Memorie van toelichting : Memorie van toelichting (herdruk)
36 911 Wijziging van de Wet kinderopvang in verband met de verbetering van enkele bepalingen op het terrein van kinderopvangtoeslag
Nr. 3 HERDRUK1
MEMORIE VAN TOELICHTING
I ALGEMEEN DEEL
1 Inleiding
Een goed kinderopvangstelsel is belangrijk om ouders te kunnen laten werken. Dankzij
kinderopvang kunnen ouders financieel zelfstandig blijven en meer dagen werken. Dat
is extra van belang met het oog op de krappe arbeidsmarkt. Als de opvang veilig en
van goede kwaliteit is zullen ouders hun kinderen met een gerust hart naar de kinderopvang
brengen. En kinderen profiteren daar ook van. Zo draagt de kinderopvang bij aan een
goede start in het leven van bijna een miljoen kinderen in Nederland.2
Financiële toegankelijkheid van de opvang is van groot belang voor een goed werkend
kinderopvangstelsel. De kinderopvangtoeslag (KOT) is een belangrijk instrument om
betaalbare en financieel toegankelijke kinderopvang tot stand te brengen. Daarom blijft
de regering verbeteringen doorvoeren in de KOT. In verschillende rapporten en beleidsdoorlichtingen
zijn de knelpunten in het toeslagenstelsel in kaart gebracht. Een voorbeeld is de
kabinetsreactie op de motie Lodders/Van Weyenberg, waarbij in een fichebundel knelpunten
en bijbehorende oplossingen zijn uitgewerkt.3 In de afgelopen jaren hebben opeenvolgende kabinetten al diverse knelpunten in de
wetgeving en uitvoering van de KOT weggenomen. Een belangrijke vereenvoudiging in
de systematiek van de KOT was bijvoorbeeld het loslaten van de koppeling gewerkte
uren per 2023.4 Om recht te hebben op KOT moeten ouders nog steeds werken (de zogenaamde arbeidseis),
maar het aantal uren waarvoor ouders recht hebben op KOT is niet langer gekoppeld
aan het aantal gewerkte uren. Een ander voorbeeld betreft de omstandigheid dat ouders
met een partner buiten de EU in het verleden geen aanspraak konden maken op KOT. Dat
knelpunt is inmiddels weggenomen door een wijziging van de Wet kinderopvang (Wko).5 Daarnaast zijn in het verbetertraject KOT6 verschillende verbeteringen in de uitvoering van de KOT doorgevoerd en is de samenwerking
tussen beleid en uitvoering versterkt. Een voorbeeld van een verbetering in de uitvoering
is de maandelijkse gegevenslevering van kinderopvangorganisaties aan Dienst Toeslagen,
waardoor ouders middels vroegsignalering beter ondersteund kunnen worden bij het actueel
houden van hun gegevens.7
Met dit wetsvoorstel wordt een nieuwe stap gezet om de KOT binnen het huidige stelsel
te verbeteren. De regering vindt het van belang in dit huidige stelsel te blijven
investeren, ook al wordt er in de tussentijd gewerkt aan een nieuw stelsel waarin
de KOT wordt afgeschaft en het plan is om de vergoeding voor kinderopvang rechtstreeks
aan kinderopvangorganisaties te financieren. Een belangrijke les uit de KOT-affaire
is dat het belangrijk is om ook tijdens de ontwikkeling van een nieuw stelsel in te
blijven zetten op het oplossen van knelpunten in het huidige stelsel.8 In 2024 gingen 920.000 kinderen met KOT naar de opvang.9 Zolang de KOT bestaat, voelt de regering de verantwoordelijkheid om dit stelsel voor
deze ouders zo goed mogelijk te laten functioneren. Bovendien kunnen de verbeteringen
uit dit wetsvoorstel voor de KOT allemaal worden meegenomen bij de overgang naar een
nieuw financieringsstelsel voor de kinderopvang. Er is dus sprake van structurele
verbeteringen.
Dit wetsvoorstel bevat vier afzonderlijke wijzingen op vier onderwerpen: promovendi
en technologisch ontwerpers in opleiding, inburgering, openingstijden en de vaste
voet. De eerste beleidswijziging voor promovendi en technologisch ontwerpers in opleiding
betreft een inhoudelijke beleidswijziging. Het voorstel is om een nieuwe doelgroep
met recht op KOT toe te voegen aan de Wko. Hiermee krijgen promovendi en technologisch
ontwerpers in opleiding recht op KOT. Nu bestaat er afhankelijk van de gekozen vorm
soms wel en soms geen recht. De wijzigingen voor inburgering, openingstijden en vaste
voet zijn technisch van aard. Voor inburgering wordt voorgesteld in de Wko te verduidelijken
dat alle verplichte onderdelen van de leerroutes binnen de Wet inburgering 2021 (Wi2021)
recht geven op KOT. Voor openingstijden wordt voorgesteld in de wet te verduidelijken
welke voorwaarden er gelden voor beschikbaarheid en opening van de opvang voor het
recht op KOT. Voor de vaste voet wordt voorgesteld de formulering in de wet aan te
passen, zodat duidelijk naar voren komt dat alle ouders met het recht op KOT een vergoedingspercentage
van hoger dan 33,3% kunnen ontvangen.
In de hierna volgende hoofdstukken wordt eerst elk van de beleidswijzigingen afzonderlijk
toegelicht. Daarna worden de volgende onderdelen integraal beschouwd: inkomenseffecten,
financiële consequenties, regeldruk, monitoring en evaluatie, uitgebrachte adviezen,
uitkomsten van de internetconsultatie en inwerkingtreding.
2 Promovendi en technologisch ontwerpers in opleiding
2.1 Aanleiding
Ten aanzien van promovendi doen zich twee knelpunten voor met betrekking tot de KOT.
Ten eerste zijn de regels over het recht op KOT voor promovendi complex. Dit leidt
tot onzekerheid over de vraag of een promovendus wel of geen recht heeft op KOT en
maakt dat er een hoog risico bestaat op hoge terugvorderingen. Ten tweede hebben niet
alle soorten promovendi recht op KOT. Dat geldt voor promovendi zonder arbeidsovereenkomst
en daarnaast ook voor de groep technologisch ontwerpers in opleiding zonder arbeidsovereenkomst.
Dit knelpunt is beschreven bij de kabinetsreactie op de motie Lodders/Van Weyenberg
over verdere quick fixes om het toeslagenstelsel te verbeteren.10 In de motie Omtzigt is aan de regering verzocht te regelen dat alle promovendi recht
kunnen krijgen op KOT.11 Deze voorgestelde wijziging van de Wko regelt dat alle vormen van promovendi en technologisch
ontwerpers in opleiding recht krijgen op KOT. Hiermee worden de knelpunten in de KOT
opgelost en wordt een vereenvoudiging in de Wko gerealiseerd.
2.2 Probleemstelling
Het probleem waarvoor dit wetsvoorstel een oplossing biedt, doet zich voor bij promovendi
zonder dienstverband en bij technologisch ontwerpers in opleiding zonder dienstverband.
Promovendi kunnen worden onderverdeeld in twee hoofdgroepen: de promovendi met dienstverband
en de promovendi zonder dienstverband. Het probleem voor de KOT doet zich voor bij
de promovendi zonder dienstverband. De promovendus zonder dienstverband is een promovendus
zonder arbeidsovereenkomst met een universiteit, een academisch ziekenhuis of een
andere werkgever. Onderstaande Box 1 geeft een nadere toelichting hierbij.
De technologisch ontwerpers in opleiding volgen een opleiding tot technologisch ontwerper
bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk
onderzoek (WHW). Ook bij de technologisch ontwerpers in opleiding is een onderscheid
te maken tussen de technologisch ontwerpers in opleiding met dienstverband en zonder
dienstverband. Het probleem voor de KOT doet zich ook hier voor bij de technologisch
ontwerpers in opleiding zonder dienstverband.
Box 1 Achtergrondinformatie over verschillende typen promovendi zonder dienstverband
Universiteiten van Nederland (UNL) erkent drie subcategorieën van promovendi zonder
dienstverband. De eerste subcategorie betreft de beurspromovendus. De beurspromovendus
heeft geen arbeidsovereenkomst met de universiteit of academisch ziekenhuis waar het
promotieonderzoek wordt uitgevoerd, maar ontvangt voor het promoveren financiële middelen
via een beurzenverstrekker. Er bestaat een promotieovereenkomst tussen de promovendus
en de beursverstrekker. Deze groep bestaat voornamelijk uit internationale promovendi
die met een promotiebeurs naar Nederland komen. Zij worden gefinancierd door een beursverstrekker
uit het thuisland, zoals de Chinese Scholarship Council (CSC) of de Indonesia Endowment
Fund for Education (LPDP). De tweede categorie betreft de buitenpromovendus. De buitenpromovendus
krijgt geen tijd of geld van een externe partij ten behoeve van een promotie. Het
promotieonderzoek wordt geheel in eigen tijd en met eigen middelen uitgevoerd. De
derde categorie betreft de extern-gefinancierde promovendus. Deze onderscheidt zich
van een buitenpromovendus, omdat die hetzij op één of andere wijze gefinancierd wordt
voor diens promotie of dat die in «de tijd van de baas» mag promoveren (ongeacht hoeveel
tijd beschikbaar wordt gesteld).
Het knelpunt in de KOT voor deze twee groepen hangt samen met de arbeidseis. Voor
de KOT geldt een arbeidseis, wat inhoudt dat een ouder recht heeft op KOT als die
ouder werkt.Het uitgangspunt hiervoor is opgenomen in artikel 1.6, eerste lid, onderdeel
a, van de Wko. Daarin is weergegeven dat een ouder voor een berekeningsjaar aanspraak
heeft op KOT, indien die ouder in dat jaar tegenwoordige arbeid verricht, waaruit
inkomen uit werk en woning in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001)
wordt genoten. Een soortgelijke eis is opgenomen in artikel 1.6, derde lid, onderdeel
a, van de Wko voor de partner van een ouder.
In sommige gevallen kan deze arbeidseis de arbeidsparticipatie juist in de weg zitten.
Bijvoorbeeld als de partner langdurig ziek is, waardoor de werkende ouder minder moet
gaan werken of stoppen met werken. Daarom zijn er in artikel 1.6 van de Wko verschillende
doelgroepen gedefinieerd die recht hebben op KOT, ook al werken zij niet. In de afgelopen
jaren zijn hier verschillende nieuwe doelgroepen aan toegevoegd. Zo bestaat er nu
ook recht op KOT indien een partner een Wlz-indicatie heeft of tot een gevangenisstraf
van langer dan drie maanden is veroordeeld.12
Ook studenten hebben recht op KOT, ook al voldoen zij niet aan de arbeidseis. Dit
volgt uit artikel 1.6, eerste lid, onderdeel j, van de Wko. De gedachte daarbij is
dat het volgen van een (geaccrediteerde) opleiding een belangrijke stap vormt richting
arbeidsparticipatie. In de eerdergenoemde bepaling zijn verschillende opleidingen
opgesomd die recht geven op KOT, echter, promovendi en technologisch ontwerpers in
opleiding vallen daar niet onder. Daarom hebben zij op grond van die bepaling geen
recht op KOT. Promovendi en technologisch ontwerpers in opleiding kunnen alleen aanspraak
hebben op KOT als er sprake is van inkomen uit werk en woning in de zin van de Wet
IB 2001. Promovendi zonder dienstverband en technologisch ontwerpers zonder dienstverband
hebben geen (formele) arbeidsrelatie met de universiteit, waardoor zij niet altijd
passen binnen de reikwijdte van artikel 1.6, eerste lid, onderdeel a, van de Wko.
Daar ontstaat een knelpunt. Dat knelpunt wordt hierna eerst toegelicht voor de promovendi
zonder dienstverband en vervolgens voor de technologisch ontwerpers in opleiding zonder
dienstverband.
2.2.1 Promovendi zonder dienstverband
Promovendi met dienstverband hebben wel recht op KOT; zij zijn in loondienst en voldoen
zodoende aan de arbeidseis. Bij promovendi zonder dienstverband bestaat er op dit
moment alleen recht op KOT, indien er toch inkomen uit werk en woning in de zin van
de Wet IB 2001 wordt genoten ondanks dat er geen sprake is van een arbeidsovereenkomst.
Dat kan het geval zijn wanneer de promovendus die een beurs ontvangt aangifte inkomstenbelasting
doet. Indien de beurs door de belastinginspecteur wordt aangemerkt als resultaat uit overige werkzaamheden (ROW) of indien er een fictieve dienstbetrekking13 wordt vastgesteld, dan is er sprake van inkomen in de zin van de Wet IB 2001 en wordt
voldaan aan de arbeidseis.
In gevallen waarbij er sprake is van een beurs, is de feitelijke invulling van de
relatie van de promovendus met de universiteit en de vormgeving van de beurs momenteel
bepalend voor de fiscale behandeling. Aangezien de feitelijke situatie per kandidaat
kan verschillen, betekent dit dat niet in algemeenheid is aan te geven hoe de inkomsten
van de promovendus fiscaal worden behandeld.14 Als de beurs door de belastinginspecteur wordt aangemerkt als inkomen in de zin van
de Wet IB 2001, bestaat er wel recht op KOT. Indien de beurs niet wordt aangemerkt
als inkomen voor de inkomstenbelasting, bijvoorbeeld in gevallen waarbij sprake is
van een beurs bestaande uit uitsluitend een onkostenvergoeding, bestaat er geen recht
op KOT. De regering vindt het niet wenselijk dat het recht op KOT afhankelijk is van
de vormgeving van de beurs en van de (arbeids-) relatie tussen de promovendus en de
universiteit. De regering vindt het van belang dat ouders zorg voor kinderen kunnen
combineren met promoveren. Daarom is het onwenselijk dat de combinatie van promoveren
en zorg voor kinderen wordt bemoeilijkt, vanwege deze knelpunten in de KOT. Het wel
of niet hebben van een dienstverband zou er niet voor mogen zorgen dat het recht op
KOT voor de verschillende typen promovendi uiteenloopt. Promovendi leveren een waardevolle
bijdrage aan de samenleving, onafhankelijk van het type traject waarbinnen die promotie
plaatsvindt.
Daarnaast zorgt de huidige wetgeving bij promovendi zonder dienstverband voor onzekerheid
over het recht op KOT. Voor promovendi zonder dienstverband is het recht op KOT afhankelijk
van de vraag of de belastinginspecteur inkomen in de zin van de Wet IB 2001 vaststelt.
Deze beoordeling vindt plaats na het doen van belastingaangifte in het jaar volgend
op het jaar waarvoor de KOT is aangevraagd. Op het moment van aanvragen van een voorschot
voor KOT, is voor de promovendus nog niet duidelijk of wordt voldaan aan de arbeidseis.
Dit brengt onzekerheid met zich mee. Hoewel de promovendus een voorlopige aanslag
inkomstenbelasting kan aanvragen zal zekerheid hierover pas ontstaan nadat het inkomen
definitief is vastgesteld. Voor deze groep bestaat daarom een risico op een zeer hoge
terugvordering achteraf. De arbeidseis is namelijk een alles-of-niets criterium. Dat
betekent dat als de ouder KOT heeft aangevraagd en ontvangen, maar achteraf niet blijkt
te voldoen aan de arbeidseis, dat dan het gehele voorschot wordt teruggevorderd. Om
het risico op een hoge terugvordering te mijden kan het gebeuren dat promovendi die
wel recht hebben op KOT deze toch niet aanvragen. Een groot deel van deze groep bevindt
zich doorgaans al in een financieel precaire situatie.15 De gemiddelde beurshoogte is substantieel lager dan het Nederlandse minimumloon.
Een hoge terugvordering heeft daardoor veel impact voor deze doelgroep.
In Box 2 wordt deze problematiek met een aantal voorbeelden geïllustreerd. Naar schatting
zijn er ongeveer 300 promovendi met kinderen die op dit moment geen recht hebben op
KOT, omdat ze niet voldoen aan de arbeidseis, of voor wie dit recht op KOT onduidelijk
of onzeker is. Deze raming is gebaseerd op beschikbare data16 over aantal promovendi naar type promovendus van het Rathenau instituut en informatie
uit een enquête17 van PNN naar de werk- en leefomstandigheden van internationale beurspromovendi in
Nederland.
Box 2 Casussen knelpunt promovendi niet in dienst
In een onderzoek18 van PNN naar de leef- en werkomstandigheden van internationale beurspromovendi in
Nederland komt naar voren dat de combinatie van arbeid en zorg erg lastig is voor
beurspromovendi vanwege het ontbreken van recht op KOT. Een aantal relevante citaten
uit dit onderzoek illustreren dit:
«I think the institute or the government should consider the life of scholarship PhD
families with kids, could be super hard if they cannot apply for the allowance to
daycare. It will influence the working time and also give higher financial pressure.»
«The biggest challenge of being a PhD student with a scholarship, while also being
a mom, is not entitled to childcare allowance. My partner is also a PhD student with
a scholarship. Given the limited budget, we cannot afford childcare and therefore
every day is a real struggle to balance the work and domestic roles.»
Er zijn verschillende situaties bekend waarin de onzekerheid en onduidelijkheid over
het recht op KOT tot hoge terugvorderingen hebben geleid. Twee concrete voorbeelden
zijn:
– in 2024 ontving het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) een signaal
over een promovendus die met een terugvordering van de KOT van ongeveer € 14.000 werd
geconfronteerd;
– in 2018 is in een nieuwsbericht19 geschreven over een terugvordering van € 26.000: «Ze is geen werknemer en geen student, dus heeft een Vietnamese promovendus van de
TU Delft geen recht op KOT. Ze moet 26 duizend euro terugbetalen.»
2.2.2 Technologisch ontwerpers in opleiding
De opleiding technologisch ontwerper is geen opleiding die recht geeft op KOT. Deze
opleiding wordt gezien als een volgende cyclus binnen de academische wereld. Net als
promoveren wordt het beschouwd als een traject in de derde cyclus (de fase na voltooiing
van de bachelor en master) van het wetenschappelijk onderwijs. Bij de meeste opleidingen
tot technologisch ontwerper zijn de kandidaten in dienst van de universiteit. In dat
geval wordt voldaan aan de arbeidseis en is er recht op KOT. Op dit moment is er één
opleiding tot technologisch ontwerper bekend (aangeboden door de Universiteit van
Amsterdam, hierna UvA) waar de kandidaten niet in dienst zijn, maar een beurs krijgen.
Het gaat naar schatting om een groep van 20 kandidaten.
Ook bij technologisch ontwerpers in opleiding zonder dienstverband maar met een beurs
bestaat er alleen recht op KOT, indien er toch inkomen uit werk en woning in de zin
van de Wet IB 2001 wordt genoten ondanks dat er geen sprake is van een arbeidsovereenkomst.
Dat geval kan zich, net als bij de promovendi zonder dienstverband, voordoen wanneer
de kandidaat aangifte inkomstenbelasting doet. Het is vervolgens aan de belastinginspecteur
om te beoordelen of de beurs wordt aangemerkt als resultaat uit overige werkzaamheden (ROW) of dat er een fictieve dienstbetrekking wordt vastgesteld. In dat geval is
sprake van inkomen in de zin van de Wet IB 2001 en wordt voldaan aan de arbeidseis.
Voor technologisch ontwerpers in opleiding zonder dienstverband staat niet op voorhand
vast of zij recht hebben op KOT. In gevallen waarin de kandidaat een beurs ontvangt
van de universiteit hangt het van de omstandigheden in het specifieke geval af, of
er wel of niet inkomen in de zin van de Wet IB 2001 wordt vastgesteld door de belastinginspecteur.
Of er wel of niet recht bestaat op KOT kan daardoor ook per opleiding tot technologisch
ontwerper of per kandidaat verschillen. Dat is anders bij technologisch ontwerper
in opleiding die wel in dienst zijn van een universiteit en bij studenten van geaccrediteerde
opleidingen (associate degree, bachelor, master, post initiële master).
Aan technologisch ontwerpers in opleiding zonder dienstverband is het bovendien niet
altijd duidelijk dat hun opleiding geen recht geeft op KOT. Omdat de arbeidseis een
alles-of-niets voorwaarde is, geeft dit een risico op hoge terugvorderingen achteraf.
Indien er sprake is van een beurs en aangifte inkomstenbelasting wordt gedaan, is
er pas na definitieve vaststelling van de KOT (in het jaar volgend op het jaar waarin
de KOT is ontvangen) zekerheid over het recht op KOT.
Ook voor deze kandidaten vindt de regering het belangrijk dat zij deelname aan een
opleiding tot technologisch ontwerper kunnen combineren met de zorg voor hun kinderen.
Het is onwenselijk dat de combinatie van studeren en zorg voor kinderen wordt bemoeilijkt,
vanwege deze knelpunten in de KOT. Het wel of niet hebben van een dienstverband zou
er niet voor mogen zorgen dat het recht op KOT voor de verschillende opleidingen tot
technologisch ontwerper of per kandidaat uiteenlopen.
In Box 3 wordt deze problematiek met een voorbeeld geïllustreerd. In totaal zijn er
ongeveer 200 kandidaten die een opleiding technologisch ontwerper volgen. Naar schatting
is er bij ongeveer 20 gevallen sprake van een beurs. Hiermee is er bij maximaal 20
kandidaten een knelpunt in de Wko. Het daadwerkelijke aantal ligt naar verwachting
lager, omdat waarschijnlijk niet iedereen kinderen heeft. Hierover zijn echter geen
gegevens beschikbaar.
Box 3 – casus knelpunt technologisch ontwerpers in opleiding
In 2021 bracht de Universiteit van Amsterdam (UvA) twee casussen onder de aandacht
bij het Ministerie van SZW en OCW. Het betrof in beide gevallen technologisch ontwerpers
in opleiding. In beide gevallen kregen de kandidaten een beurs toegekend door de UvA.
Beide kandidaten hadden KOT aangevraagd op grond van de studenten doelgroep binnen
de KOT (artikel 1.6, eerste lid, onderdeel j, van de Wko). Zij werden daarna geconfronteerd
met een volledige terugvordering van de KOT voor de jaren 2019 en 2020, omdat zij
op grond van artikel 1.6 van de Wko geen recht daarop hadden. Zij bevonden zich hierdoor
in een onzekere en stressvolle situatie.
De UvA riep de Belastingdienst, OCW en SZW op om een toekomstbestendige oplossing
te zoeken voor het recht op KOT voor de technologisch ontwerpers in opleiding. De
UvA benoemde daarbij dat KOT voor de toekomstige technologisch ontwerpers in opleiding
een belangrijke voorwaarde is om de opleiding met een gezin te kunnen combineren.
Naar aanleiding van deze casussen is het knelpunt voor technologisch ontwerpers in
opleiding opgenomen in de inventarisatie van knelpunten in het toeslagenstelsel in
reactie op de motie Lodders/van Weyenberg.
2.3 Doelstelling
De beleidsdoelen van kinderopvang zijn het stimuleren van de arbeidsparticipatie en
het stimuleren van de ontwikkeling van kinderen. Om arbeidsparticipatie te stimuleren
is het van belang dat er sprake is van betaalbare en financieel toegankelijke kinderopvang.
Recht op KOT is een belangrijk instrument om betaalbare en financieel toegankelijke
kinderopvang tot stand te brengen. Met het voorliggende wetsvoorstel streeft de regering
de volgende beleidsdoelen na:
a) kinderopvang financieel toegankelijk maken voor promovendi en technologisch ontwerpers
in opleiding en hun partners;
b) duidelijkheid en zekerheid bieden over het recht op KOT voor promovendi en technologisch
ontwerpers in opleiding en hun partners;
c) minder complexiteit in de KOT-systematiek en afname van het aantal hoge terugvorderingen
als gevolg van niet voldoen aan de arbeidseis (alles-of-niets voorwaarde).
Als deze doelen worden gerealiseerd, wordt aan de betreffende ouders de mogelijkheid
geboden om het promoveren of deelnemen aan een opleidingstraject tot technologisch
ontwerper en de zorg voor kinderen beter te combineren. Ouders die dit combineren
verrichten maatschappelijk belangrijk werk. Knelpunten in de KOT mogen daarom geen
belemmering zijn voor deze ouders om te werken of te studeren. Onderstaande Figuur
1 toont de beleidstheorie voor het wetsvoorstel voor promovendi en technologisch ontwerpers
in opleiding.
Figuur 1 Beleidstheorie wetsvoorstel promovendi en technologisch ontwerpers in opleiding.
2.4 Gekozen instrument en alternatieven
In de beleidsvoorbereiding zijn verschillende instrumenten overwogen om de knelpunten
voor promovendi en technologisch ontwerpers in opleiding weg te nemen en de beleidsdoelstelling
te bereiken. De beleidsopties zijn beoordeeld op doeltreffendheid (de mate waarin
het instrument bijdraagt aan het realiseren van de doelstellingen), doelmatigheid
(verhouding tussen de in te zetten middelen en effecten) en doenvermogen (hebben ouders
het vermogen om in actie te komen?). Daarbij is gekozen voor de optie om een nieuwe
doelgroep met recht op KOT aan te wijzen door middel van een aanpassing van artikel
1.6 van de Wko. Deze beleidsoptie biedt een gerichte, en dus doelmatige, en doeltreffende
manier om de knelpunten in de KOT voor promovendi zonder dienstverband en technologisch
ontwerpers in opleiding zonder dienstverband op een efficiënte manier op te lossen.
De optie vermindert de complexiteit in de KOT, vergroot zekerheid voor de desbetreffende
ouders, is voor hen eveneens doenbaar en is bovendien uitvoerbaar voor de Dienst Toeslagen.
In de voorjaarsbesluitvorming van 2024 zijn financiële middelen geregeld voor deze
beleidsoptie. Deze middelen zijn vanaf januari 2025 beschikbaar. Daarnaast is er een
realistisch tijdpad om op korte termijn een oplossing te brengen voor de knelpunten.
In de volgende paragraaf wordt de voorkeursoptie eerst toegelicht. Daarna volgt een
toelichting op de overwogen alternatieven.
2.4.1 Gekozen instrument
Het gekozen instrument om het probleem op te lossen en de doelstelling te bereiken
is een aanpassing van artikel 1.6 van de Wko. De regering stelt voor om een nieuwe
doelgroep toe te voegen, die daarmee recht krijgt op KOT. Dit voorstel moet in ieder
geval een oplossing bieden voor promovendi zonder dienstverband en technologisch ontwerpers
in opleiding zonder dienstverband. Maar de regering vindt het van belang om de doelgroep
zo te formuleren dat deze toekomstbestendig is en ruimte biedt voor eventuele nieuwe
vormen van onderzoek die nu nog niet in beeld zijn en waarvoor recht op KOT ook van
belang zal zijn.
Het wetsvoorstel voegt daarom het recht op KOT toe voor ouders die een traject volgen
gericht op promotie of anderszins werkzaamheden verrichten ten behoeve van onderzoek
aan een instelling of academisch ziekenhuis als bedoeld in artikel 1.2 van de WHW.
In de voorgestelde bepaling staat dat daaronder in ieder geval ouders vallen die een
traject volgen gericht op promotie als bedoeld in artikel 7.18 van de WHW en ouders
die een opleiding volgen tot technologisch ontwerper als bedoeld in artikel 1.3, eerste
lid, van de WHW.
Hiermee wil de regering een breder scala aan ouders ondersteunen en ervoor zorgen
dat de KOT beschikbaar is voor diegenen die dat nodig hebben in het kader van hun
onderzoeksactiviteiten. Een voorbeeld van een categorie ouders die in de toekomst
mogelijk onder deze doelgroep zal vallen staat in Box 4.
Box 4 Voorbeeld potentiële nieuwe doelgroep in de toekomst.
Een voorbeeld is de professioneel doctoraat (PD) aan een hogeschool. De Vereniging
Hogescholen (hierna: VH) is gestart met de pilot professioneel doctoraat als een buitenwettelijk
experiment, waarover de VH de regie heeft. Het doel van de pilot is om kennisontwikkeling
en innovatie in de beroepspraktijk te stimuleren. Het PD is nog geen wettelijk traject
waaraan een graad is verbonden. Thans is wel een wetsvoorstel in voorbereiding. Mocht
het PD in de toekomst wel een wettelijk traject worden waaraan een graad is verbonden,
dan is het ook van belang dat er recht is op KOT voor dit type onderzoekers die kinderen
krijgen. Indien er sprake is van een arbeidsovereenkomst, dan geeft de bestaande wetgeving
al recht op KOT. Echter, in situaties waarbij er geen sprake is van een arbeidsovereenkomst,
zorgt dit wetsvoorstel ervoor dat het recht op KOT ontstaat.
Ouders die onder deze doelgroep vallen, maken na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel
aanspraak op KOT en kunnen een aanvraag hiervoor doen bij Dienst Toeslagen. Zij moeten
daarbij aannemelijk kunnen maken dat zij onder deze doelgroep vallen. Dat kan bijvoorbeeld
worden aangetoond met een opleidings- en begeleidingsplan, een promotieovereenkomst
of een inschrijving bij een graduate
school.
De beleidsoptie is doeltreffend omdat hiermee het recht op KOT eenduidig wordt geregeld
voor alle typen promovendi en technologisch ontwerpers in opleiding. De KOT-systematiek
wordt minder complex voor deze ouders. Dit zorgt voor duidelijkheid en zekerheid.
Een drempel om te participeren op de arbeidsmarkt voor promovendi en technologisch
ontwerpers in opleiding met kinderen wordt weggenomen. Dit stimuleert deelname aan
promotietrajecten en arbeidsparticipatie van ouders met jonge kinderen.
De beleidsoptie is doelmatig omdat hiermee het knelpunt in de KOT wordt opgelost voor
promovendi en technologisch ontwerpers in opleiding. Bovendien is de nieuwe doelgroep
toekomstbestendig geformuleerd. Daarbij wordt het recht op KOT voor de nieuwe doelgroep
gelijkgetrokken met de andere KOT-gerechtigden. Beide partners moeten voldoen aan
de voorwaarden en er is sprake van een eigen bijdrage. Daarmee is er een duidelijke
prikkel om niet meer kinderopvang te gebruiken dan noodzakelijk.
De beleidsoptie is ook doenbaar. Het huidige toeslagenstelsel is complex voor mensen
met een (tijdelijk) lager doenvermogen. Dat geldt ook voor de KOT-systematiek. De
arbeidseis in de KOT is in het bijzonder complex voor promovendi en technologisch
ontwerpers in opleiding. Hoewel deze beleidsoptie de complexiteit van de KOT niet
in zijn geheel kan oplossen, zorgt het wel voor een aanzienlijke vereenvoudiging van
de arbeidseis voor deze doelgroep. Dit verbetert de gebruiksvriendelijkheid van het
systeem ten opzichte van de huidige situatie. De meeste promovendi of technologisch
ontwerpers in opleiding zijn naar verwachting in staat om aannemelijk te maken dat
zij tot de doelgroep behoren, aangezien zij reeds over een van de eerdergenoemde documenten
zouden moeten beschikken. Hierbij werkt Dienst Toeslagen met de voorwaarde van aannemelijkheid.
Dit houdt in dat er geen specifieke vereisten worden gesteld aan de bewijslast voor
burgers. Dienst Toeslagen heeft in de uitvoering de ruimte om elk soort informatie
te verwerken en op waarde te schatten. Dit maakt het voor de doelgroep een stuk makkelijker
om aan te tonen dat zij recht heeft op KOT. Met behulp van communicatie afgestemd
op de doelgroep, bijvoorbeeld in het Engels, kunnen ouders hierbij worden ondersteund.
2.4.2 Alternatieven
Er zijn drie alternatieve beleidsopties overwogen om het knelpunt in de KOT voor promovendi
zonder dienstverband en technologisch ontwerper in opleiding zonder dienstverband
weg te nemen. In deze paragraaf wordt toegelicht waarom niet voor deze beleidsopties
is gekozen.
Alternatief 1: Communicatie & informatievoorziening verbeteren
De eerste alternatieve beleidsoptie die is afgewogen is verbetering van communicatie
en informatievoorziening richting de doelgroep. Concreet zou dan gedacht kunnen worden
aan verbeteringen aan communicatie vanuit beleid, uitvoering en universiteiten en
academische ziekenhuizen omtrent de aanspraken waar promovendi en technologisch ontwerpers
in opleiding mogelijk recht op hebben binnen de huidige wet- en regelgeving. Er is
niet voor dit alternatief gekozen omdat deze beleidsoptie niet doeltreffend is. Er
zijn al veel stappen gezet in verbetering van communicatie, waardoor er nog maar weinig
ruimte voor verbetering is. Bovendien zouden promovendi en technologisch ontwerpers
in opleiding die geen dienstverband hebben en ook geen beurs ontvangen geen recht
krijgen op KOT door deze beleidsoptie. Hetzelfde geldt voor promovendi met een beurs
bestaande uit uitsluitend een onkostenvergoeding. Daarnaast sluit deze beleidsoptie
niet goed aan bij het doenvermogen van de doelgroep. Promovendi en technologisch ontwerpers
in opleiding blijven afhankelijk van een complex systeem dat veel van hen vraagt.
Alternatief 2: Stimuleren van het aangaan van een arbeidsrelatie
De tweede alternatieve beleidsoptie die is afgewogen is om de promovendus of technologisch
ontwerper in opleiding en de universiteit aan te sporen om tot een arbeidsrelatie
te komen die recht geeft op KOT. Indien de universiteit de promovendus en technologisch
ontwerper in opleiding een arbeidsrelatie aanbiedt, ontstaat er recht op KOT. Deze
optie is naar verwachting niet doeltreffend omdat de regering universiteiten niet
wil opleggen dat zij een dienstverband moeten aanbieden aan alle promovendi en technologisch
ontwerpers in opleiding. Dat verhoudt zich niet tot de autonomie van de instellingen
en de internationale praktijk in de wetenschap. De effectiviteit van de maatregel
is daarmee afhankelijk van de medewerking van universiteit. Het is niet aannemelijk
dat elke beurspromovendus en technologisch ontwerper in opleiding een arbeidsovereenkomst
krijgt aangeboden, omdat dit leidt tot hogere kosten voor universiteiten door een
stijging van de werkgeverslasten.
Alternatief 3: Integrale aanpak sociale zekerheid promovendi
De derde alternatieve beleidsoptie die is afgewogen is om in brede zin gelijke aanspraak
op het geheel aan sociale zekerheid voor alle promovendi en technologisch ontwerpers
in opleiding te organiseren.20 Deze beleidsoptie is niet doelmatig met het oog op het nagestreefde doel. Toegang
tot sociale zekerheid in bredere zin voor alle promovendi en technologisch ontwerpers
in opleiding leidt logischerwijs ook tot (veel) hogere kosten. Hier is geen dekking
voor.
2.5 Gegevensverwerking
Dit wetsvoorstel bevat geen nieuwe regels over gegevensverwerking. De bestaande regelgeving
over gegevensverwerking is ook van toepassing op de voorgestelde nieuwe doelgroep.
Ouders vragen KOT aan via het portaal van Dienst Toeslagen (Mijn Toeslagen). Daarin
zal een mogelijkheid komen om aan te geven dat de aanvrager of de partner een traject
volgt gericht op promotie of anderszins werkzaamheden verricht ten behoeve van onderzoek
aan een instelling of academisch ziekenhuis. Om te kunnen bepalen of iemand aanspraak
kan maken op KOT, kan de Dienst Toeslagen als onderdeel van toezicht vervolgens gegevens
bij de ouder opvragen.
De taak die Dienst Toeslagen als uitvoerder van de KOT heeft, kan niet worden uitgevoerd
zonder gegevensverwerking. Artikel 6, eerste lid, van de Algemene verordening gegevensbescherming21 (AVG) schrijft voor wanneer sprake is van rechtmatige verwerking. In dit geval is
sprake van een grondslag voor verwerking vanwege een wettelijke verplichting (artikel
6, eerste lid, onderdeel c, AVG). Dat wordt hieronder toegelicht.
Bij het recht op KOT voor de doelgroep van dit hoofdstuk is de gegevensverwerking,
door Dienst Toeslagen als verwerkingsverantwoordelijke, te onderscheiden in twee delen.
Allereerst is er sprake van gegevensverwerking op het moment dat een ouder een aanvraag
doet voor het ontvangen van KOT. Bij het indienen van een aanvraag, moet de ouder
persoonsgegevens invullen. Dit zijn vrijwel dezelfde gegevens die alle andere ouders
nu moeten invullen als zij een aanvraag voor KOT doen.22 Voor promovendi en technologisch ontwerpers in opleiding wordt aangesloten bij het
bestaande aanvraagproces zoals dat ook al geldt voor de bestaande doelgroepen. Het
enige verschil is dat de ouder van de nieuwe doelgroep zal aangeven dat hij of zij
of diens partner een traject volgt gericht op promotie of anderszins werkzaamheden
verricht ten behoeve van onderzoek aan een instelling of academisch ziekenhuis. Dit
sluit aan bij hetgeen uit artikel 4:2, tweede lid, Algemene wet bestuursrecht voortvloeit,
namelijk dat een belanghebbende de gegevens en bescheiden verstrekt die voor de beslissing
op de aanvraag nodig zijn. Daarnaast bepaalt artikel 15, tweede lid, van de Algemene
wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) dat de voor de beoordeling van de aanvraag
benodigde informatie duidelijk, stellig en zonder voorbehoud wordt verstrekt.
Vervolgens is er sprake van verwerking van persoonsgegevens als Dienst Toeslagen gegevens
bij ouders opvraagt over het traject gericht op promotie of andere door de ouder verrichte
werkzaamheden ten behoeve van onderzoek aan een instelling of academisch ziekenhuis.
Artikel 18 van de Awir biedt de wettelijke grondslag voor levering van de benodigde
gegevens voor de beoordeling van de aanspraak op KOT of voor de bepaling van de hoogte
van de toeslag. Dienst Toeslagen is bevoegd om belanghebbenden te vragen gegevens
en inlichtingen te verstrekken die voor de beoordeling van de aanspraak van belang
kunnen zijn. Ouders moeten daarbij aannemelijk maken dat zij onder deze doelgroep
vallen. Dat kan bijvoorbeeld worden aangetoond met een opleidings- en begeleidingsplan,
een promotieovereenkomst of een inschrijving bij een graduate
school.
Met die gegevens kan Dienst Toeslagen beoordelen of er recht bestaat op KOT. De levering
van de gegevens is in het belang van de ouder(s). Deze zijn nodig om vast te kunnen
stellen dat een ouder aanspraak maakt op KOT.
2.6 Gevolgen en neveneffecten
Met dit wetsvoorstel beoogt de regering duidelijkheid en zekerheid te bieden voor
promovendi en technologisch ontwerpers in opleiding. Onder deze doelgroep kunnen er
dan voor de KOT geen terugvorderingen meer plaatsvinden als gevolg van het niet voldoen
aan de arbeidseis. Hierdoor wordt de kinderopvang financieel toegankelijk voor promovendi
en technologisch ontwerpers in opleiding en, indien van toepassing, hun partners.
Zie ook de beleidstheorie in paragraaf 2.3.
Een klein neveneffect van dit voorstel is dat de vraag naar kinderopvang naar verwachting
licht zal stijgen. Dit kan resulteren in een zeer lichte toename van wachtlijsten.
Dit effect is echter verwaarloosbaar klein ten opzichte van het totale tekort. Het
gaat naar verwachting maximaal om 300 extra KOT-gerechtigden ten opzichte van de bestaande
populatie (in Q1 2024 gingen 911.000 kinderen met KOT naar de opvang).
Er is een beperkt positief neveneffect te verwachten op (internationale) interesse
voor promotietrajecten van Nederlandse universiteiten doordat promovendi beter in
staat worden gesteld om zorg voor kinderen en promotie te combineren. Dit kan een
beperkt positief effect hebben op het imago van Nederland als onderwijs- en wetenschapsland.
Een deel van de beurspromovendi komt uit het buitenland en vertrekt na afronding van
het promotietraject weer terug naar het land van herkomst.23 Voor deze groep is er slechts een tijdelijk effect op de arbeidsparticipatie in Nederland
gedurende de promotie.
2.7 Uitvoerbaarheid en handhaving
De uitvoerbaarheid van de KOT zal met dit voorstel verbeteren, doordat Dienst Toeslagen
voor het recht op KOT niet meer hoeft te beoordelen van welk type promotietraject
sprake is en of de beurs kwalificeert als inkomen in de zin van de Wet IB 2001. Voor
alle promovendi en technologisch ontwerpers in opleiding gelden dezelfde regels. Er
zijn minder handelingen nodig voor Dienst Toeslagen om het recht op KOT vast te stellen.
Er kunnen eenvoudigere behandelkaders worden gehanteerd.
Er is geen centraal register beschikbaar waar promovendi of technologisch ontwerpers
in opleiding geregistreerd staan. Dit betekent bijvoorbeeld dat de ouders een betrouwbaar
document moeten kunnen overleggen om aan te tonen dat zij onder deze doelgroep vallen.
Een promovendus of technologisch ontwerper in opleiding is daartoe waarschijnlijk
goed in staat.
Dit volgt ook uit de uitvoeringstoets van de Dienst Toeslagen. Dienst Toeslagen heeft
in de uitvoeringstoets aangegeven dat deze wijziging uitvoerbaar is. Dienst Toeslagen
bevestigt in de uitvoeringstoets bovendien dat er geen algemene registratie is om
te kunnen toetsen of ouders aan de betreffende doelgroep voldoen. Dit betekent dat
zij desgevraagd zullen moeten aantonen dat zij aan de vereisten voldoen. Dienst Toeslagen
verwacht dat de doelgroep goed in staat zal zijn de juiste informatie aan te kunnen
leveren.
3 Inburgering
3.1 Inleiding
De tweede voorgestelde wijziging in dit wetsvoorstel heeft betrekking op het recht
op KOT voor inburgeraars. De Wet inburgering 2021 (Wi2021) is de opvolger van de Wet
inburgering 2013 (Wi2013). Onder de Wet Wi2013 was er recht op KOT voor alle verplichte
onderdelen binnen de inburgering. Onbedoeld is het recht op KOT niet voor alle verplichte
onderdelen binnen de Wi2021 geregeld. Voorbeelden van onderdelen die in de huidige
situatie onbedoeld geen recht geven zijn de participatie-activiteiten in de Zelfredzaamheidsroute
(Z-route), de B1-route, de Module Arbeidsmarkt en Participatie (MAP) en het Participatieverklaringstraject
(PVT). Dit leidt tot onduidelijkheid bij gemeenten24 en ouders die inburgeringsplichtig zijn. Dit gaat samen met een risico op terugvorderingen
van toeslagen. Dit is een onwenselijke situatie en vraagt om een technische wijziging
van de Wko. De Wko wordt zo gewijzigd dat alle verplichte onderdelen van de leerroutes
binnen de Wi2021 recht geven op KOT.
3.2 Aanleiding
Formele kinderopvang kan voor inburgeraars met jonge kinderen een voorwaarde zijn
om inburgeringslessen te kunnen volgen. Daarom is in artikel 1.6, eerste lid, onderdeel
g, van de Wko opgenomen dat er recht op KOT is voor ouders met jonge kinderen die
inburgeringsplichtig zijn op grond van de Wi2021 en een taalschakeltraject, cursus
of opleiding volgen aan een cursusinstelling met een Blik op Werk keurmerk.
Per 1 januari 2022 is de Wi2021 ingegaan. Ten opzichte van de Wi2013, is de Wi2021
een intensiever traject met een hogere taaleis (taalniveau B1 in plaats van A2). Om
dit te behalen is onderscheid gemaakt tussen drie leerroutes waarmee inburgeraars
op een passend niveau kunnen inburgeren. De Zelfredzaamheidsroute is één van deze
leerroutes. Hierin wordt het leren van de taal gecombineerd met verplichte participatieactiviteiten.
Daarnaast volgen inburgeraars twee modules, de MAP en het PVT. Bij de totstandkoming
van de Wi2021 is onbedoeld geen rekening gehouden met het feit dat de huidige omschrijving
in de Wko ertoe leidt dat niet alle verplichte onderdelen recht op KOT geven.
3.3 Probleemstelling
Kinderopvang kan een belangrijke randvoorwaarde zijn voor inburgeraars om in te burgeren
en aan hun verplichte activiteiten in het inburgeringstraject te kunnen voldoen. Inburgeraars
zijn relatief nieuw in Nederland en hebben meestal nog geen stevig sociaal netwerk.
Dat maakt het aannemelijk dat inburgeraars met jonge kinderen vaak zijn aangewezen
op formele kinderopvang. KOT biedt een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang,
die nodig is om opvang te kunnen betalen.
Door het ontbreken van het recht op KOT voor alle verplichte onderdelen van de Wi2021
kunnen inburgeraars met jonge kinderen mogelijk geen gebruik maken van formele kinderopvang.
Daardoor kan het zijn dat zij de verplichte inburgeringsactiviteiten niet kunnen volgen,
met mogelijke handhavingsacties tot gevolg. Dit speelt naar verwachting vooral bij
de 800 uur verplichte participatie uren in de Z-route, gezien de omvang van dit traject.
Het probleem – de situatie waarbij een inburgeraar geen recht heeft op KOT – doet
zich voor wanneer een inburgeraar activiteiten volgt die géén recht geven op KOT,
zonder dat er in eenzelfde maand een activiteit wordt gevolgd die wél recht geeft
op KOT en daarnaast het opgebouwde recht op KOT opgemaakt is. Er kan maandelijks (maximaal)
230 uur KOT worden opgebouwd. Wanneer iemand deze uren niet opmaakt, kunnen deze in
de volgende maanden van het resterende kalenderjaar worden gebruikt.
Omvang
Op dit moment zijn er jaarlijks ongeveer 95.000 personen inburgeringsplichtig onder
de Wi2021. Een klein deel daarvan maakt gebruik van de KOT. In 2023 ging het om ongeveer
4% van de inburgeraars. De toename van het gebruik van de toeslag op grond van inburgering
door de beoogde wijziging is naar verwachting klein. In de praktijk gaat het om een
beperkt aantal inburgeraars voor wie de KOT qua periode ontoereikend was. Het gaat
namelijk alleen om situaties waarin de niet-rechtgevende onderdelen niet in dezelfde
periode plaatsvinden als de onderdelen waar nu al wél KOT voor kan worden aangevraagd.
Het lukt gemeenten immers vaak om de nu niet rechtgevende onderdelen tegelijkertijd
te laten plaatsvinden met de taallessen, die wel recht op KOT geven. In deze gevallen
is er recht op KOT.
3.4 Probleemaanpak
Het recht op KOT voor inburgeraars met jonge kinderen is bedoeld om het voor deze
ouders mogelijk te maken om inburgeringsactiviteiten en de zorg voor hun kinderen
te kunnen combineren. Door het recht op KOT te regelen voor die onderdelen die nu
buiten dat recht vallen, is de verwachting dat het voor de ouders om wie het gaat
eenvoudiger wordt om het gehele inburgeringstraject zonder vertraging te doorlopen.
Doeltreffendheid
De beleidsoptie is effectief omdat het ervoor zorgt dat inburgeraars met jonge kinderen
voor alle verplichte onderdelen van het inburgeringstraject recht op KOT krijgen.
Dat draagt bij aan het kunnen voldoen aan de inburgeringsplicht.
Doelmatigheid
De wetswijziging is doelmatig, omdat de wijziging niet tot extra financiële uitgaven
leidt. Zie voor verdere toelichting paragraaf 7 «Financiële consequenties». Bovendien
is de wetswijziging doelmatig, omdat de wijziging duidelijkheid biedt voor zowel inburgeraar
als gemeente. Duidelijkheid neemt onzekerheid weg en verlaagt het risico op terugvorderingen.
Doenvermogen
De beleidsoptie is doenbaar omdat we aansluiten bij de huidige wijze van aanvragen
en vaststellen van KOT. De wijziging van de Wko ziet alleen toe op het herstellen
van het recht op KOT voor alle verplichte onderdelen. Inburgeraars kunnen andere belemmeringen
ervaren bij het gebruik van kinderopvang. Met name met betrekking tot de eigen bijdrage
die ouders moeten betalen in de kosten van kinderopvang en met betrekking tot wachtlijsten.
Deze wetswijziging is daar niet op gericht.
3.5 Uitvoering en handhaving
Bij de uitvoering van deze wetswijziging zijn meerdere partijen betrokken:
– Inburgeringsplichtige ouders, die KOT aanvragen op grond van een inburgeringstraject.
– DUO, die registreert wie inburgeringsplichtig is en inburgeringslessen volgt, en die
informatie via automatische gegevenslevering aanlevert aan Dienst Toeslagen voor het
vaststellen van KOT.
– Dienst Toeslagen, die KOT verstrekt en vaststelt.
– Gemeenten, die verantwoordelijk zijn voor de begeleiding en ondersteuning van inwoners
gedurende hun inburgering.
Om de wetswijziging ook in de praktijk uit te kunnen voeren moet de gegevenslevering
tussen DUO en Dienst Toeslagen aansluiten bij de huidige inrichting van de gegevenslevering,
zodat Dienst Toeslagen in staat is om het recht op KOT ook voor de nieuwe onderdelen
vast te stellen. Daarbij wordt bekeken op welke wijze de administratieve lasten voor
ouders, gemeenten en Dienst Toeslagen beperkt kunnen blijven.
In de uitvoeringsbrief inburgering van 24 juni 202425 is reeds aangekondigd dat op deze wijziging vooruitgelopen zal worden indien de gegevenslevering
eerder is ingeregeld. Op dat moment zal hierover breed worden gecommuniceerd, zoals
via de nieuwsbrief inburgering voor gemeenten.
Tot slot werkt de wetswijziging terug tot 1 januari 2022 – de inwerkingtreding van
het nieuwe inburgeringsstelsel (zie onderdeel 2 «inwerkingtreding»). De inburgeraars
die onbedoeld geen recht hadden op KOT onder de Wi2021, hebben daarmee met terugwerkende
kracht recht op KOT, mits zij in deze periode kosten hebben gemaakt voor kinderopvang,
inburgeringsactiviteiten hebben gevolgd en tijdig KOT is aangevraagd (artikel 1.3,
tweede lid, onderdeel b, van de Wko).
3.6 Gegevensverwerking
In de huidige situatie is het aanvragen van KOT via Mijn Toeslagen geregeld voor ouders
die verplichte activiteiten volgen onder de Wi2021. De technische wetswijziging voegt
het recht op KOT toe voor alle verplichte onderdelen binnen de Wi2021. Het aanvraagproces
voor inburgeraars zal hetzelfde blijven als voor de onderdelen die al recht geven
op KOT onder de Wi2021.
Volgens artikel 5, eerste lid, AVG moeten persoonsgegevens worden verwerkt op een
wijze die ten opzichte van de betrokkene rechtmatig, behoorlijk en transparant is.
En moet duidelijk zijn voor welk doel deze persoonsgegevens worden verwerkt en mogen
er niet meer persoonsgegevens worden verwerkt dan noodzakelijk is voor dat doel.
Bij de voorgestelde wetswijziging is er in de eerste plaats sprake van gegevensverwerking
op het moment dat een ouder een aanvraag doet voor het ontvangen van KOT. Bij het
indienen van een aanvraag moet de ouder persoonsgegevens invullen. Zoals in de eerste
alinea toegelicht zijn dit dezelfde gegevens die alle andere inburgeraars die in de
huidige situatie al recht hebben op KOT ook dienen in te vullen wanneer zij een aanvraag
voor KOT doen. Dit maakt dat de gevolgen voor persoonsgegevens beperkt zijn.
Daarnaast is er sprake van verwerking van persoonsgegevens als DUO informatie over
de inburgeringsplicht uitwisselt met Dienst Toeslagen. Deze uitwisseling stelt Dienst
Toeslagen in staat om in te schatten of de aanvrager van de KOT inburgeringsgerechtigde
is. De uitwisseling tussen DUO en Dienst Toeslagen betreft een bestaande uitwisseling,
er verandert niets aan de huidige wijze van gegevensuitwisseling. De Minister van
SZW verstrekt aan Dienst Toeslagen de gegevens over de inburgeringsplichtige die noodzakelijk
zijn voor de toekenning van KOT. In artikel 9.8, eerste lid, van het Besluit inburgering
2021 is vastgelegd dat DUO deze gegevens uitwisselt met Dienst Toeslagen in verband
met het aanvragen van KOT. De gegevensverstrekking aan Dienst Toeslagen vindt plaats
op grond van artikel 38, eerste lid, van de Awir.
4 Openingstijden
4.1 Inleiding
De derde voorgestelde wijziging in dit wetsvoorstel is een verduidelijking van de
voorwaarden die gelden voor de beschikbaarheid en openingstijden van de opvang voor
het recht op KOT. Dit staat nu nog niet expliciet in de Wko en daar bestaat soms onduidelijkheid
over, wat heeft geleid tot vragen aan het Ministerie van SZW en Dienst Toeslagen.
De overheid biedt KOT aan ouders als tegemoetkoming in de kosten voor kinderopvang.
Het recht op KOT bestaat alleen voor werkende ouders, op enkele bijzondere situaties
na. Dankzij die tegemoetkoming kunnen ouders arbeid combineren met de zorg voor hun
kinderen.
Er geldt alleen recht op KOT voor de uren die overeengekomen zijn, die betaald zijn
en die beschikbaar zijn. Met beschikbaar wordt bedoeld dat de opvang open moet zijn
geweest op de uren waarvoor KOT is aangevraagd.
Dat volgt uit de Wko, waaruit kan worden afgeleid dat KOT een tegemoetkoming is in
de kosten voor kinderopvang (artikel 1.1 en artikel 1.5) en afhankelijk is van het
aantal uren kinderopvang dat wordt afgenomen (artikel 1.7). Zo wordt gewaarborgd dat
de overheidsmiddelen die bedoeld zijn voor kinderopvang, alleen worden ingezet voor
de uren waarop kinderopvang wordt aangeboden.
Daarnaast geldt alleen recht op KOT indien het aantal overeengekomen uren schriftelijk
is vastgelegd. Dat laatste kan geschieden in een schriftelijke overeenkomst tussen
de houder van een kindercentrum en de ouder of tussen een gastouderbureau en de ouder.
Als ouders gebruik willen maken van kinderopvang, dienen zij op grond van artikel
1.52, eerste lid, van de Wko een schriftelijke overeenkomst te sluiten met een geregistreerde
kinderopvangorganisatie of een gastouderbureau. In deze privaatrechtelijke overeenkomst
leggen zij vast hoeveel uren kinderopvang worden afgenomen en tegen welk tarief. Deze
overeenkomst vormt dan de basis voor de hoogte van de KOT. Echter, ook in die gevallen
waarin gedurende het toeslagjaar wordt afgeweken van in de schriftelijke overeenkomst
vastgelegde afspraken omtrent het aantal overeengekomen uren, kan er recht op KOT
bestaan. Daarvoor is wel van belang dat een dergelijke afwijking schriftelijk is vastgelegd,
bijvoorbeeld in de jaaropgave van een kinderopvangorganisatie of gastouderbureau.
De jaaropgave dient dan het daadwerkelijk genoten aantal uren kinderopvang per kind
te vermelden.26
Zowel het Ministerie van SZW als Dienst Toeslagen communiceren al jaren naar ouders
dat er alleen recht op KOT bestaat voor uren die overeengekomen, betaald en beschikbaar
zijn.27 Er geldt in de praktijk sinds 2013 een uitzondering voor nationale feestdagen. Uit
een onderzoek naar flexibiliteit in de kinderopvangmarkt bleek dat het verbieden van
uren die op een nationale feestdag vallen geen verschil zou maken voor de jaarprijs
die ouders aan kinderopvangorganisaties betalen en dat het zou leiden tot een stijging
van de administratieve lasten van kinderopvangorganisaties.28 In reactie op dit onderzoek heeft de Minister van SZW in 2013 aangekondigd dat het
recht op KOT blijft bestaan indien gecontracteerde uren op een nationale feestdag
vallen waarbij de opvang gesloten is. Dienst Toeslagen keert sindsdien toeslag uit
voor uren die op een nationale feestdag vallen, indien deze uren schriftelijk zijn
overeengekomen en door de ouder betaald. Dit is alleen nog niet in de Wko opgenomen.
Dit wetsvoorstel voorziet hier alsnog in. Dat gebeurt met een verwijzing naar de algemeen
erkende feestdagen, genoemd in artikel 3, eerste lid, van de Algemene termijnenwet
(hierna: Atw) en Eerste Paasdag en Eerste Pinksterdag. Omdat deze laatstgenoemde dagen
altijd op een zondag vallen, worden ze in de Atw niet apart genoemd. Maar er zijn
wel opvangorganisaties die op zondagen geopend zijn. Daarom wordt ook voor deze twee
feestdagen een uitzondering gemaakt. De uitzondering geldt niet voor andere momenten
waarop de kinderopvang is gesloten (bijvoorbeeld vanwege een verbouwing of een studiedag),
omdat nationale feestdagen voor alle opvangorganisaties van toepassing zijn. Dit in
tegenstelling tot sluitingen die kinderopvangorganisaties zelf initiëren.
Het voorgaande komt erop neer dat er recht op KOT is als er uren overeengekomen zijn,
maar de opvang gesloten is vanwege een nationale feestdag. Daarnaast geldt dat op
grond van artikel 8a, eerste lid, van het Besluit kinderopvangtoeslag, het recht op
KOT is beperkt tot maximaal 230 uur per maand.
In de praktijk blijkt het voor ouders, kinderopvangorganisaties en gastouders niet
altijd voldoende duidelijk voor welke uren ouders recht hebben op KOT.
Dat blijkt uit Kamervragen29 die eind 2023 zijn gesteld door de leden Van den Hil (VVD), Flach (SGP), Podt (D66)
en Kathmann (GroenLinks-PvdA) naar aanleiding van een nieuwsartikel van de NOS.30 De casussen die in het artikel en de Kamervragen worden beschreven gaan over kinderopvangorganisaties
die dagen bij ouders in rekening brengen waarop de opvang gesloten is, bijvoorbeeld
vanwege een vakantiesluiting, verbouwing of studiedag. Dat ouders, kinderopvangorganisaties
en gastouders onduidelijkheid ervaren, maakt dat de formulering van het recht op KOT
in de Wko verduidelijkt dient te worden. Met deze wetswijziging zorgt de regering
voor deze verduidelijking.
Openingstijden
Dit wetsvoorstel heeft niet tot doel om in te grijpen in de contractuele vrijheid
tussen ouder en houder. Het NOS-artikel en de Kamervragen beschrijven ook situaties
waarbij kinderopvangorganisaties of gastouders openingstijden uitbreiden en deze bij
ouders factureren. Er bestaat recht op KOT indien de uren schriftelijk zijn overeengekomen,
beschikbaar zijn en betaald. Indien een ouder een deel van de gefactureerde uren niet
gebruikt, bijvoorbeeld als een ouder besluit het kind later te brengen of eerder op
te halen, kan er nog steeds sprake zijn van KOT.
4.2 Doelstelling
Zoals in onderdeel 4.1 is aangegeven, is KOT een tegemoetkoming in de kosten voor
kinderopvang. De overheid komt ouders tegemoet bij het maken van kosten voor kinderopvang,
zodat deze ouders arbeid en de zorg voor hun kinderen goed kunnen combineren. Deze
tegemoetkoming dient zo gericht mogelijk te worden verstrekt. Om recht te hebben op
KOT dient te worden voldaan aan drie voorwaarden. Er dienen ten eerste schriftelijke
afspraken te zijn gemaakt tussen de ouder en de kinderopvangorganisatie of de gastouder.
Ten tweede betekent dit dat er daadwerkelijk kosten voor kinderopvang worden gemaakt.
Om deze kosten te kunnen maken dient de kinderopvang beschikbaar (open) te zijn. Als
laatste geldt dat de kosten voor kinderopvang daadwerkelijk worden betaald. Dit volgt
uit de bewoordingen van artikel 1.5, eerste lid, aanhef, van de Wko waar wordt gesproken
van «... de door hem of zijn partner betaalde kosten...».
Dat aan alle drie de voorwaarden dient te worden voldaan, is op basis van de huidige
tekst van de Wko niet voor iedereen voldoende duidelijk. Het gaat dan om de tweede
voorwaarde, dat raakt aan het beschikbaar en open zijn. Dit volgt uit de verschillende
Kamervragen, nieuwsberichten en signalen die de regering vanuit de sector heeft ontvangen.
De regering wil met dit wetsvoorstel de Wko verduidelijken, zodat alle betrokken partijen
weten waar ze aan toe zijn. Hiervoor wordt een wijziging voorgesteld van artikel 1.7,
eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 1. Daarin wordt verduidelijkt dat de opvang
beschikbaar moet zijn. Daarnaast wordt toegevoegd dat algemeen erkende feestdagen,
zoals genoemd in artikel 3, eerste lid, van de Atw, een uitzondering zijn. Indien
algemeen erkende feestdagen op een dag vallen waarop er volgens het contract normaal
gesproken opvang wordt afgenomen, blijft er wel recht op KOT bestaan. Deze algemeen
erkende feestdagen zijn Nieuwjaarsdag, Tweede Paasdag, Koningsdag, Bevrijdingsdag,
Hemelvaartsdag, Tweede Pinksterdag en Eerste en Tweede Kerstdag. De Eerste Paasdag
en de Eerste Pinksterdag zijn ook feestdagen, maar worden niet genoemd in de Atw.
Deze twee feestdagen vallen standaard op een zondag. Er zijn ook kinderopvangorganisaties
die op een zondag opvang aanbieden aan ouders. Op deze twee dagen is er daarom ook
recht op KOT als er volgens het contract normaal gesproken opvang wordt afgenomen.
Om die reden zullen die twee feestdagen in de wet worden aangewezen als feestdagen.
4.3 Gevolgen
Het expliciet maken van de bestaande praktijk in de Wko helpt om de duidelijkheid
te vergroten over voor welke uren recht op KOT geldt. Daarmee kan worden voorkomen
dat ouders KOT aanvragen voor uren waarvoor geen recht bestaat op KOT. Ook kan worden
voorkomen dat kinderopvangorganisaties of gastouders, onder de veronderstelling dat
ouders voor die uren KOT kunnen aanvragen, onbedoeld uren in rekening brengen waarop
de opvang gesloten is. Dit voorstel kan er enerzijds toe leiden dat sommige kinderopvangorganisaties
stoppen met het in rekening brengen van uren waarop de kinderopvang gesloten is. Anderzijds
kunnen er ook kinderopvangorganisaties zijn die de opvanguren op feestdagen doorberekenen
aan ouders waar zij dit voorheen niet deden.
4.4 Uitvoering, toezicht en handhaving
Dienst Toeslagen heeft in de uitvoeringstoets aangegeven dat deze wijziging aansluit
bij de huidige uitvoeringspraktijk. Er zijn daarom geen wijzigingen wat betreft toezicht
en handhaving.
5 Vaste voet
5.1 Inleiding
De vierde voorgestelde wetswijziging betreft een aanpassing van artikel 1.8, eerste
lid, van de Wko, zoals het sinds 2013 luidt als gevolg van het amendement Van Hijum
c.s.31 Dit artikellid bevat de grondslag om de hoogte en de berekeningswijze van de KOT
vast te stellen in een algemene maatregel van bestuur. Verder wordt op grond van dit
artikellid, als gevolg van het eerdergenoemd amendement, bij besluit bepaald in welke
gevallen een ouder aanspraak heeft op KOT die 33,3% of minder bedraagt van de kosten
van kinderopvang tot aan de maximum uurprijs. Het artikel dient te worden gewijzigd,
omdat de huidige formulering niet in lijn is met de bedoeling van de wetgever en om
het artikel beter te laten aansluiten bij de praktijk, waarbij alle ouders met recht
op kinderopvangtoeslag vanaf 2026 een vergoedingspercentage ontvangen dat hoger ligt
dan 33,3%.
Tot de start van de nieuwe financiering van kinderopvang kunnen ouders aanspraak maken
op KOT. De hoogte van deze toeslag wordt onder andere bepaald door een inkomensafhankelijk
vergoedingspercentage. De hoogte van dit percentage varieert van 33,3% voor de hoogste
inkomens tot 96% voor de laagste inkomens. Komende jaren worden deze vergoedingspercentages
stapsgewijs verhoogd totdat alle inkomens recht hebben op hetzelfde hoge, inkomensonafhankelijke
vergoedingspercentage.
Door de huidige formulering suggereert artikel 1.8, eerste lid, van de Wko dat altijd
moet worden vastgesteld in welke situaties ten minste één inkomensgroep een vergoedingspercentage
van 33,3% of minder ontvangt. Uit de parlementaire behandeling en de wetsgeschiedenis
van zowel het amendement als de wet in brede zin blijkt niet dat het de intentie van
de wetgever was om een dergelijke beperking op te leggen. Uit de toelichting bij het
amendement blijkt eerder dat de indieners zorgen hadden over de situatie waarin bepaalde
ouders recht zouden hebben op een vergoedingspercentage van minder dan 33,3%. Zij
beoogden dan ook een motiveringsplicht voor die gevallen waarin de KOT minder dan
een derde van de kosten voor de kinderopvang zou dekken. De tekst van artikel 1.8,
eerste lid, komt dus voor een deel niet overeen met de geest van het amendement en
van de rest van de wet. Dit wetsvoorstel regelt daarom een technische aanpassing van
artikel 1.8, eerste lid, waardoor de wettekst wordt verduidelijkt en aansluit bij
de bedoeling van de wetgever.
Het belang van een duidelijke bepaling neemt toe, gelet op de regeringsplannen voor
een hoge, inkomensonafhankelijke vergoeding voor alle werkende ouders.
Doordat de vergoedingspercentages komende jaren stapsgewijs worden verhoogd in aanloop
naar de hoge, inkomensonafhankelijke vergoeding voor alle werkende ouders, zullen
huishoudens met inkomens in de hoogste inkomensklasse vanaf 2026 ook een vergoedingspercentage
gaan ontvangen dat hoger is dan 33,3%. De huidige formulering van artikel 1.8, eerste
lid, van de Wko past niet bij deze situatie. Door de stapsgewijze verhoging van de
vergoedingspercentages is er vanaf 2026 geen enkele inkomensgroep meer die een vergoedingspercentage
van maximaal 33,3% ontvangt.
5.2 Achtergrond
Bij de invoering van de Wet kinderopvang in 2005 was een tripartiete financiering
beoogd. Dat houdt in dat de ouders, de overheid en de werkgevers in beginsel elk (macro)
een derde van de kosten voor kinderopvang dragen. De hoogte van de vergoeding voor
ouders (het vergoedingspercentage) zou inkomensafhankelijk zijn. Omdat werkgevers
in beginsel 33,3% van de kosten droegen, werd per 1 augustus 2010 in artikel 1.8,
eerste lid, van de (toen nog geheten) Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen
een minimumvergoedingspercentage voor ouders van 33,3% geregeld, ook wel de vaste
voet genoemd.
Om te besparen op de overheidsuitgaven aan kinderopvang verlaagde het kabinet-Rutte
I in 2013 het vergoedingspercentage voor hoge inkomens van 33,3% naar 0%. Daartoe
stelde het kabinet in 2012 voor om de vaste voet uit eerdergenoemde artikel 1.8 te
schrappen.32 Bij een lager vergoedingspercentage dan 33,3% zouden werkgevers premies afdragen
die niet ten gunste zouden komen van (een aantal van) hun werknemers. Bij de wetsbehandeling
in 201233 uitte de Tweede Kamer daarom zorgen dat door de bezuiniging de bereidheid van werkgevers
zou afnemen om bij te dragen aan de financiering van kinderopvang. Zo kon het tripartiete
stelsel onder druk komen te staan. Om te waarborgen dat het kabinet goed zou motiveren
in welke gevallen ouders een lager vergoedingspercentage dan 33,3% zouden ontvangen,
nam de Tweede Kamer het gewijzigd amendement Van Hijum c.s.34 aan, waarmee aan artikel 1.8, eerste lid, van de Wko de volgende zinsnede werd toegevoegd:
«[...] en waarbij tevens wordt bepaald in welke gevallen de ouder aanspraak heeft
op een kinderopvangtoeslag die minder dan 33,3 procent bedraagt van de kosten van
kinderopvang, bedoeld in artikel 1.7, eerste lid».
Uit de wetsgeschiedenis en parlementaire behandeling van dit amendement blijkt dat
de indieners hiermee een motiveringsplicht beoogden. Indieners vonden het van belang
dat steeds gemotiveerd wordt voor welke inkomensgroepen de KOT minder dan een derde
van de kosten voor de kinderopvang dekt. De huidige tekst van artikel 1.8, eerste
lid, komt voor een deel niet overeen met de bedoeling van het amendement.
5.3 Gevolgen
Het aanpassen van de formulering van artikel 1.8, eerste lid, van de Wko zorgt ervoor
dat het artikel niet langer bovengenoemde onbedoelde beperking suggereert. Daarmee
sluit het artikel weer beter aan bij wat de indieners met het amendement Van Hijum
c.s. beoogden. Ook sluit dit aan bij de (toekomstige) praktijk waarin de vergoedingspercentages
voor alle ouders met KOT op termijn hoger zullen zijn dan 33,3%. Omdat het een technische
aanpassing betreft, zijn er geen (financiële of andere) gevolgen voor ouders, kinderopvangorganisaties
of andere belanghebbenden.
Aan de motivatieplicht die de indieners van het amendement in 2023 beoogden, wordt
ook na deze aanpassing uitvoering gegeven. Sinds 2013 vermeldt het Ministerie van
SZW standaard in haar begroting welke percentages van de kosten voor kinderopvang
(op macroniveau) gedragen worden door werkgevers, ouders en overheid. Daarnaast bepaalt
artikel 8, tweede lid, van het Besluit KOT dat in bijlage I van het Besluit KOT wordt
vermeld welk toeslagpercentage elke inkomensgroep ontvangt.
5.4 Uitvoering
Dienst Toeslagen heeft in de uitvoeringstoets aangegeven dat deze technische wijziging
zonder problemen kan worden doorgevoerd. Het betreft een wijziging van een bestaande
parameter in het systeem.
6 Inkomenseffecten
De verwachting is dat bij twee voorgestelde wetswijzigingen positieve inkomenseffecten
zullen optreden. In de eerste plaats wordt verwacht dat positieve inkomenseffecten
zullen ontstaan ten gevolge van de wetswijziging voor promovendi en technologisch
ontwerpers in opleiding. Het inkomenseffect is vooral sterk positief voor die promovendi
en technologisch ontwerpers in opleiding die voor de wetswijziging geen recht hadden
op KOT, maar door de wetswijziging dat recht wel krijgen. Ook zijn er positieve inkomenseffecten
voor inburgeraars. Dit komt doordat inburgeraars recht op KOT krijgen voor onderdelen
waar vóór de wetswijziging géén recht op KOT voor was. Het is niet mogelijk om het
inkomenseffect te specificeren, omdat de hoogte van dit effect afhankelijk is van
de situatie per huishouden. Het gemiddelde bedrag aan KOT per huishouden in 2024 was
€ 7.391.35 Dit geeft een indicatie van het potentiële inkomenseffect. De andere twee voorgestelde
wetswijzigingen leiden niet tot inkomenseffecten.
7 Financiële consequenties
De kosten voor de wetswijziging voor promovendi zijn geraamd op € 4,4 miljoen structureel
(prijspeil 2023). Dit is gebaseerd op een inschatting van de toename van het aantal
ouders met het recht op KOT als gevolg van deze regeling. Het gaat naar verwachting
om 300 promovendi en 20 technologisch ontwerpers in opleiding per jaar. Op basis van
de beschikbare informatie (zie paragraaf 2.2.1 en 2.2.2) is een zo nauwkeurig en objectief
mogelijke inschatting gemaakt van de aantallen. De dekking voor deze kosten is geregeld
middels de begroting van SZW van 2025. De maximumuurprijzen voor de KOT werden in
2025 met € 0,04 minder geïndexeerd. Met deze dekkingsmaatregel werden vier beleidsmaatregelen
gedekt, waaronder deze wetswijziging voor promovendi en technologisch ontwerpers in
opleiding.
De wetswijziging voor inburgering leidt niet tot extra uitgaven. Er is per ingangsdatum
van de Wi2021 geld gereserveerd voor KOT voor alle onderdelen, inclusief voor deze
ontbrekende onderdelen. Onbedoeld is echter het recht op KOT voor enkele verplichte
onderdelen binnen de Wet inburgering 2021 (Wi2021) niet geregeld.
De wetswijziging voor openingstijden zou ertoe kunnen leiden dat enkele kinderopvangorganisaties
die nu nog kosten in rekening brengen bij ouders voor uren waarop de opvang gesloten
is, hiermee stoppen. Dat kan tot gevolg hebben dat er voor minder uren KOT wordt aangevraagd.
Dit effect wordt echter verwaarloosbaar geacht, omdat het reeds staande praktijk is
dat er alleen recht op KOT geldt voor uren waarop de opvang beschikbaar is. SZW en
Dienst Toeslagen communiceren deze lijn al jarenlang. Bovendien hebben de brancheorganisaties
in de kinderopvang hun leden eind 2023 nogmaals erop gewezen dat er alleen recht geldt
op KOT voor uren waarop de opvang beschikbaar is.36
De wetswijziging voor vaste voet betreft een technische wijziging om bestaand beleid
te verduidelijken. Daarom kent deze wijziging geen financiële gevolgen.
8 Regeldruk
In dit hoofdstuk wordt stilgestaan bij de gevolgen voor de regeldruk van het wetsvoorstel
voor promovendi en technologisch ontwerpers in opleiding. Daarbij worden twee tegengestelde
effecten verwacht. Enerzijds is de verwachting dat de regeldrukkosten toenemen doordat
er een toename is van het aantal ouders met recht op KOT als gevolg van deze voorgestelde
wijziging. Anderzijds is de verwachting dat de regeldrukkosten afnemen voor de promovendi
en technologisch ontwerpers in opleiding die reeds aanspraak maken op KOT, omdat de
regels over het recht op KOT minder complex worden.
De voorgestelde wetswijziging voor promovendi en technologisch ontwerpers in opleiding
zal er waarschijnlijk toe leiden dat er nieuwe regeldrukkosten ontstaan voor promovendi
en technologisch ontwerpers in opleiding die voor de wetswijziging geen recht hadden
op KOT en na de wetswijziging wel recht krijgen op KOT. Naar inschatting gaat het
gemiddeld om maximaal 320 ouders op jaarbasis. Een aanvraag KOT duurt normaliter een
half uur. Voor internationale promovendi die de Nederlandse taal niet machtig zijn
en niet bekend zijn met het Nederlandse belasting- en toeslagenstelsel duurt dat naar
verwachting langer. Voor de berekening van de structurele regeldrukkosten wordt er
daarom van uitgegaan dat ouders in totaal één uur kwijt zijn voor de aanvraag. Naast
de aanvraag van de KOT is er voor een deel van de ouders ook regeldruk in de fase
van definitieve vaststelling van de KOT, bijvoorbeeld als zij een document moeten
aanleveren om aan te tonen dat zij tot de doelgroep behoren. Aangenomen wordt dat
dit in 10% van de gevallen voorkomt en dat dit ongeveer 1 uur tijd kost. Voor het
uurtarief in de berekening van de toename in regeldruk voor burgers is uitgegaan van
€ 17,– per uur, op basis van het Handboek Meting Regeldrukkosten. De wetswijziging
leidt daarmee tot structurele regeldrukkosten van ongeveer € 6.000 (zie Tabel 1).
Tegelijkertijd zorgt deze wetswijziging ervoor dat de regels over het recht op KOT
minder complex worden voor de promovendi en technologisch ontwerpers in opleiding
die reeds aanspraak maken op KOT. Dit geldt bijvoorbeeld voor promovendi die een bijbaan
hebben of waarbij een beurs door de belastinginspecteur wordt aangemerkt als inkomen
in de zin van de Wet IB 2001. Omdat niet bekend is hoeveel promovendi en technologisch
ontwerpers in opleiding op dit moment gebruik maken van KOT, is dit effect lastig
in te schatten. In totaal zijn er ongeveer 40.000 promovendi (in dienst en niet in
dienst samen) in Nederland (peiljaar 2023).37 Op basis van de aanname dat ongeveer 10% van deze groep kinderen heeft, wordt het
totaal aantal promovendi met KOT geschat op 4.000. Aangenomen wordt dat de vereenvoudiging
van de wetgeving de tijdsbesteding van deze ouders verkort met een half uur voor de
aanvraag. Tegelijkertijd is de verwachting dat de regeldruk in de fase van definitieve
toekenning aanzienlijk afneemt, doordat de regels voor recht op KOT veel minder complex
worden voor deze doelgroep. Zo is de vormgeving van een beurs en de fiscale behandeling
ervan niet langer relevant, terwijl in de praktijk is gebleken dat dit leidt tot complex
uitzoekwerk en veel contactmomenten tussen ouder en Dienst Toeslagen en de Belastingdienst.
Daarom wordt uitgegaan van een besparing van 4 uur in de fase van definitieve vaststelling.
Opnieuw wordt aangenomen dat dit in 10% van de gevallen voorkomt. Dit leidt tot een
globale raming dat de vereenvoudiging leidt tot een daling van de regeldrukkosten
met € 61.000. Dit positieve effect (daling van de regeldruk door eenvoudigere regelgeving)
is daarmee naar verwachting aanzienlijk groter dan de beperkte toename in regeldrukkosten
door toename van het aantal KOT gerechtigden (zie Tabel 1).
Tabel 1 Schatting regeldrukbesparing
Element
# promovendi
verandering regeldruk (in uren)
uurtarief
Regeldruk-kosten
Toename regeldrukkosten door nieuwe aanvragen
320
1
€ 17
€ 5.440
Toename regeldrukkosten door controle nieuwe aanvragen in DT (aanname 10% controle)
32
1
€ 17
€ 544
Subtotaal toename
€ 5.984
Afname regeldruk voor bestaande groep KOT gerechtigden door afname complexiteit aanvraag
4.000
-0,5
€ 17
-€ 34.000
Afname regeldrukkosten door minder complexiteit bij controle in DT voor bestaande
groep (aanname 10% controle)
400
-4
€ 17
-€ 27.200
Subtotaal afname
– € 61.200
Totaal
– € 55.216
De verwachting is dat de voorgestelde wetswijziging op het terrein van inburgering
geen regeldrukeffecten zal hebben voor inburgeraars. De verwachting is dat de wijziging
voor hen juist zorgt voor duidelijkheid en ertoe leidt dat de KOT voor een langere,
meer overzichtelijke, periode aangevraagd kan worden. Voor wat betreft de voorgestelde
wetswijzigingen die betrekking hebben op de onderwerpen openingstijden en vaste voet,
worden de gevolgen voor de regeldruk nihil geacht. Het gaat hier namelijk om technische
wijzigingen, die tot doel hebben om een bestaande praktijk te verduidelijken.
9 Monitoring en evaluatie
Voor de wetswijziging voor promovendi en technologisch ontwerpers in opleiding wordt
eén jaar na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel bekeken hoeveel ouders op grond
van de wijzigingen KOT hebben aangevraagd. Deze informatie geeft inzicht in het gebruik
van KOT op basis van de wijzigingen en een indicatie van de daadwerkelijke omvang
van de doelgroep. Op basis van deze informatie kan beleid waar nodig worden bijgestuurd.
Een beleidsevaluatie zal vijf jaar na inwerkingtreding uitgevoerd worden. Daarbij
zal ook de samenstelling van de nieuwe groep aanvragers worden onderzocht.
De wetswijziging voor inburgering is technisch van aard, daarom worden er geen grote
effecten verwacht en wordt de specifieke wijziging niet geëvalueerd. Wel wordt de
Wi2021 gemonitord en geëvalueerd, zoals bepaald in artikel 53 van de Wi2021. Na vijf
jaar wordt er een evaluatie uitgevoerd naar de doeltreffendheid van de Wi2021. Hierin
wordt ook aandacht besteed aan de eventuele belemmeringen die inburgeraars ervaren
om te kunnen voldoen aan hun inburgeringsplicht. Daarnaast wordt het gebruik van kinderopvang
gemonitord in de kwartaalrapportages kinderopvang.
Omdat de wetswijziging voor openingstijden enkel een verduidelijking van bestaand
beleid betreft, is de verwachting dat er per saldo geen effecten op het gebruik van
kinderopvang zullen zijn. Wel zullen het gebruik en de tarieven van kinderopvang gemonitord
worden in de kwartaalrapportages kinderopvang, zoals dat nu ook gebeurt. Een extra
instrument om dit wetsvoorstel te evalueren is daarom niet nodig.
Omdat de voorgestelde wetswijziging voor de vaste voet enkel een technische verduidelijking
betreft, is er geen monitoring mogelijk. Wel zal het Ministerie van SZW in haar begroting
blijven vermelden welke percentages van de kosten voor kinderopvang (op macroniveau)
gedragen worden door werkgevers, ouders en overheid, zoals dat sinds 2013 gebruikelijk
is. Daarnaast is relevant dat artikel 8, tweede lid, van het Besluit KOT bepaalt dat
in bijlage I van het Besluit KOT wordt vermeld welk toeslagpercentage elke inkomensgroep
ontvangt. Het is de bedoeling om die werkwijze voort te zetten ook nadat de voorgestelde
wetswijziging in werking is getreden, totdat een inkomensonafhankelijk vergoedingspercentage
wordt ingevoerd.
10 Uitgebrachte adviezen
Uitvoeringstoets DUO
DUO heeft een uitvoeringstoets uitgevoerd op het voorstel ten aanzien van inburgering.
De conclusie van die uitvoeringstoets is dat de wijziging voor DUO uitvoerbaar en
haalbaar is. Tussen de Dienst Toeslagen, die het recht op KOT bepaalt, en DUO bestaat
op dit moment een rechtmatige gegevenslevering. Deze gegevenslevering hoeft niet aangepast
te worden om uitvoering te geven aan de wetswijziging. Dienst Toeslagen kan op basis
van de reeds door DUO geleverde gegevens ook KOT toekennen bij MAP, PVT en de participatie-uren.
Uitvoeringstoets Dienst Toeslagen
Dienst Toeslagen heeft een uitvoeringstoets uitgevoerd op alle onderdelen van dit
wetsvoorstel. Het eindoordeel van Dienst Toeslagen is dat het voorstel uitvoerbaar
is. Er is geen sprake van uitvoeringskosten. De maatregelen in het voorstel hebben
geen of slechts een marginale impact op de uitvoering. Volgens Dienst Toeslagen is
er sprake van verbeteringen voor de burger. De communicatie hierover zal plaats vinden
via de reguliere kanalen. De gegevens kunnen binnen bestaande koppelingen worden ontvangen
en verwerkt. Voor wijzigingen met terugwerkende kracht is een handmatige behandeling
noodzakelijk. Dat is mogelijk met behulp van de bestaande voorzieningen.
Specifiek ten aanzien van het voorstel voor promovendi stelt Dienst Toeslagen in de
uitvoeringstoets dat er voor promovendi geen algemene registratie bestaat om te kunnen
toetsen of ouders aan de betreffende doelgroep voldoen. Dit betekent dat zij desgevraagd
zullen moeten aantonen dat zij aan de vereisten voldoen. De verwachting van Dienst
Toeslagen is dat de doelgroep goed in staat zal zijn de juiste informatie aan te kunnen
leveren.
Regeldruktoets ATR
ATR heeft advies uitgebracht over het wetsvoorstel ten aanzien van promovendi en andere
onderzoekers, omdat dit het enige onderdeel is dat gevolgen heeft voor de regeldruk.
ATR adviseert de regeldrukbesparing als gevolg van het voorstel voor promovendi en
andere onderzoekers opnieuw te berekenen. Nadat deze aanpassing in de berekening is
gedaan, kan het voorstel naar het oordeel van ATR worden ingediend.
In het concept wetsvoorstel zoals dat voor advies aan ATR was toegezonden, werd uitgegaan
van een toename van de regeldruk van € 5.500 doordat jaarlijks ongeveer 320 extra
aanvragen KOT worden verwacht. Tegelijkertijd werd in dat voorstel een regeldrukbesparing
verwacht van € 17.000, doordat voor de huidige promovendi die KOT ontvangen de controle
door Dienst Toeslagen eenvoudiger wordt. Hierdoor neemt de benodigde tijd voor de
controle af. ATR heeft twee opmerkingen bij deze berekening gemaakt. Bij de berekening
van de regeldrukvermindering valt het ATR ten eerste op dat voor elke aanvraag een
tijdsbesparing is geraamd, terwijl niet elke ouder een regeldrukbesparing ondervindt
door deze wijziging. Ten tweede is de inschatting van ATR dat minder complexiteit
achteraf in het geval er een controle is, meer tijd zal besparen dan 15 minuten. De
regeldrukbesparing voor deze groep is naar verwachting van ATR dus groter dan berekend
in het concept voorstel. Op basis van de twee opmerkingen van ATR is de berekening
van de regeldrukbesparing in hoofdstuk acht van dit voorstel aangepast.
11 Uitkomsten internetconsultatie
Dit wetsvoorstel heeft opengestaan voor internetconsultatie van 27 mei tot en met
24 juni 2025. Er zijn twaalf reacties binnen gekomen. Eén reactie ging niet over dit
wetsvoorstel. Daarom wordt deze reactie hier buiten beschouwing gelaten.
Algemene reacties
De branchevereniging maatschappelijk kinderopvang (BMK) is blij met de verbeteringen
die de regering blijft doorvoeren ten behoeve van een goed kinderopvangstelsel in
Nederland. Deze aanpassingen zijn waardevol, maar onderstrepen des te meer de urgentie
van structurele vereenvoudiging van het stelsel. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de terugvorderingen
bij ouders oplopend tot duizenden euro’s. BMK geeft aan blij te zijn met de verbreding
van de arbeidseis voor promovendi. BMK vindt het van belang om in het nieuwe stelsel
de arbeidseis (deels) los te laten. BMK is ook blij met de aanpassing voor inburgeraars,
omdat hierdoor het risico op terugvorderingen wordt verkleind. Ook daarin ziet BMK
het (deels) loslaten van de arbeidseis als optimale oplossing. Tot slot is BMK ook
blij met de aanpassingen omtrent openingstijden en vaste voet.
Reactie: de regering onderschrijft de noodzaak voor een structurele vereenvoudiging
van het stelsel. Het voorstel voor het nieuwe financieringsstelsel kinderopvang is
in voorbereiding.38 De hoofdoelstelling van dit nieuwe financieringsstelsel is een eenvoudiger stelsel
met meer zekerheid voor ouders. In het nieuwe financieringsstelsel zal niet meer worden
teruggevorderd bij ouders.39 De arbeidseis blijft in het nieuwe financieringsstelsel wel bestaan. Een belangrijk
verschil met het huidige stelsel is dat een eenmaal toegekende vergoeding kinderopvang
niet bij de ouder wordt teruggevorderd. Als een ouder bijvoorbeeld stopt met werken
heeft dat alleen gevolgen voor het recht op de vergoeding kinderopvang naar de toekomst
toe.
Promovendi
Het Institute
for Transnational and Euregional cross-border cooperation and Mobility (ITEM) & Social Fiscal International Expertise (SOFIE) vinden het wetsvoorstel een zeer welkome ontwikkeling voor een langlopend
probleem. Bij beide organisaties zijn meerdere casussen bekend, waarin promovendi
zonder dienstverband maar met een beurs of op eigen bekostiging geconfronteerd werden
met hoge terugvorderingen voor de KOT. Een terugvordering van € 15.000 wordt als voorbeeld
genoemd. Daarbij wordt aangegeven dat dit financieel en emotioneel erg overweldigend
was voor de ouder. Ook wordt een voorbeeld genoemd van een gezin waarbij twee promovendi
beide promoveren op basis van een beurs. De KOT werd voor dit gezin teruggevorderd,
waarna beide promovendi besloten te stoppen met werken wegens de zorg voor de kinderen.
ITEM en SOFIE stellen dat er sprake is sprake van onwenselijke rechtsonzekerheid,
waarbij promovendi zonder dienstverband tussen wal en schip vallen. Het gaat hierbij
om een veelal kwetsbare groep, wat betreft financiën, communicatie (taal en toegang
tot informatie) en tijd. In de reactie verwijzen ITEM en SOFIE naar de begroting van
SZW van 2025 waarin staat dat de wijzing per 2025 in gaat. In de reactie wordt gevraagd
te reflecteren op hoe dit voorstel zich verhoudt tot de aankondiging in de begroting
2025.
ITEM en SOFIE vragen om een toelichting over op welke wijze wordt vastgesteld op hoeveel
uren KOT promovendi zonder dienstverband recht hebben. Daarnaast wordt gevraagd naar
een reflectie op hoe om te gaan met de groep van promovendi die reeds worden geconfronteerd
met hoge terugvorderingen. Onder verwijzing naar de memorie van toelichting stellen
zij dat er effectief sprake is van juridisch «tussen wal en schip». Gelet op de kwetsbare
aard van de getroffen promovendi, is hier duidelijke communicatie en bijstand/begeleiding
bij nodig. ITEM en SOFIE vragen naar hoe de praktische implementatie en informatie
gaat plaatsvinden.
Tot slot wordt er nog op gewezen dat promovendi zonder dienstverband ook geconfronteerd
worden met andere onzekerheden wat betreft sociale zekerheid, zoals het recht op volksverzekeringen
en verplichte, gereguleerde zorgverzekeringen.
Reactie: de voorbeelden van ITEM en SOFIE van hoge terugvorderingen bij promovendi
zonder dienstverband ondersteunen de probleemstelling in dit wetsvoorstel. Zij tonen
bovendien aan dat het wetsvoorstel bijdraagt aan het stimuleren van deelname aan promotietrajecten
of opleidingstrajecten tot technologisch ontwerper, aangezien de terugvorderingsproblematiek
onder promovendi er in de praktijk toe leidt dat in bepaalde gevallen ouders besluiten
te stoppen met werken.
In de SZW-begroting van 2025 staat inderdaad dat alle vormen van promovendi per 1 januari
2025 recht krijgen op KOT. Dat klopt niet. Het recht op KOT ontstaat pas nadat het
wetsvoorstel door beide Kamers is aangenomen en de wet bekend is gemaakt en in werking
is getreden. In de begroting 2025 zijn de financiële middelen geregeld om de kosten
van dit wetsvoorstel te dekken. De inwerkingtreding van de wijziging voor promovendi
is voorzien op 1 januari 2027. In antwoord op Kamervragen bij de begroting is dit
rechtgezet.40 In de Kamerbrief van 24 juni 2025 over de arbeidseis in de Wet kinderopvang is opnieuw
bevestigd dat 1 januari 2027 de beoogde inwerkingtredingsdatum voor deze wijziging
is.41
De regering erkent het risico dat in een beperkt aantal gevallen de onjuiste datum
in de begroting van 2025 tot aanvragen KOT hebben geleid van promovendi zonder dienstverband.
Om te voorkomen dat dit in de praktijk tot terugvorderingen leidt, stelt de regering
voor om aan het onderdeel van het wetsvoorstel dat gaat over het recht op KOT voor
promovendi en technologisch ontwerpers in opleiding terugwerkende kracht te verlenen
tot en met 1 januari 2025.Ouders die naar aanleiding van de tekst in de begroting
al vanaf 2025 KOT hebben aangevraagd, krijgen door de wijziging met terugwerkende
kracht alsnog recht op KOT. In de praktijk betekent dit dat promovendi of technologisch
ontwerpers in opleiding die in 2025 of 2026 een voorschot KOT hebben aangevraagd en
in het definitief toekenningsproces worden gecontroleerd op de arbeidseis, het recht
op KOT ook definitief krijgen toegekend (indien de ouder met bewijsstukken kan aantonen
dat de ouder onder de nieuwe doelgroep valt).
De regering acht het niet nodig om een voorziening te treffen om het aanvragen van
KOT met terugwerkende kracht mogelijk te maken, anders dan de reeds bestaande voorziening
om tot drie maanden na de start van de opvang KOT aan te kunnen vragen (artikel 1.3,
tweede lid, onderdeel b, van de Wko). Het hebben gedaan van een aanvraag over 2025
en 2026 blijft voor deze doelgroep dus een voorwaarde om aanspraak te kunnen maken
op KOT. Het is namelijk niet aannemelijk dat er promovendi zonder dienstverband en
technologisch ontwerpers in opleiding zijn die wel kinderopvang hebben afgenomen maar
geen KOT hebben aangevraagd. Uit onderzoek blijkt dat promovendi zonder arbeidsovereenkomst
zich doorgaans in een financieel precaire situatie bevinden (zie paragraaf 2.2.1).
De kosten van kinderopvang zijn voor deze doelgroep niet te dragen zonder KOT.42
In de reactie wordt gevraagd om toe te lichten op hoeveel uren KOT promovendi zonder
dienstverband recht hebben. Het aantal uren kinderopvang dat voor KOT in aanmerking
komt, bedraagt per kind niet meer dan 230 uren per kalendermaand en per berekeningsjaar
230 uren vermenigvuldigd met het aantal maanden waarin de ouder of partner in dat
berekeningsjaar een traject volgt gericht op promotie.43 Het aantal uren kinderopvang dat voor KOT in aanmerking komt wordt voor alle doelgroepen
met recht op KOT op dezelfde wijze vastgesteld.
In de reactie wordt ook gevraagd naar een reflectie op hoe wordt omgegaan met de groep
van promovendi die reeds worden geconfronteerd met hoge terugvorderingen. Aan deze
groep besteedt de regering aandacht. Op de website van de Belastingdienst wordt benoemd
in welke gevallen een promovendus recht heeft op KOT.44 Promovendi die vragen hebben over de KOT kunnen contact opnemen met de BelastingTelefoon:
0800 – 0543. Als de promovendus twijfelt of een beurs volstaat om te worden aangemerkt
als inkomsten voor de Belastingdienst kan de promovendus contact opnemen met de belastinginspecteur
en/of kan een voorlopige aanslag inkomstenbelasting worden gedaan.45 Daarnaast worden stakeholders (UNL, PNN, Nuffic) en intermediairs (ITEM en SOFIE)
geïnformeerd over de belangrijkste voorwaarden, aandachtspunten en nieuwe ontwikkelingen.
Zij vormen een belangrijke schakel aangezien zij in contact staan met universiteiten
en promovendi.
In de reactie wordt tot slot gevraagd naar hoe de praktische implementatie van de
wetswijziging gaat plaatsvinden. Dienst Toeslagen zal over de maatregel communiceren
via de reguliere kanalen (zoals de website van Dienst Toeslagen). Daarbij zal ook
de samenwerking met de stakeholders en intermediairs worden opgezocht om de doelgroep
zo goed mogelijk te kunnen bereiken.
Tilburg University geeft aan dat promovendi zonder dienstverband vaak vijf jaar lang
fulltime werken aan hun proefschrift – meestal in een levensfase waarin ook jonge
kinderen tot het gezin behoren. In de reactie wordt de problematiek benoemd waarbij
toeslagaanvragen vaak worden toegekend waarbij dan jaren later blijkt dat promovendi
volgens de Belastingdienst géén recht hadden op KOT. Het gevolg daarvan is dat deze
mensen achteraf worden gestraft met tienduizenden euro’s aan toeslagschulden. Volgens
Tilburg University erkent dit voorstel eindelijk dat promovendi zonder dienstverband
recht zouden moeten hebben op KOT.
De regering ziet de reactie van Tilburg University als een onderschrijving van de
probleemstelling in dit wetsvoorstel en ondersteuning van de voorgestelde oplossing.
Openingstijden
Er zijn verschillende reacties binnen gekomen over het voorstel om in de Wko de regels
over beschikbaarheid van de opvang te verduidelijken. De meeste reacties, waaronder
die van de brancheorganisatie voor gastouders Stichting Nysa, zijn positief. Zij geven
aan blij te zijn met de verduidelijking over het recht op KOT op feestdagen. Daarnaast
geeft Stichting Nysa ook specifiek aan blij te zijn met de verduidelijking dat er
pas recht op KOT is als de opvang is betaald.
In drie reacties (van een kinderopvangorganisatie, een gastouder en een gastouderbureau)
wordt aangegeven dat men blij is met de verduidelijking van de regels. Volgens de
reactie van het gastouderbureau blijft er echter onduidelijkheid over de vraag of
een zzp-gastouder (als dit vastgelegd is in contract / algemene voorwaarden) de uren
op feestdagen ook in rekening mag brengen aan de ouder als zij niet beschikbaar wil
zijn voor opvang op die dagen. Daarbij wordt aangegeven dat ouders juridisch gezien
niet hoeven te betalen voor een dienst die zij niet kunnen afnemen.
Reactie: indien een zzp-gastouder in het contract met de vraagouder bijvoorbeeld heeft
afgesproken elke maandag kinderopvang te leveren en deze maandag valt op een algemeen
erkende feestdag, dan is er aanspraak op KOT.
Er is één reactie, waarin wordt gesteld dat kinderopvangorganisaties misbruik maken
van de geboden ruimte voor recht op KOT op momenten dat het kind niet aanwezig is.
Wanneer er een doelstelling is om zorgvuldig en rechtmatig om te gaan met overheidsgeld,
is het goed om kritisch te kijken naar de wijze waarop deze ingezet worden. Volgens
de indiener van deze reactie zou er daarom geen KOT verstrekt moeten worden over uren
waarop de opvang gesloten is (dus ook niet over feestdagen). De indiener verzoekt
om te onderzoeken en in een afzonderlijk voorstel te verwerken hoe het recht op KOT
zoveel mogelijk beperkt kan worden tot de uren waarop de ouder ook daadwerkelijk van
plan was om deze uren af te nemen.
Reactie: KOT is bedoeld voor kinderopvang. In de Wko is op dit moment leidend dat
de opvang overeengekomen, beschikbaar en betaald is. In gevallen van bijvoorbeeld
ziekte van het kind, is het verklaarbaar dat een kinderopvangorganisatie hiervoor
kosten in rekening brengt (zij hebben immers wel op het kind gerekend en hier kosten
voor gemaakt) en de ouder betaalt. Doordat de ouder altijd een ouderbijdrage betaalt,
ligt het niet voor de hand dat ouders structureel meer dagen af zullen nemen dan zij
gebruiken. Het is met oog op regeldruk voor kinderopvangorganisaties en uitvoerbaarheid
voor Dienst Toeslagen niet wenselijk om KOT per daadwerkelijk afgenomen uur te verstrekken.
Het aantal uren opvang per dag fluctueert soms en daar moet ruimte voor zijn. Desondanks
heeft de indiener gelijk dat belastinggeld meer doelmatig besteed wordt als alleen
over afgenomen uren KOT wordt uitgekeerd. De suggestie om hier een apart onderzoek
naar te doen wordt reeds meegenomen in de uitwerking van het nieuwe financieringsstelsel
kinderopvang dat beoogd is voor 2029. In het nieuwe stelsel zijn (de houder van) een
kindercentrum of gastouderbureau verplicht om het aantal aanwezigheidsuren per kind
bij te houden en te leveren als de uitvoerder daar om vraagt.46 Deze informatie geeft inzicht in de doelmatigheid van de subsidie. Beoogd is dat
de sector maatregelen neemt om ondoelmatigheid in het nieuwe stelsel te voorkomen.
Het wetsvoorstel voorziet in de mogelijkheid van een aanwezigheidsnorm als de maatregelen
door de sector onvoldoende effect sorteren en het nieuwe stelsel leidt tot ondoelmatige
uitgaven.
Tot slot wordt in een reactie gevraagd hoe wordt vastgesteld dat de opvang daadwerkelijk
is betaald.
Reactie: kinderopvangorganisaties en gastouders leveren maandelijks opvanggegevens
aan Dienst Toeslagen. Dat doen zij alleen voor opvanguren die schriftelijk zijn overeengekomen
en betaald. Op die manier weet Dienst Toeslagen over welke opvanguren KOT uitbetaald
kan worden. Indien er een grote afwijking is tussen de opvanguren van een kinderopvangorganisatie
ten opzichte van het aantal uren dat de ouder doorgeeft, kan Dienst Toeslagen de ouder
vragen om facturen en betaalbewijzen op te sturen.
12 Inwerkingtreding
Dit wetsvoorstel treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
De inwerkingtreding van de wijzigingen voor openingstijden en vaste voet is voorzien
op 1 januari 2027.
De inwerkingtreding van de wijziging voor promovendi en technologisch ontwerpers in
opleiding is ook voorzien op 1 januari 2027. Aan de wijziging zal daarbij terugwerkende
kracht worden verleend tot en met 1 januari 2025, zoals is toegelicht in paragraaf
11, onder het kopje «promovendi». Promovendi en technologisch ontwerpers in opleiding
zonder dienstverband die al in 2025 of 2026 KOT hebben aangevraagd, krijgen door de
wijziging met terugwerkende kracht alsnog recht op KOT.
De inwerkingtreding van de wijziging voor inburgering is eveneens voorzien op 1 januari
2027. Met deze wijziging van de Wko (artikel I, onderdeel A, onder 1, subonderdeel
a) wordt een onjuistheid in de Wko hersteld. Deze wijziging is ten gunste van de betrokkenen,
inburgeringsplichtigen krijgen recht op KOT voor alle onderdelen die gericht zijn
op het voldoen aan de inburgeringsplicht, en het betreft een wijziging van beperkte
omvang. Om die reden wordt op deze wijziging in de uitvoering vooruitgelopen, zoals
toegelicht in paragraaf 3.5. In het inwerkingtredingsbesluit zal worden bepaald dat
deze wijziging terugwerkt tot 1 januari 2022, de inwerkingtredingsdatum van het nieuwe
inburgeringsstelsel. Ouders die in de periode vanaf 1 januari 2022 een aanvraag voor
KOT hebben ingediend bij de Dienst Toeslagen, hebben (alsnog) recht op KOT als zij
voldoen aan de voorwaarden daarvoor: de aanvraag ziet op een periode die niet meer
dan drie kalendermaanden gelegen is voor de datum waarop de aanvraag om KOT is ingediend
bij de Dienst Toeslagen; zij in deze periode kosten hebben gemaakt voor kinderopvang
en inburgeringsactiviteiten hebben gevolgd. Omdat inburgeringsplichtigen voor 1 januari
2022 voor alle onderdelen die gericht zijn op het voldoen aan de inburgeringsplicht
aanspraak hadden op KOT en dat ook beoogd was onder het nieuwe inburgeringsstelsel,
is het de verwachting dat inburgeringsplichtigen aan die voorwaarden voldoen.
II ARTIKELSGEWIJS DEEL
Artikel I, onderdeel A (artikel 1.6 van de Wet kinderopvang)
Middels dit onderdeel wordt in de eerste plaats artikel 1.6, eerste lid, onderdeel
g, van de Wko gewijzigd. Op grond van dat onderdeel heeft degene die inburgeringsplichtig
is en bezig is met de voor die persoon vastgestelde leerroute recht op KOT. In de
huidige formulering zijn de termen «cursus» en «opleiding» opgenomen. Hierdoor is
een aantal activiteiten dat onderdeel is van de leerroutes onbedoeld uitgesloten van
het recht op KOT. Met deze wetswijziging wordt voorgesteld dat alle verplichte onderdelen
binnen de Wi2021 recht geven op KOT. Voorbeelden daarvan zijn het volgen van de Module
Arbeidsmarkt en Participatie en het Participatieverklaringstraject en het verrichten
van participatie-activiteiten in het kader van de Z-route. Het overige bepaalde in
het te wijzigen artikelonderdeel blijft ongewijzigd.
Daarnaast wordt voorgesteld aan artikel 1.6, eerste lid, een nieuw onderdeel m toe
te voegen. Dit heeft betrekking op ouders die een traject volgen gericht op promotie
of anderszins werkzaamheden verrichten ten behoeve van onderzoek aan een instelling
of academisch ziekenhuis als bedoeld in artikel 1.2 van de Wet op het hoger onderwijs
en wetenschappelijk onderzoek. Hieronder vallen in ieder geval ouders die een traject
volgen gericht op promotie als bedoeld in artikel 7.18 van de Wet op het hoger onderwijs
en wetenschappelijk onderzoek en ouders die de opleiding tot technologisch ontwerper
volgen als bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en
wetenschappelijk onderzoek.
Wat het vereiste betreft dat de ouder onderzoek verricht aan een instelling of academisch
ziekenhuis als bedoeld in artikel 1.2 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk
onderzoek: de ouder moet zelf kunnen aantonen dat er concrete afspraken bestaan met
de instelling waar het onderzoek wordt verricht. Dit zorgt ervoor dat er voldoende
bewijs is voor de activiteiten die worden uitgevoerd en waaruit blijkt dat deze in
verband staan met de voorwaarden voor het verkrijgen van KOT.
In het nieuwe onderdeel is ruimte gelaten voor verschillende vormen van onderzoek.
Het gebruik van het woord «onderzoek» in dit nieuwe onderdeel is niet beperkt tot
«wetenschappelijk onderzoek». Dit biedt de mogelijkheid voor andere toekomstige vormen,
zoals praktijkgericht onderzoek. Deze flexibiliteit is belangrijk, omdat het een breed
scala aan onderzoeksactiviteiten dekt die relevant kunnen zijn.
De formulering van dit artikel is zo opgezet dat er ruimte blijft voor nieuwe doelgroepen
die onderzoek verrichten aan een instelling of academisch ziekenhuis, waarvoor recht
op KOT in de toekomst mogelijk ook van belang is. Het doel is om de wet zo inclusief
mogelijk te houden, zodat ouders die momenteel nog niet voldoende in beeld zijn, maar
waarvan wel wenselijk is dat zij onder dezelfde omstandigheden gelijk worden behandeld
in de toekomst, ook de kans krijgen om van de KOT gebruik te maken. Door deze aanpassingen
en verduidelijkingen willen we een breder scala aan ouders ondersteunen en ervoor
zorgen dat de KOT beschikbaar is voor diegenen die dat nodig hebben in het kader van
hun onderzoeksactiviteiten.
Voor de inhoudelijke afweging om deze twee groepen toe te voegen aan artikel 1.6 en
de precieze reikwijdte van deze groepen wordt verwezen naar het algemeen deel van
de toelichting.
Tot slot wordt in artikel 1.6, derde lid, onderdeel c, artikel 1.6, negende lid, onderdeel
c, en artikel 1.6, elfde lid, onderdeel c, van de Wko, een verwijzing naar het nieuwe
onderdeel m toegevoegd. Met de aanpassing in het derde lid wordt mogelijk gemaakt
dat een ouder met een partner aanspraak op een KOT heeft, indien de partner een persoon
is die een traject volgt gericht op promotie of anderszins onderzoek verricht aan
een instelling of academisch ziekenhuis als bedoeld in artikel 1.2 van de Wet op het
hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Door het negende en het elfde lid aan
te passen, wordt tot uitdrukking gebracht dat de ouder die een Wlz-indicatie heeft
of die tot een gevangenisstraf van langer dan drie maanden is veroordeeld, voor een
berekeningsjaar aanspraak heeft op een KOT, indien die ouder een partner heeft die
een traject volgt gericht op promotie of anderszins onderzoek verricht aan een instelling
of academisch ziekenhuis als bedoeld in artikel 1.2 van de Wet op het hoger onderwijs
en wetenschappelijk onderzoek.
Artikel I, onderdeel B (artikel 1.7, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 1, van
de Wet kinderopvang)
Met de voorgestelde aanpassing van artikel 1.7, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel
1, wordt een jarenlange praktijk verduidelijkt, namelijk dat de KOT alleen kan worden
verkregen voor het aantal uren kinderopvang dat schriftelijk is overeengekomen en
dat kinderopvang daadwerkelijk beschikbaar is. Dat wil zeggen dat de kinderopvang
tijdens de overeengekomen kinderopvanguren daadwerkelijk open is en de ouder het kind
dus naar de opvang kan brengen. Wat betreft de beschikbaarheid geldt een uitzondering
voor de algemeen erkende feestdagen, genoemd in artikel 3, eerste lid, van de Atw,
en Eerste Paasdag en Eerste Pinksterdag. Indien een dergelijke dag op een dag valt
waarop er volgens het contract normaal gesproken opvang voor een bepaald aantal uur
wordt afgenomen, en de opvang is op die feestdag gesloten, dan blijft voor die opvanguren
wel recht op KOT bestaan. Zie verder paragraaf 4 van het algemeen deel van de toelichting.
Artikel I, onderdeel C (artikel 1.8, eerste lid, van de Wet kinderopvang)
Met de voorgestelde wijziging van artikel 1.8, eerste lid, wordt verduidelijkt dat
bij het vaststellen van de hoogte en de berekeningswijze van de KOT niet is vereist
dat ten minste één inkomensgroep wordt aangewezen die een vergoedingspercentage van
33,3% of minder aan KOT ontvangt.
De Minister van Werk en Participatie, A.A. Aartsen
Ondertekenaars
A.A. Aartsen, minister van Werk en Participatie
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.