Memorie van toelichting : Memorie van toelichting
36 920 Wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968 in verband met een aanpassing van de bijzondere regelingen voor ondernemers die diensten verrichten voor andere dan ondernemers, of goederen op afstand verkopen, of bepaalde goederen binnenlands leveren (Wet implementatie Richtlijn btw in het digitale tijdperk – enkele btw-registratie)
Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING
Inhoudsopgave memorie van toelichting
blz.
I.
ALGEMEEN
1
1.
Inleiding
1
2.
Implementatie van Richtlijn btw in het digitale tijdperk
2
3.
Hoofdlijnen van het wetsvoorstel
3
4.
Budgettaire aspecten
5
5.
Gevolgen
5
6.
Uitvoeringskosten Belastingdienst
7
7.
Evaluatie en monitoring
7
8.
Advies en consultatie
7
9.
Overgangsrecht en inwerkingtreding
8
II.
ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING
8
BIJLAGEN
31
1.
Transponeringstabel
31
2.
Overzichtstabel
38
I. ALGEMEEN
1. Inleiding
Het wetsvoorstel strekt tot implementatie van het onderdeel «enkele btw-registratie»
van de Richtlijn btw in het digitale tijdperk (ook wel «VIDA» genoemd).1 Dit onderdeel richt zich op de verdere uitbreiding van de bestaande éénloketregelingen
in de btw. In dit kader worden bepaalde verduidelijkingen en uitbreidingen in de éénloketregelingen
doorgevoerd. Daarnaast wordt de huidige regeling inzake voorraad op afroep geleidelijk
afgeschaft en vervangen door een nieuwe regeling binnen de éénloketregelingen: de
overbrengingsregeling.
De voorgestelde wijzigingen moeten geïmplementeerd zijn in de Wet op de omzetbelasting
1968 (Wet OB 1968) op 31 december 2026, op 30 juni 2028 en op 30 juni 2029, en treden
in werking per 1 januari 2027, 1 juli 2028, respectievelijk 1 juli 2029. Een transponeringstabel,
inclusief een omschrijving van beleidsruimte, met betrekking tot deze implementatie
is opgenomen in bijlage 1 van deze toelichting.
Van de gelegenheid is tevens gebruikgemaakt om een enkele wetstechnische verbetering
aan te brengen in de Wet OB 1968, die niet de inhoud raakt van onderhavig wetsvoorstel.
Een overzichtstabel met betrekking tot de verbeteringen is opgenomen in bijlage 2
van deze toelichting.
2. Implementatie van Richtlijn btw in het digitale tijdperk
Op 11 maart 2025 heeft de Raad van de Europese Unie de Richtlijn btw in het digitale
tijdperk vastgesteld. De Richtlijn btw in het digitale tijdperk wijzigt de BTW-richtlijn
20062 en omvat drie hoofdonderwerpen: (1) de introductie van elektronische facturering
en digitale rapportageverplichtingen, (2) de invoering van een platformfictie en (3) de
enkele btw-registratie. Dit wetsvoorstel richt zich op de implementatie van het laatstgenoemde
onderwerp: de enkele btw-registratie. De overige onderwerpen zullen worden geïmplementeerd
via afzonderlijke wetsvoorstellen.
Het doel van de Richtlijn btw in het digitale tijdperk – enkele btw-registratie is gericht op het verminderen van de administratieve lasten die voortvloeien uit
btw-registraties in meerdere lidstaten. Deze richtlijn bouwt voort op eerdere initiatieven,
zoals de richtlijnen die zien op elektronische handel.3 Deze richtlijnen stellen ondernemers in staat om voor specifieke belastbare activiteiten
– met name in de e-commerce – eenvoudiger btw aan te geven en af te dragen via één
loket. Uit een evaluatie verricht door de Europese Commissie in 2022 blijkt dat deze
richtlijnen succesvol zijn geïmplementeerd en dat er binnen het bedrijfsleven behoefte
is aan een verdere verbreding van het toepassingsbereik van deze richtlijnen.4 De Richtlijn btw in het digitale tijdperk speelt in op deze behoefte.
De Richtlijn btw in het digitale tijdperk – enkele btw-registratie realiseert in essentie drie wijzigingen. Ten eerste wordt de reikwijdte van de Unieregeling uitgebreid. Momenteel kunnen ondernemers deze regeling uitsluitend toepassen
op intracommunautaire afstandsverkopen, op diensten aan consumenten en op een bepaald
soort binnenlandse leveringen.5 Vanaf 1 juli 2028 wordt het mogelijk om de Unieregeling ook te gebruiken voor specifieke
leveringen van goederen, zoals montageleveringen, leveringen aan boord van schepen,
luchtvaarttuigen of treinen, leveringen van gas, elektriciteit, warmte en koude, en
bepaalde binnenlandse leveringen. Deze uitbreiding maakt het voor ondernemers in nog
meer situaties overbodig om zich voor btw-doeleinden te registreren in andere lidstaten
voor dergelijke leveringen aan consumenten.
Ten tweede introduceert de richtlijn een nieuwe methode voor het aangeven bij de belastingautoriteiten
van overbrengingen van eigen goederen naar andere lidstaten. Vanaf 1 juli 2028 kunnen
ondernemers deze overbrengingen centraal aangeven in één lidstaat door middel van
de overbrengingsregeling binnen het éénloketsysteem. Deze regeling vermindert wederom
de noodzaak voor ondernemers om zich voor btw-doeleinden te registreren in andere
lidstaten, waardoor de administratieve lasten verder worden verlicht.
Ten slotte voorziet de richtlijn in een uitbreiding van de bestaande, maar thans optionele,
grensoverschrijdende verleggingsregeling. Deze verleggingsregeling wordt verplicht
en de uitbreiding heeft tot gevolg dat een ondernemer zich voor btw-doeleinden niet
hoeft te registreren in een andere lidstaat voor binnenlandse leveringen, mits hij
zelf niet is geïdentificeerd in die lidstaat en zijn afnemer in die lidstaat reeds
is geïdentificeerd. De verleggingsregeling beperkt daarmee verder de noodzaak tot
identificatie in een andere lidstaat.
3. Hoofdlijnen van het wetsvoorstel
In beginsel zijn ondernemers die belastbare diensten of goederenleveringen aan particulieren
verrichten in andere lidstaten, verplicht zich in die lidstaat voor btw-doeleinden
te registeren en de verschuldigde btw aan te geven en af te dragen. Dit resulteert
in administratieve lasten voor ondernemers die grensoverschrijdend opereren, wat een
belemmering kan vormen voor hun deelname aan de interne markt.
Ter vermindering van deze administratieve lasten en om belemmeringen weg te nemen,
zijn de zogenoemde éénloketregelingen in de btw ingevoerd. Deze regelingen vereenvoudigen
de btw-administratie door ondernemers de mogelijkheid te bieden zich in één lidstaat
te registreren voor bepaalde grensoverschrijdende goederenleveringen en diensten,
waar ze vervolgens de in de andere lidstaten verschuldigde btw kunnen aangeven en
afdragen.
Het voorliggende wetsvoorstel beoogt de uitbreiding van het toepassingsbereik van
de éénloketregelingen.6 Dit wordt gerealiseerd door de reikwijdte van één van de éénloketregelingen, namelijk
de Unieregeling, te verbreden en door de introductie van een nieuwe regeling voor
de overbrenging van goederen tussen lidstaten. Bovendien biedt dit voorstel de gelegenheid
om enkele verduidelijkingen en aanpassingen in de bestaande éénloketregelingen door
te voeren.
3.1. Uitbreiding van de Unieregeling
De Unieregeling biedt ondernemers de mogelijkheid om btw over intracommunautaire afstandsverkopen
en diensten aan consumenten in andere lidstaten centraal in één lidstaat aan te geven
en af te dragen. Dit betekent dat zij niet verplicht zijn zich voor btw-doeleinden
in andere lidstaten te registreren of daar btw aan te geven en af dragen.
Momenteel is de Unieregeling uitsluitend van toepassing op intracommunautaire afstandsverkopen
en diensten aan consumenten, en specifieke binnenlandse leveringen.7 Hierdoor vallen veel andere grensoverschrijdende goederenleveringen nog buiten de
reikwijdte van de regeling. Ondernemers die dergelijke leveringen verrichten, zijn
derhalve nog steeds verplicht zich in andere lidstaten voor btw-doeleinden te registreren
en daar aangifte te doen.
Ter vermindering van deze administratieve lasten wordt voorgesteld de reikwijdte van
de Unieregeling uit te breiden, zodat de meeste grensoverschrijdende goederenleveringen
en dienstverrichtingen aan consumenten onder de regeling vallen. Om dit te bewerkstelligen
dient de regeling ook van toepassing te zijn op specifieke goederenleveringen, zoals
leveringen in verband met installaties of montage, leveringen aan boord van schepen,
luchtvaartuigen of treinen, leveringen van gas, elektriciteit, verwarming en koeling,
en bepaalde binnenlandse leveringen aan consumenten. Ondernemers die deze leveringen
verrichten, kunnen dan – indien gewenst – ervoor kiezen om in het vervolg gebruik
te maken van de Unieregeling en de verschuldigde btw centraal en vereenvoudigd in
één lidstaat aan te geven en af te dragen.
3.2. Uitbreiding van de éénloketregelingen met de overbrengingsregeling
Het komt geregeld voor dat ondernemers goederen vanuit Nederland naar een andere lidstaat
overbrengen, zonder dat sprake is van een levering aan een andere ondernemer of een
consument. Dergelijke overbrengingen vinden doorgaans plaats met het oog op het gebruik
van deze goederen in de desbetreffende lidstaat, bijvoorbeeld in de vorm van investeringsgoederen,
zoals machines, dan wel als voorraad.
In de huidige systematiek worden deze goederenstromen aangemerkt als intracommunautaire
leveringen, belast tegen het nultarief, en als belaste intracommunautaire verwervingen.
Voor deze verwervingen wordt – afhankelijk van het gebruik van de goederen – al dan
niet recht op aftrek van btw verleend. Deze systematiek stelt belastingautoriteiten
in staat om goederenstromen fiscaal te volgen in de lidstaat van bestemming. Zonder
een dergelijke systematiek zouden deze goederenbewegingen buiten het bereik van toezicht
blijven. Dit is onwenselijk, aangezien dergelijke goederen ook kunnen zijn bestemd
voor eindgebruik.
Hoewel deze aanpak geschikt is voor het volgen van de goederenstromen, zijn hier ook
administratieve lasten aan verbonden. Ondernemers dienen in principe te voldoen aan
diverse administratieve verplichtingen die van toepassing zijn op intracommunautaire
transacties, waaronder registratie voor btw-doeleinden in de lidstaat van bestemming,
het indienen van een aangifte en het opstellen van een opgaaf intracommunautaire prestaties
(Opgaaf ICP).
Om de administratieve lasten voor ondernemers te verminderen, terwijl lidstaten tegelijkertijd
in staat worden gesteld de goederenstromen effectief te blijven volgen, wordt een
specifieke en optionele overbrengingsregeling ingevoerd. Deze regeling is vergelijkbaar
met de bestaande éénloketregelingen en stelt ondernemers in staat om overbrengingen
van eigen goederen centraal aan te geven in één lidstaat.
Binnen deze nieuwe regeling wordt de huidige systematiek van de intracommunautaire
verwerving doorbroken. Bij overbrengingen die onder deze regeling vallen, is de intracommunautaire
verwerving niet belast maar vrijgesteld. Hierdoor vervalt de noodzaak voor ondernemers
om zich te registreren voor btw-doeleinden in de lidstaat van bestemming. Ondernemers
kunnen hun overbrenging van eigen goederen naar andere lidstaten dan eenvoudig via
deze regeling aangeven.
Als een ondernemer na een overbrenging besluit een goed voor andere doeleinden te
gebruiken, bijvoorbeeld voor privégebruik of voor vrijgestelde activiteiten, wordt
ook voorkomen dat de ondernemer zich in de desbetreffende lidstaat alsnog voor btw-doeleinden
moet registreren. Om deze situatie te ondervangen, wordt de Unieregeling uitgebreid,
zodat de ondernemer in dergelijke gevallen de verschuldigde btw kan aangeven en afdragen
via deze regeling, zonder aanvullende administratieve lasten in de lidstaat van bestemming.
3.3. Verplichtstelling en uitbreiding van de grensoverschrijdende verleggingsregeling
In de hoofdregel zijn ondernemers die goederen leveren of diensten verrichten aan
andere ondernemers de btw ter zake van deze transacties verschuldigd. In bepaalde
gevallen is deze systematiek echter onwenselijk, omdat zij bijvoorbeeld kan leiden
tot extra administratieve lasten. Dit geldt met name wanneer de plaats van heffing
in een andere lidstaat is gelegen, aangezien de presterende ondernemer zich dan in
die andere lidstaat moet registreren en daar btw-aangifte moet doen.
Om het aantal btw-registraties – en daarmee de administratieve lasten – te verminderen,
past Nederland daarom al geruime tijd een verleggingsregeling toe.8 Hierbij wordt voor bepaalde prestaties die in Nederland belast zijn, de belastingheffing
verlegd van de in de andere lidstaat gevestigde ondernemer (leverancier) naar de in
Nederland gevestigde ondernemer (afnemer).
In aanvulling op de Nederlandse verleggingsregeling wordt een vergelijkbare systematiek
op Europees niveau verplicht gesteld: voor bepaalde prestaties die in een lidstaat
belast zijn, wordt de verschuldigde btw in die lidstaat verlegd naar de afnemer als
de leverancier niet voor btw-doeleinden is geïdentificeerd in die lidstaat en de afnemer
reeds in die lidstaat voor btw-doeleinden is geïdentificeerd. Dit betekent dat ondernemers
die leveringen en diensten verrichten aan ondernemers buiten hun eigen lidstaat zich
in nog meer gevallen niet hoeven te identificeren in een andere lidstaat en aldaar
geen aangifte hoeven te doen. De afnemende ondernemer, die reeds in de andere lidstaat
is geregistreerd, zal de verschuldigde btw dan aangeven en afdragen.
4. Budgettaire aspecten
Dit voorstel heeft geen budgettair effect.
5. Gevolgen
5.1. Effecten voor bedrijven en burgers
Het verwachte effect van de uitbreiding van de Unieregeling op de administratieve
lasten is positief. De lastenverlichting die met dit wetsvoorstel gepaard gaat betreft
€ 81 miljoen. De uitbreiding van de Unieregeling houdt in dat de ondernemer – indien
gewenst – zich in nog minder gevallen voor btw-doeleinden hoeft te registreren in
andere lidstaten. Dit neemt echter niet weg dat er situaties kunnen zijn waarin een
ondernemer ervoor kiest om niet te opteren voor de toepassing van de Unieregeling,
bijvoorbeeld wanneer de ondernemer in meerdere andere lidstaten zijn recht op aftrek
wil uitoefenen, omdat hij daar goederen of diensten heeft verworven belast met btw.
In dergelijke gevallen zal de ondernemer de afweging moeten maken welke optie voor
hem het meest voordelig is. De verwachting is dat vooral ondernemers die actief zijn
in branches zoals energievoorziening (bijvoorbeeld via benzinekaarten en elektrisch
opladen) en de bouwsector, baat zullen hebben bij de voorgestelde uitbreiding.
Het effect van de uitbreiding van de éénloketregelingen met de overbrengingsregeling
zal eveneens positief zijn voor de ondernemer. Ook in dit geval geldt dat de ondernemer
– desgewenst – gebruik kan maken van de regeling indien dat voor hem gunstig is. De
ondernemer die opteert voor toepassing van de regeling, zal voor de meeste overbrengingen
niet meer verplicht zijn zich in andere lidstaten te registreren. In plaats daarvan
kan de ondernemer eenvoudig via een centraal punt, de lidstaat van identificatie,
zijn overbrengingen aangeven. Indien de ondernemer vervolgens de goederen die hij
eerder heeft overgebracht, gaat leveren aan een consument, moeten deze leveringen
worden aangegeven via de Unieregeling.
De verplichtstelling en uitbreiding van de grensoverschrijdende verleggingsregeling
zal ten slotte eveneens een positief effect hebben voor ondernemers. Momenteel hebben
lidstaten enigszins de vrijheid om naar eigen inzicht een verleggingsregeling in te
voeren op basis van de BTW-richtlijn 2006.9 Per 1 juli 2028 zal op basis van de Richtlijn btw in het digitale tijdperk – enkele
btw-registratie deze regeling in alle lidstaten van toepassing zijn. Dit betekent
dat ondernemers die grensoverschrijdend actief (willen) zijn in andere lidstaten,
minder aanleiding hebben zich aldaar te registeren, aangezien de verschuldigde btw
in meer gevallen wordt verlegd naar de afnemer. Daartegenover staat dat ondernemers
met ingang van deze datum verplicht zijn een opgaaf intracommunautaire prestaties
(Opgaaf ICP) in te dienen voor de desbetreffende verlegde leveringen en diensten.
Deze verplichting stelt de belastingautoriteiten in staat om kruiscontroles uit te
voeren en naleving van de regelgeving te waarborgen.
5.2. Doeltreffendheid en doelmatigheid
De Richtlijn btw in het digitale tijdperk – enkele btw-registratie heeft als doel
de administratieve lasten voor ondernemers te verminderen die voortvloeien uit btw-registraties
in andere lidstaten. Naar verwachting zijn de voorgestelde maatregelen in dit voorstel
doeltreffend in het bereiken van de doelstelling. De uitbreiding van de verleggingsregeling,
de uitbreiding van de éénloketregelingen met een groter aantal leveringen aan consumenten
en de introductie van een nieuwe regeling voor de overbrenging van eigen goederen
zorgen ervoor dat ondernemers in meer situaties op een centrale wijze de btw kunnen
aangeven en afdragen in andere lidstaten. Dit houdt ook in dat ondernemers in beginsel
minder obstakels zullen ondervinden bij het handelen in andere lidstaten, waardoor
de concurrentiepositie tussen binnenlandse ondernemers en ondernemers uit andere lidstaten
gelijkwaardiger wordt.
De maatregelen zijn naar verwachting eveneens doelmatig.
5.3. Doenvermogen
De uitbreiding van de éénloketregelingen zullen naar verwachting een positief effect
kunnen hebben op de doenlijkheid voor in Nederland gevestigde ondernemers. De éénloketregelingen
blijven optioneel en voor zover de toepassing van deze regeling gunstig is voor de
ondernemer, kan de ondernemer kiezen hier gebruik van te maken. Toepassing van de
regelingen zorgt ervoor dat de ondernemer minder wordt geconfronteerd met nalevingslasten
en verplichtingen in de verschillende lidstaten waar hij economisch actief is.
De ondernemer die gebruikmaakt van de éénloketregelingen is namelijk niet langer verplicht
zich in de desbetreffende lidstaten te registreren voor de btw voor de goederenleveringen
en dienstverrichtingen die onder de regelingen vallen. Evenmin is de ondernemer verplicht
om in die lidstaten btw-aangiften in te dienen en btw af te dragen. In plaats daarvan
is de ondernemer enkel verplicht om de (eventuele) verschuldigde btw voor zijn leveringen
en diensten in die lidstaten, aan te geven in de Nederlandse btw-melding en af te
dragen.
Een vergelijkbaar effect wordt verwacht met betrekking tot de uitbreiding van de verleggingsregeling.
Een ondernemer zal zich in minder gevallen dan op dit moment noodzakelijk is voor
btw-doeleinden in andere lidstaten te hoeven registreren. Dit heeft als gevolg dat
ook minder snel aanleiding bestaat om aldaar aangifte te hoeven doen.
6. Uitvoeringskosten Belastingdienst
Dit wetsvoorstel is door de Belastingdienst beoordeeld met een uitvoeringstoets. De
gevolgen voor de uitvoering zijn beschreven in de uitvoeringstoets die als bijlage
is bijgevoegd.
De Belastingdienst acht de maatregelen uitvoerbaar per de voorgestelde data van inwerkingtreding.
De incidentele uitvoeringskosten zijn € 1.480.000 en de structurele uitvoeringskosten
zijn € 340.000. De uitvoeringskosten worden gedekt op begroting IX.
De wijzigingen worden door de Belastingdienst opgesplitst in twee delen:
– Deel 1: wijzigingen in de éénloketregeling per 1 januari 2027;
– Deel 2: wijzigingen in de éénloketregeling, de implementatie van de overbrengingsregeling
per 1 juli 2028 en het uitfaseren van de regeling voorraad op afroep per 1 juli 2029.
De implementatie van deel 1 zal worden meegenomen in het noodspoor van btw e-commerce.
De implementatie van deel 2 zal worden meegenomen in het nieuwe OB-pakket/GenTax,
waarin uiteindelijk ook de wijzigingen die volgen uit deel 1 terecht zullen komen.
De implementatie van deel 2 is geheel afhankelijk van de planning van het nieuwe OB-pakket.
Mocht het nieuwe OB-pakket een risico voor een tijdige implementatie met zich meebrengen,
dan zal gebruik worden gemaakt van een terugvalmogelijkheid. Om dit op tijd bij te
kunnen sturen, wordt in het eerste kwartaal van 2027 de uitvoeringstoets herijkt.
7. Evaluatie en monitoring
Het kabinet is niet voornemens deze wijzigingen die volgen uit de Richtlijn btw in
het digitale tijdperk – enkele btw-registratie zelfstandig te evalueren op doeltreffendheid
en doelmatigheid.
8. Advies en consultatie
Gedurende de onderhandelingen over de totstandkoming van de Richtlijn btw in het digitale
tijdperk heeft meerdere keren overleg plaatsgevonden met vertegenwoordigers van het
bedrijfsleven, zoals VNO-NCW en MKB-Nederland. De Richtlijn btw in het digitale tijdperk
biedt ter zake van het onderdeel «enkele btw-registratie» geen tot beperkte beleidsruimte.10 Gezien deze beperkte beleidsruimte en het feit dat het voorstel grotendeels technische
aanpassingen betreft, is besloten dat een internetconsultatie voor dit voorstel geen
toegevoegde waarde biedt.
9. Overgangsrecht en inwerkingtreding
De uitbreidingen van de éénloketregelingen en verleggingsregeling treden in werking
met ingang van 1 juli 2028. Het voorstel voorziet – conform de Richtlijn btw in het digitale tijdperk – enkele btw-registratie – eveneens in afwijkende inwerkingtredingsdatums.
Voor een deel van de uitbreiding van de Unieregeling voorziet de richtlijn, en daarmee
dit wetsvoorstel, in een versnelde inwerkingtreding per 1 januari 2027. Vanaf die
datum krijgen ondernemers de mogelijkheid om grensoverschrijdende leveringen van gas,
elektriciteit, verwarming en koeling fictief aan te merken als intracommunautaire
afstandsverkopen. Hierdoor kunnen deze leveringen al onder de werking van de Unieregeling
vallen.
Met betrekking tot de inwerkingtreding van de nieuwe overbrengingsregeling wordt in
de richtlijn, en daarmee ook in dit wetsvoorstel, tevens voorzien in overgangsrecht.
Deze regeling maakt onder meer de huidige regeling inzake voorraad op afroep overbodig.
Echter, om te voorkomen dat ondernemers die zich reeds in een lopende voorraad op
afroepprocedure bevinden te maken krijgen met een regimeovergang, blijft de bestaande
regeling van kracht tot uiterlijk 1 juli 2029, oftewel één jaar na de introductie
van de nieuwe overbrengingsregeling.
II. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING
Artikel I, onderdeel A (artikel 3b van de Wet op de omzetbelasting 1968)
Artikel 3b Wet OB 1968 bevat de zogenoemde regeling inzake voorraad op afroep. Op
grond van deze regeling wordt een overbrenging van een goed dat deel uitmaakt van
het bedrijfsvermogen van een ondernemer niet gekwalificeerd als een levering van een
goed onder bezwarende titel. Artikel 3b, tweede lid, Wet OB 1968 bepaalt dat de regeling
inzake voorraad op afroep van toepassing is indien aan vier cumulatieve voorwaarden
zoals genoemd in de onderdelen a tot en met d is voldaan. Eén van de voorwaarden,
genoemd in onderdeel a, is dat de goederen moeten worden vervoerd of verzonden naar
een andere lidstaat, om deze goederen vervolgens in een later stadium en na aankomst
in de lidstaat van bestemming te leveren aan een andere ondernemer.
Een aanpassing van artikel 3b, tweede lid, onderdeel a, Wet OB 1968 is nodig om deze
bepaling af te stemmen op de nieuwe bepalingen van de BTW-richtlijn 2006. De wijziging
in het tweede lid, onderdeel a, regelt dat deze regeling enkel van toepassing is op
overbrengingen van goederen die voorafgaand aan of uiterlijk op 30 juni 2028 hebben
plaatsgevonden. Ingeval de goederen op of na 1 juli 2028 worden verzonden of vervoerd
naar een andere lidstaat door de ondernemer of voor zijn rekening door een derde partij,
geldt de regeling inzake voorraad op afroep niet meer.
Voorbeeld 1
Ondernemer X is gevestigd in Nederland en ondernemer Y is gevestigd in België. Ondernemer
X en ondernemer Y zijn overeengekomen dat ondernemer X in februari 2029 goederen zal
leveren aan ondernemer Y in België. In voorbereiding op deze goederenlevering verzendt
ondernemer X in april 2028 de goederen naar een magazijn in België. Veronderstellend
dat aan de overige voorwaarden van artikel 3b Wet OB 1968 is voldaan, is de regeling
inzake voorraad op afroep van toepassing, omdat de verzending of het vervoer voor
1 juli 2028 plaatsvindt. De omstandigheid dat de levering aan ondernemer Y plaatsvindt
na 30 juni 2028, doet daar niet aan af.
Artikel I, onderdeel B (artikel 3c van de Wet op de omzetbelasting 1968)
Artikel 3c, tweede lid, Wet OB 1968 regelt dat een ondernemer die via een elektronische
interface de levering van goederen binnen de Unie door een niet in de Unie gevestigde
ondernemer faciliteert, wordt geacht die goederen zelf te hebben ontvangen van de
leverancier en die te hebben geleverd aan de particuliere afnemer. De voorgestelde
wijziging in dit lid bewerkstelligt dat de wetsfictie wordt uitgebreid en in het vervolg
ook van toepassing is op leveringen van goederen binnen de Unie die door een elektronische
interface worden gefaciliteerd aan ondernemers of aan rechtspersonen, andere dan ondernemers,
van wie de intracommunautaire verwerving van goederen niet aan belastingen is onderworpen
op grond van artikel 1a, tweede lid, Wet OB 1968.
Voorbeeld 2
Ondernemer X is gevestigd in Argentinië en verkoopt via de in Portugal gevestigde
webwinkel Y lederwaren aan afnemers in de Unie. De lederwaren van ondernemer X zijn
reeds ingevoerd in Spanje en zijn daar opgeslagen. Ondernemer X verkoopt via webwinkel
Y de lederwaren aan in Nederland gevestigde ondernemer Z. Ondernemer Z past in Nederland
de kleineondernemersregeling toe en blijft onder de drempel van € 10.000 voor vrijgestelde
verwerving als bedoeld in artikel 1a, tweede, onderdeel a, Wet OB 1968. Als gevolg
van de voorgestelde wetsfictie in artikel 3c, tweede lid, Wet OB 1968 levert ondernemer
X in Spanje de lederwaren aan webwinkel Y, met toepassing van een vrijstelling met
recht op aftrek (conform artikel 136bis BTW-richtlijn 2006). Webwinkel Y verricht
bij wetsfictie vervolgens een belaste levering in Nederland (intracommunautaire afstandsverkoop),
omdat ondernemer Z geen belaste intracommunautaire verwerving verricht in Nederland.
Artikel I, onderdeel C (artikel 6k van de Wet op de omzetbelasting 1968)
In artikel 6k Wet OB 1968 is de tegemoetkoming voor in de regel kleinere ondernemers
opgenomen die intracommunautaire afstandsverkopen of digitale diensten aan particuliere
afnemers verrichten. Deze ondernemers maken gebruik van een afwijkende plaats van
prestatie, ingeval zij voldoen aan de in het eerste lid gestelde vereisten. Er wordt
een drietal wijzigingen van artikel 6k Wet OB 1968 voorgesteld.
Het eerste lid, onderdeel b, stelt onder meer als voorwaarde dat de goederen worden
verzonden of vervoerd naar een andere lidstaat dan de lidstaat waarin de ondernemer
is gevestigd. De voorgestelde wijziging verduidelijkt genoemd onderdeel b door expliciet
te bepalen dat goederenleveringen moeten plaatsvinden vanuit de lidstaat waarin de
ondernemer is gevestigd. Met deze aanpassing wordt uitgesloten dat intracommunautaire
afstandsverkopen van goederen vanuit een voorraad in een andere lidstaat dan de lidstaat
van vestiging zouden kunnen worden meegewogen bij de berekening van de drempel van
€ 10.000, bedoeld in artikel 6k, eerste lid, onderdeel c, Wet OB 1968.
Artikel 6k, derde lid, Wet OB 1968 regelt dat de leverancier of dienstverrichter kan
opteren voor de gebruikelijke regels inzake de plaats van prestatie conform de artikelen 5a,
eerste lid, onderdeel a, en 6h Wet OB 1968. De voorgestelde wijziging bewerkstelligt
dat deze ondernemer in het vervolg wordt geacht van de keuze gebruik te maken, ingeval
hij de Unieregeling toepast. Dat betekent dat de ondernemer de tegemoetkoming van
artikel 6k, eerste lid, Wet OB 1968 niet kan toepassen, indien hij reeds gebruikmaakt
van de Unieregeling
Voorbeeld 3
Ondernemer X is gevestigd in Nederland en heeft geopteerd voor toepassing van de Unieregeling.
Ondernemer X verricht gedurende het lopende kalenderjaar niet meer dan € 10.000 aan
afstandsverkopen en digitale diensten en deze drempel is evenmin overschreden in het
voorafgaande kalenderjaar. In beginsel komt ondernemer X in aanmerking voor de in
artikel 6k Wet OB 1968 opgenomen tegemoetkoming voor kleinere ondernemers en zouden
zijn afstandsverkopen belast kunnen zijn in de lidstaat van vertrek. Echter, omdat
ondernemer X al geopteerd heeft voor de toepassing van de Unieregeling kan hij deze
tegemoetkoming voor kleinere ondernemers niet toepassen. Ondernemer X is btw verschuldigd
in de lidstaat van aankomst en moet zijn btw aangeven en afdragen via het éénloketsysteem.
In artikel 6k, vierde lid, Wet OB 1968 is bepaald dat de ondernemer kan kiezen voor
toepassing van de gebruikelijke regels inzake de plaats van prestatie, mits hiervan
vooraf melding wordt gemaakt bij de inspecteur. Het voorgestelde vierde lid laat deze
meldingsplicht in zijn geheel vervallen. Artikel 59 quater, vierde lid, BTW-richtlijn
2006 laat de bevoegdheid bij lidstaten om passende maatregelen te nemen die erop toezien
dat een ondernemer aan de voorwaarden voor toepassing van deze regeling voldoet; Richtlijn
btw in het digitale tijdperk – enkele btw-registratie wijzigt genoemd vierde lid niet,
waardoor de voorgestelde wijziging niet ziet op de implementatie hiervan. De keuze
van de ondernemer dient voortaan te blijken uit zijn administratie. De reden voor
het laten vervallen van de huidige melding is gelegen in het feit dat in de praktijk
is gebleken dat de melding een onnodige administratieve formaliteit is voor zowel
de Belastingdienst als de ondernemer. De feitelijke handelingen van de ondernemer
na het doen van de (formele) melding zijn vooral leidend, zoals de juiste facturering
en voldoening van de verschuldigde btw in de lidstaat waarin de handeling belast is
op grond van artikel 5a, eerste lid, onderdeel a, Wet OB 1968 dan wel artikel 6h Wet
OB 1968. Het is derhalve vanuit controle- en handhavingsperspectief voortaan voldoende
dat de keuze van de ondernemer blijkt uit zijn administratie en dat hij een bestendige
gedragslijn hanteert vanaf de eerste handeling waarop hij artikel 5a, eerste lid,
onderdeel a, Wet OB 1968 dan wel artikel 6h Wet OB 1968 1968 toepast. Dit moet uit
de administratie van de ondernemer blijken, onder andere doordat hij onder andere
in zijn correspondentie met zijn afnemers en op zijn facturen duidelijk vermeldt dat
de btw verschuldigd is in de lidstaat van aankomst van het vervoer van de goederen,
respectievelijk de lidstaat waarin de afnemer gevestigd is of zijn woonplaats of gebruikelijke
verblijfplaats heeft. De keuze van de ondernemer geldt voor ten minste twee kalenderjaren.
In het voorgestelde artikel 6k, vijfde lid, Wet OB 1968 wordt aanvullend geregeld
dat een leverancier of dienstverrichter die reeds gebruikmaakt van de Unieregeling,
geacht wordt de keuze, bedoeld in het derde lid van dat artikel, te hebben gemaakt.
Deze keuze geldt voor ten minste twee kalenderjaren en in ieder geval gedurende de
periode waarin die ondernemer de Unieregeling toepast.
Artikel I onderdeel D (artikel 28ra van de Wet op de omzetbelasting 1968)
In artikel 28ra Wet OB 1968 staat dat een niet in de Unie gevestigde ondernemer die
diensten verricht aan andere dan ondernemers die in de Unie hun woonplaats of gebruikelijke
verblijfplaats hebben, gebruik kan maken van de niet-Unieregeling. De voorgestelde
wijziging breidt deze werkingssfeer uit en bewerkstelligt dat in het vervolg deze
ondernemer de niet-Unieregeling ook kan toepassen ingeval hij diensten verricht aan
een andere dan ondernemer die niet in de Unie is gevestigd of zijn vaste verblijfplaats
heeft. Dat betekent dat de niet-Unieregeling van toepassing kan zijn op dienstverrichtingen
aan andere dan ondernemers, ongeacht of zij in of buiten de Unie wonen of verblijven.
Voorbeeld 4
Ondernemer X is makelaar en gevestigd in Argentinië. Ondernemer X verricht diensten
die betrekking hebben op een onroerende zaak in Nederland aan een particulier die
in Zwitserland woonachtig is. De dienstverrichting is op grond van artikel 6b Wet
OB 1968 belast in Nederland. Ondernemer X kan momenteel niet de niet-Unieregeling
toepassen voor het aangeven en afdragen van de verschuldigde btw in Nederland ter
zake van deze dienst, omdat zijn particuliere afnemer niet in de Unie woonachtig is.
Ondernemer X moet zich daarom in Nederland laten identificeren voor btw-doeleinden
en aangifte doen. De voorgestelde wijziging van artikel 28ra Wet OB 1968 zorgt ervoor
dat ondernemer X in het vervolg de niet-Unieregeling kan toepassen voor dienstverrichtingen
aan particulieren, ongeacht hun woonplaats. Ondernemer X hoeft zich dan voor het aangeven
en afdragen van de in Nederland verschuldigde btw niet in Nederland te laten identificeren
voor btw-doeleinden en aangiften doen. Ondernemer X kan de btw via de niet-Unieregeling
aangeven en afdragen.
Artikel I, onderdeel E (artikel 28rc van de Wet op de omzetbelasting 1968)
Artikel 28rc, eerste lid, onderdeel c, Wet OB 1968 schrijft voor dat de niet in de
Unie gevestigde ondernemer in zijn mededelingen voor toepassing van de niet-Unieregeling
onder meer zijn elektronische adres, met inbegrip van websites, dient te vermelden.
De voorgestelde wijziging verduidelijkt dat deze ondernemer de informatie met betrekking
tot websites enkel hoeft te verstrekken, voor zover de ondernemer beschikt over deze
informatie.
Artikel I, onderdeel F (artikel 28rj van de Wet op de omzetbelasting 1968)
Artikel 28rj Wet OB 1968 voorziet momenteel erin dat de ondernemer die de niet-Unieregeling
toepast geen recht op aftrek kan effectueren door middel van de btw-melding. Deze
ondernemer kan conform de Dertiende Richtlijn11 verzoeken om teruggaaf van de aan hem in rekening gebrachte btw. De voorgestelde
wijzigingen in genoemd artikel 28rj zijn hoofdzakelijk technisch van aard, zoals verduidelijkingen
en een opsplitsing in twee leden. Eén materiële wijziging wordt in het voorgestelde
eerste lid bewerkstelligd. In dat lid komt de verwijzing naar artikel 2, derde lid,
Dertiende Richtlijn te vervallen. Als gevolg van het vervallen van genoemd derde lid
kan de andere lidstaat, voor het effectueren van een teruggaaf op grond van de Dertiende
Richtlijn voor diensten die onder de niet-Unieregeling vallen, verplichten dat een
ondernemer een fiscaal vertegenwoordiger aanwijst. Daarnaast wordt «in afwijking van»
vervangen door «niettegenstaande» zoals ook is opgenomen in het nieuwe artikel 368
BTW-richtlijn 2006. Hiermee wordt beter aangesloten bij de tekst van die richtlijn.
Artikel I, onderdeel G (artikel 28sh van de Wet op de omzetbelasting 1968)
Artikel 28sh Wet OB 1968 voorziet momenteel erin dat de ondernemer die de Unieregeling
toepast, geen recht op aftrek kan effectueren door middel van de btw-melding. De niet
in de lidstaat van verbruik gevestigde ondernemer kan wel verzoeken om teruggaaf van
de aan hem in rekening gebracht btw conform Richtlijn 2008/9/EG van de Raad van 12 februari
2008 tot vaststelling van nadere voorschriften voor de in Richtlijn 2006/112/EG vastgestelde
teruggaaf van belasting over de toegevoegde waarde aan belastingplichtigen die niet
in de lidstaat van teruggaaf maar in een andere lidstaat gevestigd zijn (in de praktijk
nog vaak aangeduid als de «Achtste Richtlijn»). De voorgestelde wijziging bewerkstelligt
allereerst dat het artikel in twee leden wordt opgesplitst. Verder bewerkstelligt
de voorgestelde wijziging in het eerste lid dat een niet in de Unie gevestigde ondernemer
ook om teruggaaf kan verzoeken van de aan hem in rekening gebrachte btw op grond van
de Dertiende Richtlijn. Tot slot wordt «in afwijking van» vervangen door «niettegenstaande»
zoals ook is opgenomen in het nieuwe artikel 368 BTW-richtlijn 2006. Hiermee wordt
beter aangesloten bij de tekst van die richtlijn.
Artikel I, onderdeel H (artikel 28tb van de Wet op de omzetbelasting 1968)
Onder vernummering van het huidige artikel 28tb, vierde lid, Wet OB 1968 tot vijfde
lid wordt in het voorgestelde vierde lid van dat artikel verduidelijkt dat de invoerregeling
niet van toepassing is, voor zover de ondernemer die afstandsverkopen vanuit derdelandsgebieden
of derde-landen ingevoerde goederen verricht reeds de kleineondernemersregeling toepast.
Deze wijziging is enkel technisch van aard en beoogt geen materiële wijziging van
de thans geldende regels. Bij de totstandkoming van de Wet implementatie Richtlijn
kleineondernemersregeling is reeds toegelicht dat samenloop tussen de kleineondernemersregeling
en de invoerregeling niet mogelijk is.12
Artikel I, onderdeel I (artikel 28te van de Wet op de omzetbelasting 1968)
Artikel 28te, eerste lid, onderdeel c, en derde lid, onderdeel c, Wet OB 1968 regelt
dat de ondernemer en de tussenpersoon voor de toepassing van de invoerregeling in
de mededeling onder meer het elektronisch adres, met inbegrip van websites, dienen
te vermelden. De voorgestelde wijziging in het eerste lid, onderdeel c, en het derde
lid, onderdeel c, verduidelijken dat de informatie met betrekking tot websites enkel
hoeft te worden verstrekt, voor zover die informatie beschikbaar is.
Artikel I, onderdeel J (artikel 28tl van de Wet op de omzetbelasting 1968)
Artikel 28tl, eerste lid, Wet OB 1968 voorziet momenteel erin dat de ondernemer die
de invoerregeling toepast geen recht op aftrek kan effectueren door middel van de
btw-melding. Deze ondernemer kan conform de Dertiende Richtlijn en Richtlijn 2008/9/EG
wel verzoeken om teruggaaf van de aan hem in rekening gebrachte btw. De voorgestelde
wijziging betreft het vervallen van de verwijzing naar artikel 2, derde lid, Dertiende
richtlijn. Als gevolg van het vervallen van genoemd derde lid kan de andere lidstaat
vereisen dat voor het effectueren van een teruggaaf op grond van de Dertiende Richtlijn
voor goederenleveringen die onder de invoerregeling vallen, de ondernemer een fiscaal
vertegenwoordiger aanwijst.
Tot slot wordt «in afwijking van» vervangen door «niettegenstaande» zoals ook is opgenomen
in het nieuwe artikel 368 BTW-richtlijn 2006. Hiermee wordt beter aangesloten bij
de tekst van die richtlijn.
Artikel I, onderdeel K (artikel 32n van de Wet op de omzetbelasting 1968)
De in dit onderdeel voorgestelde wijziging betreft enkel een wetstechnische aanpassing
die niet ziet op de implementatie van het onderdeel «enkele btw-registratie» van de
Richtlijn btw in het digitale tijdperk. In artikel 32n Wet OB 1968 zijn bepalingen opgenomen waarin de inspecteur bij een
verzoek om teruggaaf van btw om aanvullende gegevens kan verzoeken. In artikel 32,
vierde lid, Wet OB 1968 wordt verwezen naar de genoemde gegevens uit het eerste tot
en met vierde lid van dat artikel. Genoemd vierde lid dient vanzelfsprekend niet te
verwijzen naar gegevens uit dat lid zelf. Daarom wordt van de gelegenheid gebruikgemaakt
deze abusievelijk onjuiste verwijzing te herstellen en in genoemd vierde lid te verwijzen
naar het eerste tot en met derde lid.
Artikel II (overgangsrecht)
In artikel II is vooruitlopend op de inwerkingtreding van artikel III overgangsrecht
opgenomen. Ingevolge artikel II zijn vanaf 1 januari 2027 tot en met 30 juni 2028
bepaalde leveringen van gas, van elektriciteit of van warmte of koude via warmte-
of koudenetten voor de toepassing van de Unieregeling gelijkgesteld met intracommunautaire
afstandsverkopen van goederen als bedoeld in artikel 2a, eerste lid, onderdeel w,
Wet OB 1968. Het betreft enkel leveringen van gas, elektriciteit of warmte of koude
als bedoeld in artikel 5b, derde lid, Wet OB 1968. Deze leveringen worden voor de
toepassing van de Unieregeling, bedoeld in artikel 28sa Wet OB 1968, gekwalificeerd
als intracommunautaire afstandsverkopen van goederen. Door deze kwalificatie kan de
ondernemer van de desbetreffende prestaties in aanmerking komen voor de toepassing
van de Unieregeling in het éénloketsysteem. Het gevolg hiervan is dat de ondernemer
zich ter zake van deze leveringen niet voor btw-heffing hoeft te registreren in de
lidstaat waar de levering is belast en ook in die lidstaat de verschuldigde btw niet
door middel van een btw-aangifte hoeft aan te geven en te betalen. Deze ondernemer
kan de verschuldigde btw aangeven en voldoen in één lidstaat via de Unieregeling.
Voorbeeld 5
Ondernemer X is gevestigd in Nederland en heeft geopteerd voor toepassing van de Unieregeling.
Ondernemer X levert elektriciteit aan particulier Y in Duitsland. De plaats van levering
is ingevolge artikel 5b, derde lid, Wet OB 1968 gelegen in Duitsland. Als gevolg van
het voorgestelde artikel II wordt deze levering voor de toepassing van de Unieregeling
als een intracommunautaire afstandsverkoop van goederen beschouwd. Ondernemer X dient
voor al de in aanmerking komende leveringen en diensten de Unieregeling toe te passen
op grond van artikel 28sa, tweede lid, Wet OB 1968. Ondernemer X moet aldus de verschuldigde
btw ter zake van de levering van elektriciteit die belast is in Duitsland aangeven
en afdragen in zijn btw-melding in Nederland.
Artikel III, onderdeel A (artikel 12 van de Wet op de omzetbelasting 1968)
Artikel 12 Wet OB 1968 heeft betrekking op degene van wie de belasting wordt geheven.
In dit artikel wordt met het voorgestelde artikel 12, vierde lid, Wet OB 1968 een
aanvullende verleggingsregeling ingevoerd, naast de reeds bestaande verleggingsregelingen.
Deze nieuwe regeling waarborgt dat een ondernemer die niet in Nederland is gevestigd
en geïdentificeerd, zich in nog meer gevallen hier niet hoeft te registeren voor btw-doeleinden.
Deze bepaling is gebaseerd op artikel 194, eerste lid, onderdeel a, BTW-richtlijn
2006.
Ingevolge het voorgestelde artikel 12, vierde lid, Wet OB 1968 is deze aanvullende
verleggingsregeling van toepassing ingeval aan vier cumulatieve voorwaarden is voldaan.
Allereerst moet de presterende ondernemer een levering verrichten die niet kwalificeert
als een intracommunautaire levering die belast is tegen het nultarief of een dienst
verrichten die niet kwalificeert als een dienst als bedoeld in artikel 12, tweede
lid, Wet OB 1968. Ten tweede mag de presterende ondernemer niet in Nederland wonen,
gevestigd zijn of een vaste inrichting hebben van waaruit de prestatie wordt verricht.
Ten derde mag aan deze ondernemer geen btw-identificatienummer in Nederland zijn toegekend.
Tot slot moet de afnemende ondernemer in Nederland zijn geïdentificeerd voor btw-doeleinden.
Voorbeeld 6
Ondernemer X is gevestigd in Duitsland en uitsluitend aldaar voor btw-doeleinden geïdentificeerd.
Ondernemer Y is gevestigd en geïdentificeerd in Frankrijk, maar is tevens voor btw-doeleinden
geïdentificeerd in Nederland. Ondernemer X levert een goed aan ondernemer Y in Nederland.
Op grond van artikel 5, eerste lid, onderdeel b, Wet OB 1968 kwalificeert de levering
van ondernemer X aan ondernemer Y als een met btw belaste binnenlandse levering in
Nederland. Onder de huidige regelgeving dient ondernemer X zich in Nederland voor
btw-doeleinden te registreren en de over deze levering verschuldigde btw af te dragen.
Als gevolg van de invoering van het voorgestelde artikel 12, vierde lid, Wet OB 1968
is ondernemer X in deze situatie niet langer verplicht zich in Nederland voor btw-doeleinden
te registeren. Aangezien ondernemer Y reeds voor btw-doeleinden in Nederland is geïdentificeerd,
wordt hij degene die de verschuldigde btw dient te voldoen.
Artikel III, onderdeel B (artikel 15 van de Wet op de omzetbelasting 1968)
Op grond van artikel 15, eerste lid, onderdeel c, onder 2°, Wet OB 1968 komt de ingevolge
artikel 12 van die wet verlegde belasting voor aftrek in aanmerking bij de ondernemer
naar wie de verschuldigdheid van omzetbelasting is verlegd. De voorgestelde uitbreiding
van artikel 12 Wet OB 1968 met een nieuw vierde lid noopt daarom tevens tot aanpassing
van artikel 15, eerste lid, onderdeel c, onder 2°, Wet OB 1968. Als gevolg van deze
wijziging kan de btw die op grond van het voorgestelde artikel 12, vierde lid, Wet
OB 1968 is verlegd door de desbetreffende ondernemer in aftrek worden gebracht.
Artikel III, onderdeel C (artikel 25b van de Wet op de omzetbelasting 1968)
Op grond van artikel 25b, derde lid, Wet OB 1968 zijn de ontheffingen van de diverse
verplichtingen die gelden voor ondernemers die de kleineondernemersregeling toepassen
niet van toepassing op ondernemers naar wie de verschuldigdheid voor het afdragen
van omzetbelasting is verlegd op grond van artikel 12 van die wet.
De voorgestelde uitbreiding van artikel 12 Wet OB 1968 met een nieuw vierde lid vereist
daarom dat artikel 25b, derde lid, Wet OB 1968 wordt gewijzigd. Als gevolg van deze
wijziging gelden de desbetreffende ontheffingen evenmin indien de verschuldigdheid
voor het afdragen van omzetbelasting is verlegd op grond van het voorgestelde artikel 12,
vierde lid, Wet OB 1968.
Artikel III, onderdeel D (artikel 28g van de Wet op de omzetbelasting 1968)
Op grond van artikel 28g Wet OB 1968 wordt voorkomen dat de verleggingsregeling van
artikel 12, derde lid, Wet OB 1968 van toepassing is, indien een in een andere lidstaat
gevestigde wederverkoper met toepassing van de margeregeling een goed levert in Nederland.
De voorgestelde uitbreiding van artikel 12 Wet OB 1968 met een nieuw vierde lid vereist
aanpassing van artikel 28g Wet OB 1968. Als gevolg van deze wijziging is de verleggingsregeling
van het voorgestelde artikel 12, vierde lid, Wet OB 1968 evenmin van toepassing indien
de wederverkoper een levering verricht met toepassing van de margeregeling, bedoeld
in de artikelen 28b, 28c en 28d Wet OB 1968.
Artikel III, onderdeel E (hoofdstuk V, afdeling 7, van de Wet op de omzetbelasting
1968)
Deze wijziging is louter technisch van aard. Voorgesteld wordt de reikwijdte van de
regelingen in hoofdstuk V, afdeling 7, aan te passen. Dat noopt tot aanpassing van
het opschrift van die afdeling.
Artikel III, onderdeel F (artikel 28rg van de Wet op de omzetbelasting 1968)
De voorgestelde wijziging van artikel 28rg Wet OB 1968 betreft het corrigeren van
relevante informatie voor de niet-Unieregeling nadat een btw-melding is ingediend.
Het voorgestelde tweede lid van dat artikel regelt op welk moment een correctie dient
te geschieden in de situatie dat wijzigingen in een reeds ingediende btw-melding vereist
zijn en het informatie betreft over een kalenderkwartaal waarvoor de indieningstermijn
van de btw-melding, bedoeld in artikel 28rf, eerste lid, Wet OB 1968, nog niet is
verlopen. In een dergelijk geval dient de ondernemer de te corrigeren gegevens in
de btw-melding op te nemen die betrekking heeft op het desbetreffende kalenderkwartaal.
Voorbeeld 7
Ondernemer X is gevestigd in Argentinië en past de niet-Unieregeling toe. Nederland
is de lidstaat van identificatie. Ondernemer X geeft op 10 april 2029 in zijn btw-melding
voor het eerste kalenderkwartaal aan dat hij onder meer € 60.000 aan btw is verschuldigd
in Duitsland. Op 15 april 2029 merkt ondernemer X echter op dat hij in Duitsland € 70.000
aan btw is verschuldigd. Ondernemer X moet voor 30 april 2029 de informatie voor het
eerste kalenderkwartaal corrigeren door de btw-melding voor het desbetreffende kalenderkwartaal
aan te passen.
De wijziging van het voorgestelde nieuwe derde lid is technisch van aard en beoogt
geen materiële wijziging te bewerkstelligen ten opzichte van het huidige tweede lid.
Het voorgestelde derde lid ziet op de situatie dat de indieningstermijn van de btw-melding,
bedoeld in artikel 28f, eerste lid, Wet OB 1968, reeds is verlopen en beschrijft op
welk moment de correctie dan dient te geschieden. In een dergelijk geval dient de
ondernemer de te corrigeren gegevens in de eerstvolgende btw-melding op te nemen doch
uiterlijk binnen drie jaren na de datum waarop de oorspronkelijke btw-melding moest
zijn ingediend.
Voorbeeld 8
Ondernemer X is gevestigd in Argentinië en past de niet-Unieregeling toe. Nederland
is de lidstaat van identificatie. Ondernemer X geeft op 10 april 2029 in zijn btw-melding
voor het eerste kalenderkwartaal aan dat hij onder meer € 60.000 aan btw is verschuldigd
in Duitsland. Op 23 juni 2030 merkt ondernemer X echter op dat hij in Duitsland over
het eerste kalenderkwartaal van 2029 € 70.000 aan btw was verschuldigd. Ondernemer
X moet deze informatie voor het eerste kalenderkwartaal van 2029 corrigeren en de
resterende btw afdragen in de btw-melding van het tweede kalenderkwartaal van 2030.
Artikel III, onderdeel G (hoofdstuk V, afdeling 7, paragraaf 3, van de Wet op de omzetbelasting
1968)
Deze wijziging is louter technisch van aard. Voorgesteld wordt de reikwijdte van de
regelingen in hoofdstuk V, afdeling 7, paragraaf 3, aan te passen. Dat noopt tot aanpassing
van het opschrift van die paragraaf.
Artikel III, onderdeel H (artikel 28s van de Wet op de omzetbelasting 1968)
Artikel 28s, onderdeel b, Wet OB 1968 formuleert voor de toepassing van de Unieregeling
de definitie van «lidstaat van identificatie». De voorgestelde uitbreiding van de
reikwijdte van de Unieregeling als gevolg van de implementatie van de Richtlijn Btw
in het digitale tijdperk – enkele btw-registratie noopt tot uitbreiding van het definitiekader,
in het bijzonder voor de situatie dat de ondernemer de zetel van zijn bedrijfsuitoefening
niet in de Unie heeft gevestigd en aldaar geen vaste inrichting heeft als bedoeld
in het huidige onderdeel b, onder 4°. Onder «de lidstaat van identificatie» kan in
een dergelijk geval – op grond van het voorgestelde onderdeel b, onder 5°, en aanvullend
op hetgeen in de huidige tekst van onderdeel b, onder 4°, reeds is gesteld – het volgende
worden verstaan:
– De lidstaat waar de levering plaatsvindt ingeval van een levering van een goed zonder
verzending of vervoer; of
– De lidstaat waar de levering plaatsvindt ingeval van een levering van een goed, maar
waarbij het vervoer van het goed begint en eindigt in dezelfde lidstaat; of
– De lidstaat waar de levering van goederen aan boord van een schip, vliegtuig of trein
tijdens het in de Unie verrichte gedeelte van het passagiersvervoer, wordt geacht
plaats te vinden als bedoeld in artikel 37, eerste lid, BTW-richtlijn 2006; of
– De lidstaat waar de levering van gas, elektriciteit, warmte of koude plaatsvindt als
bedoeld in artikel 39 BTW-richtlijn 2006.
Het voorgestelde artikel 28s, onderdeel b, onder 6°, Wet OB 1968 betreft geen wijziging
ten opzichte van het huidige onderdeel b, onder 4°, van dat artikel indien er meer
dan één lidstaat is waar de verzending of het vervoer van de goederen aanvangt. Het
ziet op de situatie dat de ondernemer de zetel van zijn bedrijfsuitoefening niet in
de Unie heeft gevestigd en aldaar geen vaste inrichting heeft; dan vermeldt de ondernemer
welke van deze lidstaten de lidstaat van identificatie is.
Voorts wordt met het voorgestelde artikel 28s, onderdeel b, onder 7°, Wet OB 1968
bereikt dat de lidstaat van identificatie voor de toepassing van de overbrengingsregeling
en Unieregeling aan elkaar gelijk zijn. Ingeval de ondernemer al heeft geopteerd voor
de toepassing van de overbrengingsregeling, geldt voor deze ondernemer voor de toepassing
van de Unieregeling dezelfde lidstaat als lidstaat van identificatie.
Het voorgestelde artikel 28s, onderdeel c, onder 3°, Wet OB 1968 regelt dat als «lidstaat
van verbruik» wordt aangewezen de lidstaat waar de levering wordt verricht ingeval
de levering wordt verricht aan een ondernemer of aan een rechtspersoon, andere dan
ondernemer, van wie de intracommunautaire verwervingen van goederen krachtens artikel 1a,
tweede lid, niet aan de belasting zijn onderworpen, of aan enige andere niet-ondernemer,
en voor zover de levering plaatsvindt in of begint en eindigt in de desbetreffende
lidstaat.
Tot slot wordt voorgesteld aan artikel 28s, onderdeel c, Wet OB 1968 een nieuw subonderdeel
toe te voegen. Dit subonderdeel bewerkstelligt dat ook een lidstaat van verbruik wordt
aangewezen ingeval een levering plaatsvindt overeenkomstig de artikelen 36, 37 of
39 BTW-richtlijn 2006. Deze artikelen van de BTW-richtlijn 2006 hebben betrekking
op leveringen van goederen die door de leverancier worden gemonteerd of geïnstalleerd,
leveringen van goederen aan boord van schepen, luchtvaarttuigen of treinen, en bepaalde
leveringen van gas, elektriciteit, warmte en koude. In een dergelijk geval is de «lidstaat
van verbruik» de lidstaat waar de levering wordt geacht plaats te vinden.
Artikel III, onderdeel I (artikel 28sa van de Wet op de omzetbelasting 1968)
In artikel 28sa, eerste lid, Wet OB 1968 staat beschreven welke ondernemers van de
Unieregeling kunnen gebruikmaken. De voorgestelde wijzigingen zorgen ervoor dat de
reikwijdte van de Unieregeling wordt vergroot.
In het eerste lid, onderdeel b, staat momenteel dat een ondernemer van de Unieregeling
gebruik kan maken als hij de levering van goederen faciliteert overeenkomstig artikel 3c,
tweede lid, Wet OB 1968 en indien het vervoer van de geleverde goederen in dezelfde
lidstaat begint en eindigt. In aanvulling daarop wordt voorgesteld dat een dergelijke
ondernemer tevens van de Unieregeling gebruik kan maken indien de levering van goederen
geschiedt zonder verzending of vervoer.
In het voorgestelde artikel 28sa, eerste lid, onderdeel d, Wet OB 1968 wordt geregeld
dat van de Unieregeling gebruikgemaakt kan worden door een ondernemer die leveringen
van goederen verricht als bedoeld in de artikelen 36, 37 of 39 BTW-richtlijn 2006.
Dit betreft leveringen van goederen die door de leverancier worden gemonteerd of geïnstalleerd,
leveringen van goederen aan boord van schepen, luchtvaarttuigen of treinen, en bepaalde
leveringen van gas, elektriciteit, warmte en koude.
In het voorgestelde artikel 28sa, eerste lid, onderdeel e, Wet OB 1968 wordt geregeld
dat een ondernemer die binnenlandse leveringen in andere lidstaten verricht, gebruik
kan maken van de Unieregeling. In het bijzonder betreft het hier leveringen waarbij
er geen vervoer plaatsvindt of voor zover er wel vervoer plaatsvindt, het vervoer
begint en eindigt in diezelfde lidstaat.
Het voorgestelde artikel 28sa, eerste lid, onderdeel f, Wet OB 1968 regelt dat een
ondernemer gebruik kan maken van de Unieregeling indien na een overbrenging van eigen
goederen met toepassing van de overbrengingsregeling, hij de goederen – in algemene
zin – bestemt of gebruikt voor privégebruik, andere dan (belaste) bedrijfsdoeleinden,
of herziening van reeds in aftrek gebrachte btw dient plaats te vinden als gevolg
van wijziging van gebruik van dat goed als bedoeld in de artikelen 16, 18, 26 of titel
X, hoofdstuk 5, BTW-richtlijn 2006. Zonder toepassing van het voorgestelde artikel 28sa,
eerste lid, onderdeel f, Wet OB 1968 zou een ondernemer als gevolg van de bovengenoemde
omstandigheden zich eerst in de desbetreffende lidstaat moeten registeren om vervolgens
aldaar de verschuldigde btw aan te geven en te voldoen op aangifte. Genoemd onderdeel f
maakt het mogelijk dat de ondernemer na een overbrenging van eigen goederen zich niet
in de lidstaat van aankomst hoeft te registeren en de btw hoeft aan te geven en af
te dragen, ingeval de bestemming of het gebruik van deze goederen na de overbrenging
wijzigt. Deze ondernemer kan de verschuldigde btw dan door middel van de btw-melding
in één lidstaat aangeven en afdragen.
Voorbeeld 9
Ondernemer X is gevestigd in Nederland en schaft in 2027 een goed aan in Nederland
waarmee belaste handelingen worden verricht. Ondernemer X brengt de in rekening gebrachte
btw ter zake van het goed volledig in aftrek in Nederland. In 2028 brengt ondernemer
X het goed over naar België met toepassing van de overbrengingsregeling. Vervolgens
onttrekt ondernemer X het goed aan zijn bedrijf voor privédoeleinden. Ondernemer X
is daarvoor in België btw verschuldigd op grond van de Belgische implementatie van
artikel 16 BTW-richtlijn 2006. Ondernemer X kan de Belgische verschuldigde btw ter
zake van de onttrekking van het goed in Nederland via de Unieregeling aangeven en
afdragen.
Artikel III, onderdeel J (artikel 28se van de Wet op de omzetbelasting 1968)
Artikel 28se Wet OB 1968 bevat diverse bepalingen die betrekking hebben op de inhoud
van de btw-melding die moet worden ingediend in het kader van de toepassing van de
Unieregeling. Om de wijzigingen in de Richtlijn Btw in het digitale tijdperk – enkele
btw-registratie te accommoderen, zijn wijzigingen in artikel 28se Wet OB 1968 noodzakelijk.
Om die reden wordt voorgesteld artikel 28se, eerste tot en met het zesde lid, Wet
OB 1968 te wijzigen zodat de inhoud van de btw-melding ook betrekking heeft op de
additionele, onder de reikwijdte van de Unieregeling vallende handelingen. In dit
verband kan artikel 28se, vijfde lid, Wet OB 1968 komen te vervallen, waarbij wordt
voorgesteld van de daaropvolgende leden het negende lid van dat artikel niet te vernummeren in verband met het voorstel een nieuw achtste lid in te voegen. De
voorgestelde wijzigingen in het zevende lid en het nieuw in te voegen achtste lid
verduidelijken op welke wijze de ondernemer correcties van btw-meldingen kan doorvoeren.
Het voorgestelde negende lid schrijft voor dat de ondernemer in de btw-melding de
relevante informatie moet vermelden ter zake van herziening van in aftrek gebrachte
btw. Ten slotte is in het voorgestelde tiende lid opgenomen dat de btw-melding geen
vrijgestelde handelingen bevat. Hiermee wordt verduidelijkt dat de Unieregeling niet
van toepassing is op vrijgestelde handelingen.
Artikel III, onderdeel K (artikel 28te van de Wet op de omzetbelasting 1968)
Artikel 28te Wet OB 1968 regelt welke informatie de ondernemer of de tussenpersoon
in zijn mededeling moet opnemen ter zake van het beginnen van activiteiten in het
kader van de invoerregeling door de ondernemer. In aanvulling op de reeds verlangde
informatie wordt door middel van de voorgestelde wijziging van artikel 28te, eerste
en derde lid, Wet OB 1968 bepaald dat de ondernemer, of een voor zijn rekening aangewezen
tussenpersoon, voordat hij gaat gebruikmaken van de invoerregeling, in zijn mededeling
moet mededelen of de ondernemer de hoedanigheid heeft van ondernemer die wordt geacht
bij wetsfictie van artikel 3c, eerste lid, Wet OB 1968 de goederen zelf te hebben
ontvangen en vervolgens door te leveren.
Artikel III, onderdeel L (artikel 28ti van de Wet op de omzetbelasting 1968)
Artikel 28ti Wet OB 1968 regelt onder meer welke informatie de ondernemer in de btw-melding
moet vermelden ter zake van handelingen in het kader van de invoerregeling, en op
welke wijze informatie in de btw-melding kan worden gecorrigeerd. Voorgesteld wordt
in het eerste lid, onderdeel c, op te nemen dat alleen de geldende btw-tarieven en
de totale verschuldigde belasting worden toegevoegd aan de btw-melding, voor zover
dit van toepassing is. Het voorgestelde artikel 28ti, tweede, Wet OB 1968 en de voorgestelde
wijziging van het derde lid (nieuw) van dat artikel betreffen verduidelijkingen van
de wijze waarop en wanneer de btw-meldingen kunnen worden gecorrigeerd. De wijze waarop
de correctie kan plaatsvinden komt overeen met hetgeen reeds is toegelicht in de artikelsgewijze
toelichting bij de voorgestelde wijzigingen van artikel 28rg Wet OB 1968.
Artikel III, onderdeel M (hoofdstuk V, afdeling 7, paragraaf 5, artikelen 28to tot
en met 28tw van de Wet op de omzetbelasting 1968)
Met het voorgestelde hoofdstuk V, afdeling 7, paragraaf 5, Wet OB 1968 wordt een nieuwe
regeling aan de bestaande éénloketregelingen toegevoegd: de overbrengingsregeling.
Vanaf 1 juli 2028 kunnen ondernemers voor overbrengingen van goederen naar andere
lidstaten gebruikmaken van deze regeling. Door toepassing van deze regeling kunnen
ondernemers slechts met enkel één btw-registratie overbrengingen van eigen goederen
naar andere lidstaten verrichten, zonder aldaar ter zake van die overbrenging zich
voor btw-doeleinden te registeren. De voorgestelde overbrengingsregeling vertoont
veel gelijkenis met de andere éénloketregelingen, maar volledigheidshalve wordt hierna
de regeling toegelicht.
Artikel 28to
Het voorgestelde artikel 28to Wet OB 1968 is gebaseerd op artikel 369 quinvicies bis
BTW-richtlijn 2006. Genoemd artikel 28to regelt voor de toepassing van de overbrengingsregeling
de definities van «overbrenging van eigen goederen», «lidstaat van identificatie»
en «overbrengingsregeling». Deze definities zijn relevant voor het vaststellen van
het toepassingsbereik van de regeling en voor het vaststellen van de lidstaat van
waaruit de ondernemer zijn zogenoemde overbrengingen van eigen goederen kan aangeven.
Eerste lid, onderdeel a
In het voorgestelde artikel 28to, onderdeel a, Wet OB 1968 wordt een definitie gegeven
van «overbrenging van eigen goederen». Onder deze definitie wordt verstaan een overbrenging
van goederen naar een andere lidstaat als bedoeld in artikel 17, eerste lid, BTW-richtlijn
2006 en artikel 3a, eerste lid, Wet OB 1968, voor zover in de lidstaat waar de goederen
naar worden vervoerd of verzonden volledig recht op aftrek zou bestaan zonder toepassing
van de overbrengingsregeling. Dat betekent dat geen sprake is van een «overbrenging
van eigen goederen» ingeval de overbrenging van de goederen naar de andere lidstaat
zou resulteren in een intracommunautaire verwerving waarvoor geen of slechts gedeeltelijk
recht op aftrek zou bestaan.
Eerste lid, onderdeel b
In het voorgestelde artikel 28to, onderdeel b, Wet OB 1968 wordt het begrip «lidstaat
van identificatie» gedefinieerd. De definitie van «lidstaat van identificatie» vertoont
in zekere mate overeenkomsten met het begrip «lidstaat van identificatie» in de éénloketregelingen
van hoofdstuk V, afdeling 7, Wet OB 1968. Hierna wordt voor alle duidelijkheid dat
begrip toegelicht voor de toepassing van de overbrengingsregeling.
Eerste lid, onderdeel b, onder 1°
Het voorgestelde artikel 28to, onderdeel b, onder 1°, Wet OB 1968 bewerkstelligt dat
de lidstaat van identificatie de lidstaat is waar de ondernemer de zetel van zijn
bedrijfsuitoefening heeft gevestigd.
Eerste lid, onderdeel b, onder 2°
Het voorgestelde artikel 28to, onderdeel b, onder 2°, Wet OB 1968 wijst de lidstaat
van identificatie aan ingeval de ondernemer geen zetel van bedrijfsuitoefening in
de Unie heeft, maar wel beschikt over een vaste inrichting. In een dergelijk geval
is de lidstaat van identificatie de lidstaat waar de vaste inrichting zich bevindt.
Eerste lid, onderdeel b, onder 3°
Het voorgestelde artikel 28to, onderdeel b, onder 3°, Wet OB 1968 regelt welke lidstaat
wordt aangewezen als lidstaat van identificatie ingeval de ondernemer over meerdere
vaste inrichtingen beschikt in de Unie. Als de ondernemer over meerdere vaste inrichtingen
beschikt, dan is de lidstaat van identificatie de lidstaat met een vaste inrichting
waar de ondernemer meldt dat hij van deze regeling gebruik zal maken. Deze ondernemer
is dan aan zijn beslissing gebonden gedurende het desbetreffende kalenderjaar en de
twee daaropvolgende kalenderjaren.
Eerste lid, onderdeel b, onder 4°
Het voorgestelde artikel 28to, onderdeel b, onder 4°, Wet OB 1968 regelt dat de ondernemer
die niet beschikt over een vaste inrichting in de Unie, als lidstaat van identificatie
aanwijst de lidstaat waar de verzending of het vervoer van de goederen aanvangt.
Eerste lid, onderdeel b, onder 5°
Het voorgestelde artikel 28to, onderdeel b, onder 5°, Wet OB 1968 regelt dat de ondernemer
die niet beschikt over een vaste inrichting in de Unie en als het vervoer of de verzending
in meer dan één lidstaat aanvangt, de ondernemer één van deze lidstaten aanwijst als
lidstaat van identificatie. Ook in dit geval geldt dat de ondernemer aan zijn beslissing
is gebonden gedurende het desbetreffende kalenderjaar en de twee daaropvolgende kalenderjaren.
Eerste lid, onderdeel b, onder 6°
Het voorgestelde artikel 28to, onderdeel b, onder 6°, Wet OB 1968 regelt dat de lidstaat
van identificatie voor toepassing van de overbrengingsregeling overeenkomt met de
lidstaat van identificatie voor toepassing van de Unieregeling, ingeval de ondernemer
al heeft geopteerd voor toepassing van de Unieregeling.
Eerste lid, onderdeel c
In het voorgestelde artikel 28to, onderdeel c, Wet OB 1968 wordt het begrip «overbrengingsregeling»
gedefinieerd om een consistente toepassing van deze definitie binnen de gehele Wet
OB 1968 te waarborgen.
Tweede lid
Het voorgestelde tweede lid regelt dat indien niet of niet langer voldaan wordt aan
de voorwaarden voor de identificatie, deze geweigerd of beëindigd kan worden.
Artikel 28tp
Het voorgestelde artikel 28tp Wet OB 1968 regelt welke ondernemer van de overbrengingsregeling
gebruik mag maken. Van de overbrengingsregeling mag een ondernemer gebruikmaken die
overbrengingen van eigen goederen verricht zoals gedefinieerd in het voorgestelde
artikel 28to, onderdeel a, Wet OB 1968. Als de ondernemer gebruikmaakt van de overbrengingsregeling,
dan is deze regeling van toepassing op alle door hem verrichte overbrengingen van
eigen goederen.
Artikel 28tq
Het voorgestelde artikel 28tq Wet OB 1968 heeft betrekking op de opgave aan de lidstaat
van identificatie door een ondernemer van het begin of de beëindiging van zijn activiteit
in het kader van de overbrengingsregeling. Het voorgestelde artikel 28tq Wet OB 1968
is gebaseerd op de artikelen 369 quinvicies quater en 369 quinvicies quinquies BTW-richtlijn
2006, en komt overeen met de bepalingen over de toepassing van de niet-Unieregeling,
Unieregeling en invoerregeling.
In het voorgestelde eerste lid wordt geregeld dat de ondernemer een opgave dient te
doen bij de lidstaat van identificatie bij begin of beëindiging van zijn activiteiten
in het kader van de overbrengingsregeling. Deze ondernemer dient bij de lidstaat van
identificatie ook opgave te doen van wijziging van zijn activiteit als hij daardoor
niet langer voldoet aan de voorwaarden om van de overbrengingsregeling gebruik te
mogen maken. Deze opgaves dienen langs elektronische weg te worden verstrekt.
Het voorgestelde tweede lid regelt dat de opgave wordt gedaan bij de Nederlandse inspecteur,
in het geval Nederland de lidstaat van identificatie is.
Het voorgestelde derde lid regelt dat de ondernemer die opgave doet voor toepassing
van de overbrengingsregeling, wordt opgenomen in het door de Belastingdienst bijgehouden
identificatieregister overbrengingsregeling.
Artikel 28tr
Het voorgestelde artikel 28tr, eerste lid, Wet OB 1968 bevat een opsomming van gevallen
waarin de ondernemer van de overbrengingsregeling wordt uitgesloten door de lidstaat
van identificatie. In artikel 58, eerste lid, Btw-Uitvoeringsverordening13 staat uitdrukkelijk vermeld dat enkel de lidstaat van identificatie een ondernemer
mag uitsluiten van de toepassing van de overbrengingsregeling. Genoemd artikel 28tr
vertoont veel overeenkomsten met de overige bepalingen over de éénloketregelingen,
bijvoorbeeld artikel 28sc Wet OB 1968. Volledigheidshalve worden de uitsluitingsgevallen
hierna kort toegelicht.
Eerste lid
In het eerste lid, onderdeel a, staat dat de ondernemer wordt uitgesloten van de overbrengingsregeling
indien hij meldt dat hij niet langer overbrengingen van eigen goederen verricht die
onder de overbrengingsregeling vallen.
Volgens het eerste lid, onderdeel b, kan de ondernemer de overbrengingsregeling niet
meer toepassen, indien de inspecteur op enig andere manier kan aannemen dat deze ondernemer
zijn aan de overbrengingsregeling onderworpen activiteiten heeft beëindigd. Ingevolge
artikel 58bis Btw-Uitvoeringsverordening mag de inspecteur aannemen dat hieraan is
voldaan ingeval een ondernemer in een periode van twee jaar geen overbrengingen van
eigen goederen heeft verricht die onder de overbrengingsregeling vallen. Beëindiging
op grond van het voorgestelde artikel 28tr, eerste lid, onderdeel b, Wet OB 1968 belet
de ondernemer niet om op een later moment opnieuw van de overbrengingsregeling gebruik
te maken.
In het eerste lid, onderdeel c, staat vervolgens dat de overbrengingsregeling wordt
beëindigd ingeval de ondernemer niet meer voldoet aan de voorwaarden om van de overbrengingsregeling
gebruik te mogen maken.
Ten slotte wordt in het eerste lid, onderdeel d, geregeld dat de ondernemer niet meer
van de overbrengingsregeling mag gebruikmaken indien hij voortdurend niet voldoet
aan de voorschriften van de desbetreffende regeling. In artikel 58ter, tweede lid,
Btw-Uitvoeringsverordening is aangegeven dat hier – bijvoorbeeld – sprake van kan
zijn ingeval een herinnering is verzonden voor het herhaaldelijk niet indienen van
btw-meldingen, zoals omschreven in artikel 60bis Btw-Uitvoeringsverordening.
Tweede lid
In het voorgestelde tweede lid wordt geregeld dat de beslissing van de inspecteur
om de ondernemer uit te sluiten van de toepassing van de overbrengingsregeling een
voor bezwaar vatbare beschikking is. Dat betekent dat als Nederland de lidstaat van
identificatie is, de uitsluiting enkel kan geschieden door middel van een voor bezwaar
vatbare beschikking van de inspecteur.
Het verdient vermelding dat de uitsluiting van de overbrengingsregeling, bedoeld in
het voorgestelde artikel 28tr, eerste lid, Wet OB 1968, ingevolge artikel 58, tweede
lid, Btw-Uitvoeringsverordening, in werking treedt op de eerste dag van de kalendermaand
volgende op de dag waarop het besluit inzake uitsluiting langs elektronische weg aan
de ondernemer is medegedeeld. Ingeval een uitsluiting evenwel het gevolg is van een
wijziging in omstandigheden op basis waarvan de lidstaat van identificatie is geïdentificeerd,
zoals een wijziging van vestigingsplaats, dan treedt de uitsluiting van de regeling
op de dag van wijziging in werking.
Artikel 28ts
Het voorgestelde artikel 28ts Wet OB 1968 implementeert artikel 369 quinvicies septies
BTW-richtlijn 2006. Het voorgestelde artikel 28ts, eerste lid, Wet OB 1968 regelt
dat een ondernemer die gebruikmaakt van de overbrengingsregeling voor elke kalendermaand
langs elektronische weg een zogenoemde btw-melding moet indienen bij de lidstaat van
identificatie. Het verdient vermelding dat bij de Unieregeling de btw-melding voor
elk kalenderkwartaal moet worden ingediend, maar bij de overbrengingsregeling wordt
verlangd dat deze voor elke kalendermaand wordt ingediend. De btw-melding heeft namelijk
ten dele ook als doel om de periodieke lijst van artikel 37a Wet OB 1968 te vervangen.
Net als bij de andere éénloketregelingen moet een btw-melding worden ingediend indien
geen overbrengingen van eigen goederen hebben plaatsgevonden die onder de overbrengingsregeling
vallen. De btw-melding moet voor het einde van de kalendermaand volgend op het verstrijken
van de kalendermaand waarop de btw-melding betrekking heeft worden ingediend. Ten
slotte bepaalt het voorgestelde tweede lid dat de ondernemer die Nederland heeft gekozen
als lidstaat van identificatie voor de toepassing van de overbrengingsregeling de
btw-melding moet indienen bij de inspecteur.
Artikel 28tt
Het voorgestelde artikel 28tt Wet OB 1968 regelt de inhoud van de btw-meldingen die
worden ingediend in het kader van de toepassing van de overbrengingsregeling. Ook
hier geldt de opmerking dat de inhoud van de btw-melding ter zake van de overbrengingsregeling
veel overeenkomsten vertoont met de btw-meldingen uit de andere éénloketregelingen.
Eerste lid
De btw-melding moet allereerst ingevolge het voorgestelde eerste lid het aan de ondernemer
toegekende btw-identificatienummer bevatten. Bovendien bevat de btw-melding het totale
bedrag exclusief btw aan overbrengingen van eigen goederen die de ondernemer verricht
gedurende een kalendermaand. De ondernemer dient deze informatie aan te geven per
lidstaat waarnaar hij goederen vervoert of verzendt. In tegenstelling tot de andere
éénloketregelingen verstrekt de ondernemer geen gegevens over de verschuldigde btw,
de toepasselijke btw-tarieven en het totale bedrag van de verschuldigde belasting,
omdat ter zake van overbrengingen van eigen goederen geen btw hoeft te worden afgedragen.
Tweede lid
Het tweede lid van genoemd artikel 28tt bepaalt dat de ondernemer ook correcties of
wijzigingen met betrekking tot voorafgaande belastingtijdvakken in de btw-melding
moet vermelden, ondanks dat deze wijzigingen of correcties geen betrekking hebben
op het belastingtijdvak van de desbetreffende btw-melding.
Derde lid
In het derde lid van genoemd artikel 28tt wordt bepaald dat de ondernemer ook additionele
informatie verstrekt ingeval de goederen worden verzonden of vervoerd vanuit een andere
lidstaat dan de lidstaat van identificatie. In dat geval dient de ondernemer in zijn
btw-melding tevens het totale bedrag exclusief btw aan overbrengingen van eigen goederen
aan te geven voor elke lidstaat van waaruit die goederen zijn verzonden of vervoerd.
Vierde lid
Ingeval het derde lid toepassing vindt, dient de ondernemer ter zake van die overbrengingen
van eigen goederen vanuit een of meer andere lidstaten dan de lidstaat van identificatie,
in de btw-melding tevens het individuele btw-identificatienummer of het fiscale registratienummer
van elke lidstaat van waaruit de overbrenging van eigen goederen heeft plaatsgevonden
te vermelden. Deze informatie hoeft enkel te worden verstrekt indien de ondernemer
over een dergelijk nummer beschikt in de desbetreffende lidsta(a)t(en).
Vijfde lid
Het vijfde lid regelt dat de ondernemer alle informatie in de btw-melding dient uit
te splitsen naar lidstaat naar waar de goederen zijn vervoerd of verzonden.
Zesde lid
Het voorgestelde zesde lid regelt op welk moment de informatie in een btw-melding
moet worden gewijzigd indien de termijn voor indienen van de btw-melding nog niet
is verstreken. In dat geval dient de btw-melding van de onderhavige kalendermaand
te worden gecorrigeerd, voor zover de termijn voor het indienen van de desbetreffende
kalendermaand nog niet is verlopen. Voor een voorbeeld wordt verwezen naar voorbeeld
7 dat is opgenomen in de toelichting op de voorgestelde wijzigingen van artikel 28rg
Wet OB 1968.
Zevende lid
Het voorgestelde zevende lid regelt hoe de informatie in een btw-melding moet worden
gewijzigd indien de termijn voor indienen van de btw-melding reeds is gepasseerd.
Deze wijzigingen worden, net als bij de andere éénloketregelingen, opgenomen in een
volgende btw-melding doch uiterlijk binnen drie jaren na de datum waarop de oorspronkelijke
btw-melding moest worden ingediend. In die volgende btw-melding moet worden vermeld
de betrokken lidstaten waar de goederen naar verzonden of vervoerd zijn, de desbetreffende
kalendermaand en het totale bedrag exclusief btw waarvoor de wijzigingen nodig zijn.
Voor een voorbeeld wordt kortheidshalve verwezen naar voorbeeld 7 dat is opgenomen
in de toelichting op de voorgestelde wijzigingen van artikel 28rg Wet OB 1968.
Achtste lid
In het voorgestelde achtste lid is bepaald dat hoofdstuk V van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen 1994 van overeenkomstige toepassing is op de in Nederland ingediende
btw-melding als ware de betaalde belasting op aangifte voldaan. Met deze bepaling
wordt bereikt dat de rechten en verplichtingen van bezwaar en beroep die ter zake
van binnenlandse op aangifte voldane belastingen openstaan, ook gelden voor de belasting
die op de voet van de btw-melding in Nederland moet worden opgegeven en betaald. Deze
bepaling stemt overeen met de bepalingen over de overige éénloketregelingen.
Artikel 28tu
In het voorgestelde artikel 28tu Wet OB 1968 wordt geregeld dat de btw-melding in
euro’s moet worden verricht en dat indien de overbrengingen van eigen goederen in
andere valuta luiden, een omwisseling dient plaats te vinden. Bij de omwisseling wordt
gebruikgemaakt van de wisselkoersen van de Europese Centrale Bank.
Artikel 28tv
Het voorgestelde artikel 28tv Wet OB 1968 is gebaseerd op artikel 369 quinvicies decies
BTW-richtlijn 2006. De voorgestelde wijzigingen regelen onder meer dat de intracommunautaire
verwerving volgend op een overbrenging van eigen goederen is vrijgesteld. Voor de
toepassing van diverse bepalingen in de Wet OB 1968 wordt deze vrijstelling echter
aangemerkt als de uitoefening van het volledige recht op aftrek. Voorts is de overbrenging
van eigen goederen belast met het nultarief op grond van artikel 9, tweede lid, Wet
OB 1968 in samenhang met tabel II, onderdeel a, post 6, Wet OB 1968, omdat onder de
overbrengingsregeling de goederen zijn onderworpen aan heffing van belasting ter zake
van de intracommunautaire verwerving waarbij de verwerving vervolgens is vrijgesteld.
Eerste lid
Ingevolge het voorgestelde artikel 28tv, eerste lid, Wet OB 1968 wordt een vrijstelling
van belasting verleend voor de intracommunautaire verwerving van goederen, ingeval
de levering van het goed in de andere lidstaat wordt aangegeven in het kader van de
overbrengingsregeling. De vrijstelling van belasting ter zake van de intracommunautaire
verwerving van een goed volgend op een overbrenging van eigen goederen leidt ertoe
dat de ondernemer zich in beginsel ter zake van de overbrenging van eigen goederen
in Nederland niet voor btw-doeleinden hoeft te registeren en de inspecteur niet hoeft
te verzoeken om uitreiking van een aangifte.
Voorbeeld 10
Ondernemer X is gevestigd in België en heeft geopteerd voor toepassing van de overbrengingsregeling.
Ondernemer X brengt een goed over van België naar Nederland en geeft dit aan via de
overbrengingsregeling. Ondernemer X verricht in Nederland een vrijgestelde intracommunautaire
verwerving. Ondernemer X hoeft zich ter zake van deze intracommunautaire verwerving
niet in Nederland voor btw-doeleinden te identificeren en om uitreiking van aangiften
te verzoeken.
Tweede lid
In het voorgestelde artikel 28tv, tweede lid, Wet OB 1968 is een wetsfictie opgenomen
ter zake van de intracommunautaire verwerving die op grond van voorgesteld eerste
lid is vrijgesteld, indien toepassing van de overbrengingsregeling plaatsvindt.
Deze wetsfictie houdt in dat voor de toepassing van de artikelen betreffende onttrekking
van bedrijfsvermogen, correcties voor privé en zakelijk gebruik en wijzigingen in
gebruik van goederen, geen sprake zal zijn van een volledig vrijgestelde intracommunautaire
verwerving, maar de ondernemer geacht wordt de verschuldigde belasting ter zake van
de intracommunautaire verwerving volledig in aftrek te hebben gebracht. Deze wetsfictie
is noodzakelijk om te waarborgen dat wijzigingen in gebruik, anders dan belast (privégebruik
of vrijgesteld gebruik), in de andere lidstaten kunnen leiden tot correcties en btw-heffing.
Deze verschuldigde btw als gevolg van deze correcties en wijzigingen in gebruik kunnen
vervolgens, zoals reeds is uiteengezet bij de artikelsgewijze toelichting op het voorgestelde
artikel 28sa Wet OB 1968, door middel van de btw-melding van de Unieregeling worden
aangegeven en afgedragen.
Voorbeeld 11
Ondernemer X is gevestigd in Nederland en heeft geopteerd voor toepassing van de overbrengingsregeling.
Ondernemer X koopt in 2028 een server (investeringsgoed) en gaat deze voor volledig
belaste prestaties gebruiken. In 2029 brengt ondernemer X de server over naar Frankrijk
om aldaar de server ook voor belaste prestaties te gebruiken. In 2030 gaat ondernemer
X de server in Frankrijk gebruiken voor zowel belaste als vrijgestelde prestaties.
De overbrenging van de server door ondernemer X is belast met het nultarief op grond
van artikel 9, tweede lid, Wet OB 1968 in samenhang met tabel II, onderdeel a, post
6, Wet OB 1968. Ondernemer X dient de relevante informatie ter zake van zijn overbrenging
aan te geven in zijn btw-melding conform het voorgestelde artikel 28tt Wet OB 1968.
Bovendien dient ondernemer X ingevolge artikel 13a Uitvoeringsbeschikking OB 1968
de herziening voor het restant van de herzieningstermijn in één keer uit te voeren,
omdat ondernemer X de server belast (nultarief) levert gedurende de herzieningstermijn.
In Frankrijk verricht ondernemer X een vrijgestelde intracommunautaire verwerving
op grond van artikel 369 quinvicies decies, eerste lid, BTW-richtlijn 2006. Bij wetsfictie
van artikel 369 quinvicies decies, derde lid, BTW-richtlijn 2006 wordt ondernemer
X echter voor de toepassing van onder meer de artikelen 185 tot en met 189 BTW-richtlijn
2006 geacht volledig recht op aftrek te hebben geeffectueerd ter zake van zijn intracommunautaire
verwerving. Ondernemer X dient het veronderstelde volledige recht op aftrek conform
artikel 187 BTW-richtlijn 2006 gedurende vijf jaren te monitoren en te herzien ingeval
van gewijzigd gebruik. Als ondernemer X vervolgens in 2030 in Frankrijk de server
voor zowel belaste als vrijgestelde prestaties gaat gebruiken, dient hij conform artikel 28sa
Wet OB 1968 de verschuldigde Franse btw als gevolg van wijzigingen in gebruik aan
te geven en af te dragen in het éénloketsysteem.
Artikel 28tw
In het voorgestelde artikel 28tw, eerste lid, Wet OB 1968 wordt bepaald dat de ondernemer
die de overbrengingsregeling toepast binnen de toepassing van deze regeling geen btw
in aftrek kan brengen. De btw-melding kan dus uitsluitend worden gebruikt om een overbrenging
van eigen goederen aan te geven. Voor de belasting die deze ondernemer niet in het
kader van de overbrengingsregeling in aftrek kan brengen, kan hij wel in de desbetreffende
lidstaat om teruggaaf verzoeken op grond van de Dertiende Richtlijn en Richtlijn 2008/9/EG.
In het voorgestelde artikel 28tw, tweede lid, Wet OB 1968 wordt voorts bepaald dat
ingeval de ondernemer die van de overbrengingsregeling gebruikmaakt ook activiteiten
verricht in een lidstaat die niet onder de overbrengingsregeling vallen waarvoor hij
in die lidstaat aangifte moet doen, hij de in die lidstaat betaalde voorbelasting
die verband houdt met zijn aan de overbrengingsregeling onderworpen activiteiten in
aftrek brengt op zijn reguliere btw-aangifte in die lidstaat.
Artikel 28tx
In het voorgestelde artikel 28tx, eerste lid, Wet OB 1968 staat dat de ondernemer
die de overbrengingsregeling toepast een boekhouding moet voeren voor alle overbrengingen
van eigen goederen die onder de overbrengingsregeling vallen. Deze boekhouding moet
voldoende gegevens bevatten om de belastingautoriteit in de lidstaat waar de goederen
naar zijn verzonden of vervoerd in staat te stellen de juistheid van de btw-melding
te bepalen.
In het voorgestelde tweede lid staat vervolgens dat de ondernemer deze boekhouding
tien jaar moet bewaren en op verzoek van de lidstaat van waaruit of waarnaar de goederen
worden verzonden of vervoerd, of op verzoek van de lidstaat van identificatie, beschikbaar
dient te stellen. In soortgelijke bewoordingen is hetzelfde ook voor de andere éénloketregelingen
reeds geregeld.
Artikel III, onderdeel N (artikel 32b van de Wet op de omzetbelasting 1968)
Op grond van artikel 32b, onderdeel b, onder 2°, Wet OB 1968 kan – kort gezegd – een
in een andere lidstaat gevestigde ondernemer in aanmerking komen voor het indienen
van een teruggaafverzoek indien hij in Nederland belaste handelingen verricht, waarbij
de daarmee gepaard gaande belastingschuld in Nederland is verlegd naar de afnemer
op grond van het huidige artikel 12, tweede, derde of vijfde lid, Wet OB 1968.
De uitbreiding van artikel 12 Wet OB 1968 met onder meer een nieuw vierde lid vereist
dat de in artikel 32b, onderdeel b, onder 2°, Wet OB 1968 opgenomen verwijzing dienovereenkomstig
wordt aangepast. Hiermee kan een in een andere lidstaat gevestigde ondernemer eveneens
in aanmerking komen voor een teruggaaf indien hij in Nederland belaste handelingen
verricht, waarbij de daarmee gepaard gaande belastingschuld op grond van het voorgestelde
artikel 12, vierde lid, Wet OB 1968 is verlegd naar de afnemer.
Artikel III, onderdeel O (artikel 32d van de Wet op de omzetbelasting 1968)
Op grond van artikel 32d, eerste lid, onderdeel b, Wet OB 1968 wordt aan een in een
andere lidstaat gevestigde ondernemer op verzoek teruggaaf van belasting verleend
ter zake van aan hem door andere ondernemers in Nederland verrichte belaste prestaties.
Deze teruggaaf heeft onder meer betrekking op in Nederland geheven belasting voor
goederen en diensten, voor zover de ondernemer die gebruikt voor handelingen waarvoor
de daarmee gepaard gaande belastingschuld in Nederland is verlegd op grond van artikel 12,
tweede tot en met vijfde lid, Wet OB 1968.
De uitbreiding van artikel 12 Wet OB 1968 met onder meer een nieuw vierde lid vereist
dat de in artikel 32d, eerste lid, onderdeel b, Wet OB 1968 opgenomen verwijzing eveneens
wordt aangepast. Hiermee wordt aan een in een andere lidstaat gevestigde ondernemer
eveneens op verzoek teruggaaf verleend ter zake van aan hem in Nederland verrichte
belastbare handelingen, voor zover die worden gebruikt voor handelingen waarvoor de
daarmee gepaard gaande belastingschuld in Nederland is verlegd naar de afnemer op
grond van het voorgestelde artikel 12, vierde lid, Wet OB 1968.
Artikel III, onderdeel P (artikel 34aa van de Wet op de omzetbelasting 1968)
Het voorgestelde artikel 34aa Wet OB 1968 regelt een informatieverplichting ter zake
van een overbrenging van goederen, ingeval de overbrenging van goederen geschiedt
voor rekening van een andere ondernemer. In dat geval dient de ondernemer die de overbrenging
voor rekening van de andere ondernemer verricht, deze andere ondernemer uiterlijk
op het moment van verzending of vervoer van de goederen ervan op de hoogte te brengen
dat de overbrenging van goederen naar een andere lidstaat plaatsvindt of gaat plaatsvinden.
De informatieverplichting geldt niet ingeval de andere ondernemer uitdrukkelijk heeft
verzocht om de goederen te laten overbrengen.
Voorbeeld 12
Ondernemer X is gevestigd in Nederland en verkoopt via elektronische interface Y goederen
in andere lidstaten. Ondernemer X heeft daarvoor goederen in opslag staan in Nederland
in een opslagplaats van elektronische interface Y. Elektronische interface Y verzendt
deze goederen naar zijn andere opslag in Frankrijk. Elektronische interface Y is ingevolge
het voorgestelde artikel 34aa Wet OB 1968 verplicht ondernemer X over de overbrenging
van goederen te informeren, zodat ondernemer X zich kan aanmelden voor de overbrengingsregeling
of zich in Frankrijk kan registreren voor btw-doeleinden.
In artikel 54 quinquies Btw-Uitvoeringsverordening is bepaald dat de ondernemer die
voor rekening van de andere ondernemer de overbrenging van goederen verricht, de volgende
gegevens aan die andere ondernemer moet verstrekken:
– de lidstaat waar de verzending of het vervoer van de goederen aanvangt;
– de lidstaat waar de verzending of het vervoer van de goederen eindigt;
– een beschrijving en de hoeveelheid van de goederen die worden vervoerd of verzonden;
en
– de datum waarop de verzending of het vervoer aanvangt.
Artikel III, onderdeel Q (artikel 35a van de Wet op de omzetbelasting 1968)
In artikel 35a, eerste lid, Wet OB 1968 worden de verplichte factuurelementen voorgeschreven.
Een ondernemer die een intracommunautaire levering verricht met toepassing van het
nultarief, bedoeld in tabel II, onderdeel a, post 6, Wet OB 1968 is verplicht om het
btw-identificatienummer van zijn afnemer te vermelden op de factuur.
Uitgangspunt bij toepassing van de overbrengingsregeling is dat de ondernemer zich
ter zake van overbrenging van eigen goederen en daaropvolgende intracommunautaire
verwerving niet hoeft te identificeren in de lidstaat van verwerving. Om dit te faciliteren
wordt in de BTW-richtlijn 2006 vastgesteld dat de ondernemer die een overbrenging
van eigen goederen verricht met toepassing van de overbrengingsregeling op de (pro
forma) factuur geen btw-identificatienummer van de afnemer hoeft op te nemen. Het
voorgaande wordt met de onderhavige wijziging opgenomen in artikel 35a, eerste lid,
onderdeel d, Wet OB 1968.
Artikel III, onderdeel R (artikel 37a van de Wet op de omzetbelasting 1968)
Op grond van artikel 37a, eerste lid, Wet OB 1968 is een ondernemer verplicht een
lijst per tijdvak op te stellen (de zogeheten «opgaaf ICP») waarop onder meer de afnemers
staan vermeld aan wie hij goederen heeft geleverd met toepassing van het nultarief,
bedoeld in tabel II, onderdeel a, post 6, Wet OB 1968. Ter voorkoming van administratieve
lasten wordt voorgesteld artikel 37a, eerste lid, onderdeel a, Wet OB 1968 te wijzigen
voor situaties waarin de ondernemer de overbrengingsregeling toepast.
Door de voorgestelde wijziging van artikel 37a, eerste lid, onderdeel a, Wet OB 1968
bevat dat onderdeel in het vervolg een uitzondering voor situaties waarin de overbrengingsregeling
wordt toegepast. Ingeval een ondernemer de overbrengingsregeling toepast, hoeft deze
ondernemer in zijn opgaaf ICP geen vermelding te maken van zijn overbrenging van eigen
goederen naar andere lidstaten. In tegenstelling tot het indienen van een opgaaf ICP
(en het doen van aangiften in een andere lidstaat), kan deze ondernemer door middel
van de btw-melding zijn overbrengingen van eigen goederen aangeven.
Het voorgestelde artikel 37a, eerste lid, onderdeel c, Wet OB 1968 regelt dat de ondernemer
voortaan in zijn opgaaf ICP ook de afnemers moet vermelden aan wie hij goederen heeft
geleverd of diensten heeft verricht, waarbij de btw op grond van artikel 194 BTW-richtlijn
2006 is verlegd naar die afnemer.
Artikel III, onderdeel S (artikel 37c van de Wet op de omzetbelasting 1968)
Artikel 37c Wet OB 1968 is gebaseerd op artikel 141 BTW-richtlijn 2006 en voorziet
in de zogenoemde «vereenvoudigde A-B-C-regeling». Deze regeling stelt een afwijkende
verschuldigdheid van belasting vast met betrekking tot een intracommunautaire verwerving
als bedoeld in artikel 17b, eerste lid, Wet OB 1968 in het kader van grensoverschrijdende
ketentransacties.
Artikel 37c, onderdeel b, Wet OB 1968 stelt onder meer als voorwaarde dat de goederen
in Nederland worden geleverd aan – kortheidshalve – een ondernemer die in Nederland
is gevestigd. Daarnaast dient aan deze afnemende ondernemer een btw-identificatienummer
in Nederland te zijn toegekend. Het vestigingsvereiste vloeit echter niet voort uit
artikel 141 BTW-richtlijn 2006. Om die reden wordt voorgesteld dit vereiste te schrappen,
zodat het voortaan volstaat dat de afnemende ondernemer in Nederland is geïdentificeerd
voor btw-doeleinden.
De voorgestelde wijziging is niet noodzakelijk voor de implementatie van de Richtlijn
btw in het digitale tijdperk – enkele btw-registratie en treedt in werking per 1 juli
2028, omdat de implementatie van die richtlijn tevens leidt tot aanpassing van de
verleggingsregeling in artikel 12 Wet OB 1968. Die laatste aanpassing maakt een correcte
toepassing van de vereenvoudigde A-B-C-regeling mogelijk en daarmee biedt dit wetsvoorstel
een passende gelegenheid om ook artikel 37c Wet OB 1968 in samenhang met de eerstgenoemde
aanpassing te corrigeren.
Artikel IV
Het voorgestelde artikel IV regelt dat diverse bepalingen inzake de toepassing van
de regeling inzake voorraad op afroep met ingang van 1 juli 2029 komen te vervallen.
Het betreft bepalingen over de toepassing van de regeling zelf, de bewaringsverplichtingen
bij toepassing van de regeling en de verplichting tot het indienen van lijsten (opgaaf
ICP) met daarop informatie over de toepassing van deze regeling.
Het verdient vermelding dat de ondernemer reeds per 1 juli 2028 de regeling inzake
voorraad op afroep niet meer kan toepassen ingeval de verzending of het vervoer van
de goederen na die datum plaatsvinden. Ondernemers die goederen hebben overgebracht
voor die datum hebben overeenkomstig artikel 3b, vierde lid, Wet OB 1968 twaalf maanden
om de goederen over te dragen aan de afnemer. Om die reden komen de bepalingen inzake
voorraad op afroep pas volledig te vervallen per 1 juli 2029. Ingeval de ondernemer
de termijn van twaalf maanden overschrijdt, zal zoals reeds momenteel het geval is,
op de dag na het verstrijken van de periode sprake zijn van een overbrenging van een
goed door de ondernemer als bedoeld in artikel 3a Wet OB 1968. De ondernemer dient
zich dan te registeren in de lidstaat van bestemming en aldaar een intracommunautaire
verwerving op te geven, tenzij deze ondernemer opteert voor toepassing van de overbrengingsregeling.
Artikel V (inwerkingtreding)
Deze wet treedt ingevolge artikel V in werking met ingang van 1 januari 2027, met
uitzondering van de artikelen III en IV die op 1 juli 2028, respectievelijk 1 juli
2029, in werking treden. De inwerkingtreding van de artikelen I en II op 1 januari
2027 houdt primair verband met de wijzigingen in de regeling inzake voorraad op afroep
en dient als een tijdelijke overbruggingsperiode tot de inwerkingtreding van artikel IV.
Artikel III kent een latere inwerkingtreding om zowel ondernemers als de Belastingdienst
voldoende gelegenheid te bieden zich voor te bereiden op onder meer de nieuwe, facultatieve
overbrengingsregeling. Artikel IV voorziet in de volledige afschaffing van de bepalingen
inzake de regeling voorraad op afroep en vormt daarmee het sluitstuk van de overbruggingsperiode
waarin ondernemers nog kunnen gebruikmaken van deze regeling.
De Staatssecretaris van Financiën, E. Eerenberg
BIJLAGEN
1. Transponeringstabel
bij de memorie van toelichting behorende bij de Wet implementatie Richtlijn btw in
het digitale tijdperk – enkele btw-registratie.
Richtlijn (EU) 2025/516
Wet OB 1968 of anderszins
Omschrijving beleidsruimte
Toelichting op keuze bij de invulling van de beleidsruimte
Artikel 1, eerste lid:
artikel 143, eerste lid bis
Behoeft naar zijn aard geen implementatie, betreft een verplichting aan de Europese
Commissie
–
–
Artikel 1, tweede lid:
artikel 218
Behoeft naar zijn aard momenteel geen implementatie, betreft een wijziging van een
bepaling die ziet op elektronisch factureren. Deze wijziging wordt in een afzonderlijk
wetsvoorstel voorgelegd
–
–
Artikel 1, derde lid:
Artikel 232
Behoeft naar zijn aard momenteel geen implementatie, betreft een wijziging van een
bepaling die ziet op elektronisch factureren. Deze wijziging wordt in een afzonderlijk
wetsvoorstel voorgelegd
–
–
Artikel 2, eerste lid:
artikel 14bis, tweede lid
Artikel 3c, tweede lid
Geen
–
Artikel 2, tweede lid, onderdeel a:
artikel 17bis, tweede lid, onderdeel a
Artikel 3b, tweede lid, onderdeel a
Geen
–
Artikel 2, tweede lid, onderdeel b:
artikel 17bis, achtste lid
Artikel IV, onderdeel A, van dit wetsvoorstel
Artikel V van dit wetsvoorstel
Geen
–
Artikel 2, derde lid:
Aanpassing van hoofdstuk 3a
Behoeft naar zijn aard geen implementatie
Geen
–
Artikel 2, vierde lid, onderdeel a:
artikel 59quater, eerste lid, onderdeel b
Artikel 6k, eerste lid, onderdeel b
Geen
–
Artikel 2, vierde lid, onderdeel b:
artikel 59quater, derde lid
Artikel 6k, derde lid
Geen
–
Artikel 2, vijfde lid:
artikel 66, eerste lid
Behoeft naar zijn aard geen implementatie, omdat het een terminologische verduidelijking
betreft.
Geen
–
Artikel 2, vijfde lid:
artikel 66, tweede lid
Reeds geïmplementeerd in artikel 13, eerste lid, onderdeel b. De belasting is reeds
verschuldigd op het moment waarop de levering of dienst wordt verricht.
Geen
–
Artikel 2, zesde lid:
artikel 167bis, eerste lid
Behoeft naar zijn aard geen implementatie, betreft een wijziging in een verwijzing
naar een facultatieve bepaling die Nederland niet heeft geïmplementeerd.
Geen
–
Artikel 2, zevende lid:
artikel 226, onderdeel 7bis
Behoeft naar zijn aard geen implementatie, betreft een wijziging in een verwijzing
naar een facultatieve bepaling die Nederland niet heeft geïmplementeerd.
Geen
–
Artikel 2, achtste lid:
schrapping artikel 237
Behoeft naar zijn aard geen implementatie, omdat het te schrappen artikel een verplichting
voor de Europese Commissie betreft.
Geen
–
Artikel 2, negende lid:
artikel 359
Artikel 28ra
Geen
–
Artikel 2, tiende lid:
artikel 361, eerste lid, onderdeel c
Artikel 28rc, eerste lid, onderdeel c
Geen
–
Artikel 2, elfde lid:
artikel 368
Artikel 28rj
Geen
–
Artikel 2, twaalfde lid:
artikel 369bisbis
Artikel II van dit wetsvoorstel
Geen
–
Artikel 2, dertiende lid:
artikel 369undecies, eerste lid
Artikel 28sh
Geen
–
Artikel 2, veertiende lid:
artikel 369quaterdecies, eerste lid bis
Artikel 28tb, vierde lid
Geen
–
Artikel 2, vijftiende lid, onderdeel a:
artikel 369 septdecies, eerste lid, onderdeel c
Artikel 28te, eerste lid, onderdeel c
Geen
–
Artikel 2, vijftiende lid, onderdeel b:
artikel 369 septdecies, derde lid, onderdeel c
Artikel 28te, derde lid, onderdeel c
Geen
–
Artikel 2, zestiende lid:
artikel 369 quatervicies, eerste lid
Artikel 28tl, eerste lid
Geen
–
Artikel 3, eerste lid:
artikel 28bis
Behoeft naar zijn aard momenteel geen implementatie, betreft wijziging van een bepaling
die ziet op de platformfictie. Deze wijziging wordt in een afzonderlijk wetsvoorstel
voorgelegd
–
–
Artikel 3, tweede lid:
artikel 46bis
Behoeft naar zijn aard momenteel geen implementatie, betreft wijziging van een bepaling
die ziet op de platformfictie. Deze wijziging wordt in een afzonderlijk wetsvoorstel
voorgelegd
–
–
Artikel 3, derde lid:
artikel 135, tweede lid
Behoeft naar zijn aard momenteel geen implementatie, betreft wijziging van een bepaling
die ziet op de platformfictie. Deze wijziging wordt in een afzonderlijk wetsvoorstel
voorgelegd
–
–
Artikel 3, derde lid bis:
artikel 135, derde lid
Behoeft naar zijn aard momenteel geen implementatie, betreft wijziging van een bepaling
die ziet op de platformfictie. Deze wijziging wordt in een afzonderlijk wetsvoorstel
voorgelegd
–
–
Artikel 3, vierde lid:
artikel 136 ter
Behoeft naar zijn aard momenteel geen implementatie, betreft wijziging van een bepaling
die ziet op de platformfictie. Deze wijziging wordt in een afzonderlijk wetsvoorstel
voorgelegd
–
–
Artikel 3, vijfde lid, onderdeel a:
artikel 138, eerste lid
Artikel 12, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968
Geen
–
Artikel 3, vijfde lid, onderdeel b:
artikel 138, tweede lid, onderdeel c
Betreft een technische wijziging die reeds is geïmplementeerd in Tabel II, onderdeel a,
post 6, behorende bij de Wet OB 1968
Geen
–
Artikel 3, zesde lid:
artikel 172 bis
Behoeft naar zijn aard momenteel geen implementatie, betreft wijziging van een bepaling
die ziet op de platformfictie. Deze wijziging wordt in een afzonderlijk wetsvoorstel
voorgelegd
–
–
Artikel 3, zevende lid:
artikel 194, eerste alinea
Artikel 12, vierde lid
Geen
–
Artikel 3, zevende lid:
artikel 194, tweede alinea
Verlettering van een reeds bestaande beleidsoptie uit de BTW-richtlijn 2006 die geïmplementeerd
is in artikel 12, derde lid
Lidstaten hebben de bevoegdheid om, onder door hen vastgestelde voorwaarden, te bepalen
dat belasting wordt voldaan door de afnemer van de geleverde goederen of verrichte
diensten.
Voortzetting van reeds bestaand Nederlands beleid. Deze verlegging is onder meer ingevoerd
ter verzekering van de heffing.
Artikel 3, zevende lid:
artikel 194, tweede lid
Artikel 28g
Geen
–
Artikel 3, achtste lid:
artikel 222
Reeds geïmplementeerd in artikel 34g
Geen
–
Artikel 3, negende lid:
artikel 226, onderdeel 4
Artikel 35a, eerste lid, onderdeel d
Geen
–
Artikel 3, tiende lid:
artikel 242bis
Behoeft naar zijn aard momenteel geen implementatie, betreft wijziging van een bepaling
die ziet op de platformfictie. Deze wijziging wordt in een afzonderlijk wetsvoorstel
voorgelegd
Geen
–
Artikel 3, elfde lid:
artikel 242ter
Artikel 34aa
Geen
–
Artikel 3, twaalfde lid
artikel 262, eerste lid, onderdeel a en c
Artikel 37a, eerste lid, onderdeel a en c
Geen
–
Artikel 3, dertiende lid:
Artikel 288, eerste lid, onderdeel c
Behoeft naar zijn aard momenteel geen implementatie, betreft wijziging van een bepaling
die ziet op de platformfictie. Deze wijziging wordt in een afzonderlijk wetsvoorstel
voorgelegd
–
–
Artikel 3, veertiende lid:
artikel 306, derde lid
Behoeft naar zijn aard momenteel geen implementatie, betreft wijziging van een bepaling
die ziet op de platformfictie. Deze wijziging wordt in een afzonderlijk wetsvoorstel
voorgelegd
–
–
Artikel 3, vijftiende lid:
Vervanging hoofdstuk 6
Hoofdstuk V, afdeling 7, opschrift
Geen
–
Artikel 3, zestiende lid:
artikel 365
Artikel 28rg
Geen
–
Artikel 3, zeventiende lid:
Vervanging afdeling 3
Hoofdstuk V, afdeling 7, paragraaf 3, opschrift
Geen
–
Artikel 3, achttiende lid, onderdeel a:
artikel 369bis, tweede onderdeel, derde en vierde paragraaf
Artikel 28s, onderdeel b, onder 4°, 5°, 6° en 7°
Geen
–
Artikel 3, achttiende lid, onderdeel b:
artikel 369bis, derde onderdeel, subonderdelen c en d
Artikel 28s, onderdeel c, onder 3° en 4°
Geen
–
Artikel 3, negentiende lid:
artikel 369ter
Artikel 28sa
Geen
–
Artikel 3, twintigste lid:
Artikel 369octies
Artikel 28se
Geen
–
Artikel 3, eenentwintigste lid, onderdeel a:
artikel 369septdecies, eerste lid, onderdeel e
Artikel 28te
Geen
–
Artikel 3, eenentwintigste lid, onderdeel b:
artikel 369septdecies, derde lid, onderdeel f
Artikel 28te
Geen
–
Artikel 3, tweeëntwintigste lid:
artikel 369unvicies
Artikel 28ti
Geen
–
Artikel 3, drieëntwintigste lid:
toevoeging afdeling 5
Hoofstuk V, afdeling 7, paragraaf 5
Geen
–
Artikel 3, drieëntwintigste lid:
artikel 369quinvicies bis
Artikel 28to
Geen
–
Artikel 3, drieëntwintigste lid:
artikel 369quinvicies ter
Artikel 28tp
Geen
–
Artikel 3, drieëntwintigste lid:
artikel 369quinvicies quater
Artikel 28tq, eerste lid
Geen
–
Artikel 3, drieëntwintigste lid:
artikel 369quinvicies quinquies
Artikel 28tq, tweede en derde lid
Geen
–
Artikel 3, drieëntwintigste lid:
artikel 369quinvicies sexies
Artikel 28tr
Geen
–
Artikel 3, drieëntwintigste lid:
artikel 369quinvicies septies
Artikel 28ts
Geen
–
Artikel 3, drieëntwintigste lid:
artikel 369quinvicies octies
Artikel 28tt
Geen
–
Artikel 3, drieëntwintigste lid:
artikel 369quinvicies nonies
Artikel 28tu
Geen
–
Artikel 3, drieëntwintigste lid:
artikel 369quinvicies decies
Artikel 28tv
Geen
–
Artikel 3, drieëntwintigste lid:
artikel 369quinvicies undecies
Artikel 28tw
Geen
–
Artikel 3, drieëntwintigste lid:
artikel 369quinvicies duodecies
Artikel 28tx
Geen
–
Artikel 4, eerste lid:
schrapping artikel 243, derde lid
Artikel IV, onderdeel B, van dit wetsvoorstel
Geen
–
Artikel 4, tweede lid:
Schrapping artikel 262, tweede lid
Artikel IV, onderdeel C, van dit wetsvoorstel
Geen
–
Artikel 5
Behoeft naar zijn aard momenteel geen implementatie, betreft wijziging van bepalingen
die zien op elektronisch factureren en digitale rapportageverplichtingen. Deze wijzigingen
worden in een afzonderlijk wetsvoorstel voorgelegd
–
–
Artikel 6:
Omzetting
Behoeft naar zijn aard geen implementatie
Geen
–
Artikel 7:
Inwerkingtreding
Behoeft naar zijn aard geen implementatie
Geen
–
Artikel 8:
Adressanten
Behoeft naar zijn aard geen implementatie
Geen
–
2. Overzichtstabel
bij de memorie van toelichting behorende bij de Wet implementatie Richtlijn btw in
het digitale tijdperk – enkele btw-registratie.
Wet OB 1968
Toelichting op wetswijziging
Omschrijving
Artikel 6k, vierde lid
Vervallen van meldingsverplichting
Niet meer noodzakelijk voor controle- en handhavingsdoeleinden
Artikel 32n
«vierde lid» vervangen door «derde lid»
Het lid verwijst abusievelijk naar zichzelf
Artikel 37c, onderdeel b
Vervallen van vestigingsvereiste
De BTW-richtlijn 2006 schrijft een dergelijk vereiste niet voor. Het vereiste vervalt
per 1 juli 2028, aangezien gelijktijdig met het vervallen daarvan ook wijzigingen
moeten worden aangebracht in de verleggingsregelingen van artikel 12 om correcte toepassing
van de A-B-C-regeling te waarborgen. Het onderhavige voorstel voorziet in deze wijzigingen
van artikel 12, waardoor tevens een passend moment is ontstaan om artikel 37c te corrigeren.
Ondertekenaars
E. Eerenberg, staatssecretaris van Financiën
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.