Voorstel van wet : Voorstel van wet (herdruk)
36 912 Regels over een basisverzekering voor arbeidsongeschikte zelfstandigen (Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen)
HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN
HOOFDSTUK 2. DE WACHTTIJD
Artikel 16. De wachttijd
Artikel 17. Verplichte melding ongeschiktheid voor de eigen arbeid
HOOFDSTUK 3. RECHTEN EN PLICHTEN
HOOFDSTUK 4. UITSLUITINGSGRONDEN
Artikel 32. Uitsluitingsgronden
Artikel 33. Nadere bepalingen met betrekking tot vrijheidsstraffen en vrijheidsbenemende
maatregelen
Artikel 34. Nadere bepalingen met betrekking tot in Nederland wonen
Artikel 35. Niet meewerken aan medisch onderzoek vóór recht op uitkering
HOOFDSTUK 5. DE ARBEIDSONGESCHIKTHEIDSUITKERING
HOOFDSTUK 6. DE AANVRAAG EN DE BETALING VAN DE ARBEIDSONGESCHIKTHEIDSUITKERING DOOR
HET UWV
HOOFDSTUK 7. HANDHAVING
Artikel 60. Maatregelen
Artikel 61. Afstemming maatregel
Artikel 62. Boete bij niet-nakoming inlichtingenverplichting
Artikel 63. Invordering bestuurlijke boete
Artikel 64. In kennis stellen re-integratiebedrijf in geval van een sanctie
HOOFDSTUK 8. INVLOED VAN DE VERZEKERING OP HET BURGERLIJK RECHT
Artikel 65. Samenloop aanspraken
Artikel 66. Regresrecht UWV
HOOFDSTUK 9. BEPALINGEN IN VERBAND MET DE ALGEMENE WET BESTUURSRECHT EN DE RECHTSGANG
HOOFDSTUK 10. OVERGANGSRECHT
Artikel 74. Overgangsrecht in verband met de particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering
Artikel 75. Overgangsrecht in verband met de vrijwillige verzekering ZW en Wet WIA
HOOFDSTUK 11. WIJZIGING VAN ANDERE WETTEN
Artikel 76. Wijziging van de Algemene wet bestuursrecht
Artikel 77. Wijziging van de Wet financiering sociale verzekeringen
Artikel 78. Wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001
Artikel 79 Wijziging van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
Artikel 80. Wijziging van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
Artikel 81. Wijziging van de Ziektewet
HOOFDSTUK 12. SLOTBEPALINGEN
Artikel 82. Beëindiging particuliere verzekering
Artikel 83. Buiten toepassingverklaring van Algemene termijnenwet
Artikel 84. Evaluatiebepaling
Artikel 85. Inwerkingtreding
Artikel 86. Citeertitel
Nr. 2 HERDRUK1
VOORSTEL VAN WET
Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om regels te stellen over
een verplichte basisverzekering van zelfstandigen tegen de geldelijke gevolgen van
arbeidsongeschiktheid;
Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen
overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden
en verstaan bij deze:
HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN
Paragraaf 1.1 Algemene begrippen
Artikel 1. Begripsbepalingen
Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
– arbeidsongeschiktheidsuitkering:
de arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in hoofdstuk 5;
– justitiële inrichting:
een penitentiaire inrichting, een instelling voor de verpleging van ter beschikking
gestelden, of een inrichting als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Beginselenwet
justitiële jeugdinrichtingen;
– Onze Minister:
Onze Minister van Werk en Participatie;
– re-integratiebedrijf:
een natuurlijke persoon dan wel rechtspersoon die in het kader van de uitoefening
van beroep of bedrijf de inschakeling van personen in de arbeid bevordert;
– resultaat uit overige werkzaamheden:
het belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden, bedoeld in afdeling 3.4 van de
Wet inkomstenbelasting 2001, behoudens voor zover het een werkzaamheid betreft als
bedoeld in de artikelen 3.91, eerste lid, onderdelen a en b, en 3.92 van de Wet inkomstenbelasting
2001;
– resultaat uit overige werkzaamheden in Nederland:
het belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden in Nederland, bedoeld in afdeling
7.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001, behoudens voor zover het een werkzaamheid
betreft als bedoeld in de artikelen 3.91, eerste lid, onderdelen a en b, en 3.92 van
de Wet inkomstenbelasting 2001;
– startende zelfstandige:
de zelfstandige van wie de arbeid als zelfstandige is aangevangen per een andere datum
dan de eerste dag van een kalenderjaar;
– uitreiziger:
persoon ten aanzien van wie op grond van een melding van de opsporingsdiensten of
inlichtingen- en veiligheidsdiensten, gericht aan het UWV, is gebleken dat het gegronde
vermoeden bestaat dat deze persoon zich buiten Nederland bevindt met het doel om zich
aan te sluiten bij een organisatie die is geplaatst op de lijst van organisaties,
bedoeld in artikel 14, vierde lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap;
– UWV:
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
– verzekeraar:
een financiële onderneming die op grond van de Wet op het financieel toezicht in Nederland
het bedrijf van levensverzekeraar of schadeverzekeraar mag uitoefenen;
– verzekerde:
de verzekerde, bedoeld in artikel 7;
– vreemdeling:
de persoon, bedoeld in de Vreemdelingenwet 2000;
– vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel:
een bij onherroepelijk geworden vonnis opgelegde vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende
maatregel als bedoeld in het Wetboek van Strafrecht;
– wachttijd:
de wachttijd, bedoeld in artikel 16;
– zelfstandige:
de zelfstandige, bedoeld in artikel 9.
Artikel 2. Gelijkstelling niet-gehuwden met gehuwden
1. Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt gelijkgesteld
met:
a. echtgenoot: geregistreerde partner;
b. gehuwd: als partner geregistreerd.
2. Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt:
a. als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde meerderjarige die met een
andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft
een bloedverwant in de eerste graad;
b. als ongehuwd mede aangemerkt de persoon die duurzaam gescheiden leeft van de persoon
met wie hij gehuwd is.
3. Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen hun hoofdverblijf
in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel
van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
4. Een gezamenlijke huishouding wordt in ieder geval aanwezig geacht indien de betrokkenen
hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en:
a. zij met elkaar gehuwd zijn geweest of eerder voor de toepassing van deze wet daarmee
gelijk zijn gesteld;
b. uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind
van de een door de ander;
c. zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan de huishouding krachtens
een geldend samenlevingscontract; of
d. zij op grond van een registratie worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding
die naar aard en strekking overeenkomt met de gezamenlijke huishouding, bedoeld in
het derde lid.
5. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot
hetgeen wordt verstaan onder het blijk geven zorg te dragen voor een ander als bedoeld
in het derde lid.
6. Bij algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld welke registraties, en gedurende
welk tijdvak, in aanmerking worden genomen voor de toepassing van het vierde lid,
onderdeel d.
7. Onder bloedverwant in de eerste graad als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a,
wordt mede verstaan een meerderjarig aangehuwd kind of een meerderjarig voormalig
pleegkind van de ongehuwde meerderjarige.
8. Onder voormalig pleegkind als bedoeld in het zevende lid wordt verstaan een pleegkind
voor wie de ongehuwde meerderjarige een pleegvergoeding ontving of ontvangt op grond
van de Wet op de jeugdzorg of de Jeugdwet, of kinderbijslag ontving op grond van de
Algemene Kinderbijslagwet.
Artikel 3. Woonplaats
1. Waar iemand woont, wordt naar de omstandigheden beoordeeld.
2. Voor de toepassing van het eerste lid worden schepen die binnen Nederland hun thuishaven
hebben, als deel van Nederland beschouwd.
Paragraaf 1.2 Begrip winst uit onderneming
Artikel 4. Winst uit onderneming
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. winst uit onderneming:
de belastbare winst uit onderneming, bedoeld in paragraaf 3.2.1 van de Wet inkomstenbelasting
2001, met uitzondering van de belastbare winst uit onderneming, bedoeld in artikel
3.3 van die wet, vermeerderd met de ondernemersaftrek, bedoeld in paragraaf 3.2.4
van die wet en de MKB-winstvrijstelling bedoeld in paragraaf 3.2.5 van die wet;
b. winst uit Nederlandse onderneming:
de belastbare winst uit Nederlandse onderneming, bedoeld in afdeling 7.2 van de Wet
inkomstenbelasting 2001, met uitzondering van de belastbare winst uit onderneming,
bedoeld in artikel 3.3 van die wet, vermeerderd met de ondernemersaftrek, bedoeld
in paragraaf 3.2.4 van die wet en de MKB-winstvrijstelling bedoeld in paragraaf 3.2.5
van die wet.
Paragraaf 1.3 Begrip arbeidsongeschiktheid
Artikel 5. Begrip arbeidsongeschiktheid
Arbeidsongeschikt is de verzekerde die als rechtstreeks en objectief medisch vast
te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling niet in staat is met
arbeid het minimumloon per maand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van
de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, te verdienen.
Artikel 6. Nadere bepaling arbeidsongeschiktheid
1. De beoordeling of sprake is van arbeidsongeschiktheid wordt gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig
en voor zover nodig een arbeidskundig onderzoek.
2. Bij het vaststellen van arbeidsongeschiktheid wordt buiten beschouwing gelaten of
de verzekerde de arbeid feitelijk kan verkrijgen.
3. Onder arbeid als bedoeld in artikel 5 wordt verstaan algemeen geaccepteerde arbeid,
die de ondergrens van de verdiencapaciteit markeert, met een minimale belasting.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot het eerste
en derde lid, nadere en zo nodig afwijkende regels worden gesteld.
5. De voordracht voor een krachtens het vierde lid vast te stellen algemene maatregel
van bestuur, dan wel de vaststelling van een ministeriële regeling op basis van een
dergelijke algemene maatregel van bestuur, wordt niet eerder gedaan dan vier weken
nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
6. Bij de beoordeling, bedoeld in het eerste lid, maakt de verzekeringsarts zo veel
mogelijk gebruik van wetenschappelijke inzichten die de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid
kunnen ondersteunen.
Paragraaf 1.4 Begrip verzekerde
Artikel 7. De verzekerde
1. Verzekerd op grond van deze wet is de zelfstandige.
2. Niet verzekerd is de vreemdeling die niet rechtmatig in Nederland verblijf houdt
in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan, in afwijking van het eerste
en tweede lid, uitbreiding dan wel beperking worden gegeven aan de kring van verzekerden.
4. Bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het derde lid, kan worden afgeweken
van het tweede lid ten aanzien van:
a. vreemdelingen die rechtmatig in Nederland arbeid verrichten, dan wel hebben verricht;
b. vreemdelingen die, na rechtmatig verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel
8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000, rechtmatig in Nederland
verblijf hebben als bedoeld in artikel 8, onderdelen g of h, van de Vreemdelingenwet
2000.
Artikel 8. Afwijking kring verzekerden
Zo nodig in afwijking van artikel 7 en de daarop berustende bepalingen:
a. wordt als verzekerde aangemerkt de persoon van wie de verzekering op grond van deze
wet voortvloeit uit de toepassing van bepalingen van een verdrag of van een besluit
van een volkenrechtelijke organisatie;
b. wordt niet als verzekerde aangemerkt de persoon op wie op grond van een verdrag of
een besluit van een volkenrechtelijke organisatie de wetgeving van een andere mogendheid
van toepassing is.
Artikel 9. Zelfstandige
Zelfstandige is de persoon die de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel
7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, nog niet heeft bereikt, die:
a. in Nederland woont en die winst uit onderneming geniet als bedoeld in artikel 4, onderdeel
a;
b. niet in Nederland woont en die winst uit Nederlandse onderneming geniet als bedoeld
in artikel 4, onderdeel b.
Artikel 10. Nawerking verzekering
1. De persoon die binnen vier weken na het einde van diens verzekering ziek wordt, wordt
voor het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering beschouwd alsof die persoon
verzekerd was gebleven.
2. De in het eerste lid bedoelde aanspraak komt niet toe aan:
a. degene aan wie een ontheffing is verleend als bedoeld in artikel 11;
b. degene die de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van
de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt; en
c. degene die ingevolge de wetgeving van een andere Mogendheid recht kan hebben op uitkering
bij ziekte of arbeidsongeschiktheid.
3. De in het eerste lid bedoelde aanspraak komt mede toe aan de persoon van wie bevalling
waarschijnlijk is, onderscheidenlijk van wie de bevalling plaatsvindt, binnen een
tijdsverloop van tien weken na het einde van diens verzekering.
Paragraaf 1.5 Ontheffing van de verplichte verzekering
Artikel 11. Ontheffing verplichte verzekering bij een particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering
1. Het UWV verleent een persoon ontheffing van de verplichte verzekering op grond van
deze wet, indien die persoon met een verzekeraar een verzekeringsovereenkomst heeft
gesloten, die ten doel heeft die persoon een periodieke uitkering te verlenen ter
bescherming van derving van inkomen als gevolg van arbeidsongeschiktheid, onder de
voorwaarden dat:
a. onder arbeidsongeschiktheid in ieder geval wordt verstaan dat de persoon als rechtstreeks
en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling
niet in staat is met arbeid het minimumloon per maand, bedoeld in artikel 8, eerste
lid, onderdeel b, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, te verdienen;
b. de arbeidsongeschiktheid ten hoogste 104 weken heeft geduurd, voordat het recht op
uitkering ontstaat;
c. het recht op uitkering in ieder geval niet wordt uitgesloten vanwege ziekte, gebrek,
zwangerschap of bevalling of, zo nodig in afwijking van artikel 952 van Boek 7 van
het Burgerlijk Wetboek, vanwege arbeidsongeschiktheid die door roekeloosheid van de
zelfstandige is ontstaan, of een nader bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
te bepalen uitsluitingsgrond;
d. het recht op uitkering, anders dan wegens de toepassing van een uitsluitingsgrond,
niet eerder eindigt dan de dag waarop de persoon niet langer arbeidsongeschikt is
dan wel op de dag waarop de persoon de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel
7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, bereikt;
e. de hoogte van de uitkering,
1°. op de dag waarop de verzekeringsovereenkomst wordt gesloten, ten minste wordt bepaald
op 0,7 x A, waarbij A staat voor de uitkeringsgrondslag, gebaseerd op de winst uit
onderneming respectievelijk winst uit Nederlandse onderneming, die ten hoogste 142,86%
bedraagt van het minimumloon per maand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel
b, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag; of
2°. ten minste gelijk is aan de hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering die op grond
van artikelen 40 en 42 zou zijn berekend, indien de persoon voor deze wet verzekerd
zou zijn;
f. de minimale hoogte van de uitkering, bedoeld in onderdeel e, onder 1°,
1°. eenmaal per drie jaar op de in onderdeel e, onder 1°, genoemde wijze opnieuw wordt
vastgesteld, tenzij op dat moment sprake is van arbeidsongeschiktheid en het recht
op uitkering nog niet is ontstaan;
2°. indien het recht op uitkering is ontstaan, eenmaal per jaar op een vaste datum wordt
herzien met hetzelfde percentage als waarmee de consumentenprijsindex in een referentiemaand
naar boven afwijkt van de consumentenprijsindex in de referentiemaand waarop de laatste
herziening is gebaseerd, of, indien nog geen herziening heeft plaatsgevonden, van
de consumentenprijsindex op het moment dat de hoogte voor het laatst is vastgesteld
op grond van onderdeel 1° of onderdeel e, onder 1°;
g. de hoogte van de premie,
1°. in de situatie, bedoeld in onderdeel e, onder 1°, op de dag waarop de verzekeringsovereenkomst
wordt gesloten, ten minste wordt bepaald op P x A, waarbij:
P staat voor het premiepercentage, bedoeld in artikel 56d van de Wet financiering
sociale verzekeringen, dat van toepassing is op de dag waarop de verzekeringsovereenkomst
wordt gesloten;
A staat voor de uitkeringsgrondslag, bedoeld in onderdeel e, onder 1°; of
2°. in de situatie, bedoeld in onderdeel e, onder 2°, ten minste gelijk is aan de hoogte
van de premie die op grond van artikelen 56c en 56d van de Wet financiering sociale
verzekeringen zou zijn berekend, indien de persoon voor deze wet verzekerd zou zijn;
h. de minimale premie, bedoeld in onderdeel g, onder 1°, op het moment van toepassing
van de in onderdeel f, onder 1°, gestelde voorwaarde, op de in onderdeel g, onder
1°, genoemde wijze wordt vastgesteld; en
i. de persoon de premie in ieder geval verschuldigd is tot de dag waarop de persoon in
verband met arbeidsongeschiktheid recht heeft op ten minste 25% van de hoogte van
de uitkering.
2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel d, geldt als voorwaarde voor de verzekeringsovereenkomst
dat het recht op uitkering niet eerder eindigt dan de dag waarop de persoon de eindleeftijd
bereikt, indien:
a. de verzekeringsovereenkomst is afgesloten voor de dag waarop artikel 7a van de Algemene
Ouderdomswet zodanig wordt gewijzigd dat de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld
in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet verder kan stijgen dan de
stijging van de gemiddelde resterende levensverwachting op 65-jarige leeftijd; en
b. de persoon de eindleeftijd eerder bereikt dan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld
in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet.
3. De eindleeftijd, bedoeld in het tweede lid, is gelijk aan de pensioengerechtigde
leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, op de dag
voor kalenderjaar Y, waarbij kalenderjaar Y staat voor het kalenderjaar waarin de
pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet
verder stijgt dan de stijging van de gemiddelde resterende levensverwachting op 65-jarige
leeftijd, en wordt jaarlijks op 1 januari verhoogd volgens de formule:
VE = (L-LY) – (E-EY)
waarbij:
VE staat voor de periode waarmee de eindleeftijd wordt verhoogd, uitgedrukt in perioden
van een jaar;
L staat voor de geraamde macro gemiddelde resterende levensverwachting op 65-jarige
leeftijd in het kalenderjaar van de verhoging van de eindleeftijd;
LY staat voor de geraamde macro gemiddelde resterende levensverwachting op 65-jarige
leeftijd in het kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar Y;
E staat voor de eindleeftijd in het kalenderjaar voorafgaande aan het kalenderjaar
van de verhoging van de eindleeftijd;
EY gelijk is aan 2/3 * (LY-20,64) + 67.
De verhoging VE wordt afgerond op periodes van gehele maanden. Indien VE negatief is, wordt deze gesteld op 0.
Op personen die in een bepaald kalenderjaar de eindleeftijd hebben bereikt, is de
eindleeftijd in de kalenderjaren daarna niet van toepassing.
4. Bij algemene maatregel van bestuur wordt nader geregeld wat onder de uitkeringsgrondslag
als bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, onder 1°, en wat onder de consumentenprijsindex
als bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, onder 2°, wordt verstaan.
5. Onder referentiemaand als bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, onder 2°, wordt
verstaan: de ten behoeve van de jaarlijkse herziening van de uitkering door de verzekeraar
gehanteerde vaste maand van het jaar op basis waarvan de procentuele stijging van
de consumentenprijsindex wordt berekend.
6. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de wijze waarop
het kalenderjaar Y, bedoeld in het tweede lid, wordt bepaald en wat wordt verstaan
onder de stijging van de gemiddelde resterende levensverwachting op 65-jarige leeftijd,
bedoeld in het tweede en derde lid.
Artikel 12. Aanvraag ontheffing
1. Het UWV verleent de ontheffing, bedoeld in artikel 11, op aanvraag van de verzekeraar
met ingang van 1 januari van een kalenderjaar.
2. De aanvraag gaat vergezeld van:
a. een verklaring van de verzekeraar met ingang van welke datum als bedoeld in het eerste
lid de persoon waarvoor de ontheffing wordt aangevraagd ontheffing dient te worden
verleend;
b. een verklaring van de verzekeraar dat met die persoon in ieder geval met ingang van
de datum, bedoeld in onderdeel a, een verzekeringsovereenkomst als bedoeld in artikel
11 is gesloten; en
c. een verklaring van die persoon dat deze vanwege de met de verzekeraar gesloten verzekeringsovereenkomst
met ingang van de datum, bedoeld in onderdeel a, van de verplichte verzekering op
grond van deze wet wenst te worden ontheven.
3. Indien de aanvraag meer dan dertien weken later wordt ingediend dan de datum, bedoeld
in het tweede lid, onderdeel a, vangt de ontheffing aan met ingang van 1 januari van
het kalenderjaar na de datum van indiening van die aanvraag.
4. In afwijking van het eerste lid verleent het UWV de ontheffing met ingang van een
andere dag dan 1 januari, indien de persoon waarvoor de ontheffing wordt aangevraagd
in ieder geval tot die andere dag al ontheven was op grond van een andere verzekeringsovereenkomst.
Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing.
5. In afwijking van het eerste lid verleent het UWV de ontheffing voor een startende
zelfstandige met ingang van de aanvangsdatum van de arbeid als zelfstandige. Het tweede
en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 13. Verplichte melding
1. Indien het UWV een ontheffing als bedoeld in artikel 11 heeft verleend en de verzekeringsovereenkomst,
bedoeld in dat artikel:
a. zodanig wijzigt dat deze niet meer voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in artikel
11; of
b. eindigt;
meldt de verzekeraar dit aan het UWV, onder vermelding van de datum waarop zich dit
voordoet.
2. De verzekeraar doet de melding uiterlijk een dag voor de datum, bedoeld in het eerste
lid. Indien een melding per die dag in redelijkheid niet van de verzekeraar kan worden
gevergd, doet de verzekeraar de melding zo spoedig mogelijk.
3. Het UWV kan een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste het bedrag dat is vastgelegd
voor de tweede categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht
indien de verzekeraar de verplichting tot melding niet of niet behoorlijk is nagekomen.
Artikel 14. Beëindiging ontheffing
1. Na een melding als bedoeld in artikel 13, eerste lid, beëindigt het UWV de ontheffing,
bedoeld in artikel 11, met ingang van 1 januari van het kalenderjaar na de datum,
bedoeld in artikel 13, eerste lid, met dien verstande dat het UWV de ontheffing niet
eerder beëindigt dan met ingang van 1 januari van het kalenderjaar na de datum waarop
de melding is gedaan.
2. Op aanvraag van een persoon als bedoeld in artikel 11, eerste lid, tot beëindiging
van de ontheffing, beëindigt het UWV de ontheffing met ingang van 1 januari van het
kalenderjaar na de datum waarop die aanvraag is ingediend.
3. In afwijking van het eerste en tweede lid beëindigt het UWV de ontheffing met ingang
van de dag na de datum, bedoeld in artikel 13, eerste lid, met dien verstande dat
het UWV de ontheffing niet eerder beëindigt dan met ingang van de dag na de datum
waarop de melding is gedaan dan wel de aanvraag is ingediend, indien:
a. sprake is van een verzekeringsovereenkomst die eindigt vanwege het faillissement van
de verzekeraar;
b. de toepassing van het eerste lid zou leiden tot een kennelijke hardheid.
4. In afwijking van het eerste en tweede lid beëindigt het UWV de ontheffing met ingang
van de dag na de datum, bedoeld in artikel 13, eerste lid, dan wel een in de aanvraag,
bedoeld in het tweede lid, vermelde dag, indien voor die dag een aanvraag is ingediend
als bedoeld in artikel 12, vierde lid, met een aansluitende verzochte datum van ontheffing.
Artikel 15. Beëindiging ontheffing bij uitblijven betaling stabiliteitsbijdrage
1. Indien een verzekeraar een stabiliteitsbijdrage, bedoeld in artikel 56b, tweede lid,
van de Wet financiering sociale verzekeringen, niet heeft betaald binnen een door
het UWV gegeven aanmaningstermijn, stelt het UWV deze verzekeraar, en de persoon aan
wie een ontheffing is verleend van de verplichte verzekering in verband met een verzekeringsovereenkomst
met deze verzekeraar als bedoeld in artikel 11, schriftelijk in kennis van de consequenties,
bedoeld in dit artikel, van het uitblijven van betaling binnen deze aanmaningstermijn.
2. Indien een verzekeraar de stabiliteitsbijdrage, bedoeld in het eerste lid, niet binnen
vier weken na de dag van verzending van de kennisgeving betaalt, beëindigt het UWV
de ontheffing van de persoon, bedoeld in het eerste lid.
3. Het UWV beëindigt de ontheffing met ingang van twee maanden na de dag waarop het
UWV de beschikking tot beëindiging neemt.
4. De persoon van wie de ontheffing wordt beëindigd op de wijze, bedoeld in het tweede
lid, kan de verzekeringsovereenkomst, bedoeld in artikel 11, beëindigen door een verzoek
hiertoe uiterlijk op de dag voor de datum van beëindiging van de ontheffing aan de
verzekeraar kenbaar te maken, waarbij de verzekeringsovereenkomst in ieder geval beëindigd
kan worden met ingang van de datum van beëindiging van de ontheffing.
5. De premie die de persoon, wiens verzekering op grond van het vierde lid is beëindigd,
heeft vooruitbetaald en die ziet op de periode na een beëindiging als bedoeld in het
vierde lid, wordt door de verzekeraar terugbetaald.
HOOFDSTUK 2. DE WACHTTIJD
Artikel 16. De wachttijd
1. Voordat de verzekerde aanspraak kan maken op een arbeidsongeschiktheidsuitkering
geldt voor de verzekerde een wachttijd van 104 weken.
2. Als eerste dag van de wachttijd geldt de eerste werkdag waarop wegens ziekte, gebrek,
zwangerschap of bevalling niet is gewerkt of het werken tijdens de werktijd is gestaakt.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld en kunnen dagen waarop
niet zou worden gewerkt als werkdag worden aangemerkt.
3. Bij het bepalen van de wachttijd worden perioden in aanmerking genomen waarin de
verzekerde wegens ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling ongeschikt is geweest
voor de eigen arbeid. Deze perioden worden samengeteld, indien zij:
a. elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen; of
b. direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin uitkering in verband met
zwangerschap of bevalling op grond van artikel 3:18 of 3:30, eerste lid, van de Wet
arbeid en zorg wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid voorafgaande aan en de ongeschiktheid
aansluitende op die periode redelijkerwijs niet geacht kunnen worden voort te vloeien
uit dezelfde oorzaak.
4. Voor het bepalen van de wachttijd worden niet in aanmerking genomen perioden gedurende
welke een uitkering wordt genoten als bedoeld in het derde lid, onderdeel b.
Artikel 17. Verplichte melding ongeschiktheid voor de eigen arbeid
1. De verzekerde is verplicht de in artikel 16, tweede lid, bedoelde dag binnen dertien
weken bij het UWV te melden.
2. Indien de gemelde eerste ziektedag meer dan dertien weken is gelegen voor de dag
waarop de verzekerde de melding heeft gedaan, wordt, in afwijking van artikel 16,
tweede lid, ten vroegste de dag die dertien weken voor de dag van de melding is gelegen
als eerste dag beschouwd waarop de verzekerde wegens ziekte, gebrek, zwangerschap
of bevalling niet heeft gewerkt of het werken tijdens de werktijd heeft gestaakt.
Het UWV kan voor bijzondere gevallen van de eerste zin afwijken.
3. Het UWV stelt na de melding, bedoeld in het eerste lid, vast of de verzekerde wegens
ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling ongeschikt is voor de eigen arbeid.
HOOFDSTUK 3. RECHTEN EN PLICHTEN
Paragraaf 3.1 Verplichtingen van de verzekerde
Artikel 18. Informatieplicht en medewerking aan controle
1. De verzekerde, alsmede de instelling waaraan op grond van artikel 48 een arbeidsongeschiktheidsuitkering
wordt uitbetaald, verstrekt op verzoek of uit eigen beweging zo spoedig mogelijk alle
informatie, waarvan het de verzekerde redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat die van
invloed kan zijn op het recht, de hoogte, of de betaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het UWV kunnen
worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte
gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties.
Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing
is.
2. De verzekerde is verplicht:
a. te voldoen aan elke oproep van het UWV of van een of meer door het UWV aangewezen
personen om aanwezig te zijn op een door of vanwege het UWV te bepalen plaats voor
beantwoording van vragen als bedoeld in onderdeel b, het meewerken aan onderzoek als
bedoeld in onderdeel c of het naleven van de controlevoorschriften, bedoeld in onderdeel
d;
b. vragen te beantwoorden die door het UWV of door een of meer door het UWV aangewezen
personen in verband met het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering worden gesteld;
c. mee te werken door zich te laten onderzoeken door het UWV of door een of meer daartoe
door het UWV aangewezen personen;
d. tot naleving van door het UWV vastgestelde controlevoorschriften die noodzakelijk
zijn voor een juiste uitvoering van deze wet;
e. op verzoek onverwijld inzage te geven aan het UWV in een op de verzekerde betrekking
hebbend document als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1° tot en met 3°, van
de Wet op de identificatieplicht;
f. zich te onthouden van zeer ernstige misdragingen jegens de met de uitvoering van deze
wet belaste personen en instanties tijdens het verrichten van hun werkzaamheden.
3. De verplichtingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn van overeenkomstige
toepassing ten aanzien van:
a. het re-integratiebedrijf dat in opdracht van het UWV werkzaamheden verricht; of
b. personen die met toestemming van het UWV zijn aangewezen door een re-integratiebedrijf
als bedoeld in onderdeel a, voor zover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van
de bij wet of overeenkomst aan deze personen en rechtspersonen opgedragen taken.
4. De verzekerde die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering en die bij deelname
aan een re-integratietraject diens re-integratieverplichtingen niet naleeft, deelt
de reden daarvan onmiddellijk mede aan het re-integratiebedrijf.
5. De verzekerde die een aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft ingediend
of een recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering is verplicht te voldoen
aan het voorschrift, gegeven door het UWV of de door hem daartoe aangewezen deskundige,
om zich ter observatie te doen opnemen of te verblijven in een aangewezen inrichting.
Artikel 19. Plichten ter voorkoming van ontstaan en bestaan van recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering
1. De verzekerde voorkomt het ontstaan van arbeidsongeschiktheid en beperkt het bestaan
van arbeidsongeschiktheid, voor zover dit redelijkerwijs van de verzekerde verwacht
mag worden.
2. De verzekerde is gedurende de wachttijd verplicht een naar algemeen medische maatstaven
adequate behandeling te ondergaan voor diens ziekte of gebrek.
Artikel 20. Plichten gericht op vergroten van mogelijkheden tot het verrichten van
arbeid
1. De verzekerde die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering is verplicht
in voldoende mate te trachten mogelijkheden tot het verrichten van passende arbeid
te behouden of te verkrijgen.
2. Ter naleving van de plicht, bedoeld in het eerste lid, is de verzekerde die recht
heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering in elk geval verplicht:
a. zich geneeskundig te laten behandelen of aanwijzingen van een arts op te volgen indien
het UWV of het re-integratiebedrijf in opdracht van het UWV, daartoe opdracht geeft
en diens genezing niet te belemmeren;
b. mee te werken aan activiteiten of werkzaamheden, gericht op diens inschakeling in
de arbeid, die het UWV wenselijk acht voor verkrijging van mogelijkheden tot verrichten
van passende arbeid;
c. mee te werken aan aanpassing van de arbeidsplaats en aan persoonsgebonden voorzieningen
die het UWV verstrekt voor verkrijging van mogelijkheden tot verrichten van passende
arbeid en zo nodig trachten die aanpassing en die voorzieningen te verkrijgen;
d. mee te werken aan het opstellen van de re-integratievisie en het re-integratieplan;
e. te voldoen aan verplichtingen die zijn opgenomen in de re-integratievisie en het re-integratieplan.
Artikel 21. Plichten gericht op inschakeling in de arbeid
1. De verzekerde die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering is verplicht:
a. passende arbeid te verrichten indien de verzekerde daartoe in de gelegenheid wordt
gesteld;
b. in voldoende mate te trachten passende arbeid te verkrijgen; en
c. geen eisen te stellen in verband met door de verzekerde te verrichten passende arbeid
die het aanvaarden of verkrijgen van die arbeid belemmeren.
2. De verzekerde die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering is verplicht
zich als werkzoekende bij het UWV te laten registreren, indien de verzekerde daartoe
het recht toekomt op grond van artikel 30b, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen en het UWV de verzekerde dit opdraagt.
3. Onder passende arbeid als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan alle arbeid die
voor de krachten en bekwaamheden van de verzekerde is berekend, tenzij aanvaarding
om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van de verzekerde kan
worden gevergd. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels
worden gesteld omtrent het begrip passende arbeid.
Artikel 22. Plichten wettelijk vertegenwoordiger
De plichten, bedoeld in artikel 18, 19, 20 en 21, worden, indien de in die artikelen
genoemde verzekerde een wettelijk vertegenwoordiger heeft, door die vertegenwoordiger
nageleefd. Voor zover de plichten slechts door de verzekerde kunnen worden nageleefd,
bevordert de wettelijk vertegenwoordiger die naleving.
Artikel 23. Delegatiebevoegdheid
1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking
tot de artikelen 18, 19, 20 en 21, eerste en tweede lid.
2. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld waarbij bepaalde groepen verzekerden
worden vrijgesteld van verplichtingen, hun op grond van artikel 20 en 21, eerste lid,
opgelegd.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld op grond
waarvan aan verzekerden in individuele gevallen tijdelijk ontheffing kan worden verleend
van verplichtingen, hun op grond van artikel 21, eerste lid, opgelegd.
Paragraaf 3.2. Re-integratie-instrumenten
Artikel 24. Recht op ondersteuning bij arbeidsinschakeling van UWV
Recht op ondersteuning bij arbeidsinschakeling en, met inachtneming van de daarvoor
geldende wettelijke bepalingen, op de naar het oordeel van het UWV noodzakelijk geachte
voorziening gericht op arbeidsinschakeling, heeft de verzekerde:
a. gedurende de wachttijd; of
b. die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Artikel 25. Voorzieningen ter voortzetting van arbeid als zelfstandige
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld op grond
waarvan het UWV op aanvraag van de verzekerde met een naar het oordeel van het UWV
structurele functionele beperking die het gevolg is van een ziekte of handicap in
het kader van de ondersteuning bij de arbeid als zelfstandige, voorzieningen kan verstrekken.
2. Voorzieningen als bedoeld in het eerste lid worden uitsluitend verstrekt in verband
met een naar het oordeel van het UWV structurele functionele beperking die bij de
aanvang van de arbeid als zelfstandige nog niet aanwezig was. Indien deze structurele
functionele beperking is ontstaan binnen drie jaar na aanvang van de arbeid als zelfstandige,
worden voorzieningen als bedoeld in het eerste lid uitsluitend verstrekt indien bij
de aanvang van die arbeid nog geen ziekte of handicap aanwezig was.
3. Voorzieningen als bedoeld in het eerste lid worden niet verstrekt of worden beëindigd
indien het inkomen van de persoon die arbeid als zelfstandige verricht, na een bij
algemene maatregel van bestuur te bepalen aantal kalenderjaren na de aanvang van de
arbeid als zelfstandige, meer bedraagt dan een bij algemene maatregel van bestuur
vast te stellen bedrag. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt tevens
bepaald wat onder inkomen als bedoeld in de eerste zin wordt verstaan.
4. Dit artikel is niet van toepassing op een verzekerde voor zover voor diens ondersteuning
bij arbeidsinschakeling op grond van de artikelen 7, eerste lid, onderdeel a, of 7a,
eerste lid, onderdeel a, of derde lid, van de Participatiewet het college van burgemeester
en wethouders zorg draagt tot het moment dat het inkomen uit die arbeid gedurende
twee aaneengesloten jaren ten minste bedraagt het minimumloon per uur, vermenigvuldigd
met de arbeidsduur welke in overeenkomstige dienstbetrekkingen in de regel geacht
wordt een volledige dienstbetrekking te vormen.
5. Titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op aanspraken
op grond van dit artikel.
Artikel 26. Proefplaatsing
1. Het UWV kan, in het kader van de bevordering van de arbeidsinschakeling, toestemming
verlenen aan de verzekerde die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering
om op een proefplaats bij een werkgever gedurende maximaal zes maanden onbeloonde
werkzaamheden te verrichten.
2. De onbeloonde werkzaamheden op een proefplaats zijn werkzaamheden:
a. waartoe de verzekerde met diens krachten en bekwaamheden in staat is;
b. waarbij de werkgever, bij wie de proefplaatsing geschiedt, een aansprakelijkheidsverzekering
ten behoeve van de verzekerde heeft afgesloten;
c. die de verzekerde niet reeds eerder onbeloond op een proefplaats bij die werkgever
of diens rechtsvoorganger heeft verricht; en
d. waarbij er, naar het oordeel van het UWV, een reëel uitzicht is op een op de onbeloonde
werkzaamheden aansluitende dienstbetrekking van dezelfde of grotere omvang voor ten
minste zes maanden.
3. Indien de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, wegens ziekte worden onderbroken,
wordt de periode waarin een uitkering bij ziekte wordt ontvangen, voor de toepassing
van dat lid buiten beschouwing gelaten.
4. In afwijking van artikel 21, eerste lid, onderdeel b, is de verzekerde die onbeloonde
werkzaamheden op een proefplaats als bedoeld in het eerste of tweede lid verricht,
voor de duur van de proefplaatsing niet verplicht passende arbeid te verkrijgen.
5. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot
de uitvoering van dit artikel.
Artikel 27. Onbeloonde additionele werkzaamheden
Het UWV kan de verzekerde die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering en
voor wie kans op inschakeling in het arbeidsproces gering is en die daardoor vooralsnog
niet bemiddelbaar is op de arbeidsmarkt, onbeloonde additionele werkzaamheden laten
verrichten. Artikel 10a, tweede tot en met tiende lid, van de Participatiewet is van
overeenkomstige toepassing.
Paragraaf 3.3. Bevoegdheden en verplichtingen van het UWV
Artikel 28. Controlevoorschriften
Het UWV kan controlevoorschriften vaststellen. Deze voorschriften gaan niet verder
dan strikt noodzakelijk is voor een juiste uitvoering van deze wet.
Artikel 29. Re-integratie-aanpak door het UWV tijdens de wachttijd
1. Het UWV stelt op aanvraag gedurende de wachttijd in samenspraak met de verzekerde
een werkhervattingsvisie vast waarin verplichtingen en rechten van de verzekerde in
het kader van de re-integratie zijn vermeld.
2. Het UWV kan ten behoeve van de verzekerde, bedoeld in het eerste lid, een plan gericht
op behoud en verkrijging van mogelijkheden tot het verrichten van arbeid en inschakeling
in arbeid laten opstellen door een re-integratiebedrijf. Het re-integratieplan wordt
in samenspraak met de verzekerde opgesteld.
3. In het re-integratieplan worden verplichtingen en rechten van de verzekerde vermeld
voor zover die niet in de werkhervattingsvisie zijn vermeld.
4. Het UWV kan beschikkingen op grond van dit artikel herzien of intrekken indien de
verzekerde de verplichtingen in de werkhervattingsvisie dan wel het re-integratieplan
niet of niet volledig nakomt.
Artikel 30. Re-integratie-aanpak door het UWV bij recht op uitkering
1. Nadat het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering is vastgesteld, stelt het UWV
in samenspraak met de verzekerde een re-integratievisie vast waarin verplichtingen
en rechten van de verzekerde zijn vermeld.
2. Het UWV evalueert, in samenspraak met de verzekerde, periodiek de re-integratievisie
en stelt deze zo nodig bij.
3. Indien de re-integratievisie daartoe aanleiding geeft laat het UWV ten behoeve van
de verzekerde, bedoeld in het eerste lid, een plan gericht op behoud en verkrijging
van mogelijkheden tot het verrichten van arbeid en inschakeling in arbeid opstellen
door een re-integratiebedrijf. Het re-integratieplan wordt in samenspraak met de verzekerde
opgesteld.
4. In het re-integratieplan worden verplichtingen en rechten van de verzekerde vermeld
voor zover die niet in de re-integratievisie zijn vermeld.
5. Indien een re-integratiebedrijf aan het UWV heeft gemeld dat het gegronde vermoeden
bestaat dat een persoon aan wie arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend onvoldoende
medewerking verleent aan de op die persoon betrekking hebbende werkzaamheden van het
re-integratiebedrijf, neemt het UWV een beschikking met betrekking tot de gehele of
gedeeltelijke opschorting of schorsing van de betaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering
aan die persoon voor de duur van ten hoogste acht weken.
6. Het UWV stelt het re-integratiebedrijf in kennis van een beschikking tot opschorting
of schorsing als bedoeld in het vijfde lid.
Artikel 31. Reiskostenvergoeding
In door het UWV vast te stellen gevallen worden reiskosten, verblijfkosten en tijdverlies
vergoed van personen die door het UWV zijn opgeroepen en van hun begeleiders indien
de toestand van de persoon begeleiding noodzakelijk maakt.
HOOFDSTUK 4. UITSLUITINGSGRONDEN
Artikel 32. Uitsluitingsgronden
Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen worden de volgende
uitsluitingsgronden onderscheiden:
a. het rechtens diens vrijheid zijn ontnomen;
b. het zich onttrekken aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende
maatregel;
c. het niet in Nederland wonen;
d. een uitreiziger zijn;
e. het op grond van artikel 64 van de Wet financiering sociale verzekeringen ontheven
zijn van de verplichtingen op grond van deze wet wegens gemoedsbezwaren;
f. het bereiken of bereikt hebben van de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel
7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet;
g. overlijden van de verzekerde;
h. het recht hebben op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van deze wet.
Artikel 33. Nadere bepalingen met betrekking tot vrijheidsstraffen en vrijheidsbenemende
maatregelen
1. Artikel 32, onderdeel a, is niet van toepassing op:
a. de gevallen, bedoeld in de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg, in de Wet zorg
en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten en in artikel 2.3
van de Wet forensische zorg; en
b. bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen categorieën personen waarbij tenuitvoerlegging
van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel plaatsvindt buiten een justitiële
inrichting.
2. In afwijking van artikel 38, eerste lid, onderdeel b, is artikel 32, onderdeel a,
eerst van toepassing met ingang van de dag dat de persoon één maand rechtens diens
vrijheid is ontnomen. Artikel 32, onderdeel a, is evenwel van toepassing met ingang
van de eerste dag van de vrijheidsontneming indien de persoon, bedoeld in de eerste
zin, op de dag voorafgaande aan de vrijheidsontneming geen recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering
omdat er op die persoon een uitsluitingsgrond van toepassing is als bedoeld in artikel
32, onderdeel b.
3. Voor de toepassing van het tweede lid, worden perioden van vrijheidsontneming samengeteld,
indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
Artikel 34. Nadere bepalingen met betrekking tot in Nederland wonen
1. Artikel 32, onderdeel c, is niet van toepassing op de verzekerde die woont in een
land waarin op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie
recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering kan bestaan.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden geregeld dat het recht
op een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontstaat of herleeft dan wel dat een dergelijke
uitkering niet eindigt ten gunste van:
a. een verzekerde, die werkzaamheden verricht in het algemeen belang en niet in Nederland
woont;
b. een verzekerde, die in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of in de openbare lichamen Bonaire,
Sint Eustatius en Saba woont; of
c. de gezinsleden van de in de onderdelen a of b bedoelde verzekerde.
Artikel 35. Niet meewerken aan medisch onderzoek vóór recht op uitkering
Indien voor het vaststellen van het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering, in het
kader van een aanvraag voor de toekenning daarvan, naar het oordeel van het UWV een
medisch onderzoek nodig is en de betrokkene niet meewerkt aan dat onderzoek, blijven
eventuele uit deze wet voortvloeiende aanspraken op arbeidsongeschiktheidsuitkering
buiten aanmerking, voor zolang het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering niet kan
worden vastgesteld.
HOOFDSTUK 5. DE ARBEIDSONGESCHIKTHEIDSUITKERING
Paragraaf 5.1 Bepalingen in verband met het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering
Artikel 36. Het ontstaan van het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering
1. Recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontstaat voor de verzekerde die ziek
wordt indien:
a. de verzekerde de wachttijd heeft doorlopen;
b. de verzekerde arbeidsongeschikt is; en
c. er op de verzekerde geen uitsluitingsgrond van toepassing is.
2. Het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontstaat niet eerder dan op de eerste
dag na afloop van de wachttijd.
Artikel 37. Later ontstaan van het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering
1. Indien op de dag, bedoeld in artikel 36, tweede lid, geen recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering
is ontstaan, ontstaat het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op de dag dat
de verzekerde arbeidsongeschikt is, indien de verzekerde op de dag daaraan voorafgaand:
a. niet arbeidsongeschikt was en de arbeidsongeschiktheid intreedt binnen vijf jaar na
de in artikel 36, tweede lid, bedoelde dag en voortkomt uit dezelfde oorzaak als op
grond waarvan de verzekerde gedurende de wachttijd ongeschikt was tot het verrichten
van de eigen arbeid; of
b. niet arbeidsongeschikt was en de arbeidsongeschiktheid intreedt binnen vier weken
na de in artikel 36, tweede lid, bedoelde dag en voortkomt uit een andere oorzaak
dan op grond waarvan de verzekerde gedurende de wachttijd ongeschikt was tot het verrichten
van de eigen arbeid.
2. Het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontstaat niet indien een uitsluitingsgrond
als bedoeld in artikel 32, onderdeel a, b, c of d, zich voordoet.
3. Het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontstaat alsnog op de dag dat geen
van de uitsluitingsgronden als bedoeld in artikel 32, onderdeel a, b, c of d, zich
meer voordoet binnen vijf jaar na de in artikel 36, tweede lid, bedoelde dag, mits
de verzekerde op die dag arbeidsongeschikt is.
Artikel 38. Eindigen van het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering
1. Het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering eindigt:
a. twee maanden na de dag waarop de verzekerde niet langer arbeidsongeschikt is; of
b. op de dag dat er op de verzekerde een uitsluitingsgrond van toepassing is.
2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, eindigt het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering
van de verzekerde die niet arbeidsongeschikt is omdat de verzekerde met arbeid het
minimumloon per maand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Wet minimumloon
en minimumvakantiebijslag, verdient, één jaar na de dag waarop de verzekerde niet
langer arbeidsongeschikt is.
Artikel 39. Herleven van het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering
1. Indien het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van artikel 38 is
geëindigd, herleeft het recht op die uitkering op de dag dat de verzekerde weer arbeidsongeschikt
is, indien de verzekerde op de dag daaraan voorafgaand:
a. niet arbeidsongeschikt was en de arbeidsongeschiktheid intreedt binnen vijf jaar na
de dag dat het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van artikel 38 is
geëindigd en voortkomt uit dezelfde oorzaak als op grond waarvan de verzekerde eerder
recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering; of
b. niet arbeidsongeschikt was en de arbeidsongeschiktheid intreedt binnen vier weken
na de dag dat het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van artikel 38
is geëindigd en voortkomt uit een andere oorzaak dan op grond waarvan de verzekerde
eerder recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering.
2. Het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering herleeft niet indien een uitsluitingsgrond
als bedoeld in artikel 32, onderdeel a, b, c of d, zich voordoet.
3. Het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering herleeft alsnog op de dag dat geen van
de uitsluitingsgronden als bedoeld in artikel 32, onderdeel a, b, c of d, zich meer
voordoet binnen vijf jaar na de dag dat het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering
op grond van artikel 38 is geëindigd, mits de verzekerde op die dag arbeidsongeschikt
is.
Paragraaf 5.2 De hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering
Artikel 40. Grondslag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering
1. De arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt berekend naar de grondslag.
2. De grondslag is:
a. de gemiddelde winst uit onderneming respectievelijk winst uit Nederlandse onderneming
per dag, die de verzekerde heeft genoten in het kalenderjaar onmiddellijk voorafgaand
aan het intreden van de ongeschiktheid voor de eigen arbeid; of
b. indien dit leidt tot een hoger bedrag, de gemiddelde winst uit onderneming respectievelijk
winst uit Nederlandse onderneming per dag, die de verzekerde heeft genoten in de drie
kalenderjaren onmiddellijk voorafgaand aan het intreden van de ongeschiktheid voor
de eigen arbeid.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ten behoeve van het bepalen van de grondslag,
bedoeld in het tweede lid, nadere en zo nodig afwijkende regels worden gesteld met
betrekking tot uitbreiding dan wel beperking van de winst uit onderneming respectievelijk
winst uit Nederlandse onderneming, bedoeld in artikel 4, en de periode waarover de
winst uit onderneming respectievelijk winst uit Nederlandse onderneming wordt berekend.
4. De grondslag wordt ten minste gesteld op nihil en bedraagt ten hoogste 142,86% van
het minimumloon per maand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, gedeeld door 21,75.
5. De grondslag wordt herzien met ingang van de dag waarop en in de mate waarin het
bedrag genoemd in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag
wordt herzien.
6. Onze Minister deelt in de Staatscourant mee met ingang van welke dag en met welk
percentage een herziening als bedoeld in het vijfde lid plaatsvindt.
7. Een herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering als gevolg van een herziening
van de grondslag vindt plaats zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld.
8. Het UWV betaalt de herziene uitkering, bedoeld in het zevende lid, bij de eerstvolgende
uitkeringsbetaling nadat de herziening, bedoeld in het vijfde lid, heeft plaatsgevonden.
9. Indien de verzekerde die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering met ingang
van dezelfde dag recht heeft op toekenning van een uitkering op grond van hoofdstuk
6 of hoofdstuk 7 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen wordt de maximale
grondslag, bedoeld in het vierde lid, verminderd met een bedrag dat gelijk is aan
het dagloon dat aan de uitkering op grond van hoofdstuk 6 of hoofdstuk 7 van de Wet
werk en inkomen naar arbeidsvermogen ten grondslag ligt.
10. Indien de verzekerde die recht heeft op arbeidsongeschiktheidsuitkering op de dag,
bedoeld in artikel 16, tweede lid, tevens verzekerde was op grond van artikel 7 van
de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, wordt de maximale grondslag, bedoeld
in het vierde lid, verminderd met een bedrag dat gelijk is aan het loon dat de verzekerde
als werknemer genoot, voor zover dat loon als dagloon aan de toekenning van een uitkering
op grond van hoofdstuk 6 of hoofdstuk 7 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
ten grondslag ligt of zou liggen, indien de verzekerde op de dag, bedoeld in artikel
16, tweede lid, reeds ongeschikt was voor de eigen arbeid of dat zou zijn geworden,
in de zin van die wet.
11. Indien de verzekerde die recht heeft op arbeidsongeschiktheidsuitkering op de dag,
bedoeld in artikel 16, tweede lid, recht had op een uitkering op grond van hoofdstuk
6 of hoofdstuk 7 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, een arbeidsongeschiktheidsuitkering
op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, ziekengeld op grond van
de Ziektewet, uitkering op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de
Wet arbeid en zorg of een uitkering op grond van de Werkloosheidswet, wordt de maximale
grondslag, bedoeld in het vierde lid, verminderd met het bedrag van genoemde uitkering
op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering,
de Ziektewet, de Wet arbeid en zorg of de Werkloosheidswet waarop de verzekerde recht
heeft op de dag voorafgaande aan de dag, bedoeld in artikel 16, tweede lid.
12. Voor de toepassing van het negende tot en met het elfde lid wordt onder loon, uitkering
op grond van hoofdstuk 6 of hoofdstuk 7 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen,
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering,
ziekengeld op grond van de Ziektewet, uitkering op grond van hoofdstuk 3, afdeling
2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg of uitkering op grond van de Werkloosheidswet
tevens verstaan de vakantie-uitkering waarop uit hoofde van dat loon of die uitkering
recht bestaat, voor zover die vakantie-uitkering over dezelfde periode is berekend.
Artikel 41. Vaststelling uitkeringsgrondslag bij later ontstaan, herleving of uitsluiting
van tweede recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering
1. De uitkeringsgrondslag van de verzekerde:
a. voor wie het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van artikel 37, eerste
lid, later ontstaat; of
b. voor wie het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van artikel 39, eerste
lid, herleeft;
wordt niet lager vastgesteld dan de uitkeringsgrondslag die op grond van artikel 40
in aanmerking zou zijn genomen indien het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering
na het einde van de wachttijd zou zijn ontstaan dan wel de uitkeringsgrondslag die
voor de berekening van de laatstelijk ontvangen arbeidsongeschiktheidsuitkering in
aanmerking werd genomen, zoals die sinds het einde van de wachttijd onderscheidenlijk
de beëindiging van de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van artikel 40 tot
aan de datum van het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering zou zijn herzien.
2. De uitkeringsgrondslag van de verzekerde:
a. die na het ontstaan van het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering ziek is geworden,
en
b. voor wie als gevolg van artikel 32, onderdeel h, geen tweede recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering
ontstaat, omdat de eerste dag van de wachttijd is gelegen op een dag dat al recht
op een arbeidsongeschiktheidsuitkering bestaat;
wordt met ingang van de dag waarop het tweede recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering
zou zijn ontstaan, opnieuw vastgesteld overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens
artikel 40, indien dat leidt tot een hogere uitkeringsgrondslag dan de uitkeringsgrondslag
die voor de berekening van de laatstelijk ontvangen arbeidsongeschiktheidsuitkering
in aanmerking werd genomen.
3. Voor de toepassing van het eerste lid wordt in artikel 40, tweede lid, onder het
kalenderjaar onmiddellijk voorafgaand aan het intreden van de ongeschiktheid voor
de eigen arbeid verstaan: het kalenderjaar onmiddellijk voorafgaand aan het intreden
van de arbeidsongeschiktheid.
4. Voor de toepassing van het tweede lid wordt in artikel 40, tweede lid, onder het
kalenderjaar onmiddellijk voorafgaand aan het intreden van de ongeschiktheid voor
de eigen arbeid verstaan: het kalenderjaar onmiddellijk voorafgaand aan het kalenderjaar
waarin de ziekte, het gebrek, de zwangerschap of de bevalling, die tot het ontstaan
van een tweede recht op uitkering zou hebben geleid, is ingetreden.
Artikel 42. De hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering
1. De arbeidsongeschiktheidsuitkering bedraagt per dag, de zaterdagen en zondagen niet
meegerekend, 0,7 x (A-B). Hierbij staat:
A voor de uitkeringsgrondslag;
B voor het inkomen.
2. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald wat onder inkomen als bedoeld in
dit artikel wordt verstaan. Daarbij kan tevens worden bepaald dat nader te bepalen
inkomen dat gedeeltelijk, niet, of niet langer wordt genoten als gevolg van gewijzigde
omstandigheden of enig handelen of nalaten van betrokkene in aanmerking wordt genomen
alsof het wel volledig wordt genoten.
HOOFDSTUK 6. DE AANVRAAG EN DE BETALING VAN DE ARBEIDSONGESCHIKTHEIDSUITKERING DOOR
HET UWV
Paragraaf 6.1 De aanvraag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering
Artikel 43. Aanvraag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering
1. Het UWV stelt op aanvraag vast of recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering bestaat.
2. Het UWV stelt de verzekerde van de mogelijkheid van het doen van een aanvraag schriftelijk
in kennis uiterlijk op de dag waarop de wachttijd 89 weken heeft geduurd.
3. Indien het UWV de in het eerste lid bedoelde aanvraag afwijst omdat een uitsluitingsgrond
als bedoeld in artikel 32, onderdeel a, b, c of d, van toepassing is, maakt het UWV
melding van de mogelijkheid tot het doen van een nieuwe aanvraag.
4. Indien de toepassing van het eerste lid zou leiden tot een kennelijke hardheid, is
het UWV bevoegd het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering ambtshalve vast te stellen.
5. Het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering kan niet worden vastgesteld over perioden
gelegen voor 52 weken voorafgaand aan de dag waarop de aanvraag om een arbeidsongeschiktheidsuitkering
werd ingediend dan wel de dag waarop het UWV het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering
ambtshalve heeft vastgesteld. Het UWV kan voor bijzondere gevallen van de eerste zin
afwijken.
Paragraaf 6.2 De betaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering door het UWV
Artikel 44. Betaalbaarstelling
1. Het UWV betaalt de arbeidsongeschiktheidsuitkering waarop op grond van deze wet recht
bestaat. De betaling geschiedt in termijnen van een kalendermaand.
2. Het UWV schort de betaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering op of schorst de
betaling, indien het op grond van duidelijke aanwijzingen van oordeel is of het gegronde
vermoeden heeft dat:
a. het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering niet of niet meer bestaat;
b. recht op een lagere arbeidsongeschiktheidsuitkering bestaat;
c. de persoon, die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering of diens wettelijke
vertegenwoordiger een verplichting als bedoeld in artikel 18, 19, 20 of 21 of een
instelling als bedoeld in artikel 48 een verplichting als bedoeld in artikel 18, niet
of niet behoorlijk is nagekomen.
3. Indien de arbeidsongeschiktheidsuitkering in het buitenland wordt uitbetaald, geschiedt
de betaling in afwijking van artikel 4:89, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht
op het tijdstip waarop de rekening van de daartoe door de schuldeiser aangewezen bank
wordt gecrediteerd.
4. Wanneer de persoon, die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, een ander
machtigt om de uitkering in ontvangst te nemen, onderscheidenlijk een verleende machtiging
intrekt, wordt daaraan gevolg gegeven met ingang van een betalingstermijn, aanvangende
na de dag waarop de machtiging wordt ingediend, onderscheidenlijk waarop van haar
intrekking mededeling wordt gedaan, doch niet later dan de eerste dag van de tweede
maand na de dag van indiening onderscheidenlijk intrekking van die machtiging.
Artikel 45. Opschorting betaling arbeidsongeschiktheidsuitkering aan vreemdelingen
1. Het UWV schort de betaling van een arbeidsongeschiktheidsuitkering op indien de persoon
die recht heeft op die uitkering een vreemdeling is die niet rechtmatig in Nederland
verblijf houdt als bedoeld in artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000.
2. De betaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt hervat indien de betrokkene
daartoe een aanvraag indient en het UWV is gebleken dat de betrokkene feitelijk buiten
Nederland woont of verblijf houdt en aan de overige voorwaarden voor het recht op
uitkering voldoet.
Artikel 46. Opschorting betaling bij vertrek naar onbekende bestemming
1. Is van de aanvrager of ontvanger van een arbeidsongeschiktheidsuitkering bij het
UWV een adres in Nederland bekend, terwijl in de basisregistratie personen ambtshalve
is opgenomen dat de aanvrager of ontvanger is vertrokken naar een onbekend land van
verblijf, dan verzoekt het UWV de aanvrager of ontvanger de afwijkende registratie
in de basisregistratie personen binnen een redelijke termijn ongedaan te laten maken.
2. Wanneer na afloop van deze termijn de afwijkende registratie niet is beëindigd of
als uit de basisregistratie personen niet blijkt dat het college van burgemeester
en wethouders van de desbetreffende gemeente de gegevens over het adres in onderzoek
heeft genomen, schort het UWV de betaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering aan
de persoon, aan wie die uitkering is toegekend, op.
3. De opschorting wordt beëindigd zodra is vastgesteld dat de persoon, bedoeld in het
tweede lid, in het buitenland woont of verblijft of dat een adres in Nederland in
de basisregistratie personen is opgenomen.
4. Indien het onderzoek van het college van burgemeester en wethouders is afgerond en
de persoon, bedoeld in het tweede lid, in de basisregistratie personen ambtshalve
opgenomen blijft met gegevens over het vertrek uit Nederland, schort het UWV de betaling
van de arbeidsongeschiktheidsuitkering op tot verblijf in het buitenland kan worden
vastgesteld of een adres in Nederland in de basisregistratie personen is opgenomen.
Artikel 47. Betaling aan een minderjarige
Voor zover het betreft het in ontvangst nemen van een arbeidsongeschiktheidsuitkering
en het verlenen van kwijting voor de betaling daarvan, wordt een minderjarige met
een meerderjarige gelijkgesteld. Indien de wettelijke vertegenwoordiger zich tegen
de betaling aan de minderjarige schriftelijk verzet bij het UWV geschiedt de uitbetaling
aan de wettelijke vertegenwoordiger.
Artikel 48. Betaling aan instellingen
1. Indien de persoon aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend, aanspraak
heeft op verstrekking of vergoeding van zorg als bedoeld in de Wet langdurige zorg
en op grond van die wet een bijdrage voor die zorg verschuldigd is, is het UWV bevoegd
de arbeidsongeschiktheidsuitkering tot het bedrag van die bijdrage in plaats van aan
degene aan wie die uitkering is toegekend, zonder diens machtiging uit te betalen
aan het Zorginstituut Nederland, genoemd in artikel 58, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet.
2. Indien aan de persoon aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend, een
maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget wordt verstrekt voor beschermd wonen
als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, en die
persoon op grond van die wet hiervoor een bijdrage is verschuldigd, is het UWV bevoegd
die uitkering tot het bedrag van die bijdrage in plaats van aan de persoon, aan wie
die uitkering is toegekend, zonder diens machtiging uit te betalen aan het CAK, genoemd
in artikel 6.1.1, eerste lid, van de Wet langdurige zorg, dat voor de gemeente de
bijdrage int.
3. Indien de persoon die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering in een accommodatie
als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet verplichte geestelijke
gezondheidszorg of in een accommodatie als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel
b, van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten
is opgenomen en het UWV, van de desbetreffende accommodatie of van het college van
burgemeester en wethouders van de gemeente die de opnamekosten betaalt, het verzoek
ontvangt om die uitkering aan die accommodatie of die gemeente uit te betalen, is
het UWV bevoegd dat verzoek zonder het stellen van andere voorwaarden in te willigen.
4. Indien het eerste of tweede lid toepassing vindt, heeft de in het derde lid bedoelde
bevoegdheid betrekking op het gedeelte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering dat
niet aan de in het eerste of tweede lid genoemde instantie wordt uitbetaald.
5. Een herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van het eerste of
tweede lid als gevolg van een wijziging van de verschuldigde bijdrage vindt plaats
zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld.
Artikel 49. Betaling in geval van samenloop
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ter voorkoming of
beperking van samenloop van een arbeidsongeschiktheidsuitkering met uitkering op grond
van de sociale wetgeving van Aruba, Curaçao, Sint Maarten, de sociale wetgeving van
Nederland ten behoeve van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba of
van een andere Mogendheid.
Artikel 50. Overlijdensuitkering
1. Na het overlijden van de persoon, die recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering,
wordt met ingang van de dag na het overlijden een overlijdensuitkering uitbetaald:
a. aan de langstlevende van de echtgenoten;
b. bij ontstentenis van de in onderdeel a bedoelde persoon, aan de minderjarige kinderen
tot wie de overledene in familierechtelijke betrekking stond;
c. bij ontstentenis van de in de onderdelen a en b bedoelde personen, aan de persoon
met wie de overledene in gezinsverband leefde.
2. De overlijdensuitkering is gelijk aan het bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering
over één kalendermaand, berekend naar de hoogte van die uitkering op de dag of laatstelijk
voor de dag van overlijden van de persoon.
3. In verband met het overlijden van de persoon die recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering,
is artikel 32, onderdeel g, niet van toepassing.
4. De overlijdensuitkering wordt ambtshalve of op verzoek aan de rechthebbende of rechthebbenden
genoemd in het eerste lid door het UWV uitbetaald.
5. De overlijdensuitkering wordt in een bedrag ineens uitbetaald.
6. Het bedrag van de overlijdensuitkering wordt verminderd met het bedrag aan arbeidsongeschiktheidsuitkering
dat, over na het overlijden gelegen dagen reeds is uitbetaald.
Artikel 51. Verjaringstermijn
Een arbeidsongeschiktheidsuitkering die niet in ontvangst is genomen of is ingevorderd
binnen twee jaar na de dag van betaalbaarstelling wordt door het UWV niet meer betaald.
Paragraaf 6.3 Intrekking, herziening, terug- en invordering
Artikel 52. Intrekking en herziening beschikkingen
1. Het UWV herziet beschikkingen op grond van deze wet of trekt dergelijke beschikkingen
in, indien:
a. als gevolg van het niet of niet volledig nakomen van de artikelen 18 tot en met 23
en de daarop berustende bepalingen het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering
niet of niet meer kan worden vastgesteld of ten onrechte is vastgesteld of de hoogte
van de arbeidsongeschiktheidsuitkering ten onrechte op een te hoog bedrag is vastgesteld;
b. de verstrekking van een voorziening als bedoeld in artikel 25 ten onrechte of tot
een te hoog bedrag is verleend;
c. anderszins de arbeidsongeschiktheidsuitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag
is vastgesteld.
2. Indien een voorziening als bedoeld in artikel 25 in de vorm van een subsidie wordt
verstrekt, wijzigt of trekt het UWV de beschikking tot vaststelling van de subsidie
in, indien sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 4:49, eerste lid,
onderdeel a, b of c, van de Algemene wet bestuursrecht.
3. Indien daarvoor dringende redenen zijn, kan het UWV geheel of gedeeltelijk van herziening
of intrekking afzien.
Artikel 53. Terugvordering
1. Een arbeidsongeschiktheidsuitkering die op grond van deze wet alsmede hetgeen anderszins
onverschuldigd is betaald en hetgeen als gevolg van een beschikking als bedoeld artikel
52 door het UWV onverschuldigd is betaald of verstrekt wordt door het UWV teruggevorderd.
2. In afwijking van het eerste lid kan het UWV besluiten van terugvordering of van verdere
terugvordering af te zien, indien degene van wie wordt teruggevorderd:
a. gedurende vijf jaar volledig aan diens betalingsverplichtingen heeft voldaan;
b. gedurende vijf jaar niet volledig aan diens betalingsverplichtingen heeft voldaan,
maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde
wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft
betaald;
c. gedurende vijf jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat diegene
deze op enig moment zal gaan verrichten; of
d. een bedrag, overeenkomend met ten minste 50% van de restsom in één keer aflost.
3. De in het tweede lid, onderdelen a, b en c, genoemde termijn is tien jaar indien
de terugvordering het gevolg is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting,
bedoeld in artikel 18, eerste lid.
4. De in het tweede lid, onderdelen a en b, genoemde termijn is drie jaar indien:
a. het gemiddeld inkomen van degene van wie wordt teruggevorderd in die periode de beslagvrije
voet, bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering niet te boven is gegaan; en
b. de terugvordering niet het gevolg is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de
verplichting, bedoeld in artikel 18, eerste lid.
5. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het UWV besluiten geheel of gedeeltelijk
van terugvordering af te zien.
6. In afwijking van het eerste lid, ziet het UWV af van terugvordering van onverschuldigd
betaalde arbeidsongeschiktheidsuitkering, die bij wijze van voorschot is verstrekt,
indien de persoon van wie wordt teruggevorderd, in het kalenderjaar waarin de persoon
ongeschikt werd voor de eigen arbeid, geen verzekerde is, omdat de persoon geen winst
uit onderneming respectievelijk winst uit Nederlandse onderneming genoot, maar resultaat
uit overige werkzaamheden respectievelijk resultaat uit overige werkzaamheden in Nederland.
Dit lid is niet van toepassing indien de persoon van wie wordt teruggevorderd:
a. over het kalenderjaar onmiddellijk voorafgaand aan het kalenderjaar waarin de persoon
ongeschikt werd voor de eigen arbeid geen winst uit onderneming genoot;
b. wist of behoorde te weten dat de persoon over het kalenderjaar waarin de persoon ongeschikt
werd voor de eigen arbeid resultaat uit overige werkzaamheden respectievelijk resultaat
uit overige werkzaamheden in Nederland genoot; of
c. met betrekking tot het kalenderjaar waarin de persoon ongeschikt werd voor de eigen
arbeid door de inspecteur een bestuurlijke boete is opgelegd als bedoeld in artikel
67a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
7. Degene van wie wordt teruggevorderd is verplicht desgevraagd aan het UWV de inlichtingen
te verstrekken die voor de terugvordering van belang zijn.
8. In afwijking van het eerste lid kan het UWV, onder bij ministeriële regeling te stellen
voorwaarden, besluiten van terugvordering af te zien indien het terug te vorderen
bedrag een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag niet te boven gaat.
Artikel 54. Invordering bij dwangbevel
1. Het UWV kan de onverschuldigd betaalde arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in
artikel 53, eerste lid, invorderen bij dwangbevel.
2. Artikel 63 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat indien het gemiddeld
inkomen van de persoon gedurende drie jaar de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen
475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet te boven
is gegaan, het UWV de aflossingsbedragen lager vaststelt.
Artikel 55. Nadere regels tenuitvoerlegging onverschuldigde betaling
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze
van tenuitvoerlegging van de beschikking waarbij is vastgesteld dat onverschuldigd
is betaald.
Artikel 56. Schuldregeling
1. In afwijking van artikel 53, eerste lid, kan het UWV, op verzoek van degene van wie
wordt teruggevorderd, besluiten gedeeltelijk van terugvordering of gedeeltelijk van
verdere terugvordering af te zien bij medewerking aan een schuldregeling, indien:
a. redelijkerwijs te voorzien is dat degene van wie wordt teruggevorderd niet zal kunnen
voortgaan met het betalen van diens schulden of indien diegene in de toestand verkeert
waarin het betalen is opgehouden;
b. redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen,
behoudens de in het tweede lid bedoelde vorderingen, van de overige schuldeisers zonder
een zodanig besluit niet tot stand zal komen;
c. een naar het oordeel van het UWV betrouwbaar voorstel voor een schuldregeling tot
stand is gekomen door tussenkomst van een schuldhulpverlener als bedoeld in artikel
48 van de Wet op het consumentenkrediet;
d. aannemelijk is dat medewerking aan een schuldregeling niet concurrentieverstorend
werkt; en
e. uitdeling in het kader van de schuldregeling plaatsvindt overeenkomstig artikel 349
van de Faillissementswet.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien een vordering is ontstaan door het opzettelijk
of door grove schuld niet nakomen door degene van wie wordt teruggevorderd van de
verplichting, bedoeld in artikel 18, en hiervoor een boete als bedoeld in artikel
62 is opgelegd, dan wel met betrekking tot het niet naleven van die verplichting aangifte
is gedaan op grond van het Wetboek van Strafrecht.
3. Het besluit tot het afzien van terugvordering of van verdere terugvordering wordt
ingetrokken of ten nadele van degene van wie wordt teruggevorderd gewijzigd indien:
a. niet binnen twaalf maanden nadat dat besluit is bekendgemaakt, een schuldregeling
tot stand is gekomen die voldoet aan de eisen, bedoeld in het eerste lid;
b. degene van wie wordt teruggevorderd diens schuld aan het UWV niet overeenkomstig de
schuldregeling voldoet; of
c. onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige
gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid.
4. Bij ministeriële regeling kunnen met betrekking tot dit artikel nadere regels worden
gesteld ten aanzien van de bevoegdheid om mee te werken aan schuldregelingen.
Artikel 57. Preferentie
Een vordering van het UWV, als bedoeld in de artikelen 53 en 56 is bevoorrecht en
volgt onmiddellijk na de vorderingen, bedoeld in artikel 288 van Boek 3 van het Burgerlijk
Wetboek.
Artikel 58. Onvervreemdbaarheid van verstrekkingen
1. Een arbeidsongeschiktheidsuitkering en een voorziening als bedoeld in artikel 25
zijn onvervreemdbaar en niet vatbaar voor verpanding of belening.
2. Volmacht tot ontvangst van een arbeidsongeschiktheidsuitkering onder welke vorm of
benaming ook verleend, is steeds herroepelijk.
3. Elk beding, strijdig met dit artikel, is nietig.
Artikel 59. Niet voor beslag vatbare verstrekkingen
De voorzieningen, bedoeld in artikel 25, alsmede de overlijdensuitkering, bedoeld
in artikel 50, zijn niet vatbaar voor beslag.
HOOFDSTUK 7. HANDHAVING
Artikel 60. Maatregelen
1. Het UWV weigert een arbeidsongeschiktheidsuitkering geheel of gedeeltelijk, blijvend
of tijdelijk indien:
a. de verzekerde verplichtingen, bedoeld in artikel 18, tweede tot en met vijfde lid,
19, 20, of 21 niet of niet behoorlijk is nagekomen;
b. de verzekerde de verplichting, bedoeld in artikel 18, eerste lid, niet binnen de door
het UWV daarvoor vastgestelde termijn is nagekomen;
c. de verzekerde door diens doen en laten het Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen,
bedoeld in artikel 1 van de Wet financiering sociale verzekeringen, benadeelt of zou
kunnen benadelen. Onder benadeling in de zin van dit onderdeel is niet begrepen het
niet nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 18, eerste lid.
2. Onverminderd het eerste lid kan het UWV de arbeidsongeschiktheidsuitkering blijvend
geheel weigeren, indien de verzekerde door het niet nakomen van de verplichting, bedoeld
in artikel 19, eerste lid, het ontstaan van de arbeidsongeschiktheid opzettelijk heeft
veroorzaakt.
3. Het UWV kan afzien van het opleggen van een maatregel als bedoeld in het eerste lid
en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet
tijdig nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 18, eerste lid, indien het
niet tijdig nakomen van de verplichting niet heeft geleid tot het ten onrechte of
tot een te hoog bedrag verlenen van arbeidsongeschiktheidsuitkering, of ter zake van
het zich niet houden aan het voorschrift, bedoeld in artikel 21, eerste lid, onderdeel
b, tenzij het niet tijdig nakomen van de verplichting of het zich niet houden aan
het voorschrift plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum
waarop eerder aan de belanghebbende een zodanige waarschuwing is gegeven.
4. Het UWV kan afzien van het opleggen van een maatregel indien daarvoor dringende redenen
aanwezig zijn.
Artikel 61. Afstemming maatregel
1. Een maatregel als bedoeld in artikel 60 wordt afgestemd op de ernst van de gedraging
en de mate waarin de verzekerde de gedraging verweten kan worden. Van het opleggen
van een maatregel wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid
ontbreekt.
2. Het opleggen van een maatregel blijft achterwege indien voor dezelfde gedraging een
bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 62 wordt opgelegd.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met
betrekking tot het eerste lid, waarbij in ieder geval kan worden geregeld in welke
gevallen het UWV kan afzien van het opleggen van een maatregel.
Artikel 62. Boete bij niet-nakoming inlichtingenverplichting
1. Het UWV legt een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens
het niet of niet behoorlijk nakomen door de verzekerde of diens wettelijke vertegenwoordiger
van de verplichting, bedoeld in artikel 18, eerste lid. Indien de feiten en omstandigheden,
bedoeld in artikel 18, eerste lid, niet of niet behoorlijk zijn medegedeeld en deze
overtreding opzettelijk is begaan, bedraagt de bestuurlijke boete ten hoogste het
bedrag dat is vastgesteld voor de vijfde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde
lid, van het Wetboek van Strafrecht. Indien de feiten en omstandigheden, bedoeld in
artikel 18, eerste lid, niet of niet behoorlijk zijn medegedeeld en deze overtreding
niet opzettelijk is begaan, bedraagt de bestuurlijke boete ten hoogste het bedrag
dat is vastgesteld voor de derde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van
het Wetboek van Strafrecht.
2. In dit artikel wordt onder benadelingsbedrag verstaan het brutobedrag dat als gevolg
van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 18,
eerste lid, ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan arbeidsongeschiktheidsuitkering
is ontvangen.
3. Indien het niet of niet behoorlijk nakomen door de verzekerde of diens wettelijke
vertegenwoordiger van de verplichting, bedoeld in artikel 18, eerste lid, niet heeft
geleid tot een benadelingsbedrag, legt het UWV een bestuurlijke boete op van ten hoogste
het bedrag dat is vastgesteld voor de tweede categorie, bedoeld in artikel 23, vierde
lid, van het Wetboek van Strafrecht.
4. Het UWV kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete en volstaan met het
geven van een schriftelijke waarschuwing wegens het niet of niet behoorlijk nakomen
door de verzekerde of diens wettelijke vertegenwoordiger van de verplichting, bedoeld
in artikel 18, eerste lid, in situaties die bij algemene maatregel van bestuur worden
bepaald, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt
binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de verzekerde
een zodanige waarschuwing is gegeven.
5. Het UWV legt een bestuurlijke boete op wegens het niet of niet behoorlijk nakomen
door de verzekerde of diens wettelijke vertegenwoordiger van de verplichting, bedoeld
in artikel 18, eerste lid, als gevolg waarvan ten onrechte of tot een te hoog bedrag
aan arbeidsongeschiktheidsuitkering is ontvangen, van ten hoogste 150 procent van
het benadelingsbedrag, met overeenkomstige toepassing van het eerste lid, indien binnen
een tijdvak van vijf jaar voorafgaand aan de dag van het begaan van de overtreding
een eerdere bestuurlijke boete of strafrechtelijke sanctie is opgelegd wegens een
eerdere overtreding, bestaande uit eenzelfde gedraging, die onherroepelijk is geworden.
6. Onder eenzelfde gedraging als bedoeld in het vijfde lid wordt verstaan het niet of
niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 18, eerste lid, van
deze wet, als gevolg waarvan ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan arbeidsongeschiktheidsuitkering
of toeslag is verleend.
7. In afwijking van het vijfde lid is het in dat lid genoemde tijdvak van vijf jaar
tien jaar indien wegens de eerdere overtreding, bedoeld in het vijfde lid, de verzekerde
of diens wettelijke vertegenwoordiger is gestraft met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
8. Het UWV kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende
redenen aanwezig zijn.
9. Degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd, is verplicht desgevraagd aan het
UWV de inlichtingen te verstrekken die voor de tenuitvoerlegging van de bestuurlijke
boete van belang zijn.
10.Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de hoogte
van de bestuurlijke boete.
11. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze
van tenuitvoerlegging van de beschikking waarbij de bestuurlijke boete is opgelegd.
12. In afwijking van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht kan de rechter in
beroep of hoger beroep het bedrag waarop de bestuurlijke boete is vastgesteld ook
ten nadele van de verzekerde of diens wettelijke vertegenwoordiger wijzigen.
13. Indien ten aanzien van een overtreding waarvoor een bestuurlijke boete is opgelegd
geen sprake is geweest van opzet of grove schuld, en voorts is gebleken dat binnen
een jaar nadat de bestuurlijke boete is opgelegd niet nogmaals een overtreding wegens
eenzelfde gedraging als bedoeld in het zesde lid is begaan, is het UWV bevoegd op
verzoek van degene aan wie de bestuurlijke boete is opgelegd, de bestuurlijke boete
geheel of gedeeltelijk kwijt te schelden bij medewerking aan een schuldregeling. Artikel
56, eerste, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
14. Het besluit tot kwijtschelding, bedoeld in het dertiende lid, wordt ingetrokken of
ten nadele van degene aan wie de bestuurlijke boete is opgelegd herzien indien binnen
vijf jaar na het besluit tot kwijtschelding wederom een overtreding is begaan wegens
eenzelfde gedraging als bedoeld in het zesde lid.
Artikel 63. Invordering bestuurlijke boete
1. Het UWV verrekent de bestuurlijke boete en een eerdere bestuurlijke boete wegens
eenzelfde gedraging als bedoeld in artikel 62, vijfde lid, met een uitkering op grond
van deze wet, de Werkloosheidswet, de Ziektewet, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen,
de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen,
de Wet arbeid en zorg of een toeslag op grond van de Toeslagenwet, die de persoon
aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd ontvangt.
2. Onverminderd het eerste lid kan het UWV de bestuurlijke boete verrekenen met een
vordering die degene aan wie de bestuurlijke boete is opgelegd op hem heeft.
3. De Sociale verzekeringsbank onderscheidenlijk de gemeente betaalt het bedrag van
de bestuurlijke boete, zonder dat daarvoor een machtiging nodig is, op zijn verzoek
aan het UWV indien de persoon aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd een uitkering
ontvangt op grond van de Algemene Ouderdomswet, de Algemene nabestaandenwet, de Participatiewet,
de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers
of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.
4. De in artikel 479g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering aan de raad voor
de kinderbescherming toegekende bevoegdheid komt gelijkelijk toe aan het UWV. Indien
het UWV gebruik maakt van deze bevoegdheid, geschiedt de bekendmaking van het dwangbevel,
in afwijking van artikel 4:123, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, door
middel van toezending per post aan de persoon aan wie de boete is opgelegd.
5. Zolang de verzekerde of diens wettelijke vertegenwoordiger diens verplichting, bedoeld
in artikel 62, negende lid, niet of niet behoorlijk nakomt:
a. is het UWV in afwijking van artikel 4:93, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht
bevoegd tot verrekening van de bestuurlijke boete voor zover beslag op de vordering
van de schuldeiser nietig zou zijn;
b. geldt de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, in afwijking van artikel 4:116 van de Algemene wet
bestuursrecht, niet bij de invordering van een bestuurlijke boete bij dwangbevel.
Artikel 64. In kennis stellen re-integratiebedrijf in geval van een sanctie
Indien het UWV de verzekerde de arbeidsongeschiktheidsuitkering geheel of gedeeltelijk
heeft geweigerd dan wel de verzekerde een bestuurlijke boete heeft opgelegd, stelt
het UWV het re-integratiebedrijf dat ten behoeve van die verzekerde werkzaamheden
gericht op vergroting van de mogelijkheden tot het verrichten van arbeid of op inschakeling
in arbeid verricht, van die beschikking in kennis, voor zover dat noodzakelijk is
voor de uitvoering van de werkzaamheden door het re-integratiebedrijf.
HOOFDSTUK 8. INVLOED VAN DE VERZEKERING OP HET BURGERLIJK RECHT
Artikel 65. Samenloop aanspraken
Bij de vaststelling van de schadevergoeding waarop een persoon, die recht heeft op
een arbeidsongeschiktheidsuitkering, naar burgerlijk recht aanspraak kan maken in
verband met diens arbeidsongeschiktheid, houdt de rechter rekening met de aanspraken,
die die persoon op grond van deze wet en de daarop berustende bepalingen heeft.
Artikel 66. Regresrecht UWV
1. Het UWV heeft voor de op grond van deze wet en de daarop berustende bepalingen gemaakte
kosten verhaal op de persoon, die naar burgerlijk recht verplicht is schade te vergoeden
aan de persoon die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, maar ten hoogste
tot het bedrag, waarvoor deze bij het ontbreken van de aanspraken krachtens deze wet
naar burgerlijk recht aansprakelijk zou zijn, verminderd met een bedrag, gelijk aan
dat van de schadevergoeding tot betaling waarvan de aansprakelijke persoon jegens
de persoon die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering naar burgerlijk
recht is gehouden.
2. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat het UWV in plaats van het bedrag
van de periodieke verstrekkingen de contante waarde daarvan kan vorderen.
3. De in het eerste lid bedoelde aansprakelijke en de aansprakelijke jegens de persoon
met een naar het oordeel van het UWV structurele functionele beperking zijn eveneens
verplicht tot vergoeding van de door het UWV gemaakte redelijke kosten ter nakoming
van de verplichtingen tot inschakeling in de arbeid van de persoon die recht heeft
op een arbeidsongeschiktheidsuitkering of de persoon met een naar het oordeel van
het UWV structurele functionele beperking, die op het UWV rusten op grond van deze
wet en de daarop berustende bepalingen alsmede de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen en de daarop berustende bepalingen. De aansprakelijke kan hetzelfde
verweer voeren dat de aansprakelijke jegens de persoon die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering
of voorziening op grond van deze wet ten dienste zou hebben gestaan.
HOOFDSTUK 9. BEPALINGEN IN VERBAND MET DE ALGEMENE WET BESTUURSRECHT EN DE RECHTSGANG
Paragraaf 9.1 Bijzondere beslistermijnen
Artikel 67. Beslistermijn bij advies van een deskundige
Indien in verband met het geven van een beschikking over het ontstaan, later ontstaan
of herleven van het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering als bedoeld in hoofdstuk
5 advies is gevraagd aan een deskundige die niet onder verantwoordelijkheid van het
UWV werkzaam is en om die reden de beschikking niet binnen de redelijke termijn, bedoeld
in artikel 4:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, gegeven kan worden,
wordt die termijn verlengd met ten hoogste vier weken en wordt de aanvrager van die
verlenging schriftelijk in kennis gesteld.
Artikel 68. Beslistermijn bij verblijf in het buitenland
Indien in verband met het geven van een beschikking een in het buitenland wonende
persoon is opgeroepen en om die reden de beschikking niet binnen de redelijke termijn,
bedoeld in artikel 4:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, gegeven kan
worden, wordt die termijn verlengd met ten hoogste zes maanden en wordt de aanvrager
van deze verlenging schriftelijk in kennis gesteld.
Artikel 69. Bijzondere beslistermijn ongeschiktheid voor de eigen arbeid
1. Een beschikking over het bestaan en voortbestaan van ongeschiktheid voor de eigen
arbeid, wordt gegeven binnen dertien weken na ontvangst van de ziekmelding aan het
UWV, bedoeld in artikel 17, eerste lid.
2. Indien de beschikking, bedoeld in het eerste lid, niet binnen dertien weken kan worden
gegeven wordt de aanvrager daarvan schriftelijk in kennis gesteld onder vermelding
van een zo kort mogelijke termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden
gezien.
Artikel 70. Bijzondere beslistermijn beëindiging ontheffing
1. Een beschikking tot beëindiging van een ontheffing, als bedoeld in artikel 14, wordt
gegeven binnen twee weken na ontvangst van de melding dan wel de aanvraag, bedoeld
in het eerste en tweede lid van dat artikel.
2. Een beschikking tot beëindiging van een ontheffing, als bedoeld in artikel 15, tweede
lid, wordt gegeven binnen twee weken na afloop van de periode van vier weken, bedoeld
in dat lid.
Paragraaf 9.2 Beslistermijnen in bezwaar
Artikel 71. Beslistermijn in bezwaar
In afwijking van artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht beslist
het UWV binnen dertien weken gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het
indienen van het bezwaarschrift is verstreken.
Artikel 72. Bijzondere beslistermijn in bezwaar
1. Indien bezwaar wordt gemaakt tegen een beschikking waaraan een verzekeringsgeneeskundige
of arbeidskundige beoordeling als bedoeld in artikel 6 ten grondslag ligt, beslist
het UWV, in afwijking van artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht,
binnen zeventien weken of, indien het advies vraagt aan een deskundige die niet onder
zijn verantwoordelijkheid werkzaam is binnen eenentwintig weken, gerekend vanaf de
dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken.
2. Indien in verband met het geven van een beslissing op bezwaar een in het buitenland
wonende persoon is opgeroepen en om die reden de beslissing op bezwaar niet binnen
de in het eerste lid bedoelde termijn gegeven kan worden, wordt de beslissing, in
afwijking van artikel 7:10, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, verdaagd
met ten hoogste zes maanden en wordt de aanvrager van deze verdaging schriftelijk
in kennis gesteld.
Paragraaf 9.3 Overige bepalingen in verband met de Algemene wet bestuursrecht en de
rechtsgang
Artikel 73. Beroep in cassatie
1. Tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep kan ieder der partijen beroep in
cassatie instellen ter zake van schending of verkeerde toepassing van de artikelen
2, 3 en 7 tot en met 10, en de daarop berustende bepalingen.
2. Op dit beroep zijn de voorschriften betreffende het beroep in cassatie tegen uitspraken
van de gerechtshoven inzake beroepen in belastingzaken van overeenkomstige toepassing,
waarbij de Centrale Raad van Beroep de plaats inneemt van een gerechtshof.
HOOFDSTUK 10. OVERGANGSRECHT
Artikel 74. Overgangsrecht in verband met de particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering
1. In afwijking van artikel 11 verleent het UWV een persoon ontheffing van de verplichte
verzekering op grond van deze wet, indien die persoon voor een bij koninklijk besluit
te bepalen tijdstip met een verzekeraar een verzekeringsovereenkomst heeft gesloten,
die, behoudens de toepassing van een uitsluitingsgrond, ten doel heeft de persoon
een periodieke uitkering te verlenen ter bescherming van derving van inkomen als gevolg
van arbeidsongeschiktheid, onder de voorwaarden dat:
a. onder arbeidsongeschiktheid in ieder geval wordt verstaan dat de persoon als rechtstreeks
en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek niet in staat is
met arbeid het minimumloon per maand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel
b, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, te verdienen;
b. de arbeidsongeschiktheid ten hoogste 104 weken heeft geduurd, voordat het recht op
uitkering ontstaat; en
c. het recht op uitkering, anders dan wegens de toepassing van een uitsluitingsgrond,
niet eerder eindigt dan de dag waarop de persoon niet langer arbeidsongeschikt is
dan wel op de dag waarop de persoon de 55-jarige leeftijd bereikt.
2. Onverminderd het eerste lid verleent het UWV een persoon slechts ontheffing van de
verplichte verzekering op grond van deze wet, indien de verzekeringsovereenkomst,
bedoeld in het eerste lid, op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 11:
a. voldoet aan de voorwaarde overeenkomstig artikel 11, eerste lid, onderdeel c, behoudens
uitsluitingsgronden die reeds deel uitmaakten van de verzekeringsovereenkomst op het
tijdstip, bedoeld in het eerste lid; en
b. voldoet aan de voorwaarden overeenkomstig artikel 11, eerste lid, onderdelen d, e
of f, indien de verzekeringsovereenkomst op het tijdstip, bedoeld in het eerste lid,
reeds aan één of meer van die voorwaarden voldeed, dan wel, indien de verzekeringsovereenkomst
op het tijdstip, bedoeld in het eerste lid, niet reeds aan één of meer van die voorwaarden
voldeed, geen nieuwe of gewijzigde voorwaarden bevat op grond waarvan de hoogte en
duur van de uitkering in geval van arbeidsongeschiktheid lager of korter zijn of zullen
zijn.
3. Het UWV verleent de ontheffing op aanvraag van de verzekeraar met ingang van het
tijdstip van inwerkingtreding van artikel 11. De aanvraag wordt ingediend binnen dertien
weken na het in de eerste zin genoemde tijdstip. Artikel 12, tweede lid, is van overeenkomstige
toepassing.
4. Indien het UWV de ontheffing heeft verleend en de verzekeringsovereenkomst:
a. zodanig wijzigt dat deze niet meer voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste
en tweede lid; of
b. eindigt;
meldt de verzekeraar dit aan het UWV, onder vermelding van de datum waarop zich dit
voordoet. Artikel 13, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
5. Na ontvangst van een melding als bedoeld in het vierde lid, beëindigt het UWV de
ontheffing met ingang van 1 januari van het kalenderjaar na de datum, bedoeld in het
vierde lid, met dien verstande dat het UWV de ontheffing niet eerder beëindigt dan
met ingang van 1 januari van het kalenderjaar na de datum waarop de melding is gedaan.
6. Op aanvraag van een persoon als bedoeld in het eerste lid tot beëindiging van de
ontheffing, beëindigt het UWV de ontheffing met ingang van 1 januari van het kalenderjaar
na de datum waarop die aanvraag is ingediend.
7. In afwijking van het vijfde lid beëindigt het UWV de ontheffing met ingang van de
dag na de datum waarop de verzekeringsovereenkomst eindigt vanwege het bereiken van
een overeengekomen leeftijd als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, indien die
leeftijd gelegen is voor de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste
lid, van de Algemene Ouderdomswet, met dien verstande dat het UWV de ontheffing niet
eerder beëindigt dan met ingang van de dag na de datum waarop de melding, bedoeld
in het vierde lid, is gedaan.
8. In afwijking van het vijfde en zesde lid beëindigt het UWV de ontheffing met ingang
van de dag na de datum, bedoeld in vierde lid, met dien verstande dat het UWV de ontheffing
niet eerder beëindigt dan met ingang van de dag na de datum waarop de melding is gedaan
dan wel de aanvraag is ingediend, indien:
a. sprake is van een verzekeringsovereenkomst die eindigt vanwege het faillissement van
de verzekeraar;
b. de toepassing van het vijfde lid zou leiden tot een kennelijke hardheid.
9. In afwijking van het vijfde en zesde lid beëindigt het UWV de ontheffing met ingang
van de dag na de datum, bedoeld in het vierde lid, dan wel een in de aanvraag, bedoeld
in het zesde lid, vermelde dag, indien voor die dag een aanvraag is ingediend als
bedoeld in artikel 12, vierde lid, met een aansluitende verzochte datum van ontheffing
als bedoeld in artikel 11, eerste lid.
10. Artikel 15 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het verschuldigde
bedrag aan stabiliteitsbijdrage, bedoeld in artikel 15, betrekking heeft op de stabiliteitsbijdrage,
bedoeld in artikel 122t, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen.
Artikel 75. Overgangsrecht in verband met de vrijwillige verzekering ZW en Wet WIA
1. In afwijking van artikel 7, eerste lid, is niet verzekerd op grond van deze wet de
zelfstandige:
a. die op grond van artikel 18, eerste lid, onderdelen c en f, van de Wet werk en inkomen
naar arbeidsvermogen, zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van
inwerkingtreding van artikel 80, is toegelaten tot de vrijwillige verzekering van
die wet, zolang die verzekering, met inachtneming van artikel 10 van die wet, voortduurt;
b. die op grond van artikel 64, eerste lid, onderdelen c en j, van de Ziektewet, zoals
dat luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel
81, is toegelaten tot de vrijwillige verzekering van die wet en voor dat tijdstip
als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap
of bevalling ongeschikt is voor het verrichten van passende arbeid:
1°. gedurende de eerste twee dagen van ongeschiktheid tot werken waarover op grond van
artikel 70, eerste lid, van de Ziektewet geen ziekengeld wordt uitgekeerd;
2°. gedurende de periode waarover de zelfstandige recht heeft op uitkering van ziekengeld;
3°. gedurende vier weken na het eindigen van die ongeschiktheid, indien de zelfstandige
binnen die vier weken opnieuw als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen
gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling ongeschikt is voor het verrichten
van passende arbeid;
c. die op grond van artikel 64, eerste lid, onderdelen c en j, van de Ziektewet, zoals
dat luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel
81, is toegelaten tot de vrijwillige verzekering van die wet en voor dat tijdstip
tevens is toegelaten tot de vrijwillige verzekering op grond van paragraaf 2.2 van
de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, en voor wie laatstgenoemde vrijwillige
verzekering eindigt tijdens een periode van ongeschikt zijn voor het verrichten van
passende arbeid. Onderdeel b is van overeenkomstige toepassing.
2. De zelfstandige wiens verzekering als bedoeld in het eerste lid eindigt na 1 januari
van een kalenderjaar is gedurende het restant van dat kalenderjaar, in afwijking van
artikel 7, eerste lid, niet verzekerd op grond van deze wet.
HOOFDSTUK 11. WIJZIGING VAN ANDERE WETTEN
Artikel 76. Wijziging van de Algemene wet bestuursrecht
De Algemene wet bestuursrecht wordt als volgt gewijzigd:
A
Bijlage 2, artikel 9, wordt als volgt gewijzigd:
1. In de alfabetische volgorde wordt ingevoegd:
«Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen».
2. Na «Wet financiering sociale verzekeringen, voor zover het betreft een besluit van
de Sociale verzekeringsbank of het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen» wordt
ingevoegd «, behalve voor zover dat besluit is genomen op basis van artikel 57a of
artikel 60a».
B
In bijlage 2, artikel 10, wordt in de alfabetische volgorde ingevoegd «Wet financiering
sociale verzekeringen, voor zover het betreft een besluit genomen op basis van artikel
57a of artikel 60a».
C
In bijlage 3, artikel 2, wordt in de alfabetische volgorde ingevoegd «Wet basisverzekering
arbeidsongeschiktheid zelfstandigen».
Artikel 77. Wijziging van de Wet financiering sociale verzekeringen
De Wet financiering sociale verzekeringen wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 1, onderdeel n, komt te luiden:
n. Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen:
het Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen, genoemd in artikel 118b.
B
Aan artikel 2 wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel d door
een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:
e. arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen:
de verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zelfstandigen op grond van de
Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen.
C
In het opschrift van hoofdstuk 3 vervalt «en de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen».
D
In het opschrift van hoofdstuk 3, afdeling 4, paragraaf 1, vervalt «en rijksbijdragen».
E
Artikel 33 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het opschrift vervalt «en rijksbijdrage».
2. In het eerste lid vervalt «, en door een bijdrage van het rijk als bedoeld in artikel
114, onderdeel f».
F
Hoofdstuk 3, afdeling 4, paragraaf 5, vervalt.
G
Na hoofdstuk 3 wordt een hoofdstuk ingevoegd, luidende:
HOOFDSTUK 3A. DE FINANCIERING VAN DE ARBEIDSONGESCHIKTHEIDSVERZEKERING ZELFSTANDIGEN
§ 1. Premie, stabiliteitsbijdrage en rijksbijdrage ten gunste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds
zelfstandigen
Artikel 56a. Heffing premie en stabiliteitsbijdrage
De financiële middelen tot dekking van de uitgaven van het Arbeidsongeschiktheidsfonds
zelfstandigen, alsmede de financiële middelen voor het vormen van een rentehobbelvermogen
in het Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen, worden verkregen door het heffen
van premie en van stabiliteitsbijdrage, en door bijdragen van het rijk als bedoeld
in de artikelen 56h en 56i.
§ 2. Premieplicht en plicht tot stabiliteitsbijdrage
Artikel 56b. Premieplicht en plicht tot afdracht stabiliteitsbijdrage
1. De premie is verschuldigd door de verzekerde in de zin van de Wet basisverzekering
arbeidsongeschiktheid zelfstandigen, tenzij die verzekerde recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering
op grond van die wet.
2. De stabiliteitsbijdrage is verschuldigd door de verzekeraar als bedoeld in artikel
1 van de Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen voor elke persoon
die ontheven is van de verplichte verzekering op grond van die wet vanwege een verzekeringsovereenkomst
met die verzekeraar, als bedoeld in artikel 11 van die wet.
3. De stabiliteitsbijdrage is niet verschuldigd met ingang van de dag waarop de verzekeringsovereenkomst,
bedoeld in het tweede lid:
a. zodanig is gewijzigd dat deze niet meer voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in artikel
11 van de Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen; of
b. is geëindigd;
met dien verstande dat de stabiliteitsbijdrage in ieder geval verschuldigd is tot
en met de dag waarop de melding, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van die wet is
gedaan.
4. De premie en de stabiliteitsbijdrage zijn niet verschuldigd met ingang van de eerste
dag van de maand waarin de zelfstandige, bedoeld in artikel 9 van de Wet basisverzekering
arbeidsongeschiktheid zelfstandigen, dan wel de persoon, bedoeld in het tweede lid,
de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene
Ouderdomswet, zal bereiken.
5. In afwijking van het eerste lid is geen premie verschuldigd door de verzekerde gedurende
het restant van het eerste kalenderjaar waarin een persoon verzekerde is, indien sprake
is van een situatie als bedoeld in artikel 14, derde lid, of 15, tweede lid, van de
Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen.
§ 3. Maatstaf en hoogte
Artikel 56c. Maatstaf premieheffing
1. De maatstaf voor de heffing van de premie voor de arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen is het premie-inkomen van de premieplichtige.
2. Het premie-inkomen van een premieplichtige is gelijk aan de winst uit onderneming
respectievelijk winst uit Nederlandse onderneming, bedoeld in artikel 4 van de Wet
basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen, in een kalenderjaar.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ten behoeve van het bepalen van het premie-inkomen
nadere en zo nodig afwijkende regels worden gesteld met betrekking tot uitbreiding
dan wel beperking van de winst uit onderneming respectievelijk winst uit Nederlandse
onderneming, bedoeld in artikel 4 van de Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid
zelfstandigen.
4. Het premie-inkomen wordt voor de heffing van de premie:
a. ten minste gesteld op nihil; en
b. tot geen hoger bedrag in aanmerking genomen dan 142,86% van de som van de voor alle
maanden van het kalenderjaar geldende bedragen aan minimumloon per maand, bedoeld
in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag,
verminderd met in datzelfde kalenderjaar genoten loon als bedoeld in artikel 16.
5. De vermindering met loon, bedoeld in het vierde lid, onderdeel b, vindt slechts plaats
voor zover dat loon verkregen is als verzekerde op grond van artikel 7 van de Wet
werk en inkomen naar arbeidsvermogen.
Artikel 56d. Premiepercentage
1. De premie wordt door het UWV vastgesteld op een percentage van het premie-inkomen.
2. Het UWV stelt de premie zodanig vast dat naar verwachting de opbrengst van de premieheffing,
samen met de overige middelen van het Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen, bedoeld
in artikel 118c, gelijk is aan de uitgaven van het Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen,
bedoeld in artikel 118d.
3. Het UWV kan de premie hoger of lager vaststellen dan volgt uit het tweede lid, teneinde:
a. te voorkomen dat de hoogte van de premie in grote mate fluctueert ten opzichte van
het voorgaande kalenderjaar; of
b. negatief fondsvermogen aan te vullen dan wel in te teren op aanwezig fondsvermogen.
4. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de omstandigheden
waarin en de manier waarop het UWV gebruik kan maken van de bevoegdheid, bedoeld in
het derde lid.
Artikel 56e. Rentehobbelopslag
1. Het UWV verhoogt de premie, zoals vastgesteld als bedoeld in artikel 56d, met het
percentage van de rentehobbelopslag dat voor het betreffende kalenderjaar is vastgesteld.
2. Bij regeling van Onze Minister van Werk en Participatie wordt de rentehobbelopslag
voor het komende kalenderjaar vastgesteld op een percentage van het premie-inkomen.
3. De opbrengst van de rentehobbelopslag komt ten goede aan het rentehobbelvermogen
in het Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over
de vaststelling van de hoogte van het percentage van de rentehobbelopslag.
5. Dit artikel en de zinsnede «, alsmede de financiële middelen voor het vormen van
een rentehobbelvermogen in het Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen,» in artikel
56a vervallen op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Artikel 56f. Hoogte stabiliteitsbijdrage
De stabiliteitsbijdrage wordt bij regeling van Onze Minister van Werk en Participatie
voor elke persoon voor wie de stabiliteitsbijdrage verschuldigd is vastgesteld op
een percentage van de maximale maatstaf voor de heffing van de premie, bedoeld in
artikel 56c, vierde lid, onderdeel b.
Artikel 56g. Wijziging premie of hoogte stabiliteitsbijdrage anders dan per 1 januari
1. Indien een wijziging van het premiepercentage op grond van dit hoofdstuk ingaat op
een ander tijdstip dan 1 januari, is goedkeuring vereist van Onze Ministers van Werk
en Participatie en van Financiën. Indien Onze Ministers van Werk en Participatie en
van Financiën hun goedkeuring onthouden, stellen zij het percentage zelf vast.
2. Onze Ministers van Werk en Participatie en van Financiën kunnen in een geval als
bedoeld in het eerste lid regels stellen omtrent de wijze van berekening van de premie
over het gehele kalenderjaar.
3. Indien een wijziging van de hoogte van de stabiliteitsbijdrage op grond van dit hoofdstuk
ingaat op een ander tijdstip dan 1 januari, vindt de vaststelling plaats in overeenstemming
met Onze Minister van Financiën.
§ 4. Rijksbijdragen
Artikel 56h. Rijksbijdrage Wet arbeid en zorg
Onze Minister van Werk en Participatie kan bedragen vaststellen die jaarlijks of in
het desbetreffende jaar als rijksbijdrage als bedoeld in artikel 118c, onderdeel e,
ten gunste komen van het Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen.
Artikel 56i. Rijksbijdrage Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen
Onze Minister van Werk en Participatie kan bedragen vaststellen die jaarlijks of in
het desbetreffende jaar als rijksbijdrage als bedoeld in artikel 118c, onderdeel f,
ten gunste komen van het Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen.
H
Aan het opschrift van hoofdstuk 4 wordt toegevoegd «en de stabiliteitsbijdrage».
I
In artikel 57 wordt «de premie voor de volksverzekeringen en de premies voor de werknemersverzekeringen»
vervangen door «de premie voor de volksverzekeringen, de premies voor de werknemersverzekeringen,
en de premie voor de arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen».
J
Na artikel 57 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 57a. Heffing stabiliteitsbijdrage door UWV
UWV heft de stabiliteitsbijdrage voor de arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen
op de wijze, aangegeven door het UWV.
K
Na artikel 59 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 59a. Premieheffing arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen
De premie voor de arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen wordt bij wege van
aanslag geheven met overeenkomstige toepassing van de voor de heffing van de inkomstenbelasting
geldende regels.
L
Artikel 60 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt «de premie voor de volksverzekeringen en de premies voor
de werknemersverzekeringen» vervangen door «de premie voor de volksverzekeringen,
de premies voor de werknemersverzekeringen, en de premie voor de arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen».
2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
4. Bij de invordering van de premie voor de arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen
zijn de regels die gelden voor de invordering van de inkomstenbelasting van overeenkomstige
toepassing.
M
Na artikel 60 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 60a. Invordering door het UWV
1. Het UWV vordert de stabiliteitsbijdrage voor de arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen in.
2. Het UWV kan de stabiliteitsbijdrage invorderen bij dwangbevel.
3. Op de invordering van de stabiliteitsbijdrage is artikel 21 van de Invorderingswet
1990 van overeenkomstige toepassing.
N
In artikel 64, eerste lid, wordt «één of meer volksverzekeringen of alle werknemersverzekeringen»
vervangen door «één of meer volksverzekeringen, alle werknemersverzekeringen of de
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen».
O
Artikel 65 wordt als volgt gewijzigd:
1. Onder vernummering van het derde lid tot vierde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:
3. Indien een zelfstandige op grond van artikel 64 ontheffing is verleend in het kader
van de arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen wordt premievervangende inkomstenbelasting
geheven overeenkomstig artikel 59a tot het bedrag aan premies dat met toepassing van
hoofdstuk 3a zou zijn afgedragen, indien geen ontheffing zou zijn verleend.
2. In het vierde lid (nieuw) wordt «voor de volksverzekeringen dan wel voor de werknemersverzekeringen»
vervangen door «voor de volksverzekeringen, de werknemersverzekeringen, dan wel voor
de arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen».
P
In artikel 66 wordt «de volksverzekeringen en de werknemersverzekeringen» vervangen
door «de volksverzekeringen, de werknemersverzekeringen en de arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen».
Q
Artikel 81 wordt als volgt gewijzigd:
1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.
2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
2. Bij regeling van Onze Ministers van Werk en Participatie en van Financiën worden
regels gesteld met betrekking tot de afdracht van de premie voor de arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen en de stabiliteitsbijdrage voor de arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen alsmede van de daarmee verband houdende bestuurlijke boeten en renten
door de rijksbelastingdienst of het UWV aan het Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen
en de wijze van toerekening van die premies, de stabiliteitsbijdrage, boeten en renten
aan dat fonds.
R
Artikel 114 wordt als volgt gewijzigd:
1. Onderdeel e komt te luiden:
e. de gelden die het UWV ontvangt door toepassing van de Wet arbeid en zorg, met uitzondering
van de gelden die betrekking hebben op de uitkeringen, bedoeld in hoofdstuk 3, afdeling
2, paragraaf 2, van die wet;
2. Onderdeel f vervalt, onder verlettering van de onderdelen g tot en met l tot f tot
en met k.
3. Onderdeel k (nieuw) vervalt, onder vervanging van de puntkomma aan het slot van onderdeel
j (nieuw) door een punt.
S
Artikel 115, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:
1. Onderdeel b vervalt.
2. Onderdeel c komt te luiden:
c. de op grond van de artikelen 3:1a, 4:2b en 6:3 van de Wet arbeid en zorg te betalen
vergoedingen en uitkeringen;
3. In onderdeel j vervalt «, hoofdstuk 3A van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen».
4. Aan onderdeel m wordt toegevoegd «, behalve de kosten die het UWV maakt ter uitvoering
van de Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen».
T
In artikel 117b, derde lid, onderdeel d, wordt na «op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen» ingevoegd «, de Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen».
U
In hoofdstuk 7 wordt na afdeling 3 een afdeling ingevoegd, luidende:
AFDELING 3A. ARBEIDSONGESCHIKTHEIDSVERZEKERING ZELFSTANDIGEN
Artikel 118b. Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen
Het UWV beheert en administreert afzonderlijk de in artikel 56a bedoelde middelen
tot dekking van de uitgaven, alsmede de middelen benodigd voor het vormen van een
rentehobbelvermogen, in de vorm van een Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen
dat deel uitmaakt van het UWV.
Artikel 118c. Middelen Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen
Ten gunste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen komen:
a. de premie op grond van artikel 56b, eerste lid;
b. de stabiliteitsbijdrage op grond van artikel 56b, tweede lid,;
c. de bedragen, die het UWV ontvangt door de toepassing van de artikelen 13, 53 en 62
van de Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen;
d. de bedragen, die het UWV ontvangt door de toepassing van artikel 66 van de Wet basisverzekering
arbeidsongeschiktheid zelfstandigen;
e. een rijksbijdrage ter hoogte van het door Onze Minister van Werk en Participatie geraamde
bedrag aan lasten en uitvoeringskosten als bedoeld in artikel 118d, eerste lid, onderdelen
b en e, voor zover deze lasten en uitvoeringskosten betrekking hebben op de te betalen
uitkeringen op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 2, van de Wet arbeid en
zorg voor de beroepsbeoefenaren op arbeidsovereenkomst, bedoeld in artikel 3:17, eerste
lid, onderdeel a, van die wet, voor de zelfstandigen, bedoeld in artikel 3:17, eerste
lid, onderdeel b, onder 3° tot en met 6°, van die wet, en voor de partners, bedoeld
in artikel 3:18, tiende en elfde lid, van die wet;
f. een rijksbijdrage ter hoogte van het door Onze Minister van Werk en Participatie geraamde
bedrag aan lasten en uitvoeringskosten als bedoeld in artikel 118d, eerste lid, onderdelen
c, d en e, voor zover deze lasten en uitvoeringskosten betrekking hebben op de te
betalen uitkeringen en re-integratie-instrumenten op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen;
g. de gelden die het UWV ontvangt door toepassing van de Wet arbeid en zorg, voor zover
deze gelden betrekking hebben op de uitkeringen, bedoeld in hoofdstuk 3, afdeling
2, paragraaf 2, van de Wet arbeid en zorg;
h. de gelden die het UWV ontvangt door toepassing van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen.
Artikel 118d. Uitgaven Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen
1. Ten laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen komen:
a. de door het UWV op grond van de Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen
te betalen uitkeringen;
b. de door het UWV op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 2, van de Wet arbeid
en zorg te betalen uitkeringen;
c. de door het UWV op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen
te betalen uitkeringen;
d. de kosten in verband met de uitvoering van artikel 24 van de Wet basisverzekering
arbeidsongeschiktheid zelfstandigen en van artikel 30a van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen, voor zover het UWV deze kosten maakt ter uitvoering van de Wet basisverzekering
arbeidsongeschiktheid zelfstandigen, en de kosten van de re-integratie-instrumenten,
bedoeld in paragraaf 3.2 van die wet en van hoofdstuk 3A van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen;
e. de uitvoeringskosten die betrekking hebben op de uitkeringen, bedoeld in de onderdelen
a, b en c;
f. de op grond van enige wet over de uitkeringen, bedoeld in de onderdelen a, b en c,
door het UWV verschuldigde premies en de inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in
artikel 42 van de Zorgverzekeringswet, die niet op deze uitkeringen in mindering kunnen
worden gebracht.
2. Er komen geen bedragen ten laste van het rentehobbelvermogen in het Arbeidsongeschiktheidsfonds
zelfstandigen.
V
Na artikel 122s wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 122t. Overgangsrecht Wet BAZ voor premieplicht en plicht tot afdracht stabiliteitsbijdrage
1. De stabiliteitsbijdrage, bedoeld in artikel 56b, tweede lid, is verschuldigd door
de verzekeraar als bedoeld in artikel 1 van de Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid
zelfstandigen voor elke persoon die ontheven is van de verplichte verzekering op grond
van die wet vanwege een verzekeringsovereenkomst met die verzekeraar, als bedoeld
in artikel 74 van die wet. De stabiliteitsbijdrage is niet verschuldigd met ingang
van de dag waarop de verzekeringsovereenkomst zodanig is gewijzigd dat deze niet meer
voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 74, eerste en tweede lid, van die wet,
of is geëindigd, met dien verstande dat de stabiliteitsbijdrage in ieder geval verschuldigd
is tot en met de dag waarop de melding, bedoeld in artikel 74, vierde lid, van die
wet, is gedaan. De stabiliteitsbijdrage is tevens niet verschuldigd met ingang van
de eerste dag van de maand waarin de persoon de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld
in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, zal bereiken. De stabiliteitsbijdrage
komt ten gunste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen, genoemd in artikel
118c.
2. De stabiliteitsbijdrage, bedoeld in artikel 56b, tweede lid, komt ten laste van het
UWV voor iedere zelfstandige die niet verzekerd is voor de Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid
zelfstandigen op grond van artikel 75, eerste lid, onderdelen a en c, van die wet.
De stabiliteitsbijdrage komt niet ten laste van het UWV met ingang van de eerste dag
van de maand waarin de zelfstandige de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel
7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, zal bereiken. De artikelen 57a en 60a
zijn niet van toepassing op de heffing en inning van de stabiliteitsbijdrage, bedoeld
in dit lid. De stabiliteitsbijdrage komt ten gunste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds
zelfstandigen, genoemd in artikel 118c.
3. Met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 77, onderdeel V, van
de Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen wordt voor iedere zelfstandige,
bedoeld in het tweede lid, de premie voor de vrijwillige verzekering op grond van
de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, bedoeld in artikel 76a, verhoogd met
het bedrag van de stabiliteitsbijdrage, bedoeld in artikel 56f.
4. Artikel 56b, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing op artikel 74, zevende,
achtste en tiende lid, van de Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen.
W
In artikel 124 wordt na «de werknemersverzekeringen,» ingevoegd «de arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen,».
Artikel 78. Wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001
De Wet inkomstenbelasting 2001 wordt als volgt gewijzigd:
A
Aan artikel 3.13, eerste lid, onderdeel d, wordt toegevoegd «en de Wet basisverzekering
arbeidsongeschiktheid zelfstandigen».
B
Aan artikel 3.16, tweede lid, wordt, onder vervanging van «en» aan het slot van onderdeel
e door een puntkomma en onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel f
door «; en», een onderdeel toegevoegd, luidende:
g. premies ingevolge de Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen als
bedoeld in artikel 56a van de Wet financiering sociale verzekeringen of een buitenlandse
regeling die naar aard en strekking daarmee overeenkomt.
Artikel 79 Wijziging van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
De Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 1, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:
1. In onderdeel l, onderdeel 2°, wordt na «de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen,» ingevoegd «de Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen,».
2. Onder vervanging van de punt aan het slot door een puntkomma worden drie onderdelen
[waarvan de letteraanduiding alfabetisch aansluit op het laatste onderdeel] toegevoegd,
luidende:
#. zelfstandige:
de zelfstandige in de zin van de Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen;
#. winst uit onderneming:
winst uit onderneming en winst uit Nederlandse onderneming als bedoeld in artikel
4 van de Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen;
#. arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen:
de verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zelfstandigen op grond van de
Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen.
B
Artikel 30, tweede lid, wordt als volgt gewijzigd:
1. «artikel 1, onderdelen j tot en met m en w, van de Wet financiering sociale verzekeringen»
wordt vervangen door «artikel 1, onderdelen j tot en met n en w, van de Wet financiering
sociale verzekeringen».
2. Na «genoemd in artikel 5:1 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten»
wordt ingevoegd «, het heffen en innen van de stabiliteitsbijdrage, bedoeld in artikel
56a van de Wet financiering sociale verzekeringen, en van de premie voor de vrijwillige
werknemersverzekeringen, bedoeld in artikel 72 van die wet,».
C
In het opschrift van paragraaf 5.2 wordt na «Polisadministratie» ingevoegd «, zelfstandigenadministratie».
D
Artikel 33a wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt na «werknemers,» ingevoegd «zelfstandigen,».
2. In het tweede lid wordt na «de polisadministratie, bedoeld in artikel 33,» ingevoegd
«de zelfstandigenadministratie, bedoeld in artikel 33e,».
E
Artikel 33b wordt als volgt gewijzigd:
1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.
2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
2. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verifieert het burgerservicenummer
in relatie tot de bijbehorende persoonsidentificerende gegevens van de natuurlijke
persoon, bedoeld in artikel 33e, tweede lid, bij de eerste opname in de zelfstandigenadministratie
en doet indien daartoe aanleiding is mededeling aan het college van burgemeester en
wethouders als bedoeld in artikel 2.34, eerste lid, van de Wet basisregistratie personen.
F
Aan het opschrift van artikel 33c wordt «van werknemers» toegevoegd.
G
Na artikel 33d worden drie artikelen ingevoegd, luidende:
Artikel 33e. Zelfstandigenadministratie
1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen draagt zorg voor de inrichting en
adequate werking van de zelfstandigenadministratie.
2. De zelfstandigenadministratie heeft tot doel van de zelfstandige gegevens vast te
leggen over het al dan niet verzekerd zijn voor de Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid
zelfstandigen ten behoeve van het nemen van besluiten over recht op uitkering op grond
van die wet, de gegevensverstrekking aan de Belastingdienst ten behoeve van haar taak
in het kader van die wet, en het informeren van zelfstandigen over deze gegevens.
3. De basisregistratie personen wordt ter verificatie geraadpleegd voor de verwerking
van gegevens door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op grond van dit
artikel.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de gegevensset,
de wijze van verkrijging en het elektronische gegevensverkeer van de gegevens van
de zelfstandigenadministratie.
Artikel 33f. Gegevensverwerkingen voor zelfstandigen
1. De Belastingdienst verstrekt aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
alle gegevens en inlichtingen die verkregen zijn bij de uitvoering van de heffing
van inkomstenbelasting en van de heffing van premies arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen, bedoeld in artikel 56a van de Wet financiering sociale verzekeringen,
voor zover die gegevens en inlichtingen noodzakelijk zijn in het kader van zijn taak
tot uitvoering van de Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen.
2. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verstrekt aan de Belastingdienst
alle gegevens en inlichtingen, die noodzakelijk zijn ten behoeve van het heffen en
invorderen van de premie, bedoeld in artikel 56a van de Wet financiering sociale verzekeringen.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de gegevensset,
de wijze van verkrijging en het elektronische gegevensverkeer van de gegevens die
op grond van dit artikel worden verwerkt.
Artikel 33g. Informatie over verwerkte gegevens van zelfstandigen
1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen stelt de zelfstandige in de gelegenheid
kennis te nemen van het gegeven of diegene verzekerde is in de zin van de Wet basisverzekering
arbeidsongeschiktheid zelfstandigen.
2. Indien de gegevens in de zelfstandigenadministratie niet juist of niet volledig zijn,
kan de zelfstandige een verzoek tot rectificatie van onjuiste gegevens indienen bij
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen met aanduiding van de juiste gegevens.
3. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld voor de wijze van informatieverstrekking
die voor verschillende soorten zelfstandigen verschillend kan zijn, en in samenhang
daarmee voor de inhoud van de informatie.
H
In artikel 45, eerste lid, onderdeel a, wordt «artikel 1, onderdelen j tot en met
m, van de Wet financiering sociale verzekeringen» vervangen door «artikel 1, onderdelen
j tot en met n, van de Wet financiering sociale verzekeringen».
I
Aan artikel 54, derde lid, wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel
n door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:
o. de verzekeraar, bedoeld in artikel 1 van de Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid
zelfstandigen, voor zover het gegevens betreft over personen die ontheven zijn van
de verplichte verzekering op grond van die wet als bedoeld in artikel 11 en 74 van
die wet, waaronder het burgerservicenummer, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van
de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer van deze personen.
J
Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel o door een puntkomma wordt
aan artikel 72a, eerste lid, een onderdeel toegevoegd, luidende:
p. artikel 32 van de Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen.
K
Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel k door een puntkomma wordt
aan artikel 82a, eerste lid, een onderdeel toegevoegd, luidende:
l. paragraaf 3.2 en de artikelen 29 en 30 van de Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid
zelfstandigen.
L
In artikel 84, eerste lid, wordt na «van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen,»
ingevoegd «53, zevende lid en 62, negende lid, van de Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid
zelfstandigen,».
Artikel 80. Wijziging van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
De Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 18 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid, onderdeel c, wordt «als zelfstandige werkzaamheden verricht of
gaat verrichten, of als echtgenoot van de zelfstandige meewerkt of gaat meewerken»
vervangen door «als zelfstandige, die directeur-grootaandeelhouder is als bedoeld
in artikel 1, werkzaamheden verricht of gaat verrichten, of als echtgenoot van die
zelfstandige meewerkt of gaat meewerken».
2. In het eerste lid, onderdeel f, wordt «als zelfstandige werkzaamheden gaat verrichten
of als echtgenoot van die zelfstandige meewerkt of gaat meewerken» vervangen door
«als zelfstandige, die directeur-grootaandeelhouder is als bedoeld in artikel 1, werkzaamheden
gaat verrichten, of als echtgenoot van die zelfstandige meewerkt of gaat meewerken».
B
Na artikel 123c wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 124. Overgangsrecht inzake de vrijwillige verzekering voor zelfstandigen en
meewerkende echtgenoten
Artikel 18, eerste lid, onderdelen c en f, zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaand
aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 80 van de Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid
zelfstandigen, blijft van toepassing op de zelfstandige en de echtgenoot van die zelfstandige
die voor dat tijdstip zijn toegelaten tot de vrijwillige verzekering op grond van
paragraaf 2.2.
Artikel 81. Wijziging van de Ziektewet
De Ziektewet wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 29b, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:
1. Aan het slot van onderdeel c vervalt «of».
2. Na onderdeel d worden twee onderdelen ingevoegd, luidende:
e. die onmiddellijk voorafgaand aan een dienstbetrekking, bedoeld in artikel 3, 4 of
5, recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet basisverzekering
arbeidsongeschiktheid zelfstandigen, of
f. van wie in een arbeidskundig onderzoek is vastgesteld dat hij op de eerste dag na
afloop van de wachttijd, bedoeld in artikel 16 van de Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid
zelfstandigen:
1°. in staat is met arbeid het minimumloon per maand, bedoeld in artikel 8, eerste lid,
onderdeel b, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, te verdienen,
2°. alsmede op de eerste dag van elf weken voorafgaand aan die dag geen dienstbetrekking
had, tenzij die dienstbetrekking reeds bestond op de eerste dag van de wachttijd,
3°. niet in staat is tot het verrichten van de eigen arbeid, en
4°. binnen vijf jaar na die dag in dienstbetrekking werkzaamheden gaat verrichten bij
een werkgever,
B
Artikel 64 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid, onderdeel c, wordt «als zelfstandige als bedoeld in artikel 4,
vijfde lid, werkzaamheden verricht of gaat verrichten, of als echtgenoot van die zelfstandige
meewerkt of gaat meewerken» vervangen door «als zelfstandige, die directeur-grootaandeelhouder
is als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onderdeel c, werkzaamheden verricht of gaat
verrichten, of als echtgenoot van die zelfstandige meewerkt of gaat meewerken».
2. In het eerste lid, onderdeel j, wordt «als zelfstandige een bedrijf of beroep uitoefent
of gaat uitoefenen of als echtgenoot van die zelfstandige in dat bedrijf of beroep
meewerkt of gaat meewerken» vervangen door «als zelfstandige, die directeur-grootaandeelhouder
is als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onderdeel c, werkzaamheden gaat verrichten
of als echtgenoot van die zelfstandige meewerkt of gaat meewerken».
C
Na artikel 85 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 86. Overgangsrecht inzake de vrijwillige verzekering voor zelfstandigen en
meewerkende echtgenoten
1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen beëindigt de vrijwillige verzekering,
indien vanwege de inwerkingtreding van de Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid
zelfstandigen niet langer wordt voldaan aan de vereisten, bedoeld in artikel 64, eerste
lid, onderdeel c en j.
2. Artikel 64, eerste lid, onderdelen c en j, zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaand
aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 81 van de Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid
zelfstandigen, blijft van toepassing op de persoon:
a. die als zelfstandige, bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onderdelen a en b, is toegelaten
tot de vrijwillige verzekering en voor dat tijdstip als rechtstreeks en objectief
medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling ongeschikt
is voor het verrichten van passende arbeid:
1°. gedurende de eerste twee dagen van ongeschiktheid tot werken waarover op grond van
artikel 70, eerste lid, geen ziekengeld wordt uitgekeerd;
2°. gedurende de periode waarover hij recht heeft op uitkering van ziekengeld; of
3°. gedurende vier weken na het eindigen van die ongeschiktheid, indien hij binnen die
vier weken opnieuw als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van
ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling ongeschikt is voor het verrichten van passende
arbeid;
b. die als zelfstandige, bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onderdelen a en b, is toegelaten
tot de vrijwillige verzekering en voor dat tijdstip tevens is toegelaten tot de vrijwillige
verzekering op grond van paragraaf 2.2 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen,
zolang laatstgenoemde vrijwillige verzekering voortduurt;
c. bedoeld in onderdeel b, die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen
gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling ongeschikt is voor het verrichten
van passende arbeid, en voor wie de vrijwillige verzekering op grond van paragraaf
2.2 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen tijdens deze periode van ongeschiktheid
voor het verrichten van zijn arbeid eindigt. Onderdeel a is van overeenkomstige toepassing;
of
d. die als meewerkend echtgenoot van de zelfstandige, bedoeld in artikel 4, vijfde lid,
onderdelen a en b, voor dat tijdstip is toegelaten tot de vrijwillige verzekering.
HOOFDSTUK 12. SLOTBEPALINGEN
Artikel 82. Beëindiging particuliere verzekering
1. De persoon met een verzekeringsovereenkomst die ten doel heeft die persoon een uitkering
te verlenen ter bescherming van derving van inkomen als gevolg van arbeidsongeschiktheid,
die niet voldoet aan de onder artikel 11 gestelde voorwaarden, kan die verzekeringsovereenkomst
beëindigen indien die persoon verplicht verzekerd wordt op grond van deze wet. Beëindiging
geschiedt met ingang van de dag waarop de verzekeraar van de persoon mededeling van
het verplicht verzekerd worden ontvangt. Bereikt deze mededeling de verzekeraar vóór
de dag waarop de persoon verplicht verzekerd wordt, dan geschiedt beëindiging van
de overeenkomst met ingang van die dag.
2. De premie die de persoon, wiens verzekering op grond van het eerste lid is beëindigd,
heeft vooruitbetaald en die ziet op de periode na die beëindiging, wordt door de verzekeraar
terugbetaald, onder aftrek van ten hoogste 25 procent van het terug te betalen bedrag
voor administratiekosten.
Artikel 83. Buiten toepassingverklaring van Algemene termijnenwet
De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de termijnen, gesteld in de artikelen
10, 16, derde lid, 38, eerste lid, en 50.
Artikel 84. Evaluatiebepaling
Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal
een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.
Artikel 85. Inwerkingtreding
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat
voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 86. Citeertitel
Deze wet wordt aangehaald als: Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries,
autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
De Minister van Werk en Participatie,
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.