Inbreng verslag schriftelijk overleg : Inbreng verslag schriftelijk overleg over omgang met productiemiddelen in de aanbesteding van de nieuwe concessies voor de Friese Waddenveren (Kamerstuk 23645-880)
2026D13658 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Binnen de vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat hebben verschillende fracties
de behoefte om vragen en opmerkingen voor te leggen aan de Staatssecretaris van Infrastructuur
en Waterstaat over de brief Omgang met productiemiddelen in de aanbesteding van de
nieuwe concessies voor de Friese Waddenveren (Kamerstuk 23 645, nr. 880).
De voorzitter van de commissie,
Huizenga
Adjunct-griffier van de commissie,
Meedendorp
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Inhoudsopgave
Inleiding
D66-fractie
CDA-fractie
BBB-fractie
ChristenUnie-fractie
Inleiding
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de brief over de
productiemiddelen in de aanbesteding van de nieuwe concessies voor de Friese Waddenveren.
Deze leden benadrukken dat de veerdienst voor eilandbewoners geen luxe is, maar een
cruciale levensader die de toegang tot onder andere zorg, onderwijs en werk waarborgt.
Voor deze leden staat voorop dat de eilanders op geen enkele wijze nadeel mogen ondervinden
van de complexe transitie naar een nieuwe concessiehouder en dat negatieve effecten
op de leefbaarheid van de eilanden te allen tijde worden voorkomen. Zij hebben in
dat kader de volgende vragen.
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de inhoud
van de brief. Ze constateren dat het onderwerp voldoende in beeld is en dat aanvullende
informatie tijdig beschikbaar komt, zodra dat ook in het aanbestedingsproces nodig
is. Deze leden hebben op dit moment geen aanvullende vragen of opmerkingen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van de brief en hebben
hier geen verdere vragen of opmerkingen bij.
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de brief over de omgang met productiemiddelen
in de aanloop naar de nieuwe concessies voor de Friese Waddenveren en hebben nog enkele
vragen.
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de brief van de Staatssecretaris
inzake de omgang met productiemiddelen in de aanbesteding van de nieuwe concessies
voor de Friese Waddenveren. Deze leden onderstrepen het belang van een zorgvuldige,
transparante en voor alle inschrijvers gelijkwaardige aanbesteding, mede gezien de
publieke functie en strategische betekenis van deze verbindingen. Wel hebben deze
leden enkele gerichte vragen.
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben kennisgenomen van de brief van 3 maart
van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) inzake de productiemiddelen
in de aanbesteding van de nieuwe concessies voor de Friese Waddenveren. Naar aanleiding
van de brief hebben zij nog enkele vragen voor de Staatssecretaris.
D66-fractie
De leden van de D66-fractie lezen dat de overnamesom van de schepen een grote impact
heeft op de businesscase van de nieuwe concessie. Zij vragen de Staatssecretaris hoe
wordt gewaarborgd dat een eventuele hoge overnamesom of een tegenvallend rendement
voor de vervoerder niet wordt afgewenteld op de eilandbewoners via hogere tarieven
of een versobering van de dienstregeling. Kan de Staatssecretaris bevestigen dat de
betaalbaarheid en de frequentie van de overtochten voor de eilanders de hoogste prioriteit
behouden in de aanbestedingsvoorwaarden? Kan de Staatssecretaris daarbij ook uitsluiten
dat vertragingen of moeizame onderhandelingen over productiemiddelen leiden tot prijsopdrijvende
effecten voor zowel personen- als goederenvervoer?
De leden van de D66-fractie merken in dit verband op dat het goederenvervoer naar
de eilanden niet binnen de concessie is gereguleerd. Welke waarborgen zijn er dat
prijsopdrijvende effecten als gevolg van de omgang met productiemiddelen niet onevenredig
neerslaan bij het goederenvervoer, en daarmee indirect de kosten van levensonderhoud
voor eilandbewoners verhogen?
Kan de Staatssecretaris daarnaast de harde toezegging doen dat de complexiteit rondom
de overname van productiemiddelen op geen enkele wijze zal leiden tot vertraging in
de feitelijke concessieverlening? Hoe garandeert de Staatssecretaris dat het proces
strak op koers blijft richting de beoogde startdatum, ongeacht de uitkomst van de
lopende gesprekken over de overnamesommen?
De leden van de D66-fractie constateren dat er momenteel nog gesprekken lopen over
de overnamesommen. Deze leden vragen welke risico’s de Staatssecretaris ziet voor
de continuïteit van de dienstverlening, indien deze onderhandelingen stroef verlopen.
Hoe wordt voorkomen dat onzekerheid over de productiemiddelen leidt tot een verminderde
kwaliteit van de overtocht in de overgangsfase naar 2029? Welke scenario’s zijn uitgewerkt,
indien de beoogde startdatum van 1 januari 2029 niet wordt gehaald? Kan de Staatssecretaris
toezeggen dat eventuele geschillen rondom de productiemiddelen geen belemmering vormen
voor het tijdig openstellen en gunnen van de concessie?
Tot slot vragen de leden van de D66-fractie op welke wijze de eilanders zelf (bijvoorbeeld
via de consumentenplatforms of de gemeenten) worden betrokken bij het monitoren van
de overgang van de productiemiddelen. Deelt de Staatssecretaris de mening dat de stem
van de gebruiker doorslaggevend moet zijn bij het beoordelen of de continuïteit van
de verbinding gewaarborgd blijft?
CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie vragen wat de periode waarin de nieuwe concessie nog niet
is verleend voor gevolgen kan hebben voor het onderhoud en de investeringen in de
huidige productiemiddelen. In hoeverre ziet de Staatssecretaris risico’s dat onderhoud
of investeringen in deze fase worden uitgesteld, en wat kan dit betekenen voor de
betrouwbaarheid van het vervoer richting de eilanden?
Deze leden vragen daarnaast hoe in deze overgangsfase de continuïteit en veiligheid
van het vervoer richting de Waddeneilanden wordt geborgd. Welke mogelijkheden ziet
de Staatssecretaris om, indien nodig, tijdig bij te sturen?
De leden van de CDA-fractie vragen hoe potentiële concessienemers in hun bieding rekening
kunnen houden met de overnamesom van de schepen, zolang hierover nog geen volledige
duidelijkheid bestaat. In hoeverre leidt deze onzekerheid tot risico-opslagen in biedingen
en wat kan dit betekenen voor tarieven en de kwaliteit van de dienstverlening voor
eilanders?
De leden van de CDA-fractie vragen hoe de marktwaarde van de over te nemen schepen
wordt vastgesteld, en in hoeverre deze systematiek voldoende voorspelbaarheid biedt
voor inschrijvers. Welke mogelijkheden ziet de Staatssecretaris om deze voorspelbaarheid
te vergroten, zodat onzekerheden niet onnodig doorwerken in de uiteindelijke kosten?
De leden van de CDA-fractie vragen hoe wordt voorkomen dat onduidelijkheid over de
overnamesom en de gebruiksvergoedingen voor overige productiemiddelen doorwerkt in
hogere tarieven of een lagere kwaliteit van dienstverlening. Welke instrumenten heeft
de Staatssecretaris om hierop te sturen?
De leden van de CDA-fractie vragen daarnaast hoe de Staatssecretaris kijkt naar mogelijke
risico’s voor de planning en ingangsdatum van de nieuwe concessies, in samenhang met
de onduidelijkheid over de productiemiddelen. In hoeverre kunnen deze onzekerheden
doorwerken in de termijn waarop concessies worden gegund en daadwerkelijk van start
gaan, en welke mogelijkheden ziet de Staatssecretaris om eventuele vertragingen te
voorkomen?
De leden van de CDA-fractie vragen ten slotte hoe de Staatssecretaris de komende periode
wil benutten om samen met marktpartijen en huidige concessiehouders tot meer duidelijkheid
te komen over de productiemiddelen. Op welke termijn verwacht de Staatssecretaris
dat deze duidelijkheid kan worden geboden, en welke stappen kunnen nog worden gezet
om dit, waar mogelijk, te versnellen?
BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie constateren voorts dat het kabinet beoogt om bij de start
van de aanbesteding, of zo snel mogelijk daarna, duidelijkheid te geven over de overnamesom,
maar dat deze mogelijk pas gedurende de aanbesteding via nota’s van inlichtingen wordt
verstrekt. Kan de Staatssecretaris aangeven welke concrete waarborgen worden ingebouwd
om te voorkomen dat inschrijvers in een later stadium hun bieding wezenlijk moeten
herzien als gevolg van nieuwe informatie over de overnamesom? Hoe wordt voorkomen
dat dit leidt tot strategisch biedgedrag of ongelijkheid tussen inschrijvers?
De leden van de BBB-fractie vragen de Staatssecretaris daarnaast of zij het met hen
eens is dat volledige duidelijkheid over de overnamesom bij aanvang van de aanbesteding
de voorkeur heeft boven het gefaseerd verstrekken van deze informatie, juist om onzekerheid
en risico-opslagen in biedingen te beperken. Indien dit niet haalbaar wordt geacht,
welke gevolgen verwacht de Staatssecretaris voor de uiteindelijke prijsstelling en
concurrentie in de aanbesteding?
De leden van de BBB-fractie constateren dat het kabinet het niet wenselijk acht om
de aanbesteding uit te stellen vanwege het risico voor de implementatie van de concessies.
Kan de Staatssecretaris nader onderbouwen welke concrete risico’s voor de implementatie
ontstaan bij uitstel, en hoe deze zich verhouden tot de risico’s van een aanbesteding
met onvolledige informatie over essentiële kostencomponenten?
De leden van de BBB-fractie vragen voorts in hoeverre de huidige concessiehouders
invloed hebben op de totstandkoming van de overnamesom, gezien het feit dat hierover
nog gesprekken lopen. Hoe wordt geborgd dat deze onderhandelingen niet leiden tot
een overnamesom die de toetreding van nieuwe partijen bemoeilijkt of de concurrentie
in de aanbesteding beperkt?
De leden van de BBB-fractie vragen tot slot in hoeverre het kabinet heeft overwogen
om (delen van) de productiemiddelen, met name de schepen, in publieke handen te brengen
of te houden, om zo meer grip te houden op kostenontwikkeling, continuïteit en publieke
belangen binnen de concessie. Kan de Staatssecretaris uiteenzetten welke afwegingen
hierbij zijn gemaakt en waarom is gekozen voor de huidige systematiek van overdracht
tussen concessiehouders?
ChristenUnie-fractie
De leden van de ChristenUnie-fractie horen graag hoe de voortgang van de gesprekken
omtrent de overnamesommen van de schepen verloopt. Kan de Staatssecretaris ook aangeven
wanneer zij uiterlijk verwacht dat er overeenstemming is? Kan de Staatssecretaris
aangeven wanneer het moment is dat zij het niet meer verantwoord acht om – als er
dan nog geen overeenstemming over de productiemiddelen met de rederijen is bereikt
– zonder verlenging met de aanbesteding door te gaan?
De leden van de ChristenUnie-fractie horen graag of de Staatssecretaris een concrete
datum kan noemen wanneer de overeenstemming er uiterlijk moet zijn. Kan de Staatssecretaris
aangeven hoe zij er mee om zal gaan, indien er een uitstel van de gehele aanbesteding
plaats moet vinden? Hoe wordt dan omgegaan met de lopende concessies?
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen in de brief dat de onderhandelingen zich
richten op de productiemiddelen «schepen». Zij lezen in de brief dat havenfaciliteiten
(op- en afrijbruggen, afmeerfaciliteiten etc.) hierbuiten vallen, omdat deze in eigendom
en onderhoud van het Rijk blijven. In de brief wordt aangegeven dat voor deze productiemiddelen
een jaarlijkse marktconforme vergoeding door het Rijk (Rijksvastgoedbedrijf) wordt
gevraagd. Aangezien deze vergoeding onderdeel zal zijn van de businesscase van de
rederijen, willen deze leden weten of de hoogte van deze vergoeding in de aanbestedingsstukken
meteen kenbaar zal worden gemaakt.
De leden van de ChristenUnie-fractie missen een onderdeel in de brief. Er wordt in
de brief immers geen inzicht geboden in de overnamesommen van opstallen zoals kantoren,
wachtruimten en andere faciliteiten van de rederijen op de wal. Mede verwijzend naar
de vragen die deze leden in een eerder commissiedebat stelden vragen zij of er inmiddels
overeenstemming is bereikt over de eventuele overdracht en prijs daarvan. Is een proces
van taxatie van deze zaken al gestart?
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben ook vragen over de aan te besteden concessie
Oost. Zij begrijpen dat hiervoor een sterk verkorte duur van de concessie zal gelden,
zodat deze concessie een «tussenconcessie» zal zijn om tijd te geven aan de thans
gestarte «Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT)»-studie naar
de vaarwateralternatieven en ontwikkelingen daarvan voor de veerverbindingen naar
Ameland. Een ruime meerderheid van de Kamer vindt het verstandig om dit te doen. Immers,
als er geen helder beeld is te geven van de door een rederij te bevaren vaarroute,
kan deze geen businesscase en geen aanbod uitwerken. Deze leden zien graag een actualisatie
van de tijdslijnen voor deze studie zoals die nu gelden. Kan de Staatssecretaris deze
verstrekken?
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen in een eerdere brief aan de Kamer dat de
MIRT-studie met een «frisse blik» wordt uitgevoerd (Kamerstuk 36 600-A, nr. 17). Dit suggereert een potentieel breed studieveld. Kan de Staatssecretaris bevestigen
dat de breedte van de studie niet verder reikt dan de (onder meer morfologische) ontwikkelingen
van de mogelijke vaarroutealternatieven en alternatieve havenlocaties?
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben ook vragen over welke kennis wordt meegenomen
als input voor de MIRT-studie. Zij vinden dat zowel de huidige rederij als de baggerbedrijven
die de huidige vaargeul op diepte houden op een dagelijkse basis een enorme ervaring
opdoen met het gedrag van de vaarwateren door de seizoenen heen. Hoe beoordeelt de
Staatssecretaris de waarde van deze kennis als input voor de MIRT-studie, en het beoordelen
van de tussentijdse conclusies binnen een dergelijke studie? Hoe beoordeelt de Staatssecretaris
de waarde van de vroegtijdige inzet van deze kennis en ervaring om het risico op vertragingen
in de studie te verkleinen? In hoeverre betrekt de Staatssecretaris hun ervaring en
opgebouwde kennis in de analyses die verder plaatsvinden in deze studies?
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen in de brief van natuurverenigingen aan
de Kamer dat zij hun voorkeur uitspreken dat de vaarroute het natuurlijke verloop
van de geulen blijft volgen. Indien deze geulen zich verlengen, kunnen overtochten
potentieel langer worden, waardoor de in het programma van eisen voorgeschreven minimale
dienstregelingen niet meer vol te houden zijn met het dan bestaande materieel en de
(kosten van) energiebehoefte. Deze leden horen graag hoe de Staatssecretaris garandeert
dat de dienstverlening voor de eilander dan niet achteruitgaat en dat de kostenverhogingen
niet leiden tot hogere veertarieven.
De leden van de ChristenUnie-fractie zouden graag de antwoorden op deze vragen tijdig
ontvangen voor het nog te plannen tweeminutendebat naar aanleiding van het commissiedebat
Wadden van 12 februari jongstleden. Kan de Staatssecretaris de antwoorden op deze
vragen enige dagen vóórafgaand aan dat tweeminutendebat beschikbaar stellen?
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
Renilde Huizenga, Tweede Kamerlid -
Mede ondertekenaar
M. Meedendorp, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.