Verslag (initiatief)wetsvoorstel (nader) : 36295 Verslag inzake wijziging van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en enkele andere wetten met het oog op een integrale en gecoördineerde aanpak bij meervoudige problematiek en de daarvoor benodigde gegevensverwerking (Wet aanpak meervoudige problematiek sociaal domein)
36 295 Wijziging van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en enkele andere wetten met het oog op een integrale en gecoördineerde aanpak bij meervoudige problematiek en de daarvoor benodigde gegevensverwerking (Wet aanpak meervoudige problematiek sociaal domein)
Nr. 10
NADER VERSLAG
Vastgesteld 31 maart 2026
De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport, belast met het voorbereidend
onderzoek van voorliggend wetsvoorstel, heeft naar aanleiding van de nota naar aanleiding
van het verslag en de nota van wijziging1 van 18 februari 2026 besloten tot het uitbrengen van een nader verslag.
Onder het voorbehoud dat de in het nader verslag opgenomen vragen en opmerkingen afdoende
door de regering worden beantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van
het wetsvoorstel voldoende voorbereid.
INHOUDSOPGAVE
1. Algemeen
1. Algemeen
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de Wet aanpak meervoudige problematiek
sociaal domein. De leden van de D66-fractie vinden het van groot belang dat het delen
van relevante gegevens tussen partijen in de keten rondom personen met verward of
onbegrepen gedrag verbeterd wordt. Door relevante informatie zorgvuldig te delen,
kan er sneller een compleet beeld ontstaan van de situatie en kan passende hulp eerder
ingezet worden. Dit kan escalatie en crisissituaties voorkomen, en bovendien helpt
het voorkomen dan mensen tussen wal en schip vallen. Het delen van gegevens moet natuurlijk
gebeuren met goede en concrete waarborgen. Echter heeft de D66-fractie ook zorgen
over de uitvoerbaarheid van de Openbare Geestelijke Gezondheidszorg (OGGZ). Erkent
de regering deze zorgen? Hoe kijkt de regering aan tegen de optie om een meldrecht
in de wet op te nemen, zodat zorgverleners in bijzondere situaties gegevens waar het
beroepsgeheim op rust toch zouden mogen verstrekken bij ernstige zorgen over een persoon
met ernstige meervoudige problematiek? Zijn er andere specifieke oplossingsrichtingen
die de regering voorziet?
Naast het belang van goede gegevensdeling is er meer nodig om de mensen met verward
of onbegrepen gedrag op een zorgvuldige wijze te helpen en ondersteunen. Daartoe vragen
de leden van de D66-fractie welke plannen de regering heeft om het inzicht bij ketenpartners,
zoals wijkteams, woningcorporaties en de politie, in het herkennen van verward en
onbegrepen gedrag te verbeteren.
De leden van de VVD-fractie hebben met enige zorgen kennisgenomen van de nota van wijziging op de Wet aanpak
meervoudige problematiek sociaal domein. Zij hechten veel belang aan het bevorderen
van de integrale aanpak van meervoudige problematiek. Daarom hebben zij enkele vragen
over onderhavig wetsvoorstel naar aanleiding van de ingediende nota van wijziging
en de nota naar aanleiding van het verslag.
De leden van de VVD-fractie lezen dat besloten is om in het voorgestelde artikel 5.4.2,
tweede lid, van de wet toch geen nieuwe grondslag in te voeren voor gegevensverwerking
met betrekking tot meervoudige problematiek, in gevallen waarin niet mogelijk is om
toestemming van de betrokkene te krijgen. Hiermee wordt aangesloten bij de huidige
mogelijkheden om het medisch beroepsgeheim te doorbreken. Hoewel genoemde leden begrijpen
dat het medisch beroepsgeheim een groot goed is en belangrijk voor het vertrouwen
in de beroepsgroep, denken zij dat doorbreking in sommige gevallen juist voordelig
kan zijn voor effectieve hulp voor betrokkenen. Door deze verwerkingsgrondslag niet
langer onderdeel uit te laten maken van de wettekst, is wat hen betreft een belangrijke
voorwaarde om de handelingsverlegenheid van hulpverleners in het kader van openbare
geestelijke gezondheidszorg terug te dringen komen te vervallen. Deelt de regering
deze zienswijze? Op welke manier kan de regering waarborgen dat ook met het vervallen
van deze grondslag genoeg effectief kan worden gehandeld bij verward en onbegrepen
gedrag? Hoe reageert zij op de zienswijze van gemeenten dat door vervallen van deze
verwerkingsgrondslag de uitvoeringspraktijk niet geholpen zal worden?
Daarnaast begrijpen deze leden dat aan toestemming verlenen voor gegevensverwerking
aan de gemeente juridisch veel haken en ogen zitten, omdat er sprake is van een machtsrelatie
tussen gemeente en betrokkene. Kan de regering reflecteren welk effect dit heeft op
de uitvoerbaarheid van onderhavig wetsvoorstel? Zorgt dit er niet voor dat juist in
de meest complexe gevallen het vragen van toestemming niet mogelijk zal zijn? Zo nee,
waarom niet? Zo ja, hoe kan zij dit oplossen?
De leden van de VVD-fractie begrijpen ook dat bij hulpverleners de indruk leeft dat
het nieuwe artikel 5.4.2, tweede lid, niet zal gelden voor niet-wettelijk geregelde
beroepsgeheimen. Hierdoor zouden zij geen bescherming genieten tegenover de verstrekking
plicht van artikel 5.4.2, eerste lid. Kan de regering aangeven of deze lezing klopt?
Zo ja, kan de regering aangeven in welke mate zij dit wenselijk vindt? Zo nee, hoe
kan zij ervoor zorgen dat deze indruk bij betrokken hulpverleners weg wordt gehaald?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het onderhavige wetsvoorstel en de bijbehorende
nota van wijziging. Deze leden onderschrijven het doel van de wet om tot een meer
gecoördineerde en integrale aanpak te komen van meervoudige problematiek in het sociaal
domein. Wel hebben zij nog enkele vragen over het voorstel.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie ontvangen signalen van zorgen over de reikwijdte
en inzet van het onderhavige voorstel, met name dat het ingezet zou kunnen worden
als oplossing voor veiligheidsproblemen. Welke concrete maatregelen gaan er genomen
worden om oneigenlijk gebruik van het onderhavige voorstel te voorkomen?
Genoemde leden constateren dat de nota van wijziging onder andere voorziet in het
herzien van artikel 5.4.2, tweede lid. Met de toevoeging van onderdeel J wordt voorzien
in een grondslag voor partijen om desgevraagd de noodzakelijke gegevens te verstrekken
voor het doen van een verzoek als bedoeld in artikel 2.3a 4, eerste lid, om een onderzoek
te starten bij een vermoeden van ernstige meervoudige problematiek. Klopt het dat
de bescherming van het gewijzigde artikel 5.4.2, tweede lid, uitsluitend geldt voor
wettelijk geregelde beroepsgeheimen? Klopt het dat daarmee de bescherming van het
gewijzigde artikel 5.4.2, tweede lid, niet van toepassing is voor professionals met
een geheimhoudingsplicht op grond van hun beroepscode, zoals maatschappelijk werkers,
sociaal werkers, psychologen en orthopedagogen zonder BIG-registratie? Hoe rijmt dit
met bijvoorbeeld artikel 7:453 van het Burgerlijk Wetboek, artikel 3.1 van de Wet
maatschappelijke ondersteuning (Wmo) 2015, en artikel 4.1.1., derde lid, van de Jeugdwet,
waarin wordt aangegeven dat alle hulpverleners, ongeacht wettelijke regeling, in overeenstemming
handelen met de op hen rustende verantwoordelijkheid die voortvloeit uit de professionele
standaard, waar de beroepscode onderdeel van is?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie ontvangen zorgelijke signalen dat dit leidt
tot een paradoxale situatie in de praktijk en een onnodig onderscheid tussen beroepscode-professionals
en professionals waarbij het beroepsgeheim wettelijk geregeld is. Erkent de regering
dat met artikel 5.4.2, tweede lid, een paradoxale situatie ontstaat waarin bijvoorbeeld
een GZ-psycholoog met BIG-registratie wél onder de bescherming van het artikel valt,
maar sociaal werkers die ook over gevoelige informatie beschikken en een vertrouwensband
hebben met hun cliënten, niet deze zelfde bescherming genieten? Op welke wijze is
het wettelijke beroepsgeheim wezenlijk en praktisch anders dan de beroepscode-geheimhouding?
Kan de regering onderbouwen waarom de bescherming van artikel 5.4.2, tweede lid, niet
ook van toepassing is op professionals met een geheimhoudingsplicht op grond van hun
beroepscode, mede gelet op het feit dat artikel 272 Sr en het verschoningsrecht (artikel
165 lid 2 sub b Rv en artikel 218 Sv) geen onderscheid maken tussen wettelijke en
beroepscode-geheimhouding? Is de regering bereid het wetsvoorstel op dit punt aan
te passen?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie maken zich tevens zorgen over eventueel zorgmijdend
gedrag als praktisch gevolg van de inwerkingtreding van artikel 5.4.2, tweede lid.
Kan de regering nader toelichten op welke wijze zij wil voorkomen dat mede dankzij
het gebrek aan bescherming van professionals met een geheimhoudingsplicht op grond
van hun beroepscode, cliënten juist zorg gaan mijden omdat zij weten dat bijvoorbeeld
hun sociaal werker wettelijk verplicht kan worden gegevens te delen? Erkent de regering
dat professionals hiermee in een lastige positie worden geplaatst, gelet op het feit
dat hun beroepscode hen verplicht tot vertrouwelijkheid?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zouden tevens willen onderstrepen dat de situatie
zoals hierboven beschreven niet alleen van toepassing is op beroepscode-professionals,
maar ook op alle jeugdhulpaanbieders en jeugdhulpverleners die particuliere jeugdhulp
verlenen. Immers gelden de verplichtingen van de Jeugdwet ingevolge artikel 1.1 enkel
voor jeugdhulp die gefinancierd wordt door de gemeente. Is de regering zich er tevens
van bewust dat hiermee een verschil ontstaat in de bescherming van hulpverleningsgegevens
afhankelijk van de financiering van de jeugdhulp?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat met onderdeel K bij artikel 5.4.3.
wordt voorzien in een verplichting aan partijen die deelnemen aan een casusoverleg
om noodzakelijke gegevens te verwerken en dus ook te verstrekken. Kan nader toegelicht
worden hoe de versterkte verstrekkingsplicht in artikel 5.4.3 zich verhoudt tot de
geheimhoudingsplicht van beroepscode-professionals? Welke concrete waarborgen bestaan
er voor professionals die op grond van hun beroepscode bezwaar hebben tegen verstrekking
tijdens een casusoverleg?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zouden tevens graag nog aandacht willen vragen
voor de AVG-grondslag voor beroepscode-professionals. Op welke grondslag uit artikel
6 AVG kan een professional met een beroepscode zich beroepen wanneer hij op grond
van artikel 5.4.2, eerste lid, bijzondere persoonsgegevens verstrekt aan het college,
zonder toestemming van de cliënt en zonder bestaande wettelijke verstrekkingsplicht?
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van onderhavige stukken en constateren dat de regering naar
aanleiding van vragen van de Kamer op wezenlijke onderdelen wijzigingen heeft aangebracht,
waaronder het alsnog opnemen van een definitie van ernstige meervoudige problematiek
en het aanscherpen van bepalingen over gegevensverwerking en verdere verwerking. Deze
leden menen dat dit onderstreept dat de afbakening van het wetsvoorstel aanvankelijk
op belangrijke onderdelen nog onvoldoende scherp was.
Deze leden vragen de regering daarom nogmaals concreet te maken waarom voor dit verstrekkende
instrument van extra gegevensverwerking is gekozen, terwijl de regering zelf erkent
dat de problematiek in de praktijk breder is en ook samenhangt met organisatorische
en financiële knelpunten. Ook vragen zij de regering om nog eens heel concreet een
aantal voorbeeld situaties te schetsen, die onder deze wet zouden kunnen vallen, zodat
meer inzichtelijk wordt gemaakt hoe deze wet bedoeld is.
De leden van de PVV-fractie onderschrijven dat mensen met meervoudige problematiek
tijdig geholpen moeten worden. Deze leden vragen echter of de regering nader kan toelichten
waarom de huidige praktijk vooral om aanvullende wettelijke grondslagen voor gegevensverwerking
zou vragen, terwijl ook uit de toelichting blijkt dat de uitvoeringspraktijk op andere
punten vastloopt.
De leden van de PVV-fractie vragen de regering nader te onderbouwen waarom de oplossing
in dit wetsvoorstel in sterke mate wordt gezocht in gegevensdeling en gegevensverwerking.
Hoe voorkomt de regering dat een uitvoerings- of organisatieprobleem in de praktijk
wordt vertaald in méér gegevensverwerking over burgers, terwijl niet vaststaat dat
daarmee het onderliggende probleem daadwerkelijk wordt opgelost?
De leden van de PVV-fractie lezen dat met de nota van wijziging alsnog een definitie
van ernstige meervoudige problematiek is toegevoegd. Deze leden vragen waarom deze
afbakening niet vanaf het begin expliciet in het wetsvoorstel was opgenomen, terwijl
juist dit begrip bepalend is voor de zwaarste gevallen, namelijk onderzoek zonder
hulpvraag van de betrokkene.
Deze leden vragen daarnaast hoe in de praktijk wordt voorkomen dat deze kwalificatie
te ruim wordt toegepast. Welke objectieve en toetsbare criteria zijn hierbij doorslaggevend,
wie beoordeelt dat precies en welke mogelijkheden heeft de betrokkene om zich daartegen
te verweren?
Voorts vragen deze leden hoe de regering zulke verstrekkende bevoegdheden verdedigt,
terwijl zij zelf geen exact zicht kan geven op de omvang van de groep waarbij sprake
zal zijn van ernstige meervoudige problematiek zonder hulpvraag.
De leden van de PVV-fractie vragen tevens hoe wordt voorkomen dat gegevensverwerking
in de praktijk breder wordt dan strikt noodzakelijk. De nota van wijziging scherpt
de afbakening van verdere verwerking immers alsnog aan. Kan de regering toelichten
welke ruimte de eerdere formulering kennelijk nog liet en waarom deze nadere beperking
alsnog nodig is geacht?
Ten aanzien van gegevens van zorgverleners met een beroepsgeheim vragen deze leden
de regering glashelder uiteen te zetten in welke gevallen gegevens die onder het beroepsgeheim
vallen wel en niet zonder expliciete toestemming van de cliënt verwerkt of verstrekt
kunnen worden. Ook vragen zij welke waarborgen gelden voor motivering, vastlegging
en controle.
De leden van de PVV-fractie blijven daarnaast kritisch op de keuze om de kring van
betrokken partijen via algemene maatregel van bestuur (AMvB) nader vorm te geven.
Waarom kiest de regering op dit wezenlijke punt, namelijk welke partijen toegang kunnen
krijgen tot gevoelige persoonsgegevens, niet voor maximale vastlegging in de wet zelf?
Kan de regering toezeggen dat de Kamer de uiteindelijke AMvB tijdig ontvangt vóór
inwerkingtreding van deze wet?
De leden van de PVV-fractie lezen dat het wetsvoorstel mede ziet op mensen die geen
hulp vragen of zorg mijden en dat daarom ook de taak rond OGGZ en meldpunten wordt
verduidelijkt. Deze leden vragen welke concrete drempel geldt voordat signalen of
meldingen daadwerkelijk leiden tot onderzoek of gegevensverwerking over een burger
die zelf geen hulpvraag heeft gesteld.
Hoe wordt voorkomen dat meldpunten in de praktijk een laagdrempelige route worden
om dossiers op te bouwen over burgers op basis van zorgen, vermoedens of subjectieve
meldingen van derden?
De leden van de PVV-fractie vragen de regering nogmaals te motiveren waarom dit wetsvoorstel,
juist waar het ziet op kwetsbare burgers zonder expliciete hulpvraag, voldoet aan
de eisen van noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit. Deze leden vragen
daarbij in het bijzonder in te gaan op de vraag waarom minder ingrijpende alternatieven
in die gevallen volgens de regering niet volstaan.
De leden van de PVV-fractie vragen ten slotte of de regering bereid is de inwerkingtreding
van dit wetsvoorstel pas te laten plaatsvinden nadat de AMvB gereed is en de Kamer
integraal is geïnformeerd over de praktische uitwerking van de waarborgen rond afbakening,
beroepsgeheim en gegevensverwerking.
De leden van de PVV-fractie vragen ten aanzien van het artikel over onderzoek bij
ernstige meervoudige problematiek nader toe te lichten hoe de grens wordt bewaakt
tussen ernstige meervoudige problematiek en situaties waarin slechts sprake is van
zorgelijke signalen of vermoedens.
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de nota naar aanleiding van het verslag en de nota van wijziging
en hebben hierover nog enkele vragen.
De leden van de CDA-fractie steunen dat de regering tegemoetgekomen is aan de zorgen
vanuit het veld ten aanzien van de doorbreking van het medisch beroepsgeheim. Zij
hebben hierover nog wel enkele vragen. De leden van de CDA-fractie lezen in de nota
naar aanleiding van het verslag dat de regering aangeeft dat de wettelijk geregelde
beroepsgeheimen wezenlijk verschillend zijn van geheimhouding op grond van een beroepscode,
en dat daarom een onderscheid wordt gemaakt ten aanzien van de verstrekking van persoonsgegevens.
Deze leden vragen of de regering dit nog een keer nader wil toelichten.
De leden van de CDA-fractie lezen dat persoonsgegevens aan het college (moeten) worden
verstrekt als deze noodzakelijk zijn voor het doen van een verzoek of het uitvoeren
van een onderzoek. Deze leden vragen of de regering nader wil concretiseren wat het
begrip «noodzakelijk» inhoudt. Zij vragen of de regering met voorbeelden duidelijk
wil maken wanneer gegevensverstrekking wel en niet noodzakelijk is. Deze leden lezen
verder dat een partij de gegevens niet hoeft te verstrekken als zij van oordeel is
dat zwaarwegende redenen zich daartegen verzetten. Deze leden vragen of de regering
nog wat nader kan toelichten wat het begrip «zwaarwegende redenen» inhoudt, en wat
wel en niet een zwaarwegende reden zou kunnen zijn, juist ook om zorgverleners zoveel
mogelijk duidelijkheid te geven en handelingsverlegenheid te voorkomen.
De leden van de CDA-fractie constateren dat met dit wetsvoorstel enerzijds de vrijwillige
gecoördineerde aanpak bij meervoudige problematiek wordt geregeld en anderzijds de
expliciete verankering van de OGGZ-taak in de Wmo. Deze leden wijzen erop dat door
de Kamer ook is gevraagd om wettelijke verankering van bemoeizorg in de Wmo, bijvoorbeeld
via de motie Krul-Bikker (Kamerstuk 25 424, nr. 759), en dat de regering in de Voortgangsbrief aanpak verward/onbegrepen gedrag van 11 december
jl. ook aangeeft dit voornemens te zijn. Deze leden vragen of de regering heeft overwogen
de expliciete verankering van bemoeizorg in de Wmo in dit wetsvoorstel mee te nemen,
en zo ja, waarom hier niet voor gekozen is. Of is de regering van mening dat met het
expliciteren van de OGGZ-taak ook de bemoeizorg-taak direct goed is geregeld? De leden
van de CDA-fractie lezen namelijk dat dit wetsvoorstel wel vormen van bemoeizorg regelt,
bijvoorbeeld een wettelijke grondslag voor een onderzoek naar meervoudige proble matiek
in geval een cliënt niet zelf om hulp vraagt zoals opgenomen in artikel 2.3a.4. In
het verlengde hiervan vragen deze leden wat dit wetsvoorstel daarmee nu wel en niet
regelt als het gaat om bemoeizorg.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de regering samen met ketenpartners in kaart
wil brengen wat nodig is om gegevensdeling rond personen met verward en onbegrepen
gedrag te verbeteren. Daarbij wijzen de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en
andere partijen op de ervaringen met de Wet gegevensverwerking door samenwerkingsverbanden
(Wgs), waarin belangrijke partijen zoals het CJIB, CIZ en woningcorporaties nu ontbreken.
Deze leden vragen of de regering bereid is deze lessen expliciet mee te nemen in de
inventarisatie en te zorgen dat deze partijen structureel worden betrokken.
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de Wet aanpak meervoudige problematiek sociaal domein. Zij
hebben op dit moment geen vragen aan de regering.
De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van de nota naar aanleiding van het verslag en de nota van wijziging.
Zij danken de regering voor de uitvoerige beantwoording van de vragen en maken graag
van de gelegenheid gebruik om nog enkele aanvullende vragen te stellen.
De leden van de SGP-fractie constateren dat er zeer breed in de Kamer kritische vragen
leven ten aanzien van het wetsvoorstel. Heeft de regering op enig moment overwogen
het voorstel in te trekken of af te zwakken? Kan zij dit nader toelichten?
De leden van de SGP-fractie constateren dat de regering alsnog een definitie van ernstige
meervoudige problematiek voorstellen. Heeft de regering overwogen om de Raad van State
om een aanvullend advies te vragen over de nota van wijziging?
De leden van de SGP-fractie vinden het goed dat de regering heeft toegezegd een invoeringstoets
uit te zullen voeren. Wel vragen zij om een nadere toelichting waarom de regering
er niet voor gekozen heeft om voorafgaand aan de inwerkingtreding een uitvoeringstoets
te laten opstellen, waar diverse fracties om hebben gevraagd.
De leden van de SGP-fractie zijn bezorgd over de beantwoording van de regering ten
aanzien van het «wat» en het «hoe» (vraag en antwoord 37) van de ondersteuning voor
mensen met ernstige meervoudige problematiek. Zij leiden hieruit af dat de wetgever
gemeenten inderdaad een stevige verplichting gaat voorschrijven ten aanzien van het
«hoe». De leden van de SGP-fractie vragen of handelingsverlegenheid van gemeenten
ook zou kunnen worden opgelost met andere maatregelen dan aanscherping van de wet.
Kan de regering aangeven of vanuit het principe van de decentralisatie ook minder
vergaande maatregelen zijn overwogen, zoals landelijke handreikingen?
De leden van de SGP-fractie vragen hoe de recente inzet op de ontwikkeling van sterke
lokale teams (het convenant is recent ondertekend) zich verhoudt tot het wetsvoorstel.
Wordt daarmee niet al voor een belangrijk deel de integrale benadering ingevuld die
wetsvoorstel wil regelen?
De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van de uitvoerige reactie op hun
vraag naar de afbakening van meervoudige problematiek (vraag en antwoord 56). Kan
de regering toezeggen dat bij de invoeringstoets en evaluatie expliciet aandacht wordt
besteed aan de waarborgen die hiervoor in de wet zijn vastgelegd en of deze voldoende
zijn?
De leden van de SGP-fractie constateren dat de regering eraan vasthoudt om gemeenten
een gedetailleerde procedure voor te schrijven, wat haaks staat op het advies van
de Afdeling. De leden van de SGP-fractie betreuren dit omdat dit naar hun overtuiging
geen recht doet aan de gedecentraliseerde verhoudingen.
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben kennisgenomen van de nota van de Wet aanpak meervoudige problematiek sociaal
domein. Zij vinden het gepast dat is geluisterd naar de bezwaren vanuit de sector,
Raad van State en de Tweede Kamer ten aanzien van het doorbreken van het beroepsgeheim.
Tegelijk zien zij dat zorgen bij juist andere sectoren met de voorgestelde wijziging
niet zijn weggenomen. Deze leden hebben nog enkele vragen over het gewijzigde wetsvoorstel
en hopen op een snelle inwerkingtreding van de wet.
Ten aanzien van de aanpassing van artikel 5.4.2, tweede lid, lezen de leden van de
ChristenUnie-fractie in de beslisnota dat er meerdere opties op tafel hebben gelegen.
Welke zijn dit en waarom heeft de regering gekozen voor de optie zoals nu voorligt?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering of met de voorgestelde wijziging
de handelingsverlegenheid van professionals wordt weggenomen. Kent de regering de
zorgen van de landelijke stuurgroep Zorg & Veiligheid die zich zorgen maken over de
uitvoerbaarheid van de OGGZ? Wat is de reactie van de regering hierop? Wat vindt de
regering van de suggestie om in de wet een meldrecht op te nemen, waaronder bijzondere
situaties vallen waarin zorgverleners gegevens waar het beroepsgeheim op rust mogen
verstrekken zonder toestemming van de persoon in kwestie?
Klopt de inschatting van de leden van de ChristenUnie-fractie dat de Wams niet een
juridisch kade biedt voor OGGZ/bemoeizorg? Welke stappen zet de regering om daar wel
een kader voor te bieden?
Tegelijk lezen de leden van de ChristenUnie-fractie de zorgen van professionals die
een geheimhoudingsplicht hebben op grond van hun beroepscode, in plaats van een wettelijk
geregeld beroepsgeheim. Kan de regering onderbouwen waarom de bescherming van artikel
5.4.2, tweede lid, niet van toepassing is op professionals met een geheimhoudingsplicht
op grond van hun beroepscode, terwijl artikel 272 Sr en het verschoningsrecht geen
onderscheid maken tussen wettelijke en beroepscode-geheimhouding?
Kan de regering reflecteren op de vraag van de leden van de ChristenUnie-fractie of
de huidige versie van de wet nu doet wat oorspronkelijk met de wet was beoogd?
De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel en de bijbehorende stukken. Zij hebben
hier nog enkele aanvullende vragen en opmerkingen over.
De leden van de SP-fractie constateren dat er met dit wetsvoorstel zowel grondslagen
worden gecreëerd voor gegevensdeling die is gericht op het verbeteren van de zorg
en ondersteuning van mensen als op het beschermen van de openbare orde en veiligheid.
Hoe weegt de regering de risico’s van de vermenging daarvan, zoals mogelijke zorgmijding
vanwege de angst voor de inzet van interventies uit het veiligheidsdomein?
De leden van de SP-fractie zien ook dat zorgprofessionals waarschuwen voor de risico’s
voor zorgmijding wanneer het beroepsgeheim wordt doorbroken in het kader van onvrijwillige
trajecten via dit wetsvoorstel. Hoe kijkt de regering naar deze kritiek?
De leden van de SP-fractie vragen hoe de mogelijkheden zijn die worden gecreëerd voor
gegevensuitwisseling voor onvrijwillige zorgtrajecten. Ondertussen is er echter nog
geen duidelijke aparte wettelijke basis voor bemoeizorg geregeld. Hoe gaat het onvrijwillige
deel van deze wet in praktijk werken zonder dat er daarnaast ook een duidelijke wettelijke
basis voor bemoeizorg is? Welke plannen zijn er om hier ook een wetsvoorstel voor
te maken?
De leden van de SP-fractie zien dat er met dit wetsvoorstel oplossingen worden geprobeerd
te vinden voor mensen met complexe zorgvragen. Tegelijkertijd lopen zorgverleners
er in de praktijk tegenaan dat er vaak een tekort is aan passende zorgplekken voor
juist deze groep. Er is dus naast dit wetsvoorstel ook een verbetering van het specialistische
zorgaanbod nodig. Is de regering ook van plan om hier ook stappen op te gaan zetten?
De leden van de Groep Markuszower hebben kennisgenomen van de beantwoording van de regering inzake onderhavig wetsvoorstel
en hebben daarover nog enkele aanvullende vragen.
De leden van de Groep Markuszower lezen in de beantwoording van de regering dat sinds
het voorjaar van 2021 alle gemeenten beschikken over een meldpunt voor inwoners en
professionals die zich zorgen maken over iemand in hun omgeving waarbij sprake is
van meervoudige problematiek, maar niet uit zichzelf met een hulpvraag komt. Tussen
1 juli 2020 en 1 januari 2026 zijn bijna 56.500 telefoongesprekken doorgezet naar
lokaal of regionaal meldpunt niet-acuut. Hoeveel (percentage) van de gemelde personen
die hulp aangeboden gekregen hebben, hebben vrijwillig ingestemd met de aangeboden
hulp naar aanleiding van de gemaakte melding?
De leden van de Groep Markuszower vermoeden dat Nederlandse burgers niet goed op de
hoogte zijn van lokale of regionale meldpunten voor niet-acute meldingen/zorgwekkend
gedrag. Deelt de regering deze mening? Kan een melding bij het meldpunt anoniem gedaan
worden? Zo nee, waarom niet?
Kan de regering een schatting geven (percentage) van mensen met (complexe) meervoudige
problematiek, maar die niet uit zichzelf met een hulpvraag komen, zullen instemmen
met een gecoördineerde aanpak zoals bedoeld in onderhavig wetsvoorstel? Is hier onderzoek
naar gedaan? Zo nee, waarom niet?
De regering wijst op de beschikbaarheid van (onafhankelijke) cliëntondersteuning en
de mogelijkheid voor cliëntondersteuning om domeinoverstijgend te werken, maar is
de regering op de hoogte dat door de gemeente geboden cliëntondersteuning vaak onvindbaar,
ondermaats en ontoereikend is? Wat gaat de regering hier concreet aan doen? Kan de
regering hier voorbeelden van geven?
De regering geeft aan dat uit verdiepende interviews blijkt dat gemeenten nog zoekende
zijn naar hoe ze de samenhang tussen de drie domeinen het beste kunnen vormgeven.
Op welke manier gaat de regering ervoor zorgen dat niet elke gemeente afzonderlijk
het wiel gaat uitvinden? Zijn er gemeenten die al verder zijn in de uitvoering hiervan?
Zo ja, welke? Kunnen deze gebruikt worden als «best practices» voor een landelijke
uitrol?
De voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Mohandis
Adjunct-griffier van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Heller
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
M. Mohandis, voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport -
Mede ondertekenaar
M. Heller, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.