Verslag van een bijeenkomst : Verslag van een Interparlementaire conferentie van de parlementaire controlegroep Europol (JPSG)
34 931 Bijeenkomsten van de Parlementaire Controlegroep (JPSG) Europol
P/ Nr. 15
VERSLAG VAN EEN INTERPARLEMENTAIRE CONFERENTIE
Vastgesteld 26 maart 2026
Op 4 en 5 februari 2026 vond in Nicosia, Cyprus, de achttiende bijeenkomst plaats
van de gezamenlijke parlementaire controlegroep Europol (verder: JPSG).1 De JPSG houdt op basis van artikel 51 van de Europolverordening politiek toezicht
op de activiteiten van het Europees Agentschap voor politiesamenwerking Europol. De
JPSG bestaat uit leden van de nationale parlementen – maximaal vier leden, gelijkelijk
te verdelen over beide Kamers der Staten-Generaal – en uit leden van de Commissie
burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (LIBE-commissie) van het Europees
Parlement (EP). De JPSG komt in beginsel tweemaal per jaar bijeen. Het co-voorzitterschap
ligt bij de voorzitter van de LIBE-commissie van het Europees Parlement en de EU-lidstaat
die voorzitter van de Raad is. De bijeenkomst werd ditmaal ambtelijk bijgewoond.
1. Aanname agenda en mededelingen
De vergadering werd geopend door JPSG co-voorzitters Demetris Demetriou (voorzitter
JPSG-delegatie Cyprus) en Javier Zarzalejos (voorzitter van de Commissie burgerlijke
vrijheden, justitie en binnenlandse zaken van het Europees Parlement). In hun inleidende
woorden wezen ze op de huidige ongewisse geopolitieke situatie, een situatie die het
des te belangrijker maakt dat Europol toegerust is op de uitdagingen die de huidige
tijd stelt. De heer Demetriou wees hierbij op de belangrijke herziening van de Europol
verordening waarvoor juni 2026 een voorstel van de Europese Commissie wordt verwacht.
De heer Zarzalejos informeerde de JPSG dat het Adviesforum fundamentele rechten (na
benoeming van de leden tijdens de vorige JPSG) zich in de opstartfase bevindt en bezig
is de interne werkprocedures vast te stellen. Hij informeerde de JPSG verder over
het aflopen van het mandaat van uitvoerend Europol-directeur mevrouw Catherine De
Bolle, en prees haar voor haar inzet voor Europol sinds 2018 en voor haar samenwerking
met de JPSG. Later tijdens de bijeenkomst werd met dankzeggingen en applaus door de
JPSG afscheid genomen van mevrouw De Bolle.
2. Terugblik op Europol-activiteiten van november 2025 tot februari 2026
Uitvoerend Europol-directeur mevrouw De Bolle gaf een uitgebreide terugblik op de
recente strategische en operationele ontwikkelingen binnen Europol. Ze wees op de
recent aangenomen wijziging van EU-regelgeving die Europol op het vlak van het tegengaan
van mensensmokkel een ruimer mandaat, meer mensen (50 FTE) en extra budget geeft (Euro
50 mln). Ze meldde dat Europol gestart is om invulling te geven aan het ruimere mandaat.
Verder gaf ze een update van de samenwerking met de Europese toezichthouder bescherming
persoonsgegevens (EDPS) die permanent toezicht houdt op de activiteiten van het agentschap.
Mevrouw de Bolle wees erop dat binnen Europol permanent ruim 35 FTE aan personeel
wordt ingezet op datatoezicht. Van de recente aanbevelingen van de EDPS heeft Europol
er 87 procent opgevolgd. Ze wees er voorts op dat bij het ontwikkelen van AI-gerelateerde
opsporingsinstrumenten Europol in continue dialoog staat met de EDPS. Een ander onderwerp
dat standaard ter sprake komt tijdens de JPSG is de samenwerking met (opsporingsautoriteiten
in) derde landen. Mevrouw De Bolle gaf over dit onderwerp onder meer aan dat Europol
onverminderd inzet op verdere samenwerking met onder meer landen in Zuid-Amerika waarbij
recent een overeenkomst met Argentinië gesloten is. Ze wees verder op het belang van
recente gepubliceerde en aankomende EU-initiatieven zoals de nieuwe EU drugsbestrijdingsstrategie2, ProtectEU3 als wijdere EU interne veiligheidsstrategie en (vanzelfsprekend) de aankomende herziening
van de Europolverordening.
Namens de Raad van Bestuur van Europol (waarin afgevaardigden van de EU-lidstaten
zitting hebben) nam de heer Ireneusz Sieńko (korpsleiding politie Polen) het woord.
Hij stelde dat de opvolgingsprocedure voor mevrouw De Bolle gestart is, en gaf aan
dat totdat een opvolger benoemd is, de heer Jürgen Ebner – huidig plaatsvervangend
uitvoerend directeur – als waarnemend directeur zal optreden. Verder stelde de heer
Sieńko dat bij een verruimd mandaat voor Europol ook een toename van budget nodig
is, omdat anders – zeker op het vlak van cyber – het agentschap niet naar z’n volle
mandaat kan functioneren.
In het debat klonken zorgen van JPSG-leden door over de snelle ontwikkelingen op het
vlak van cyber/AI/crypto en de schaal en snelheid waarmee ook criminelen zich deze
nieuwe mogelijkheden eigen maken, en breder, over de «professionalisering» van de
misdaad. Het JPSG-lid Koen Metsu (Belgisch federaal parlement) wees hierbij op de
recente Europol operatie «Fabryka» waarbij in meerdere landen in totaal 24 bijkans
«industriële» drugslaboratoria ontmanteld werden in wat Europol classificeert als
de grootste operatie tegen synthetische drugs ooit. Het JPSG-lid Kanko (EP, België)
stelde de vraag hoe het mogelijk is dat er recent minder drugsvangsten zijn. Mevrouw
De Bolle antwoordde hierop dat criminele organisaties steeds geavanceerdere smokkelwijzen
inzetten (tot trans-Atlantisch opererende onbemande onderzeeboten aan toe) en drugs
ook steeds innovatiever verstoppen (bijvoorbeeld via een chemisch proces verwerken
in voedingstoffen of kleding). Bij het stellen van hun vragen, spraken meerdere JPSG-leden
tevens hun dank uit voor de inzet van mevrouw De Bolle.
3. Gegevensbescheming
De heer Wojciech Wiewiórowski, Europees Toezichthouder gegevensbescherming (EDPS)
gaf een presentatie over ontwikkelingen in het toezicht op Europol. Als eerste sprak
hij over de recente evaluatie door de Commissie van Europol4, waarbij hij aangaf het een gemiste kans te vinden dat de Commissie de EDPS hierbij
niet geraadpleegd heeft. Hij onderschreef de stelling dat een robuust, betrouwbaar
systeem van informatieverwerking en -opslag een basisvoorwaarde is voor het proactief
en ruim delen van data tussen lidstaten en Europol en deelde de observatie dat Europol
de afgelopen jaren op dit punt belangrijke voortgang geboekt heeft. De heer Wiewiórowski
bestreed de notie dat het EDPS-toezicht een significante rem is op de inzet van nieuwe
technieken binnen Europol. Toezichts-procedures nemen weliswaar tijd in beslag maar
niet in alle gevallen is goedkeuring vooraf nodig en in urgente gevallen kan met versnelde
procedures gewerkt worden. Sowieso moet de EPDS zijn positie altijd binnen tien weken
bepaald hebben, die termijn – zo gaf hij aan – is nog nooit overschreden. Hij tekende
hierbij verder aan dat met de verruimingen van het mandaat van Europol de afgelopen
jaren, het toezicht ook intensiever is geworden. Maar zo stelde hij, de belangen van
Europol en de EDPS moeten niet als tegengesteld gezien worden maar juist als wederzijds
versterkend: het voldoen van Europol aan de wettelijke vereisten op het gebied van
bescherming persoonsgegevens versterkt het aanzien van en vertrouwen in Europol en
draagt zo juist bij tot effectief opereren. In het kader van het reguliere jaarlijkse
toezicht, kondigde de heer Wiewiórowski het verschijnen binnenkort aan van het 2025
toezichtsverslag. Ook stelde hij dat voor wat betreft toezicht op verder terug gelegen
jaren (2017–2019) de EDPS besloten heeft enkele oude – soms al tien jaar onder discussie
zijnde – kwesties te sluiten. Dit mede omdat over die periode circa 90 procent van
de aanbevelingen wel werden nageleefd.
Op dit laatste ging de heer Jürgen Ebner namens Europol in. Hij gaf aan dat de gesloten
toezicht kwesties zien op fundamentele kwesties in de ICT-architectuur die mogelijk
enkel echt te verhelpen zijn als Europol onder de nieuwe EU-meerjarenbegroting de
ruimte krijgt voor substantiële investeringen in nieuwe ICT.
In de vragensessie vroeg het Estse EP-lid Marina Kaljurand (sociaal-democraten) naar
de invloed van de AI omnibus (en de impact daarvan op de AVG) op Europol en het toezicht
van de EDPS op het agentschap. De heer Wiewiórowski gaf aan dat dat wetgevingstraject
op zich niet al te zeer van invloed is op Europol/toezicht EDPS. Wel sprak hij zijn
zorgen uit dat als de AI omnibus aangenomen wordt zoals voorgesteld door de Commissie
de gegevensbeschermingseisen voor ondernemers gaan afwijken van die, die voor handhavingsautoriteiten
gelden, zoals die ook elders zijn vastgelegd in EU regelging.
4. Sessie toekomst Europol
De Europolverordening (die het mandaat van het agentschap vastlegt) is in 2018 herzien.
Recent is als een verdere wijziging besloten tot uitbreiding van de mogelijkheden
van Europol om bij te dragen aan het bestrijden van mensensmokkel. De Europese Commissie
wil tijdens het huidige Commissiemandaat 2024–2029 de rol en het mandaat van Europol
opnieuw substantieel uitbreiden. Dit is een inzet van Commissievoorzitter Ursula von
der Leyen zelf. In de politieke agenda waarop ze eind 2024 het groene licht kreeg
van het EP voor een tweede termijn als Commissievoorzitter, gaf ze aan dat het haar
intentie is «to make Europol a truly operational police agency and more than double
its staff over time». Nadat tijdens de vorige JPSG-bijeenkomst in november 2025 op
de Europolherziening – waarvoor een voorstel voor juni dit jaar is aangekondigd –
gereflecteerd werd, werd dit debat dit debat nu opnieuw opgepakt.
De heer Jürgen Ebner gaf namens Europol zijn gedachten hierover. Hij haastte zich
om de delegaties te verzekeren dat de inzet op «a truly operational police agency»
niet opgevat moet worden in de zin dat Europol in de toekomst op eigen initiatief
zou kunnen gaan handelen, in plaats van op verzoek van lidstaten. Hiermee zou een
soort «Europese FBI» ontstaan, iets waartegen onder de lidstaten vanouds sterke weerstand
bestaat. Wel zou de herziening naar zijn mening moeten zien op:
• Het verder uitbouwen van Europol tot een leidend expertisecentrum («hub») waar expertise ontwikkeld en verzameld wordt en gedeeld met de opsporingsdiensten
in de lidstaten zodat niet iedere lidstaat zelf het wiel opnieuw hoeft uit te vinden
(naast de ruime expertise die al voorhanden is, zouden nieuwe expertisegebieden onder
meer kunnen zijn: het tegengaan van internetscams, kennis vergaren van explosieven
die criminelen gebruiken; en het effectiever opsporen van criminele tegoeden);
• Het vergoten van analytische capaciteit binnen Europol om lidstaat politiediensten te helpen maar eventueel ook om diensten
in derde landen bij te staan bij de preventie van criminele activiteiten zodat die
ook de EU niet bereiken;
• Het verdiepen van samenwerking met onder meer de met de Schengen geassocieerde landen (m.n. Zwitserland, Noorwegen)
en met de EU-agentschappen (Eurojust, AMLA, OLAF). De heer Ebner maakte duidelijk
dat hij beduidende ruimte ziet voor het formaliseren van de groeiende samenwerking
met het Europees Openbaar Ministerie (EOM). Ook intensiveren samenwerking met private
bedrijven (financiële instituten zoals banken, techbedrijven – opsporing in het digitale
domein is zonder samenwerking met techbedrijven nauwelijks mogelijk);
• Het verder vergroten van de capaciteit om informatie op te slaan en sneller te verwerken
en te analyseren. In de huidige situatie bevat beschikbare data niet zelden meer informatie
dan eruit kan worden gehaald omdat de analysecapaciteit ontoereikend is;
• Het ontwikkelen van ICT capaciteiten op het vlak van cybersecurity voor Europol zelf
maar ook om (zeker kleinere) lidstaten bij te kunnen staan;
• Het inzetten op een eigen cloud en op kwantum computers. De heer Ebner gaf aan dat
met name deze prioriteit «massieve» investeringen vraagt.
Op het vlak van het bestuur van Europol («governance») ziet de heer Ebner ook een
grote uitdaging op het agentschap afkomen. Nu al zijn 115 mensen voltijds bezig met
bestuurs- en toezichtstaken en vinden er binnen Europol elke twee weken veel capaciteit
vergende bestuursvergaderingen op hoog niveau plaats. Bij een verdere toename van
taken en omvang, is volgens de heer Ebner een inzet op «smart governance» onontbeerlijk:
het in detail tegen het licht houden van alle aspecten van de bestuurs- en toezichtfunctie
om als bestuur en organisatie snel en wendbaar te kunnen blijven in een in toenemende
mate complexe organisatie en omgeving.
De heer Ebner maakte de JPSG-leden erop attent dat zij invloed hebben op de Europolherziening
zodra het Commissievoorstel daartoe juni dit jaar op tafel komt. De nationale parlementsleden
hoofdzakelijk via de inzet van hun regering tijdens de Raadsonderhandelingen in Brussel
en de leden van het Europees Parlement direct, in hun rol als medewetgever op het
dossier. En op min of meer gelijke wijze ook invloed kunnen uitoefenen op de toename
van het budget voor Europol dat in het kader van het Meerjarig financieel Kader 2028–2024
besloten wordt, een dossier waarover de onderhandelingen in Brussel gaande zijn.
Namens de Europese Commissie gaf de heer Onidi, plaatsvervangend directeur van DG
HOME, zijn opvattingen over de Europolherziening. De Commissie ziet als hoofdprioriteiten:
1. Het verder verbeteren van de informatiedeling tussen de lidstaten en Europol. Dit onder meer om bedreigingen van de veiligheid
beter te kunnen identificeren waarbij hij refereerde aan het beter in beeld krijgen
van derdelanders (third country nationals – TCNs);
2. Het intensiveren van de samenwerking met nationale opsporingsdiensten. Europol moet
wat de Commissie betreft een meer pro-actieve rol bij onderzoeken gaan innemen en minder afwachten tot nationale diensten een beroep op het agentschap
doen. De keuze om een onderzoek te starten blijft aan de lidstaatautoriteiten maar
als een onderzoek gestart is moet Europol een rol dichter op de lidstaatautoriteiten
zoeken (niet langer enkel de «backoffice rol» vervullen);
3. Het voortouw nemen bij de samenwerking bij het ontwikkelen en delen van vooral technische,
vaak zeer begrotelijke opsporingscapaciteiten.
Net als de heer Ebner, wees de heer Onidi erop dat bij een verdere toename van taken
en omvang van Europol ook naar de bestuurs- en toezichtfunctie gekeken moet worden.
Met betrekking tot het voldoen aan de dataprivacyregels stelde hij dat dit zeer veel
capaciteit vergt en opperde hij de mogelijkheid dat pas bij het daadwerkelijk gebruik
van databestanden de eisen van toepassing worden. Dit om te voorkomen dat dure en
schaarse toezichtscapaciteit wordt ingezet op bestanden die uiteindelijk niet gebruikt
worden. Ook hij gaf aan dat gezien de «massieve» voorgestelde verhoging van het budget
(hij herhaalde dat de Commissie inzet op een verdubbeling van het budget), de wijze
waarop Europol bestuurd wordt integraal tegen het licht moet worden gehouden.
In het debat klonk in het algemeen steun voor een ruimer mandaat en een groter budget
voor Europol. De heer Onidi liet op vragen van leden nogmaals doorschemeren dat een
knelpunt nog steeds is dat lidstaten lang niet zoveel informatie delen als mogelijk
zou zijn en dat hiermee opsporingskansen blijven liggen. Een betere informatiedeling
is ook essentieel voor Europol om een meer pro-actieve rol bij grensoverschrijdende
onderzoeken te spelen, waartoe de Commissie het mandaat van het agentschap graag wil
verruimen. Op vragen waarom (mogelijk) een verdubbeling van het budget nodig is, antwoordde
de heer Ebner dat bij toekenning een zeer substantieel deel naar nieuwe ICT-architectuur
zou gaan. Een JPSG-lid gaf aan dat de herziening van het JPSG-toezicht die de herziening
van de Europolverordening ook met zich mee zal brengen, moet zien op beter op de JPSG-leden
toegesneden informatie van Europol. Maar dit zonder dat dit tot een verzwaring van
de rapportagelasten leidt voor het agentschap.
Een opvallend – nieuw – geluid in het debat was dat meerdere leden de «subsisidariteits»-vraag
stelden: hoe wordt voorkomen dat Europol zich begeeft op terreinen die aan de opsporingsautoriteiten
en politiediensten van de lidstaten toebehoren, zeker nu het agentschap operationeel
dichter op de autoriteiten in de lidstaten wil gaan opereren. De heer Ebner gaf aan
dat juist daarom het onderscheidende principe voor de Europolherziening complementariteit
moet zijn: beide niveaus moeten elkaar aanvullen en versterken. Hij gaf een voorbeeld
om te illustreren dat overlap praktisch moeilijk denkbaar is. Bij een onderzoek naar
een criminele activiteit in bijvoorbeeld Nicosia, Cyprus, is Europol noch bevoegd,
noch praktisch geëquipeerd (onder meer door de taalbarrière) om in de voorste linie
op te treden. Op de achtergrond kan het agentschap ter plekke wel een belangrijke
rol spelen door bijvoorbeeld te helpen met geavanceerde informatieanalyse of het leveren
van crypto-expertise. Europol zou ter plekke zo wel operationeel betrokken zijn maar
in de tweede linie en enkel als de lidstaat waar het onderzoek plaatsvindt daar zelf
om vraagt. Ook memoreerde hij dat Europol enkel betrokken is bij onderzoeken met een
landgrensoverschrijdende dimensie; bij lokale misdrijven heeft Europol sowieso geen
rol.
Een opvallend ander element in het debat was dat meerdere JPSG-leden de vraag stelden
hoe voorkomen kan worden dat Europol (dat tijdelijke en vaste krachten een hoge beloning
kan bieden) met nationale politiediensten concurreert om schaars toptalent (bijvoorbeeld
op het vlak van AI, ICT en cryptovaluta), of die talenten zelfs «losweekt» bij lidstaatdiensten.
De heer Ebner beaamde dat dit «braindrain»-risico reëel is en gaf aan dat Europol
de kans hierop probeert klein te houden door experts enkel tijdelijke contracten aan
te bieden, met detacheringen te werken, en door te trachten vooral binnen de private
sector te werven.
Op een vraag over de recent op EU-niveau gelanceerde EU anti-drugsstrategie5 gaf de heer Ebner aan dat hierbinnen een belangrijke rol is weggelegd voor Europol
omdat het agentschap bij veel van de prioriteiten betrokken zal zijn. Hij stelde dat
drugsprecursoren (grondstoffen voor drugs die op zich vaak legaal zijn) niet zelden
uit China en India betrokken worden, hetgeen volgens hem nogmaals het belang onderstreept
om bij de komende Europolherziening samenwerking met externe partners als een van
de hoofdprioriteiten te benoemen.
Op een vraag wat een groter Europol met een significant hoger budget voor het toezicht
door de EDPS betekent, stelde de heer Onidi dat bij een groter Europol de toezichtstaak
van de EDPS ook in zwaarte zal toenemen. Tegelijk gaf hij aan dat het EDPS toezicht
zich ook zal moeten mee ontwikkelen met de nieuwe opzet waarin Europol meer operationeel
zal optreden. Op wat dit concreet voor het EDPS-toezicht zou betekenen ging hij verder
niet in.
5. Thematisch debat: Tegengaan mensensmokkel
Het eerste thematische debat ging over het thema: «De rol van Europol bij het voorkomen
en bestrijden van mensensmokkel». Het debat vond plaats tegen de achtergrond van recente
EU-regelgeving die de rol van Europol op specifiek dit onderwerp versterkt.6 Ook paste het bij de aanhoudende aandacht die huidig JPSG co-voorzitter Cyprus –
als lidstaat direct aan de buitengrens van de EU gelegen en gezien die ligging al
jaren geconfronteerd met omvangrijke irreguliere migratie – al enige jaren voor dit
onderwerp vraagt.
Het debat startte met presentaties van de heer Nicholas Ioannides, onderminister van
Migratie en Internationale Bescherming van Cyprus en van de heer Petros Zeniou, plaatsvervangend
commandant van de afdeling Vreemdelingen en Immigratie van de Cypriotische politie.
De heer Ioannides stelde dat illegale migratie en mensensmokkel al jaren zwaar drukken
op de schaarse middelen van de kleine eilandstaat. Hij stelde dat mensensmokkel geen
onschuldig bijverschijnsel is van migratie maar een doelbewust crimineel verdienmodel.
In hun presentaties maakte beide sprekers duidelijk dat na een scherpe stijging van
illegale migratie begin jaren ’20, met in 2022 ruim 17.000 niet-reguliere aankomsten,
Cyprus de noodsituatie heeft uitgeroepen. Met een aanscherping van het beleid is het
aantal niet-reguliere aankomsten in de jaren daarna tot circa 2.500 teruggebracht.
De lidstaat heeft daartoe ingezet op het verstoren van de operaties van mensensmokkelaars,
een verhoogde surveillance van maritieme bewegingen rond het eiland, de versterkte
inzet van politiediensten (100 procent controle van de «groene lijn» VN-grens met
het onder Turkse controle vallende deel van Cyprus), het bestrijden van illegale arbeid
(een sterke pull-factor volgens de heer Zeniou), een snellere afhandeling asielverzoeken
en op de terugkeer van afgewezen asielzoekers. Beide sprekers gaven aan dat Europese
(en internationale) samenwerking, waarbij inbegrepen ondersteuning door Europol, belangrijk
hebben bijgedragen aan het terugdringen van het aantal illegale aankomsten.
Namens Europol ging de heer Jean-Philippe Lecouffe, plaatsvervangend uitvoerend directeur
van het agentschap, in op de inzet van Europol op het bestrijden van mensensmokkel.
Een inzet die versterkt wordt door de recente wijziging van EU-regelgeving die Europol
op dit vlak een ruimer mandaat, meer mensen en extra budget geeft. Ook hij benadrukte
het in toenemende mate grimmige karakter van mensensmokkel waarbij steeds vaker geweld
gebruikt wordt tegen zowel migranten als opsporingsdiensten.
Met de extra middelen zal Europol onder meer binnen de eigen organisatie een apart
EU Centre Agianst Migrant Smuggling («ECAMS») oprichten. Daarbij zal sterk worden
ingezet op het opbouwen van een betekenisvolle positie binnen het digitale domein.
In de snel wijzigende modus operandi van mensensmokkelaars is het gebruik van het
digitale domein snel geïntensiveerd. Mensensmokkelaars werven online actief migranten
voor irreguliere grensoverschrijdingen, digitale middelen worden ingezet om documenten
te vervalsen, mensensmokkelaars communiceren en bieden over een weer diensten aan
via versleutelde media en illegale betalingen worden vaak digitaal weggesluisd. Eén
van de inzetten van Europol in het digitale domein is de oprichting van DigiNex, een
EU expert netwerk, dat op basis van openbaar beschikbare informatie (OSINT: Open Source
Intelligence) uit bronnen zoals sociale media, registers en websites systematisch
informatie verzamelt en analyseert om zo de activiteiten van mensensmokkelaars snel
in beeld te krijgen.
De heer Lecouffe gaf aan dat naast een sterke presentie in het digitale domein, Europol
ook zal inzetten op het aanstellen van speciale anti-mensensmokkel liaisonofficieren.
Deze zullen organisatorisch binnen ECAMS geplaats worden en zich dus geheel toeleggen
op dit type misdaad. Hij gaf aan tevens veel te verwachten van samenwerking tussen
de ECAMS-liaisons en de verbindingsofficieren die individuele lidstaten in derde landen
hebben. Die delen tot nu toe veelal hun informatie nog niet met Europol. Verbinding
van deze lidstaat-liaisons met de ECAMS-liaisons doet een veel fijnmaziger netwerk
ontstaan dat effectiever kan optreden. Als een derde prioriteit zal ECAMS zich sterker
dan voorheen kunnen richten op het onderzoeken en traceren van illegale financiële
stromen. Als voorbeeld van een inzet waarbij lidstaten (waaronder Nederland) en Europol
effectief samenwerkten, verwees hij naar een operatie waarbij eind 2025 een netwerk
is aangepakt dat in de tweede helft van 2024 naar schatting een-derde van alle illegale
overtochten naar Engeland faciliteerde.7
In interventies van meerdere JPSG-leden kwamen vragen terug over de samenwerking tussen
EU/Europol en landen buiten de EU waar irreguliere migratie vaak start. De heer Lecouffe
gaf aan dat de samenwerking met sommige landen in Noord-Afrika en het Midden Oosten
vrij goed verloopt (waarbij hij Jordanië en Egypte noemde) maar dat dat voor andere
landen minder geldt. Hij gaf toe dat samenwerking vaak via de contacten van individuele
lidstaten loopt ook omdat Europol pas met derde landen kan samenwerken als er een
formele samenwerkingsovereenkomst is afgesloten (die onder meer fundamentele rechten
waarborgt). Hij gaf verder aan dat derde landen als ze informatie delen daar graag
iets voor willen terugkrijgen – iets waar Europol bij het ontbreken van een dergelijke
overeenkomst niet aan kan voldoen. Hij herhaalde de nodige verwachtingen te hebben
van de komst van nieuwe liaisons binnen ECAMS en hun samenwerking met verbindingsofficieren
die individuele lidstaten zelf in derde landen hebben. Enkele JPSG-leden stelden een
vraag naar de rol die NGOs bij irreguliere migratie kunnen spelen. De heer Lecouffe
stelde dat de inzet van Europol zich beperkt tot het aanpakken van criminele netwerken
die (grof) geld aan mensensmokkel verdienen. Op de vraag of NGOs – bijvoorbeeld door
de locatie van NGO-schepen te delen met smokkelboten – onbedoeld niet toch een «pull-factor»
kunnen vormen, gaf hij aan de vraag te begrijpen maar dat dit geen vraag is die Europol
(als ambtelijk agentschap) kan beantwoorden. Reagerend op opmerkingen van een parlementslid
uit Cyprus gaf de heer Olivier Onidi namens de Europese Commissie aan onder de indruk
te zijn van de aanpak van irreguliere migratie door Cyprus en van de resultaten die
de lidstaat daarbij geboekt heeft – ook op het vlak van het uitzetten van afgewezen
migranten.
6. Thematisch debat: Aanpakken financiële en economische criminaliteit – samenwerking
Europol met EOM, Eurojust, OLAF en AMLA
Het tweede thematische debat had als onderwerp de samenwerking van Europol met gelieerde
EU-agentschappen zoals OLAF (EU bureau voor fraudebestrijding), Eurojust (EU-Agentschap
voor justitiële samenwerking in strafzaken), AMLA (EU Autoriteit voor de bestrijding
van witwassen en terrorismefinanciering) en met het Europees Openbaar Ministerie (EOM
– dat zich richt op bestrijding van criminaliteit die de financiële belangen van de
EU schaadt).
De heer Philippe Lecouffe stelde dat de uitdagingen die financiële en economische
criminaliteit stellen onverminderd groot zijn. Nieuwe ontwikkelingen in met name het
digitale domein, zoals moeilijk te traceren cryptovaluta en online fraude en oplichting,
maken opsporing en berechting nog complexer. Van criminele activa wordt in de EU (slechts)
2 procent teruggevorderd, tegen maar 1 procent wereldwijd zo stelde hij. Een sterk
opkomend fenomeen (mede als gevolg van AI) is online oplichting («scams»).
Om financiële criminaliteit aan te pakken, zijn binnen Europol in 2020 activiteiten
samengebracht binnen het EU Centrum voor de bestrijding van Financiële en Economische
Misdaad (EFECC). Vanuit EFECC wordt intensief samengewerkt met het EOM, Eurojust,
OLAF en AMLA. Ook zijn er banden met onder meer de Europese Centrale Bank en het EU
Bureau voor Intellectuele Eigendom (EUIPO). De heer Lecouffe gaf aan dat de samenwerking
met het in 2017 gestarte EOM zeer substantieel gegroeid is. Hij verwacht eenzelfde
sterk groeiende samenwerking met het recent opgerichte anti-witwas agentschap AMLA.
Ook prees hij de al langjarige samenwerking met Eurojust, waarbij hij als voorbeeld
wees op het project A.S.S.E.T. (Asset Search & Seize Enforcement Taskforce) waarbinnen
op actiedagen, wetshandhavingsinstanties uit de hele EU en grote aantallen financiële
experts samenwerken om crimineel vermogen te traceren en in beslag te nemen.
Vooruitblikkend op de herziening van de Europolverordening die ook de mogelijkheid
biedt de samenwerking met genoemde EU-agentschappen als Eurojust, OLAF en AMLA, en
het EOM verder te intensiveren noemde de heer Lecouffe vier prioriteiten:
• Het vermijden van overlap tussen de agentschappen en het inzetten op strikte complementariteit;
• De pakkans (bevriezen en in beslag nemen) van criminele activa substantieel verhogen
waarbij een nieuwe bureau voor terugvordering van criminele activa binnen Europol
een rol van belang kan spelen;
• Het fors inzetten op de bestrijding online oplichting, een fenomeen dat zeer sterk
in opkomst is, waarbij initiatieven in Aziatische landen (o.a. Singapore) tot voorbeeld
zouden kunnen dienen.
Namens de Europese Commissie beaamde de heer Onidi de woorden van de heer Lecouffe
dat er de afgelopen jaren op het niveau van Europol, de verder betrokken EU-agentschappen
en daarbuiten hard gewerkt is aan een betere structuur om financiële criminaliteit
effectiever aan te pakken. Hij wees op de recent herziene richtlijn inzake het traceren
en confisqueren van crimineel verkregen vermogen die in november 2026 geïmplementeerd
moet zijn.8 De aangescherpte EU-regels zetten onder meer in op snelle actie om te voorkomen dat
vermogen onvindbaar gemaakt wordt, en op de oprichting van gespecialiseerde bureaus
voor ontneming en beheer van crimineel verkregen vermogen in de lidstaten. De heer
Onidi wees op een belangrijk nieuw aspect van de nieuwe regels, te weten dat bij ieder
onderzoek verplicht gekeken moet worden naar financiële aspecten, iets wat tot nu
toe optioneel is. Hij wees verder op een voor het najaar 2026 aangekondigd EU-voorstel
gericht op de modernisering van het EU wettelijk kader ter bestrijding van georganiseerde
criminaliteit en gaf aan dat dit onder meer de mogelijkheid biedt de definitie van
misdaad op het gebied van financiële criminaliteit scherper te articuleren. Ook, zo
gaf hij aan, zal het effectiever bestrijden van financiële criminaliteit nadrukkelijk
meegenomen worden in het in juni dit jaar verwachte EU-voorstel voor de herziening
van de Europolverordening. Hierbij viel hij de heer Lecouffe bij dat gewaakt moet
worden voor overlap en scherp bekeken moet worden hoe competenties binnen de EU-agentschappen
complementair belegd kunnen worden. Als voorbeeld wees hij op de samenwerking tussen
Europol en het EOM waarbij de laatste sterk op de onderzoeks- en analysecapaciteiten
van de eerste leunt. Bij een dergelijke organische samenwerking kunnen beide instanties,
strekkend tot wederzijds voordeel, zich juist inzetten op waar ze vanuit hun eigen
mandaat goed in zijn.
In de vragenronde gaf de heer Lecouffe aan dat de toegevoegde waarde om een centrum
voor de bestrijding van online oplichting bij Europol in te richten zou zijn dat de
informatie die partijen (banken, webbedrijven, opsporingsautoriteiten), aanleveren
dan op één plek gecentreerd worden en het agentschap gespecialiseerd is in het gericht
analyseren van die data. In de huidige situatie bestaan wel al ad-hoc initiatieven
op dit gebied maar die missen nog een vaste structuur. Op een vraag wat in het algemeen
de samenwerking tussen EU-agentschappen belemmerd bij het aanpakken van financiële
en economische criminaliteit, en wat in nieuwe regelgeving voor Europol veranderd
zou kunnen worden, stelde de heer Lecouffe dat het delen van informatie tussen partijen
op dit moment ingeperkt wordt door wettelijke bepalingen op het gebied van data privacy
en dat daar naar gekeken kan worden.
De JPSG co-voorzitters, de heer Zarzalejos en de heer Demetriou sloten de vergadering
af onder dankzegging aan sprekers en leden.
De volgende JPSG-vergadering zal plaatsvinden op woensdag 4 en donderdag 5 november
2026 te Brussel, België.
De griffier van de delegatie van de Tweede Kamer, Rook
Ondertekenaars
Indiener/ondertekenaar n.v.t., Functie n.v.t.