Inbreng verslag schriftelijk overleg : Inbreng verslag van een schriftelijk overleg over o.a. Verkenning belastingvermindering energiebelasting toespitsen op huishoudens (Kamerstuk 32140-261)
2026D14482 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
De vaste commissie voor Financiën heeft op 26 maart 2026 een aantal vragen en opmerkingen
voorgelegd aan de Staatssecretaris van Financiën over de volgende brieven:
Onderzoek gedifferentieerde vliegbelasting (Kamerstuk 31 396, nr. 7)
Verkenning belastingvermindering energiebelasting toespitsen op huishoudens (Kamerstuk
32 140, nr. 261)
Beprijzingsstudies gebouwde omgeving en ETS2 industrie (Kamerstuk 32 813, nr. 1525)
Warmtebedrijven en energiebelasting (Kamerstuk 36 576, nr. 117)
Overzicht van fiscale prikkels om circulaire transitie te versnellen (Kamerstuk 32 140, nr. 278)
Beprijzingstudies veehouderij/akkerbouw en glastuinbouw (Kamerstuk 32 813, nr. 1536)
Kabinetsreactie onderzoek energie-investeringsaftrek (EIA) en milieu-investeringsaftrek
(MIA)(Kamerstuk 36 812, nr. 7)
Rapport werkgroep afvalsector (Kamerstuk 30 872, nr. 322)
De voorzitter van de commissie,
Jansen
Adjunct-griffier van de commissie,
Lips
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de verschillende
brieven over fiscale vergroening en de circulaire transitie. Deze leden onderstrepen
het belang van effectieve CO2-beprijzing, een gelijk speelveld binnen Europa en het gericht ondersteunen van huishoudens
en innovatieve bedrijven. Deze leden hebben enkele vragen.
De leden van de D66-fractie lezen dat het kabinet onderzoekt welk beprijzingsniveau
nodig is om klimaatdoelen te borgen. Kan de Staatssecretaris concreet aangeven welk
prijsniveau volgens de eerste inzichten noodzakelijk lijkt? Deze leden vragen hoe
wordt voorkomen dat hogere nationale beprijzing in de gebouwde omgeving en dienstensector
leidt tot ongelijkheid tussen huishoudens, met name gezien de invoering van ETS2.
Kan de Staatssecretaris toelichten hoe beprijzing wordt gecombineerd met innovatie
en investeringsprikkels, zodat duurzame landbouw ook economisch perspectief biedt?
Deze leden begrijpen dat uit recente analyses blijkt dat milieuschade in de circulaire
keten nog onvoldoende wordt beprijsd. Is de Staatssecretaris bereid om te verkennen
hoe fiscale prikkels structureel kunnen bijdragen aan het behalen van de doelen uit
het Nationaal Programma Circulaire Economie? Wordt hierbij ook gekeken naar een meer
samenhangende beleidsstrategie?
Kan de Staatssecretaris toelichten hoe de resultaten van deze studies worden vertaald
naar concreet beleid en op welke manier hierbij wordt geborgd dat lasten eerlijk worden
verdeeld tussen huishoudens en bedrijven?
Deze leden onderschrijven het belang van Europese coördinatie bij grondstoffenheffingen,
maar constateren ook dat implementatie op EU-niveau tijd kost. Kan de Staatssecretaris
reflecteren op de mogelijkheid en wenselijkheid van tijdelijke nationale maatregelen
ter ondersteuning van bijvoorbeeld de plasticrecyclingsector en onder welke voorwaarden
dergelijke maatregelen weer zouden worden afgebouwd bij invoering van EU-beleid?
Deze leden constateren dat een gedifferentieerde vliegbelasting bijdraagt aan een
betere beprijzing van de klimaatimpact van vliegen, met name doordat langere afstanden
zwaarder worden belast. Tegelijkertijd blijven de klimaateffecten relatief beperkt.
Hoe beoordeelt het kabinet deze maatregel in verhouding tot alternatieven om meer
CO2-reductie te realiseren? Deze leden vragen hoe het kabinet omgaat met ontwijkgedrag
via buitenlandse luchthavens en welke Europese afstemming wordt nagestreefd.
Kan de Staatssecretaris reflecteren op de balans tussen klimaatdoelen en het vestigingsklimaat
en hoe dit past binnen de bredere ambities uit het coalitieakkoord om geluidsoverlast
te beperken en een reductie van het aantal vluchten te realiseren?
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de rapporten vanuit het veld
over de noodzaak om de circulaire transitie te versnellen en zien deze stukken als
aanknopingspunten om de inzet van fiscale instrumenten verder te versterken.
Deze leden constateren dat nader onderzoek naar een heffing op eenmalige plastic verpakkingen
door Berenschot als verstandig wordt beoordeeld. Kan de Staatssecretaris aangeven
of de Staatssecretaris voornemens is vervolgonderzoek uit te laten voeren in samenwerking
met relevante stakeholders en of de Kamer hierover tijdig wordt geïnformeerd?
De leden van de D66-fractie vragen het kabinet hoe het kabinet de huidige heffing
van energiebelasting op zowel het moment van opslag als van teruglevering in thuisbatterijen
beoordeelt. Acht het kabinet deze dubbele belastingheffing in lijn met de doelstellingen
van fiscale vergroening en het stimuleren van flexibiliteit in het energiesysteem?
Voorts vragen deze leden in hoeverre de huidige fiscale behandeling van thuisbatterijen
een belemmering vormt voor de uitrol van opslagcapaciteit bij huishoudens. Zijn er
signalen dat investeringen hierdoor worden uitgesteld of achterwege blijven? De leden
van de D66-fractie vragen daarnaast hoe Nederland zich verhoudt tot andere EU-lidstaten
op dit punt. In welke landen is sprake van vergelijkbare dubbele heffing en waar zijn
reeds maatregelen genomen om deze te voorkomen?
De leden van de D66-fractie merken op dat er nog steeds sprake is van dubbele energiebelasting
bij opslag in bijvoorbeeld thuisbatterijen of de accu van een elektrische auto. Deze
leden vragen of deze dubbele belastingheffing rechtmatig is: er wordt immers twee
keer belasting geheven over hetzelfde product. Ook vragen deze leden op welke manier
deze dubbele belastingheffing kan worden voorkomen. Welke beleidsopties liggen hiervoor
op tafel? Is het hiervoor voldoende om de hoeveelheid elektriciteit die is opgeslagen
en weer teruggeleverd, af te trekken van het totaal aan verbruikte elektriciteit?
Indien hier uitvoeringsproblemen zijn, zou er dan een mogelijkheid zijn om met forfaits
te werken? Ook vragen deze leden of er bij aanpassing sprake is van budgettaire gevolgen,
aangezien de dubbele energiebelasting nu ten onrechte geheven wordt.
Tenslotte vragen de leden van de D66-fractie hoe het kabinet de rol van thuisbatterijen
ziet in het licht van netcongestie en de energietransitie en of de huidige fiscale
behandeling daarbij als ondersteunend of juist belemmerend wordt gezien.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de geagendeerde stukken behorend
bij het schriftelijk overleg over fiscale vergroening. Deze leden hebben hierover
enkele vragen.
De leden van de VVD-fractie hebben ten aanzien van de verkenning van het toespitsen
van belastingvermindering energiebelasting op huishoudens kennisgenomen van het rapport
«versmalling reikwijdte vermindering energiebelasting» en de bijbehorende kabinetsbrief.
Deze leden staan voor versimpeling van het belastingstelsel. Tegelijkertijd vinden
deze leden de energiebelasting nu al te hoog, terwijl deze leden lezen dat bij uitvoering
van deze plannen er nog een verhoging van honderden miljoenen (427 miljoen euro per
2028) voor bedrijven en instellingen in het verschiet ligt. Deelt het kabinet de mening
dat een dergelijke verhoging onwenselijk is?
Daarnaast constateren deze leden dat met het toespitsen van de belastingvermindering
op huishoudens, geen onderscheid kan worden gemaakt tússen huishoudens. Tegelijkertijd
bevindt de achtergrond van deze maatregel zich mede in de politiek die zoekt naar
een instrument om ten tijde van hoge energieprijzen gericht huishoudens te kunnen
helpen. Is het volgens het kabinet wenselijk dat tijdens hoge energieprijzen de politiek
met deze maatregel enkel álle huishoudens kan helpen?
De leden van de VVD-fractie lezen op het punt van de beprijzing van gebouwde omgeving
en ETS2-industrie daarnaast in het rapport «mogelijkheden voor behalen emissiedoel
woningen» dat extra beprijzing ervoor kan zorgen dat het restemissiedoel voor woningen
kan worden behaald. De leden van de VVD-fractie willen van het kabinet weten hoe het
kabinet reflecteert op dit rapport. Deze leden merken daarbij op dat veel huishoudens
zich juist in deze tijd zorgen maken over de betaalbaarheid van de energierekening.
Deze leden hebben daarnaast kennisgenomen van het rapport «additionele CO2-beprijzing ETS2-industrie en dienstensector». Deze leden hechten waarde aan verduurzaming
en een verminderde afhankelijkheid van fossiele brandstoffen, maar zijn tegenstander
van additionele beprijzing. In de landen om ons heen zien deze leden juist een tegengestelde
trend: de energiekosten worden verlaagd. De leden van de VVD-fractie willen voorkomen
dat bedrijven naar het buitenland vertrekken door extra beprijzing. Hoe kijkt het
kabinet hiernaar?
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het onderzoek naar een hogere
inzameling van drankverpakkingen. Dit betreft een nieuwe heffing waarbij producenten
per verpakkingseenheid belasting betalen, waarvan de tariefhoogte afneemt naarmate
het inzamelpercentage van de verpakkingen hoger wordt. Bij een inzamelpercentage van
95 procent zou de heffing volledig vervallen. In Noorwegen zou deze systematiek zeer
succesvol worden toegepast. Bij de appreciatie van dit voorstel wordt gesteld: «Bij
invoering is het voor de milieueffecten en behalen van wettelijke doelstellingen cruciaal
dat een eventuele nieuwe heffing als deel van een pakket aan beleidsmaatregelen geïntroduceerd
wordt.» Hoe kijkt dit kabinet aan tegen het voorstel? Wat wordt ermee bedoeld dat
het «een deel van een pakket aan beleidsmaatregelen» moet zijn?
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de tariefstudie over de CO2-heffing in de glastuinbouw. Zij lezen dat, om te voldoen aan het klimaatdoel, het
tarief moet worden verhoogd naar 53,15 euro per ton CO2 in 2030. Deze leden vragen wat het kabinet met deze conclusie gaat doen. Daarbij
merken deze leden op dat zij het belangrijk vinden dat de glastuinbouw in Nederland
niet op een concurrentieachterstand wordt gezet.
Eenzelfde soort vraag hebben de leden van de VVD-fractie bij het onderzoek naar beprijzing
in de veehouderij en akkerbouw. Ook voor de veehouderij en akkerbouw zou extra beprijzing
nodig zijn om de restemissiedoelen te behalen. Wat wil het kabinet met deze conclusie
doen?
Ten aanzien van het onderzoek Energie-investeringsaftrek (EIA) en milieu-investeringsaftrek
(MIA) constateren deze leden dat in het coalitieakkoord is opgenomen de EIA, MIA en
de Willekeurige afschrijving milieu-investeringen (VAMIL) «waar mogelijk» samen te
voegen tot één investeringsregeling. Worden conclusies uit dit onderzoek meegenomen
in de uitvoering van dit punt van het coalitieakkoord? Zo ja, om welke conclusies
gaat het en op welke manier worden deze meegenomen?
De leden van de VVD-fractie hebben, tot slot, kennisgenomen van het rapport van de
werkgroep afvalsector. Hoe reflecteert het kabinet op de conclusies uit dit rapport?
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn op het punt van het onderzoek naar gedifferentieerde
vliegbelasting blij dat de Wet differentiatie vliegbelasting is aangenomen en langeafstandsvluchten
per 1 januari 2027 zwaarder belast zullen worden. Deze leden constateren echter dat
de negatieve externe effecten ook met deze verhoging van de vliegbelasting voor geen
enkele vlucht volledig geïnternaliseerd worden. Deze leden vragen wat de Staatssecretaris
daarvan vindt. Is het wat de Staatssecretaris betreft wenselijk dat de negatieve externe
effecten volledig beprijsd worden? Zo nee, waarom niet?
Deze leden menen ook dat het verstandiger was geweest het uitgangspunt van budgetneutraliteit
los te laten, omdat dat uitgangspunt ertoe leidt dat niet gekozen wordt voor de meest
effectieve en volledige vorm van beprijzing. Zo valt bijvoorbeeld te lezen dat het
effect van de verhoging van de vliegbelasting op het aantal vluchten en de totale
CO2-uitstoot van de luchtvaart in Nederland slechts beperkt is, terwijl het doel van
een vliegbelasting onder andere is om de negatieve impact van vliegverkeer te verkleinen.
Is de Staatssecretaris het daarmee eens? Zo nee, waarom niet? Zo ja, is de Staatssecretaris
bereid om de vliegbelasting verder te verbeteren en het uitgangspunt van budgetneutraliteit
daarbij los te laten? Deze leden vragen ook of de Staatssecretaris een nieuw onderzoek
kan laten uitvoeren, waarbij budgetneutraliteit niet het uitgangspunt is, maar het
optimaal internaliseren van de negatieve externe effecten van vliegverkeer met zo
min mogelijk economische en sociale schade.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat het vorige kabinet niet geheel
consistent was in haar argumentatie. De vliegbelasting is onder andere bedoeld om
klimaatschade tegen te gaan. Tegelijkertijd wilde het toenmalige kabinet het aantal
verschillende directe verbindingen vanuit Nederland zoveel mogelijk in stand houden
en mede om die redenen geen belasting opleggen aan transferpassagiers. Deze leden
zijn daarom benieuwd of het huidige kabinet wil dat het totaal aantal vliegbewegingen
minder wordt, of het kabinet wil dat het aantal langeafstandsvluchten afneemt, of
dat kabinet het geen van beide wenselijk vindt. En in het laatste geval: hoe is dit
te rijmen met het doel van de vliegbelasting? Is die wat dit kabinet betreft bedoeld
om vliegen te ontmoedigen of niet? Zo nee, wat vindt het kabinet van de bijdrage van
de luchtvaartsector aan de klimaatverandering?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de toespitsing van de belastingvermindering
energiebelasting op huishoudens «een opbrengst zou hebben van 427 miljoen euro als de maatregel dan zou kunnen worden ingevoerd». Deze leden vragen of de Staatssecretaris
inmiddels weet of de maatregel dan zou kunnen worden ingevoerd. Verwacht hij dat 1 januari
2028 de snelst mogelijke datum van inwerkingtreding is? Deze leden vragen voorts of
het klopt dat de belastingvermindering volledig verzilverbaar is en daarmee economisch
gezien voor de meeste mensen min of meer losstaat van de energierekening. Klopt het
dat een grotere groep huishoudens bereikt wordt als de belastingvermindering volledig
losgetrokken wordt van de energierekening, door het bedrag simpelweg aan ieder huishouden
uit te keren, omdat dan ook huishoudens zonder individuele energierekening bereikt
worden? Klopt het dat daarmee ook een budgettaire opbrengst gerealiseerd wordt, omdat
bedrijven en andere niet-huishoudens dan ook geen belastingvermindering meer ontvangen?
Hoeveel huishoudens hebben op dit moment geen recht op de belastingvermindering? Deze
leden vragen of de Staatssecretaris bereid is deze optie verder te onderzoeken.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn benieuwd of dit kabinet met een reactie
komt op de verschillende beprijzingsstudies over gebouwde omgeving, ETS2 industrie
en veehouderij/akkerbouw en glastuinbouw, die met de Kamer zijn gedeeld zijn, en zo
ja, wanneer deze reactie komt.
Deze leden constateren dat uit het rapport over additionele CO2-beprijzing in de dienstensector blijkt dat verduurzaming onvoldoende rendabel is,
met als gevolg dat de uitstootdoelen voor 2030 niet behaald gaan worden. Het rapport
bevat twee voorstellen voor additionele reductie: een aanvullende CO2-heffing voor de dienstensector en aanpassing van de tarieven in de energiebelasting.
Deze leden vragen de Staatssecretaris welke route hij het meest kansrijk acht, of
de Staatssecretaris de voor- en nadelen van beide opties onder elkaar kan zetten en
of de Staatssecretaris daarbij specifiek kan kijken naar effectiviteit, uitvoerbaarheid
en negatieve bijeffecten. Welke optie heeft zijn voorkeur?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen ook dat emissiebeprijzing sterk bij
lijkt te kunnen dragen aan de sectordoelen voor 2035 en verder van de melkveehouderij
en varkenshouderij, maar dat er «nog veel stappen nodig» zijn voor de vormgeving van
dergelijke heffing. Deze leden vragen welke stappen de Staatssecretaris bereid is
op korte termijn te zetten en of hij wil gaan werken aan het uitwerken van een emissiebeprijzingsstelsel
voor de veeteelt. Zo nee, kan hij toelichten waarom niet? Kan de Staatssecretaris
daarbij specifiek ingaan op inhoudelijke argumenten om dit niet te doen?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen op het punt van warmtebedrijven en energiebelasting
dat warmtebedrijven profijt hebben van de manier waarop ze de energiebelasting in
rekening mogen brengen bij kleinverbruikers en dat dat voordeel afneemt tot de invoering
van de nieuwe tariefregulering. Deze leden vragen of de Staatssecretaris dit kan toelichten:
waarom neemt dit voordeel af in de komende jaren? Kan de Staatssecretaris in een tabel
weergeven wat op dit moment de verwachte ontwikkeling van de energiebelastingtarieven
is (in prijzen 2026)? In hoeverre is het kabinet van plan toe te werken naar een meer
vlak tarief in de energiebelasting, waarbij het verschil in belastingtarieven tussen
klein- en grootverbruikers kleiner wordt? In hoeverre is het kabinet van plan het
verschil tussen de energiebelasting op gas en die op elektriciteit, gemeten naar energie-inhoud
en broeikasgasuitstoot, te verkleinen?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de impact van fiscale maatregelen
op warmtebedrijven erg verschillend is en dat dit het gevolg is van grote verschillen
in de bedrijfsvoering van warmtebedrijven. Deze leden vragen de Staatssecretaris in
hoeverre de oplossing hiervoor wat hem betreft in de fiscaliteit ligt en of een oplossing
niet beter in de tariefregulering zelf gezocht kan worden. Kan de Staatssecretaris
aangeven in hoeverre de kostengebaseerde tariefsystematiek uit het wetsvoorstel Wcw
een oplossing biedt? Deze leden lezen dat de ACM in de derde fase de taak krijgt om
de tarieven vast te stellen. Komt er één tarief voor alle warmtebedrijven of biedt
de kostengebaseerde tariefsystematiek ruimte om daarin te differentiëren naar de verschillende
bedrijfsmodellen van warmtebedrijven?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie sluiten zich aan bij de opmerkingen van de
ambtsvoorganger van de Staatssecretaris over de ondoelmatigheid van het generiek verlagen
van de tarieven in de derde en vierde schijf van de energiebelasting op aardgas en
het aanpassen van de beperking van de inputvrijstelling voor elektriciteitsopwekking.
Deze leden vragen of de Staatssecretaris kan bevestigen dat de Staatssecretaris dit
geen goed idee vindt en dat de Staatssecretaris ook niet van plan is nóg een nieuw
verlaagd tarief in de energiebelasting op te nemen.
Deze leden vragen ook of inderdaad is overgegaan tot het toevoegen van de vervanging
van warmtebronnen uit de stadsverwarmingsregeling als uitzondering waarin de degressieve
tariefsystematiek van toepassing blijft, ook als het 50%-vereiste tijdelijk niet wordt
gehaald. Kan de Staatssecretaris toelichten hoe lang deze uitzondering maximaal kan
gelden? Wanneer kan worden gesproken van «vervanging»? Bestaat het risico dat warmtebedrijven
langdurig gebruikmaken van deze uitzondering en dat daarmee de facto een nieuwe fossiele
subsidie wordt geïntroduceerd?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen op het punt van het overzicht van fiscale
prikkels om circulaire transitie te versnellen dat een gerichte grondstofbelasting
een eerlijker speelveld zou kunnen creëren voor gerecyclede of biogebaseerde alternatieven,
maar grote weglekrisico’s kent, waardoor het verstandiger zou zijn een dergelijke
belasting op Europees niveau in te voeren. Deze leden vragen de Staatssecretaris of
de Staatssecretaris zich op Europees niveau inzet voor een dergelijke belasting. Zo
ja, in welke vorm doet de Staatssecretaris dat? Zo nee, waarom niet?
Deze leden lezen voorts dat de ambtsvoorganger van de Staatssecretaris besluitvorming
over aanvullende maatregelen graag wilde overlaten aan het nieuwe kabinet. Deze leden
vragen daarom welke aanvullende maatregelen het nieuwe kabinet van plan is te nemen
en of de Staatssecretaris kan reageren op de meegestuurde onderzoeken naar een hogere
inzameling van drankverpakkingen, een heffing op eenmalige plastic verpakkingen en
fiscale prikkels voor de circulaire transitie.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn van mening dat klimaat- en milieuschade
effectief beprijsd moeten worden. Deze leden lezen dat een heffing op het niet-energetisch
gebruik van minerale oliën een groot risico op weglekeffecten kent en vragen de Staatssecretaris
in hoeverre Europese afspraken hiervoor een oplossing zouden kunnen zijn en of de
Staatssecretaris zich voor dergelijke afspraken wil inzetten. Daarnaast merken deze
leden op dat een heffing op verpakkingen voor eenmalig gebruik dit euvel niet kent
en vragen deze leden waarom in de brief staat dat bij een dergelijke maatregel «significante
afbakeningsproblematiek» komt kijken.
Deze leden constateren dat Nederland op dit moment al een soort heffing op verpakkingen
voor eenmalige gebruik kent, namelijk de SUP-toeslag, voortkomende uit de SUP-richtlijn.
In hoeverre is het volgens de Staatssecretaris mogelijk om deze toeslag om te vormen
tot een daadwerkelijke heffing, waarbij de overheid het tarief vaststelt en de heffing
int? Wat zou de budgettaire opbrengst zijn als uitgegaan wordt van vergelijkbare tarieven
als nu worden gehanteerd? Waarom leidt deze toeslag niet tot afbakeningsproblematiek
en de heffing waarnaar in de brief verwezen wordt wel?
Deze leden vragen de Staatssecretaris hoe de Staatssecretaris kijkt naar de aanbevelingen
uit de verkenning naar een heffing op eenmalige plastic verpakkingen en of de Staatssecretaris
bereid is om vervolgonderzoek in te stellen op basis van het stappenplan uit de verkenning.
Ook vragen deze leden of de Staatssecretaris daarbij niet exclusief naar drankkartons
wil kijken, maar in brede zin naar plastic verpakkingen voor eenmalig verbruik.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat omzetting van de EIA naar een subsidie
de doelmatigheid kan verhogen als de subsidie gerichter wordt vormgegeven dan de huidige
fiscale regeling. Welke mogelijkheden ziet de Staatssecretaris voor een dergelijke
gerichtere vormgeving? Wegen de voordelen hiervan wat hem betreft op tegen de nadelen
van omzetting naar een subsidie (zoals hogere uitvoeringskosten en eenmalige omzettingskosten)?
Deze leden zijn ook benieuwd naar hoe de plannen voor EIA, MIA en Vamil zich verhouden
tot het naar de Kamer gestuurde onderzoek. Welke voordelen ziet de Staatssecretaris
aan het samenvoegen van de regelingen? En welke nadelen? Is dit ook onderzocht? Wat
is de aanleiding volgens de Staatssecretaris om de regelingen samen te voegen?
Deze leden vragen ook naar de mogelijkheden die in het onderzoek genoemd worden en
in hoeverre het kabinet van plan is deze voorstellen mee te nemen bij de eventuele
samenvoeging van de EIA, MIA en Vamil. Kijkt het kabinet bijvoorbeeld ook naar differentiatie
van het aftrekpercentage? Wat vindt de Staatssecretaris van de overige aanbevelingen?
Het valt deze leden op dat in het onderzoek gekeken is naar hoe EIA en MIA voor het
bedrijfsleven kunnen worden verbeterd en vereenvoudigd, maar niet naar vereenvoudiging
vanuit het perspectief van de Belastingdienst en ook niet naar verbeteren van de doelmatigheid.
Is de Staatssecretaris bereid daar alsnog onderzoek naar te laten uitvoeren?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat de Werkgroep Afvalsector met
een duidelijk advies is gekomen ten aanzien van de gevraagde alternatieven voor de
generieke tariefsverhoging van de afvalstoffenbelasting en de verhoging van de CO2-heffing industrie voor AVI’s. Deze leden vragen of de Staatssecretaris per maatregel
kan toelichten hoe wenselijk hij elk voorstel vindt en of de Staatssecretaris daarbij
in het bijzonder in kan gaan op uitvoeringsaspecten en weglekeffecten.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben nog enige overige vragen en constateren
dat in Nederland steeds meer SUV’s worden gekocht en dat het wagenpark gemiddeld steeds
zwaarder wordt. Het gevolg is dat het brandstofverbruik en de CO2-uitstoot toenemen en dat een substantieel deel van de klimaatwinst als gevolg van
de elektrificatie van het wagenpark ongedaan gemaakt wordt. Kan de Staatssecretaris
dit kwantificeren? Hoeveel is de CO2-uitstoot van auto’s in Nederland de afgelopen jaren afgenomen door elektrificatie
van het wagenpark en hoeveel is deze weer toegenomen doordat auto’s gemiddeld zwaarder
zijn geworden? Klopt het dat onze infrastructuur ook sneller slijt en steviger moet
worden gebouwd door zwaardere voertuigen?
Deze leden merken op dat zwaardere auto’s daarnaast veel meer materialen vergen. Dat
geldt ook voor elektrische auto’s. Het grotere materiaalgebruik leidt tot meer milieuschade.
Deze leden zijn daarom benieuwd naar de mogelijkheden om de aankoop en het gebruik
van zwaardere auto’s te ontmoedigen via fiscale instrumenten. De ambtsvoorganger van
de Staatssecretaris stelde in zijn reactie op de Groene Belastinggids «nader onderzoek
te willen doen naar het belasten van het aanschafmoment van personenauto’s, en daarbij
te kijken naar het voertuiggewicht». Kan de Staatssecretaris aangeven wat de huidige
stand van zaken is van dit onderzoek en of het kabinet van plan is zwaardere auto’s
ook zwaarder te belasten, bijvoorbeeld op het aanschafmoment?
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de stukken over fiscale vergroening.
Ten aanzien van de alternatieven van de afvalsector voor de afvalstoffenheffing (ter
dekking van de circulaire plasticheffing die niet kon doorgaan) zien de leden van
de CDA-fractie uit naar de reactie wat het kabinet hiermee gaat doen. Deze leden merken
ook op, dat op de voorstellen vanuit de afvalsector weer commentaar is gekomen vanuit
andere sectoren, onder andere vanuit de betrokkenen van de «Plastictafel». Deze leden
vragen of de Staatssecretaris bereid is bij de reactie op de voorstellen een brede
overweging toe te voegen van alle voorstellen en ideeën uit betrokken sectoren en
organisaties en te laten zien wat de afwegingen van het kabinet ten grondslag aan
de uiteindelijke keuze voor alternatieve invulling van de circulaire plasticheffing
zijn. Ook vragen deze leden hoe de Staatssecretaris de invullingsopgave ziet in het
licht van de brief over fiscale instrumenten in de keten, die bepleiten dat nieuwe
maatregelen vooral op EU-niveau moeten worden afgestemd om negatieve effecten op de
concurrentiepositie en weglekrisico’s te voorkomen?
De leden van de CDA-fractie lezen de evaluatie van de EIA, MIA en Vamil als onderstreping
van het belang van deze regelingen om ondernemers te ondersteunen bij verduurzamende
en milieuverbeterende investeringen. Deze leden merken op dat in het coalitieakkoord
is opgenomen dat de instrumenten worden samengevoegd tot één robuuste regeling en
vragen de Staatssecretaris in deze beweging ook mogelijke verbeteringen en administratieve
vereenvoudigingen mee te nemen. Kan de Staatssecretaris in de brief die hij na de
zomer wil sturen ook de mogelijkheid meenemen om investeringen in clean- en green
tech onder de EIA en MIA onder te brengen?
De leden van de CDA-fractie hebben nog enkele vragen ten aanzien van prikkels voor
circulair plastic. Deze leden merken op dat de Europese markt overspoeld wordt door
goedkoop Chinees nieuw plastic, terwijl gebruik van gerecycled plastic flink duurder
is. Deze leden vragen wat de voortgang is van initiatieven op EU-niveau om dit aan
te pakken. Deze leden vragen de Staatssecretaris te reflecteren op de concrete maatregelen
die de Plastictafel heeft voorgesteld voor nationale versnelling, waaronder het instrument
van de circulaire hefboom. Ook vragen deze leden wat uitvoeringstechnische en budgettaire
overwegingen bij de voorstellen zijn.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie
De leden van de PvdD-fractie vinden fiscale vergroening van cruciaal belang om Nederland
strategisch autonomer te maken, weerbaarder en duurzamer. Helaas moeten deze leden
constateren dat er nog weinig werk wordt gemaakt van echte fiscale vergroening. Deze
leden hebben dan ook nog enkele vragen.
De leden van de PvdD-fractie constateren ten aanzien van de landbouw dat uit de studie
naar broeikasgasemissiebeprijzing in de veehouderij en akkerbouw blijkt dat financiële
prikkels effectief kunnen zijn in het sturen van verduurzaming binnen de landbouwsector.
Deze leden merken op dat in Denemarken een heffing op schadelijk lanndbouwgif wordt
toegepast waardoor biologische en duurzame landbouw economisch aantrekkelijker is,
het principe «de vervuiler betaalt» wordt gehanteerd en de volksgezondheid en natuurkwaliteit
worden bevorderd. Is de Staatssecretaris bereid te onderzoeken of een vergelijkbare
heffing in Nederland kan worden ingevoerd om duurzame landbouw te stimuleren en het
gebruik van schadelijk landbouwgif te reduceren?
De leden van de PvdD-fractie zijn ten aanzien van de circulaire economie ervan overtuigd
dat we geen circulaire economie kunnen realiseren zonder ons fiscaal systeem te vergroenen.
Zolang het duurder is om producten te repareren in plaats van een nieuw product te
kopen, ligt de prijsprikkel op de verkeerde plek en stimuleert de prijsprikkel de
wegwerpeconomie. Zolang je de prijsprikkel niet verschuift, zal er nooit een gelijk
speelveld worden gecreëerd voor Nederlandse circulaire ondernemers, omdat deze niet
kunnen opboksen tegen de prijzen van wegwerpproducten uit (vaak) niet-Europese landen.
Is de Staatssecretaris het met deze leden eens dat het gebrek aan fiscaal stimuleren
van een circulaire economie ook de wens naar meer strategische autonomie en Nederlandse
bedrijvigheid ondermijnt?
Om strategische autonomie en de circulaire economie juist te versnellen kan arbeid
goedkoper worden gemaakt en het gebruik van nieuwe grondstoffen meer worden belast.
Ex’tax heeft hier interessante studies naar gedaan, zo constateren deze leden. Het
levert banen op, verlaagt milieuschade en maakt de circulaire economie haalbaar. Het
vorige kabinet zag vooral beren op de weg. Is het nieuwe kabinet bereid om het model
van Ex’tax mee te nemen in de fiscale hervormingen waar het kabinet mee aan de slag
gaat? Zo nee, waarom niet? Is de Staatssecretaris bereid om een plan uit te werken
om lastenverlichting op arbeid te dekken, aanvullend op de voorgestelde milieubelastingen,
aangezien de Staatssecretaris aangeeft dat de belastingopbrengsten vanuit milieubelastingen
eroderen als zij succesvol blijken?
De leden van de PvdD-fractie vragen welke stappen worden gezet voor het snel en laagdrempelig
maken van het creëren van meer investeringsruimte voor circulaire initiatieven? Wil
de Staatssecretaris snel aan de slag met banken, verzekeraars en investeerders over
hoe zij de circulaire en dus de wél toekomstgerichte businesscase makkelijker kunnen
ondersteunen? Is de Staatssecretaris bereid om in gesprek te gaan met koplopers op
dit gebied, zoals de Kopgroep Circulair Financieren?
Denkt de Staatssecretaris daarnaast mee over de mogelijkheden van een fiscale vergroening
binnen het aanbestedingssysteem, ook op het niveau van lokale overheden, zodat circulaire
en inclusieve partijen voorrang krijgen op basis van lokale impact? Gemeenten willen
vaak wel circulair aanbesteden, maar missen de kennis en capaciteit om dit vorm te
geven. Hoe kan de Staatssecretaris, samen met andere departementen, daarbij assisteren?
De leden van de PvdD-fractie zien veel goede maatregelen in het overzicht van fiscale
prikkels om de circulaire transitie te versnellen, maar in deze maatregelen zien deze
leden nog te weinig de erkenning voor het leidende principe «de vervuiler betaalt».
Waarom blijven echte maatregelen uit die dit principe volgen? Hoe kan dit leidende
principe steviger worden geborgd?
Deze leden vragen ook graag aandacht voor de door de Kamer gesteunde «circulaire hefboom»,
waarbij via een heffing op het gebruik van nieuwe fossiele plastics in eindproducten
middelen worden teruggesluisd naar de circulaire materialentransitie, waardoor zowel
een prijsprikkel als investeringsruimte ontstaat. Deelt de Staatssecretaris de analyse
dat een dergelijk instrument kan bijdragen aan opschaling van circulaire bedrijvigheid?
Is de Staatssecretaris bereid om de doelheffing in dit instrument mogelijk te maken,
vanwege de brede politieke Kamermeerderheid (motie Wingelaar (Kamerstuk 32 852, nr. 387)) en dit instrument aan de Plastictafel aan te dragen als bijdrage aan een circulaire
economie in 2050?
De leden van de PvdD-fractie constateren dat in eerdere verkenningen een milieubelasting
op drankverpakkingen naar Noors model is uitgewerkt, waarbij de hoogte van de heffing
afneemt naarmate producenten hogere inzamelpercentages realiseren en deze bij hoge
prestaties zelfs volledig kan vervallen. Deze leden merken op dat dit instrument een
directe prikkel geeft voor zowel producentenverantwoordelijkheid als hoogwaardige
inzameling en daarmee bijdraagt aan de circulaire economie. Hoe apprecieert de Staatssecretaris
dit model? Is de Staatssecretaris bereid om deze vorm van gedifferentieerde milieubelasting,
mede in het licht van de noodzaak om circulaire prikkels te versterken, verder te
verkennen en uit te werken?
De leden van de PvdD-fractie constateren dat het kabinet stelt dat een verlaagd btw-tarief
voor circulaire producten over het algemeen niet doelmatig is, mede vanwege beperkte
effectiviteit aan de vraagzijde. Dit staat in schril contrast met de wens van de Kamer
(zie aangenomen motie Kostic c.s. over nul procent btw op tweedehands en reparatiediensten
juridisch mogelijk maken (Kamerstuk 21 501-08, nr. 977)). Deze leden wijzen er nogmaals op dat een dergelijk instrument in ieder geval bijdraagt
aan het voortbestaan van sociale kringloopwinkels, waarvan vele het financieel moeilijk
hebben, maar ook helpt het bij het aantrekkelijker maken voor producenten en retailers
om tweedehands en circulaire producten aan te bieden. Deelt de Staatssecretaris de
analyse dat een verlaagd btw-tarief, ondanks beperkte effecten op consumentengedrag,
een positieve prikkel kan vormen voor het aanbod van circulaire producten? Is het
kabinet bereid om deze aanbodzijde explicieter mee te wegen in de beoordeling van
de doelmatigheid van dit instrument?
De leden van de PvdD-fractie vragen de Staatssecretaris of de Staatssecretaris bekend
is met de uitdagingen van commerciële huur waar veel circulaire ondernemers tegenaan
lopen? Zeker sociaal- én circulaire ondernemers zoals kringlooporganisaties kunnen
vaak de hoge huren niet opbrengen die gevraagd worden in winkelstraten. Voor gemeenten
en vastgoedbeheerders is het vaak niet rendabel om de huren te verlagen voor dit soort
maatschappelijke ondernemers, omdat daardoor de vastgoedwaarde daalt. Is de Staatssecretaris
bereid om naar mogelijkheden te kijken, eventueel samen met zijn collega van VRO,
of er fiscale maatregelen doorgevoerd kunnen worden die het voor gemeenten en beheerders
mogelijk maken om langdurige contracten aan te bieden tegen verlaagde tarieven zodat
circulaire en sociale ondernemers zichtbaar kunnen zijn bij het brede winkelende publiek?
Tot slot hebben de leden van de PvdD-fractie nog een vraag over belasting op zware
personenauto’s. Voormalig Staatssecretaris Heijnen gaf op 19 december aan dat hij
nader onderzoek wilde doen naar het blijven belasten van het aanschafmoment van personenauto’s,
en daarbij ook te zullen kijken naar het voertuiggewicht. Wat is de stand van dit
onderzoek en is het kabinet van plan om zwaardere auto’s ook bij het aanschafmoment
meer te belasten?
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
C.A. (Chris) Jansen, voorzitter van de vaste commissie voor Financiën -
Mede ondertekenaar
W.A. Lips, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.