Inbreng verslag schriftelijk overleg : Inbreng verslag schriftelijk overleg over reactie op verzoek commissie over de rapporten “Discriminatie in de zorg, welzijn en sport”, “Is allemaal mooi, op papier”, en “Professionaliteit te allen tijde” (Kamerstuk 36800-XVI-70)
2026D15498 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
In de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport bestond bij enkele fracties
behoefte een aantal vragen en opmerkingen voor te leggen aan de Minister van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport over de brief d.d. 13 februari 2026 inzake Reactie op verzoek commissie
over de rapporten «Discriminatie in de zorg, welzijn en sport», «Is allemaal mooi,
op papier», en «Professionaliteit te allen tijde» (Kamerstuk 36 800 XVI, nr. 70).
De voorzitter van de commissie,
Mohandis
Adjunct-griffier van de commissie,
Sjerp
Inhoudsopgave
I.
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep Markuszower
II.
Reactie van de Minister
I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de brief inzake Reactie op verzoek
commissie over de rapporten «Discriminatie in de zorg, welzijn en sport», «Is allemaal
mooi, op papier», en «Professionaliteit te allen tijde». Voor genoemde leden zijn
de thema's discriminatie en een sociaal veilige werkomgeving zeer belangrijk. De bevindingen
en aanbevelingen van deze onderzoeken dienen dan ook serieus te worden opgepakt door
het kabinet.
De leden van de D66-fractie waarderen de inspanningen van het kabinet om het thema
discriminatie beter bespreekbaar te maken. Een van de aanbevelingen uit de rapporten
is echter om duidelijke gedragsnormen op te stellen. Zowel in de reactie van de Minister
als in de tweede voorgangsrapportage wordt er niet ingegaan op het instellen of stimuleren
van dergelijke gedragsnormen. De leden van de D66-fractie vragen waarom dit achterwege
blijft, aangezien zij onderstrepen dat conferenties en gesprekken weliswaar belangrijke
eerste stappen zijn, maar dat daadwerkelijke zichtbaarheid en verandering pas ontstaan
wanneer normen expliciet worden vastgesteld en gehandhaafd.
Het onderzoek toont aan dat er een lage meldingsbereidheid bestaat, onder meer door
een gebrek aan vertrouwen in opvolging van meldingen. In de reactie van de Minister
op de aanbevelingen, worden voornamelijk bestaande, uiteenlopende meldpunten opgesomd.
Uit het onderzoek blijkt echter niet dat slachtoffers afzien van melden vanwege een
gebrek aan meldpunten, maar juist vanwege angst voor negatieve gevolgen of vanwege
een gebrek aan vertrouwen in opvolging. De leden van de D66-fractie vragen dan ook
hoe de Minister gaat waarborgen dat meldingen daadwerkelijk en adequaat worden opgevolgd
en dat slachtoffers meer vertrouwen in deze opvolging krijgen. Genoemde leden merken
tevens op dat in de reactie wordt gewezen op de mogelijkheid om melding te doen bij
discriminatie.nl. Ook hebben zij vernomen dat de regering onlangs een wetsvoorstel
voor de versterking van het stelsel van Antidiscriminatievoorzieningen (ADV's) in
consultatie heeft gebracht. Zij vragen de Minister uiteen te zetten of en zo ja, hoe
het conceptwetsvoorstel bijdraagt aan de zojuist genoemde aandachtspunten met betrekking
tot gevolgen en opvolging van meldingen.
Daarnaast laat het rapport zien dat de verantwoordelijkheid voor het doen van meldingen
nog steeds in sterke mate bij slachtoffers wordt gelegd. Hoe gaat de Minister ervoor
zorgen dat deze verantwoordelijkheid nadrukkelijker bij de betrokken organisaties
komt te liggen?
De leden van de D66-fractie wijzen erop dat het kabinet inzet op kennisdeling, praktische
handvatten en het verspreiden van goede voorbeelden. Tegelijkertijd blijkt uit het
onderzoek dat de verantwoordelijkheid in de praktijk nog vaak bij de individuele medewerker
wordt gelegd, waardoor getroffen medewerkers minder snel een melding maken en gevoelens
van onveiligheid toenemen. Deze leden vragen in hoeverre de voornamelijk stimulerende
en faciliterende aanpak van het kabinet toereikend is om zowel deze verantwoordelijkheid
te verschuiven naar organisaties als de geconstateerde kloof tussen beleid en praktijk
daadwerkelijk te dichten. Is de Minister bereid om, naast deze zachte instrumenten,
ook meer bindende kaders te overwegen om de sociale veiligheid in de sector structureel
te verbeteren?
De leden van de D66-fractie nemen kennis van de reactie van de Minister en onderschrijven
het belang van een veilige en inclusieve werkomgeving. Tegelijkertijd constateren
deze leden dat de Minister stelt dat de bestaande kennisinfrastructuur toereikend
is. Gezien de bevindingen uit het onderzoek, waarin juist knelpunten in de praktijk
en implementatie naar voren komen, vragen deze leden hoe het kabinet tot de conclusie
komt dat de huidige kennisinfrastructuur voldoende is. Op welke wijze wordt gemonitord
of deze kennis ook daadwerkelijk de werkvloer bereikt en leidt tot concrete veranderingen
in de praktijk?
Voorts constateren de leden van de D66-fractie dat het onderzoek wijst op belemmeringen
in wet- en regelgeving, bijvoorbeeld rondom de erkenning van buitenlandse diploma’s
en beperkte bestedingsruimte van zorgbudgetten. Deze leden vragen waarom in de kabinetsreactie
niet wordt ingegaan op deze structurele knelpunten. Is de Minister bereid om te bezien
of aanpassing van wet- en regelgeving noodzakelijk is om cultuursensitief werken beter
te faciliteren?
Tot slot merken de leden van de D66-fractie op dat het onderzoek geen harde conclusies
trekt over verminderd verzuim of personeelstekorten, maar wel positieve signalen afgeeft
over werkplezier en betrokkenheid. Deze leden vragen hoe de Minister voornemens is
deze veelbelovende inzichten verder te onderzoeken en te vertalen naar breder toepasbaar
beleid, zodat ook andere zorgorganisaties hiervan kunnen profiteren.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de rapporten
«Discriminatie in de zorg, welzijn en sport», «Is allemaal mooi, op papier», en «Professionaliteit
te allen tijde», en de toegezonden kabinetsreactie. Genoemde leden hebben geen verdere
vragen of opmerkingen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van de kabinetsreactie
op de onderzoeksrapporten «Discriminatie in de zorg, welzijn en sport», «Is allemaal
mooi, op papier» en «Professionaliteit te allen tijde». Zij hebben hier nog enkele
vragen en opmerkingen over.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de ambtsvoorganger van de Minister
van Volksgezondheid, Welzijn en Sport in de aanbiedingsbrief aangeeft dat de opvolging
naar aanleiding van de kabinetsreactie op de rapporten aan een volgend kabinet wordt
gelaten. Inmiddels is er een nieuw kabinet geïnstalleerd. Welke concrete vervolgacties
zou het kabinet willen nemen naar aanleiding van de conclusies en aanbevelingen uit
de drie onderzoeksrapporten? Kan de Minister per rapport op ieder van de aanbevelingen
kunnen aangeven of zij de aanbeveling (volledig of deels) overneemt en welke concrete
vervolgacties daaruit voortvloeien?
Genoemde leden maken zich ernstige zorgen over discriminatie en de gevolgen ervan
voor bijvoorbeeld zorgmijdend gedrag. Deelt de Minister deze zorgen? Zo nee, waarom
niet? Zo ja, welke concrete maatregelen gaat de Minister nemen om tegen te gaan dat
mensen zorg gaan mijden wegens (angst voor) ervaringen met discriminatie?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zouden tevens graag aandacht willen vragen
voor de gang van zaken, de wettelijke kaders en de financiële regelingen omtrent vruchtbaarheidsbehandelingen
voor niet-heteroseksuele stellen. Zij constateren dat vruchtbaarheidsbehandelingen
normaliter vergoed worden via de basisverzekering bij een medische indicatie. Wegens
het ontbreken van een medische indicatie, komen echter alleenstaande vrouwen of vrouwen
met een vrouwelijke partner niet in aanmerking hiervoor. Middels de subsidieregeling
KID (Kunstmatige Inseminatie met Donorsemen) bestaat echter wel de mogelijkheid voor
alleenstaande vrouwen of vrouwen met een vrouwelijke partner om aanspraak te maken
op een vergoeding van vruchtbaarheidsbehandelingen, zoals IVF. Zou nader toegelicht
kunnen worden welke mogelijkheden, in het bijzonder voor vergoeding, voor vruchtbaarheidsbehandelingen
er bestaan voor bijvoorbeeld alleenstaande mannen of mannen met een mannelijke partner?
Zou nader gereflecteerd kunnen worden op het onderscheid welke gemaakt wordt in de
vergoedingen voor heteroseksuele stellen en niet-heteroseksuele stellen? Zou tevens
nader gereflecteerd kunnen worden op de mate waarin niet-heteroseksuele stellen zich
bewust zijn van deze mogelijkheden en de toegankelijkheid van de bestaande mogelijkheden?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat reeds is aangekondigd dat
de VWS-brede aanpak discriminatie en gelijke kansen in zorg, welzijn en sport, afgebouwd
zal worden. Meerdere partijen, waaronder Pharos en de Nationaal Coördinator tegen
Discriminatie en Racisme hebben hierover hun zorgen geuit, waarbij zij aangeven dat
de aanpak pas net op gang begon te komen en dat het nog onrijp is voor structurele
inbedding. Dit komt mede doordat zij nog niet toe zijn gekomen aan de implementatie
van oplossingen voor de bestaande gaten in de aanpak van discriminatie binnen de zorg.
Hoe reflecteert de Minister op het feit dat de VWS-brede aanpak desondanks wordt stopgezet?
Herkent de Minister de zorgen en wat is haar reactie hierop? Is de Minister eventueel
bereid het programma in ieder geval te verlengen totdat het wel rijp is voor structurele
inbedding en hierover in gesprek treden met stakeholders? Zo nee, waarom niet? Zo
nee, hoe zorgt de Minister ervoor dat discriminatie in de zorg geagendeerd blijft
en de aanbevelingen uit de rapporten opgevolgd worden?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen daarnaast dat er recent in opdracht
van het College voor de Rechten van de Mens onderzoek is verricht naar antidiscriminatiebeleid
bij huisartsenpraktijken. Zij lezen dat hieruit is gebleken dat slechts 5% van de
huisartsenpraktijken een antidiscriminatiebeleid heeft, terwijl een meerderheid vindt
dat organisaties meer moeten doen om discriminatie en ongewenst gedrag tegen te gaan.
Deelt de Minister de mening dat dit zeer verontrustend is? Hoe gaat de Minister de
branche ondersteunen in het ontwikkelen van handreikingen om discriminatie aan te
pakken?
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de reactie van de Minister op
de rapporten «Discriminatie in de zorg, welzijn en sport», «Is allemaal mooi, op papier»
en «Professionaliteit te allen tijde». Deze leden hebben hierover nog enkele vragen.
De leden van de PVV-fractie vinden dat iedereen in Nederland moet kunnen rekenen op
goede en veilige zorg. Discriminatie en grensoverschrijdend gedrag horen niet thuis
in de zorg. Tegelijk menen deze leden dat het debat hierover met gevoel voor verhoudingen
gevoerd moet blijven worden. Nederland behoort tot de meest vrije en tolerante landen
ter wereld en die verworvenheid mag niet worden weggezet alsof ons land in de kern
onveilig of structureel vijandig zou zijn.
De leden van de PVV-fractie vinden daarom dat het kabinet moet waken voor een benadering
waarin niet elk ongemak, misverstand of stroef verlopen interactie direct in het zwaarste
morele vakje wordt geplaatst. Hoe voorkomt de Minister dat onder het etiket van bewustwording,
inclusie en cultuursensitiviteit een ideologische laag over de zorg en het welzijnswerk
wordt gelegd?
De leden van de PVV-fractie vragen de Minister voorts of zij erkent dat het tegengaan
van discriminatie iets anders is dan het creëren van een cultuur waarin alles als
problematisch wordt gezien. Deelt de Minister de opvatting dat zorgprofessionals vakbekwaam,
duidelijk en weerbaar moeten kunnen handelen, zonder voortdurend bang te hoeven zijn
dat een direct gesprek of praktische afweging later als ongepast wordt bestempeld?
De leden van de PVV-fractie vragen hoe de Minister onderscheid maakt tussen daadwerkelijke
discriminatie enerzijds en verschillen in beleving, communicatiestijl of interpretatie
anderzijds. Hoe wordt voorkomen dat subjectieve beleving automatisch de status van
objectieve vaststelling krijgt in beleid, meldstructuren en trainingen?
De leden van de PVV-fractie vragen daarnaast hoe wordt voorkomen dat een sterke focus
op discriminatie en microagressies leidt tot wantrouwen tussen collega’s, tussen zorgverlener
en patiënt en binnen instellingen. Hoe wordt geborgd dat zorgprofessionals hun tijd
kunnen blijven besteden aan zorg, in plaats van aan het voortdurend wegen van woorden?
De leden van de PVV-fractie lezen dat zorgverleners in de praktijk vooral te maken
krijgen met discriminatie door patiënten en dat sommige patiënten hulp weigeren van
een zorgverlener van het andere geslacht. Kan de Minister aangeven hoe vaak dit voorkomt,
in welke sectoren dit speelt en in hoeverre daarbij ook sprake is van mannelijke patiënten
die vrouwelijke artsen of andere vrouwelijke zorgverleners weigeren? Kan de Minister
tevens aangeven welke norm hierbij geldt en hoe zorginstellingen hiermee omgaan?
De leden van de PVV-fractie delen de opvatting dat zorgverleners niet geweigerd mogen
worden omdat zij man of vrouw zijn. De professionele standaard moet leidend zijn.
Culturele of religieuze voorkeuren van patiënten of familie mogen hierin nooit leidend
zijn. Deelt de Minister deze opvatting?
De leden van de PVV-fractie vragen voorts welke mogelijkheden zorginstellingen hebben
om op te treden tegen patiënten of naasten die zich discriminerend uitlaten tegenover
zorgverleners. Welke maatregelen en sancties kunnen worden ingezet, en vindt de Minister
dat instellingen hierin duidelijker grenzen moeten stellen?
De leden van de PVV-fractie lezen verder dat veel zorgorganisaties al beschikken over
gedragscodes en meldstructuren, maar dat het in de praktijk schort aan implementatie
en handhaving. Waarom kiest het kabinet dan opnieuw vooral voor handvatten en kennisdeling,
in plaats van het versterken van handhaving en het stellen van duidelijke normen?
De leden van de PVV-fractie constateren dat in de kabinetsreactie vooral wordt verwezen
naar bestaande trajecten en vervolgprocessen, terwijl concrete maatregelen beperkt
blijven. Kan de Minister aangeven welke concrete stappen inmiddels zijn gezet, welke
maatregelen nog volgen en op welke termijn de Kamer hierover wordt geïnformeerd?
Tot slot vragen de leden van de PVV-fractie of de Minister bereid is de Kamer concreet
te informeren over de aard en omvang van discriminatie van zorgverleners, de opvolging
van meldingen en de effectiviteit van de ingezette maatregelen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de reactie van
de Minister op de rapporten «Discriminatie in de zorg, welzijn en sport», «Is allemaal
mooi, op papier», en «Professionaliteit te allen tijde». Genoemde leden hebben op
dit moment geen verdere vragen of opmerkingen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de brief inzake Reactie op verzoek
commissie over de rapporten «Discriminatie in de zorg, welzijn en sport», «Is allemaal
mooi, op papier», en «Professionaliteit te allen tijde». Genoemde leden hebben geen
vragen aan de Minister.
Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep Markuszower
De leden van de Groep Markuszower hebben kennisgenomen van de voorliggende stukken
en wachten de reactie van de Minister met belangstelling af.
II. Reactie van de Minister
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
M. Mohandis, voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport -
Mede ondertekenaar
E.M. Sjerp, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.