in de praktijk niet haalbaar.4 Het Omnibus AI-voorstel wijzigt om deze redenen diverse regels uit de AI-verordening.
De AI-verordening is in 2024 vastgesteld en is het eerste juridische raamwerk ter
wereld dat de kansen en risico’s van AI adresseert. De regels moeten zowel de innovatie
van AI in de EU versterken en tegelijkertijd de gezondheid, veiligheid, fundamentele
rechten en mensgeoriënteerde AI garanderen.5 De AI-verordening regelt voor burgers een recht op uitleg bij individuele besluitvorming
door hoog-risico AI-systemen en een recht om geïnformeerd te worden wanneer zij communiceren
met een AI-systeem.6 Verder verbiedt de verordening bepaalde AI-praktijken, zoals emotie-herkenning op
werk of manipulatieve of misleidende AI met aanzienlijke schade als gevolg.7 De AI-verordening heeft een risico-gebaseerde aanpak en richt zich voornamelijk tot
hoog-risico AI-systemen.8 AI-systemen worden aangemerkt als «hoog risico» wanneer zij een significant risico
geven op schade voor de gezondheid, veiligheid of grondrechten van personen. Denk
bijvoorbeeld aan AI die is verwerkt in producten zoals medische hulpmiddelen, industriële
machines, auto’s en speelgoed.9 Of aan AI-systemen die worden gebruikt om te beoordelen of burgers in aanmerking
komen voor essentiële overheidsuitkeringen of bij de levering van elektriciteit.10
Verzoek commissie Digitale Zaken
De vaste commissie voor Digitale Zaken heeft de tijdelijke commissie verzocht in het
advies in het bijzonder in te gaan op de rechtszekerheid en effectieve grondrechtenbescherming
bij uitstel en gefaseerde toepassing van hoog-risico-verplichtingen in de AI-Verordening.
De tijdelijke commissie gaat daar in onderdeel A op in. Ook is de tijdelijke commissie
gevraagd te adviseren over mogelijke andere grondrechtelijke of constitutionele aandachtspunten
die de commissie van belang acht. Alvorens de tijdelijke commissie in onderdelen B
tot en met G daarop ingaat, staat zij hieronder eerst stil bij de rechtszekerheid
en de impact die AI kan hebben op grondrechten.
Rechtszekerheid
De rechtszekerheid is een algemeen rechtsbeginsel waaruit volgt dat het voor iedereen
in redelijke mate voorzienbaar moet zijn wat de rechtsgevolgen zijn van zijn gedrag
(voorzienbaarheid). De rechtszekerheid is hierdoor een belangrijk element voor het
vertrouwen in het rechtssysteem.11 De tijdelijke commissie onderstreept dat de rechtszekerheid ook van invloed is op
het ondernemingsklimaat en de concurrentiepositie. Wanneer regelgeving duidelijk,
voorspelbaar en uitvoerbaar is, hebben zowel burgers als ondernemers hier immers baat
bij.12
AI en grondrechten
Het gebruik van AI-systemen kan in de praktijk raken aan diverse grondrechten,13 zoals het recht op privacy14 en het recht op non-discriminatie.15 Inzet van AI kan ook een impact hebben op andere grondrechten zoals het recht op
onderwijs, het recht op arbeid en de onschuldpresumptie.16 Zo blijkt uit de laatste rapportage van de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) dat AI
steeds meer wordt ingezet bij werving- en selectieprocedures, bijvoorbeeld om cv’s
te filteren met behulp van kernwoorden. De keuze voor woorden waarop wordt gefilterd
kan (onbedoeld) tot effect hebben dat bepaalde (bevolkings)groepen sneller worden
uitgesloten, terwijl ze even geschikt zouden zijn voor de functie.17 Een ander voorbeeld, dat raakt aan het recht op onderwijs,18 is dat in 2024 ophef ontstond over het gebruik van AI-systemen bij doorstroomtoetsen
die leiden tot een schooladvies voor leerlingen in groep 8. Veel scholen gaven aan
de uitslagen niet te kunnen plaatsen en dat deze niet overeenkwamen met het beeld
op basis van het leerlingvolgsysteem.19 Verder zijn er AI-systemen in gebruik om het recidiverisico van jonge zedendelinquenten
te voorspellen of die inzicht moeten geven in de kenmerken van jongeren die het risico
lopen betrokken te raken bij drugscriminaliteit. Het College voor de Rechten van de
Mens wijst erop dat gebruik van AI bij rechtshandhaving het recht op een eerlijk proces20 kan bedreigen omdat veel AI-systemen burgers onvoldoende inzicht geven in de besluitvorming.21 Dit opgemerkt hebbende, brengt de tijdelijke commissie de volgende grondrechtelijke
aandachtspunten naar voren ten aanzien van de Digitale Omnibus inzake AI.
A. Uitstel inwerkingtreding regels voor hoog-risico AI-systemen (artikel 113)
Met het Omnibus AI-voorstel stelt de Commissie voor de regels voor alle hoog-risico
AI-systemen later in werking te laten treden. De Commissie geeft hiervoor als redenen
dat de geharmoniseerde standaarden met uitleg van de regels nog niet beschikbaar zijn
en dat nog niet in alle lidstaten toezichthouders zijn aangewezen.22 Concreet stelde de Commissie een flexibele inwerkingtreding voor met als doel de
regels in werking te laten treden zes tot twaalf maanden nadat de geharmoniseerde
standaarden beschikbaar zijn, afhankelijk van het soort AI-systeem. Daarbij was ook
een «valbijl»-clausule opgenomen: de regels zouden in ieder geval op 2 december 2027
of 2 augustus 2028 in werking treden.
Intussen is op 13 maart een compromis bereikt in de Raad. Het kabinet geeft daarover
in een brief aan dat er voldoende steun lijkt te zijn om te werken met vaste data
voor inwerkingtreding, in plaats van deze data te koppelen aan de beschikbaarheid
van standaarden. Het kabinet geeft verder aan liever te zien dat de inwerkingtreding
van de bepalingen voor de categorie hoog-risico AI-systemen minder lang wordt uitgesteld,
maar hier is volgens het kabinet onvoldoende steun voor.23 De tijdelijke commissie constateert dat dit zou betekenen dat de inwerkingtreding
van de regels voor hoog-risico AI-systemen die een impact hebben op het leven van
mensen (zoals bij werving en selectie), met zestien maanden worden uitgesteld. Voor
de regels voor hoog-risico AI-systemen die zijn verwerkt in producten zoals medische
hulpmiddelen of auto’s, is dat twaalf maanden.
Ook de gezamenlijke Europese privacytoezichthouders, verenigd in de European Data
Protection Board (EDPB)24 uiten zorgen over de potentiële effecten van het uitstel van de inwerkingtreding
van de regels op de bescherming van fundamentele rechten in het snel veranderende
AI-landschap. De EDPB adviseert de Europese wetgever te overwegen of het passend en
haalbaar is om de huidige tijdlijn te handhaven voor bepaalde verplichtingen, zoals
over transparantie. Mocht het uitstel van de inwerkingtreding er toch komen, dan roept
de EDPB op om de vertraging zo veel mogelijk te beperken.25
De tijdelijke commissie merkt op dat de regels die door het voorstel worden uitgesteld
bijvoorbeeld gaan over de kwaliteit van de data die wordt gebruikt om AI-modellen
te trainen. Ook vereisen deze regels een transparant ontwerp van AI-systemen zodat
voldoende duidelijk is hoe het AI-systeem werkt en de uitkomsten van het AI-systeem
op een passende manier worden gebruikt en geïnterpreteerd. Verder bevatten de regels
het vereiste dat er menselijk toezicht is op hoog-risico AI-systemen, waardoor deze
personen kunnen besluiten het systeem stop te zetten, de uitkomsten niet te gebruiken
of beslissingen terug te draaien.26 Het belang van deze regels voor hoog-risico AI-systemen wordt geïllustreerd in een
recent rapport van de EU Fundamental Rights Agency. Daaruit blijkt dat aanbieders
en gebruikers niet goed weten hoe zij risico’s voor fundamentele rechten moeten beoordelen
of beperken.27
De tijdelijke commissie merkt op dat uitstel van de inwerkingtreding ook raakt aan
de rechtszekerheid voor aanbieders en gebruikers van hoog-risico AI-systemen. De tijdelijke
commissie constateert dat de inwerkingtreding vrij recent – in 2024 – is bepaald in
de AI-verordening, maar met het Omnibus AI-voorstel alweer wordt uitgesteld. Tegelijkertijd
begrijpt de tijdelijke commissie de behoefte van gebruikers, aanbieders en toezichthouders
aan geharmoniseerde standaarden voor de toepassing en implementatie van de AI-verordening.
De tijdelijke commissie vindt het overigens positief dat de (rechts)onzekerheid over
de flexibele inwerkingtreding met het raadscompromis lijkt te zijn weggenomen. Dit
neemt niet weg dat uitstel van de inwerkingtreding van de AI-verordening ook uitstel
betekent van effectieve grondrechtenbescherming van burgers, zo merkt de tijdelijke
commissie op. De regels uit de AI-verordening over transparantie, menselijk toezicht
en datakwaliteit voor hoog-risico AI-systemen zijn daarvoor van groot belang.
De tijdelijke commissie geeft de vaste commissie voor Digitale Zaken in overweging
het kabinet te vragen de Europese Commissie te verzoeken om een inschatting van de
termijn die nodig is voor het opstellen van geharmoniseerde standaarden bij de belangrijkste
verplichtingen voor hoog-risico AI-systemen, om te bezien of eerdere inwerkingtreding
voor enkele of meerdere bepalingen – zoals over transparantie – alsnog mogelijk is.
Een voorstel uit de Omnibus AI dat in het verlengde ligt van de uitgestelde inwerkingtreding,
is het voorstel om de uitzondering voor zogenaamde legacy-systemen te verruimen (artikel 111).
Legacy-systemen zijn hoog risico AI-systemen die al op de markt zijn gebracht in de
EU voordat de AI-verordening van toepassing zou worden (2 augustus 2026). Deze legacy-systemen
hoeven met uitzondering van verboden AI-praktijken, nooit aan de AI-verordening te
gaan voldoen, tenzij zij aanzienlijke wijzigingen in hun systeem ondergaan.28 Met de Omnibus AI wordt voorgesteld dat ook systemen die op de markt wordt gebracht
tussen 2 augustus 2026 en de nieuwe, latere datum van inwerkingtreding, óók grotendeels
nooit hoeven te voldoen aan de regels uit de AI-verordening. De uitzondering voor
legacy-systemen wordt daarmee verruimd.
De EDPB wijst in zijn advies ook op deze uitzondering die ervoor zorgt dat een toenemend
aantal hoog-risico AI-systemen voordeel hebben van deze uitzondering.29 De tijdelijke commissie merkt op dat verruiming van de uitzondering ook een mogelijke
prikkel inhoudt om een AI-systeem nog in deze periode op de markt te brengen zodat
men niet aan de regels hoeft te voldoen. Verder heeft dit tot gevolg dat de grondrechtenbescherming
die de AI-verordening biedt, niet zal worden geboden aan burgers bij de inzet van
een groter aantal hoog-risico AI-systemen: ook de systemen die tussen de oude en de
nieuwe inwerkingtredingsdatum op de Europese markt worden gebracht.
De tijdelijke commissie geeft in overweging te vragen wat de noodzaak is van het verruimen
van de uitzondering voor legacy-systemen, waardoor ook hoog-risico AI-systemen die
in de handel worden gebracht tussen de oude en de nieuwe inwerkingtredingsdata, (met
uitzondering van de verboden praktijken) nooit aan de regels uit de AI-verordening
hoeven te voldoen, tenzij zij aanzienlijke wijzigingen in hun systeem ondergaan.
B. AI-geletterdheid (artikel 4)
In de AI-verordening is nu de verplichting opgenomen dat aanbieders en gebruikers
zoveel mogelijk moeten zorgen voor AI-geletterdheid bij hun personeel. Het voorstel
is om dit te wijzigen naar een verplichting voor de Commissie en lidstaten om gebruikers
en aanbieders van AI-systemen aan te sporen ervoor te zorgen dat hun personeel en
andere gebruikers voldoende AI-geletterd zijn. AI-geletterdheid wordt in de AI-verordening
omschreven als vaardigheden, kennis en begrip die aanbieders en gebruikers in staat
stellen geïnformeerd AI-systemen in te zetten en zich bewuster te worden van de kansen
en risico’s van AI en de mogelijke schade die zij kan veroorzaken.30
De tijdelijke commissie constateert met de EDPB dat de wijziging van de bepaling over
AI-geletterdheid een afzwakking inhoudt. De EDPB geeft in zijn advies dan ook aan
dat de oorspronkelijke bepaling niet zou moeten vervallen. AI-geletterdheid is volgens
de EDPB cruciaal voor de bescherming van fundamentele rechten. AI-geletterdheid zorgt
voor een begrip van AI en helpt bij het creëren van ethisch en maatschappelijk bewustzijn
over de voordelen en risico’s van AI. Het zorgt ervoor dat personeel kritisch kan
nadenken over het gebruik van deze nieuwe technologie en goed geïnformeerd beslissingen
neemt, aldus de EDPB. Als wordt vastgehouden aan de nieuw voorgestelde verplichting
voor de Commissie en lidstaten om AI-geletterdheid te bevorderen, dan zou deze volgens
de EDPB moeten gaan gelden naast de huidige verplichting in de AI-verordening voor aanbieders en gebruiksverantwoordelijken.31
Uit de brief van het kabinet over het raadscompromis blijkt dat er in de Raad voldoende
steun lijkt om in de aangepaste bepaling over AI-geletterdheid op te nemen dat aanbieders
en gebruikers van AI-systemen nog steeds verantwoordelijkheden en verplichtingen hebben
om voor voldoende training en vaardigheden te zorgen bij hun werknemers. Ook zal er,
zoals de EDPB adviseert,32 duidelijkheid komen over de uitleg van de verplichting tot AI-geletterdheid. Het
kabinet geeft tot slot aan verdere verduidelijking te verwelkomen.33
De tijdelijke commissie merkt op dat uit de brief van het kabinet niet duidelijk wordt
welke verantwoordelijkheden en verplichtingen aanbieders en gebruikers precies zullen behouden volgens het raadscompromis. Het advies van de EDPB om de oude en
nieuwe verplichting naast elkaar te handhaven lijkt niet te zijn opgevolgd met het
raadscompromis.
De tijdelijke commissie adviseert de vaste commissie voor Digitale Zaken het kabinet
te vragen om toe te lichten welke verantwoordelijkheden en verplichtingen aanbieders
en gebruikers precies zullen behouden volgens het raadscompromis en of daarmee het
advies van de EDPB wordt opgevolgd om de inspanningsverplichting voor AI-geletterdheid
zoals die nu geldt, te handhaven naast het voorstel uit de Omnibus AI.
C. Versimpeling verplichtingen SMCs en SMEs (diverse artikelen34)
Met het Omnibus AI-voorstel worden soepeler regels die nu gelden voor Small and Medium-sized
Enterprises (SMEs) ook van toepassing op Small Mid-cap Companies (SMCs),35 om ervoor te zorgen dat de administratieve lasten proportioneel zijn aan het doel
van de regels. Of een bedrijf een SME of SMC is wordt bepaald op basis van de hoeveelheid
personeel en de omzet- of balanscijfers. Een SME is een onderneming waar minder dan
250 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet niet hoger is dan 50 miljoen euro
of het jaarlijkse balanstotaal 43 miljoen euro niet overschrijdt.36 SMCs zijn ondernemingen waar tussen de 250 en 749 personen werkzaam zijn en waarvan
de jaaromzet tussen de 50 en 150 miljoen euro ligt of het jaarlijkse balanstotaal
tussen de 43 en 129 miljoen euro.37
De EDPB merkt op dat het voorstel op basis van de hoeveelheid personeel of balanscijfers
de soepeler regels uit de AI-verordening uitbreidt naar SMEs en SMCs. Deze factoren
zouden volgens de EDPB niet van doorslaggevend belang moeten zijn, maar de vraag in
hoeverre het gebruik van een AI-systeem gepaard gaat met risico’s. Hierbij spelen
bijvoorbeeld de mate waarin een AI-systeem autonoom opereert of de mate waarin een
AI-systeem kan worden opgeschaald een rol. Uit het BNC-fiche blijkt dat kabinet de
voorgestelde wijzigingen kan steunen omdat deze het voor organisaties eenvoudiger
maken om aan de AI-verordening te voldoen, zonder afbreuk te doen aan de doelen van
de verordening.38
De tijdelijke commissie merkt op dat het vanuit het perspectief van grondrechtenbescherming
van belang is om vast te houden aan de risico-gebaseerde regels39 in plaats van regels op basis van ondernemingsgrootte. Tegelijkertijd heeft de Commissie
het legitieme streven om de administratieve lasten uit de AI-Verordening te verminderen.
De tijdelijke commissie vraagt zich af of de balans die met het voorstel is gevonden
– waarbij SMEs en SMCs aan minder regels hoeven te voldoen – ook de juiste is gezien
het effect op grondrechtenbescherming. Dit is niet toegelicht in het voorstel van
de Commissie (zie ook onderdeel E). Het zou verhelderend zijn geweest als de Commissie
was ingegaan op de risico’s die al dan niet gepaard gaan met het gebruik van AI-systemen
door SMEs en SMCs en waarom versimpeling van de regels verantwoord is.
De tijdelijke commissie adviseert de vaste commissie voor Digitale Zaken het kabinet
te vragen om de Europese Commissie te verzoeken toe te lichten wat het effect is van
de afzonderlijke regels voor SMEs en SMCs op grondrechtenbescherming voor burgers
en waarom deze regels afwijken van de insteek van risico-gebaseerd toezicht in de
AI-verordening.
D. Bevoegdheden toezichthouders (artikel 57-58 en artikel 77)
Het Omnibus AI-voorstel introduceert AI-testomgevingen voor regelgeving op Europees
niveau, naast de bestaande mogelijkheid om nationale testomgevingen op te richten.
Een testomgeving («regulatory sandbox») biedt aanbieders van AI-systemen de mogelijkheid
een innovatief AI-systeem te ontwikkelen, trainen en testen onder begeleiding van
een toezichthouder.40 Het AI-bureau kan dergelijke EU testomgevingen opzetten, bijvoorbeeld voor AI-modellen
voor algemene doeleinden. Over het toezicht op AI-testomgevingen op EU-niveau beveelt
de EDPB aan dat nationale gegevensbeschermingstoezichthouders, net als bij testomgevingen
op nationaal niveau, betrokken zijn bij het toezicht op EU-niveau om de rechtszekerheid
te bevorderen. Het kan in de testomgeving op EU-niveau namelijk gaan om toezicht op
dezelfde gegevens als in de nationale testomgeving. Ook zou in de AI-verordening moeten
worden geregeld dat de EDPB een adviserende rol krijgt bij de EU-testomgevingen om
te zorgen voor een consistente en gecoördineerde aanpak.41
Verder wordt in de Omnibus AI voorgesteld dat mensenrechtenautoriteiten informatie
kunnen inzien bij, of informatieverzoeken kunnen laten doen door een markttoezichthouder,
die in dat laatste geval ook beoordeelt of het verzoek noodzakelijk en proportioneel
is. Op grond van de huidige AI-verordening kunnen nationale mensenrechtenautoriteiten
direct informatieverzoeken doen aan aanbieders of gebruikers van AI-systemen. De EDPB
vindt de voorgestelde wijziging onwenselijk en vindt dat markttoezichthouders alleen
een contactpunt dienen te zijn voor informatieverzoeken. Zij zouden geen beoordeling
moeten uitvoeren van de noodzakelijkheid en proportionaliteit van informatieverzoeken
van mensenrechtenautoriteiten. Wel kunnen zij zich richten op een efficiëntere procedure
voor informatieverzoeken, aldus de EDPB.42
Over deze twee punten merkt de tijdelijke commissie op dat verduidelijking of aanpassing
aangewezen lijkt om de rechtszekerheid te bevorderen voor bedrijven, en voor burgers
om het effectief toezicht op hun grondrechten te verzekeren. Voor de betrokkenheid
van de EDPB en nationale toezichthouders bij de EU testomgevingen geldt dat dit zorgt
voor consistentie in het toezicht binnen de EU, wat de rechtszekerheid verhoogt. Ook
acht de tijdelijke commissie het van belang dat er geen belemmeringen zijn bij informatieverzoeken
door mensenrechtenautoriteiten, zodat mensenrechtenautoriteiten hun rol en taken effectief
kunnen vervullen.
De tijdelijke commissie geeft de vaste commissie voor Digitale Zaken in overweging
bij het kabinet onder de aandacht te brengen dat de bevoegdheden van de nationale
toezichthouders en de EDPB bij AI-testomgevingen op EU-niveau, en van mensenrechtenautoriteiten
bij informatieverzoeken aan aanbieders of gebruikers van AI-systemen, nog verduidelijking
behoeven in het licht van het bevorderen van de rechtszekerheid en de bescherming
van grondrechten.
E. Ontbreken impact assessment en het aanmerken van het voorstel als «Omnibus»
Het Omnibus AI-voorstel heeft tot doel de administratieve lasten van de AI-verordening
aanzienlijk terug te dringen om zo het concurrentievermogen van de EU te versterken,
zonder de doelstellingen van de AI-verordening – waaronder bescherming van de grondrechten
– in gevaar te brengen.43 In de toelichting bij het Omnibus AI-voorstel stelt de Commissie dat de voorgestelde
wijzigingen van de AI-verordening technisch van aard zijn en moeten zorgen voor een
efficiëntere uitvoering van de regels. De Commissie schrijft in de toelichting ook
dat zij niet verwacht dat het Omnibus AI-voorstel de impact van de AI-verordening
op fundamentele rechten zal wijzigen.44 Reden hiervoor is dat de voorstellen volgens de Commissie niet zien op de reikwijdte
van de AI-verordening of op materiële vereisten voor AI-systemen.45
De tijdelijke commissie constateert dat het Omnibus AI-voorstel niet alleen technische
wijzigingen bevat. Het voorstel wijzigt ook materiële vereisten (bijvoorbeeld de AI-geletterdheid)
en het toepassingsgebied van AI-systemen (bijvoorbeeld de soepeler regels voor SMCs).46 In de toelichting die wordt gegeven door de Commissie wordt bijvoorbeeld niet stilgestaan
bij wat uitstel van de regels voor hoog-risico AI-systemen betekent voor de bescherming
van fundamentele rechten van burgers of beargumenteerd waarom uitstel, gezien alle
belangen, evenredig is. De tijdelijke commissie signaleert dat uit de richtsnoeren
van de Commissie volgt dat in een impact assessment juist aandacht zou zijn besteed
aan de impact van het voorstel op grondrechten.47 Ook het kabinet geeft in het BNC-fiche aan dat het ontbreken van een impact assessment
het moeilijk maakt om de effecten van het voorstel te beoordelen.48
De tijdelijke commissie adviseert de vaste commissie voor Digitale Zaken het kabinet
te vragen om de Europese Commissie te verzoeken om – vanwege het ontbreken van een
impact assessment – een nadere motivering van de noodzaak en proportionaliteit van
de voorgestelde wijzigingen van de AI-verordening uit onderdelen A tot en met D van
dit advies.
De tijdelijke commissie adviseert om te verzoeken of in deze nadere motivering in
ieder geval kan worden ingegaan op de verwachte impact op grondrechten, waaraan volgens
de richtsnoeren van de Europese Commissie in een impact assessment bijzondere aandacht
zou zijn besteed.
F. Uitbreiding juridische basis verwerking bijzondere persoonsgegevens voor detectie
en correctie vooringenomenheid (artikel 4a (nieuw))
De Commissie stelt met de Omnibus AI voor om de juridische basis uit te breiden voor
de verwerking van bijzondere persoonsgegevens49 voor het opsporen en corrigeren van vooringenomenheid in AI-systemen. Daardoor mogen
niet alleen aanbieders van hoog-risico systemen deze gegevens verwerken, maar alle aanbieders van AI-systemen. Ook hoeft ingevolge het voorstel de verwerking niet langer
strikt noodzakelijk te zijn voor opsporing en correctie van vooringenomenheid, maar enkel
noodzakelijk.
De tijdelijke commissie kan zich vinden in het standpunt van de EDPB, die de uitbreiding
van de juridische basis in beginsel steunt, mits daarbij in aanvullende waarborgen
wordt voorzien. Het verwerken van bijzondere persoonsgegevens levert volgens de EDPB
weliswaar risico’s op voor de bescherming van persoonsgegevens,50 maar vooringenomenheid in AI-systemen kan evengoed risico’s opleveren voor grondrechten,
zoals het recht op gelijke behandeling.51 De EDPB stelt daarom dat, om misbruik te voorkomen, de gevallen waarin bijzondere
persoonsgegevens mogen worden verwerkt, duidelijk moeten worden omschreven en beperkt
tot gevallen waarin de risico’s voldoende serieus zijn52 om verwerking te rechtvaardigen. In dit licht beveelt de EDPB aan om in de wettekst
de voorwaarde te behouden dat de verwerking van bijzondere persoonsgegevens beperkt
moet blijven tot die situaties waarin dit strikt noodzakelijk is.53
In de recente brief van het kabinet over het raadscompromis geeft het kabinet aan
dat er in de Raad voldoende steun lijkt om – in lijn met het advies van de EDPB –
de voorgestelde bevoegdheid te beperken tot verwerkingen die strikt noodzakelijk zijn voor het opsporen, corrigeren en voorkomen van vooringenomen die
waarschijnlijk de gezondheid en veiligheid van personen aantast, grondrechten schaadt
of tot discriminatie leidt. Het kabinet acht de nieuwe grondslag proportioneel met
deze aanvullende waarborgen, gezien het feit dat vooringenomenheid in AI ook grondrechten
kan schaden.54 De tijdelijke commissie constateert met het kabinet dat hiermee de adviezen van de
EDPB lijken te zijn opgevolgd.
De tijdelijke commissie constateert dat met het Raadscompromis het aandachtspunt over
de uitbreiding van de juridische basis voor de verwerking van bijzondere persoonsgegevens
voor het opsporen en corrigeren van vooringenomenheid, lijkt te zijn geadresseerd.
G. Afschaffing verplichting tot registratie in database voor niet-hoog-risico systemen
(artikel 49, lid 2)
Met de Omnibus AI wordt voorgesteld dat AI-systemen die niet worden beschouwd als
hoog-risico, niet langer hoeven te worden geregistreerd in de EU-databank. Als een
AI-systeem geen significant risico oplevert voor de gezondheid, veiligheid of grondrechten
wordt deze gezien als niet hoog-risico. Dit is het geval als het AI-systeem de besluitvorming
niet wezenlijk beïnvloedt, omdat er bijvoorbeeld ook een menselijke beoordeling van
de uitkomst is.55 Aanbieders beoordelen zelf of een AI-systeem een hoog risico vormt of niet,56 en registreren dit vervolgens in de databank. Deze administratieve last kan volgens
de Commissie worden weggenomen voor AI-systemen die niet als hoog-risico worden beschouwd.
De EDPB beveelt aan de registratieverplichting te handhaven, ook al heeft de aanbieder
geconcludeerd dat het systeem niet hoog-risico is. Het afschaffen van de registratie
creëert volgens de EDPB namelijk een prikkel om een AI-systeem als niet hoog-risico
te kwalificeren en vermindert daardoor de mate waarin aanbieders verantwoording afleggen
over de AI-systemen die zij aanbieden. Potentieel risicovolle systemen vallen hierdoor
mogelijk buiten het zicht van het publiek en de toezichthouders, waardoor het risico
op gevaarlijke incidenten volgens de EDPB toeneemt.57 Ook het kabinet bleek om dezelfde reden geen voorstander van deze wijziging.58 Temeer omdat deze maatregel volgens het kabinet en de EDPB slechts een beperkte verlichting
van de regeldruk oplevert.59 In de recente brief over het Raadcompromis schrijft het kabinet dat de registratieplicht
voor niet hoog-risico AI-systemen waarschijnlijk behouden blijft in de Raadspositie.60
De tijdelijke commissie is met de EDPB van mening dat door opname in de databank verantwoording
en transparantie over de kwalificatie van een AI-systeem wordt gestimuleerd.61 Dit is van belang omdat kwalificatie van een AI-systeem als niet hoog-risico tot
gevolg heeft dat de regels voor hoog-risico AI-systemen, die bescherming bieden tegen
inbreuken op grondrechten, niet van toepassing zijn.62 Registratie maakt het mogelijk voor burgers en gebruikers van AI-systemen om zich
te informeren over de redenen waarom het systeem geen hoog risico vormt. Dit geldt
ook voor toezichthouders, die aanbieders van AI-systemen op basis van de kwalificatie
in de databank kunnen verzoeken om informatie over de uitgevoerde beoordeling en indien
nodig, maatregelen kunnen nemen. Verantwoording en transparantie in de EU-databank
dragen volgens de tijdelijke commissie bij aan de zorgvuldigheid van het kwalificatieproces.
De tijdelijke commissie constateert dat het aandachtspunt over het afschaffen van
de registratieplicht voor niet-hoog-risico AI-systemen in het Raadscompromis waarschijnlijk
is geadresseerd.
De hiervoor genoemde punten kunnen betrokken worden bij de verdere behandeling van
het voorstel.
De voorzitter van de tijdelijke commissie Grondrechten en Constitutionele toetsing, Bushoff
De griffier van de tijdelijke commissie Grondrechten en Constitutionele toetsing, Kling
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
T.J. Bushoff, voorzitter van de tijdelijke commissie Grondrechten en constitutionele toetsing -
Mede ondertekenaar
Y.C. Kling, griffier