Inbreng verslag schriftelijk overleg : Inbreng verslag van een schriftelijk overleg over o.a. Monitoring van de effecten van de aanpak van belastingontwijking (Kamerstuk 25087-357)
2026D14440 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
De vaste commissie voor Financiën heeft op 27 maart 2026 een aantal vragen en opmerkingen
voorgelegd aan de Staatssecretaris van Financiën over de volgende brieven:
Fiscale geheimhoudingsplicht (Kamerstuk 31 066, nr. 1510)
Vervolgonderzoek trailing taks (Kamerstuk 25 087, nr. 356)
Monitoring van de effecten van de aanpak van belastingontwijking (Kamerstuk 25 087, nr. 357)
Onderzoek verschillen commerciële en fiscale jaarrekeningen (Kamerstuk 31 066, nr. 1524)
Overwogen opties voor dekking van het arrest van de Hoge Raad van 21 maart 2025 in
de liquidatieverliesregeling (Kamerstuk 36 812, nr. 117)
De voorzitter van de commissie,
Jansen
Adjunct-griffier van de commissie,
Lips
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de brief van de
Staatssecretaris van Financiën over de overwogen opties voor de dekking van de budgettaire
gevolgen van het arrest van de Hoge Raad met betrekking tot de liquidatieverliesregeling.
Deze leden onderstrepen het belang van een gelijk speelveld binnen Europa en stabiliteit
en voorspelbaarheid voor ondernemers. Tegelijkertijd achten deze leden het van belang
dat het belastingstelsel doelmatig en uitvoerbaar is, met oog voor het beperken van
regeldruk en administratieve lasten. Deze leden hebben nog enkele vragen.
Deze leden vragen de Staatssecretaris om nader toe te lichten hoe de structurele derving
van 65 miljoen euro is opgebouwd en welke type bedrijven hier met name aan bijdragen.
Tevens vragen deze leden in hoeverre het kabinet verwacht dat deze derving zich in
de komende jaren zal ontwikkelen, ook als gevolg van reacties op het niet afschaffen
van de liquidatieverliesregeling.
De leden van de D66-fractie constateren dat het kabinet verschillende opties heeft
verkend om de budgettaire verliezen binnen de liquidatieverliesregeling zelf te dekken,
maar uiteindelijk concludeert dat deze opties niet leiden tot een betere uitkomst
in termen van uitvoerbaarheid, EU-rechtelijke houdbaarheid en vestigingsklimaat. Kan
de Staatssecretaris toelichten hoe de effecten op het vestigingsklimaat zijn afgezet
tegen het belang van het beperken van de budgettaire derving en hoe deze balans in
dit geval is beoordeeld?
Deze leden constateren dat opties 3 en 4 worden afgewezen vanwege complexiteit, terwijl
de gekozen maatregel buiten de regeling eveneens technisch complex lijkt. Kan de Staatssecretaris
concreet toelichten waarom de uitvoeringslasten van de gekozen maatregel lager of
beter beheersbaar zijn dan die van de overwogen opties binnen de regeling? Hoe wordt
geborgd dat de nieuwe maatregel niet leidt tot een toename van administratieve lasten
voor bedrijven, in strijd met de ambitie om deze juist te verminderen?
Deze leden hebben kennisgenomen van de eerdere brieven over de monitoring van belastingontwijking
van en het vervolgonderzoek naar de trailing taks beide van 15/12/2025. In de monitoringsbrief
wordt geconcludeerd dat bepaalde maatregelen effectief zijn, maar dat ontwijkingsgedrag
zich kan verplaatsen. In hoeverre is bij de huidige problematiek rond de liquidatieverliesregeling
sprake van verplaatsing van fiscale structuren, en hoe is dat meegewogen?
Deze leden lezen in het onderzoek naar de trailing tax juist dat nationale maatregelen
vaak beperkt effectief zijn door internationale beperkingen. In hoeverre spelen dergelijke
internationale beperkingen ook een rol bij de keuze om de liquidatieverliesregeling
zelf niet aan te passen, maar de oplossing te zoeken in de fiscale behandeling van
valutaresultaten?
De leden van de D66-fractie hechten eraan dat nationale fiscale keuzes niet leiden
tot verstoringen van het gelijke speelveld binnen Europa. In hoeverre wijken de huidige
vormgeving van de liquidatieverliesregeling en de gekozen dekkingsmaatregel af van
regelingen in andere EU-lidstaten en hoe wordt geborgd dat hierdoor geen ongelijk
speelveld ontstaat voor Nederlandse bedrijven die internationaal opereren?
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de verschillende
brieven over belastingontwijking. Deze leden hebben nog enkele vragen.
De leden van de VVD-fractie lezen ten aanzien van de fiscale geheimhoudingsplicht
dat de fiscale geheimhoudingsplicht strikt is vormgegeven en dat alle informatie over
individuele belastingplichtigen hieronder valt. Tegelijkertijd wordt benadrukt dat
goede informatieverstrekking aan het parlement essentieel is voor zijn controlefunctie.
Hoe beoordeelt het kabinet de huidige balans tussen fiscale geheimhouding en het recht
van de Kamer op informatie en acht het kabinet aanvullende waarborgen nodig om te
voorkomen dat informatieachterstanden van de Kamer ontstaan?
De brief stelt dat Nederland internationaal niet uniek is in de strikte toepassing
van fiscale geheimhouding. Ook is aangegeven dat recent onderzoek geen aanleiding
is om het Nederlandse beleid te versoepelen. Daarbij is opgemerkt dat andere landen
soms verschillen in detailinvulling kennen. Is het kabinet bereid een overzicht te
verstrekken van landen waar wél meer parlementaire transparantie over fiscale dossiers
wordt geboden, om te beoordelen of onderdelen daarvan mogelijk wenselijk zijn voor
het Nederlandse stelsel?
In de brief wordt aangegeven dat vertrouwelijke verstrekking aan de Kamer een waardevol
instrument is, maar wel een inbreuk vormt op de belangen van geheimhouding. Volgens
de brief moet per geval zorgvuldig worden afgewogen of vertrouwelijke verstrekking
proportioneel is. Kan nauwkeurig worden aangegeven onder verwijzing naar relevante
bronnen in de wetsgeschiedenis (van de invoering van artikel 67 van de AWR in huidige
vorm) en/of jurisprudentie waarom de conclusie in het advies van de Landsadvocaat
van 29 november 2023 over niet-herleidbare gegevens en artikel 67 van de AWR onjuist
is en waarom de conclusie van B.M. van der Sar in zijn proefschrift getiteld «Fiscale
geheimhoudingsplicht: art. 67 AWR ontrafeld» onjuist is?
Bij de beantwoording van vraag 26 van het schriftelijk overleg over de Jaarrapportage
Belastingdienst 2024 is hierop niet inhoudelijk ingegaan: waarom niet? Is het kabinet
het ermee eens dat voor de interpretatie van een wettelijke bepaling zoals artikel
67 van de AWR alleen de parlementaire geschiedenis tijdens de behandeling van de wet
relevant kan zijn en dat dus latere uitlatingen, die zijn gedaan door de Staatssecretaris
niet zijn gedaan in de hoedanigheid van (mede) wetgever, maar in de hoedanigheid van
uitvoerder? Kan het kabinet toezeggen aan de Kamer om alsnog in artikel 67 van de
AWR te regelen dat niet-herleidbare gegevens gepubliceerd mogen worden om zo verdere
schendingen van de fiscale geheimhoudingsplicht door de Belastingdienst te voorkomen?
Zo niet, wat zijn dan de potentiële (strafrechtelijke) gevolgen mocht een rechter
oordelen dat publicatie van dergelijke gegevens wél in strijd is met artikel 67 van
de AWR?
De leden van de VVD-fractie lezen dat het kabinet streeft naar maximale transparantie
binnen de wettelijke kaders, onder meer via rulingpublicaties en technische briefings.
Tegelijkertijd worden grenzen zichtbaar bij informatie over individuele belastingplichtigen.
Welke aanvullende mogelijkheden ziet het kabinet om geanonimiseerde of geaggregeerde
informatie toegankelijker te maken voor de Kamer, zonder de fiscale geheimhoudingsplicht
te doorbreken?
De leden van de VVD-fractie lezen ten aanzien van het vervolgonderzoek naar een trailing
tax dat blijkt dat het verwachte budgettaire belang van een trailing tax relatief
gering is: circa 16–38 miljoen euro per jaar, afhankelijk van de duur van de regeling.
Tegelijkertijd zou de uitvoering omvangrijke lasten veroorzaken bij zowel belastingplichtigen
als de Belastingdienst, mede door langdurige monitoring en lastig te verkrijgen informatie
bij niet-verdragslanden. Hoe beoordeelt het kabinet de proportionaliteit van een maatregel
met zo’n beperkte opbrengst en zulke hoge uitvoeringskosten en welke concrete drempel
hanteert het kabinet bij de afweging tussen opbrengst, uitvoerbaarheid en privacy-impact?
In de brief wordt aangegeven dat vermogende personen de maatregel eenvoudig kunnen
ontwijken door eerst naar een hoger-belast land te verhuizen en daarna door te migreren
naar een laagbelastend land. Dergelijke constructies zouden de effectiviteit aanzienlijk
ondermijnen. Welke opties ziet de Staatssecretaris om dergelijke step-up-emigraties
te voorkomen zonder de regeling disproportioneel complex te maken?
De leden van de VVD-fractie lezen dat een exitheffing op vermogen mogelijk effectiever
is dan een trailing tax, omdat deze vóór emigratie kan worden geheven en minder door
verdragen wordt beperkt. Tegelijkertijd zijn er juridische en uitvoeringsvragen. Is
het kabinet bereid om voor de Kamer een verkennende analyse te sturen van de uitvoerbaarheid,
juridische grenzen en mogelijke varianten van een exitheffing gericht op laagbelastende
bestemmingen?
De leden van de VVD-fractie lezen ten aanzien van de monitoring van de effecten van
de aanpak van belastingontwijking dat de inzet op internationale ontwikkelingen zoals
Pijler 1 en 2, Unshell en FASTER belastingontwijking verder moet terugdringen. Tegelijkertijd
worden zorgen geuit over administratieve lasten en uitvoerbaarheid.
Hoe borgt het kabinet dat nieuwe Europese en internationale maatregelen niet leiden
tot stapeling van verplichtingen voor bedrijven, en wordt daarbij structureel toetsing
op uitvoering vooraf gedeeld met de Kamer?
De leden van de VVD-fractie lezen dat in EU-verband wordt gewerkt aan DAC10 en verdere
harmonisatie van gegevensuitwisseling. De brief benoemt dat dit de kwaliteit van informatie-uitwisseling
moet verbeteren, maar dat harmonisatie complex is. Is de Staatssecretaris bereid de
Kamer vroegtijdig te informeren over Nederlandse inzet bij DAC10, inclusief de gewenste
balans tussen informatiebehoefte, proportionaliteit en uitvoerbaarheid? Kan het kabinet
een update geven over de aanstaande omnibusrichtlijn directe belastingen en de aanpassing
van de DAC-richtlijn? Kan het kabinet delen wat er qua wijzigingen in de tekstvoorstellen
staan? Zo niet, kan dit met de commissie worden gedeeld in een besloten technische
briefing?
Is het kabinet voornemens om de omnibusrichtlijn en de aanpassing van de DAC-richtlijn
aan te grijpen om Nederlandse koppen op Europese fiscale wetgeving terug te draaien?
Zo ja, om welke koppen gaat het dan? Zo nee, waarom niet?
De leden van de VVD-fractie lezen dat de voorraad directe buitenlandse investeringen
sterk is gedaald bij doorstroomvennootschappen, maar niet bij ondernemingen met reële
activiteiten. Dit wordt gekoppeld aan effectiviteit van anti-ontwijkingsmaatregelen.
In hoeverre acht het kabinet aanvullende maatregelen nodig om resterende doorstroomstructuren
af te bouwen en hoe voorkomt het kabinet tegelijkertijd dat legitieme internationale
bedrijven worden geraakt? Kan het kabinet aangeven of het wenselijk is dat buitenlandse
directe investeringen significant zijn afgenomen de afgelopen jaren?
In welke mate zijn reële buitenlandse directe investeringen misgelopen door te strenge
Nederlandse belastingwetgeving? Wat is de geschatte belastingopbrengsten en welvaart
die Nederland hierdoor is misgelopen?
De leden van de VVD-fractie lezen op het punt van het onderzoek naar verschillen tussen
commerciële en fiscale jaarrekeningen ook dat een belangrijk deel van het totale verschil
(gemiddeld 4,6 miljard euro) bestaat uit posten die niet herleidbaar zijn. Welke maatregelen
neemt de Belastingdienst om de transparantie van deze correcties te verbeteren, en
kan de Kamer voortaan jaarlijks inzicht krijgen in de categorieën waar deze verschillen
ontstaan?
De leden van de VVD-fractie lezen op het punt van de overwogen opties voor dekking
van het arrest van de Hoge Raad van 21 maart 2025 in de liquidatieverliesregeling
dat als blijkt dat de aanpassing van de deelnemingsvrijstelling voor wat betreft valutaresultaten
negatief is voor het vestigingsklimaat, een alternatief zou worden overwogen? Welke
signalen heeft het kabinet tot nu toe ontvangen over de impact van de voorgestelde
wijziging op het Nederlandse vestigingsklimaat?
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn van mening dat de Nederlandse overheid
alle zeilen bij moet zetten om belastingontwijking tegen te gaan. Deze leden hebben
dan ook veel vragen over de brieven over dit onderwerp.
Deze leden merken ten aanzien van de fiscale geheimhoudingsplicht op dat het lid Stultiens
eerder vroeg naar de mogelijkheden om de fiscale geheimhoudingsplicht conform artikel
67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) te versoepelen. De brief van
een ambtsvoorganger van de huidige Staatssecretaris van 21 juli 2025 noemt echter
nul daadwerkelijke mogelijkheden. Deze leden lezen slechts dat de toenmalige Staatssecretaris
«geen reden» zag om het beleid aan te passen. De vraag was echter niet of de Staatssecretarissen
redenen zag: deze leden zien die redenen namelijk wel. De vraag was welke mogelijkheden
hij zag. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen daarom of de Staatssecretaris
alsnog kan verkennen wat de mogelijkheden zijn.
Specifiek valt het deze leden op dat in de brief wordt genoemd dat «de mogelijke voordelen»
van het verstrekken van processuele informatie «beperkt» lijken. Deze leden lezen
echter in één van de meegestuurde beslisnota’s dat het verstrekken van processuele
informatie «mogelijk in een behoefte kan voorzien». Deze leden vragen daarom of deze
Staatssecretaris bereid is processuele informatie in individuele belastingdossiers
met de Kamer te delen. Zo nee, kan de Staatssecretaris toelichten waarom niet? Welke
inhoudelijke argumenten ziet de Staatssecretaris om dit niet te doen? Voorts vragen
deze leden hoe de Staatssecretaris aankijkt tegen een optie uit het Bouwstenenrapport
2024, namelijk een wijziging van de huidige praktijk door de Belastingdienst de mogelijkheid
te geven een wijziging van de huidige wetgeving omtrent de fiscale geheimhoudingsplicht,
waardoor de Belastingdienst meer mogelijkheden verkrijgt om inhoudelijke informatie
over individuele belastingdossiers openbaar te delen met de Kamer. Kan de Staatssecretaris
aangeven welke inhoudelijke argumenten er zijn om dit niet te doen?
Deze leden vragen ook wat de conclusies waren van de ambtelijke verkenning uit 2023
naar de mogelijkheden van verdergaande informatieverstrekking onder de fiscale geheimhoudingsplicht
en welke mogelijkheden tot verruiming van informatieverstrekking onder de fiscale
geheimhoudingsplicht nog meer in kaart zijn gebracht. Kan de Staatssecretaris per
mogelijkheid aangeven of hij deze mogelijkheid in de praktijk wil brengen en zo nee,
waarom niet? Kan de Staatssecretaris daarbij per mogelijkheid toelichten welke inhoudelijke
argumenten de Staatssecretaris ziet om deze niet uit te voeren?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken ook op dat artikel 67 van de AWR in
2008 nog is herzien. Kan de Staatssecretaris beschrijven wat die herziening inhield
en in hoeverre deze wat de Staatssecretaris betreft succesvol is geweest? Welke mogelijkheden
ziet de Staatssecretaris voor een nieuwe herziening van dit artikel met als doel om
ruimere informatieverstrekking in het kader van het tegengaan van belastingontwijking
mogelijk te maken?
Verder merken deze leden op dat het kabinet in de reactie op de motie Stultiens (Kamerstuk
25 087, nr. 351) over transparantie over de belastingafdracht van multinationals niet is in ingegaan
op de voorbeelden die in die motie worden genoemd, namelijk het aanscherpen van fiscale
verslaggevingsstandaarden en het openbaar maken van verrekenprijsrapporten. De ambtsvoorganger
van de Staatssecretaris noemt wel wat het huidige beleid is, maar niet welke mogelijkheden
voor verbetering er zijn. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of de Staatssecretaris
dit alsnog kan doen.
Deze leden zijn blij om te lezen dat het vorige kabinet zich wilde inzetten voor het
maken van internationale afspraken over de belastingheffing van zeer vermogende personen.
Deze leden hopen dat dit voor het huidige kabinet ook geldt. Tegelijkertijd merken
deze leden op dat er op dit moment helaas internationaal onvoldoende draagvlak is
voor het maken van dergelijke afspraken en dat dit dus een zaak van de lange adem
is. Deelt de Staatssecretaris deze inschatting? Deze leden zijn dan ook van mening
dat het goed zou zijn als vooruitstrevende landen het voortouw nemen en niet wachten
op internationale consensus, ook als het gaat het om het belasten van zeer vermogende
personen. Is de Staatssecretaris het daarmee eens?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie snappen ten aanzien van het vervolgonderzoek
naar trailing tax dat trailing taxes in kunnen gaan tegen bestaande belastingverdragen.
Deze leden vragen daarom of de Staatssecretaris een lijst kan maken van landen waarmee
Nederland geen belastingverdrag heeft en in welke gevallen een trailing tax relevant
kan zijn. Deze leden vragen ook hoe andere landen, zoals Duitsland, Finland, Spanje,
Portugal en Frankrijk, omgaan met belastingverdragen en hun respectievelijke trailing
taxes. Zijn deze ook alleen van toepassing richting landen waarmee geen belastingverdrag
is afgesloten of is hierover iets opgenomen in de relevante verdragen?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met interesse gelezen over de potentiële
opbrengst van een trailing tax. Deze leden lezen dat voor de inschatting is uitgegaan
van een vermogensdrempel gebaseerd op de één procent grootste vermogens in Nederland
en vragen of de Staatssecretaris kan kwantificeren hoe hoog de drempel dan zou zijn
in euro’s. Deze leden merken daarbij op dat zeer vermogende individuen in Nederland
op dit moment al heel weinig belasting betalen. Een inschatting van de opbrengst kan
daarmee een (forse) onderschatting zijn, indien de trailing tax wordt gecombineerd
met het aanscherpen van de binnenlandse belastingheffing van zeer vermogende individuen.
Is de Staatssecretaris het daarmee eens?
Deze leden verwijzen daarbij naar de zogenaamde Zucman tax, oftewel het voorstel om
zeer vermogende individuen altijd minimaal twee procent van de nettowaarde van hun
vermogen aan inkomstenbelasting te laten betalen. Deze leden merken op dat een trailing
tax of exitheffing kan helpen bij het voorkomen van kapitaalvlucht, indien de Zucman
tax daadwerkelijk ingevoerd zou worden. Hoe ziet de Staatssecretaris dit?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie noemen bijvoorbeeld een vermogensdrempel van
10 miljoen euro, waarbij de trailing tax wordt geheven op het moment dat individuen
met een groter vermogen verhuizen naar een jurisdictie waarin zij jaarlijks minder
dan twee procent van hun vermogen aan belasting hoeven af te dragen. Deze leden merken
op dat daarbij gekozen kan worden voor een exitheffing in het geval van laagbelaste
landen waarbij de trailing tax niet kan worden geëffectueerd vanwege belastingverdragen.
Kan de Staatssecretaris toelichten in hoeverre deze variant wat hem betreft uitvoerbaar,
juridisch houdbaar en doelmatig is? Deze leden vragen voorts of de Staatssecretaris
bereid is de juridische houdbaarheid, uitvoerbaarheid en proportionaliteit van een
dergelijke exitheffing verder te onderzoeken. Ook vragen deze leden wanneer de Staatssecretaris
van plan is de in de brief genoemde beleidsevaluatie van bestaande exitheffingen naar
de Kamer te sturen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn op het punt van de monitoring van de
effecten van de aanpak van belastingontwijking verheugd te lezen dat de bronbelasting
effectief lijkt in het tegengaan van ongewenste geldstromen naar laagbelastende jurisdicties.
Deze leden vragen of de Staatssecretaris mogelijkheden ziet voor het verder verbeteren
van de bronbelasting. Daarnaast vragen deze leden of het tarief in de bronbelasting
meestijgt met eventuele stijgingen van het reguliere tarief in de vennootschapsbelasting.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de voorraad aan inkomende directe
buitenlandse investeringen weliswaar niet meer stijgt, maar wel zeer groot blijft
en dat dit deels kan komen door structuren die oorspronkelijk een belastingbesparing
als doel hadden en nu blijven bestaan, ondanks dat ze niet meer daadwerkelijk tot
een belastingbesparing leiden. Kan de Staatssecretaris verklaren waarom deze voorraad
niet verplaatst wordt naar andere landen, die meer voor de hand liggen als het doel
nog steeds is om een belastingbesparing te bereiken?
Deze leden vragen ook naar de evaluatie van de ATAD-richtlijn door de Europese Commissie.
Klopt het dat de resultaten hiervan in het tweede kwartaal van 2026 worden verwacht?
Wat verwacht de Staatssecretaris inhoudelijk van deze evaluatie? Deze leden zijn blij
te lezen dat ATAD1 en ATAD2 ons belastingstelsel robuuster hebben gemaakt tegen belastingontwijking.
Deze leden maken zich echter wel zorgen om de impact van de ATAD-richtlijn op woningcorporaties.
De richtlijn is immers bedoeld om belastingontwijking tegen te gaan, niet om de investeringsmogelijkheden
van woningcorporaties te beperken. Is de Staatssecretaris het daarmee eens? Wat vindt
de Staatssecretaris ervan dat de Nederlandse implementatie van de richtlijn als neveneffect
heeft dat de lastendruk voor woningcorporaties is toegenomen, waardoor zij minder
kunnen investeren in volkshuisvesting en verduurzaming, terwijl zij niet relevant
zijn als het gaat om internationale belastingontwijking? Deze leden vragen of de Staatssecretaris
het ermee eens is dat de in het coalitieakkoord afgesproken middelen voor de corporatiesector
niet voldoende zijn om de negatieve gevolgen van de richtlijn ongedaan te maken? Welke
mogelijkheden ziet hij om corporaties hierin te ondersteunen?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen op het punt van het onderzoek naar verschillen
in commerciële en fiscale jaarrekeningen voorts dat de belastbare winst van bedrijven
tussen 2010 en 2020 gemiddeld zo’n 29 miljard euro lager lag dan de commerciële winst
en dat dit «grotendeels te verklaren valt door de deelnemingsvrijstelling en verliesverrekening».
Deze leden vragen om een nadere toelichting op deze verklaring. Klopt het dat de winsten
van dochterondernemingen dubbel geteld zijn in de commerciële winst? Zo nee, hoe kan
de deelnemingsvrijstelling dan het verschil tussen de commerciële winst en fiscale
winst verklaren? Deze leden vragen verder of verliezen in de onderzochte periode ook
in mindering zijn gebracht op de totale commerciële winst. Zo ja, zou de verliesverrekening
dan niet van beperkte invloed moeten zijn op het verschil tussen de fiscale en commerciële
winst, omdat verliezen bij bedrijven er ook toe kunnen leiden dat de totale fiscale
winst van de onderzochte bedrijven hoger uitpakt dan de commerciële winst? Kan de
Staatssecretaris toelichten in hoeverre de Staatssecretaris verwacht dat dit effect
en het effect van de verliesverrekening elkaar opheffen?
Deze leden merken op dat het rapport aanbeveelt om de bepalingen omtrent afschrijvingen
zoals opgenomen in artikel 3.30 en 3.30a van de Wet inkomstenbelasting 2001 op te
nemen in de evaluatieagenda. Daarnaast wordt aanbevolen om «nader te bekijken waardoor
de herwaarderingen – met name bij valutaresultaten – optreden», en om «te bezien of
het dichter aan te laten sluiten van de belastingwetgeving bij de commerciële verslaggevingsregel
wenselijk is». Tot slot bevelen de onderzoekers aan om verder te onderzoeken of de
gehanteerde beginselen van het fiscale totaalwinst- en jaarwinstbegrip nog passend
zijn. Deze leden vragen of de Staatssecretaris van plan is om deze aanbevelingen op
te volgen en zo nee, waarom niet. Kan de Staatssecretaris dit per aanbeveling aangeven?
Ook vragen deze leden of bedrijven op dit moment ook hun commerciële winst rapporteren
aan de Belastingdienst en zo nee, of de Staatssecretaris dit wil verplichten. Zo de
Staatssecretaris dit niet wil, kan hij toelichten waarom niet?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen op het punt van de overwogen opties
voor dekking van het arrest van de Hoge Raad in de liquidatieverliesregeling dat de
zes verschillende dekkingsopties in de liquidatieverliesregeling beoordeeld zijn op
EU-rechtelijke aspecten, budgettaire gevolgen, uitvoering en vestigingsklimaat. Deze
leden menen dat op basis hiervan een afweging kan worden gemaakt, mits duidelijk is
wat prioriteit heeft. Deze leden vragen daarom of de Staatssecretaris een rangorde
kan aanbrengen: welke aspecten vindt de Staatssecretaris het belangrijkst?
Deze leden lezen dat de «voor-zover-benadering» in optie 4 afwijkt van het voorstel
in het amendement Stultiens (Kamerstuk 36 812, nr. 69) en tot een grotere toename in complexiteit leidt, maar dat de benadering uit het
amendement Stultiens wel een optie zou kunnen zijn. Kan de Staatssecretaris toelichten
waarom deze optie niet is meegenomen in de brief en wat de voor- en nadelen van deze
optie verder zijn? Deze leden willen ook graag meer weten over de alles-of-niets-benadering
die genoemd is in de brief, die zou leiden tot een budgettaire opbrengst van 300 à
400 miljoen euro. Kan de Staatssecretaris deze variant verder toelichten?
Klopt het dat de Belastingdienst vóór het genoemde arrest van de Hoge Raad zelf uitging
van een alles-of-niets-benadering? Zou het terugbrengen van een dergelijke benadering
daarmee niet de meest logische reparatie van de wet zijn en dus ook de meest logische
dekkingsoptie voor de genoemde budgettaire tegenvaller? Klopt het dat de «alternatieve
dekkingsoptie die ter internetconsultatie wordt aangeboden» buiten de liquidatieverliesregeling
valt en daarmee afwijkt van het uitgangspunt dat aan het begin van de brief is genoemd?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen de Staatssecretaris ook kan kijken
naar enkele specifieke aspecten van optie 5 (codificatie van het Besluit deelnemingsvrijstelling).
Kan de Staatssecretaris aangeven welke Europeesrechtelijke risico’s volgens hem aan
deze optie kleven? Deze leden vragen of de Staatssecretaris daarbij aandacht kan besteden
aan de aantekening van de heer Ruijschop in NLFiscaal 2026/0081, die zich afvraagt
of de rechtspraak van het Europese Hof van Justitie «niet al voldoende ruimte biedt
om verliezen waarvoor een grouprelieffaciliteit of andersoortige regeling heeft opengestaan,
buiten de deur te houden». Is de Staatssecretaris het met deze auteur eens dat optie
5 wel degelijk reëel is te noemen?
Deze leden merken op dat het opvallend is om zes dekkingsopties voor te leggen aan
de Kamer, om vervolgens te concluderen dat alle opties afgekeurd zijn. Deze leden
merken ook op dat de brief zoals gezegd niet ingaat op het voorstel in het genoemde
amendement Stultiens, maar wel concludeert dat een combinatie tussen dat voorstel
en het verlagen van de drempel (optie 6) niet wenselijk is «vanwege de verwachte negatieve
impact op het bedrijfsleven, in het bijzonder het mkb». De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
vragen of de Staatssecretaris hier nog steeds achter staat en of de Staatssecretaris
dit nader kan toelichten. Waarom zou deze maatregel in bijzonder schadelijk zijn voor
het mkb?
Deze leden vragen voorts of de Staatssecretaris de voorgestelde dekkingsoptie verder
kan toelichten. In hoeverre vindt het kabinet het aanpassen van de fiscale behandeling
van valutaresultaten op afdekkingsinstrumenten die op verzoek onder de deelnemingsvrijstelling
kunnen worden gebracht sowieso een goed idee? Zijn er bestaande rapporten of adviezen
waarin deze maatregel genoemd wordt?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben nog enkele overige vragen en vragen
naar de huidige stand van zaken rondom de aanpak van onwenselijke belastingconstructies
met familiestichtingen. Zijn er inmiddels nieuwe inzichten? In hoeverre is de Staatssecretaris
bereid hiernaar verder onderzoek te doen? Deze leden hebben vergelijkbare vragen als
het gaat om de aanpak van schenken op papier om erfbelasting te ontwijken. Welke mogelijkheden
ziet de Staatssecretaris daartoe? Wat is de huidige stand van zaken?
Ook vragen deze leden of de Staatssecretaris bekend is met het artikel «Ces 13 335 millionnaires
qui ne paient aucun impôt sur le revenu» (Le Monde, 18 februari 2026). Deze leden
willen graag weten of een vergelijkbare inventarisatie gemaakt kan worden voor Nederland.
Hoeveel miljonairs in Nederland betalen geen of nauwelijks inkomstenbelasting? Als
dit niet bekend is, is de Staatssecretaris dan bereid het te onderzoeken? Zo nee,
waarom niet? Hoe kan het dat dit in Frankrijk wel bekend is en in Nederland niet?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of en zo ja welke, gevolgen de Staatssecretaris
ziet voor de Nederlandse vennootschapsbelasting van het arrest van het Hof van Justitie
van de Europese Unie (HVJ-EU) van 25 februari 2026 (Commissie vs. België), C-524-/23,
ECLI:NL:C:2026:11, over de Belgische implementatie van CFC-model B van de anti-belastingontwijkingsrichtlijn.
Klopt het dat Nederland CFC-model A toepast via het algemene zakelijkheidsbeginsel
en dat het Europese Hof van Justitie heeft beslist dat EU-lidstaten onder dit model
een verrekening moeten geven van buitenlandse winstbelasting? Hoe schat de Staatssecretaris
de kans in dat belastingplichtigen met dit arrest in de hand een verrekening van buitenlandse
winstbelasting kunnen claimen over winst die volgens het zakelijkheidsbeginsel in
Nederland thuishoort? Kan de Staatssecretaris een schatting maken van de budgettaire
gevolgen van een dergelijke verrekeningsmogelijkheid, ook buiten CFC-gevallen?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of en zo ja welke, gevolgen de Staatssecretaris
ziet voor de deelnemingsvrijstelling in de vennootschapsbelasting van het arrest van
het Europese Hof van Justitie van 3 april 2025 (Nordcurrent), C-228/24, ECLI:NL:C:2025:239.
Klopt het dat EU-lidstaten (mede) op grond van dit arrest de verplichting hebben om
misbruik van nationale deelnemingsvrijstellingen te bestrijden? Zo ja, maakt de Belastingdienst
daar werk van? Is er een plan van aanpak, en zo ja, kan dat met de Kamer worden gedeeld?
In het bijzonder vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie of de Belastingdienst
structuren bestrijdt waarin met behulp van een buitenlandse brievenbusmaatschappij
(tussenhoudster) goede en foute bezittingen worden gemengd met het oog op de toepassing
van de deelnemingsvrijstelling op grond van de bezittingentoets. Zijn er nog andere
structuren die Nederland volgens de Staatssecretaris moet bestrijden vanwege misbruik
van de deelnemingsvrijstelling?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of het klopt dat er opnieuw een heffingslek
dreigt in de subjectieve belastingplicht van de vennootschapsbelasting, ditmaal met
betrekking tot zorg-BV’s. Hoeveel zorg-BV’s doen een beroep doen op de zorgvrijstelling
in de vennootschapsbelasting, terwijl de Belastingdienst vindt dat vrijstelling niet
van toepassing is vanwege de winstbestemmingseis? De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
vragen hoe groot de budgettaire derving is als de Belastingdienst de bij de Hoge Raad
aanhangige procedure over de belastingplicht van een zorg-BV verliest1. Klopt het dat de advocaat-generaal de Hoge Raad heeft geadviseerd om de zorgvrijstelling
toe te passen op een zorg-BV, terwijl er geen garantie is dat de vrijgestelde winst
ten goede komt aan de zorg in plaats van aan de private equity-aandeelhouders? Vindt
de Staatssecretaris het net als de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie onwenselijk
dat vrijgestelde winst in de zakken van private equity belandt? Ziet de Staatssecretaris
aanleiding voor een wetswijziging om het dreigende heffingslek de pas af te snijden,
bijvoorbeeld door de introductie van een compartimenterings- of eindafrekeningsregeling?
Voorts vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie of het klopt dat de Belastingdienst
zekerheid vooraf verstrekt in de vorm van belastingrulings over constructies die als
hoofddoel of één van meerdere hoofddoelen de ontwijking van de wereldwijde minimumbelasting
hebben. Is het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter in 2023
aangepast om medewerking van de Belastingdienst aan dergelijke constructies mogelijk
te maken? Geldt dit zelfs voor agressieve constructies waarbij stille reserves die
dreigen te worden belast met de minimumbelasting om zeep worden geholpen? Deze leden
vragen waarom de Belastingdienst meewerkt aan de constructie die is gepubliceerd als
kennisgroepstandpunt van de Belastingdienst van 17 februari 2026 (20260217, RULOV 000012 (V-N 2026/10.9)?
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de stukken op de agenda van het
schriftelijk overleg en merken op dat enkele thema’s reeds in het commissiedebat fiscaliteit
van 11 maart 2026 besproken zijn. Deze leden hebben nog wel enkele vragen.
In de brief over monitoring van effecten van de aanpak van belastingontwijking, lijkt
een vrij positief beeld te ontstaan over effectiviteit van maatregelen die de afgelopen
jaren zijn genomen. De monitor laat minder gebruik van belastingontwijkingsstructuren,
een daling van doorstroomconstructies via Nederland en minder fiscale «kunstmatige»
investeringsstromen zien. Tegelijkertijd zien we dat belastingontwijking nog niet
volledig verdwenen is, bijvoorbeeld ten aanzien van dividenden, transparantie structuren
en verdragslekken, en dat internationale samenwerking cruciaal blijft. Waar zit voor
Nederland nog handelingsperspectief? Waar moet volgens de Staatssecretaris Europees
of internationaal wordt opgetrokken?
De leden van de CDA-fractie lezen in het onderzoek over de verschillen tussen de commerciële
en fiscale jaarrekening dat de grootste verschillen goed fiscaal verklaarbaar zijn,
maar dat er ook ruimte is voor onderzoek of bepaalde gehanteerde beginselen nog van
deze tijd zijn. Deze leden vragen of de Staatssecretaris van plan is dit nadere onderzoek
te doen en, zoals het rapport adviseert, samen met onder andere de belastingwetenschap
en fiscale adviespraktijk.
De leden van de CDA-fractie merken op dat de overheid nooit in staat zal zijn alle
vormen van belastingontwijking met wetgeving dicht te regelen. Daarom is het ook van
belang dat burgers en bedrijven zelf moreel gedrag vertonen, want als een deel van
de belastingbetalers niet bijdraagt, dan liften zij mee op een kleinere groep die
meer zal moeten opbrengen. Deze leden vragen wat de overheid op dit moment doet om
moreel gedrag te stimuleren. Ook merken deze leden op dat enkele jaren geleden een
Tax Governance Code is opgesteld door VNO-NCW. Deze is niet verplicht zoals de Corporate
Governance Code in Nederland. Deze leden vragen of de Staatssecretaris kan nagaan
wat het bereik van de Tax Governance Code nu is, hoeveel bedrijven zich hieraan committeren
en wat de effecten zijn. Deze leden merken op dat een dergelijk kader in sommige landen,
zoals het Verenigd Koninkrijk of Australië, wel verplicht is en vragen of de Staatssecretaris
de effecten hiervan op transparantie bij zijn collega belastingdiensten kan nagaan.
De leden van de CDA-fractie lazen in het Financieel Dagblad van 10 maart 2026 over
agressieve internationale belastingconstructies van mkb-ers, waar de fiscus zo’n 40
miljoen euro aan naheffingen over oplegde. Deze fiscale schijnconstructies met verkapte
dividenduitkeringen hebben jarenlang bestaan en deze leden vragen of dit type constructie
nu is opgelost of dat dit nog steeds kan plaatsvinden. In het verleden zijn enkele
andere grootschalig toegepaste constructies ook al dichtgezet. Deze leden vragen of
de Belastingdienst nog meer zulke agressieve fiscale constructies in het vizier heeft,
en of zulke constructies in de tijd minder/moeilijker worden gezien aanvullende regels
ten aanzien van compliance en transparantie.
Tot slot willen de leden van de CDA-fractie wijzen op de problematiek rondom plof-BV’s,
een frauduleuze constructie waarbij een vennootschap vaak via turboliquidatie wordt
leeggetrokken en achtergelaten met schulden, waar crediteuren en de Belastingdienst
de dupe van zijn. Deze leden vragen of de Belastingdienst en FIOD deze problematiek
ook op de radar hebben en of wat mogelijke manieren zijn om dit aan te pakken.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
C.A. (Chris) Jansen, voorzitter van de vaste commissie voor Financiën -
Mede ondertekenaar
W.A. Lips, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.