Voorstel van wet : Voorstel van wet
36 913 Wijziging van het nieuwe Wetboek van Strafvordering (eerste aanvullingswet nieuw Wetboek van Strafvordering)
ARTIKEL I
ARTIKEL II
ARTIKEL III
ARTIKEL IV
ARTIKEL V
ARTIKEL VI
ARTIKEL VII
ARTIKEL VIII
ARTIKEL IX
ARTIKEL X
ARTIKEL XI
ARTIKEL XII
Nr. 2 VOORSTEL VAN WET
Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is enkele wijzigingen in
het nieuwe Wetboek van Strafvordering en daarmee samenhangende wijzigingen in het
Wetboek van Strafrecht en de Gratiewet door te voeren;
Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen
overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden
en verstaan bij deze:
ARTIKEL I
Boek 1 van het Wetboek van Strafvordering wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 1.1.1 komt te luiden:
Artikel 1.1.1
Strafvordering heeft plaats op de wijze bij de wet voorzien, onverminderd de werking
van toepasselijke verdragen en verbindende besluiten van volkenrechtelijke organisaties.
B
Na artikel 1.1.4 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 1.1.4a
1. Strafvorderlijke bevoegdheden kunnen, binnen de grenzen van en met inachtneming van
de daarop betrekking hebbende bepalingen, buiten Nederland worden uitgeoefend, tenzij
de wet anders bepaalt.
2. Strafvorderlijke bevoegdheden kunnen alleen buiten Nederland worden uitgeoefend voor
zover het volkenrecht en het interregionale recht dit toelaten.
C
In artikel 1.1.8, eerste lid, wordt na «rechter-commissaris» ingevoegd «en de raadsheer-commissaris».
D
Artikel 1.1.18 komt te luiden:
Artikel 1.1.18
Onder Onze Minister wordt verstaan Onze Minister van Justitie en Veiligheid.
E
Na artikel 1.1.18 wordt een artikel toegevoegd, luidende:
Artikel 1.1.19
Onder procesafspraken wordt verstaan afspraken die worden gemaakt tussen het openbaar
ministerie en de verdachte met het oog op de berechting en die overeenstemming inhouden
over de inhoud en omvang van de tenlastelegging of een gezamenlijk voorstel inhouden
voor de uit te spreken bewezenverklaring, kwalificatie of sanctieoplegging.
F
In artikel 1.2.13, eerste lid, onderdeel c, wordt «een jaar of meer» vervangen door
«meer dan een jaar».
G
Artikel 1.2.23 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid vervalt «van de rechtbank».
2. In het tweede lid wordt «niet direct wordt uitgesproken» vervangen door «niet direct
wordt uitgesproken of meegedeeld».
H
Artikel 1.2.26, vierde lid, komt te luiden:
4. De rechter-commissaris kan een bevoegdheid in het gehele land uitoefenen. Hij stelt,
indien de uitoefening van een bevoegdheid plaatsvindt binnen het rechtsgebied van
een andere rechtbank, zijn ambtgenoot hiervan tijdig in kennis.
I
In de artikelen 1.3.11, vierde lid, en 1.3.12, derde lid, wordt «grondgebied» vervangen
door «gebied».
J
In artikel 1.4.2 wordt onder vernummering van het tweede en derde lid tot het derde
en vierde lid een lid ingevoegd, luidende:
2. Voor de gevoegde behandeling van een vordering als bedoeld in artikel 7.2.8c, eerste
lid, wordt onder verdachte mede verstaan: de persoon tegen wie de onherroepelijke
strafbeschikking is uitgevaardigd.
K
In artikel 1.4.4, tweede lid, wordt na «mededeling gedaan» ingevoegd «van».
L
Artikel 1.5.4 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt, onder vernummering van de onderdelen d tot en met j tot
de onderdelen e tot en met k, een onderdeel ingevoegd, luidende:
d. het voornemen tot het maken van procesafspraken en de inhoud van de procesafspraken;
2. In het eerste lid, onderdeel f (nieuw) wordt «ten laste gelegde» vervangen door «tenlastegelegde».
3. In het eerste lid, onderdeel h (nieuw), vervalt «in de zaak tegen de verdachte».
4. In het eerste lid, onderdeel i (nieuw), vervalt «door de verdachte».
5. In het tweede lid wordt «onderdelen b tot en met j» vervangen door «onderdelen b
tot en met k».
M
In artikel 1.5.5, derde lid, wordt na «artikel 1.8.8, eerste tot en met derde lid»
een komma ingevoegd.
N
In artikel 1.5.7, tweede lid, wordt «onderdelen a, c, d, f, g, i en j» vervangen door
«onderdelen a, c, d, e, g, h, j en k».
O
In artikel 1.5.8, eerste lid, wordt «240b, 247, 248a, 248b, 249, 250» vervangen door
«240, 241, eerste lid, 242, 245, eerste lid, 252».
P
Artikel 1.5.11, eerste lid, onderdeel a, komt te luiden:
a. de verdachte wordt veroordeeld dan wel met toepassing van artikel 39 van het Wetboek
van Strafrecht wordt ontslagen van alle rechtsvervolging, of met toepassing van artikel 2.3
van de Wet forensische zorg een zorgmachtiging of rechterlijke machtiging is afgegeven
op de gronden, genoemd in artikel 2.3, eerste lid, onderdeel 1°, 2° of 4°, van de
Wet forensische zorg; en
Q
In artikel 1.6.14, eerste lid, wordt «getuigenis» vervangen door «verklaring» en wordt
«gehoord» vervangen door «verhoord».
R
In artikel 1.7.1 wordt onder vernummering van het tweede tot en met vierde lid tot
het derde tot en met vijfde lid een lid ingevoegd, luidende:
2. In het benoemingsbesluit kan worden bepaald dat een organisatie waarvoor deskundigen
werkzaam zijn een voor die organisatie werkzame deskundige aanwijst die de opdracht
uitvoert.
S
Artikel 1.7.2 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het tweede lid komt te luiden:
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de deskundigheidsgebieden
waarop een aanvraag tot inschrijving in het register betrekking kan hebben, over de
kwaliteitseisen waaraan deskundigen moeten voldoen om in het register te kunnen worden
ingeschreven en over de wijze waarop de specifieke deskundigheid van de deskundigen
kan worden bepaald of getoetst.
2. Onder vernummering van het derde lid tot het vierde lid wordt een lid ingevoegd,
luidende:
3. Indien deskundigen op een bepaald terrein in het register zijn ingeschreven, wordt
bij benoeming van een deskundige op dit terrein die niet in het register is ingeschreven,
gemotiveerd waarom niet een deskundige wordt benoemd die in het register is ingeschreven.
3. Het vierde lid (nieuw) komt te luiden:
4. Bij benoeming van een deskundige die niet in het register is ingeschreven, wordt
gemotiveerd op grond waarvan diegene als deskundige wordt aangemerkt. De geschiktheid
om als deskundige op te treden wordt zoveel mogelijk aan de hand van de kwaliteitseisen,
bedoeld in het tweede lid, beoordeeld.
T
In artikel 1.7.3, derde lid, wordt «1.6.8» vervangen door «1.6.9».
U
Artikel 1.7.5 komt te luiden:
Artikel 1.7.5
1. De artikelen 1.7.1 tot en met 1.7.4 zijn niet van toepassing op:
a. onderzoek dat wordt verricht door een opsporingsambtenaar;
b. onderzoek dat wordt verricht door iemand die aan een opsporingsinstantie bijstand
verleent bij het verzamelen en veiligstellen van sporen en bij het voorbereidend onderzoek
dat aan die sporen wordt verricht, en die buiten die dienst werkzaam is;
c. technisch onderzoek, behalve in het geval dat een deskundige is benoemd om het onderzoek
uit te voeren.
2. Technisch onderzoek is bij algemene maatregel van bestuur aangewezen onderzoek dat
wordt verricht door een medewerker van een laboratorium dat aan de bij algemene maatregel
van bestuur gestelde eisen voldoet en dat geen opinie en interpretatie vergt van degene
die het uitvoert of waarbij een vastgesteld protocol wordt gevolgd voor opinie en
interpretatie.
3. In geval van technisch onderzoek als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, kan
de functionaris die bevoegd is het bevel tot het onderzoek te geven een laboratorium
opdragen het onderzoek door een medewerker van dat laboratorium te laten verrichten.
4. In geval van technisch onderzoek als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, kan
de verdachte een verzoek tot tegenonderzoek indienen bij de functionaris die bevoegd
is het bevel tot het onderzoek te geven. De functionaris wijst het verzoek toe voor
zover dit redelijkerwijs van belang kan zijn voor de in het kader van de berechting
door de rechter te nemen beslissingen. Hij geeft de verdachte direct kennis van zijn
beslissing. Een afwijzing wordt gemotiveerd.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over
de verslaglegging van de onderzoeken, bedoeld in het eerste lid, en over de kennisgeving
van de onderzoeksresultaten van deze onderzoeken.
V
In artikel 1.9.3, tweede lid, wordt «opsporingsdiensten» vervangen door «opsporingsinstanties».
W
In artikel 1.9.11, eerste lid, wordt «aangeboden» vervangen door «betekend».
X
In artikel 1.10.5, tweede lid, wordt «zeevissersvaartuig» vervangen door «Nederlands
zeevissersschip» en wordt «schipper» vervangen door «kapitein».
Y
Artikel 1.11.4 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid, onderdeel a, wordt «voor zijn verhoor» vervangen door «voor het
horen van de verdachte».
2. Het derde lid komt te luiden:
3. In afwijking van het eerste lid kan de rechter beslissen dat van videoconferentie
gebruik wordt gemaakt indien dat dringend noodzakelijk is in het bijzondere belang
van de beveiliging van het horen van de verdachte dan wel de terechtzitting of van
het vervoer naar of van het horen van de verdachte dan wel de terechtzitting.
Z
Artikel 1.11.7, tweede lid, wordt als volgt gewijzigd:
1. In de aanhef wordt na «wordt» ingevoegd «op zijn verzoek».
2. Onderdeel a vervalt, onder verlettering van de onderdelen b en c tot onderdelen a
en b.
ARTIKEL II
Boek 2 van het Wetboek van Strafvordering wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 2.1.8 wordt als volgt gewijzigd:
1. In de aanhef wordt na «anders bepaalt» een komma ingevoegd en wordt «dit boek» vervangen
door «dit wetboek».
2. In onderdeel a wordt «137c, tweede lid, 137d, tweede lid, 137e, tweede lid, 137g,
tweede lid, 138a, 138aa, 138ab, 138b, 138c, 139c, 139d, eerste en tweede lid, 139g,
139h, eerste en tweede lid, 140, tweede lid, 141a, 151, 184a, 248d, 248e, 254a, 272,
284, eerste lid, 285, eerste lid, 285b, 285c,» vervangen door «137c, derde lid, 137d,
eerste lid, 137e, tweede lid, 137g, tweede lid, 138a, 138aa, 138ab, 138b, 138c, 139c,
139d, eerste en tweede lid, 139g, 140, tweede lid, 141a, 151, 184a, 189a, eerste lid,
251, 254b, 254ba, 254c, 272, 284, eerste lid, 285, eerste lid, 285b, 285c, 285d,».
3. In onderdeel b wordt «artikel 86i, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998; artikel 66h,
eerste lid, van de Gaswet;» vervangen door «artikel 2.66 van de Energiewet;» en wordt
«de artikelen 11, tweede lid, en 11a van de Opiumwet» vervangen door «de artikelen 10c,
11, tweede lid, en 11a van de Opiumwet».
B
In artikel 2.1.13, tweede lid, wordt in de tweede zin voor «worden» ingevoegd «afzonderlijk»
en wordt in derde zin voor «vastlegging» ingevoegd «afzonderlijke».
C
Na artikel 2.1.17 wordt een titel ingevoegd, luidende:
TITEL 1.7 GEGEVENSVERWERKING
Artikel 2.1.18
1. Zolang de zaak niet is geëindigd, kunnen de gegevens die zijn verkregen door de uitoefening
van de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 2.7.37 tot en met 2.7.40, 2.7.42, 2.7.47,
eerste en vierde lid, 2.7.48, 2.7.49, vierde lid, 2.8.7, derde lid, 2.8.13, 2.8.15
en 2.8.17, voor zover die niet bij de processtukken zijn gevoegd, door de officier
van justitie worden bewaard en ter beschikking gehouden van het onderzoek. Dit geldt
ook in het geval deze bevoegdheden, voor zover aan hem toegekend, worden uitgeoefend
door de rechter-commissaris op grond van artikel 2.7.68, eerste lid.
2. Zodra vier maanden zijn verstreken nadat de zaak is geëindigd en, indien van toepassing,
de kennisgeving, bedoeld in de artikelen 2.7.35, eerste lid, 2.7.51, eerste lid, of
2.8.2, eerste lid, is gedaan, doet de officier van justitie de gegevens, bedoeld in
het eerste lid, vernietigen.
3. Met een zaak die is geëindigd, wordt voor de toepassing van het tweede lid gelijkgesteld
een opsporingsonderzoek dat naar redelijke verwachting niet tot een zaak zal leiden.
4. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op gegevens die zijn overgedragen door
een andere staat ter uitvoering van een rechtshulpverzoek of Europees bevel tot uitoefening
van de bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 2.1.19
De officier van justitie doet gegevens die zijn overgenomen tijdens de uitoefening
van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 2.8.16, vernietigen zodra blijkt dat zij van
geen betekenis zijn voor het opsporingsonderzoek.
Artikel 2.1.20
1. De officier van justitie kan bevelen dat de gegevens, bedoeld in artikel 2.1.18,
eerste lid, voor zover die zijn verkregen door de uitoefening van de bevoegdheden,
bedoeld in de artikelen 2.7.37 tot en met 2.7.40, 2.7.42, 2.8.7, derde lid, 2.8.15
en 2.8.17, worden verstrekt ten behoeve van:
a. een ander opsporingsonderzoek dan waartoe de bevoegdheid is uitgeoefend;
b. een ander doel op grond van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens of de Wet
politiegegevens.
2. De officier van justitie kan bevelen dat de gegevens, bedoeld in artikel 2.1.18,
eerste lid, voor zover die zijn verkregen door de uitoefening van de bevoegdheden,
bedoeld in de artikelen 2.7.47, eerste en vierde lid, 2.7.48, 2.7.49, vierde lid,
en 2.8.13, worden verstrekt ten behoeve van:
a. een ander opsporingsonderzoek dan waartoe de bevoegdheid is uitgeoefend voor zover
dat opsporingsonderzoek is gericht op een verdenking van een misdrijf waarop naar
de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld;
b. een ander doel op grond van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens of de Wet
politiegegevens voor zover dat andere doel betrekking heeft op de voorkoming van ernstige
bedreigingen van de openbare veiligheid.
3. De officier van justitie kan bevelen dat gegevens, bedoeld in artikel 2.1.19, worden
verstrekt ten behoeve van:
a. een ander opsporingsonderzoek dan waartoe de bevoegdheid is uitgeoefend voor zover
dat opsporingsonderzoek is gericht op een verdenking van een misdrijf waarop naar
de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld;
b. het verkrijgen van inzicht in de betrokkenheid van personen bij misdrijven en handelingen
als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet politiegegevens.
Artikel 2.1.21
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over het bewaren en het vernietigen
van gegevens, bedoeld in de artikelen 2.1.18 en 2.1.19.
D
In artikel 2.2.3 wordt «242» vervangen door «243, 246, 248, 250».
E
In artikel 2.2.7, derde lid, wordt na «spreekt» ingevoegd «of ontvangt hij de nodige
taalkundige bijstand».
F
In artikel 2.3.8, tweede lid, wordt «artikel 2.3.7» vervangen door «artikel 2.3.7,
eerste lid,».
G
Artikel 2.4.1, eerste en tweede lid, komt te luiden:
1. De officier van justitie kan ambtshalve of op verzoek van de verdachte een deskundige
benoemen die in het register, bedoeld in artikel 1.7.2, is ingeschreven. In geval
van een DNA-onderzoek als bedoeld in artikel 2.6.17 kan de officier van justitie ook
een deskundige benoemen die werkzaam is bij een laboratorium dat voldoet aan de bij
algemene maatregel van bestuur gestelde eisen en die niet in het register is ingeschreven.
In dat geval zijn de artikelen 1.7.2, derde en vierde lid, 2.4.2, eerste tot en met
derde lid en vierde lid, tweede zin, niet van toepassing.
2. De hulpofficier van justitie kan de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, uitoefenen
in de gevallen waarin de wet bepaalt dat de hulpofficier van justitie het onderzoek
kan bevelen. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van overeenkomstige toepassing.
H
Artikel 2.4.3 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het tweede lid komt de tweede zin te luiden: In het belang van het onderzoek of
de bescherming van de persoonlijke levenssfeer kan de officier van justitie bepalen
dat de kennisneming geheel of gedeeltelijk niet wordt toegestaan, dan wel dat van
bepaalde stukken of gedeelten daarvan alleen inzage wordt verleend.
2. In het derde lid wordt «artikel 2.4.1, derde lid,» vervangen door «artikel 2.4.1,
derde en vierde lid,» en wordt «Het nieuwe onderzoek» vervangen door «Een tegenonderzoek».
I
Artikel 2.4.4, eerste lid, komt te luiden:
1. De nieuwe deskundige die een aanvullend onderzoek verricht, krijgt voor zover dat
voor het uitvoeren van het onderzoek nodig is toegang tot het onderzoeksmateriaal
en kan kennisnemen van het eerste onderzoek. De nieuwe deskundige die een tegenonderzoek
verricht, krijgt toegang tot het onderzoeksmateriaal dat hij nodig heeft voor het
uitvoeren van het onderzoek.
J
In artikel 2.5.1, eerste lid, wordt «de artikelen 2.5.5 en 2.5.9» vervangen door «de
artikelen 2.5.5, 2.5.9 en 2.5.35».
K
In artikel 2.5.9, derde lid, komt de tweede zin te luiden: Onder het onderzoek in
het belang waarvan het ophouden voor onderzoek kan worden bevolen, is begrepen de
voorgeleiding aan de officier van justitie of hulpofficier van justitie, bedoeld in
artikel 2.5.13, en het uitreiken van berichten over de zaak aan de verdachte in persoon.
L
Artikel 2.5.14, tweede lid, komt te luiden:
2. Onder het onderzoek in het belang waarvan de inverzekeringstelling kan worden bevolen,
is begrepen de voorgeleiding aan de rechter-commissaris, bedoeld in artikel 2.5.42,
en het uitreiken van berichten over de zaak aan de verdachte in persoon.
M
Artikel 2.5.23 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt «bij zijn verhoor is» vervangen door «is gehoord en hem bij
die gelegenheid is» en wordt «verhoord» vervangen door «gehoord».
2. In het tweede lid wordt «Dit verhoor» vervangen door «Dit horen».
3. In het derde lid en vierde lid wordt «het verhoor» vervangen door «het horen».
N
Artikel 2.5.33 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid komt te luiden:
1. Schorsing van de voorlopige hechtenis vindt plaats onder de algemene voorwaarde dat
de verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. Aan de schorsing van
de voorlopige hechtenis zijn van rechtswege de voorwaarden verbonden dat:
a. de verdachte, indien de opheffing van de schorsing wordt bevolen, zich niet aan de
tenuitvoerlegging van het bevel tot voorlopige hechtenis zal onttrekken; en
b. de verdachte, indien hij wegens het feit waarvoor de voorlopige hechtenis is bevolen,
wordt veroordeeld tot een vrijheidsstraf, vervangende vrijheidsstraf daaronder niet
begrepen, of tot een maatregel die vrijheidsbeneming meebrengt, zich niet aan de tenuitvoerlegging
daarvan zal onttrekken.
2. Het tweede lid komt te luiden:
2. De aan de schorsing te verbinden bijzondere voorwaarden kunnen inhouden:
a. een verbod direct of indirect contact te hebben of te zoeken met bepaalde personen
of instellingen, dat ook kan inhouden een verbod zich binnen een bepaalde afstand
van bepaalde personen te bevinden;
b. een verbod zich te bevinden in een bepaald gebied;
c. een verplichting op bepaalde tijdstippen of gedurende een bepaalde periode op een
bepaalde locatie aanwezig te zijn;
d. een verplichting zich op bepaalde tijdstippen te melden bij een bepaalde instantie;
e. een beperking van het recht om Nederland te verlaten of de verplichting het paspoort
of ander reisdocument in te leveren;
f. een verbod op het gebruik van alcohol of middelen als bedoeld in lijst I, lijst IA
of lijst II van de Opiumwet en de verplichting ten behoeve van de naleving van dit
verbod mee te werken aan een speekseltest, ademonderzoek, bloedonderzoek of urineonderzoek;
g. een verplichting zich te laten opnemen in een instelling;
h. een verplichting zich onder behandeling te stellen van een zorgaanbieder;
i. een verplichting te verblijven in een instelling voor beschermd wonen, tot begeleid
wonen of tot maatschappelijke opvang;
j. een verplichting tot het deelnemen aan een gedragsinterventie;
k. een verplichting zich in te spannen voor het vinden en behouden van een dagbesteding;
l. een verbod vrijwilligerswerk van een bepaalde aard te verrichten;
m. het gehoor geven aan oproepingen of het verschijnen op de terechtzitting;
n. andere voorwaarden die verband houden met de gronden waarvoor de voorlopige hechtenis
is bevolen.
3. Onder vernummering van het derde en vierde lid tot het vijfde en zesde lid worden
twee leden ingevoegd, luidende:
3. Indien een bijzondere voorwaarde is gesteld, kan de rechter een reclasseringsinstelling
opdracht geven toezicht te houden op de naleving van de bijzondere voorwaarden en
de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. In dat geval wordt de verdachte gewezen
op de van rechtswege geldende voorwaarden, bedoeld in artikel 7.2.1, vierde lid. Indien
vanwege de aard van een gestelde bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht niet
aangewezen is, kan de rechter een andere instelling of persoon als bedoeld in artikel 7.2.1,
derde lid, opdracht geven toezicht te houden.
4. Aan een bijzondere voorwaarde kan elektronisch toezicht worden verbonden.
4. In het vijfde lid (nieuw) vervalt «de toepassing van elektronisch toezicht of».
5. In het zesde lid (nieuw) wordt «derde lid» vervangen door «vijfde lid».
O
Artikel 2.5.34 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het derde lid wordt «de voorwaarden» vervangen door «een bijzondere voorwaarde».
2. In het vierde lid, wordt «2.5.33, eerste lid, onderdeel c» vervangen door «2.5.33,
eerste lid, onderdeel b».
P
In artikel 2.5.35, eerste lid, wordt «indien deze de voorwaarden niet naleeft» vervangen
door «indien naar het oordeel van het openbaar ministerie een ernstig vermoeden bestaat
dat de verdachte een voorwaarde niet naleeft of niet heeft nageleefd».
Q
In artikel 2.5.37, tweede lid, wordt «zijn verhoor» vervangen door «het horen» en
wordt «het verhoor» vervangen door «het horen».
R
In artikel 2.5.49, derde lid, wordt «artikel 38, eerste lid» vervangen door «artikel 38,
tweede lid».
S
In artikel 2.5.53, derde lid, wordt «artikel 38, eerste lid» vervangen door «artikel 38,
tweede lid».
T
In artikel 2.5.62, tweede lid, wordt «de betekening» vervangen door «de tenuitvoerlegging».
U
Aan artikel 2.6.2 wordt een zin toegevoegd, luidende: Het voorgaande geldt niet als
toepassing wordt gegeven aan de artikelen 2.6.13, derde lid, 2.6.15, tweede lid, 2.6.17,
vijfde lid en 2.6.20, vierde lid.
V
Artikel 2.6.3 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid komt te luiden:
1. Een onderzoek als bedoeld in dit hoofdstuk kan alleen met toestemming van de betrokkene
worden verricht indien hij voorafgaand aan het geven van zijn toestemming op het doel
van het onderzoek en op de gevolgen van het geven van toestemming is gewezen. De vorige
zin is niet van toepassing indien met toestemming van de betrokkene een onderzoek
als bedoeld in de artikelen 2.6.6, eerste en vijfde lid, 2.6.7, 2.6.12 en 2.6.15,
eerste lid, onderdeel d, wordt verricht.
2. Onder vernummering van het tweede tot en met vierde lid tot het vijfde tot en met
zevende lid, worden drie leden ingevoegd, luidende:
2. De toestemming voor een onderzoek als bedoeld in de artikelen 2.6.6, derde lid, 2.6.8,
2.6.13, 2.6.14, 2.6.16, 2.6.17, 2.6.18, 2.6.20 en 2.6.21 wordt vooraf, afzonderlijk
vastgelegd.
3. Het geven van toestemming vindt plaats door de ouder indien de betrokkene ten tijde
van het onderzoek nog niet de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt. Ingeval de betrokkene
slachtoffer is van een strafbaar feit en de ouder niet tijdig kan worden bereikt of
wordt vermoed niet in het belang van het kind te handelen, kan het onderzoek op bevel
van de officier van justitie worden verricht indien het belang van het onderzoek dit
dringend vereist. De officier van justitie behoeft voor het geven van dit bevel een
door de rechter-commissaris verleende machtiging. In dat geval treedt de kinderrechter
op als rechter-commissaris.
4. Indien de betrokkene de leeftijd van twaalf jaar maar nog niet die van achttien jaar
heeft bereikt, stelt de functionaris die toestemming vraagt de ouder zoveel mogelijk
in de gelegenheid zijn mening over de wenselijkheid van het onderzoek kenbaar te maken.
3. Het vijfde lid (nieuw) komt te luiden:
5. Voor een onderzoek als bedoeld in de artikelen 2.6.6, derde lid, 2.6.8, 2.6.13, 2.6.14,
2.6.16, 2.6.17, 2.6.18, 2.6.20 en 2.6.21 kan alleen toestemming worden gevraagd door
of op verzoek van de functionaris die bevoegd is om het bevel tot dat onderzoek te
geven.
4. Het zevende lid (nieuw) komt te luiden:
7. Op een onderzoek dat met toestemming van de betrokkene wordt verricht, zijn de regels
die bij of krachtens algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 2.6.5, eerste
en tweede lid, zijn gesteld, van overeenkomstige toepassing. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen over de toestemming nadere regels worden gesteld.
W
In artikel 2.6.4, onderdeel a, wordt «247, 248a, 248b, 249,» vervangen door «241,
eerste lid, 245, eerste lid,».
X
Na artikel 2.6.4 wordt een afdeling ingevoegd, luidende:
AFDELING 6.1.3A ONDERZOEK BIJ BEWUSTELOOSHEID
Artikel 2.6.4a
1. Indien is voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor het uitoefenen van een bevoegdheid
tot het doen van een onderzoek als bedoeld in dit hoofdstuk en het belang van het
onderzoek dit dringend vereist, kan dat onderzoek worden verricht bij de betrokkene
die bewusteloos is.
2. Indien een onderzoek als bedoeld in dit hoofdstuk alleen met toestemming van de betrokkene
kan worden verricht, kan dit niet bij de betrokkene worden verricht die bewusteloos
is, tenzij het belang van het onderzoek dit dringend vereist, de betrokkene slachtoffer
is van een strafbaar feit en er geen concrete aanwijzingen zijn dat het slachtoffer
geen vervolging wenst. De officier van justitie kan in dat geval bevelen dat een onderzoek
als bedoeld in dit hoofdstuk wordt verricht. Een bevel tot het verrichten van een
onderzoek als bedoeld in de artikelen 2.6.8, 2.6.14, 2.6.17, 2.6.18 en 2.6.20 kan
in dat geval alleen worden gegeven na een daartoe door de rechter-commissaris verleende
machtiging.
3. Indien het slachtoffer de leeftijd van twaalf jaar nog niet heeft bereikt, is het
tweede lid niet van toepassing, maar geldt artikel 2.6.3, derde lid. Indien het slachtoffer
de leeftijd van twaalf jaar maar nog niet die van achttien jaar heeft bereikt, is
artikel 2.6.3, vierde lid, van overeenkomstige toepassing.
4. De betrokkene wordt van het onderzoek in kennis gesteld, zodra dat mogelijk is en
het belang van het onderzoek dat toelaat.
Y
Artikel 2.6.5 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid komt te luiden:
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over het verrichten
van een onderzoek als bedoeld in de Titels 6.2 tot en met 6.6, alsmede over het verwerken
van de resultaten daarvan, met uitzondering van het onderzoek, bedoeld in artikel 2.6.12,
en kunnen regels worden gesteld over het doorberekenen van de kosten van tegenonderzoek
aan de verdachte.
2. In het derde lid wordt «het lichaams- of celmateriaal» vervangen door «het lichaamsmateriaal».
Z
Artikel 2.6.6 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid komt te luiden:
1. De opsporingsambtenaar kan de verdachte die is aangehouden, aan zijn kleding onderzoeken
en de voorwerpen onderzoeken die hij met zich voert. De opsporingsambtenaar kan dit
onderzoek ook verrichten ter vaststelling van de identiteit van de verdachte die is
staande gehouden.
2. Aan het tweede lid wordt een zin toegevoegd, luidende: Het onderzoek kan worden verricht
met behulp van een technisch hulpmiddel, voor zover het gebruik van dat hulpmiddel
geen risico’s voor de gezondheid kan opleveren.
3. In het vijfde lid vervalt «ter inbeslagneming van voorwerpen of ter veiligstelling
van sporen van het strafbare feit».
4. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
6. De opsporingsambtenaar kan maatregelen nemen die redelijkerwijs nodig zijn om het
wegmaken, onbruikbaar maken, onklaar maken of beschadigen van voor inbeslagneming
vatbare voorwerpen of van sporen van het strafbare feit te voorkomen.
AA
Artikel 2.6.7 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid komt te luiden:
1. De officier van justitie of de hulpofficier van justitie kan bevelen dat de opsporingsambtenaar
de verdachte die is aangehouden, aan zijn lichaam onderzoekt.
2. In het tweede lid wordt na «het uitwendig schouwen» ingevoegd «en onderzoeken» en
wordt aan het slot een zin toegevoegd, luidende: Het onderzoek kan worden verricht
met behulp van een technisch hulpmiddel, voor zover het gebruik van dat hulpmiddel
geen risico’s voor de gezondheid kan opleveren.
3. In het vierde lid vervalt «ter vaststelling van de aanwezigheid van lichamelijke
kenmerken, ter inbeslagneming van voorwerpen of ter veiligstelling van sporen van
het strafbare feit».
4. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
5. Artikel 2.6.6, zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.
BB
Artikel 2.6.8 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid vervalt «ter inbeslagneming van voorwerpen of ter veiligstelling
van sporen van het strafbare feit».
2. In het tweede lid wordt «en dat onderzoek niet met een technisch hulpmiddel wordt
verricht waarbij röntgenstralen worden gebruikt als gevolg waarvan dat onderzoek risico’s
voor de gezondheid kan opleveren» vervangen door «, voor zover daarbij geen hulpmiddel
wordt gebruikt dat risico’s voor de gezondheid kan opleveren».
3. In het vierde lid wordt «dat onderzoek uitwijst» vervangen door «aanwijzingen bestaan».
4. Er wordt een lid toegevoegde, luidende:
5. Artikel 2.6.6, zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.
CC
Artikel 2.6.9 wordt als volgt gewijzigd:
1. Aan het vijfde lid wordt een zin toegevoegd, luidende:
Van de verkrijging op andere wijze wordt de verdachte in kennis gesteld.
2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
6. De gezichtsopnamen en vingerafdrukken, bedoeld in het eerste tot en met derde lid,
kunnen ook worden verwerkt voor het voorkomen, opsporen, vervolgen en berechten van
strafbare feiten en het vaststellen van de identiteit van een overleden persoon.
DD
Artikel 2.6.11, derde lid, wordt als volgt gewijzigd:
1. In de eerste zin wordt «verpleegkundige» vervangen door «door een bij algemene maatregel
van bestuur aangewezen medisch deskundige».
2. In de tweede zin wordt «de verpleegkundige» vervangen door «de medisch deskundige».
EE
Afdeling 6.5.3 komt te luiden:
AFDELING 6.5.3 HET NEMEN VAN MATEN, HET MAKEN VAN OPNAMEN, HET NEMEN VAN LICHAAMSAFDRUKKEN
EN HET AFNEMEN VAN LICHAAMSMATERIAAL
Artikel 2.6.12
1. In geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf
van vier jaar of meer is gesteld, kan de officier van justitie of de hulpofficier
van justitie bevelen dat de opsporingsambtenaar:
a. de maten van de verdachte opneemt;
b. beeld- of geluidsopnamen van de verdachte maakt.
2. Indien daarvoor naar het oordeel van de officier van justitie zwaarwegende redenen
zijn, kan hij bevelen dat de opnamen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, buiten
medeweten van de verdachte worden gemaakt.
3. Indien toepassing is gegeven aan het tweede lid, wordt de verdachte daarvan in kennis
gesteld zodra het belang van het onderzoek dat toelaat.
Artikel 2.6.13
1. In geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf
van vier jaar of meer is gesteld, kan de officier van justitie of de hulpofficier
van justitie bevelen dat afdrukken worden genomen van delen van het lichaam van de
verdachte.
2. Het bevel wordt uitgevoerd door een opsporingsambtenaar met uitzondering van het
nemen van een afdruk van het gebit van de verdachte. In dat geval wordt het bevel
uitgevoerd door een tandarts. Zo nodig kan de tandarts daarbij de hulp van een opsporingsambtenaar
inroepen.
3. Onderzoek van afdrukken van handpalmen of vingers vindt plaats met afdrukken die
overeenkomstig het eerste lid zijn genomen. Indien daarvoor naar het oordeel van de
officier van justitie zwaarwegende redenen zijn, kan hij bevelen dat het onderzoek
wordt verricht met afdrukken die op andere wijze zijn verkregen, mits voldoende zekerheid
bestaat dat die afdrukken van de verdachte afkomstig zijn.
4. Indien toepassing is gegeven aan het derde lid, wordt de verdachte daarvan in kennis
gesteld zodra het belang van het onderzoek dat toelaat.
Artikel 2.6.14
1. In geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf
van vier jaar of meer is gesteld, kan de officier van justitie bevelen dat van de
verdachte ten behoeve van daaraan te verrichten onderzoek lichaamsmateriaal wordt
afgenomen.
2. Indien het af te nemen lichaamsmateriaal bloed is, behoeft de officier van justitie
voor het geven van het bevel een door de rechter-commissaris verleende machtiging.
3. Het bevel wordt uitgevoerd door een arts of door een bij algemene maatregel van bestuur
aangewezen medisch deskundige. Zo nodig kan de arts of de medisch deskundige daarbij
de hulp van een opsporingsambtenaar inroepen. Het bevel kan in de bij algemene maatregel
van bestuur bepaalde gevallen door een opsporingsambtenaar worden uitgevoerd.
FF
Afdeling 6.5.4 komt te luiden:
AFDELING 6.5.4 ONDERZOEK TEN AANZIEN VAN FYSIEKE EIGENSCHAPPEN
Artikel 2.6.15
1. In geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf
van vier jaar of meer is gesteld, kan de officier van justitie of de hulpofficier
van justitie de verdachte bevelen:
a. een tekst op te schrijven of uit te spreken;
b. een bepaalde lichaamshouding aan te nemen of zich op een bepaalde wijze te bewegen;
c. bepaalde kleding, schoenen of attributen te dragen;
d. zijn medewerking te verlenen aan een confrontatie met een getuige;
e. andere, vergelijkbare, gedragingen te verrichten.
2. Indien daarvoor naar het oordeel van de officier van justitie zwaarwegende redenen
zijn, kan hij bevelen dat de verdachte ertoe wordt gebracht de in het eerste lid bedoelde
gedragingen te verrichten zonder dat de verdachte weet dat het doel daarvan het aan
het licht brengen van de waarheid is.
3. Indien toepassing is gegeven aan het tweede lid, wordt de verdachte daarvan in kennis
gesteld zodra het belang van het onderzoek dat toelaat.
Artikel 2.6.16
In geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf
van vier jaar of meer is gesteld, kan de officier van justitie bevelen dat van de
verdachte zijn hoofdhaar, snor of baard wordt afgeschoren of afgeknipt of dat hij
zijn hoofdhaar, snor of baard laat groeien.
GG
Afdeling 6.5.5 vervalt, onder vernummering van de Afdelingen 6.5.6 en 6.5.7 tot de
Afdelingen 6.5.5 en 6.5.6.
HH
Artikel 2.6.17 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste, vierde en zevende lid wordt «celmateriaal» telkens vervangen door
«lichaamsmateriaal».
2. In het derde lid wordt «Celmateriaal» vervangen door «Lichaamsmateriaal».
3. Het vierde lid wordt als volgt gewijzigd:
a. In de eerste zin wordt «een verpleegkundige» vervangen door «een bij algemene maatregel
van bestuur aangewezen medisch deskundige».
b. In de tweede zin wordt «de verpleegkundige» vervangen door «de medisch deskundige».
4. Het vijfde en zesde lid komen te luiden:
5. Indien zich daarvoor naar het oordeel van de officier van justitie zwaarwegende redenen
voordoen, kan het in het eerste lid bedoelde DNA-onderzoek worden verricht aan lichaamsmateriaal
dat op andere wijze is verkregen, mits voldoende zekerheid bestaat dat dat lichaamsmateriaal
van de verdachte afkomstig is.
6. Indien toepassing is gegeven aan het vijfde lid, wordt de verdachte daarvan in kennis
gesteld zodra het belang van het onderzoek dat toelaat.
5. In het zevende lid wordt «de wijze, bedoeld in het vijfde lid, laatste zin,» vervangen
door «de wijze, bedoeld in het vijfde lid,».
6. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
8. DNA-profielen worden slechts verwerkt voor het voorkomen, opsporen, vervolgen en
berechten van strafbare feiten en het vaststellen van de identiteit van een overleden
persoon.
II
Artikel 2.6.18 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het vierde lid wordt «Celmateriaal» vervangen door «Lichaamsmateriaal» en wordt
«celmateriaal» vervangen door «lichaamsmateriaal».
2. Het vijfde lid komt te luiden:
5. De officier van justitie kan, na een daartoe verleende machtiging van de rechter-commissaris,
bevelen dat van een minderjarig slachtoffer van een misdrijf als omschreven in de
artikelen 197a, 241, 243, 245 tot en met 250, 256, 273f, 278, 287, 289, 290 en 291
van het Wetboek van Strafrecht of van het als gevolg van het misdrijf geboren kind
lichaamsmateriaal wordt afgenomen ten behoeve van een DNA-onderzoek dat gericht is
op het vaststellen van verwantschap.
3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
6. Artikel 2.6.17, vierde en achtste lid, is van overeenkomstige toepassing.
JJ
In artikel 2.6.19, eerste lid, wordt «celmateriaal» vervangen door «lichaamsmateriaal»
en wordt na «waarvan wordt vermoed dat die afkomstig zijn van de dader van het misdrijf»
ingevoegd «of het slachtoffer van wie de identiteit onbekend is».
KK
Artikel 2.6.20 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt «celmateriaal» telkens vervangen door «lichaamsmateriaal».
2. Het derde, vierde en vijfde lid komen te luiden:
3. Een arts of een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen medisch deskundige
neemt het lichaamsmateriaal af. Zo nodig kan de arts of de medisch deskundige daarbij
de hulp van een opsporingsambtenaar inroepen.
4. Indien zich daarvoor naar het oordeel van de officier van justitie zwaarwegende redenen
voordoen, kan het in het eerste lid bedoelde onderzoek worden verricht aan lichaamsmateriaal
dat op andere wijze is verkregen, mits voldoende zekerheid bestaat dat dat lichaamsmateriaal
van de verdachte afkomstig is. De officier van justitie stelt de verdachte in kennis
van de verkrijging van het lichaamsmateriaal zodra het belang van het onderzoek dat
toelaat.
5. De officier van justitie stelt degene wiens lichaamsmateriaal is onderzocht en het
slachtoffer zo spoedig mogelijk in kennis van de uitslag van het onderzoek, bedoeld
in het eerste en vierde lid. Hij stelt de betrokkene alleen in kennis van de uitslag,
indien die daar om heeft verzocht.
LL
In de artikelen 2.6.21 en 2.6.22 wordt «celmateriaal» telkens vervangen door «lichaamsmateriaal».
MM
Artikel 2.6.24 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid komt te luiden:
1. De officier van justitie kan bevelen dat aan een inbeslaggenomen lichaam van een
overleden verdachte of slachtoffer of aan een inbeslaggenomen lichaamsdeel van een
overleden verdachte of slachtoffer een sectie of een ander onderzoek wordt verricht,
waaronder begrepen een onderzoek als bedoeld in de Titels 6.2 tot en met 6.5.
2. In het tweede lid wordt na «een sectie of een» ingevoegd «ander» en wordt «het onderlichaam»
vervangen door «het lichaam».
NN
In artikel 2.7.9, tweede lid, wordt «97a tot en met 98c, 240, 240a, 240b, 248a, 250»
vervangen door «97a tot en met 98d, 151d, 151e, 245 tot en met 250, 252».
OO
Artikel 2.7.16, zevende lid, komt te luiden:
7. Indien van de inhoud van een inbeslaggenomen brief is kennisgenomen met toepassing
van het vierde lid en het beslag wordt beëindigd, zendt de officier van justitie de
brief direct door naar de geadresseerde. De geadresseerde wordt van de kennisneming
van de inhoud van de brief in kennis gesteld, tenzij het belang van het onderzoek
zich daartegen verzet.
PP
In artikel 2.7.20, aanhef, wordt «direct» vervangen door «zo spoedig mogelijk».
Artikel 2.7.24, tweede lid, komt te luiden:
2. Het beslag op voorwerpen die sporen van het strafbare feit dragen, blijft gehandhaafd
in de gevallen aangewezen bij algemene maatregel van bestuur en voor de in die algemene
maatregel van bestuur bepaalde termijn. De voorwerpen worden na afloop van deze termijn
vernietigd. De bij of krachtens dit wetboek gestelde voorschriften die voorzien in
de beëindiging van het beslag op inbeslaggenomen voorwerpen of in de beëindiging van
de bewaring ervan, zijn niet van toepassing.
RR
In artikel 2.7.27, tweede lid, wordt «de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet» vervangen
door «de artikelen 2, 2a of 3 van de Opiumwet».
SS
De artikelen 2.7.31, zevende lid, en 2.7.32, derde lid, vervallen.
TT
In artikel 2.7.36, eerste lid, wordt «een bevel als bedoeld in artikel 2.7.43, eerste
lid, of een bevel als bedoeld in Afdeling 7.3.3» vervangen door «een bevel als bedoeld
in artikel 2.7.43, eerste lid, een bevel als bedoeld in Afdeling 7.3.3, of een bevel
als bedoeld in artikel 2.7.57, eerste lid,».
UU
Artikel 2.7.56, eerste lid, komt te luiden:
1. Indien bij een onderzoek van gegevens als bedoeld in Titel 7.3 in een digitale-gegevensdrager
of in een geautomatiseerd werk gegevens worden aangetroffen met betrekking tot welke
of met behulp waarvan het strafbare feit is begaan, kan de officier van justitie bevelen
dat een opsporingsambtenaar die gegevens ontoegankelijk maakt, voor zover dit noodzakelijk
is ter beëindiging van het strafbare feit of ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten.
Aangetroffen gegevens die van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit ervan
in strijd is met de wet of het algemeen belang, kunnen eveneens ontoegankelijk worden
gemaakt als dit noodzakelijk is ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten. In geval
van ingrijpend stelselmatig onderzoek van gegevens als bedoeld in artikel 2.7.38,
tweede lid, behoeft de officier van justitie ook voor het geven van dit bevel een
door de rechter-commissaris verleende machtiging.
VV
In artikel 2.7.69, eerste lid, wordt «artikelen 2.10.2 tot en met 2.10.4» vervangen
door «artikelen 2.10.1 tot en met 2.10.4».
WW
Aan artikel 2.8.2 wordt een lid toegevoegd, luidende:
4. Indien geen processen-verbaal van de uitoefening van een van de in dit hoofdstuk
opgenomen bevoegdheden bij de processtukken zijn gevoegd, wordt er in de processtukken
melding van gemaakt dat deze bevoegdheid is uitgeoefend. De eerste zin is niet van
toepassing indien voeging van de melding op grond van artikel 1.8.3 achterwege wordt
gelaten.
XX
Aan artikel 2.8.14 wordt een lid toegevoegd, luidende:
3. De officier van justitie doet de gegevens die zijn verkregen door uitoefening van
de bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, vernietigen indien de gegevens niet worden
gebruikt voor de uitoefening van de bevoegdheden omschreven in de artikelen 2.7.47,
2.8.13 en 2.8.18. Artikel 2.1.21 is van overeenkomstige toepassing.
YY
Artikel 2.8.16 wordt als volgt gewijzigd:
1. Onderdeel e van het eerste lid komt te luiden:
e. de ontoegankelijkmaking van gegevens als omschreven in artikel 2.7.56, eerste lid,
die op de digitale-gegevensdrager of het geautomatiseerde werk zijn verwerkt. Artikel 2.7.56,
vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing. Artikel 11.7a van de Telecommunicatiewet
is niet van toepassing op handelingen ter uitvoering van een bevel als bedoeld in
de eerste zin.
2. In het tweede lid wordt «240b, eerste lid, 247, 248a, 248e,» vervangen door «241,
eerste lid, 245, eerste lid, 251, 252,».
ZZ
Artikel 2.8.17 komt te luiden:
Artikel 2.8.17
In geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf
van vier jaar of meer is gesteld en dat gezien zijn aard of de samenhang met andere
in verband met die verdenking begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde
oplevert, kan de officier van justitie, indien het belang van het onderzoek dit dringend
vereist en na een daartoe verleende machtiging van de rechter-commissaris, bevelen
dat een opsporingsambtenaar met gebruik van gegevens die in de rechtmatige uitoefening
van zijn bediening zijn verkregen, zich, op dezelfde wijze als de gebruiker dit pleegt
te doen, toegang verschaft tot een elders aanwezige digitale-gegevensdrager of tot
een elders aanwezig geautomatiseerd werk, met het oog op het overnemen van gegevens
die daarop zijn opgeslagen. Artikel 2.8.16, zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.
AAA
Artikel 2.10.52, tweede lid, komt te luiden:
2. Bij een vordering of verzoek tot benoeming van een deskundige kunnen een of meer
personen ter benoeming worden voorgedragen. Indien de voorgedragen persoon niet in
het register, bedoeld in artikel 1.7.2, is ingeschreven, geeft de officier van justitie
of de verdachte op waarom deze als deskundige moet worden aangemerkt, en, als een
of meer deskundigen op het terrein waarvoor een persoon ter benoeming wordt voorgedragen,
in het register zijn ingeschreven, waarom niet een in het register ingeschreven deskundige
wordt voorgedragen.
BBB
Artikel 2.10.54 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid komt te luiden:
1. De rechter-commissaris kan:
a. de deskundige opdragen aanvullend onderzoek te doen; of
b. een nieuwe deskundige benoemen met een opdracht tot uitvoering van een aanvullend
onderzoek of een tegenonderzoek.
2. In het tweede lid komt de tweede zin te luiden: In het belang van het onderzoek of
de bescherming van de persoonlijke levenssfeer kan de rechter-commissaris, na de officier
van justitie te hebben gehoord, ambtshalve of op vordering van de officier van justitie
bepalen dat kennisneming geheel of gedeeltelijk niet wordt toegestaan, dan wel dat
van bepaalde stukken of gedeelten daarvan alleen inzage wordt verleend.
3. In het derde lid wordt «Het nieuwe onderzoek» vervangen door «Een tegenonderzoek».
CCC
Artikel 2.10.55, eerste lid, komt te luiden:
1. De nieuwe deskundige die een aanvullend onderzoek verricht, krijgt voor zover dat
voor het uitvoeren van het onderzoek nodig is toegang tot het onderzoeksmateriaal
en kan kennisnemen van het eerste onderzoek. De nieuwe deskundige die een tegenonderzoek
verricht, krijgt toegang tot het onderzoeksmateriaal dat hij nodig heeft voor het
uitvoeren van het onderzoek.
DDD
In artikel 2.10.57, eerste lid, wordt «de artikelen 1.6.5 en 1.6.6 tot en met 1.6.9»
vervangen door «de artikelen 1.6.5 tot en met 1.6.9».
ARTIKEL III
Boek 3 van het Wetboek van Strafvordering wordt als volgt gewijzigd:
A
In artikel 3.1.1, vierde lid, wordt «245, 247, 248a, 248d of 248e» vervangen door
«245 tot en met 248 en 251».
B
Na artikel 3.1.1 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:
Artikel 3.1.1a
1. De officier van justitie en de verdachte kunnen procesafspraken maken met inachtneming
van artikel 4.2.26b.
2. Procesafspraken kunnen alleen worden gemaakt indien naar het oordeel van de officier
van justitie buiten redelijke twijfel staat dat elk van de feiten waarop de tenlastelegging
betrekking heeft door de verdachte is begaan, en hij van oordeel is dat die feiten
strafbaar zijn en de verdachte vanwege die feiten strafbaar is. Ten aanzien van de
feiten die op grond van procesafspraken niet worden tenlastegelegd, moet naar het
oordeel van de officier van justitie voldoende aanwijzing van schuld van de verdachte
aan die feiten aanwezig zijn.
3. Het slachtoffer wiens of de benadeelde partij wier belangen daardoor worden geraakt,
kan schriftelijk een standpunt kenbaar maken over het voornemen tot het maken van
procesafspraken en de inhoud van de procesafspraken. In dat geval wordt dat stuk bij
de processtukken gevoegd.
4. De procesafspraken en eventuele andere relevante afspraken worden schriftelijk vastgelegd
en ondertekend door de officier van justitie en de verdachte en diens raadsman. De
afspraken worden bij de processtukken gevoegd.
Artikel 3.1.1b
Indien een feit op grond van procesafspraken niet is tenlastegelegd en de rechtbank
de procesafspraken heeft toegelaten, kan de verdachte niet worden vervolgd voor hetzelfde
feit.
C
Artikel 3.3.1 komt te luiden:
Artikel 3.3.1
1. De officier van justitie kan, indien buiten redelijke twijfel staat dat de verdachte
een feit heeft begaan, het feit een overtreding betreft of een misdrijf waarop naar
de wettelijke omschrijving gevangenisstraf is gesteld van niet meer dan zes jaar en
hij de verdachte vanwege dat feit strafbaar acht, een strafbeschikking uitvaardigen.
2. De volgende straffen en maatregelen kunnen worden opgelegd:
a. een taakstraf van ten hoogste honderdtachtig uur;
b. een geldboete;
c. verbeurdverklaring van inbeslaggenomen voorwerpen;
d. onttrekking aan het verkeer;
e. vernietiging van ontoegankelijk gemaakte gegevens;
f. de verplichting tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ten behoeve van het slachtoffer;
g. ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor ten hoogste
zes maanden.
D
Na artikel 3.3.1 worden vier artikelen ingevoegd, luidende:
Artikel 3.3.1a
1. Indien de officier van justitie in de strafbeschikking een taakstraf, een geldboete
of een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen oplegt, kan hij in
de strafbeschikking bepalen dat deze straf of een gedeelte daarvan niet zal worden
tenuitvoergelegd.
2. De officier van justitie stelt daarbij een proeftijd vast van ten hoogste een jaar.
3. De proeftijd gaat in op de dag waarop de strafbeschikking onherroepelijk is geworden.
4. De proeftijd loopt niet gedurende de tijd dat de verdachte rechtens zijn vrijheid
is ontnomen.
Artikel 3.3.1b
1. Toepassing van artikel 3.3.1a vindt plaats onder de algemene voorwaarde dat de verdachte
zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
2. Bij toepassing van artikel 3.3.1a kunnen de volgende bijzondere voorwaarden worden
gesteld waaraan de verdachte gedurende de proeftijd, of een bij de strafbeschikking
te bepalen gedeelte daarvan, dan wel binnen een bij de strafbeschikking te bepalen
termijn, ten hoogste gelijk aan de proeftijd, moet voldoen:
a. een verbod direct of indirect contact te hebben of te zoeken met bepaalde personen
of instellingen, dat ook kan inhouden een verbod zich binnen een bepaalde afstand
van bepaalde personen te bevinden;
b. een verbod zich te bevinden in een bepaald gebied;
c. een verplichting op bepaalde tijdstippen of gedurende een bepaalde periode op een
bepaalde locatie aanwezig te zijn;
d. een verplichting zich op bepaalde tijdstippen te melden bij een bepaalde instantie;
e. een verbod op het gebruik van alcohol of middelen als bedoeld in lijst I, lijst IA
of lijst II van de Opiumwet en de verplichting ten behoeve van de naleving van dit
verbod mee te werken aan een speekseltest, ademonderzoek, bloedonderzoek of urineonderzoek;
f. een verplichting zich onder behandeling te stellen van een zorgaanbieder;
g. een verplichting tot het deelnemen aan een gedragsinterventie;
h. een verplichting zich in te spannen voor het vinden en behouden van een dagbesteding;
i. een verbod vrijwilligerswerk van een bepaalde aard te verrichten;
j. gehele of gedeeltelijke vergoeding van de door het strafbare feit veroorzaakte schade;
k. geheel of gedeeltelijk herstel van de door het strafbare feit veroorzaakte schade;
l. storting van een vast te stellen waarborgsom, ten hoogste gelijk aan het verschil
tussen het maximum van de geldboete die voor het feit kan worden opgelegd en de opgelegde
boete;
m. storting van een vast te stellen geldbedrag in het schadefonds geweldsmisdrijven of
ten gunste van een instelling die zich ten doel stelt belangen van slachtoffers van
strafbare feiten te behartigen, waarbij het bedrag niet hoger kan zijn dan de geldboete
die ten hoogste voor het feit kan worden opgelegd.
n. naleving van aanwijzingen in het kader van gedragstoezicht gericht op compliancebeleid.
3. Indien een bijzondere voorwaarde is gesteld, kan de officier van justitie een reclasseringsinstelling
opdracht geven toezicht te houden op de naleving van de bijzondere voorwaarden en
de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. In dat geval wordt de veroordeelde
gewezen op de van rechtswege geldende voorwaarden, bedoeld in artikel 7.2.1, vierde
lid. Indien vanwege de aard van een gestelde bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht
niet aangewezen is, kan de officier van justitie een andere instelling of persoon
als bedoeld in artikel 7.2.1, derde lid, opdracht geven toezicht te houden.
Artikel 3.3.1c
Bij het opleggen van een taakstraf geldt als voorwaarde dat de verdachte ten behoeve
van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een
of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet
op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.
Artikel 3.3.1d
1. De strafbeschikking vermeldt:
a. de naam van de verdachte en het van hem bekende adres;
b. een opgave van het feit als bedoeld in artikel 4.1.1, derde lid, onderdeel a, dan
wel een korte omschrijving van de gedraging ter zake waarvan de strafbeschikking wordt
uitgevaardigd, alsmede de tijd waarop en de plaats waar deze gedraging werd verricht;
c. het strafbare feit dat deze gedraging oplevert;
d. de opgelegde straffen en maatregelen;
e. de niet-tenuitvoerlegging van de straf of van een deel daarvan, de daarbij behorende
proeftijd en de daarbij gestelde voorwaarde of voorwaarden;
f. de dag waarop de strafbeschikking is uitgevaardigd;
g. de wijze waarop, de termijn waarbinnen en het parket waarbij verzet kan worden ingesteld;
h. dat na vrijwillige voldoening geen verzet meer kan worden ingesteld en dat een gedane
afstand niet kan worden herroepen;
i. de wijze van tenuitvoerlegging.
2. Indien blijkt dat de verdachte de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst en
de strafbeschikking is uitgevaardigd wegens een misdrijf, wordt de strafbeschikking
of in ieder geval de in het eerste lid bedoelde onderdelen daarvan vertaald in een
voor de verdachte begrijpelijke taal. De verdachte die de Nederlandse taal niet of
onvoldoende beheerst, kan verzoeken dat de strafbeschikking in een voor hem begrijpelijke
taal wordt vertaald.
E
Artikel 3.3.4 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid komt de eerste zin te luiden: Een strafbeschikking houdende een
taakstraf of een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, dan wel
een bijzondere voorwaarde, wordt slechts uitgevaardigd indien de verdachte door de
officier van justitie is gehoord en daarbij heeft verklaard bereid te zijn de straf
te voldoen dan wel zich aan de bijzondere voorwaarde te houden.
2. Het tweede lid komt te luiden:
2. Een strafbeschikking waarin een geldboete of een schadevergoedingsmaatregel wordt
opgelegd of waarin inbeslaggenomen voorwerpen worden verbeurdverklaard, wordt, indien
het daarmee afzonderlijk of gezamenlijk gemoeide bedrag meer beloopt dan € 2.000,
alleen uitgevaardigd indien de verdachte, bijgestaan door een raadsman, daaraan voorafgaand
is gehoord door de officier van justitie die de strafbeschikking uitvaardigt.
3. Het vijfde lid komt te luiden:
5. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over het opleggen
van straffen en maatregelen en het stellen van bijzondere voorwaarden in een strafbeschikking.
F
Artikel 3.3.5 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het tweede lid komt te luiden:
2. Indien in een strafbeschikking een geldboete of een schadevergoedingsmaatregel wordt
opgelegd of inbeslaggenomen voorwerpen worden verbeurdverklaard en het daarmee afzonderlijk
of gezamenlijk gemoeide bedrag meer beloopt dan € 2.000, vindt toezending plaats langs
elektronische weg, door plaatsing van een bericht in de elektronische voorziening
onder notificatie aan de verdachte, of bij aangetekende brief.
2. Het vierde lid komt te luiden:
4. Indien aan de officier van justitie een verzoek als bedoeld in artikel 1.5.4 is gedaan,
wordt door Onze Minister aan het slachtoffer een kopie van de strafbeschikking toegezonden.
Verder wordt door Onze Minister een kopie toegezonden aan de rechtstreeks belanghebbende
die de officier van justitie bekend is.
G
Artikel 3.3.6 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid komt te luiden:
1. De officier van justitie kan een strafbeschikking intrekken of wijzigen. Een onherroepelijke
strafbeschikking kan uitsluitend met toepassing van Boek 7, Titel 2.3, in het nadeel
van de veroordeelde worden gewijzigd.
2. Het derde lid vervalt, onder vernummering van het vierde lid tot het derde lid.
H
Artikel 3.4.1 komt te luiden:
Artikel 3.4.1
1. De officier van justitie kan, indien naar zijn oordeel een bewijsbaar en strafbaar
feit is begaan en de verdachte vanwege dat feit strafbaar is, afzien van vervolging
onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd
niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
2. De officier van justitie stelt daarbij een proeftijd vast van ten hoogste een jaar.
De proeftijd gaat in op de dag na de dagtekening van de kennisgeving van niet-vervolging.
De proeftijd loopt niet gedurende de tijd dat de verdachte rechtens zijn vrijheid
is ontnomen.
3. Indien naar het oordeel van de officier van justitie een ernstig vermoeden bestaat
dat de verdachte de algemene voorwaarde niet naleeft of niet heeft nageleefd, beslist
de officier van justitie over het instellen van vervolging.
I
Boek 3, Titel 4.2, komt te luiden:
TITEL 4.2 DE TRANSACTIE
AFDELING 4.2.1 ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 3.4.4
1. De officier van justitie kan voor de aanvang van de terechtzitting een transactieaanbod
doen waarin een of meer voorwaarden worden gesteld ter voorkoming van vervolging voor
een feit, indien hij van oordeel is dat:
a. het feit een overtreding betreft of een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving
gevangenisstraf is gesteld van niet meer dan zes jaar;
b. het feit bewijsbaar en strafbaar is alsmede de verdachte vanwege dat feit strafbaar
is; en
c. de verdachte de bewijsbaarheid en strafbaarheid van het feit alsmede zijn strafbaarheid
vanwege dat feit niet betwist.
2. Een transactieaanbod kan alleen worden gedaan:
a. aan een rechtspersoon als bedoeld in artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht die
ervan wordt verdacht een strafbaar feit te hebben begaan, of aan een persoon die ervan
wordt verdacht opdracht te hebben gegeven tot of feitelijke leiding te hebben gegeven
aan de verboden gedraging als bedoeld in artikel 51, tweede lid, van dat wetboek of
aan een persoon die ervan wordt verdacht anderszins aan die verboden gedraging te
hebben deelgenomen in de zin van artikel 47 of 48 van dat wetboek; of
b. in gevallen waarin bijzondere omstandigheden die in verband staan met de aard van
de transactie naar het oordeel van de officier van justitie tot een transactieaanbod
moeten leiden in plaats van tot het uitvaardigen van een strafbeschikking en het geldbedrag,
bedoeld in artikel 3.4.6, eerste lid, onderdeel a, niet meer dan € 20.000 bedraagt.
Artikel 3.4.5
1. In de volgende gevallen is voor het doen van een transactieaanbod aan een rechtspersoon
of aan een natuurlijke persoon als bedoeld in artikel 3.4.4, tweede lid, onderdeel a,
vereist dat het gerechtshof hiertoe verlof heeft verleend:
a. in geval van een transactieaanbod waarbij het geldbedrag, bedoeld in artikel 3.4.6,
eerste lid, onderdeel a, een bedrag van € 200.000 of meer bedraagt, dan wel het totale
bedrag dat is gemoeid met de transactie een bedrag van € 1.000.000 of meer bedraagt;
b. in geval van een transactieaanbod ter zake van verdenking van deelneming aan een of
meer strafbare feiten waarop het transactieaanbod in het onderdeel a bedoelde geval
betrekking heeft.
2. Buiten de gevallen, bedoeld in het eerste lid, wordt een transactieaanbod in de zin
van artikel 3.4.4, tweede lid, waarbij het totale bedrag dat is gemoeid met het transactieaanbod
een bedrag van meer dan € 2.000 bedraagt, slechts gedaan indien de verdachte wordt
bijgestaan door een raadsman.
Artikel 3.4.6
1. De volgende voorwaarden kunnen worden gesteld:
a. betaling aan de Staat van een geldbedrag, van ten minste € 3 en ten hoogste het maximum
van de geldboete die voor het strafbare feit kan worden opgelegd;
b. afstand van voorwerpen die zijn inbeslaggenomen en vatbaar zijn voor verbeurdverklaring
of onttrekking aan het verkeer;
c. uitlevering, of voldoening aan de Staat van de geschatte waarde, van voorwerpen die
vatbaar zijn voor verbeurdverklaring;
d. voldoening aan de Staat van een geldbedrag of afstand van inbeslaggenomen voorwerpen
ter gehele of gedeeltelijke ontneming van het ingevolge artikel 36e van het Wetboek
van Strafrecht voor ontneming vatbare wederrechtelijk verkregen voordeel;
e. gehele of gedeeltelijke vergoeding van de door het strafbare feit veroorzaakte schade;
f. storting van een vast te stellen geldbedrag in het schadefonds geweldsmisdrijven of
ten gunste van een instelling die zich ten doel stelt belangen van slachtoffers van
strafbare feiten te behartigen, waarbij het bedrag niet hoger kan zijn dan de geldboete
die ten hoogste voor het strafbare feit kan worden opgelegd;
g. het verrichten van onbetaalde arbeid of het volgen van een leerproject gedurende ten
hoogste honderdtwintig uur;
h. naleving van aanwijzingen in het kader van gedragstoezicht gericht op compliancebeleid.
2. Bij het stellen van de voorwaarde, bedoeld in het eerste lid, onderdeel g, geldt
als voorwaarde dat de verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit
medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs
als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.
3. De officier van justitie bepaalt een termijn waarbinnen aan de desbetreffende voorwaarde
moet worden voldaan. De termijn bedraagt ten hoogste drie jaar. Deze kan met betrekking
tot de in het eerste lid, onderdeel h, bedoelde voorwaarde door de officier van justitie
met ten hoogste twee jaar worden verlengd.
4. Op de in het eerste lid, onderdeel g, bedoelde voorwaarde is het bepaalde bij of
krachtens de artikelen 22b, 22c, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht en de
artikelen 1.10.6, 7.6.1, tweede lid, 7.6.2 en 7.6.7 met betrekking tot taakstraffen,
van overeenkomstige toepassing. De onbetaalde arbeid of het leerproject wordt binnen
een termijn van negen maanden na instemming met de voorwaarde voltooid.
5. Indien de voorwaarde, bedoeld in het eerste lid, onderdeel h, is gesteld, kan de
officier van justitie een instelling of persoon als bedoeld in artikel 7.2.1, derde
lid, opdracht geven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarde. In dat geval
wordt de verdachte gewezen op de van rechtswege geldende voorwaarde, bedoeld in artikel 7.2.1,
vierde lid, onderdeel b.
Artikel 3.4.7
In geval van een transactieaanbod ter zake van een misdrijf geeft de officier van
justitie de rechtstreeks belanghebbende die hem bekend is direct kennis van de datum
waarop hij dat transactieaanbod heeft gedaan. Dit voorschrift is niet van toepassing
op een transactieaanbod dat op grond van artikel 3.4.5, eerste lid, uitsluitend kan
worden gedaan indien het gerechtshof daartoe verlof heeft verleend.
Artikel 3.4.8
1. De verdachte kan niet worden vervolgd voor hetzelfde feit wanneer hij voldoet aan
de voorwaarden die aan het transactieaanbod zijn verbonden, behalve in het geval dat
het gerechtshof een bevel geeft als bedoeld in artikel 3.5.10, vierde lid.
2. Indien naar het oordeel van de officier van justitie een ernstig vermoeden bestaat
dat de verdachte de gestelde voorwaarden niet naleeft of niet heeft nageleefd, beslist
de officier van justitie over het instellen van vervolging. De officier van justitie
brengt deze beslissing in geval van een misdrijf direct ter kennis aan de rechtstreeks
belanghebbende die hem bekend is.
3. Indien reeds geheel of ten dele is voldaan aan de voorwaarden die aan het transactieaanbod
zijn verbonden voordat een bevel wordt gegeven als bedoeld in het eerste lid of tot
het instellen van vervolging wordt beslist als bedoeld in het tweede lid, en een veroordeling
volgt, wordt bij het bepalen van de op te leggen straf of maatregel met die voldoening
rekening gehouden.
AFDELING 4.2.2 HET VERLENEN VAN RECHTERLIJK VERLOF VOOR EEN TRANSACTIEAANBOD
Artikel 3.4.9
1. De officier van justitie die een transactieaanbod als bedoeld in artikel 3.4.5, eerste
lid, wil doen hoort voorafgaand hieraan de verdachte onder bijstand van een raadsman.
2. Van het horen wordt een verslag opgemaakt dat blijk geeft van de zienswijze van de
verdachte.
3. Nadat de officier van justitie de verdachte heeft gehoord, formuleert hij een voorlopig
transactieaanbod. Hierbij houdt de officier van justitie rekening met de uitkomst
van het horen.
4. De officier van justitie legt het voorlopige transactieaanbod ter aanvaarding voor
aan de verdachte.
Artikel 3.4.10
1. Indien de verdachte een voorlopig transactieaanbod als bedoeld in artikel 3.4.9,
derde lid, aanvaardt, dient de officier van justitie een gemotiveerde vordering tot
het verlenen van verlof tot het doen van een transactieaanbod in bij de griffie van
het gerechtshof. De vordering wordt door de griffie gedagtekend op de dag van ontvangst.
2. Indien de vordering is ingediend door een officier van justitie bij een arrondissementsparket,
is het gerechtshof waaronder het arrondissement ressorteert, bevoegd te oordelen over
de vordering. Is de officier van justitie niet aangesteld bij een arrondissementsparket,
dan is het gerechtshof Den Haag bevoegd.
3. De officier van justitie geeft aan de rechtstreeks belanghebbende die hem bekend
is, direct kennis van de datum waarop hij die vordering heeft ingediend.
Artikel 3.4.11
1. De stukken die het openbaar ministerie aan het gerechtshof overlegt, omvatten in
ieder geval:
a. het feitenrelaas;
b. de verklaring van de verdachte dat hij de bewijsbaarheid en strafbaarheid van het
feit alsmede zijn strafbaarheid vanwege dat feit niet betwist, bedoeld in artikel 3.4.4,
eerste lid, onderdeel c;
c. het verslag van het horen van de verdachte, bedoeld in artikel 3.4.9, tweede lid;
d. de inhoud van het voorlopige transactieaanbod, bedoeld in artikel 3.4.9, derde lid.
2. Artikel 3.5.8, tweede tot en met vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 3.4.12
1. De behandeling van de vordering door het gerechtshof is niet openbaar.
2. De verdachte wordt gehoord, althans hiertoe opgeroepen, om hem in de gelegenheid
te stellen zijn zienswijze te geven over de vordering.
3. De rechtstreeks belanghebbende die bekend is wordt gehoord, althans hiertoe opgeroepen.
4. De verdachte en de rechtstreeks belanghebbende kunnen zich bij het horen doen bijstaan
door een raadsman of advocaat.
Artikel 3.4.13
Het gerechtshof kan de beslissing over de vordering voor bepaalde tijd aanhouden om
het openbaar ministerie in de gelegenheid te stellen het voorlopige transactieaanbod
te wijzigen. Alvorens daartoe te beslissen hoort het gerechtshof de advocaat-generaal
en de verdachte die op de zitting aanwezig is. Bij wijziging van het voorlopige transactieaanbod
wordt de verdachte voorafgaand hieraan in de gelegenheid gesteld zich daarover uit
te laten.
Artikel 3.4.14
1. Het gerechtshof beslist zo spoedig mogelijk en uiterlijk binnen drie maanden na indiening
van de vordering door de officier van justitie bij de griffie van het gerechtshof,
te rekenen vanaf de datum van indiening, tenzij het gerechtshof gebruik maakt van
de bevoegdheid als bedoeld in artikel 3.4.13.
2. Acht het gerechtshof zich onbevoegd dan verwijst het de zaak naar het gerechtshof
dat bevoegd is te oordelen over de vordering. De vordering wordt in dat geval geacht
rechtsgeldig te zijn ingediend.
3. Indien de vordering tot de kennisneming van het gerechtshof behoort, verleent het
gerechtshof het verlof als het van oordeel is dat:
a. is voldaan aan de wettelijke voorschriften voor het doen van een transactieaanbod,
en
b. de officier van justitie bij afweging van alle in aanmerking komende belangen in redelijkheid
tot het transactieaanbod heeft kunnen komen.
4. Indien het gerechtshof van oordeel is dat niet aan de in het derde lid genoemde voorwaarden
is voldaan, wijst het de vordering af.
Artikel 3.4.15
1. De beslissing over de vordering wordt uitgesproken op een openbare zitting van het
gerechtshof.
2. Het gerechtshof maakt de beslissing tot het verlenen van verlof openbaar.
Artikel 3.4.16
De officier van justitie kan na de afwijzing van zijn vordering ter zake van hetzelfde
feit, met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 3.4.9 en 3.4.10 eenmaal opnieuw
een vordering bij het gerechtshof indienen indien die vordering betrekking heeft op
een gewijzigd voorlopig transactieaanbod.
J
In artikel 3.5.1, tweede lid, wordt «betrokken opsporingsdienst» vervangen door «betrokken
opsporingsinstantie».
K
Artikel 3.5.3 wordt als volgt gewijzigd:
1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.
2. Er worden twee leden toegevoegd, luidende:
2. Beklag is evenmin toegelaten ter zake van een feit waarvoor het gerechtshof overeenkomstig
Afdeling 4.2.2 verlof heeft verleend tot het doen van het transactieaanbod, tenzij
de verdachte niet binnen of gedurende de daarvoor door de officier van justitie bepaalde
termijn aan de hem gestelde transactievoorwaarden heeft voldaan.
3. Beklag is niet toegelaten ter zake van een feit dat op grond van procesafspraken
niet is tenlastegelegd, tenzij degene op wie het beklag betrekking heeft niet de persoon
is met wie de procesafspraken zijn gemaakt.
L
Artikel 3.5.4, derde lid, komt te luiden:
3. Het beklag tegen vervolging door middel van een strafbeschikking of het doen van
een transactieaanbod, bedoeld in artikel 3.4.4, kan ook na de in het eerste lid bedoelde
termijn worden gedaan, indien de strafbeschikking niet volledig wordt tenuitvoergelegd
of de verdachte niet volledig aan de in het transactieaanbod gestelde voorwaarden
voldoet.
M
Artikel 3.5.8 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het tweede lid wordt na de tweede zin een zin ingevoegd, luidende: De voorzitter
kan ambtshalve, op vordering van de advocaat-generaal of op verzoek van degene op
wie het beklag betrekking heeft, bepaalde stukken van kennisneming uitzonderen wegens
zwaarwegende economische of financiële belangen van degene op wie het beklag betrekking
heeft.
2. Aan het derde lid wordt een zin toegevoegd, luidende: De voorzitter kan ambtshalve,
op vordering van de advocaat-generaal of op verzoek van degene op wie het beklag betrekking
heeft, bepalen dat wegens zwaarwegende economische of financiële belangen van degene
op wie het beklag betrekking heeft, van bepaalde stukken of gedeelten daarvan geen
kopie wordt verstrekt.
N
Artikel 3.5.9, vierde lid, vervalt.
O
Artikel 3.5.10, vierde lid, komt te luiden:
4. Indien het gerechtshof bevoegd is te oordelen over het beklag, de klager ontvankelijk
is en het gerechtshof van oordeel is dat opsporing, vervolging of voortzetting van
de vervolging moet plaatsvinden, beveelt het de opsporing van het feit waarop het
beklag betrekking heeft of de vervolging voor dat feit. Het bevel tot opsporing kan
tevens inhouden dat de officier van justitie vordert dat de rechter-commissaris onderzoek
verricht op grond van artikel 2.10.1. Het gerechtshof kan bij het bevel tot vervolging
bepalen dat aan het bevel geen gevolg wordt gegeven indien de verdachte binnen of
gedurende een bepaalde termijn voldoet aan een bepaalde voorwaarde, hem door de officier
van justitie gesteld.
P
Artikel 3.5.11 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het tweede lid wordt «een bevel tot vervolging» vervangen door «een bevel tot
opsporing of vervolging».
2. In het vijfde lid wordt «tweede zin» vervangen door «laatste zin».
ARTIKEL IV
Boek 4 van het Wetboek van Strafvordering wordt als volgt gewijzigd:
A
In artikel 4.1.1 wordt, onder vernummering van het vijfde en zesde lid tot het zesde
en zevende lid, een lid ingevoegd, luidende:
5. Indien procesafspraken zijn gemaakt, wordt dit in de procesinleiding vermeld.
B
Na artikel 4.1.2 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 4.1.2a
Na het indienen van de procesinleiding kunnen procesafspraken worden gemaakt onder
overeenkomstige toepassing van artikel 3.1.1a. De officier van justitie stelt de voorzitter
van de rechtbank zo spoedig mogelijk in kennis van de gemaakte afspraken.
C
Artikel 4.1.13, tweede lid, komt te luiden:
2. Indien de oproeping wordt betekend op de wijze, bedoeld in artikel 1.9.12, tweede
lid, kan de verdachte een ondertekende verklaring houdende zijn toestemming tot verkorting
van deze termijn laten vastleggen door de persoon die het bericht uitreikt. Indien
hij de verklaring niet kan ondertekenen, wordt de oorzaak daarvan ook vastgelegd.
D
In artikel 4.1.14, tweede lid, wordt na «de oproeping van» ingevoegd «de verdachte
en van».
E
In artikel 4.2.2, eerste lid, onderdeel b, wordt «181, onder 1° en 2°, 182, eerste
en tweede lid, onder 1°, 248c, 252, tweede lid,» vervangen door «151f, tweede lid,
181, onder 1° en 2°, 182, eerste en tweede lid, onder 1°, 253,».
F
In artikel 4.2.6, eerste en vierde lid, wordt «van dit hoofdstuk» telkens vervangen
door «die betrekking hebben op het onderzoek op de terechtzitting».
G
Na artikel 4.2.25 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 4.2.25a
1. Indien de rechtbank, op vordering van de officier van justitie of op verzoek van
de verdachte, oordeelt dat samenvoeging met een zaak waarin bij een andere rechtbank
onderzoek is of wordt verricht in het belang van een goede rechtsbedeling is, verwijst
zij de zaak daarheen. Artikel 4.2.56 is van overeenkomstige toepassing.
2. Indien de rechtbank waarnaar een zaak is verwezen, instemt met de verwijzing, zendt
de griffier van de rechtbank die de zaak heeft verwezen de stukken van het geding
zo spoedig mogelijk aan de griffier van eerstgenoemde rechtbank.
3. De zaak wordt door de rechtbank waarnaar die zaak is verwezen op de bestaande tenlastelegging
behandeld. De verdachte wordt opgeroepen voor de nadere terechtzitting. Artikel 4.2.58
is van overeenkomstige toepassing.
4. De zaak wordt op de gewone wijze voortgezet, met dien verstande dat de beraadslaging
bedoeld in de artikelen 4.3.1 en 4.3.3, mede plaatsvindt naar aanleiding van het onderzoek
op de terechtzitting van de rechtbank die de zaak heeft verwezen, zoals dit volgens
het proces-verbaal van die terechtzitting heeft plaatsgehad. Artikel 4.2.59, vierde
lid, is van overeenkomstige toepassing.
5. Het onderzoek op de terechtzitting wordt opnieuw aangevangen, tenzij de officier
van justitie en de verdachte instemmen met hervatting in de stand waarin het onderzoek
zich op het tijdstip van de verwijzing bevond.
H
Na artikel 4.2.26 worden drie artikelen ingevoegd, luidende:
Artikel 4.2.26a
1. Indien procesafspraken zijn gemaakt, brengt de officier van justitie deze direct
na de voordracht van de zaak ter sprake. Procesafspraken kunnen ook na aanvang van
het onderzoek op de terechtzitting worden gemaakt onder overeenkomstige toepassing
van artikel 3.1.1a. In dat geval stelt de officier van justitie de rechtbank zo spoedig
mogelijk in kennis van de gemaakte afspraken.
2. De rechtbank kan vragen stellen aan de officier van justitie en de verdachte over
de gemaakte procesafspraken.
3. De rechtbank stelt het slachtoffer wiens belangen daardoor worden geraakt in de gelegenheid
een verklaring af te leggen over het bepaalde in artikel 4.2.26b, eerste lid, onderdelen d,
e en f.
4. De rechtbank gaat tot beraadslaging over en doet uitspraak over de toelaatbaarheid
van de procesafspraken. Als de rechtbank de procesafspraken toelaat, wordt het onderzoek
van de zaak voortgezet met inachtneming van die procesafspraken.
Artikel 4.2.26b
1. De rechtbank kan de procesafspraken alleen toelaten, indien:
a. het strafbare feit niet een misdrijf betreft waarop naar de wettelijke omschrijving
gevangenisstraf van twaalf jaar of meer is gesteld en dat gericht is tegen of gevaar
veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen;
b. de verdachte wordt bijgestaan door een raadsman en vrijwillig en ondubbelzinnig met
de gemaakte afspraken heeft ingestemd;
c. de verdachte de tenlastegelegde feiten, de strafbaarheid van die feiten en zijn strafbaarheid
vanwege die feiten niet betwist;
d. de uitoefening van de rechten van het slachtoffer niet onevenredig wordt beperkt;
e. de inhoud en omvang van de tenlastelegging niet in een onevenredige verhouding staan
tot de ernst van de zaak; en
f. de voorgestelde sanctieoplegging niet in een onevenredige verhouding staat tot de
ernst van het tenlastegelegde en de voorgestelde mate waarin de sanctie wordt verminderd
niet in een onevenredige verhouding staat tot de mate waarin de procesafspraken bijdragen
aan een doeltreffende en spoedige berechting.
2. Er kunnen geen procesafspraken worden gemaakt over de onttrekking aan het verkeer
van voorwerpen, de vernietiging van ontoegankelijk gemaakte gegevens, de oplegging
van de maatregel van terbeschikkingstelling en de afgifte van een zorgmachtiging of
rechterlijke machtiging met toepassing van artikel 2.3 van de Wet forensische zorg.
3. Afspraken over de vordering van de benadeelde partij kunnen alleen worden gemaakt
indien de benadeelde partij hiermee instemt.
4. Afspraken over de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel kunnen alleen
worden gemaakt voor zover deze geen zelfstandige grond zijn voor het lager vaststellen
van het te betalen bedrag dan het geschatte voordeel.
Artikel 4.2.26c
1. Indien de rechtbank de procesafspraken niet toelaat, kan de officier van justitie
aangepaste procesafspraken eenmaal voorleggen aan de rechtbank. De rechtbank beslist
over de aangepaste afspraken overeenkomstig artikel 4.2.26a.
2. Indien de rechtbank de procesafspraken niet toelaat, kan de officier van justitie
een vordering tot wijziging van de tenlastelegging indienen, inhoudende dat een of
meer feiten die op grond van de procesafspraken niet waren tenlastegelegd alsnog worden
tenlastegelegd. Het bepaalde in artikel 4.2.27, tweede lid, tweede zin, is niet van
toepassing.
3. Indien de rechtbank de procesafspraken niet toelaat vanwege het bepaalde in artikel 4.2.26b,
eerste lid, onderdelen d tot en met f, nemen de leden van de rechtbank die over de
procesafspraken hebben geoordeeld geen deel aan de verdere berechting, tenzij overeenkomstig
het eerste lid aangepaste procesafspraken zijn voorgelegd en deze afspraken zijn toegelaten.
I
In artikel 4.3.4 worden, onder vernummering van het tweede lid tot het vierde lid,
twee leden ingevoegd, luidende:
2. Indien de rechtbank procesafspraken heeft toegelaten die een gezamenlijk voorstel
inhouden voor de sanctieoplegging, kan zij de straf verminderen. De strafvermindering
behelst bij de oplegging van een onvoorwaardelijke tijdelijke vrijheidsstraf, taakstraf
of geldboete ten hoogste een derde ten opzichte van de straf die de rechtbank overwoog
op te leggen in het geval geen procesafspraken zouden zijn gemaakt.
3. Indien de rechtbank, nadat zij procesafspraken heeft toegelaten die een gezamenlijk
voorstel inhouden voor de sanctieoplegging, een hogere straf wil opleggen dan is voorgesteld,
heropent zij het onderzoek op de terechtzitting. Artikel 4.2.67, tweede en derde lid,
is van toepassing.
J
In artikel 4.3.15, vierde lid, wordt «4.3.13, tweede lid» vervangen door «4.3.12,
tweede lid».
K
Artikel 4.3.17, vijfde lid, komt te luiden:
5. Indien het inbeslaggenomen voorwerp een gegevensdrager of geautomatiseerd werk betreft
waarvan de teruggave naar het oordeel van de rechtbank achterwege moet blijven, kan
de rechtbank op verzoek van de verdachte bij wie het voorwerp is inbeslaggenomen bevelen
dat gegevens opgeslagen in, dan wel aanwezig op dat voorwerp aan de verdachte worden
verstrekt.
L
Artikel 4.3.18 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid vervalt «met toepassing van de artikelen 2.7.56 en 2.8.16, eerste
lid, onderdeel e,» en wordt «maatregelen nog niet zijn» vervangen door «maatregel
nog niet is».
2. Het tweede lid komt te luiden:
2. De rechtbank beveelt, onverminderd artikel 4.3.4, eerste lid, dat de ontoegankelijkmaking
ongedaan wordt gemaakt.
3. Het derde lid vervalt.
M
Aan artikel 4.3.23, tweede lid, wordt een zin toegevoegd, luidende: Een opgave van
de bewijsmiddelen kan eveneens volstaan voor zover de rechtbank het tenlastegelegde
bewezen heeft verklaard overeenkomstig procesafspraken die door de rechtbank zijn
toegelaten.
N
Aan artikel 4.4.3 wordt een zin toegevoegd, luidende:
De artikelen 4.1.3, 4.1.5 en 4.2.29 zijn van overeenkomstige toepassing op de benadeelde
partij, voor zover het haar vordering betreft.
O
In Boek 4 komt het opschrift van Titel 4.2 te luiden:
TITEL 4.2 DE VORDERING TOT TENUITVOERLEGGING OF OMZETTING
P
In artikel 4.4.9, eerste lid, wordt na «een vordering tot tenuitvoerlegging van een
niet tenuitvoergelegde straf of maatregel» toegevoegd «of een vordering als bedoeld
in artikel 7.2.8c, eerste lid,».
Q
In artikel 4.4.10 wordt «roept de officier van justitie de medewerker» vervangen door
«roept de officier van justitie, indien daartoe aanleiding is, de medewerker».
R
Artikel 4.4.24 wordt als volgt gewijzigd:
1. Aan het tweede lid wordt een zin toegevoegd, luidende: Na intrekking van de vordering
of niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie vanwege het aangaan van
de schikking kan de vordering niet opnieuw worden ingediend, tenzij de verdachte niet
aan de termen van de schikking voldoet.
2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
3. Indien de officier van justitie een schikking met de verdachte aangaat, bepaalt hij
de termijn waarbinnen aan de termen van die schikking moet worden voldaan. Tot dat
tijdstip is de termijn geschorst waarbinnen ingevolge artikel 4.4.17, eerste lid,
een vordering moet worden ingediend. Door voldoening aan die termen vervalt het recht
tot indiening van de vordering.
S
Na artikel 4.4.24 worden vier artikelen toegevoegd, luidende:
Artikel 4.4.25
1. In de volgende gevallen is voor het aangaan van een schikking vereist dat het gerechtshof
hiertoe verlof heeft verleend:
a. indien het totale bedrag waarop de schikking betrekking heeft € 200.000 of meer bedraagt;
b. in geval van een schikking ter zake van vervolging of veroordeling wegens deelneming
aan een of meer door een rechtspersoon begane strafbare feiten waarop de schikking
in het in onderdeel a bedoelde geval betrekking heeft.
2. De schikking is geen zelfstandige grond voor het lager vaststellen van het te betalen
bedrag dan het geschatte voordeel.
Artikel 4.4.26
Op de schikking, bedoeld in artikel 4.4.25, zijn de bepalingen van Boek 3, Afdeling
4.2.2, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:
a. de vordering tot het verlenen van verlof betrekking heeft op het aangaan van een schikking;
b. de stukken die het openbaar ministerie aan het gerechtshof overlegt in ieder geval
omvatten een beredeneerde begroting van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen
voordeel kan worden geschat, het verslag van het horen, bedoeld in artikel 3.4.9,
tweede lid, en de inhoud van de voorlopige schikking; en
c. indien de vordering tot de kennisneming van het gerechtshof behoort, het gerechtshof
het verlof tot het aangaan van een schikking verleent als het van oordeel is dat:
1°. is voldaan aan de wettelijke voorschriften voor het aangaan van een schikking; en
2°. de officier van justitie in redelijkheid de schikking heeft kunnen aangaan ter zake
van de strafbare feiten waarop die schikking betrekking heeft.
Artikel 4.4.27
1. Indien de vordering tot het verlenen van verlof voor het aangaan van een schikking
wordt ingediend nadat een vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van
Strafrecht bij de rechtbank is ingediend, trekt de officier van justitie laatstgenoemde
vordering in als het onderzoek op de zitting nog niet is aangevangen.
2. De vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht kan in dat
geval niet opnieuw worden ingediend, tenzij:
a. het gerechtshof verlof voor het aangaan van een schikking verleent maar geen schikking
tot stand komt of de verdachte niet aan de termen van de schikking voldoet; of
b. het gerechtshof geen verlof voor het aangaan van een schikking verleent.
Artikel 4.4.28
1. Indien na aanvang van het onderzoek op de zitting de vordering tot het verlenen van
verlof voor het aangaan van een schikking wordt ingediend bij het gerechtshof, schorst
de rechtbank het onderzoek op de zitting.
2. Het gerechtshof behandelt de vordering overeenkomstig de procedure voor het verlenen
van verlof en het neemt over die vordering een beslissing.
3. Indien het gerechtshof het verlof tot het aangaan van een schikking verleent, is
de officier van justitie van rechtswege niet-ontvankelijk in zijn vordering, bedoeld
in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. De vordering kan in dat geval niet
opnieuw worden ingediend, tenzij geen schikking tot stand komt of de verdachte niet
aan de termen van de schikking voldoet.
4. Indien het gerechtshof geen verlof tot het aangaan van een schikking verleent, wordt,
behoudens het geval bedoeld in artikel 3.4.16, de behandeling van de vordering op
het onderzoek op de zitting hervat.
T
In artikel 4.5.3 wordt, onder vernummering van het tweede lid tot derde lid, een lid
ingevoegd, luidende:
2. De kantonrechter is slechts bevoegd tot kennisneming van een vordering als bedoeld
in artikel 4.4.9, eerste lid, indien hij bevoegd is tot kennisneming van de feiten
ter zake waarvan de veroordeling is uitgesproken dan wel de strafbeschikking is uitgevaardigd
waarop de vordering betrekking heeft.
U
In artikel 4.5.7, tweede lid, wordt «4.3.20, vierde lid,» vervangen door 4.3.20, derde
lid,».
V
In artikel 4.5.8, tweede lid, onderdeel d, wordt «gehoord» vervangen door «verhoord».
ARTIKEL V
Boek 5 van het Wetboek van Strafvordering wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 5.2.7, tweede lid, komt te luiden:
2. Indien een zaak door een enkelvoudige kamer is behandeld, kan ook op de terechtzitting
afstand worden gedaan van de bevoegdheid om een rechtsmiddel in te stellen. De mogelijkheid
daartoe wordt door de rechter aan de verdachte meegedeeld. Alvorens de verdachte afstand
doet, wordt hem meegedeeld dat een gedane afstand niet kan worden herroepen. De uitdrukkelijk
gemachtigde raadsman kan niet op de terechtzitting afstand doen van de bevoegdheid
om een rechtsmiddel in te stellen.
B
Artikel 5.3.2, tweede lid, komt te luiden:
2. De verdachte kan tegenover degene die de strafbeschikking heeft uitgevaardigd of
tegenover een opsporingsambtenaar afstand doen van de bevoegdheid om verzet in te
stellen, indien hij daarbij wordt bijgestaan door een raadsman en hem voorafgaand
aan het doen van afstand wordt meegedeeld dat na vrijwillige voldoening geen verzet
meer kan worden ingesteld en dat een gedane afstand niet kan worden herroepen. Behoudens
in het geval van vrijwillige voldoening is daarbij van afstand pas sprake als deze
is vastgelegd en door de verdachte is ondertekend.
C
Aan artikel 5.3.4 wordt een lid toegevoegd, luidende:
3. Dit artikel is niet van toepassing op een wijziging van een onherroepelijke strafbeschikking.
D
Aan artikel 5.4.1 wordt een lid toegevoegd, luidende:
5. Hoger beroep tegen eindvonnissen staat niet open voor het openbaar ministerie en
voor de verdachte indien de rechtbank procesafspraken heeft toegelaten die een gezamenlijk
voorstel inhouden over de sanctieoplegging en binnen de grenzen van die afspraken
heeft beslist, tenzij:
a. de rechtbank het bepaalde in artikel 4.2.26b niet in acht heeft genomen; of
b. de rechtbank een beslissing heeft genomen over de oplegging van een in artikel 4.2.26b,
tweede lid, bedoelde maatregel of, in het geval daarover geen procesafspraken zijn
gemaakt, een beslissing heeft genomen over de vordering van de benadeelde partij of
over de oplegging van een ontnemingsmaatregel, dan wel de officier van justitie het
nemen van een dergelijke beslissing heeft gevorderd en de rechtbank die beslissing
niet heeft genomen.
E
Na artikel 5.4.7 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 5.4.7a
Na het instellen van hoger beroep kunnen procesafspraken worden gemaakt overeenkomstig
artikel 3.1.1a. De advocaat-generaal stelt de voorzitter van het gerechtshof zo spoedig
mogelijk in kennis van de gemaakte afspraken.
F
In artikel 5.4.11, negende lid, wordt «verzoekt» vervangen door «opdraagt».
G
In artikel 5.4.15, eerste lid, wordt «Artikel 4.1.1, vierde lid» vervangen door «Artikel 4.1.1,
vierde en vijfde lid».
H
In artikel 5.4.20, vierde lid, wordt «gelasten» vervangen door «bevelen».
I
Na artikel 5.4.22 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 5.4.22a
In geval van artikel 4.2.25a wordt de zaak verwezen naar een ander gerechtshof.
J
In artikel 5.4.37, derde lid, wordt na «De artikelen» ingevoegd «5.4.1, vijfde lid,».
K
In Boek 5 komt het opschrift van Afdeling 4.2.2 te luiden:
AFDELING 4.2.2 DE VORDERING TOT TENUITVOERLEGGING OF OMZETTING
L
In artikel 5.4.39 wordt «vordering tot tenuitvoerlegging» vervangen door «vordering
als bedoeld in artikel 4.4.9, eerste lid,».
M
In artikel 5.4.41, tweede lid, wordt na «De artikelen» ingevoegd «5.4.1, vijfde lid,».
N
Aan artikel 5.5.1 wordt een lid toegevoegd, luidende:
3. Indien de advocaat-generaal en de verdachte in hoger beroep procesafspraken hebben
gemaakt, is artikel 5.4.1, vijfde lid, van overeenkomstige toepassing op het beroep
in cassatie.
O
Aan artikel 5.5.5, eerste lid, wordt een zin toegevoegd, luidende:
De Hoge Raad bepaalt op welke wijze de stukken van het geding aan de Hoge Raad worden
verstrekt.
P
In artikel 5.5.10, vierde lid, vervalt na «openbaar ministerie» «kunnen».
Q
Artikel 5.5.12 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het tweede lid, aanhef, wordt «de aard van de aangevoerde klachten» vervangen
door «daarmee verband houdende belangen».
2. In het tweede lid vervalt onderdeel d, onder verlettering van onderdeel e tot onderdeel d,
en vervalt onderdeel f, onder verlettering van onderdeel g tot onderdeel e.
3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
3. Van een verzuim van vormen dat vernietiging rechtvaardigt is voorts sprake:
a. wanneer de rechter heeft geweigerd of verzuimd om te beslissen op een verzoek van
de verdachte of een vordering van het openbaar ministerie als bedoeld in artikel 4.2.6,
eerste lid, tenzij de belangen van de partij die daar gronden tegen aanvoert niet
zijn geschaad;
b. wanneer het arrest niet de bij de wet voorgeschreven beslissingen bevat of deze beslissingen
niet op de bij de wet voorgeschreven wijze zijn gemotiveerd, tenzij de belangen van
de partij die daar gronden tegen aanvoert niet zijn geschaad.
R
In artikel 5.5.17, derde lid, wordt na «De artikelen» ingevoegd «5.5.1, derde lid,».
S
In artikel 5.5.20, tweede lid, wordt na «artikel 5.5.1,» ingevoegd «eerste en tweede
lid,».
T
In artikel 5.8.8, eerste lid, wordt «artikel 5.8.7, eerste lid» vervangen door «artikel 5.8.7,
tweede lid».
U
In artikel 5.8.25, derde lid, wordt «240b, 247, 248a, 248b, 249, 250,» vervangen door
«241, eerste lid, 245, eerste lid, 252,».
V
In artikel 5.8.34, tweede lid, wordt «5.8.33, tweede, vierde en vijfde lid» vervangen
door «5.8.33, tweede en vierde lid».
ARTIKEL VI
Boek 6 van het Wetboek van Strafvordering wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 6.1.3, derde lid, komt te luiden:
3. De artikelen 6.1.5, eerste en tweede lid, 6.1.7, 6.1.9, 6.1.29, 6.1.33 en 6.1.36
zijn van overeenkomstige toepassing.
B
Artikel 6.1.5, derde lid, onderdeel b, komt te luiden:
b. nadat de officier van justitie hem erover in kennis heeft gesteld dat hij voornemens
is om een strafbeschikking uit te vaardigen waarin een taakstraf van meer dan twintig
uur wordt opgelegd dan wel waarin een geldboete of een schadevergoedingsmaatregel
of verbeurdverklaring van inbeslaggenomen voorwerpen wordt opgelegd en het daarmee
afzonderlijk of gezamenlijk gemoeide bedrag meer beloopt dan € 115;
C
In artikel 6.1.13, derde lid, wordt «het eerste lid» vervangen door «het tweede lid».
D
Artikel 6.1.14 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid, onderdeel a, wordt «de jeugdreclassering» vervangen door «een
gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet».
2. Het eerste lid, onderdeel b, komt te luiden:
b. het meewerken aan intensieve begeleiding.
3. Het derde lid komt te luiden:
3. Indien een bijzondere voorwaarde is gesteld, kan de rechter een gecertificeerde instelling
als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet of, indien de verdachte inmiddels de leeftijd
van zestien jaar heeft bereikt, een reclasseringsinstelling opdracht geven toezicht
te houden op de naleving van de bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve
daarvan te begeleiden. In dat geval wordt de verdachte gewezen op de van rechtswege
geldende voorwaarden, bedoeld in artikel 7.2.1, vierde lid. Indien vanwege de aard
van een gestelde bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht niet aangewezen is, kan
de rechter een andere instelling of persoon als bedoeld in artikel 7.2.1, derde lid,
opdracht geven toezicht te houden.
4. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
4. De rechter kan de werking van de bijzondere voorwaarden beperken tot een bij de beslissing
tot schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis te bepalen tijdsduur, met dien
verstande dat een behandeling als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, de begeleiding
als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, en een bijzondere voorwaarde als bedoeld
in artikel 2.5.33, onderdeel n, ten hoogste zes maanden kunnen duren.
E
Artikel 6.1.16 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt «aanwijzing geven dat de verdachte medewerking verleent aan
reclasseringstoezicht» vervangen door «bijzondere voorwaarde stellen dat de verdachte
zich richt naar de aanwijzingen van een reclasseringsinstelling als bedoeld in artikel 7.2.1,
tweede lid,».
2. Het tweede lid komt te luiden:
2. Een strafbeschikking waarin een geldboete of een schadevergoedingsmaatregel wordt
opgelegd of waarin inbeslaggenomen voorwerpen worden verbeurdverklaard, wordt, indien
het daarmee afzonderlijk of gezamenlijk gemoeide bedrag meer beloopt dan € 115, alleen
uitgevaardigd indien de verdachte daaraan voorafgaand is gehoord door de officier
van justitie die de strafbeschikking uitvaardigt.
3. Onder vernummering van het derde tot het vierde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:
3. Bij een oproeping om te worden gehoord, wordt de verdachte gewezen op:
a. het recht om te worden vergezeld door de ouder of een persoon naar keuze overeenkomstig
artikel 6.1.33;
b. het recht op rechtsbijstand.
Artikel 6.1.7, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
4. In het vierde lid (nieuw) wordt «of bij de keuze voor een aanwijzing betreffende
het gedrag» vervangen door «of bij de keuze voor een bijzondere voorwaarde».
F
Artikel 6.1.17 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt «terwijl van de te vorderen jeugddetentie of gevangenisstraf
het onvoorwaardelijk deel de zes maanden niet overstijgt.» vervangen door «terwijl
de te vorderen jeugddetentie of gevangenisstraf niet meer dan een jaar bedraagt en
het onvoorwaardelijk deel daarvan de zes maanden niet overstijgt.».
2. Het tweede lid komt te luiden:
2. De kinderrechter is bevoegd tot het opleggen van jeugddetentie of gevangenisstraf
van ten hoogste een jaar, waarvan het onvoorwaardelijk deel de duur van zes maanden
niet overstijgt. De kinderrechter is niet bevoegd tot het opleggen van de maatregelen,
bedoeld in de artikelen 37a, eerste lid, 38m en 77s, eerste lid, van het Wetboek van
Strafrecht.
G
In artikel 6.1.18, tweede lid, wordt «Op de berechting door de kinderrechter» vervangen
door «Op de berechting door de meervoudige kamer en door de kinderrechter».
H
Na artikel 6.1.22 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 6.1.22a
Procesafspraken kunnen uitsluitend worden gemaakt en worden toegelaten indien deze
afspraken niet in strijd zijn met het belang van de verdachte en geen afspraken worden
gemaakt over de oplegging van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen.
I
Na artikel 6.1.23 worden een opschrift en twee artikelen ingevoegd, luidende:
§ 1.1.2.5 Hoger beroep tegen vonnissen en beroep in cassatie tegen arresten
Artikel 6.1.23a
Onverminderd artikel 5.4.1, vijfde lid, staat hoger beroep tegen eindvonnissen eveneens
open voor het openbaar ministerie en voor de verdachte indien:
a. de rechtbank het bepaalde in artikel 6.1.22a niet in acht heeft genomen; of
b. de rechtbank een beslissing heeft genomen over de oplegging van de maatregel van plaatsing
in een inrichting voor jeugdigen of de officier van justitie het nemen van die beslissing
heeft gevorderd en de rechtbank die beslissing niet heeft genomen.
Artikel 6.1.23b
Onverminderd artikel 5.5.1, derde lid, is artikel 6.1.23a van overeenkomstige toepassing
op het beroep in cassatie indien de advocaat-generaal en de verdachte in hoger beroep
procesafspraken hebben gemaakt.
J
Artikel 6.1.27 komt te luiden:
Artikel 6.1.27
In een strafbeschikking kan, naast de in artikel 3.3.1b, tweede lid, genoemde bijzondere
voorwaarden, de bijzondere voorwaarde worden gesteld dat de verdachte zich richt naar
de aanwijzingen van een reclasseringsinstelling als bedoeld in artikel 7.2.1, tweede
lid.
K
In artikel 6.1.28, eerste lid, wordt «de artikelen 6.1.17 tot en met 6.1.23» vervangen
door «de artikelen 6.1.17 tot en met 6.1.24».
L
Aan artikel 6.1.29 wordt een lid toegevoegd, luidende:
6. In door Onze Minister aan te wijzen gevallen kan de raad voor de kinderbescherming
een gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet inschakelen
voor vrijwillige begeleiding van verdachten die ten tijde van het begaan van het strafbaar
feit de leeftijd van twaalf jaar maar nog niet die van achttien jaar hebben bereikt
of van verdachten die ten tijde van het begaan van het strafbaar feit de leeftijd
van achttien jaar maar nog niet die van drieëntwintig jaar hebben bereikt.
M
Artikel 6.1.30 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid, aanhef, wordt «De officier van justitie wint bij de raad inlichtingen
in» vervangen door «De officier van justitie wint ten aanzien van verdachten die ten
tijde van het begaan van het strafbaar feit de leeftijd van achttien jaar nog niet
hebben bereikt bij de raad voor de kinderbescherming inlichtingen in».
2. In het tweede lid wordt «de raad» vervangen door «de raad voor de kinderbescherming».
3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
4. De officier van justitie en de rechter kunnen ten aanzien van verdachten die ten
tijde van het begaan van het strafbaar feit de leeftijd van achttien jaar maar nog
niet die van drieëntwintig jaar hebben bereikt bij de raad voor de kinderbescherming
inlichtingen inwinnen over de persoonlijkheid en de levensomstandigheden van de verdachte.
N
In artikel 6.1.39 wordt «een ouder» vervangen door «de ouder».
O
Aan artikel 6.2.2, tweede lid, wordt een zin toegevoegd, luidende: De rechter van
wie wraking is verzocht, onthoudt zich van het verder behandelen van de zaak, waaronder
begrepen het nemen van beslissingen, tenzij dit geen uitstel duldt.
P
Artikel 6.2.4, derde lid, komt te luiden:
3. Indien het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is, kan de
meervoudige kamer zonder onderzoek op de zitting beslissen tot de niet-ontvankelijkheid
van de verzoeker of de ongegrondheid van het verzoek.
Q
Hoofdstuk 3 komt te luiden:
HOOFDSTUK 3 STRAFVORDERING OP ZEE EN IN DE LUCHT
TITEL 3.1 ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 6.3.1
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
– commandant:
bevelhebber van een Nederlands oorlogsschip of degene die deze vervangt;
– gezagvoerder van een luchtvaartuig:
gezagvoerder van een Nederlands burgerluchtvaartuig of bevelhebber van een Nederlands
militair luchtvaartuig of degene die deze vervangt;
– installatie ter zee:
installatie opgericht op de bodem van de territoriale zee of de exclusieve economische
zone van Nederland;
– kapitein:
gezagvoerder van een Nederlands schip of Nederlands zeevissersschip of degene die
deze vervangt; met kapitein wordt gelijkgesteld leidinggevende van een installatie
ter zee;
– lucht:
luchtruim boven Nederland en daarbuiten;
– Nederlands schip:
hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 86 van het Wetboek van Strafrecht;
– Nederlands zeevissersschip:
zeeschip dat bestemd is of gebezigd wordt voor het bedrijfsmatig vangen van vis of
van andere levende rijkdommen van de zee;
– zee:
territoriale zee, volle zee, zeehaven en binnenwateren die daar naartoe leiden.
Artikel 6.3.2
De bepalingen in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de strafvordering op zee en
in de lucht.
TITEL 3.2 DE UITOEFENING VAN BEVOEGDHEDEN DOOR OPSPORINGSAMBTENAREN
Artikel 6.3.3
Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister van Defensie, alle of bepaalde
commandanten belasten met de opsporing van bepaalde door hem aangewezen strafbare
feiten die op zee worden begaan.
Artikel 6.3.4
Opsporingsambtenaren die bij of krachtens de wet bevoegd zijn enig vaartuig te betreden
kunnen de commandant, de kapitein of enig ander persoon die het gezag voert over dat
vaartuig bevelen dat deze hun gelegenheid geeft zich aan of van boord van het vaartuig
te begeven. Zij zijn in de rechtmatige uitoefening van hun bediening niet onderworpen
aan het gezag van de commandant, de kapitein of enig ander persoon die het gezag voert
over het vaartuig.
Artikel 6.3.5
Opsporingsambtenaren kunnen de gezagvoerder van een Nederlands schip of Nederlands
zeevissersschip of degene die deze vervangt bevelen inzage te verlenen in het register,
bedoeld in artikel 6.3.22, eerste lid.
Artikel 6.3.6
1. Voor zover de officier van justitie, de hulpofficier van justitie of rechter-commissaris
niet ter plaatse aanwezig is, vindt de voorgeleiding van een aangehouden verdachte
plaats per videoconferentie, voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is om die
voorgeleiding zo spoedig mogelijk te realiseren.
2. In afwijking van de artikelen 1.11.3 en 1.11.4 vindt het horen, verhoren of ondervragen
van een persoon door de opsporingsambtenaar, de officier van justitie, de hulpofficier
van justitie of de rechter-commissaris plaats per videoconferentie, voor zover de
betreffende functionaris niet ter plaatse aanwezig is, en vindthet bijwonen van een
verhoor door de raadsman plaats per videoconferentie, voor zover deze niet ter plaatse
aanwezig is.
3. In geval van toepassing van het eerste en tweede lid kan, indien het gebruik van
videoconferentie technisch onmogelijk is, in plaats hiervan gebruik worden gemaakt
van een ander tweezijdig elektronisch communicatiemiddel.
4. In geval van toepassing van het eerste en tweede lid worden geluids- en beeldopnamen
gemaakt. In geval van toepassing van het derde lid worden geluidsopnamen gemaakt en
worden zoveel mogelijk beeldopnamen gemaakt.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over
de uitvoering van dit artikel.
Artikel 6.3.7
1. Voor zover en voor zolang geen contact met de officier van justitie of de hulpofficier
van justitie mogelijk is, kunnen ter plaatse aanwezige opsporingsambtenaren bevelen
dat de aangehouden verdachte wordt opgehouden voor onderzoek, de voor onderzoek opgehouden
verdachte in verzekering wordt gesteld en de in verzekering gestelde verdachte in
bewaring wordt gesteld.
2. In geval van bevoegdheidsuitoefening als omschreven in het eerste lid zijn de bepalingen
in Boek 2, Afdelingen 5.3.1, 5.3.2, 5.4.2 en 5.4.5, voor zover mogelijk, van overeenkomstige
toepassing.
3. Voor zover en voor zolang de voor onderzoek opgehouden verdachte of de in verzekering
gestelde verdachte geen toegang heeft tot een raadsman wordt hij niet verhoord, tenzij
hij afstand van zijn recht op rechtsbijstand heeft gedaan als omschreven in artikel 1.4.6,
eerste lid, of tenzij de beslissing om de verdachte ter plaatse te verhoren wordt
gerechtvaardigd door een dringende noodzaak als omschreven in artikel 2.3.10, tweede
lid. In dat geval wordt, in afwijking van artikel 2.3.10, eerste lid, de beslissing
genomen door de opsporingsambtenaar. De opsporingsambtenaar maakt zoveel mogelijk
geluids- en beeldopnamen van het verhoor.
4. Voor zover en voor zolang de voor onderzoek opgehouden verdachte of de in verzekering
gestelde verdachte geen toegang heeft tot een raadsman, kan hij uitsluitend worden
gehoord over het bevel tot inverzekeringstelling of het bevel tot bewaring, alvorens
de opsporingsambtenaar daarover beslist. De opsporingsambtenaar maakt zoveel mogelijk
geluids- en beeldopnamen van het horen.
5. Indien tijdens het contact met de verdachte blijkt dat deze de Nederlandse taal niet
of niet voldoende beheerst, kan de opsporingsambtenaar, in afwijking van artikel 1.11.7,
eerste lid, ten behoeve van het verhoren of horen van de verdachte als omschreven
in het derde en vierde lid de bijstand inroepen van een aan boord aanwezige persoon
die voor vertolking kan zorgdragen of de verdachte verhoren of horen in een taal die
door beiden voldoende wordt beheerst.
6. Opsporingsambtenaren kunnen de in het eerste lid omschreven bevoegdheden uitoefenen
onder de voorwaarde dat zij zo spoedig mogelijk alsnog contact leggen met de officier
van justitie of de hulpofficier van justitie.
7. Zodra contact is gelegd met de officier van justitie of de hulpofficier van justitie
wordt de voor onderzoek opgehouden verdachte of de in verzekering gestelde verdachte
direct voorgeleid aan de officier van justitie of de hulpofficier van justitie. De
officier van justitie of de hulpofficier van justitie beoordeelt de rechtmatigheid
van het door de opsporingsambtenaar gegeven bevel tot ophouden voor onderzoek of tot
inverzekeringstelling alsmede de noodzaak van het voortduren van het ophouden voor
onderzoek of de inverzekeringstelling. Alvorens te beslissen hoort de officier van
justitie of de hulpofficier van justitie de verdachte. De officier van justitie of
de hulpofficier van justitie beveelt het ophouden voor onderzoek of de inverzekeringstelling
van de verdachte voor een door hem te bepalen termijn of beveelt de invrijheidstelling
van verdachte.
8. Zodra contact is gelegd met de officier van justitie of de hulpofficier van justitie
wordt de in bewaring gestelde verdachte, door tussenkomst van de officier van justitie,
direct voorgeleid aan de rechter-commissaris. Artikel 2.5.12 is van overeenkomstige
toepassing. De rechter-commissaris beoordeelt de rechtmatigheid van het door de opsporingsambtenaar
gegeven bevel tot bewaring alsmede de noodzaak van het voortduren van de bewaring.
Alvorens te beslissen hoort de rechter-commissaris de verdachte. De rechter-commissaris
beveelt de bewaring van de verdachte voor een door hem te bepalen termijn of beveelt
de invrijheidstelling van de verdachte.
Artikel 6.3.8
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld
over de behandeling van een voor onderzoek opgehouden verdachte, een in verzekering
gestelde verdachte of een in bewaring gestelde verdachte en de beperkingen waaraan
hij kan worden onderworpen.
Artikel 6.3.9
1. De voor onderzoek opgehouden verdachte, de in verzekering gestelde verdachte of de
in bewaring gestelde verdachte wordt zo spoedig mogelijk overgebracht naar het grondgebied
van Nederland en daar overgedragen aan de officier van justitie of de hulpofficier
van justitie, tenzij Boek 8, Titel 2.4, van toepassing is.
2. In aanvulling op artikel 2.5.43, tweede lid, beveelt de rechter-commissaris of de
officier van justitie de invrijheidstelling van de verdachte, indien de verdachte
niet binnen de termijn waarin het bevel van bewaring van kracht is naar het grondgebied
van Nederland is overgebracht en daar is overgedragen aan de officier van justitie
of de hulpofficier van justitie. In geval van toepassing van artikel 6.3.7 beveelt
de opsporingsambtenaar de invrijheidstelling. In geval van toepassing van artikel 6.3.19
beveelt de commandant of de kapitein de invrijheidstelling.
TITEL 3.3 DE UITOEFENING VAN BEVOEGDHEDEN DOOR DE COMMANDANT, DE KAPITEIN EN DE GEZAGVOERDER
VAN EEN LUCHTVAARTUIG
Artikel 6.3.10
1. De commandant, de kapitein of de gezagvoerder van een luchtvaartuig kan de in deze
titel omschreven bevoegdheden uitsluitend uitoefenen aan boord van een Nederlands
oorlogsschip, een Nederlands schip of een Nederlands zeevissersschip, op een installatie
ter zee dan wel aan boord van een luchtvaartuig waarover hij het gezag voert en in
geval geen opsporingsambtenaar ter plaatse aanwezig is.
2. De commandant, de kapitein of de gezagvoerder van een luchtvaartuig neemt bij de
uitoefening van de in de artikelen 6.3.12 tot en met 6.3.14, 6.3.16, eerste lid, en
6.3.17 omschreven bevoegdheden de aanwijzingen van de officier van justitie in acht.
3. Indien de in het tweede lid bedoelde aanwijzingen niet kunnen worden afgewacht, kunnen
deze door de hulpofficier van justitie worden gegeven. In dat geval neemt de commandant,
de kapitein of de gezagvoerder van een luchtvaartuig de aanwijzingen van de hulpofficier
van justitie in acht. De hulpofficier van justitie doet daarvan direct mededeling
aan de officier van justitie.
4. Indien het in de artikelen 6.3.15, 6.3.16, tweede lid, en 6.3.18 bedoelde bevel van
de officier van justitie niet kan worden afgewacht, kan dit door de hulpofficier van
justitie worden gegeven. In dat geval oefent de commandant, de kapitein of de gezagvoerder
van een luchtvaartuig de bevoegdheid uit op bevel van de hulpofficier van justitie.
De hulpofficier van justitie doet daarvan direct mededeling aan de officier van justitie.
5. De commandant, de kapitein of de gezagvoerder van een luchtvaartuig maakt zo veel
mogelijk geluids- en beeldopnamen van wat door hem is verricht of bevonden.
6. De artikelen 6.3.6, 6.3.8 en 6.3.9 zijn van overeenkomstige toepassing op de bevoegdheidsuitoefening.
Artikel 6.3.11
1. De commandant kan de uitoefening van de op grond van dit hoofdstuk aan hem toegekende
bevoegdheden opdragen aan een onder zijn bevel staande officier of onderofficier.
2. De kapitein kan de uitoefening van de op grond van dit hoofdstuk aan hem toegekende
bevoegdheden opdragen aan een onder zijn bevel staande scheepsofficier.
3. De gezagvoerder van een Nederlands burgerluchtvaartuig kan de uitoefening van de
op grond van dit hoofdstuk aan hem toegekende bevoegdheden opdragen aan een onder
zijn bevel staand lid van de bemanning.
4. De bevelhebber van een Nederlands militair luchtvaartuig kan de uitoefening van de
op grond van dit hoofdstuk aan hem toegekende bevoegdheden opdragen aan een onder
zijn bevel staande officier of onderofficier.
Artikel 6.3.12
De commandant, de kapitein of de gezagvoerder van een luchtvaartuig kan in geval van
verdenking van een strafbaar feit, met inachtneming van de bepalingen in deze titel,
inlichtingen en bewijzen verzamelen die kunnen dienen om de waarheid aan het licht
te brengen.
Artikel 6.3.13
1. De commandant, de kapitein of de gezagvoerder van een luchtvaartuig kan de in artikel 2.5.3
omschreven bevoegdheden uitoefenen.
2. Artikel 1.4.4, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing. De mededeling wordt
in het verslag, bedoeld in artikel 6.3.20, vermeld.
Artikel 6.3.14
1. Vindt de aanhouding in geval van ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit plaats
door de commandant, de kapitein of de gezagvoerder van een luchtvaartuig, dan leidt
deze in afwijking van artikel 2.5.4, derde lid, de verdachte zo spoedig mogelijk voor
aan de officier van justitie of de hulpofficier van justitie.
2. Vindt de in het eerste lid bedoelde aanhouding plaats door een ander dan de commandant,
de kapitein of de gezagvoerder van een luchtvaartuig, dan wordt in afwijking van artikel 2.5.4,
derde lid, de aangehoudene direct overgeleverd aan de commandant, de kapitein of de
gezagvoerder van een luchtvaartuig, onder afgifte aan deze van bij de verdachte aangetroffen
voorwerpen. De commandant, de kapitein of de gezagvoerder van een luchtvaartuig handelt
overeenkomstig het eerste lid.
Artikel 6.3.15
De officier van justitie kan het bevel, omschreven in artikel 2.5.5, eerste en tweede
lid, geven aan de commandant, de kapitein of de gezagvoerder van een luchtvaartuig.
Artikel 6.3.16
1. In geval van ontdekking op heterdaad kan de commandant, de kapitein of de gezagvoerder
van een luchtvaartuig ter aanhouding van de verdachte, in afwijking van artikel 2.5.6,
eerste lid, elke plaats betreden.
2. Buiten het geval van ontdekking op heterdaad kan de officier van justitie bevelen
dat de commandant, de kapitein of de gezagvoerder van een luchtvaartuig de in artikel 2.5.6,
tweede lid, omschreven bevoegdheid uitoefent.
Artikel 6.3.17
In geval van aanhouding van de verdachte door de commandant, de kapitein of de gezagvoerder
van een luchtvaartuig zijn de artikelen 1.4.4, eerste lid, en 2.5.8 van overeenkomstige
toepassing. De mededeling, bedoeld in artikel 1.4.4, eerste lid, wordt in het verslag,
bedoeld in artikel 6.3.20, vermeld.
Artikel 6.3.18
De officier van justitie kan bevelen dat de commandant, de kapitein of de gezagvoerder
van een luchtvaartuig de in artikelen 2.6.6, eerste tot en met derde lid, 2.7.7, 2.7.8
en 2.7.10 omschreven bevoegdheden uitoefent.
Artikel 6.3.19
1. Voor zover en voor zolang geen contact met de officier van justitie of de hulpofficier
van justitie mogelijk is en voor zover en voor zolang als de bevoegdheidsuitoefening
wordt gerechtvaardigd door de dringende noodzaak om gevaar voor leven of veiligheid
te voorkomen of af te wenden of sporen van het strafbare feit veilig te stellen, kan
de commandant, de kapitein of de gezagvoerder van een luchtvaartuig:
a. de in de artikelen 6.3.12 tot en met 6.3.14, 6.3.16, eerste lid, en 6.3.17 omschreven
bevoegdheden uitoefenen zonder aanwijzingen van de officier van justitie of de hulpofficier
van justitie;
b. de in de artikelen 6.3.15, 6.3.16, tweede lid, en 6.3.18 omschreven bevoegdheden uitoefenen
zonder bevel van de officier van justitie of de hulpofficier van justitie;
c. bevelen dat de aangehouden verdachte wordt opgehouden voor onderzoek en kan de commandant
of de kapitein bevelen dat de voor onderzoek opgehouden verdachte in verzekering wordt
gesteld en de in verzekering gestelde verdachte in bewaring wordt gesteld.
2. In geval van bevoegdheidsuitoefening als omschreven in het eerste lid, onderdeel c,
zijn – met uitzondering van artikel 2.5.27 – de bepalingen in Boek 2, Afdelingen 5.3.1,
5.3.2, 5.4.2 en 5.4.5, voor zover mogelijk, van overeenkomstige toepassing.
3. Het bevel tot ophouden voor onderzoek, tot inverzekeringstelling of tot bewaring
of tot verlenging daarvan wordt de verdachte direct meegedeeld. Aan de verdachte die
de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst wordt de mededeling in een voor hem
begrijpelijke taal gedaan. Deze mededeling wordt in het verslag, bedoeld in artikel 6.3.20,
vermeld.
4. Voor zover en voor zolang de voor onderzoek opgehouden verdachte of de in verzekering
gestelde verdachte geen toegang heeft tot een raadsman wordt hij niet verhoord, tenzij
de beslissing van de commandant, de kapitein of de gezagvoerder van een luchtvaartuig
om de verdachte, zonder dat hij in de gelegenheid wordt gesteld zijn recht op rechtsbijstand
uit te oefenen, ter plaatse te verhoren wordt gerechtvaardigd door een dringende noodzaak
als omschreven in artikel 2.3.10, tweede lid.
5. De commandant, de kapitein of de gezagvoerder van een luchtvaartuig die de verdachte
verhoort onthoudt zich van alles wat de strekking heeft een verklaring te verkrijgen
waarvan niet kan worden gezegd dat zij in vrijheid is afgelegd. De verdachte is niet
verplicht tot antwoorden. Voor het verhoor deelt de commandant, de kapitein of de
gezagvoerder van een luchtvaartuig de verdachte mee dat hij niet verplicht is tot
antwoorden. Aan de verdachte die de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst
wordt de mededeling in een voor hem begrijpelijke taal gedaan. In het verslag, bedoeld
in artikel 6.3.20, wordt vermeld dat deze mededeling aan de verdachte is gedaan.
6. Voor zover en voor zolang de voor onderzoek opgehouden verdachte of de in verzekering
gestelde verdachte geen toegang heeft tot een raadsman, kan hij uitsluitend worden
gehoord over het bevel tot inverzekeringstelling of het bevel tot bewaring, alvorens
de commandant of de kapitein daarover beslist.
7. Indien tijdens het contact met de verdachte blijkt dat deze de Nederlandse taal niet
of niet voldoende beheerst, kan de commandant, de kapitein of de gezagvoerder van
een luchtvaartuig ten behoeve van het verhoren of horen van de verdachte als omschreven
in het vierde en zesde lid de bijstand inroepen van een aan boord aanwezige persoon
die voor vertolking kan zorgdragen of de verdachte verhoren in een taal die door beiden
voldoende wordt beheerst.
8. De invrijheidstelling van de verdachte wordt in het verslag, bedoeld in artikel 6.3.20,
vermeld.
9. De commandant, de kapitein of de gezagvoerder van een luchtvaartuig kan de in het
eerste lid omschreven bevoegdheden uitoefenen onder de voorwaarde dat hij zo spoedig
mogelijk alsnog contact legt met de officier van justitie of de hulpofficier van justitie
en aan deze mededeling doet van:
a. het door hem geconstateerde strafbare feit;
b. de door hem uitgeoefende bevoegdheid;
c. voor zover mogelijk de personalia en nationaliteit van elke verdachte en getuige en
elk slachtoffer en indien mogelijk de contactgegevens;
d. zijn eigen personalia en andere terzake doende feiten en omstandigheden.
10. Zodra contact is gelegd met de officier van justitie of de hulpofficier wordt de
voor onderzoek opgehouden verdachte of de inverzekeringgestelde verdachte direct voorgeleid
aan de officier van justitie of de hulpofficier van justitie. Artikel 2.5.12 is van
overeenkomstige toepassing. De officier van justitie of de hulpofficier van justitie
beoordeelt de rechtmatigheid van het door de commandant, de kapitein of de gezagvoerder
van een luchtvaartuig gegeven bevel tot ophouden voor onderzoek of tot inverzekeringstelling
alsmede de noodzaak van het voortduren van het ophouden voor onderzoek of de inverzekeringstelling.
Alvorens te beslissen hoort de officier van justitie of de hulpofficier van justitie
de verdachte. De officier van justitie of de hulpofficier van justitie beveelt het
ophouden voor onderzoek of de inverzekeringstelling van de verdachte voor een door
hem te bepalen termijn of beveelt de invrijheidstelling van verdachte.
11. Zodra contact is gelegd met de officier van justitie of de hulpofficier wordt de
in bewaring gestelde verdachte, door tussenkomst van de officier van justitie, direct
voorgeleid aan de rechter-commissaris. Artikel 2.5.12 is van overeenkomstige toepassing.
De rechter-commissaris beoordeelt de rechtmatigheid van het door de commandant of
de kapitein gegeven bevel tot bewaring alsmede de noodzaak van het voortduren van
de bewaring. Alvorens te beslissen hoort de rechter-commissaris de verdachte. De rechter-commissaris
beveelt de bewaring van de verdachte voor een door hem te bepalen termijn of beveelt
de invrijheidstelling van de verdachte.
Artikel 6.3.20
1. De commandant, de kapitein of de gezagvoerder van een luchtvaartuig maakt verslag
op van wat door hem is verricht of bevonden, draagt zorg voor dagtekening en ondertekening
en draagt het verslag en de gemaakte geluids- en beeldopnamen zo spoedig mogelijk
over aan de officier van justitie of de hulpofficier van justitie.
2. De commandant, de kapitein of de gezagvoerder van een luchtvaartuig maakt, in geval
van uitoefening op grond van de artikelen 6.3.18 of 6.3.19, eerste lid, onderdeel b,
van de in de artikelen 2.7.7 en 2.7.8 omschreven bevoegdheden een kennisgeving van
inbeslagneming op en legt deze zo spoedig mogelijk voor aan de officier van justitie
of hulpofficier van justitie om met inachtneming van de bepalingen van Boek 2, Afdeling
7.2.4, te doen beoordelen of het beslag moet worden gehandhaafd.
3. In het geval van uitoefening van de op grond van artikel 6.3.11 opgedragen bevoegdheden
aan de officier, de onderofficier, de scheepsofficier of een lid van de bemanning,
zijn het eerste en tweede lid van overeenkomstige toepassing. Het verslag of de kennisgeving
van inbeslagneming wordt mede ondertekend door de commandant, de kapitein of de gezagvoerder
van een luchtvaartuig.
TITEL 3.4 MELDPLICHT EN REGISTER
Artikel 6.3.21
1. De kapitein doet direct mededeling aan de officier van justitie of de hulpofficier
van justitie van elk misdrijf dat ter plaatse is begaan:
a. waardoor de veiligheid van het Nederlands schip, Nederlands zeevissersschip of de
installatie ter zee of degenen die zich aldaar bevinden in gevaar is gebracht;
b. waardoor iemands dood of zwaar lichamelijk letsel is veroorzaakt;
c. waarvan iemand die zich aan boord van het schip of op de installatie ter zee bevindt,
verlangt aangifte te doen bij een opsporingsambtenaar.
2. Indien de kapitein wordt verdacht van een misdrijf als bedoeld in het eerste lid,
onderdelen a en b, of indien de aangifte, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c,
is gericht tegen de kapitein, doet degene die de kapitein vervangt mededeling aan
de officier van justitie of de hulpofficier van justitie.
3. In het geval als omschreven in het eerste lid, onderdeel c, stelt de kapitein degene
die aangifte wenst te doen hiertoe in de gelegenheid met de aan boord aanwezige communicatiemiddelen.
In het geval als omschreven in het tweede lid stelt degene die de kapitein vervangt
diegene hiertoe in de gelegenheid.
Artikel 6.3.22
1. De gezagvoerder van een Nederlands schip of Nederlands zeevissersschip of degene
die deze vervangt houdt een register bij waarin strafbare feiten direct worden vastgelegd.
In dat register worden de volgende gegevens vastgelegd:
a. elk te zijner kennis gekomen misdrijf als bedoeld in artikel 6.3.21, eerste lid;
b. elk strafbaar feit ten aanzien waarvan hij een op grond van dit hoofdstuk toegekende
bevoegdheid heeft uitgeoefend;
c. elk strafbaar feit, aan boord van het Nederlandse schip of Nederlandse zeevissersschip
begaan, waarvan iemand die zich aan boord bevindt vastlegging verlangt of waarvan
hij zelf de vermelding wenselijk acht;
d. de plaats waar en de datum en het tijdstip waarop het feit is begaan;
e. de door hem uitgeoefende bevoegdheid;
f. voor zover mogelijk de personalia en de nationaliteit van elke verdachte en getuige
en elk slachtoffer en indien mogelijk de contactgegevens.
2. De gezagvoerder van een Nederlands schip of Nederlands zeevissersschip draagt zorg
voor dagtekening en ondertekening van de vastlegging van de in het eerste lid bedoelde
gegevens in het register.
3. In het geval als omschreven in artikel 6.3.21, tweede lid, dient degene die de gezagvoerder
van een Nederlands schip of Nederlands zeevisserschip vervangt zorg te dragen voor
de vastlegging van de gegevens, bedoeld in het eerste lid.
R
Artikel 6.4.2 komt te luiden:
Artikel 6.4.2
1. Belanghebbenden, niet zijnde de verdachte, gewezen verdachte of veroordeelde, kunnen
zich beklagen over het stellen van voorwaarden als bedoeld in artikel 3.4.6, eerste
lid, onderdelen b, c en d, en over een schikking als bedoeld in artikel 4.4.24 op
de grond dat deze betrekking hebben op hun toekomende voorwerpen en de officier van
justitie die de voorwaarden heeft gesteld of de schikking is aangegaan, niet bereid
is die voorwerpen terug te geven of de waarde die zij bij verkoop redelijkerwijs hadden
moeten opbrengen te vergoeden.
2. Het klaagschrift wordt uiterlijk binnen drie maanden nadat de verdachte, gewezen
verdachte of veroordeelde aan de gestelde voorwaarden of aan de termen van de schikking
heeft voldaan, dan wel de klager met dat transactieaanbod of die schikking bekend
is geworden, ingediend bij de rechtbank van het arrondissement waar de officier van
justitie is aangesteld. Is de officier van justitie niet aangesteld bij een arrondissementsparket,
dan wordt het klaagschrift ingediend bij de rechtbank Amsterdam.
S
Artikel 6.4.4 wordt als volgt gewijzigd:
1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.
2. In het eerste lid wordt na «daarin opgeslagen gegevens» ingevoegd «dan wel daarop
aanwezige gegevens» en wordt «over» vervangen door «tot».
3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
2. De belanghebbende kan in zijn klaagschrift verzoeken om de verstrekking van gegevens
opgeslagen in, dan wel aanwezig op de inbeslaggenomen gegevensdrager of het inbeslaggenomen
geautomatiseerd werk.
T
Artikel 6.4.5, eerste lid, onderdeel b, komt te luiden:
b. het ontoegankelijk maken van gegevens of het uitblijven van een bevel tot opheffing
van de ontoegankelijkmaking;
U
Na artikel 6.4.5 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 6.4.5a
1. De belanghebbende, niet zijnde de verdachte of veroordeelde, kan zich beklagen over
de bij vonnis, arrest of strafbeschikking opgelegde maatregel tot vernietiging van
ontoegankelijk gemaakte gegevens, indien vernietiging van die gegevens de belangen
van de klager ernstig zou schaden.
2. Artikel 6.4.3, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
V
Artikel 6.4.9, eerste lid, komt te luiden:
1. Acht de raadkamer het klaagschrift gegrond of deels gegrond, dan neemt zij de daarmee
overeenkomende beslissing en – indien van toepassing – herroept zij de verbeurdverklaring,
de onttrekking aan het verkeer of de vernietiging van gegevens dan wel verklaart zij
de voorwaarden onderscheidenlijk de schikking vervallen.
W
Aan artikel 6.4.12 wordt een lid toegevoegd, luidende:
5. Indien de rechtbank de vordering afwijst, neemt zij de daarmee overeenkomende beslissing.
X
Artikel 6.4.13 vervalt, onder vernummering van de artikelen 6.4.14 en 6.4.15 tot 6.4.13
en 6.4.14.
Y
In artikel 6.4.14, eerste lid (nieuw), wordt «de artikelen 6.4.12 en 6.4.13» vervangen
door «artikel 6.4.12».
Z
Artikel 6.5.1 wordt als volgt gewijzigd:
1. Onder vervanging van «; of» aan het slot van het eerste lid, onderdeel b, door een
puntkomma en onder vervanging van de punt aan het slot van het eerste lid, onderdeel c,
door «; of» wordt aan het eerste lid een onderdeel toegevoegd, luidende:
d. in verband waarmee vrees bestaat voor gedrag van de verdachte dat herhaald gevaar
voor de gezondheid of het welzijn van een of meer dieren oplevert.
2. Het tweede lid komt te luiden:
2. De gedragsaanwijzing kan inhouden:
a. een verbod direct of indirect contact te hebben of te zoeken met bepaalde personen
of instellingen, dat ook kan inhouden een verbod zich binnen een bepaalde afstand
van bepaalde personen te bevinden;
b. een verbod zich te bevinden in een bepaald gebied;
c. een verplichting zich op bepaalde tijdstippen te melden bij de daartoe aangewezen
opsporingsambtenaar;
d. een verplichting mee te werken aan reeds ingezette hulpverlening die van invloed kan
zijn op het voorkomen van strafbare feiten door de verdachte en zich daarbij te laten
begeleiden door de reclassering;
e. een bevel geen of minder dieren te houden, dan wel bepaalde diersoorten niet te houden.
3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
7. Indien een gedragsaanwijzing is gegeven, kan de officier van justitie een reclasseringsinstelling
opdracht geven toezicht te houden op de naleving van een gedragsaanwijzing en de verdachte
ten behoeve daarvan te begeleiden. In dat geval wordt de verdachte gewezen op de van
rechtswege geldende voorwaarden, bedoeld in artikel 7.2.1, vierde lid. Indien vanwege
de aard van een gestelde gedragsaanwijzing reclasseringstoezicht niet aangewezen is,
kan de officier van justitie een andere instelling of persoon als bedoeld in artikel 7.2.1,
derde lid, opdracht geven toezicht te houden.
AA
In artikel 6.5.5, tweede lid, wordt «240, 240a, 240b, 248a, 250» vervangen door «151d,
151e, 245 tot en met 250, 252».
BB
Artikel 6.5.13 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het derde lid komt te luiden:
3. De officier van justitie kan bevelen dat een daartoe aangewezen opsporingsambtenaar
de kentekengegevens raadpleegt:
a. in geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf
van vier jaar of meer is gesteld, ten behoeve van de opsporing van dat misdrijf; of
b. ten behoeve van de aanhouding, bedoeld in artikel 7.1.14.
Het bevel wordt afzonderlijk vastgelegd. De raadpleging vindt slechts plaats door
politiegegevens die voor één van deze doelen worden verwerkt, geautomatiseerd te vergelijken
met de gegevens, bedoeld in het tweede lid, om vast te stellen of de gegevens overeenkomen.
Als de gegevens overeenkomen kunnen ze voor het desbetreffende doel verder worden
verwerkt.
2. Onder vernummering van het vijfde en zesde lid tot zesde en zevende lid wordt een
lid ingevoegd, luidende:
5. Paragraaf 2, met uitzondering van de artikelen 8, eerste lid, en 15a, eerste lid,
paragraaf 3, met uitzondering van de artikelen 17 en 17a en paragraaf 5a van de Wet
politiegegevens zijn niet van toepassing op de gegevens, bedoeld in het tweede lid.
3. Het zesde lid (nieuw) komt te luiden:
6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de inzet
van een technisch hulpmiddel, de vastlegging van de kentekengegevens en de wijze waarop
de gegevens worden geraadpleegd.
4. In het zevende lid (nieuw) wordt «vijfde lid» vervangen door «zesde lid».
CC
Artikel 6.5.15 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid komt te luiden:
1. In het feitenonderzoek kan de officier van justitie, of, indien de artikelen de hulpofficier
van justitie of de opsporingsambtenaar als bevoegd aanwijzen, deze ambtenaar, de in
de artikelen 2.4.1, eerste en tweede lid, 2.6.7, eerste lid, 2.7.3, 2.7.8 tot en met
2.7.13, 2.7.37, eerste lid, 2.7.46, 2.7.67, bedoelde bevoegdheden uitoefenen en kan
de rechter-commissaris op vordering van de officier van justitie de bevoegdheden van
de artikelen 2.7.68, 2.7.69 en 2.10.52 uitoefenen. De rechter-commissaris kan de bevoegdheid
van artikel 2.10.52 ook ambtshalve of op verzoek van de verdachte uitoefenen. De artikelen 2.7.4,
onderdeel a, 2.7.5 en 2.7.17 zijn van overeenkomstige toepassing.
2. In het tweede lid, wordt «2.7.47» vervangen door «2.7.46».
DD
In artikel 6.5.16, eerste lid, wordt «vervolgingsbeslissing» vervangen door «vervolgbeslissing».
ARTIKEL VII
Boek 7 van het Wetboek van Strafvordering wordt als volgt gewijzigd:
A
In artikel 7.1.15, tweede lid, wordt «2.8.13 tot en met 2.8.16, 2.8.18,» vervangen
door «2.8.13 tot en met 2.8.18,».
B
In artikel 7.1.18, derde lid, wordt «gelast» vervangen door «bevolen».
C
Artikel 7.2.1 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid, onderdeel a, vervalt subonderdeel 1°, onder vernummering van de
subonderdelen 2° tot en met 7° tot subonderdelen 1° tot en met 6°.
2. In het eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 4° (nieuw) vervalt «onderbreking of».
3. Het derde en vierde lid komen te luiden:
3. Indien de rechter of officier van justitie opdracht heeft gegeven tot het houden
van toezicht door een andere instelling of persoon, geeft Onze Minister die andere
instelling of persoon opdracht toezicht te houden. Indien de aard van een gestelde
bijzondere voorwaarde, gedragsaanwijzing of de bijkomende straf, bedoeld in het eerste
lid, onderdeel c, daartoe aanleiding geeft en reclasseringstoezicht niet aangewezen
is, kan Onze Minister ook ambtshalve een opdracht geven.
4. Indien de opdracht tot toezicht is gegeven, zijn daaraan van rechtswege de voorwaarden
verbonden dat de verdachte of de veroordeelde:
a. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, daaronder begrepen de medewerking
aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang
als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht; en
b. ten behoeve van het vaststellen van diens identiteit medewerking verleent aan het
nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1
van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.
4. De tweede zin van het vijfde lid vervalt.
5. In het zesde lid wordt «aanwijzing» vervangen door «gedragsaanwijzing».
D
Artikel 7.2.5 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid vervalt «of een aanwijzing is gegeven».
2. In het vierde lid wordt «dit artikel» vervangen door «het eerste tot en met derde
lid».
3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld
over de nakoming van andere voorwaarden.
E
Artikel 7.2.6 wordt als volgt gewijzigd:
1. In de aanhef van het eerste lid wordt «een straf of maatregel» vervangen door «een
bij rechterlijke beslissing opgelegde straf of maatregel».
2. In het eerste lid, onderdeel c, wordt «de opdracht tot reclasseringstoezicht» vervangen
door «de opdracht tot toezicht, bedoeld in artikel 7.2.1, tweede en derde lid,».
3. In het derde lid wordt «bedoeld in artikel 38, vierde lid,» vervangen door «bedoeld
in artikel 38, vijfde lid,», wordt «voorwaarden» vervangen door «bijzondere voorwaarden»
en wordt «Artikel 38, vijfde lid» vervangen door «Artikel 38, zesde lid».
F
Artikel 7.2.7 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid, wordt «een voorwaardelijk niet tenuitvoergelegde straf of maatregel»
vervangen door «een bij rechterlijke beslissing opgelegde niet tenuitvoergelegde straf
of maatregel».
2. In het vijfde lid wordt «gelasten» vervangen door «bevelen».
3. In het zesde lid wordt «gelast» vervangen door «bevolen».
G
Titel 2.3, komt te luiden:
TITEL 2.3 OMZETTING VAN STRAFFEN EN MAATREGELEN IN EEN STRAFBESCHIKKING
Artikel 7.2.8a
1. De officier van justitie kan een onherroepelijke strafbeschikking in het nadeel van
de veroordeelde wijzigen indien:
a. naar zijn oordeel een ernstig vermoeden bestaat dat de veroordeelde binnen de proeftijd
een in die strafbeschikking gestelde voorwaarde niet naleeft of niet heeft nageleefd;
b. de strafbeschikking niet of niet volledig is tenuitvoergelegd.
2. In het geval, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, kan de wijziging inhouden:
a. het verlengen van de proeftijd met ten hoogste een jaar;
b. het alsnog stellen of wijzigen van de bijzondere voorwaarden of de termijn verlengen
waarbinnen de bijzondere voorwaarden gelden binnen de proeftijd;
c. het alsnog geven of wijzigen van de opdracht tot toezicht, bedoeld in artikel 3.3.1b,
derde lid;
d. het omzetten van de voorwaardelijk niet tenuitvoergelegde straf, of, al of niet onder
instandhouding of wijziging van de voorwaarden, een gedeelte daarvan in een onvoorwaardelijke
straf van gelijke soort en hoogte.
3. In het geval, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, kan de wijziging inhouden de
omzetting van de in de strafbeschikking opgelegde geldboete in een taakstraf. Voor
elke volle € 25 van de geldboete wordt niet meer dan twee uur taakstraf opgelegd.
4. Een wijziging als bedoeld in het derde lid vindt alleen plaats indien de veroordeelde
door de officier van justitie is gehoord. De veroordeelde wordt uiterlijk bij de aanvang
van het horen gewezen op de mogelijkheid om toevoeging van een raadsman te verzoeken.
Artikel 3.3.4, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
5. Artikel 3.3.5, eerste en tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op de beschikking
tot wijziging van de onherroepelijke strafbeschikking.
Artikel 7.2.8b
1. Indien naar het oordeel van de officier van justitie een ernstig vermoeden bestaat
dat de veroordeelde binnen de proeftijd de in de onherroepelijke strafbeschikking
gestelde algemene voorwaarde niet naleeft of niet heeft nageleefd, en de officier
van justitie voor het binnen de proeftijd begane feit een procesinleiding indient,
kan een wijziging van de onherroepelijke strafbeschikking wegens niet-naleving van
die voorwaarde in afwijking van artikel 7.2.8a alleen plaatsvinden door indiening
van een daartoe strekkende vordering overeenkomstig artikel 7.2.8c.
2. Indien naar het oordeel van de officier van justitie een ernstig vermoeden bestaat
dat de veroordeelde binnen de proeftijd de in de onherroepelijke strafbeschikking
gestelde algemene voorwaarde niet naleeft of niet heeft nageleefd, de officier van
justitie voor het binnen de proeftijd begane feit een strafbeschikking heeft uitgevaardigd
waartegen de veroordeelde verzet heeft gedaan, en de officier van justitie de zaak
overeenkomstig artikel 5.3.5 ter berechting aanbrengt, trekt de officier van justitie
de op grond van artikel 7.2.8a uitgevaardigde beschikking tot wijziging van de onherroepelijke
strafbeschikking wegens niet-naleving van die voorwaarde in, en dient hij een vordering
tot wijziging van de onherroepelijke strafbeschikking in overeenkomstig artikel 7.2.8c.
3. In de gevallen, bedoeld in het eerste en het tweede lid, wordt een vordering die
is gebaseerd of mede is gebaseerd op een ernstig vermoeden van schending van de algemene
voorwaarde gevoegd behandeld bij de berechting van het binnen de proeftijd begane
feit. Toewijzing van de vordering op grond van overtreding van de algemene voorwaarde
kan in deze gevallen alleen plaatsvinden in geval van een veroordeling wegens dat
feit.
Artikel 7.2.8c
1. De officier van justitie kan in de gevallen, bedoeld in artikel 7.2.8a, eerste lid,
bij de rechtbank een vordering tot wijziging van de onherroepelijke strafbeschikking
indienen. Behalve de in artikel 7.2.8a, tweede en derde lid, bedoelde wijzigingen,
kan de vordering ook een omzetting van een onvoorwaardelijke straf of een maatregel
in gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste drie maanden inhouden.
2. De rechtbank beoordeelt of de onherroepelijke strafbeschikking op een toereikende
schuldvaststelling berust. Indien de rechtbank oordeelt dat van een toereikende schuldvaststelling
geen sprake is, wijst zij de vordering af en vernietigt zij de onherroepelijke strafbeschikking.
Na vernietiging van de onherroepelijke strafbeschikking kan de gewezen verdachte niet
opnieuw worden vervolgd voor hetzelfde feit.
3. Bij toewijzing van de vordering wijzigt de rechtbank de onherroepelijke strafbeschikking
door een naar haar oordeel passende straf of maatregel op te leggen. Zij kan behalve
een in artikel 3.3.1 voorziene straf of maatregel, ook gevangenisstraf of hechtenis
van ten hoogste drie maanden opleggen. In het geval, bedoeld in artikel 7.2.8a, eerste
lid, onderdeel a, kan de wijziging mede een beslissing als bedoeld in artikel 7.2.6,
eerste lid, inhouden. De artikelen 21, 22d en 24c van het Wetboek van Strafrecht en
de artikelen 7.3.1, 7.5.8 en 7.6.4 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande
dat de vervangende hechtenis ten hoogste drie maanden en de vervangende taakstraf
ten hoogste honderdtachtig uur duurt.
H
Na artikel 7.2.9 wordt een artikel toegevoegd, luidende:
Artikel 7.2.10
1. De veroordeelde kan een bezwaarschrift indienen bij de rechtbank tegen de beschikking
van de officier van justitie tot wijziging van een onherroepelijke strafbeschikking
als bedoeld in artikel 7.2.8a.
2. Het bezwaarschrift is gemotiveerd en wordt ingediend binnen twee weken nadat een
kopie van de beschikking in persoon aan de veroordeelde is uitgereikt, dan wel zich
een andere omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de beschikking hem
bekend is. Het bezwaarschrift wordt ingediend bij de rechtbank van het arrondissement
waar de officier van justitie is aangesteld. Is de officier van justitie niet aangesteld
bij een arrondissementsparket, dan wordt het bezwaarschrift ingediend bij de rechtbank
die bevoegd is om het strafbare feit te berechten.
3. Indien niet is voldaan aan de in artikel 7.2.8a, eerste tot en met derde lid, gestelde
voorwaarden, verklaart de rechtbank het bezwaarschrift gegrond en vernietigt zij de
beschikking.
4. Indien is voldaan aan de in artikel 7.2.8a, eerste tot en met derde lid, gestelde
voorwaarden, beoordeelt de rechtbank of de wijziging passende bestraffing oplevert.
Indien dat naar haar oordeel het geval is, verklaart zij het bezwaarschrift ongegrond.
Indien dat naar haar oordeel niet het geval is, verklaart zij het bewaarschrift gegrond,
vernietigt zij de beschikking en wijzigt zij de onherroepelijke strafbeschikking door
een naar haar oordeel passende, in artikel 3.3.1 voorziene, straf of maatregel op
te leggen. In het geval, bedoeld in artikel 7.2.8a, eerste lid, onderdeel a, kan de
wijziging mede een beslissing als bedoeld in artikel 7.2.6, eerste lid, inhouden.
I
Artikel 7.3.4 vervalt.
J
In artikel 7.3.6 vervalt het tweede lid, onder vernummering van het derde lid tot
het tweede lid.
K
In artikel 7.3.7, tweede lid, onderdeel b, wordt «gelast» vervangen door «bevolen».
L
Artikel 7.3.9 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het tweede en derde lid komen te luiden:
2. Bij de voorwaardelijke invrijheidstelling kunnen door de officier van justitie bijzondere
voorwaarden betreffende het gedrag van de veroordeelde worden gesteld waaraan de veroordeelde
gedurende de proeftijd, of een bij de beslissing te bepalen gedeelte daarvan, dan
wel binnen een bij de beslissing te bepalen termijn, ten hoogste gelijk aan de proeftijd,
moet voldoen. De bijzondere voorwaarden kunnen inhouden:
a. een verbod direct of indirect contact te hebben of te zoeken met bepaalde personen
of instellingen, dat ook kan inhouden een verbod zich binnen een bepaalde afstand
van bepaalde personen te bevinden;
b. een verbod zich te bevinden in een bepaald gebied;
c. een verbod zich te vestigen in een bepaald gebied;
d. de verplichting te verhuizen uit een bepaald gebied;
e. een verplichting op bepaalde tijdstippen of gedurende een bepaalde periode op een
bepaalde locatie aanwezig te zijn;
f. een verplichting zich op bepaalde tijdstippen te melden bij een bepaalde instantie;
g. een beperking van het recht om Nederland te verlaten;
h. een verbod op het gebruik van alcohol of middelen als bedoeld in lijst I, lijst IA
of lijst II van de Opiumwet en de verplichting ten behoeve van de naleving van dit
verbod mee te werken aan een speekseltest, ademonderzoek, bloedonderzoek of urineonderzoek;
i. een verplichting zich te laten opnemen in een instelling;
j. een verplichting zich onder behandeling te stellen van een zorgaanbieder;
k. een verplichting te verblijven in een instelling voor beschermd wonen, tot begeleid
wonen of tot maatschappelijke opvang;
l. een verplichting tot het deelnemen aan een gedragsinterventie;
m. een verplichting zich in te spannen voor het vinden en behouden van een dagbesteding;
n. een verbod vrijwilligerswerk van een bepaalde aard te verrichten;
o. gehele of gedeeltelijke vergoeding van de door het strafbare feit veroorzaakte schade
of het treffen van een regeling voor het betalen van de schadevergoeding in termijnen;
p. andere voorwaarden, het gedrag van de veroordeelde betreffende.
3. Indien een bijzondere voorwaarde is gesteld, kan de officier van justitie een reclasseringsinstelling
opdracht geven toezicht te houden op de naleving van de bijzondere voorwaarden en
de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden. In dat geval wordt de veroordeelde
gewezen op de van rechtswege geldende voorwaarden, bedoeld in artikel 7.2.1, vierde
lid. Indien vanwege de aard van een gestelde bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht
niet aangewezen is, kan de officier van justitie een andere instelling of persoon
als bedoeld in artikel 7.2.1, derde lid, opdracht geven toezicht te houden.
2. Het vierde lid vervalt, onder vernummering van het vijfde en zesde lid tot vierde
en vijfde lid.
3. In het vijfde lid (nieuw) wordt «wijzigen of opheffen» vervangen door « alsnog stellen,
wijzigen of opheffen, of de termijn wijzigen waarbinnen de bijzondere voorwaarden
gelden binnen de proeftijd».
M
In artikel 7.3.12, eerste lid, wordt «gelast» vervangen door «beveelt».
N
In artikel 7.4.5, derde lid, wordt «voorwaarden» vervangen door «bijzondere voorwaarden»
en wordt «en vijfde lid» vervangen door «, derde en zesde lid».
O
In artikel 7.4.7, eerste lid, wordt «het wijzigen, aanvullen of opheffen van de voorwaarden»
vervangen door «het alsnog stellen, wijzigen of opheffen van de bijzondere voorwaarden»
en wordt «artikel 38, tweede lid,» vervangen door «artikel 38, derde lid,».
P
In artikel 7.4.8, vijfde lid, wordt «voorwaarden» telkens vervangen door «bijzondere
voorwaarden» en wordt «artikel 1.5.8, derde tot en met zesde lid» vervangen door «artikel 1.5.8,
derde, vierde, zesde en zevende lid».
Q
In artikel 7.4.12, vijfde lid, wordt «de gestelde voorwaarden wijzigen, aanvullen
of opheffen» vervangen door «de voorwaarden alsnog stellen, wijzigen of opheffen».
R
In artikel 7.5.10, tweede lid, wordt «zedenmisdrijf» vervangen door «seksueel misdrijf».
S
Het opschrift van Boek 7, Titel 5.2, komt te luiden:
TITEL 5.2 ONTNEMING VAN WEDERRECHTELIJK VERKREGEN VOORDEEL
T
In artikel 7.5.14 wordt «artikel 3.3.1, derde lid, onderdeel c» vervangen door «artikel 3.4.6,
eerste lid, onderdeel d».
U
Artikel 7.5.21 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid komt te luiden:
1. De rechtbank kan, indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, de officier van justitie
op zijn vordering machtigen te beslissen dat het dwangmiddel gijzeling wordt toegepast
bij de tenuitvoerlegging van een ontnemingsmaatregel.
2. Het tweede tot en met het vierde lid vervallen, onder vernummering van het vijfde
en zesde lid tot het tweede en derde lid.
3. In het tweede lid (nieuw) worden de tweede en derde zin vervangen door «De duur bedraagt
ten hoogste hetgeen door de rechter is bepaald bij het opleggen van de maatregel.»
V
Artikel 7.6.14 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het tweede en derde lid komen te luiden:
2. De rechtbank kan bij het bevel één of meer van de volgende bijzondere voorwaarden
stellen:
a. een verbod direct of indirect contact te hebben of te zoeken met bepaalde personen
of instellingen, dat ook kan inhouden een verbod zich binnen een bepaalde afstand
van bepaalde personen te bevinden;
b. een verbod zich te bevinden in een bepaald gebied;
c. een verbod zich te vestigen in een bepaald gebied;
d. de verplichting te verhuizen uit een bepaald gebied;
e. een verplichting op bepaalde tijdstippen of gedurende een bepaalde periode op een
bepaalde locatie aanwezig te zijn;
f. een verplichting zich op bepaalde tijdstippen te melden bij een bepaalde instantie;
g. een beperking van het recht om Nederland te verlaten;
h. een verbod op het gebruik van alcohol of middelen als bedoeld in lijst I, lijst IA
of lijst II van de Opiumwet en de verplichting ten behoeve van de naleving van dit
verbod mee te werken aan een speekseltest, ademonderzoek, bloedonderzoek of urineonderzoek;
i. een verplichting zich te laten opnemen in een instelling;
j. een verplichting zich onder behandeling te stellen van een zorgaanbieder;
k. een verplichting te verblijven in een instelling voor beschermd wonen, tot begeleid
wonen of tot maatschappelijke opvang;
l. een verplichting tot het deelnemen aan een gedragsinterventie;
m. een verplichting zich in te spannen voor het vinden en behouden van een dagbesteding;
n. een verbod vrijwilligerswerk van een bepaalde aard te verrichten;
o. andere voorwaarden, het gedrag van de veroordeelde betreffende.
3. Indien een bijzondere voorwaarde is gesteld, kan de rechter een reclasseringsinstelling
opdracht geven toezicht te houden op de naleving van de bijzondere voorwaarden en
de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden. In dat geval wordt de veroordeelde
gewezen op de van rechtswege geldende voorwaarden, bedoeld in artikel 7.2.1, vierde
lid. Indien vanwege de aard van een gestelde bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht
niet aangewezen is, kan de rechter een andere instelling of persoon als bedoeld in
artikel 7.2.1, derde lid, opdracht geven toezicht te houden.
2. Het vierde lid vervalt, onder vernummering van het vijfde tot en met achtste lid
tot het vierde tot en met zevende lid.
3. In het vijfde lid (nieuw) wordt «gelasten» vervangen door «bevelen» en wordt «gelast»
vervangen door «bevolen».
W
In artikel 7.6.15, derde lid, wordt «7.6.14, zesde lid, derde zin, en achtste lid»
vervangen door 7.6.14, vijfde lid, derde zin, en zevende lid».
X
In artikel 7.6.16, eerste lid, wordt «Artikel 7.6.14, tweede tot en met vijfde lid»
vervangen door «Artikel 7.6.14, tweede tot en met vierde lid».
Y
In artikel 7.7.4, eerste lid, onderdeel a, wordt «waarvan de rechter heeft bepaald»
vervangen door «waarvan is bevolen».
Z
In artikel 7.7.5, onderdeel d, wordt «gelast» vervangen door «beveelt».
AA
Artikel 7.7.7 wordt als volgt gewijzigd:
1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.
2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
2. Artikel 6.1.29, zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.
BB
In artikel 7.7.8 wordt «, 7.3.4 en 7.3.6, eerste en tweede lid» vervangen door «en
7.3.6, eerste lid» en vervalt «, met dien verstande dat in artikel 7.3.4, vijfde lid,
onder Hoofdstuk XIII van de Penitentiaire beginselenwet wordt verstaan Hoofdstuk XV
van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen».
CC
In artikel 7.7.13, zesde lid, onderdeel b, wordt voor de punt ingevoegd «, in welk
geval de veroordeelde wordt gewezen op de van rechtswege geldende voorwaarden, bedoeld
in artikel 7.2.1, vierde lid. Indien vanwege de aard van een gestelde bijzondere voorwaarde
reclasseringstoezicht niet aangewezen is, kan de rechter een andere instelling of
persoon als bedoeld in artikel 7.2.1, derde lid, opdracht geven toezicht te houden».
DD
In artikel 7.7.14, tweede lid, onderdeel b, wordt voor de punt ingevoegd «, in welk
geval de veroordeelde wordt gewezen op de van rechtswege geldende voorwaarden, bedoeld
in artikel 7.2.1, vierde lid. Indien vanwege de aard van een gestelde bijzondere voorwaarde
reclasseringstoezicht niet aangewezen is, kan de rechter een andere instelling of
persoon als bedoeld in artikel 7.2.1, derde lid, opdracht geven toezicht te houden».
EE
In artikel 7.7.18, onderdeel b, vervalt «, onderdeel b».
ARTIKEL VIII
Boek 8 van het Wetboek van Strafvordering wordt als volgt gewijzigd:
A
In artikel 8.2.11, eerste lid, wordt «artikel 8.2.9, zevende lid» vervangen door «artikel 8.2.10,
zevende lid».
B
In artikel 8.2.27, eerste lid, derde zin, wordt «2.8.21» vervangen door «2.8.22».
C
In artikel 8.3.9, eerste lid, wordt «met toepassing van artikel 2.7.48» vervangen
door «met toepassing van artikel 2.7.46, derde lid, artikel 2.7.48» en wordt «artikel 2.8.21»
vervangen door «artikel 2.8.22».
D
In artikel 8.5.9, vierde lid, wordt «andere staat» vervangen door «andere lidstaat».
E
In artikel 8.5.22, eerste lid, wordt «te officier van justitie» vervangen door «de
officier van justitie».
F
In artikel 8.7.7, eerste lid, wordt «in ontvangst worden genomen» vervangen door «in
ontvangst genomen».
G
In de artikelen 8.9.16, eerste lid, onderdeel a, en 8.9.21, tweede lid, onderdeel b,
wordt «artikel 8.9.15, derde lid,» vervangen door «artikel 8.9.15, vierde lid,».
H
Artikel 8.9.18 komt te luiden:
Artikel 8.9.18
1. De officier van justitie beveelt de persoon die gevaar veroorzaakt de maatregelen,
bedoeld in artikel 8.9.17, na te leven en stelt die persoon in kennis van de mogelijke
gevolgen van overtreding daarvan. Het bevel wordt aan de persoon die gevaar veroorzaakt
betekend.
2. De officier van justitie verstrekt het adres of andere contactgegevens van de beschermde
persoon niet aan de persoon die gevaar veroorzaakt, tenzij dat noodzakelijk is met
het oog op de tenuitvoerlegging van de opgelegde maatregelen.
3. De officier van justitie stelt de beschermde persoon en de bevoegde autoriteit van
de uitvaardigende lidstaat in kennis van de maatregelen, bedoeld in artikel 8.9.17,
alsmede van de mogelijke gevolgen van overtreding daarvan.
ARTIKEL IX
Het Wetboek van Strafrecht wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 14c wordt als volgt gewijzigd:
1. Het tweede lid komt te luiden:
2. Bij toepassing van artikel 14a kunnen voorts de volgende bijzondere voorwaarden worden
gesteld, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd, of een bij de veroordeling
te bepalen gedeelte daarvan, dan wel binnen een door de rechter te bepalen termijn,
ten hoogste gelijk aan de proeftijd, heeft te voldoen:
a. een verbod direct of indirect contact te hebben of te zoeken met bepaalde personen
of instellingen, dat ook kan inhouden een verbod zich binnen een bepaalde afstand
van bepaalde personen te bevinden;
b. een verbod zich te bevinden in een bepaald gebied;
c. een verbod zich te vestigen in een bepaald gebied;
d. de verplichting te verhuizen uit een bepaald gebied;
e. een verplichting op bepaalde tijdstippen of gedurende een bepaalde periode op een
bepaalde locatie aanwezig te zijn;
f. een verplichting zich op bepaalde tijdstippen te melden bij een bepaalde instantie;
g. een beperking van het recht om Nederland te verlaten;
h. een verbod op het gebruik van alcohol of middelen als bedoeld in lijst I, lijst IA
of lijst II van de Opiumwet en de verplichting ten behoeve van de naleving van dit
verbod mee te werken aan een speekseltest, ademonderzoek, bloedonderzoek of urineonderzoek;
i. een verplichting zich te laten opnemen in een instelling;
j. een verplichting zich onder behandeling te stellen van een zorgaanbieder;
k. een verplichting te verblijven in een instelling voor beschermd wonen, tot begeleid
wonen of tot maatschappelijke opvang;
l. een verplichting tot het deelnemen aan een gedragsinterventie;
m. een verplichting zich in te spannen voor het vinden en behouden van een dagbesteding;
n. een verbod vrijwilligerswerk van een bepaalde aard te verrichten;
o. gehele of gedeeltelijke vergoeding van de door het strafbare feit veroorzaakte schade;
p. geheel of gedeeltelijk herstel van de door het strafbare feit veroorzaakte schade;
q. storting van een door de rechter vast te stellen waarborgsom, ten hoogste gelijk aan
het verschil tussen het maximum van de geldboete die voor het feit kan worden opgelegd
en de opgelegde boete;
r. storting van een door de rechter vast te stellen geldbedrag in het schadefonds geweldsmisdrijven
of ten gunste van een instelling die zich ten doel stelt belangen van slachtoffers
van strafbare feiten te behartigen. Het bedrag kan niet hoger zijn dan de geldboete
die ten hoogste voor het strafbare feit kan worden opgelegd;
s. naleving van aanwijzingen in het kader van gedragstoezicht gericht op compliancebeleid;
t. andere voorwaarden, het gedrag van de veroordeelde betreffende.
2. Het derde lid komt te luiden:
3. Indien een bijzondere voorwaarde is gesteld, kan de rechter een reclasseringsinstelling
opdracht geven toezicht te houden op de naleving van de bijzondere voorwaarden en
de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden. In dat geval wordt de veroordeelde
gewezen op de van rechtswege geldende voorwaarden, bedoeld in artikel 7.2.1, vierde
lid, van het Wetboek van Strafvordering. Indien vanwege de aard van een gestelde bijzondere
voorwaarde reclasseringstoezicht niet aangewezen is, kan de rechter een andere instelling
of persoon als bedoeld in artikel 7.2.1, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering
opdracht geven toezicht te houden.
3. In het vijfde lid wordt «3°» vervangen door «q» en wordt «4°» vervangen door «r».
4. Het zesde en zevende lid vervallen.
B
Artikel 28, vierde lid, komt te luiden:
4. De rechter kan een reclasseringsinstelling opdracht geven toezicht te houden op de
naleving van de ontzetting van het recht om ambten of bepaalde ambten te bekleden
en het recht om bepaalde beroepen uit te oefenen en de veroordeelde ten behoeve daarvan
te begeleiden. In dat geval wordt de veroordeelde gewezen op de van rechtswege geldende
voorwaarden, bedoeld in artikel 7.2.1, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering.
Indien vanwege de aard van de ontzetting van het recht om ambten of bepaalde ambten
te bekleden en het recht om bepaalde beroepen uit te oefenen reclasseringstoezicht
niet aangewezen is, kan de rechter een andere instelling of persoon als bedoeld in
artikel 7.2.1, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering opdracht geven toezicht
te houden.
C
In Titel IIA van het Eerste Boek wordt in het opschrift van de Eerste afdeling na
«Onttrekking aan het verkeer,» ingevoegd «vernietiging van gegevens,».
D
Artikel 36b wordt als volgt gewijzigd:
1. In de aanhef van het eerste lid wordt «Onttrekking aan het verkeer van in beslag
genomen voorwerpen kan» vervangen door «De maatregelen, bedoeld in de artikelen 36c
en 36d, kunnen».
2. In het derde lid wordt «De maatregel kan» vervangen door «De maatregelen, bedoeld
in het eerste lid, kunnen».
E
Artikel 36c wordt als volgt gewijzigd:
1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.
2. In het eerste lid (nieuw) komt de aanhef te luiden: Inbeslaggenomen voorwerpen kunnen
worden onttrokken aan het verkeer, indien het voorwerpen betreft:
3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
2. Aan het verkeer kunnen bovendien worden onttrokken de aan de dader of verdachte toebehorende
voorwerpen van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met
de wet of met het algemeen belang, welke bij gelegenheid van het onderzoek naar het
door hem begane feit, dan wel het feit waarvan hij wordt verdacht, zijn aangetroffen,
doch alleen indien de voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding
van soortgelijke feiten, dan wel tot de belemmering van de opsporing daarvan.
F
Artikel 36d komt te luiden:
Artikel 36d
Ontoegankelijk gemaakte gegevens kunnen worden vernietigd indien het gegevens betreft:
a. met betrekking tot welke of met behulp waarvan een strafbaar feit is begaan; of
b. die van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de
wet of het algemeen belang, voor zover de vernietiging noodzakelijk is ter voorkoming
van nieuwe strafbare feiten.
G
Artikel 38 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid, eerste volzin, wordt «voorwaarden» vervangen door «bijzondere
voorwaarden».
2. Het eerste lid, tweede volzin, komt te luiden:
In dat geval geldt de algemene voorwaarde dat de terbeschikkinggestelde zich niet
schuldig maakt aan een strafbaar feit.
3. Het tweede lid komt te luiden:
2. De volgende bijzondere voorwaarden kunnen worden gesteld, waaraan de terbeschikkinggestelde
gedurende de maximale termijn van de terbeschikkingstelling met voorwaarden, of een
bij de veroordeling te bepalen gedeelte daarvan, dan wel binnen een door de rechter
te bepalen termijn, ten hoogste gelijk aan de maximale termijn van de terbeschikkingstelling
met voorwaarden, heeft te voldoen:
a. een verbod direct of indirect contact te hebben of te zoeken met bepaalde personen
of instellingen, dat ook kan inhouden een verbod zich binnen een bepaalde afstand
van bepaalde personen te bevinden;
b. een verbod zich te bevinden in een bepaald gebied;
c. een verbod zich te vestigen in een bepaald gebied;
d. de verplichting te verhuizen uit een bepaald gebied;
e. een verplichting op bepaalde tijdstippen of gedurende een bepaalde periode op een
bepaalde locatie aanwezig te zijn;
f. een verplichting zich op bepaalde tijdstippen te melden bij een bepaalde instantie;
g. een beperking van het recht om Nederland te verlaten;
h. een verbod op het gebruik van alcohol of middelen als bedoeld in lijst I, lijst IA
of lijst II van de Opiumwet en de verplichting ten behoeve van de naleving van dit
verbod mee te werken aan een speekseltest, ademonderzoek, bloedonderzoek of urineonderzoek;
i. een verplichting zich te laten opnemen in een instelling;
j. een verplichting zich onder behandeling te stellen van een zorgaanbieder;
k. een verplichting te verblijven in een instelling voor beschermd wonen, tot begeleid
wonen of tot maatschappelijke opvang;
l. een verplichting tot het deelnemen aan een gedragsinterventie;
m. een verplichting zich in te spannen voor het vinden en behouden van een dagbesteding;
n. een verbod vrijwilligerswerk van een bepaalde aard te verrichten;
o. de verplichting tot het innemen van de door de behandelend arts voorgeschreven geneesmiddelen
dan wel het gedogen dat deze door de behandelend arts worden toegediend;
p. andere voorwaarden, het gedrag van de ter beschikking gestelde betreffende.
3. Onder vernummering van het derde tot en met achtste lid tot vierde tot en met negende
lid wordt na het tweede lid een lid ingevoegd, luidende:
3. De rechter geeft een reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving
van de bijzondere voorwaarde en de ter beschikking gestelde ten behoeve daarvan te
begeleiden. De terbeschikkinggestelde wordt gewezen op de van rechtswege geldende
voorwaarden, bedoeld in artikel 7.2.1, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering.
Indien vanwege de aard van een gestelde bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht
niet aangewezen is, kan de rechter een andere instelling of persoon als bedoeld in
artikel 7.2.1, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering opdracht geven toezicht
te houden.
4. In het vijfde lid (nieuw) wordt «voorwaarde» vervangen door «bijzondere voorwaarde».
5. In het zesde lid (nieuw) wordt «voorwaarde» telkens vervangen door «bijzondere voorwaarde».
6. In het achtste lid (nieuw) wordt «zesde lid» vervangen door «zevende lid».
H
In artikel 38a vervalt het eerste lid alsmede de aanduiding «2.» voor het tweede lid.
I
Artikel 38p wordt als volgt gewijzigd:
1. Aan het eerste lid wordt een zin toegevoegd, luidende: In dat geval geldt de algemene
voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig
maakt aan een strafbaar feit.
2. Het derde lid komt te luiden:
3. Bij toepassing van het eerste lid kunnen ter bescherming van de veiligheid van personen
of goederen de volgende bijzondere voorwaarden worden gesteld, waaraan de veroordeelde
gedurende de proeftijd, of een bij de veroordeling te bepalen gedeelte daarvan, dan
wel binnen een door de rechter te bepalen termijn, ten hoogste gelijk aan de proeftijd,
heeft te voldoen:
a. een verbod direct of indirect contact te hebben of te zoeken met bepaalde personen
of instellingen, dat ook kan inhouden een verbod zich binnen een bepaalde afstand
van bepaalde personen te bevinden;
b. een verbod zich te bevinden in een bepaald gebied;
c. een verbod zich te vestigen in een bepaald gebied;
d. een verplichting op bepaalde tijdstippen of gedurende een bepaalde periode op een
bepaalde locatie aanwezig te zijn;
e. een verplichting zich op bepaalde tijdstippen te melden bij een bepaalde instantie;
f. een beperking van het recht om Nederland te verlaten;
g. een verbod op het gebruik van alcohol of middelen als bedoeld in lijst I, lijst IA
of lijst II van de Opiumwet en de verplichting ten behoeve van de naleving van dit
verbod mee te werken aan een speekseltest, ademonderzoek, bloedonderzoek of urineonderzoek;
h. een verplichting zich te laten opnemen in een instelling;
i. een verplichting zich onder behandeling te stellen van een zorgaanbieder;
j. een verplichting te verblijven in een instelling voor beschermd wonen, tot begeleid
wonen of tot maatschappelijke opvang;
k. een verplichting tot het deelnemen aan een gedragsinterventie;
l. een verplichting zich in te spannen voor het vinden en behouden van een dagbesteding;
m. een verbod vrijwilligerswerk van een bepaalde aard te verrichten;
n. andere voorwaarden, het gedrag van de veroordeelde betreffende.
3. Het vierde lid komt te luiden:
4. Indien een bijzondere voorwaarde is gesteld, kan de rechter een reclasseringsinstelling
opdracht geven toezicht te houden op de naleving van de bijzondere voorwaarden en
de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden. In dat geval wordt de veroordeelde
gewezen op de van rechtswege geldende voorwaarden, bedoeld in artikel 7.2.1, vierde
lid, van het Wetboek van Strafvordering. Indien vanwege de aard van een gestelde bijzondere
voorwaarde reclasseringstoezicht niet aangewezen is, kan de rechter een andere instelling
of persoon als bedoeld in artikel 7.2.1, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering
opdracht geven toezicht te houden.
4. Het vijfde lid komt te luiden:
5. De bijzondere voorwaarde, bedoeld in het derde lid, onderdeel h, vindt plaats voor
een door de rechter te bepalen duur van ten hoogste twee jaren. Deze bijzondere voorwaarde
wordt slechts gesteld indien de veroordeelde zich bereid heeft verklaard de behandeling
te ondergaan.
5. In het zesde lid wordt «inrichting» vervangen door «instelling» en wordt «vijfde
lid» vervangen door «derde lid, onderdelen h, i en j,».
J
Artikel 38v, tweede lid, komt te luiden:
2. De rechter kan de verdachte één of meer van de volgende maatregelen bevelen:
a. een verbod direct of indirect contact te hebben of te zoeken met bepaalde personen
of instellingen, dat ook kan inhouden een verbod zich binnen een bepaalde afstand
van bepaalde personen te bevinden;
b. een verbod zich te bevinden in een bepaald gebied;
c. een verplichting op bepaalde tijdstippen of gedurende een bepaalde periode op een
bepaalde locatie aanwezig te zijn;
d. een verplichting zich op bepaalde tijdstippen te melden bij de daartoe aangewezen
opsporingsambtenaar.
K
Artikel 77t, eerste lid, komt te luiden:
1. Indien de maatregel voorwaardelijk eindigt, geldt de algemene voorwaarde dat de veroordeelde
zich tijdens de voorwaardelijke beëindiging niet schuldig maakt aan een strafbaar
feit.
L
Artikel 77z wordt als volgt gewijzigd:
1. Het tweede lid komt te luiden:
2. Bij toepassing van artikel 77x kunnen voorts de volgende bijzondere voorwaarden worden
gesteld, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd, of een bij de veroordeling
te bepalen gedeelte daarvan, dan wel binnen een door de rechter te bepalen termijn,
ten hoogste gelijk aan de proeftijd, heeft te voldoen:
a. een verbod direct of indirect contact te hebben of te zoeken met bepaalde personen
of instellingen, dat ook kan inhouden een verbod zich binnen een bepaalde afstand
van bepaalde personen te bevinden;
b. een verbod zich te bevinden in een bepaald gebied;
c. een verplichting op bepaalde tijdstippen of gedurende een bepaalde periode op een
bepaalde locatie aanwezig te zijn;
d. een verplichting zich op bepaalde tijdstippen te melden bij een bepaalde instantie;
e. een beperking van het recht om Nederland te verlaten;
f. een verbod op het gebruik van alcohol of middelen als bedoeld in lijst I, lijst IA
of lijst II van de Opiumwet en de verplichting ten behoeve van de naleving van dit
verbod mee te werken aan een speekseltest, ademonderzoek, bloedonderzoek of urineonderzoek;
g. een verplichting zich te laten opnemen in een instelling;
h. een verplichting zich onder behandeling te stellen van een zorgaanbieder;
i. een verplichting te verblijven in een instelling voor beschermd wonen, tot begeleid
wonen of tot maatschappelijke opvang;
j. een verplichting tot het deelnemen aan een gedragsinterventie;
k. een verplichting zich in te spannen voor het vinden en behouden van een dagbesteding;
l. een verbod vrijwilligerswerk van een bepaalde aard te verrichten;
m. gehele of gedeeltelijke vergoeding van de door het strafbare feit veroorzaakte schade;
n. geheel of gedeeltelijk herstel van de door het strafbare feit veroorzaakte schade;
o. storting van een door de rechter vast te stellen waarborgsom, ten hoogste gelijk aan
het verschil tussen het maximum van de geldboete die voor het feit kan worden opgelegd
en de opgelegde boete;
p. storting van een door de rechter vast te stellen geldbedrag in het schadefonds geweldsmisdrijven
of ten gunste van een instelling die zich ten doel stelt belangen van slachtoffers
van strafbare feiten te behartigen. Het bedrag kan niet hoger zijn dan de geldboete
die ten hoogste voor het strafbare feit kan worden opgelegd;
q. het volgen van onderwijs;
r. andere voorwaarden, het gedrag van de veroordeelde betreffende.
2. Het derde lid vervalt, onder vernummering van het vierde en vijfde lid tot het derde
en vierde lid.
3. In het vierde lid (nieuw) wordt «10°, 11° of 15°» vervangen door «g, h, i en r»,
en wordt «13°» vervangen door «j».
M
Artikel 77aa wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid komt te luiden:
1. Indien een bijzondere voorwaarde als bedoeld in artikel 77z is gesteld, kan de rechter
een gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet opdracht
geven toezicht te houden op de naleving van de bijzondere voorwaarden en de veroordeelde
ten behoeve daarvan te begeleiden. In dat geval wordt de veroordeelde gewezen op de
van rechtswege geldende voorwaarden, bedoeld in artikel 7.2.1, vierde lid, van het
Wetboek van Strafvordering. Indien vanwege de aard van een gestelde bijzondere voorwaarde
reclasseringstoezicht niet aangewezen is, kan de rechter een andere instelling of
persoon als bedoeld in artikel 7.2.1, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering
opdracht geven toezicht te houden.
2. In het tweede lid wordt «opdragen aan de veroordeelde ter zake van de naleving der
bijzondere voorwaarden hulp en steun te verlenen» vervangen door «opdracht geven toezicht
te houden op de naleving van de bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve
daarvan te begeleiden».
3. In het derde lid wordt «artikel 14c, zesde lid», vervangen door «artikel 14c, derde
lid».
ARTIKEL X
De Gratiewet wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 13 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt «voorwaarden die het gedrag van de veroordeelde betreffen»
vervangen door «de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van
de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit».
2. Het tweede lid komt te luiden:
2. Voorts kunnen de volgende bijzondere voorwaarden worden gesteld waaraan de veroordeelde
gedurende de proeftijd, of een bij de beslissing tot gratie onder voorwaarden te bepalen
gedeelte daarvan, dan wel binnen een door Onze Minister te bepalen termijn, ten hoogste
gelijk aan de proeftijd, heeft te voldoen:
a. een verbod direct of indirect contact te hebben of te zoeken met bepaalde personen
of instellingen, dat ook kan inhouden een verbod zich binnen een bepaalde afstand
van bepaalde personen te bevinden;
b. een verbod zich te bevinden in een bepaald gebied;
c. een verbod zich te vestigen in een bepaald gebied;
d. een verplichting op bepaalde tijdstippen of gedurende een bepaalde periode op een
bepaalde locatie aanwezig te zijn;
e. een verplichting zich op bepaalde tijdstippen te melden bij een bepaalde instantie;
f. een beperking van het recht om Nederland te verlaten;
g. een verbod op het gebruik van alcohol of middelen als bedoeld in lijst I, lijst IA
of lijst II van de Opiumwet en de verplichting ten behoeve van de naleving van dit
verbod mee te werken aan een speekseltest, ademonderzoek, bloedonderzoek of urineonderzoek;
h. een verplichting zich te laten opnemen in een instelling;
i. een verplichting zich onder behandeling te stellen van een zorgaanbieder;
j. een verplichting te verblijven in een instelling voor beschermd wonen, tot begeleid
wonen of tot maatschappelijke opvang;
k. een verplichting tot het deelnemen aan een gedragsinterventie;
l. een verplichting zich in te spannen voor het vinden en behouden van een dagbesteding;
m. een verbod vrijwilligerswerk van een bepaalde aard te verrichten;
n. het overeenkomstig de daaromtrent vastgestelde wettelijke voorschriften verrichten
van onbetaalde arbeid of het volgen van een leerproject;
o. betaling aan de Staat van een bepaald geldbedrag;
p. gehele of gedeeltelijke vergoeding van de door het strafbare feit veroorzaakte schade;
q. geheel of gedeeltelijk herstel van de door het strafbare feit veroorzaakte schade;
r. storting van een door de rechter vast te stellen waarborgsom, ten hoogste gelijk aan
het verschil tussen het maximum van de geldboete die voor het feit kan worden opgelegd
en de opgelegde boete;
s. storting van een door Onze Minister vast te stellen geldbedrag in het schadefonds
geweldsmisdrijven of ten gunste van een instelling die zich ten doel stelt belangen
van slachtoffers van strafbare feiten te behartigen. Het bedrag kan niet hoger zijn
dan de geldboete die ten hoogste voor het strafbare feit kan worden opgelegd;
t. het volgen van onderwijs;
u. andere voorwaarden, het gedrag van de veroordeelde betreffende.
3. Het derde en vijfde lid vervallen, onder vernummering van het vierde lid tot derde
lid.
4. In het derde lid (nieuw) wordt «derde lid» vervangen door «tweede lid, onderdelen o,
p, r en s».
B
Artikel 14, eerste lid, eerste zin, vervalt.
C
Artikel 15, eerste lid, komt te luiden:
1. Indien een bijzondere voorwaarde is gesteld, kan Onze Minister aan een krachtens
algemene maatregel van bestuur aangewezen reclasseringsinstelling opdracht geven toezicht
te houden op de naleving van de bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve
daarvan te begeleiden. In dat geval wordt de veroordeelde gewezen op de van rechtswege
geldende voorwaarden, bedoeld in artikel 7.2.1, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering.
Indien vanwege de aard van een gestelde bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht
niet aangewezen is, kan Onze Minister een andere instelling of persoon als bedoeld
in artikel 7.2.1, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering opdracht geven toezicht
te houden.
D
Artikel 17 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt «Indien de voorwaarden niet worden nageleefd» vervangen door
«Indien een ernstig vermoeden bestaat dat de veroordeelde een voorwaarde niet naleeft
of niet heeft nageleefd».
2. In het tweede lid wordt «13, vierde lid» vervangen door «13, derde lid».
E
In artikel 18, derde lid, wordt «het verlenen van hulp en steun» vervangen door «het
toezicht en de begeleiding».
ARTIKEL XI
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat
voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
ARTIKEL XII
Deze wet wordt aangehaald als: eerste aanvullingswet nieuw Wetboek van Strafvordering.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries,
autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven,
De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
De Minister van Justitie en Veiligheid,
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.