Nota n.a.v. het (nader/tweede nader/enz.) verslag : Nota naar aanleiding van het verslag
36 832 Wijziging van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in verband met het opnemen van medisch hulpverlener acute zorg en klinisch fysicus in de lijst van registerberoepen
Nr. 6
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG
Ontvangen 18 maart 2026
De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport, belast met het voorbereidend
onderzoek van voorliggend wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen
van haar bevindingen.
Onder het voorbehoud dat de in het verslag opgenomen vragen en opmerkingen afdoende
door de regering worden beantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van
het wetsvoorstel voldoende voorbereid.
Inhoudsopgave
I.
Algemeen deel
2
1.1
Inleiding
2
1.2
Aanleiding opname beroepen MHAZ en klinisch fysicus in de Wet BIG
12
2.
Beroep MHAZ
13
2.1
Achtergrond en positie MHAZ
13
2.2
Experiment met het beroep BMH
14
2.3
Beleidsreactie op evaluatie experiment en voorwaarden voor wettelijke regulering BMH
15
2.4
Wettelijke regulering; artikel 3 Wet BIG en functionele zelfstandigheid
17
3.
Beroep klinisch fysicus
18
3.1
Achtergrond en positie klinisch fysicus
18
3.2
Opname klinisch fysicus in artikel 3 van de Wet BIG
19
3.3
Adviezen van het Zorginstituut.
22
3.4
Beleidsreactie op de adviesrapporten van het Zorginstituut voor de klinisch fysicus
24
3.5
Regulering in artikel 3 van de Wet BIG
25
4.
Peildata periodieke registratie
33
5.
Digitalisering tuchtproces
33
6.
Financiële lasten en regeldruk
35
7.
Advies en consultatie
35
8.
Europees recht en gevolgen voor Caribisch Nederland
35
II.
ARTIKELSGEWIJS
35
I. Algemeen deel
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de voorgelegen wijziging van de Wet op de beroepen in de
individuele gezondheidszorg (Wet BIG) in verband met het opnemen van medisch hulpverlener
acute zorg (MHAZ) en klinisch fysicus in de lijst van registerberoepen.
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel.
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel. Zij hebben
hier nog enkele vragen over.
De leden van de CDA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden steunen de beweging
naar toekomstgericht opleiden, waarvan breder opleiden in het kader van taakherschikking
van meerwaarde is voor de gehele acute zorg. Deze leden hebben nog enkele vragen over
het wetsvoorstel.
De leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen het voorliggende wetsvoorstel. Zij hebben geen verdere vragen
aan of opmerkingen voor de regering.
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel. Zij hebben nog enkele vragen
aan de regering.
De leden van de SGP-fractie hebben met kennisgenomen van het wetsvoorstel. Zij steunen het opnemen van de medisch
hulpverlener acute zorg en de klinisch fysicus in de Wet op de beroepen in de individuele
gezondheidszorg (Wet BIG). Zij betwijfelen echter of het gedetailleerd vastleggen
van de werkterreinen van deze beroepen in de wet verstandig is. Hierover willen zij
enkele vragen stellen.
Met belangstelling heb ik kennisgenomen van de vragen die de leden van diverse fracties
hebben over het wetsvoorstel waarmee de medisch hulpverlener acute zorg en de klinisch
fysicus in de lijst van registerberoepen worden opgenomen. Het doet mij deugd dat
er uit het verslag steun blijkt voor dit wetsvoorstel. In deze nota naar aanleiding
van het verslag beantwoord ik de vragen die de Kamerleden in het verslag over het
wetsvoorstel hebben gesteld. Daarbij houd ik de indeling van het verslag aan en zijn
de antwoorden direct onder de vragen geplaatst.
1.1 Inleiding
Er wordt onderscheid gemaakt, de klinisch fysicus audioloog wordt uitgezonderd. In
de praktijk komen door opleiding en ervaring en functiewisselingen deelgebieden van
klinisch fysicus in overlap voor. De leden van de PVV-fractie vragen welke gevolgen dit kan hebben voor de beroepsbeoefenaar die enerzijds wel
onder de wetgeving valt maar anderzijds dan deels niet. Wat betekent dit in de praktijk
als de beroepsbeoefenaar functioneel bevoegd is in de ene functie, maar niet in de
andere functie?
In Nederland werkten in 2025 ruim 1,6 miljoen mensen in de zorg en welzijn. Hiervan
zijn ca. 385.000 zorgmedewerkers ingeschreven in het BIG-register. De uitoefening
van de individuele gezondheidszorg is in principe vrij voor iedereen. Het is belangrijk
om alleen die beroepen wettelijke te reguleren als het gaat om zorgmedewerkers die
risicovolle handelingen verrichten, of waarbij het anderszins vanuit het perspectief
van patiëntveiligheid nodig is om het beroep wettelijk te reguleren. De voorgestelde
regelgeving moet geschikt zijn om het beoogde effect te bereiken en niet verder gaan
dan daarvoor nodig is.1
Uitgangspunt van de beroepenregulering in de Wet BIG is het «nee, tenzij»-principe:
beroepen en opleidingen worden alleen gereguleerd als dit vanuit patiëntveiligheid
strikt noodzakelijk is. Dat kan omdat zij bepaalde risicovolle handelingen verrichten
(voorbehouden handelingen), of omdat het gewenst is dat ze onder het tuchtrecht vallen.
De meeste beroepen in de gezondheidszorg hebben geen beschermde titel en registratie
in het BIG-register is dan niet nodig.
Het wetsvoorstel regelt dat het hele beroep klinisch fysicus een beschermde beroepstitel
krijgt en dat voor de hele beroepsgroep een register wordt ingesteld. Voor beroepsbeoefenaren
die als zodanig in het BIG-register zijn geregistreerd wordt daarmee het tuchtrecht
op hen van toepassing. Daartoe wordt voorgesteld om de artikelen 3 en 47 van de Wet
BIG aan te passen. Daarin wordt dan de beroepsgroep klinisch fysicus als geheel opgenomen.
In de opleiding tot klinisch fysicus wordt gekozen voor één van de vier werkterreinen.
In de praktijk wordt gewerkt binnen één werkterrein met de daarbij behorende deskundigheid
en bevoegdheden. Er is geen sprake van een functionele zelfstandigheid voor de klinisch
fysicus die bedoeld zal zijn in de vraag; er is voor de klinisch fysicus met uitzondering
van de klinisch fysicus audioloog sprake van een zelfstandige bevoegdheid om een voorbehouden
handeling uit te voeren. Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld de verpleegkundige
of de MHAZ die in functionele zelfstandigheid in opdracht van een zelfstandig bevoegde
beroepsbeoefenaar voorbehouden handelingen mogen verrichten.2
Wanneer een klinisch fysicus op een ander werkterrein wil werken, is het mogelijk
zich in meer dan één werkterrein te specialiseren. Ook nu geldt dat het volgen van
een andere specialisatie nodig is om te kunnen werken in een functie op een ander
werkterrein binnen het beroep klinisch fysicus. Dit blijkt ook uit het huidige Besluit
opleidingseisen en deskundigheidsgebied klinisch fysicus waarbij voor elk werkterrein
een aanvullend pakket met specifieke deskundigheden is opgenomen.3
Daar waar het gaat om (retrograde) erkenning van een buitenlands diploma en een aanpassingsstage
(wat is dit precies) en een proeve van bekwaamheid is afgelegd (onder welke standaarden
en door wie getoetst) roept deze regel veel onduidelijkheid op. De wet voorziet hier
niet in voldoende mate aan kaders. Hoe is dit in het werkveld geregeld? Voorziet de
regering hier uitvoeringsproblemen in het kader van kwaliteit van zorg en bovendien
de veiligheid van patiënt maar ook van de beroepsbeoefenaar?
De eerdere wijzigingen worden met bovenstaand voorstel uit 2019 ongedaan gemaakt.
Omdat de uitvoeringspraktijk onwenselijk uitpakte. Kunnen enkele voorbeelden hiervan
worden gegeven?
De voorgestelde wijziging is enkel van toepassing op zorgverleners met een diploma
uit een EU-lidstaat of Zwitserland dat niet automatische wordt erkend op grond van
het EU-recht. Een deel van deze zorgverleners kunnen met hun diploma pas in Nederland
worden ingeschreven in het BIG-register als ze aanvullend hun bekwaamheid aantonen
via een aanpassingsstage of proeve van bekwaamheid. Een aanpassingsstage houdt in
dat een periode wordt gewerkt onder begeleiding van een BIG-geregistreerde zorgverlener
om vaardigheden aan te tonen. Een proeve van bekwaamheid is een praktijkexamen, afgenomen
door een door het CIBG aanvaarde zorg- of onderwijsinstelling, om aan te tonen dat
de beroepskwalificaties gelijkwaardig zijn aan de Nederlandse kwalificaties.
Nadat het diploma erkend is, kan een registratie in het BIG-register plaatsvinden
die voor maximaal 5 jaar geldt. Bepalend voor de datum waarop deze vijfjaarstermijn
begint en afloopt, is als hoofdregel de datum waarop het diploma is verkregen. Sinds
2019 geldt die hoofdregel ook voor zorgverleners die een aanpassingsstage of proeve
van bekwaamheid hebben gedaan. Dat kan in de praktijk onwenselijk uitpakken. Als wordt
uitgegaan van een einddatum van BIG-registratie die afhankelijk is van de datum van
afgifte van hun diploma, kan het namelijk voorkomen dat een beroepsbeoefenaar in Nederland
wil werken met een wat ouder diploma en zich niet kan inschrijven in het BIG-register
(indien diplomadatum ouder dan 5 jaar is) of zich kort na de inschrijving in het BIG-register
al snel moet voldoen aan de eisen van periodieke registratie ook wel «herregistratie»
genoemd voor een nieuwe periode van 5 jaar. Als dit het geval is, dan betekent dit
dat deze persoon de bekwaamheid opnieuw moet aantonen (via opgedane werkervaring of
scholing), terwijl deze bekwaamheid recent is aangetoond via de aanpassingsstage of
proeve van bekwaamheid. Voorgesteld wordt daarom om bij deze zorgverleners uit te
gaan van de datum van erkenning van het diploma door het CIBG (dus na het verrichten
van een aanpassingsstage of proeve van bekwaamheid) als peildatum de BIG-registratieperiode.
De regering verwacht geen uitvoeringsproblemen naar aanleiding van deze voorgestelde
wetswijziging, aangezien deze wijziging in lijn is met de uitvoeringspraktijk van
het CIBG. Ook pakt het gunstig uit voor een groep zorgverleners terwijl geen afbreuk
wordt gedaan aan de patiëntveiligheid of kwaliteit van zorg.
Terecht wordt gesteld door derden dat de wijziging van de wet niet bedoeld is voor
meer handen aan het bed. Terwijl dit wel evident door de wet heen sijpelt. Hoeveel
handen aan het bed verwacht de regering. Is het niet een verschuiving van de arbeidsmarkt?
Een X-aantal wil in de zorg, maar dat X-aantal maakt de keuze voor een andere sector
zou je kunnen stellen? Of voorziet de regering een ander mechanisme, zo vragen de
leden van de PVV-fractie.
Regulering van beroepen in de Wet BIG is primair en uitsluitend gericht op het borgen
van patiëntveiligheid en de kwaliteit van de individuele beroepsbeoefenaar. Dat geldt
ook voor de MHAZ die werkzaam is in de spoedeisende en acute zorg en daarbij risicovolle
voorbehouden handelingen verricht in levensbedreigende situaties waarbij snel handelen
noodzakelijk is. In die situaties is niet steeds een zelfstandig bevoegde beroepsbeoefenaar
beschikbaar om toezicht te houden en tussenkomst te bieden. Juist in deze context
is het van belang dat de bevoegdheden en de functionele zelfstandigheid van de MHAZ
wettelijk zijn vastgelegd, zodat opdrachtgevers mogen uitgaan van het ontbreken van
toezicht en tussenkomst.
Het experiment met de BMH (voorloper van de MHAZ) en de daaropvolgende evaluatie laat
zien dat deze beroepsgroep een toegevoegde waarde heeft en kan bijdragen aan meer
«handen aan het bed», met name in de spoedeisende en acute zorg. Dit effect is echter
een positieve uitkomst van het experiment en niet het doel van de wetswijziging.
De evaluatie laat bovendien zien dat de MHAZ, door de brede opleiding in meerdere
acute zorgsettings inzetbaar is. Dit maakt een flexibele inzet van deskundigheid mogelijk,
waardoor de acute zorgverlening beter kan inspelen op pieken in de zorgvraag en personele
druk.
Opname van de MHAZ in de Wet BIG vindt uitsluitend plaats op basis van de noodzaak
tot borging van de patiëntveiligheid en de kwaliteit van de individuele beroepsbeoefenaar,
conform het «nee tenzij»-principe. Deze wijziging is dus niet bedoeld om meer handen
aan het bed te krijgen en een mogelijke verschuiving op de arbeidsmarkt wordt door
deze wijziging niet verwacht.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen hoe de regering kijkt naar de noodzaak om ook andere medische beroepen toe
te voegen aan het BIG-register zodat ze titelbescherming krijgen en onder het tuchtrecht
vallen. Zijn hier de afgelopen jaren ontwikkelingen in geweest of gebeurtenissen die
hier wat de regering betreft aanleiding toe geven?
De regering ziet geen aanleiding om andere zorgberoepen toe te voegen aan het BIG-register.
De afgelopen jaren is sprake geweest van een toename van verzoeken van beroepsgroepen
om te worden opgenomen in de Wet BIG, veelal om redenen die niet samenhangen met patiëntveiligheid,
maar met maatschappelijke erkenning, positionering of financiering.
De Wet BIG kent het uitgangspunt van «nee, tenzij»: regulering vindt uitsluitend plaats
als dit noodzakelijk is ter bescherming van patiënten tegen onzorgvuldig of ondeskundig
handelen en om de kwaliteit van de individuele beroepsbeoefenaar te borgen. De Wet
BIG is geen aanvraag gestuurd stelsel. Het is aan de Minister van Langdurige Zorg
Jeugd en Sport om signalen te wegen en eventueel voorstellen te doen tot regulering
wanneer patiëntveiligheid of kwaliteitsbewaking van de individuele beroepsbeoefenaar
daartoe aanleiding geeft.
Mede vanwege de vele verzoeken van beroepsgroepen om opgenomen te worden in de Wet
is op 14 juni 2023 advies gevraagd aan de Gezondheidsraad (GR). In het op 6 juni 2025
uitgebrachte advies «De Wet BIG; toetsingskader voor beroepen en voorbehouden handelingen
herzien» onderschrijft de GR het bestaande uitgangspunt van de Wet BIG. In de daaropvolgende
beleidsreactie4 en in de Verzamelbrief Wet BIG 2025 van 25 november 20255is deze lijn bevestigd.
De GR wijst er ook op dat onnodige regulering kan leiden tot beperkingen in de inzetbaarheid
van beroepsbeoefenaren, extra administratieve lasten en prijsopdrijvende effecten.
Verzoeken van beroepsgroepen kunnen worden benut om mogelijke knelpunten in kwaliteit
en patiëntveiligheid te signaleren, maar vormen op zichzelf geen grond voor opname
in de Wet BIG.
Daarnaast hebben zij nog een aantal vragen over het besluit om de nieuwe beroepenstructuur
van de Wet BIG niet door te laten gaan waardoor meer dan duizend kinder- en jeugdpsychologen
NIP (K&J NIP) in opleiding uiteindelijk niet aan de slag kunnen als gz-psychologen
voor kinderen en jongvolwassenen. Hoe beziet de regering dit besluit in het kader
van de opmerkingen die in de memorie van toelichting worden gemaakt over het belang
van brede inzetbaarheid, flexibiliteit en doorgroeimogelijkheden bij andere medische
beroepen en de mogelijkheden die opname in het BIG-register daartoe biedt?
Zoals op 12 november 2024 aan uw Kamer gemeld6 vraagt de krapte op de arbeidsmarkt om een Wet BIG die kwaliteitsdoelstellingen en
patiëntveiligheid alleen reguleert als dat echt noodzakelijk is. De afgelopen jaren
hebben steeds meer beroepsgroepen verzocht om regulering van het beroep, om redenen
die niet voortkomen uit de patiëntveiligheid en kwaliteitsdoelstellingen. Daarbij
gaat het bijvoorbeeld om de verwachting dat het beroep hierdoor in aanzien wint, dat
de instroom in de opleiding toeneemt, een hoger salaris kan worden gevraagd, of omdat
er dan meer declaratiemogelijkheden zijn. Dit vind ik onwenselijk. Onnodige restricties
vanuit de Wet BIG kunnen immers het aantal potentiële zorgmedewerkers en de mobiliteit
beperken. Dit kan weer leiden tot arbeidsmarkttekorten, prijsopdrijvende effecten
en onnodige administratieve lasten. Om de arbeidsmarkt flexibel te houden is het wenselijk
om zo min mogelijk te reguleren, waarbij de patiëntveiligheid altijd blijft geborgd.
Op 24 mei 2022 is uw Kamer geïnformeerd over het besluit om de kind- en jeugdpsycholoog
(K&J-psycholoog) niet als zelfstandig beroep op te nemen in artikel 3 van de Wet BIG.7 Hierbij is het advies van het Zorginstituut gevolgd, dat in maart 2022 een rapport
heeft opgeleverd waaruit bleek dat regulering van dit beroep in artikel 3 van de Wet
BIG niet noodzakelijk is om de kwaliteit van de gezondheidszorg te waarborgen en patiënten
adequaat te beschermen tegen onzorgvuldig handelen.8 Dit neemt niet weg dat de K&J-psychologen een belangrijke rol vervullen in de psychologische
zorg.
In het kader van brede inzetbaarheid en flexibiliteit kunnen K&J-psychologen zonder BIG-registratie werkzaam zijn binnen de jeugdhulp. Voor inzet van
de K&J-psychologen in het jeugdveld is een BIG-registratie geen voorwaarde. Vanzelfsprekend
moeten zij wel voldoen aan de kwaliteitseisen uit de Jeugdwet.
K&J-psychologen kunnen daarnaast zorg verlenen aan jongvolwassenen van 18 tot 23 jaar
en aan ouders binnen de gezinscontext. Vanaf 18-jarige leeftijd valt de zorg in beginsel
onder de Zorgverzekeringswet en is het Landelijk Kwaliteitsstatuut ggz (LKS) van toepassing.
Zo geldt voor cliënten die tijdens hun behandeling 18 jaar worden een overgangsregeling
van maximaal 365 dagen. Hierdoor kan de behandeling die is gestart op grond van de
Jeugdwet tijdelijk worden voortgezet onder de Zorgverzekeringswet bij dezelfde behandelaar.
Voor de volwassen ggz geldt op grond van het LKS dat het regiebehandelaarschap is
voorbehouden aan zorgverleners met een BIG-registratie. K&J-psychologen zonder BIG-registratie
kunnen binnen dit kader geen regiebehandelaar zijn. Deze eis volgt uit de veldnorm,
het LKS, en niet uit de Wet BIG. De Wet BIG zelf stelt geen eisen aan het regiebehandelaarschap.
De eis uit het LKS kan als beperkend worden ervaren voor een brede en flexibele inzet
van K&J-psychologen. Aangezien deze beperking voortvloeit uit veldafspraken en niet
uit wettelijke bepalingen, ligt het in de rede dat het veld zelf ruimte creëert voor
meer flexibiliteit in de inzet van K&J-psychologen.
Hierover is, naar aanleiding van de motie van de leden Bushoff (GroenLinks-PvdA) en
Van den Hil (VVD) en de toezegging van mijn ambtsvoorganger in het tweeminutendebat
op 26 november 2025, in een rondetafelgesprek op 4 februari 2026 uitgebreid gesproken
met veldpartijen in de ggz die onderdeel zijn van het LKS.9 Tijdens het rondetafelgesprek is afgesproken dat partijen met elkaar onderzoeken
waar het LKS de brede inzetbaarheid van K&J-psychologen precies raakt en welke eventuele
aanpassingen helpend kunnen zijn om de ervaren beperkingen op te lossen. Afgesproken
is dat partijen dit gezamenlijk oppakken en met elkaar bespreken in het bestuurlijk
overleg over het LKS. Ik heb er alle vertrouwen in dat partijen dit in het vervolg
samen oppakken en hierover concrete afspraken zullen maken.
Met betrekking tot doorgroeimogelijkheden kan ik u melden dat K&J-psychologen zich
desgewenst kunnen omscholen tot gezondheidszorgpsycholoog. Daarmee wordt ook doorgroei
mogelijk en toegang verleend tot de specialistische opleidingen, zoals de neuropsycholoog
of klinisch psycholoog.
Wat is daarnaast de status van de toezegging van de regering om in gesprek te gaan
met de veldpartijen waar tot op heden nog niet mee gesproken is dat zou plaatsvinden
vóór de begrotingsbehandeling?
In de afgelopen jaren is veel gesproken over een mogelijke vereenvoudiging van de
beroepen- en opleidingsstructuur binnen de psychologische zorg. Het conceptwetsvoorstel
over het voornemen om de structuur van de psychologische beroepen in de Wet BIG te
vereenvoudigen regelde onder meer dat K&J-psychologen, na nog nader uit te werken
voorwaarden, voortaan als een nieuw beroep «gz-psycholoog-generalist» in het BIG-register
zouden kunnen worden geregistreerd. Na een analyse van de ruim 2.300 overwegend negatieve
reacties op de internetconsultatie bleek dat het voorstel onvoldoende bijdraagt aan
de beoogde doelstellingen, zoals het vereenvoudigen van de beroepenstructuur en het
verbeteren van transparantie. Onder meer bleek uit de reacties dat het voorstel mogelijk
juist tot meer verwarring kan leiden, zowel bij zorgprofessionals als bij cliënten.
Bovendien was er voor het voorstel onvoldoende draagvlak onder BIG-geregistreerde
en niet-BIG-geregistreerde beroepsgroepen. Hiernaast kan omzetting van K&J-psychologen
naar een BIG-beroep leiden tot onnodige hoge zorgkosten, is dit niet proportioneel,
en niet nodig voor het borgen van de kwaliteit van zorg, de patiëntveiligheid en continuïteit
van jeugdzorg. Om voornoemde redenen heeft mijn ambtsvoorganger op 21 november 2024
de Tweede Kamer via de Verzamelbrief Wet BIG 2024 geïnformeerd over het besluit om
het conceptwetsvoorstel om de structuur van de psychologische beroepen in de Wet BIG
te vereenvoudigen niet door te zetten.10
Naar aanleiding van dit besluit is op 19 december 2024 door de leden Van den Hil (VVD)
en Bushoff (GroenLinks-PvdA) een motie ingediend waarin de regering wordt verzocht
in gesprek te gaan met het veld, waaronder K&J-psychologen, over het niet doorgaan
van de beroepenstructuur in de ggz.11
In het tweeminuten debat op 26 november 2025 heeft mijn ambtsvoorganger toegelicht
dat er naar aanleiding van de motie al op verschillende momenten contact is geweest
met veldpartijen, zoals het Nederlands Instituut van Psychologen (NIP) en de vereniging
Landelijk Overleg Geestelijke Gezondheidszorg Opleidingsinstellingen (vLOGO). Daarnaast
heeft mijn ambtsvoorganger tijdens dit tweeminutendebat toegezegd een rondetafelgesprek
met ggz-partijen te organiseren vóór de begrotingsbehandeling van VWS. Deze motie
is inmiddels uitgevoerd: het gesprek met veldpartijen in de geestelijke gezondheidszorg
vond plaats op 4 februari 2026. Voor dit gesprek waren onder andere partijen uitgenodigd
die betrokken zijn bij het Landelijk Kwaliteitsstatuut GGZ (LKS), zoals vertegenwoordigers
van beroepsverenigingen, brancheorganisaties en cliëntenorganisaties.12
Voorafgaand aan dit rondetafelgesprek heeft het Ministerie van VWS gesproken met het
NIP, om zicht te krijgen op de belemmeringen die door het veld worden ervaren om de
K&J-psycholoog breed in de zorg in te zetten, gegeven het niet doorgaan van het conceptwetsvoorstel.
Zoals hiervoor aangegeven vloeien knelpunten rondom de brede inzetbaarheid van K&J-psychologen
voort uit de afspraken die veldpartijen zelf hebben gemaakt in het LKS. Tijdens het
rondetafelgesprek is afgesproken dat partijen met elkaar onderzoeken waar het LKS
de brede inzetbaarheid van K&J-psychologen precies raakt en welke eventuele aanpassingen
helpend kunnen zijn om de ervaren beperkingen op te lossen. Afgesproken is dat partijen
dit gezamenlijk oppakken en met elkaar bespreken in het bestuurlijk overleg over het
LKS.
Zoals aangegeven vloeien beperkingen in de brede inzetbaarheid van K&J-psychologen
voort uit veldafspraken en niet uit wettelijke bepalingen en heeft VWS in het verdere
proces geen rol. Ik heb er alle vertrouwen in dat partijen dit in het vervolg samen
oppakken en hierover concrete afspraken zullen maken.
En is er nog zicht op een oplossing voor de groep van duizend mensen die waren gestart
met de opleiding tot kinder- en jeugdpsycholoog op basis van communicatie met VWS
maar nu niet volwaardig aan de slag kunnen als gz-psycholoog?
Op 21 november 2024 is de Tweede Kamer door mijn ambtsvoorganger via de Verzamelbrief
Wet BIG 2024 geïnformeerd over het besluit om het conceptwetsvoorstel om de structuur
van de psychologische beroepen in de Wet BIG te vereenvoudigen niet door te zetten.13
Dat conceptwetsvoorstel regelde onder meer dat K&J-psychologen, na nog nader uit
te werken voorwaarden, voortaan als een nieuw beroep «gz-psycholoog-generalist» in
het BIG-register zouden kunnen worden geregistreerd.
Verschillende veldpartijen, zoals het NIP en het Collectief Kinder- en Jeugdpsychologen14
, hebben mijn ambtsvoorgangers regelmatig gevraagd om een overgangs- of coulanceregeling
op te stellen voor een groep van ongeveer 1.000 psychologen die zich heeft omgeschoold
naar K&J-psycholoog. Dit hebben ze gedaan in de verwachting dat dit zou leiden tot
een BIG-registratie als gz-psycholoog. Zoals ook in het tweeminutendebat op 26 november
2025 aangegeven, heeft deze groep vooruitlopend op besluitvorming op eigen initiatief
en daarmee op eigen risico geanticipeerd op het conceptwetsvoorstel. Tijdens een wetgevingsproces
kunnen plannen regelmatig wijzigen of worden ingetrokken. Aan beleidsvoornemens bij
een wetsvoorstel kunnen daarom ook geen rechten worden ontleend.
Dit geldt overigens voor alle wetsvoorstellen. Een wetsvoorstel is pas definitief
nadat het door beide Kamers is aanvaard en vervolgens tot wet is verheven. Tot dat
moment zijn conceptwetsvoorstellen uitsluitend beleidsvoornemens waarop geen aanspraken
kunnen worden gebaseerd. Bovendien volgt uit het rechtszekerheidsbeginsel, in samenhang
met het legaliteitsbeginsel, dat rechten slechts kunnen worden ingeroepen indien zij
voortvloeien uit geldende en definitief vastgestelde wetgeving. Beleidsvoornemens
en conceptwetsvoorstellen zijn niet definitief en kunnen daarom geen rechten verschaffen.
Net als bij andere conceptwetsvoorstellen en beleidsvoornemens die uiteindelijk niet
worden doorgezet, leidt het niet doorzetten van dit conceptwetsvoorstel en de communicatie
hierover niet tot een overgangs- of coulanceregeling voor kinder- en jeugdpsychologen
die zich hebben omgeschoold.
Op 4 februari 2026 is het voornoemde door mijn ambtsvoorganger in het rondetafelgesprek
met veldpartijen uit de ggz15
nogmaals toelicht. Veldpartijen hebben bevestigd dat zij dit standpunt begrijpen.
Bovendien is tijdens het rondetafelgesprek afgesproken dat partijen met elkaar onderzoeken
hoe K&J-psychologen breed ingezet kunnen worden, onder andere door mogelijkheden te
zoeken binnen de veldafspraken in het LKS. Afgesproken is dat partijen dit gezamenlijk
oppakken en met elkaar bespreken in het bestuurlijk overleg over het LKS. Zoals aangegeven
vloeien beperkingen in de brede inzetbaarheid van K&J-psychologen voort uit veldafspraken
en niet uit wettelijke bepalingen en heeft VWS in het verdere proces geen rol. Ik
heb er alle vertrouwen in dat partijen dit in het vervolg samen oppakken en hierover
concrete afspraken zullen maken.
De leden van de BBB-fractie maken zich zorgen over de gevolgen voor regionale ziekenhuizen. In deze instellingen
bestaat de vakgroep Klinische Fysica vaak uit een klein aantal professionals die het
gehele vakgebied moeten bedienen. Door de voorgestelde beperking mogen klinisch fysici
geen werkzaamheden buiten hun differentiatie uitvoeren, waardoor ziekenhuizen extra
professionals moeten aantrekken in een toch al krappe arbeidsmarkt. Dit raakt vooral
regionale ziekenhuizen, waar flexibiliteit en brede inzetbaarheid essentieel zijn
voor de continuïteit en kwaliteit van zorg. Hoe wordt geborgd dat regionale ziekenhuizen,
waar de vakgroep Klinische Fysica uit een beperkt aantal professionals bestaat, niet
onevenredig worden geraakt door de beperking van inzetbaarheid van klinisch fysici?
Welke maatregelen neemt de regering om te voorkomen dat de continuïteit en kwaliteit
van zorg in deze regio’s onder druk komen te staan?
Het wetsvoorstel beperkt de inzetbaarheid van klinisch fysici in ziekenhuizen niet
en heeft daarom geen gevolgen voor regionale ziekenhuizen. Het wetsvoorstel brengt
geen wijziging aan in de huidige praktijk, kent een zelfstandige bevoegdheid toe en
introduceert geen nieuwe beperkingen voor de inzet van klinisch fysici. Ook nu al
voert de klinisch fysicus, met uitzondering van de klinisch fysicus audioloog, in
opdracht van een zelfstandig bevoegde arts16 voorbehouden handelingen met ioniserende straling zoals dosisoptimalisatie uit.17 De klinisch fysicus, met uitzondering van de klinisch fysicus audioloog, krijgt met
dit wetsvoorstel een zelfstandige bevoegdheid toegekend voor het uitvoeren van deze
voorbehouden handeling. Daarmee wordt voor deze groep klinisch fysici de inzetbaarheid
juist verruimd. Het wetsvoorstel kent, gelet op de aard van de risicovolle voorbehouden
handeling, een specifieke bevoegdheid toe ter borging van de patiëntveiligheid en
de kwaliteit van de individuele beroepsbeoefenaar. De flexibiliteit en brede inzetbaarheid
die essentieel zijn voor de continuïteit en kwaliteit van zorg blijven daarmee behouden.
Uitgangspunt van de beroepenregulering in de Wet BIG is het «nee, tenzij»-principe:
beroepen en opleidingen worden alleen gereguleerd als dit vanuit patiëntveiligheid
strikt noodzakelijk is. Dat kan zijn omdat zij bepaalde risicovolle handelingen verrichten
(voorbehouden handelingen), of omdat het gewenst is dat ze onder het tuchtrecht vallen.
De meeste beroepen in de gezondheidszorg hebben geen beschermde titel en registratie
in het BIG-register is dan niet nodig.
De uitoefening van de individuele gezondheidszorg is dus in principe binnen randvoorwaarden
vrij voor iedereen. Het is belangrijk om alleen die beroepen wettelijke te reguleren
als het gaat om zorgmedewerkers die risicovolle handelingen verrichten, of waarbij
het anderszins vanuit het perspectief van patiëntveiligheid en kwaliteitsborging van
de individuele beroepsuitoefening nodig is om het beroep wettelijk te reguleren. Het
uitgangspunt is dat de voorgestelde regelgeving geschikt is om het beoogde effect
te bereiken voor de patiëntveiligheid en kwaliteit van de individuele beroepsuitoefening
en niet verder gaat dan daarvoor nodig is.18
Dit wetsvoorstel regelt dat het hele beroep klinisch fysicus een beschermde beroepstitel
krijgt en dat voor de hele beroepsgroep een register wordt ingesteld. Voor beroepsbeoefenaren
die als zodanig in het BIG-register zijn geregistreerd wordt daarmee het tuchtrecht
van toepassing. Daartoe wordt voorgesteld om de artikelen 3 en 47 van de Wet BIG aan
te passen. Daarin wordt dan de beroepsgroep klinisch fysicus als geheel opgenomen
en zijn er geen uitzonderingen.
Daarnaast regelt het wetsvoorstel omwille van de patiëntveiligheid en de kwaliteitsborging
van de individuele beroepsuitoefening dat aan de klinisch fysicus, met uitzondering
van de klinisch fysicus audioloog, de zelfstandige bevoegdheid wordt toegekend tot
het verrichten van handelingen met gebruik maken van radioactieve stoffen of toestellen
die ioniserende stralen uitzenden. Deze handelingen vallen onder de zogenaamde «voorbehouden
handelingen». Voorbehouden handelingen zijn handelingen die zo risicovol zijn voor
patiënten, dat ze alleen veilig zelfstandig verricht kunnen worden door beroepsbeoefenaren
met een bepaalde opleiding. De noodzaak tot opname in artikel 3 Wet BIG is aanwezig
wanneer een beroepsgroep voorbehouden handelingen zelfstandig moet kunnen verrichten.
Met het zelfstandig moeten kunnen verrichten wordt bedoeld dat de beroepsbeoefenaar
voorbehouden handelingen op eigen indicatie moet kunnen uitvoeren. De beroepsbeoefenaar
moet beschikken over de deskundigheid om een voorbehouden handeling zelfstandig te
indiceren, uit te voeren en eventueel te delegeren.19
Tot slot constateren de leden van de BBB-fractie dat innovatie in de klinische fysica
steeds vaker specialisme-overstijgend is en dat nieuwe technologieën elkaar in rap
tempo opvolgen. Klinisch fysici spelen een cruciale rol bij de ontwikkeling, validatie
en veilige implementatie van deze technologieën. Het wetsvoorstel legt echter werkterreinen
vast, waardoor nieuwe technologieën die buiten deze terreinen vallen, niet direct
kunnen worden toegepast. Aanpassingen zijn alleen mogelijk via een algemene maatregel
van bestuur (AMvB) procedure die 1–2 jaar duurt. Dit leidt tot vertragingen in de
implementatie van innovaties en belemmert de toekomstbestendigheid van de zorg. Hoe
verhoudt het wetsvoorstel zich tot het streven om flexibiliteit op de arbeidsmarkt
te faciliteren? Op welke wijze wordt voorkomen dat de vastlegging van werkterreinen
en het langdurige AMvB-proces innovatie en de inzet van nieuwe technologieën in de
klinische fysica vertraagt, met name in regionale ziekenhuizen waar flexibiliteit
essentieel is?
Sinds de inwerkingtreding van de Wet BIG in 1997 zijn de zorg en samenleving sterk
veranderd, wat een grote impact heeft op de beroepsbeoefenaren in de zorg. Zo zijn
er maatschappelijke ontwikkelingen, wordt er meer in teamverband gewerkt en wordt
er meer ingezet op preventieve zorg. Hiernaast komen technologische innovaties met
hoge snelheid op de zorg af, denk aan robots die operaties kunnen uitvoeren of de
mogelijkheden van Artificial Intelligence om het werk van zorgmedewerkers te verlichten.
Deze ontwikkelingen en de krapte op de arbeidsmarkt vragen om een Wet BIG die kwaliteitsdoelstellingen
en patiëntveiligheid alleen reguleert als dat echt noodzakelijk is.
Op basis van twee adviezen van het Zorginstituut Nederland, is het voorstel het gehele
beroep van klinisch fysicus in artikel 3 van de Wet BIG op te nemen. Uw Kamer heeft
deze rapporten van het Zorginstituut Nederland op 25 augustus 202320 en op 12 november 202421 met nadere toelichting van mijn ambtsvoorgangers ontvangen. Vanuit het oogpunt van
de patiëntveiligheid wordt aan de klinisch fysicus audioloog de voorbehouden handeling
waarbij gebruik wordt gemaakt van radioactieve stoffen of toestellen die ioniserende
stralen uitzenden niet toegekend. Reden hiervoor is opgenomen in het eerste advies
van het Zorginstituut Nederland: «... in de differentiatie audiologie/videologie worden
geen voorbehouden handelingen uitgevoerd».22 In het advies is daarnaast opgenomen: «Het Zorginstituut merkt daarbij op dat de klinisch
fysicus met de differentiatie audiologie/videologie niet over de nodige deskundigheid
beschikt om de voorbehouden handelingen met ioniserende straling zelfstandig te indiceren,
uit te voeren en te delegeren».23 In het tweede adviesrapport is dit bevestigd en komt het Zorginstituut tot de conclusie
dat de klinisch fysicus audioloog voldoet aan het tuchtrechtcriterium voor opname
in artikel 3 van de Wet BIG.24 Door op deze wijze echt alleen te reguleren wat noodzakelijk is, vinden er geen onnodige
restricties vanuit de Wet BIG plaats die het aantal potentiële zorgmedewerkers, de
flexibiliteit en de mobiliteit kunnen beperken. Om de arbeidsmarkt flexibel te houden
is het immers wenselijk om zo min mogelijk te reguleren waarbij de patiëntveiligheid
en kwaliteit altijd centraal staat. Regulering vindt overigens alleen plaats voor
voorbehouden handelingen, niet voor de toepassingen van nieuwe technologieën die niet
behoren tot de risicovolle voorbehouden handelingen.
Indien de beroepsgroep nieuwe opleidingen of werkterreinen ontwikkelt, kan dit aanleiding
zijn om te bezien of opname in de Wet BIG of het toekennen van een voorbehouden handeling
noodzakelijk is. Deze signalen zullen door het Zorginstituut steeds zorgvuldig worden
gewogen op hun betekenis voor kwaliteit en patiëntveiligheid. Het Zorginstituut heeft
daartoe de bevoegdheid op grond van het bepaalde in artikel 66f van de Zorgverzekeringswet.
Aanpassing van regelgeving is in dit verband niet nodig. Daarbij is het goed om op
te merken dat niet alle beroepen en handelingen in de zorg wettelijk te hoeven worden
gereguleerd. Bij veel innovaties en de inzet van nieuwe technologieën gaat het juist
niet om voorbehouden handelingen en worden deze dan ook niet gereguleerd in de Wet
BIG. Voor wat betreft voorbehouden handelingen biedt de Wet BIG nu al veel flexibiliteit
en ruimte om voorbehouden handelingen in opdracht te laten verrichten door niet BIG-geregistreerde
zorgmedewerkers. Dit zorgt voor meer flexibiliteit op de arbeidsmarkt en draagt bij
aan het beter benutten van ieders talent.25
1.2 Aanleiding opname beroepen MHAZ en klinisch fysicus in de Wet BIG
De leden van de PVV-fractie lezen dat er wordt gesteld dat zorgprofessionals flexibel inzetbaar zijn. Dit is
natuurlijk maar gedeeltelijk waar. Ten eerste betreft dit alleen binnen de acute zorg
en bovendien, is handelingservaring in relatie tot de wet context afhankelijk. De
SEH is niet de IC en de IC is niet de ambulance zorg. Bovendien worden verpleegkundigen,
zeker op NLQF opgeleid om te indiceren en diagnoses te stellen op basis van verpleegkundige
classificaties, welke ontbreken in de opleiding tot MHAZ. Is de regering het eens
dat dit deel van de wet te rooskleurig is, en ook deze beroepsopleiding een niche-opleiding
kan worden, als deze dit al niet is, zo vragen de leden van de PVV-fractie. In tegenstelling
tot de eerdere ingeslagen weg op breed op te leiden in de zorg, volgens het rapport
Kaljouw dat onderbouwde waarom breed opleiden meer toekomstgericht is om arbeidsmarktproblemen
aan te kunnen pakken?
De regering onderschrijft dat de inzetbaarheid van de MHAZ zich beperkt tot het domein
van de acute zorg, zoals ook expliciet in het wetsvoorstel is vastgelegd. De daarin
bedoelde flexibiliteit ziet op inzetbaarheid binnen verschillende acute zorgsettings
en niet binnen de gehele zorg. Binnen dit domein is de MHAZ juist breed opgeleid en
inzetbaar, wat bijdraagt aan een flexibele inzet van deskundigheid en daarmee aan
een toekomstbestendige acute zorg, in lijn met de uitgangspunten van het rapport van
de commissie Kaljouw. De regering deelt daarom niet de opvatting dat sprake is van
een ongewenste niche-opleiding, maar ziet de MHAZ als waardevolle aanvulling op de
arbeidsmarkt voor de acute zorg.
Dat bekwaamheid en handelingservaring contextafhankelijk zijn, geldt voor alle zorgprofessionals
en maakt onderdeel uit van de gebruikelijke praktijk van inwerken en scholing. De
opleiding tot MHAZ is geen verpleegkundige opleiding en kent daarmee een ander professioneel
referentiekader dan verpleegkundige opleidingen die werken met verpleegkundige classificaties.
De opleiding is ingericht op de specifieke rol en verantwoordelijkheden van de MHAZ
binnen de acute zorgpraktijk.
2. Beroep MHAZ
2.1 Achtergrond en positie MHAZ
De leden van de D66-fractie constateren dat de medisch hulpverlener acute zorg (MHAZ) zich in de afgelopen jaren
heeft ontwikkeld tot een relevante beroepsgroep binnen de acute zorg, zoals ook blijkt
uit het evaluatieonderzoek. De voorgestelde wettelijke verankering sluit daarbij aan
en kan bijdragen aan de kwaliteit van de beroepsuitoefening en de veiligheid van de
patiëntenzorg. Deze leden hebben hierover op dit moment geen nadere vragen.
Ook hier wordt het breed en flexibel opgeleid zijn opgevoerd als belangrijk aspect
om de wijziging te onderbouwen zo constateren de leden van de PVV-fractie. De CanMeds worden nu bijna overal gebruikt bij (medische) opleidingen. Echter, dit
is niet synoniem aan flexibiliteit en breed opleiden. En is daarmee ook niet onderscheidend
wat opleidingsprofiel betreft. Op basis van welke uitkomsten van de evaluatie MHAZ
wordt dit deel opgenomen in de onderbouwing van deze wetswijziging. Graag enkele voorbeelden
indien aan de orde.
De regering onderschrijft dat het hanteren van de CanMEDS-systematiek op zichzelf
niet synoniem is aan breed of flexibel opleiden. CanMEDS biedt een systematiek van
competentiegebieden, maar zegt op zich niets over de inzetbaarheid van een afgestudeerde
in verschillende zorgsettings.
Het onderscheidende van de MHAZ zit in de inrichting van de opleiding zelf. Deze is
zo opgezet dat afgestudeerden worden opgeleid voor breed inzetbare acute-zorgcompetenties,
zonder differentiatie naar specifieke deelgebieden, waardoor zij na afronding van
de opleiding zelfstandig kunnen functioneren in verschillende acute zorgsettings.
Zoals in de beantwoording onder paragraaf 1.1 aangegeven is regulering van beroepen
in de Wet BIG primair en uitsluitend gericht op het borgen van de patiëntveiligheid
en de kwaliteit van de individuele beroepsuitoefening. Dat geldt ook voor de MHAZ,
aangezien de MHAZ werkzaam is in de spoedeisende en acute zorg en daarbij risicovolle
voorbehouden handelingen verricht in levensbedreigende situaties, waarbij snel handelen
noodzakelijk is. In die situaties is niet steeds een zelfstandig bevoegde beroepsbeoefenaar
beschikbaar om toezicht te houden en tussenkomst te bieden. Juist in deze context
is het van belang dat de bevoegdheden, de functionele zelfstandigheid van de MHAZ,
wettelijk zijn vastgelegd, zodat opdrachtgevers mogen uitgaan van het ontbreken van
toezicht en tussenkomst.
Het experiment met de BMH (voorloper van de MHAZ) en de daaropvolgende evaluatie laat
zien dat deze beroepsgroep in de praktijk een toegevoegde waarde heeft en kan bijdragen
aan meer «handen aan het bed», met name in de spoedeisende en acute zorg. Dit effect
is echter een positieve uitkomst van het experiment en niet het doel van de wetswijziging.
De evaluatie laat bovendien zien dat de MHAZ, door de brede opleiding en functionele
zelfstandigheid, in meerdere acute zorgsettings inzetbaar is. Dit maakt een flexibele
inzet van deskundigheid mogelijk, waardoor de acute zorgverlening beter kan inspelen
op pieken in de zorgvraag en personele druk.
Opname in de Wet BIG vindt uitsluitend plaats op basis van de noodzaak voor patiëntveiligheid
en het borgen van de individuele beroepsuitoefening, conform het «nee tenzij»-principe.
De wijziging is dus niet bedoeld om meer handen aan het bed te krijgen en een mogelijke
verschuiving op de arbeidsmarkt wordt door deze wijziging niet verwacht.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie onderschrijven het belang van het beroep MHAZ en de directe aanleiding om het beroep
een beschermde titel te geven. De sterk toenemende vraag naar medisch ondersteunend
personeel in de zorg, zeker met brede inzetbaarheid, laat zien dat het beroep van
MHAZ een goede toevoeging is aan het werkveld en dusdanige bescherming verdient zodat
enerzijds de kwaliteit van de beroepsuitoefening kan worden bewaakt en bevorderd en
anderzijds de patiënt kan worden beschermd tegen ondeskundig en onzorgvuldig handelen
door beroepsbeoefenaren. De betreffende leden vinden het dan ook een goede zaak dat
het beroep MHAZ wordt opgenomen in de wet BIG. Zij hebben hier geen verdere vragen
over voor de regering en zien dat ook het zorgveld deze wijziging onderschrijft.
2.2 Experiment met het beroep BMH
De leden van de PVV-fractie constateren dat in de memorie van toelichting wordt aangegeven dat de BMH in relatie
tot de voorbehouden handelingen ook de rol van IC-SEH verpleegkundige kan vervullen.
Hiermee wordt die specialistisch verpleegkundige gereduceerd tot taakverpleegkundige.
Dit lijkt deze leden een omissie in de onderbouwing en zien ook graag een andere woordkeuze
dan wel onderbouwing binnen de wet die meer recht doet aan de functie van de specialistisch
verpleegkundige.
De regering herkent zich niet in de constatering dat in de memorie van toelichting
wordt gesteld dat de MHAZ de rol van de IC- of SEH-verpleegkundige zou kunnen vervullen,
noch dat daarmee de specialistisch verpleegkundige zou worden gereduceerd tot een
taakverpleegkundige. Dit is geenszins de bedoeling.
In de memorie van toelichting wordt uiteengezet dat de opleiding tot MHAZ is doorontwikkeld
tot een algemene opleiding die voorbereidt op inzet binnen de breedte van de acute
zorg en dat MHAZ’ers daarmee flexibel inzetbaar zijn binnen acute zorgsettings. Deze
inzetbaarheid ziet op het deskundigheidsgebied en de bevoegdheden van de MHAZ en impliceert
niet dat zij de professionele rol, verantwoordelijkheden of het opleidingsniveau van
specialistisch verpleegkundigen overnemen of vervangen. Regulering van de MHAZ is
noodzakelijk vanuit patiëntveiligheid en het borgen van de individuele beroepsuitoefening,
aangezien de MHAZ met name in de spoedeisende en acute zorgsetting acteert waarin
voorbehouden handelingen nodig kunnen zijn.
Voorts wordt in de memorie van toelichting expliciet aangesloten bij de bestaande
systematiek van functionele zelfstandigheid voor verschillende beroepsgroepen in de
acute zorg, waaronder specialistisch verpleegkundigen. In de acute zorg, waar in levensbedreigende
situaties snel gehandeld moet worden, is niet steeds een zelfstandig bevoegde beroepsbeoefenaar
beschikbaar om toezicht te houden en tussenkomst te bieden. Door voor de MHAZ eveneens
te kiezen voor functionele zelfstandigheid en niet voor een volledig zelfstandige
bevoegdheid, wordt aangesloten bij deze bestaande systematiek en wordt de samenhang
van het beroep MHAZ met vergelijkbare beroepsgroepen binnen de acute zorg geborgd.
De regering ziet dan ook geen aanleiding om de gebruikte terminologie aan te passen,
aangezien het wetsvoorstel geen afbreuk doet aan de functie of betekenis van specialistisch
verpleegkundigen, maar voorziet in een aanvullende beroepsgroep met een eigen, afgebakend
deskundigheidsgebied binnen de acute zorg.
De leden van de CDA-fractie krijgen graag meer inzicht in de huidige omvang van de beroepsgroep. Zij vragen of
de regering kan toelichten hoe de beroepsgroep zich afgelopen periode heeft ontwikkeld.
Ook vragen deze leden hoe groot de beroepsgroep nu is en hoeveel studenten de opleiding
volgen. Ook vragen zij naar de verwachte groei van de beroepsgroep in de komende tijd.
Tot slot vragen genoemde leden in hoeverre opname van MHAZ in de Wet BIG hieraan een
positieve bijdragen zal leveren.
Op basis van de beschikbare opleidingsgegevens bestaat de beroepsgroep momenteel uit
ongeveer 825 opgeleide MHAZ-professionals. Jaarlijks stromen daar inmiddels 90 tot
100 nieuwe afgestudeerden in het werkveld in.
Wat betreft de ontwikkeling van beroepsgroep de afgelopen jaren. Deze is gegroeid.
Tot en met 202526 zijn in totaal 825 diploma’s MHAZ uitgereikt door de drie betrokken hogescholen,
namelijk de hogescholen Utrecht, Rotterdam en Arnhem/Nijmegen. Het jaarlijks aantal
afgestudeerden is toegenomen van 71 in 2021 naar 94 in 2025. Deze ontwikkeling is
het directe gevolg van de verhoging van de numerus fixus, die het maximumaantal studenten
bepaalt dat jaarlijks met de opleiding kan starten.
De toekomstige groei van de beroepsgroep wordt primair bepaald door de numerus fixus,
die wordt vastgesteld op basis van de beschikbaarheid van voldoende stageplaatsen
in het werkveld. De numerus fixus is de afgelopen jaren bijna verdubbeld, van 69 studenten
in 2022 naar 127 studenten in 2025 (gezamenlijk voor de drie hogescholen). Voor het
studiejaar 2026–2027 is de numerus fixus vastgesteld op 48 studenten voor zowel Hogeschool
Utrecht als Hogeschool Rotterdam en 52 studenten voor Hogeschool Arnhem en Nijmegen.
Bij ongewijzigd beleid zal de beroepsgroep de komende jaren geleidelijk blijven groeien.
Het totaal aantal studenten dat de opleiding volgt (stand 2025, hogescholen Utrecht,
Rotterdam en Arnhem/Nijmegen) betreft 455 studenten.
De toekomstige ontwikkeling van de beroepsgroep MHAZ hangt samen met de zorgvraag,
de arbeidsmarkt (vraag en aanbod van MHAZ-professionals) en de opleidingscapaciteit. Dit staat los van opname in de Wet BIG.
Het kan zijn dat sommige partijen opname in de Wet BIG ervaren als extra duidelijkheid
over rollen en verantwoordelijkheden, maar wettelijke regulering is geen voorwaarde
voor het functioneren van de beroepsgroep, noch voor de beschikbaarheid van stageplaatsen
of een verantwoorde uitbreiding van de opleidingsinstroom. Om de arbeidsmarkt flexibel
te houden, is het wenselijk om alleen te reguleren waar dat strikt nodig is voor kwaliteitsdoelstellingen
en patiëntveiligheid.
2.3 Beleidsreactie op evaluatie experiment en voorwaarden voor wettelijke regulering
BMH
Voor wat betreft 2.3.1, dit onderdeel is een complex geheel dat naar het oordeel van
de leden van de PVV-fractie in deze wet te vaag en onduidelijk geadresseerd wordt. Zoals eerder gesteld is dat
wat geleerd is enorm context-gebonden en zijn aangeleerde taken niet zondermeer met
dezelfde erkenning van bevoegdheid binnen de wet toe te passen. Daarom de vraag van
de leden van de PVV-fractie welke rol de EPA’s en de erkenning daarvan een onderdeel
zijn van het toekennen van de bevoegdheid als een professional van zorggebied wisselt
en hoe verhouden in die zin de EPA’s zich tot het vereiste niveau NLQF6?
De regering onderschrijft dat bekwaamheid contextafhankelijk is en dat zorgprofessionals
bij indiensttreding in een nieuwe werkomgeving moeten worden ingewerkt en geschoold.
Dit geldt echter voor alle beroepsgroepen en raakt niet aan de wijze waarop bevoegdheden
wettelijk worden toegekend.
Daarbij is van belang dat de opleiding tot MHAZ sinds de doorontwikkeling van de BMH
(voorloper van de MHAZ) is ingericht als één algemene opleiding die opleidt voor de
gehele breedte van de acute zorg. Anders dan voorheen kent de opleiding geen differentiaties
meer, waardoor MHAZ’ers worden opgeleid met het oog op inzetbaarheid in verschillende
acute zorgsettings. Daarmee zijn zij na afronding van de opleiding in staat om binnen
de volle breedte van de acute zorg aan de slag te gaan, met inachtneming van de gebruikelijke
inwerk- en scholingsafspraken per werkcontext.
Entrustable Professional Activities (EPA’s) zijn concrete, toetsbare professionele
activiteiten die tijdens de opleiding worden aangeleerd en beoordeeld. EPA’s worden
gebruikt als opleidingsinstrument om te bepalen of een student praktisch bekwaam is
om een taak zelfstandig uit te voeren. EPA’s vormen geen onderdeel van het wettelijk
kader van de Wet BIG.
Het vereiste opleidingsniveau NLQF 6 (hbo-bachelorniveau) garandeert dat afgestudeerden
beschikken over de theoretische kennis, praktische vaardigheden en zelfstandigheid
die nodig zijn om het beroep op verantwoord niveau te kunnen uitoefenen. Op basis
van het diploma krijgen zij de bevoegdheid om het beroep uit te oefenen en kunnen
zij zich registreren in het BIG-register.
Een belangrijk onderdeel van de wet-BIG is bekwaam-bevoegd principe. Echter hier wordt
in de wet niet over gesproken. Op welke wijze en door wie wordt geborgd dat bij wisseling
van context (bijvoorbeeld van IC naar SEH) de functionele bevoegdheid nog geldend
is, terwijl dan toch iemand onder het tuchtrecht valt?
Het bekwaam-bevoegd-principe is een kernuitgangspunt van de Wet BIG (artikel 35a van
de Wet BIG). Voor de MHAZ geldt dat de functionele zelfstandigheid op grond van artikel
39 van de Wet BIG generiek geldt binnen de acute zorg. Een wisseling van zorgcontext,
zoals van IC naar SEH, heeft daardoor geen gevolgen voor de bevoegdheid van de MHAZ.
De MHAZ wordt opgeleid voor de gehele breedte van de acute zorg en beschikt hierdoor
over brede, medisch ondersteunende basiskennis. Hierdoor kan een MHAZ zich bij functiewisseling
sneller inwerken dan bij beroepen waarvan de ervaring vaak meer context specifiek
is, zoals bij veel verpleegkundige beroepen. Een inwerkperiode in de nieuwe werkomgeving
blijft echter altijd nodig om de bekwaamheid in de concrete beroepsuitoefening te
borgen. Deze borging vindt plaatst via reguliere inwerk- en scholingsafspraken tussen
beroepsbeoefenaar en werkgever.
Met de opname van de MHAZ in artikel 3 van de Wet BIG is op deze beroepsgroep het
BIG-register en het publiekrechtelijk tuchtrecht van toepassing.
Is er een landelijke richtlijn om de opleidingseis en ervaringseis te ondervangen?
En hoe verhoudt zich dit tot het «verpleegkundig» deel van het beroep van IC-of SEH-verpleegkundige,
zo vragen de leden van de PVV-fractie.
Voor de opleiding tot MHAZ zijn in juni 2016 landelijke eindkwalificaties ontwikkeld
die zijn vastgelegd door het Landelijk Opleidingsprofiel Medische Hulpverlening, januari
2025.27 Deze landelijke eindkwalificaties zijn gebaseerd op het beroepsprofiel MHAZ28, dat ontwikkeld is door de instellingen, c.q. opleidingen die de opleiding daadwerkelijk
aanbieden en in nauw overleg met het betrokken werkveld tot stand gekomen.
De opleidingseisen worden bovendien vastgelegd in het Besluit opleidingseisen MHAZ,
waarin deze landelijke eindkwalificaties juridisch worden verankerd en landelijk uniform
worden geborgd.
Wat betreft het verpleegkundig deel van het beroep. De MHAZ-opleiding is generiek
en richt zich op brede acute-zorgcompetenties. IC- en SEH-verpleegkundigen volgen
naast hun basisopleiding specifieke vervolgopleidingen die ingaan op het verpleegkundig
deel van hun beroep. De MHAZ-opleiding vervangt deze vervolgopleidingen niet, maar
vult deze aan door de MHAZ in staat te stellen breed en flexibel inzetbaar te zijn
binnen de acute zorg.
2.4 Wettelijke regulering; artikel 3 Wet BIG en functionele zelfstandigheid
De leden van de CDA-fractie vragen of de regering nader kan toelichten waarom niet is gekozen om de MHAZ zelfstandige
bevoegdheid toe te kennen, specifiek in het licht van het advies van de evaluatiecommissie
om dit wel te doen. Zij vragen waarom deze commissie wel tot dit advies is gekomen
en waarom de regering hiervan afwijkt.
De regering heeft in de memorie van toelichting en in de beleidsreactie op de evaluatie
van het experiment met de MHAZ29 toegelicht waarom is gekozen voor het toekennen van functionele zelfstandigheid aan
de MHAZ en niet voor een zelfstandige bevoegdheid.
De evaluatiecommissie heeft vanuit de specifieke onderzoeksvraag van het experiment
bezien of het doelmatig en wenselijk is de beroepsgroep een zelfstandige bevoegdheid
toe te kennen en is op die basis tot het advies gekomen om dit te overwegen. De regering
heeft dit advies nadrukkelijk betrokken bij de beleidsafweging.
De regering is echter tot het oordeel gekomen dat het toekennen van een zelfstandige
bevoegdheid niet noodzakelijk is om de MHAZ haar werkzaamheden in de praktijk te laten
uitvoeren. Met functionele zelfstandigheid op grond van artikel 39 van de Wet BIG
kan de MHAZ, in opdracht van een beroepsbeoefenaar met een zelfstandige bevoegdheid,
bepaalde voorbehouden handelingen verrichten zonder dat daarbij toezicht of tussenkomst
van de opdrachtgever vereist is.
Het toekennen van een zelfstandige bevoegdheid aan de MHAZ, waaronder ook het zelf
kunnen stellen van indicaties en het geven van opdrachten aan anderen valt, wordt
door de regering niet noodzakelijk geacht. De verantwoordelijkheid voor het stellen
van een indicatie voor voorbehouden handelingen blijft daarom berusten bij de beroepsbeoefenaren
met een zelfstandige bevoegdheid als bedoeld in artikel 36 van de Wet BIG.
Voorts wordt in de memorie van toelichting expliciet aangesloten bij de bestaande
systematiek van functionele zelfstandigheid voor verschillende beroepsgroepen in de
acute zorg, waaronder de ambulanceverpleegkundige. Door voor de MHAZ eveneens te kiezen
voor functionele zelfstandigheid en niet voor een volledig zelfstandige bevoegdheid,
wordt aangesloten bij deze bestaande systematiek en wordt de samenhang van het beroep
MHAZ met vergelijkbare beroepsgroepen binnen de acute zorg geborgd.
3. Beroep klinisch fysicus
3.1 Achtergrond en positie klinisch fysicus
De leden van de VVD-fractie lezen dat er vier differentiaties van het beroep klinisch fysicus bestaan in de praktijk,
zoals volgt uit de opleiding. Kan de regering toelichten waarom niet gekozen is om
een beroepstitel mogelijk te maken, waarbinnen de klinisch fysicus zijn of haar beroep
kan uitoefenen? Zijn er situaties denkbaar waarin deze vormgeving rigide blijkt, bijvoorbeeld
als een klinisch fysicus audiologie op een bepaald moment handelingen moet verrichten
op een ander terrein van de klinische fysica?
Het wetsvoorstel regelt dat het hele beroep klinisch fysicus een beschermde beroepstitel
krijgt en dat voor alle klinisch fysici een register wordt ingesteld. Voor beroepsbeoefenaren
die als zodanig in het BIG-register zijn geregistreerd wordt daarmee op hen het tuchtrecht
van toepassing. Daartoe wordt voorgesteld om de artikelen 3 en 47 van de Wet BIG aan
te passen. Daarin wordt dan de beroepsgroep klinisch fysicus als geheel opgenomen.
Ook wordt de mogelijkheid in de Wet BIG opgenomen om bij algemene maatregel van bestuur
regels te stellen over de opleidingseisen en deskundigheidsgebieden van de klinisch
fysicus.
Het deskundigheidsgebied van de klinisch fysicus bestaat uit vier verschillende werkterreinen. In het wetsvoorstel worden de werkterreinen in de wet genoemd.
Deze werkterreinen komen overeen met de vier differentiaties van de bestaande postdoctorale
opleiding tot klinisch fysicus. In de opleiding tot klinisch fysicus wordt gekozen
voor één van de vier werkterreinen. In de praktijk wordt gewerkt binnen één werkterrein
met de daarbij behorende deskundigheid en bevoegdheden. Wanneer een klinisch fysicus
op een ander werkterrein wil werken, is het mogelijk zich in meer dan één werkterrein
te specialiseren. Ook nu geldt dat het volgen van een andere specialisatie nodig is
om te kunnen werken in een functie op een ander werkterrein binnen het beroep klinisch
fysicus. Het wetsvoorstel brengt geen wijziging aan in de huidige praktijk. Kiest
iemand voor het werkterrein audiologie, dan behoort het uitvoeren van de voorbehouden
handeling niet tot de algemene kennis en vaardigheden. Dit blijkt ook uit het huidige
Besluit opleidingseisen en deskundigheidsgebied klinisch fysicus waarbij voor elk
werkterrein een aanvullend pakket met specifieke deskundigheden is opgenomen.30
3.2 Opname klinisch fysicus in artikel 3 van de Wet BIG
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de voorgestelde wijziging van de Wet
op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG). In het kader van een toekomstbestendige
zorgsector vragen zij om een nadere toelichting op de keuze van de regering om de
beroepsgroep van klinisch fysici niet in haar volledige breedte op te nemen in artikel
3 van de wet. Zij wijzen hierbij op de signalen van de Nederlandse Vereniging voor
Klinische Fysica (NVKF) en de Federatie Medisch Specialisten (FMS), die benadrukken
dat audiologen beschikken over de vereiste opleiding en expertise voor werkzaamheden
met ioniserende straling. Gezien de huidige praktijk, waarin deze professionals dergelijke
taken kunnen uitvoeren binnen de bestaande kaders van bekwaamheid, zoals bij het gebruik
van beeldvormende technieken voor binnenooronderzoek, vragen deze leden of een bredere
erkenning de professionele inzetbaarheid kan versterken.
Het wetsvoorstel regelt dat het hele beroep klinisch fysicus een beschermde beroepstitel
krijgt en dat voor alle klinisch fysici een register wordt ingesteld. Voor beroepsbeoefenaren
die als zodanig in het BIG-register zijn geregistreerd wordt daarmee op hen het tuchtrecht
van toepassing. Daartoe wordt voorgesteld om de artikelen 3 en 47 van de Wet BIG aan
te passen. Daarin wordt de beroepsgroep klinisch fysicus als geheel opgenomen.
De keuze om aan de klinisch fysicus audioloog geen voorbehouden handeling toe te kennen
is gebaseerd op de adviesrapporten van het Zorginstituut Nederland. In de Zorgverzekeringswet
is opgenomen dat het Zorginstituut aan de Minister rapporteert over de uitvoerbaarheid,
doeltreffendheid en doelmatigheid van voorgenomen beleid in verband met vernieuwingen
en verbeteringen in de structuur van beroepen en opleidingen in de gezondheidszorg.31 Het Zorginstituut heeft het verzoek van de NVKF getoetst aan de vigerende criteria
voor opname in de Wet BIG en heeft mij hierover in twee rapporten geadviseerd. Uw
Kamer heeft deze rapporten op 25 augustus 202332 en op 12 november 202433 met nadere toelichting van mijn ambtsvoorgangers ontvangen.
Naar aanleiding van deze adviezen wordt voor de werkterreinen van de klinisch fysicus,
behalve het werkterrein audiologie, in de wet vastgelegd dat de klinisch fysicus de
voorbehouden handeling met ioniserende straling zelfstandig mag uitvoeren. Vanuit
het oogpunt van de patiëntveiligheid en de kwaliteitsborging van de individuele beroepsuitoefening
wordt aan de klinisch fysicus audioloog de voorbehouden handeling waarbij gebruik
wordt gemaakt van radioactieve stoffen of toestellen die ioniserende stralen uitzenden
niet toegekend. Reden hiervoor is opgenomen in het eerste advies van het Zorginstituut
Nederland: «... in de differentiatie audiologie/videologie worden geen voorbehouden
handelingen uitgevoerd». 34 In het advies is daarnaast opgenomen: «Het Zorginstituut merkt daarbij op dat de klinisch
fysicus met de differentiatie audiologie/videologie niet over de nodige deskundigheid
beschikt om de voorbehouden handelingen met ioniserende straling zelfstandig te indiceren,
uit te voeren en te delegeren».35 In het tweede adviesrapport is dit bevestigd en komt het Zorginstituut tot de conclusie
dat de klinisch fysicus audioloog voldoet aan het tuchtrechtcriterium voor opname
in artikel 3 van de Wet BIG.36
Met betrekking tot signalen van de Nederlandse Vereniging voor Klinische Fysica (NVKF)
en de Federatie Medisch Specialisten (FMS) kan ik u het volgende berichten: de FMS
heeft voor beide adviesrapporten vanuit het Zorginstituut een consultatievraag ontvangen.
De NVKF heeft voor het tweede adviesrapport een consultatievraag ontvangen. Op 14 februari
2023 heeft de FMS gereageerd op het eerste rapport. Op 26 april 2024 hebben de FMS
en de NVKF gezamenlijk gereageerd op het tweede conceptadviesrapport. In de reacties
is niet gereageerd op de hiervoor genoteerde weergave in het rapport van het Zorginstituut
dat de klinisch fysicus audioloog de voorbehouden handeling «niet uitvoert» en «niet
over de nodige deskundigheid beschikt».37 Ook mede daarom wordt vastgehouden aan de lijn van de adviesrapporten van het Zorginstituut.
Het Zorginstituut is immers bij Zorgverzekeringswet aangewezen als adviseur, adviseert
mij onder meer over het opnemen van beroepen en is een gerenommeerd instituut. Het
Zorginstituut heeft deskundigheid op het terrein van de Wet BIG en heeft het hele
veld geconsulteerd en onderzoek gedaan wat heeft geresulteerd in de hierboven genoemde
adviesrapporten. In de toekomst zal het Zorginstituut mij op grond van artikel 66f
van de Zorgverzekeringswet blijven adviseren over regulering van beroepen en voorbehouden
handelingen op grond van de Wet BIG.
Van 13 januari tot en met 24 februari 2025 is dit wetsvoorstel in internetconsultatie
geweest. Naar aanleiding daarvan hebben zowel de NVKF als de FMS gereageerd en hebben
opmerkingen gemaakt over het regelen van de werkterreinen van de klinisch fysicus
en het uitzonderen van de klinisch fysicus audioloog van de voorbehouden handeling
met gebruikmaking van radioactieve stoffen of toestellen die ioniserende straling
uitzenden. In het verslag van de internetconsultatie38 en in de memorie van toelichting bij dit wetsvoorstel39 is nogmaals gemotiveerd waarom de indeling in werkterreinen noodzakelijk is zodat
de klinisch fysicus audioloog kan worden uitgezonderd van de voorbehouden handeling.
Daarbij zijn de adviezen van het Zorginstituut gevolgd als hierboven beschreven.
Indien de beroepsgroep nieuwe opleidingen of werkterreinen ontwikkelt, kan dit aanleiding
zijn om te bezien of opname in de Wet BIG of het toekennen van een voorbehouden handeling
noodzakelijk is. Het wetsvoorstel volgt hiermee de beide adviezen van het Zorginstituut
Nederland.40 Door op deze wijze echt alleen te reguleren wat noodzakelijk is, vinden er geen onnodige
restricties vanuit de Wet BIG plaats die het aantal potentiële zorgmedewerkers, de
flexibiliteit en de mobiliteit kunnen beperken. Om de arbeidsmarkt flexibel te houden
is het immers wenselijk om zo min mogelijk te reguleren, waarbij de patiëntveiligheid
altijd centraal staat.
Gelet op de zorgvuldige procedure die in dit wetgevingstraject is doorlopen, de twee
inhoudelijke adviezen van het Zorginstituut die hieraan ten grondslag liggen, het
uitgangspunt van patiëntveiligheid, kwaliteitsbewaking en het «nee, tenzij»-principe
van de Wet BIG, de uitgebreide veldconsultaties, de regelmatige contactmomenten met
de beroepsvereniging en het blanco advies van de Raad van State, ben ik van mening
dat het beroep van klinisch fysicus hiermee wordt geregeld op een manier die aansluit
bij de huidige praktijk en deskundigheid.
Met het oog op de groeiende personeelstekorten en de snelle technologische ontwikkelingen
binnen de klinische fysica vinden de leden van de D66-fractie het van belang dat wetgeving
voldoende ruimte laat voor innovatie en een flexibele inzet van zorgprofessionals.
Zij vragen de regering of de voorgestelde indeling in vier werkvelden hiervoor toereikend
is. Kan de regering toelichten of deze opdeling het risico met zich meebrengt dat
nieuwe technologische ontwikkelingen niet tijdig kunnen worden opgevangen en daardoor
steeds aanpassing van wet- en regelgeving nodig is? Daarnaast vragen deze leden hoe
de regering de keuze voor een specifieke wettelijke afbakening afweegt tegen de noodzaak
om snel en doeltreffend in te kunnen spelen op innovaties in de zorg.
Sinds de inwerkingtreding van de Wet BIG in 1997 zijn de zorg en samenleving sterk
veranderd, wat een grote impact heeft op de beroepsbeoefenaren in de zorg. Zo zijn
er maatschappelijke ontwikkelingen, wordt er meer in teamverband gewerkt en wordt
er meer ingezet op preventieve zorg. Hiernaast komen technologische innovaties met
hoge snelheid op de zorg af, denk aan robots die operaties kunnen uitvoeren of de
mogelijkheden van Artificial Intelligence om het werk van zorgmedewerkers te verlichten.
Deze ontwikkelingen en de krapte op de arbeidsmarkt vragen om een Wet BIG die kwaliteitsdoelstellingen
en patiëntveiligheid alleen reguleert als dat echt noodzakelijk is. Op basis van twee
adviezen van het Zorginstituut Nederland, zal het hele beroep van klinisch fysicus
in artikel 3 van de Wet BIG worden opgenomen. Uw Kamer heeft deze rapporten op 25 augustus
202341 en op 12 november 202442 met nadere toelichting van mijn ambtsvoorgangers ontvangen.
Vanuit het oogpunt van de patiëntveiligheid en de kwaliteitsborging van de individuele
beroepsuitoefening wordt aan de klinisch fysicus audioloog de voorbehouden handeling
waarbij gebruik wordt gemaakt van radioactieve stoffen of toestellen die ioniserende
stralen uitzenden niet toegekend. Reden hiervoor is opgenomen in het eerste advies
van het Zorginstituut Nederland: »... in de differentiatie audiologie/videologie worden
geen voorbehouden handelingen uitgevoerd».43 In dit advies is daarnaast opgenomen: «Het Zorginstituut merkt daarbij op dat de klinisch
fysicus met de differentiatie audiologie/videologie niet over de nodige deskundigheid
beschikt om de voorbehouden handelingen met ioniserende straling zelfstandig te indiceren,
uit te voeren en te delegeren».44 In het tweede adviesrapport is dit bevestigd en komt het Zorginstituut tot de conclusie
dat de klinisch fysicus audioloog voldoet aan het tuchtrechtcriterium voor opname
in artikel 3 van de Wet BIG. Door op deze wijze echt alleen te reguleren wat noodzakelijk
is, vinden er geen onnodige restricties vanuit de Wet BIG plaats die het aantal potentiële
zorgmedewerkers, de flexibiliteit en de mobiliteit kunnen beperkten. Om de arbeidsmarkt
flexibel te houden is het immers wenselijk om zo min mogelijk te reguleren, waarbij
de patiëntveiligheid altijd centraal staat.
Bij veel innovaties en de inzet van nieuwe technologieën gaat het juist niet om voorbehouden
handelingen en worden deze dan ook niet gereguleerd in de Wet BIG. Regulering vindt
alleen plaats voor voorbehouden handelingen, niet voor de toepassingen van nieuwe
technologieën die niet behoren tot de risicovolle voorbehouden handelingen.
Algemeen uitgangspunt bij het opstellen van wet- en regelgeving is dat de wet de hoofdelementen
van een regeling moet bevatten. Hieronder valt ook de regeling rondom de voorbehouden
handelingen. Dat maakt dat de hoofdelementen van de opname van de klinisch fysicus,
waaronder de regeling rondom de voorbehouden handeling, in de wet worden opgenomen.
Daardoor blijkt direct uit de wet wie welke voorbehouden handeling mag uitvoeren.
De klinisch fysicus met de differentiatie audiologie/videologie beschikt niet over
de nodige deskundigheid om de voorbehouden handelingen met ioniserende straling zelfstandig
te indiceren, uit te voeren en te delegeren. Het is belangrijk om hierover in de wet
duidelijkheid te bieden. Dit zorgt voor transparantie over de bevoegdheden richting
de patiënt en andere zorgprofessionals en is een extra waarborg voor de patiëntveiligheid.
Daarom is, vanuit het oogpunt van duidelijkheid van regelgeving, van transparantie
voor de individuele patiëntenzorg en van de patiëntveiligheid, het niet toekennen
aan de klinisch fysicus audiologie van de voorbehouden handeling waarbij gebruik wordt
gemaakt van radioactieve stoffen of toestellen die ioniserende stralen uitzenden,
in de wet opgenomen. Om de klinisch fysicus audioloog te kunnen uitzonderen van de
voorbehouden handeling, is het noodzakelijk om de werkterreinen van de klinisch fysicus
in de wet zelf op te nemen. De klinisch fysicus heeft in haar 50-jarige bestaan een
diep verankerde plek in de medisch specialistische zorg opgebouwd. De opleiding en
de werkterreinen van de klinisch fysicus lijken voldoende uitgekristalliseerd en bestendig
om nu vorm te geven in wetgeving. Indien de beroepsgroep nieuwe opleidingen of werkterreinen
ontwikkelt, kan dit aanleiding zijn om te bezien of opname in de Wet BIG of het toekennen
van een voorbehouden handeling noodzakelijk is. Daarbij is het goed om op te merken
dat niet alle beroepen en handelingen in de zorg wettelijk te hoeven worden gereguleerd.
De Wet BIG biedt nu al veel flexibiliteit en ruimte om voorbehouden handelingen te
laten verrichten door niet BIG-geregistreerde zorgmedewerkers. Dit zorgt voor meer
flexibiliteit op de arbeidsmarkt en draagt bij aan het beter benutten van ieders talent.45 Overigens gaat het hierbij niet om nieuwe technologieën maar om de toekenning van
voorbehouden handelingen. De toekenning van de voorbehouden handelingen aan een specifiek
deel van de klinisch fysici staat daarom doeltreffend inspelen op innovaties niet
in de weg. Hierdoor kunnen innovaties en technologische ontwikkelingen tijdig worden
toegepast zonder aanpassing van wet- en regelgeving. Dit betekent ook dat deze wetgeving
waarbij de indeling in vier werkterreinen aan de orde komt voldoende ruimte laat voor
innovatie en een flexibele inzet van zorgprofessionals. Wanneer een klinisch fysicus
op een ander werkterrein wil werken, is het mogelijk zich in meer dan één werkterrein
te specialiseren. Ook nu geldt dat het volgen van een andere specialisatie nodig is
om te kunnen werken in een functie op een ander werkterrein binnen het beroep klinisch
fysicus. Dit blijkt ook uit het huidige Besluit opleidingseisen en deskundigheidsgebied
klinisch fysicus waarbij voor elk werkterrein een aanvullend pakket met specifieke
deskundigheden is opgenomen.46
3.3 Adviezen van het Zorginstituut
De klinisch fysicus, behalve de differentiatie audiologie, valt met deze wet onder
de zelfstandige bevoegdheid. De wet maakt minder duidelijk hoe deze wijziging zich
verhoudt tot de tuchtrechtelijke aansprakelijkheid, maar ook bevoegdheid van de hoofdbehandelaar.
Er zijn casus denkbaar dat door overlap van bevoegdheden en interventies er onduidelijkheid
kan ontstaan. Hoe ondervangt de wet en de praktijk in dergelijke situaties, zo vragen
de leden van de PVV-fractie.
Het wetsvoorstel regelt dat het hele beroep klinisch fysicus een beschermde beroepstitel
krijgt en dat voor alle klinisch fysici een register wordt ingesteld. Voor beroepsbeoefenaren
die als zodanig in het BIG-register zijn geregistreerd wordt daarmee op hen het tuchtrecht
van toepassing. Daartoe wordt voorgesteld om de artikelen 3 en 47 van de Wet BIG aan
te passen. Daarin wordt de hele beroepsgroep klinisch fysicus als geheel opgenomen.
De tuchtrechtelijke aansprakelijkheid geldt daarmee voor alle klinisch fysici die
zijn opgenomen in het BIG-register, ook voor de klinisch fysicus met de differentiatie
audiologie.
Algemeen uitgangspunt bij het opstellen van wet- en regelgeving is dat de wet de hoofdelementen
van een regeling moet bevatten. Hieronder valt ook de regeling rondom de voorbehouden
handelingen. Dat maakt dat de hoofdelementen van de opname van de klinisch fysicus,
waaronder de regeling rondom de voorbehouden handeling, in de wet worden opgenomen.
Daardoor blijkt direct uit de wet wie welke voorbehouden handeling mag uitvoeren.
De klinisch fysicus met de differentiatie audiologie/videologie beschikt niet over
de nodige deskundigheid om de voorbehouden handelingen met ioniserende straling zelfstandig
te indiceren, uit te voeren en te delegeren. Het is belangrijk om hierover in de wet
duidelijkheid te bieden. Dit zorg voor transparantie over de bevoegdheden richting
de patiënt en andere zorgprofessionals en is een extra waarborg voor de patiëntveiligheid.
Daarom is, vanuit het oogpunt van duidelijkheid van regelgeving, van transparantie
voor de individuele patiëntenzorg en de patiëntveiligheid, het niet toekennen aan
de klinisch fysicus audiologie van de voorbehouden handeling waarbij gebruik wordt
gemaakt van radioactieve stoffen of toestellen die ioniserende stralen uitzenden,
in de wet opgenomen. Om de klinisch fysicus audioloog te kunnen uitzonderen van de
voorbehouden handeling, is het noodzakelijk om de werkterreinen in de wet zelf op
te nemen.
Dit bestendigt de huidige werkwijze en zorgt juist voor duidelijkheid. Elk werkterrein
heeft naast gezamenlijke kennis en vaardigheden een aanvullend pakket met voor dat
werkterrein vereiste specifieke deskundigheden en daarin zit geen overlap van bevoegdheden.
Wanneer een klinisch fysicus op een ander werkterrein wil werken, is het mogelijk
zich in meer dan één werkterrein te specialiseren. Ook nu geldt dat het volgen van
een andere specialisatie nodig is om te gaan werken in een functie op een ander werkterrein
binnen het beroep klinisch fysicus. Dit blijkt ook uit het huidige Besluit opleidingseisen
en deskundigheidsgebied klinisch fysicus waarbij voor elk werkterrein een aanvullend
pakket met specifieke deskundigheden is opgenomen.47
Gezien de adviezen van het Zorginstituut achten de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie het een logische stap om het beroep van klinisch fysicus zwaarder te reguleren en
op te nemen in artikel 3 van de Wet BIG. Wel hebben de leden nog enkele vragen over
het advies van het Zorginstituut om een uitzondering te maken voor de klinisch fysicus
met differentiatie audiologie. Deze zijn bij 3.5 nader uiteengezet.
3.4 Beleidsreactie op de adviesrapporten van het Zorginstituut voor de klinisch fysicus
De leden van de CDA-fractie vragen naar de uitsluiting van de klinisch fysicus audiologie met betrekking tot
werkzaamheden met ioniserende straling. Zij vragen of de regering wil reageren op
de zorgen van de Federatie Medisch Specialisten (FMS) dat dit onnodig is, omdat zij
wel over de vereiste deskundigheid beschikken. Zij vragen hoe de regering dit weegt.
De keuze om aan de klinisch fysicus audioloog geen voorbehouden handeling toe te kennen
is gebaseerd op de adviesrapporten van het Zorginstituut Nederland. In de Zorgverzekeringswet
is opgenomen dat het Zorginstituut aan de Minister rapporteert over de uitvoerbaarheid,
doeltreffendheid en doelmatigheid van voorgenomen beleid in verband met vernieuwingen
en verbeteringen in de structuur van beroepen en opleidingen in de gezondheidszorg.48 Het Zorginstituut heeft het verzoek van de NVKF getoetst aan de vigerende criteria
voor voorbehouden handelingen (eerste adviesrapport) en het tuchtrecht (tweede adviesrapport)
en heeft hierover in twee adviesrapporten geadviseerd. Uw Kamer heeft deze rapporten
op 25 augustus 202349 en op 12 november 202450 met nadere toelichting van mijn ambtsvoorgangers ontvangen.
Voor de werkterreinen van de klinisch fysicus, behalve het werkterrein audiologie,
wordt in de wet vastgelegd dat de klinisch fysicus de voorbehouden handeling met ioniserende
straling zelfstandig mag uitvoeren. Vanuit het oogpunt van de patiëntveiligheid en
de kwaliteitsborging van de individuele beroepsuitoefening wordt aan de klinisch fysicus
audioloog de voorbehouden handeling waarbij gebruik wordt gemaakt van radioactieve
stoffen of toestellen die ioniserende stralen uitzenden niet toegekend. Reden hiervoor
is opgenomen in het eerste advies van het Zorginstituut Nederland: «... in de differentiatie
audiologie/videologie worden geen voorbehouden handelingen uitgevoerd».51 In het advies is daarnaast opgenomen: «Het Zorginstituut merkt daarbij op dat de klinisch
fysicus met de differentiatie audiologie/videologie niet over de nodige deskundigheid
beschikt om de voorbehouden handelingen met ioniserende straling zelfstandig te indiceren,
uit te voeren en te delegeren».52 In het tweede adviesrapport is dit bevestigd en komt het Zorginstituut tot de conclusie
dat de klinisch fysicus audioloog voldoet aan het tuchtrechtcriterium voor opname
in artikel 3 van de Wet BIG.53
Met betrekking tot signalen van de Nederlandse Vereniging voor Klinische Fysica (NVKF)
en de Federatie Medisch Specialisten (FMS) kan ik u het volgende berichten: de FMS
heeft voor beide adviesrapporten een consultatievraag vanuit het Zorginstituut ontvangen.
De NVKF heeft voor het tweede adviesrapport een consultatievraag ontvangen. Op 14 februari
2023 heeft de FMS gereageerd op het eerste rapport. Op 26 april 2024 hebben de FMS
en de NVKF gezamenlijk gereageerd op het tweede conceptadviesrapport. In de reacties
is niet gereageerd op de hiervoor genoteerde weergave in het rapport van het Zorginstituut
dat de klinisch fysicus audioloog de voorbehouden handeling «niet uitvoert» en «niet
over de nodige deskundigheid beschikt».54 Ook mede daarom wordt vastgehouden aan de lijn van de adviesrapporten van het Zorginstituut.
Het Zorginstituut is immers bij Zorgverzekeringswet aangewezen als adviseur, adviseert
mij onder meer over het opnemen van beroepen en is een gerenommeerd instituut. Het
Zorginstituut heeft deskundigheid op het terrein van de Wet BIG en heeft het hele
veld geconsulteerd wat heeft geresulteerd in de hierboven genoemde adviesrapporten.
In de toekomst zal het Zorginstituut mij op grond van artikel 66f van de Zorgverzekeringswet
blijven adviseren over regulering van beroepen en voorbehouden handelingen op grond
van de Wet BIG.
In de praktijk wordt gewerkt binnen één werkterrein met de daarbij behorende deskundigheid
en bevoegdheden. Het wetsvoorstel brengt geen wijziging aan in de huidige praktijk.
Wanneer een klinisch fysicus op een ander werkterrein wil werken, is het mogelijk
zich in meer dan één werkterrein te specialiseren. Ook nu geldt dat het volgen van
een andere specialisatie nodig is om te gaan werken in een functie op een ander werkterrein
binnen het beroep klinisch fysicus. Er is hierbij geen sprake van uitsluiting van
de klinisch fysicus audioloog, dit is een werkterrein met een afgebakende, daarbij
behorende deskundigheid en bevoegdheden waar de voorbehouden handeling geen deel van
uitmaakt. Dit blijkt ook uit het huidige Besluit opleidingseisen en deskundigheidsgebied
klinisch fysicus waarbij voor elk werkterrein een aanvullend pakket met specifieke
deskundigheden is opgenomen.55
3.5 Regulering in artikel 3 van de Wet BIG
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie kunnen zich vinden in de conclusie dat regulering in het zogenaamde zware regime
van artikel 3 van de Wet BIG noodzakelijk is voor het beroep van de klinisch fysicus.
Zij lezen dat met dit wetsvoorstel wordt voorgesteld om de beroepsgroep klinisch fysicus
als geheel aan artikel 3 van de wet toe te voegen. Voor artikel 36, achtste lid van
de Wet BIG (waarin per voorbehouden handeling is vastgelegd welke beroepsbeoefenaren
deze handelingen zelfstandig mogen uitvoeren) wordt echter een uitzondering gemaakt
voor de groep klinische fysicus opgeleid tot audioloog. In de memorie van toelichting
lezen de betreffende leden dat de klinisch fysicus in de audiologie volgens de regering
in de praktijk geen voorbehouden handelingen verricht en niet met ioniserende straling
werkt en niet over de nodige deskundigheid beschikt om de voorbehouden handelingen
met ioniserende straling zelfstandig te verrichten. Hoewel de leden deze beredenering
kunnen volgen, beweren diverse partijen uit het zorgveld – waaronder de stichting
Opleiding Klinisch Fysicus – dat dit echter niet aansluit bij de praktijk, aangezien
de klinische fysicus in de audiologie deze werkzaamheden wel degelijk zou uitvoeren
binnen de bestaande wettelijke kaders. Hoe beziet de regering deze opmerkingen? Hoe
verklaart de regering de verschillen in opvatting tussen het Zorginstituut en de verschillende
veldpartijen, die beweren dat de uitsluiting van de klinisch fysicus in de audiologie
berust op een onjuiste constatering van het Zorginstituut dat deze groep niet over
de nodige deskundigheid beschikt om te werken met straling? Zou de regering nader
in kunnen gaan op de verschillende punten die genoemd zijn door het zorgveld en op
de kritiek dat de beoogde wetgeving hiermee niet (voldoende) aansluit bij de praktijk?
Het wetsvoorstel brengt geen wijziging aan in de huidige praktijk. De keuze om aan
de klinisch fysicus audioloog geen voorbehouden handeling toe te kennen is gebaseerd
op de adviesrapporten van het Zorginstituut Nederland.56 In de Zorgverzekeringswet57 is opgenomen dat het Zorginstituut aan de Minister rapporteert over de uitvoerbaarheid,
doeltreffendheid en doelmatigheid van voorgenomen beleid in verband met vernieuwingen
en verbeteringen in de structuur van beroepen en opleidingen in de gezondheidszorg.
Het Zorginstituut heeft het verzoek van de NVKF getoetst aan de vigerende criteria
voor voorbehouden handelingen (eerste adviesrapport) en het tuchtrecht (tweede adviesrapport)
en heeft mij hierover in twee rapporten geadviseerd. Uw Kamer heeft deze rapporten
op 25 augustus 202358 en op 12 november 202459 met nadere toelichting van mijn ambtsvoorgangers ontvangen.
Voor de werkterreinen van de klinisch fysicus, behalve het werkterrein audiologie,
wordt in de wet vastgelegd dat de klinisch fysicus de voorbehouden handeling met ioniserende
straling zelfstandig mag uitvoeren. Vanuit het oogpunt van de patiëntveiligheid wordt
aan de klinisch fysicus audioloog de voorbehouden handeling waarbij gebruik wordt
gemaakt van radioactieve stoffen of toestellen die ioniserende stralen uitzenden niet
toegekend. Reden hiervoor is opgenomen in het eerste advies van het Zorginstituut
Nederland: «in de differentiatie audiologie/videologie worden geen voorbehouden handelingen
uitgevoerd»60. In het advies is daarnaast opgenomen: «Het Zorginstituut merkt daarbij op dat de
klinisch fysicus met de differentiatie audiologie/videologie niet over de nodige deskundigheid
beschikt om de voorbehouden handelingen met ioniserende straling zelfstandig te indiceren,
uit te voeren en te delegeren».61 In het tweede adviesrapport is dit bevestigd en komt het Zorginstituut tot de conclusie
dat de klinisch fysicus audioloog voldoet aan het tuchtrechtcriterium voor opname
in artikel 3 van de Wet BIG.62
Met betrekking tot signalen van de Nederlandse Vereniging voor Klinische Fysica (NVKF)
en de Federatie Medisch Specialisten (FMS) kan ik u het volgende berichten: de FMS
heeft voor beide adviesrapporten een consultatievraag vanuit het Zorginstituut ontvangen.
De NVKF heeft voor het tweede adviesrapport een consultatievraag ontvangen. De Stichting
Opleiding Klinisch Fysicus (Stichting OKF) heeft voor het eerste adviesrapport een
consultatievraag ontvangen. Op 13 januari 2023 heeft de Stichting OKF gereageerd en
aangegeven dat zij zich kan vinden in het conceptadvies. Op 14 februari 2023 heeft
de FMS gereageerd op het eerste rapport. Op 26 april 2024 hebben de FMS en de NVKF
gezamenlijk gereageerd op het tweede conceptadviesrapport. In de reacties is niet
gereageerd op de hiervoor genoteerde weergave in het rapport van het Zorginstituut
dat de klinisch fysicus audioloog de voorbehouden handeling «niet uitvoert» en «niet
over de nodige deskundigheid beschikt».63 Ik constateer hier dan ook geen verschillen in opvatting tussen het Zorginstituut
enerzijds en de FMS, NVKF en OKF anderzijds. Ook mede daarom wordt vastgehouden aan
de lijn van de adviesrapporten van het Zorginstituut. Het Zorginstituut is immers
bij Zorgverzekeringswet aangewezen als adviseur, adviseert mij onder meer over het
opnemen van beroepen en is een gerenommeerd instituut. Het Zorginstituut heeft deskundigheid
op het terrein van de Wet BIG, heeft diepgaand onderzoek gedaan bij deze beroepsgroep
en heeft het veld geconsulteerd wat heeft geresulteerd in de hierboven genoemde adviesrapporten.
In de toekomst zal het Zorginstituut mij op grond van artikel 66f van de Zorgverzekeringswet
blijven adviseren over regulering van beroepen en voorbehouden handelingen op grond
van de Wet BIG.
De ontwikkelingen en de krapte op de arbeidsmarkt vragen om een Wet BIG die kwaliteitsdoelstellingen
en patiëntveiligheid alleen reguleert als dat echt noodzakelijk is. De afgelopen jaren
is sprake geweest van een toename van verzoeken van beroepsgroepen om te worden opgenomen
in de Wet BIG, veelal om redenen die niet samenhangen met patiëntveiligheid en kwaliteitsdoelstellingen,
maar met maatschappelijke erkenning, positionering of financiering.
De Wet BIG kent het uitgangspunt van «nee, tenzij»-principe: regulering vindt uitsluitend
plaats als dit noodzakelijk is ter bescherming van patiënten tegen onzorgvuldig of
ondeskundig handelen en ter borging van de kwaliteit van de individuele beroepsuitoefening.
Onnodige restricties vanuit de Wet BIG kunnen immers het aantal potentiële zorgmedewerkers,
de flexibiliteit en de mobiliteit beperken. Dit kan weer leiden tot arbeidsmarkttekorten,
prijsopdrijvende effecten en onnodige administratieve lasten. Om de arbeidsmarkt flexibel
te houden is het wenselijk om zo min mogelijk te reguleren, waarbij de patiëntveiligheid
altijd blijft geborgd.
In de praktijk wordt gewerkt binnen één werkterrein met de daarbij behorende deskundigheid
en bevoegdheden. Wanneer een klinisch fysicus op een ander werkterrein wil werken,
dan is het mogelijk zich in meer dan één werkterrein te specialiseren. Ook nu geldt
dat het volgen van een andere specialisatie nodig is om te gaan werken in een functie
op een ander werkterrein binnen het beroep klinisch fysicus. Er is hierbij geen sprake
van uitsluiting van de klinisch fysicus audioloog, dit is een werkterrein met een
afgebakende, daarbij behorende deskundigheid en bevoegdheden waar de voorbehouden
handeling geen deel van uitmaakt. Dit blijkt ook uit het huidige Besluit opleidingseisen
en deskundigheidsgebied klinisch fysicus waarbij voor elk werkterrein een aanvullend
pakket met specifieke deskundigheden is opgenomen.64
Gelet op de zorgvuldige procedure die in dit wetgevingstraject is doorlopen, de twee
inhoudelijke adviezen van het Zorginstituut die hieraan ten grondslag liggen, het
uitgangspunt van patiëntveiligheid, kwaliteitsbewaking en het «nee, tenzij»-principe
van de Wet BIG, de uitgebreide veldconsultaties, de regelmatige contactmomenten met
de beroepsvereniging en het blanco advies van de Raad van State, ben ik van mening
dat het beroep van klinisch fysicus hiermee wordt geregeld op een manier die aansluit
bij de huidige praktijk en deskundigheid.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen daarnaast dat een belangrijke overweging
om het beroep van klinisch fysicus in artikel 3 van de Wet BIG op te nemen gelegen
is in de grote ontwikkeling die het beroep de afgelopen twintig jaar heeft doorgemaakt.
De huidige praktijk waarbij de klinisch fysicus een eigen deskundigheid heeft, maar
nu in opdracht van een arts voorbehouden handelingen uitvoert en niet zelfstandig
mag indiceren, beperkt de flexibiliteit, leidt tot vertraging en kost behandelend
artsen onnodig veel tijd. Hoe ziet de regering in het licht van het bovenstaande de
opmerkingen van veldpartijen dat uitsluiting van de klinisch fysicus in de audiologie
juist de ontwikkeling en de flexibiliteit van het vak belemmert, en dat wetgeving
juist ruimte moet bieden voor de brede inzetbaarheid van zorgprofessionals? De leden
van de GroenLinks-PvdA-fractie maken uit de Memorie op dat de regering deze brede
inzetbaarheid bij het beroep van MHAZ ook zeer hoog in het vaandel heeft staan. Hoe
verhoudt zich dit tot het besluit om klinisch fysicus in de audiologie uit te sluiten
van de andere drie werkterreinen binnen de klinische fysica?
Het wetsvoorstel brengt geen wijziging aan in de huidige praktijk. Het wetsvoorstel
regelt dat het hele beroep klinisch fysicus een beschermde beroepstitel krijgt en
dat voor alle klinisch fysici allemaal een register wordt ingesteld. Voor beroepsbeoefenaren
die als zodanig in het BIG-register zijn geregistreerd wordt daarmee op hen het tuchtrecht
van toepassing. Daartoe wordt voorgesteld om de artikelen 3 en 47 van de Wet BIG aan
te passen. Daarin wordt de beroepsgroep klinisch fysicus als geheel opgenomen. De
tuchtrechtelijke aansprakelijkheid geldt daarmee voor alle klinisch fysici die zijn
opgenomen in het BIG-register, ook voor de klinisch fysicus met de differentiatie
audiologie.
De klinisch fysicus heeft in haar 50-jarige bestaan een diep verankerde plek in de
medisch specialistische zorg opgebouwd. De opleiding en de werkterreinen van de klinisch
fysicus lijken voldoende uitgekristalliseerd en bestendig om nu vorm te geven in wetgeving.
Algemeen uitgangspunt bij het opstellen van wet- en regelgeving is dat de wet de hoofdelementen
van een regeling moet bevatten. Hieronder valt ook de regeling rondom de voorbehouden
handelingen. Dat maakt dat de hoofdelementen van de opname van de klinisch fysicus,
waaronder de regeling rondom de voorbehouden handeling, in de wet worden opgenomen.
Daardoor blijkt direct uit de wet wie welke voorbehouden handeling mag uitvoeren.
De klinisch fysicus met de differentiatie audiologie/videologie beschikt niet over
de nodige deskundigheid om de voorbehouden handelingen met ioniserende straling zelfstandig
te indiceren, uit te voeren en te delegeren. Het is belangrijk om hierover in de wet
duidelijkheid te bieden. Dit zorg voor transparantie over de bevoegdheden richting
de patiënt en andere zorgprofessionals en is een extra waarborg voor de patiëntveiligheid.
Daarom is, vanuit het oogpunt van duidelijkheid van regelgeving, van transparantie
voor de individuele patiëntenzorg en de patiëntveiligheid, het niet toekennen aan
de klinisch fysicus audiologie van de voorbehouden handeling waarbij gebruik wordt
gemaakt van radioactieve stoffen of toestellen die ioniserende stralen uitzenden,
in de wet opgenomen. Om de klinisch fysicus audioloog te kunnen uitzonderen van de
voorbehouden handeling, is het noodzakelijk om de werkterreinen van de klinisch fysicus
in de wet zelf op te nemen. De klinisch fysicus audiologie voert in tegenstelling
tot de klinisch fysici op de andere drie werkterreinen geen voorbehouden handeling
uit. Dit is zo ook opgenomen in het eerste advies van het Zorginstituut Nederland:
«... in de differentiatie audiologie/videologie worden geen voorbehouden handelingen
uitgevoerd».65 In het advies is daarnaast opgenomen: «Het Zorginstituut merkt daarbij op dat de klinisch
fysicus met de differentiatie audiologie/videologie niet over de nodige deskundigheid
beschikt om de voorbehouden handelingen met ioniserende straling zelfstandig te indiceren,
uit te voeren en te delegeren». In het tweede adviesrapport is dit bevestigd en komt
het Zorginstituut tot de conclusie dat de klinisch fysicus audioloog voldoet aan het
tuchtrechtcriterium voor opname in artikel 3 van de Wet BIG.66 In de Wet BIG wordt tevens de mogelijkheid opgenomen om bij algemene maatregel van
bestuur regels te stellen over de opleidingseisen en deskundigheidsgebieden van de
klinisch fysicus. Deze duidelijkheid belemmert de ontwikkeling en de flexibiliteit
van de klinisch fysicus audioloog niet. Het wetsvoorstel brengt geen wijziging aan
in de huidige praktijk. De opname van het hele beroep klinisch fysicus in artikel
3 biedt ruimte voor de brede inzet van zorgprofessionals.
Het klopt dat de regering brede inzetbaarheid van zorgmedewerkers hoog in het vaandel
heeft staan. Onnodige restricties vanuit de Wet BIG kunnen het aantal potentiële zorgmedewerkers,
de flexibiliteit en de mobiliteit beperken. Dit kan weer leiden tot arbeidsmarkttekorten,
prijsopdrijvende effecten en onnodige administratieve lasten. Het is belangrijk om
alleen de beroepen en handelingen te reguleren waar het vanuit patiëntveiligheid noodzakelijk
is. Er is een verschil in opleiding bij de MHAZ en de klinisch fysicus.
De opleiding tot MHAZ is sinds de doorontwikkeling van de BMH (voorloper van de MHAZ)
ingericht als één algemene opleiding die opleidt voor de gehele breedte van de acute
zorg. Anders dan voorheen kent de opleiding geen differentiaties meer, waardoor MHAZ’ers
worden opgeleid met het oog op inzetbaarheid in verschillende acute zorgsettings.
Daarmee zijn zij na afronding van de opleiding in staat om binnen de volle breedte
van de acute zorg aan de slag te gaan, met inachtneming van de gebruikelijke inwerk-
en scholingsafspraken per werkcontext.
Dit is anders bij de klinisch fysicus: het deskundigheidsgebied van de klinisch fysicus
bestaat nu al uit vier verschillende werkterreinen. In het wetsvoorstel worden voor
de klinisch fysici de vier werkterreinen in de wet genoemd. Deze werkterreinen komen
overeen met de vier differentiaties van de bestaande postdoctorale opleiding tot klinisch
fysicus. In de opleiding tot klinisch fysicus wordt gekozen voor één van de vier werkterreinen.67 In de praktijk wordt gewerkt binnen één werkterrein met de daarbij behorende deskundigheid
en bevoegdheden. Wanneer een klinisch fysicus op een ander werkterrein wil werken,
is het mogelijk zich in meer dan één werkterrein te specialiseren. Ook nu geldt dat
het volgen van een andere specialisatie nodig is om te gaan werken in een functie
op een ander werkterrein binnen het beroep klinisch fysicus. Er is hierbij geen sprake
van uitsluiting van de klinisch fysicus audioloog, dit is een werkterrein met een
afgebakende, daarbij behorende deskundigheid en bevoegdheden waar de voorbehouden
handeling geen deel van uitmaakt. Dit blijkt ook uit het huidige Besluit opleidingseisen
en deskundigheidsgebied klinisch fysicus waarbij voor elk werkterrein een aanvullend
pakket met specifieke deskundigheden is opgenomen.
Is de regering, tot slot, bereid om nog een keer met het veld in gesprek te gaan over
de daar levende bezwaren en te bezien in hoeverre deze mogelijk de praktijk in de
weg staan?
Op 10 december 2018 heeft de NVKF een verzoek ingediend om de klinisch fysicus op
te nemen in artikel 3 van de Wet BIG. Op 1 april 2019 heeft de Minister van VWS het
Zorginstituut gevraagd het verzoek van de NVKF te beoordelen en advies uit te brengen
over opname van de klinisch fysicus in artikel 3 van de Wet BIG. Hierover heeft het
Zorginstituut in februari 2023 en in juli 2024 twee adviezen uitgebracht. Het Zorginstituut
heeft voor het opstellen van beide adviezen gesproken met de NVKF en aanpalende organisaties.
Een conceptversie van de adviezen zijn voorgelegd ter consultatie aan onder meer de
NVKF, de FMS en de Stichting OKF. Daarmee is het Zorginstituut zeer zorgvuldig te
werk gegaan.
Tijdens de voorbereiding van het wetsvoorstel zijn zoals gebruikelijk meerdere gesprekken
gevoerd met de NVKF en de FMS over de wetstechnische uitwerking van het advies van
het Zorginstituut.
Het wetsvoorstel is in januari 2025 in internetconsultatie gegaan. Onder meer van
de NVKF, de FMS en de KNMG zijn daarop zienswijzen ontvangen rondom de uitwerking
van het wetsvoorstel. In het verslag van de internetconsultatie en in de memorie van
toelichting bij het voorgenomen wetsvoorstel zijn inbreng en afweging verwerkt. Het
verslag van de internetconsultatie is 23 juli 2025 gepubliceerd.68 Naast de gevoerde gesprekken rond de voorbereiding van het wetsvoorstel is de NVKF
geïnformeerd over alle vervolgstappen en zijn zij daarin meegenomen.
Conform standaardprocedure is het wetsvoorstel in juli 2025 aan de Raad van State
ter advisering voorgelegd. Op 10 september 2025 heeft de Raad van State een blanco
advies aan het Kabinet van de Koning gezonden. De Afdeling advisering van de Raad
van State heeft daarin geen opmerkingen bij het wetsvoorstel en adviseert het voorstel
zonder aanpassingen bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal in te dienen. Daarbij
heeft de Raad van State geen opmerkingen gemaakt bij het voorgenomen wetsvoorstel
rondom de klinisch fysicus. Dit betekent dat de Raad van State geen opmerkingen heeft
bij de uitwerking van het wetsvoorstel en de manier waarop het beroep klinisch fysicus
hierin wordt geregeld. Dit betreft dan ook de voorgestelde indeling in werkterreinen
en het uitzonderen van de klinisch fysicus audioloog van de voorbehouden handeling.
De afgelopen jaren is sprake geweest van een toename van verzoeken van beroepsgroepen
om te worden opgenomen in de Wet BIG, veelal om redenen die niet samenhangen met patiëntveiligheid
en borging van de individuele beroepsuitoefening, maar met maatschappelijke erkenning,
positionering of financiering.
Dit is onwenselijk. De Wet BIG kent het uitgangspunt van «nee, tenzij»-principe: regulering
vindt uitsluitend plaats als dit noodzakelijk is ter bescherming van patiënten tegen
onzorgvuldig of ondeskundig handelen en borging van de kwaliteit in de individuele
beroepsuitoefening.
Er zijn in oktober 2025 diverse contactmomenten geweest tussen mijn ministerie en
de FMS. Na indiening van het wetsvoorstel bij de Tweede Kamer op 6 oktober 2025 is
op 16 oktober 2025 nogmaals inhoudelijk met de FMS en de NVKF gesproken over het wetsvoorstel.
In dit gesprek is ingegaan op het proces, zijn de vele contactmomenten met de beroepsvereniging
NVKF benoemd en is aangegeven dat een blanco advies van de Raad van State zeer positief
is en betekent dat de Raad van State geen inhoudelijke opmerkingen heeft bij het wetsvoorstel.
Hieruit blijkt dat de manier van regulering en inhoudelijke motivatie ook door de
Raad van State wordt gevolgd. Daarnaast is uitgebreid aan de orde gekomen waarom aan
de klinisch fysicus audioloog geen voorbehouden handeling wordt toegekend. Hierbij
is onder andere verwezen naar het eerste advies van het Zorginstituut Nederland waarin
is opgenomen dat de differentiatie audiologie/videologie geen voorbehouden handelingen
uitvoert.69 In het advies is daarnaast opgenomen: «Het Zorginstituut merkt daarbij op dat de klinisch
fysicus met de differentiatie audiologie/videologie niet over de nodige deskundigheid
beschikt om de voorbehouden handelingen met ioniserende straling zelfstandig te indiceren,
uit te voeren en te delegeren».70 In het tweede adviesrapport is dit bevestigd en komt het Zorginstituut tot de conclusie
dat de klinisch fysicus audioloog voldoet aan het tuchtrechtcriterium voor opname
in artikel 3 van de Wet BIG.71
Gelet op de zorgvuldige procedure die in dit wetgevingstraject is doorlopen, de twee
inhoudelijke adviezen van het Zorginstituut die hieraan ten grondslag liggen, het
uitgangspunt van patiëntveiligheid, kwaliteitsbewaking en het «nee, tenzij»-principe
van de Wet BIG, de uitgebreide veldconsultaties, de regelmatige contactmomenten met
de beroepsvereniging en het blanco advies van de Raad van State, ben ik van mening
dat het beroep van klinisch fysicus hiermee wordt geregeld op een manier die aansluit
bij de huidige praktijk en deskundigheid. Opnieuw met het veld in gesprek gaan over
precies dit punt, zal niet leiden tot andere inzichten. Uiteraard blijf ik altijd
in contact met het veld, in het bijzonder de bij dit wetsvoorstel en de daaruit volgende
algemene maatregelen van bestuur betrokken beroepsverenigingen, zodat bezwaren in
de praktijk uit de weg genomen kunnen worden. Wellicht ten overvloede kan ik u melden
dat het wetsvoorstel geen wijziging aanbrengt in de huidige praktijk.
De leden van de SGP-fractie vragen om een nadere toelichting voor het vastleggen van de werkterreinen van de
klinisch fysicus in de wet. De manier waarop de regering dit wil doen, lijkt af te
wijken van de gangbare systematiek waarbij bevoegdheden worden geregeld via bekwaamheidseisen
op grond van artikel 35a van de Wet BIG. Door de werkterreinen van de klinisch fysicus
gedetailleerd op wetsniveau vast te leggen, dreigt de wetgever op de stoel van de
zorgprofessional te gaan zitten, terwijl de Wet BIG juist bedoeld is om ruimte te
bieden voor professionele autonomie en de verdere ontwikkeling van het vak. Kan de
regering hierop nader reflecteren?
Kan de regering uitleggen waarom in dit geval voor een expliciete opname van bepaalde
verplichtingen in de wet is gekozen terwijl bij enkele uitzonderingen voor andere
beroepsgroepen juist gekozen is om dit in lagere regelgeving verder uit te werken.
Zou het niet wenselijker zijn om de verankering van beroepen in de Wet BIG op een
gelijke manier te regelen?
Het wetsvoorstel regelt dat het hele beroep klinisch fysicus een beschermde beroepstitel
krijgt en dat voor alle klinisch fysici een register wordt ingesteld. Voor beroepsbeoefenaren
die als zodanig in het BIG-register zijn geregistreerd wordt daarmee op hen het tuchtrecht
van toepassing. Daartoe wordt voorgesteld om de artikelen 3 en 47 van de Wet BIG aan
te passen. Daarin wordt dan de beroepsgroep klinisch fysicus als geheel opgenomen.
Ook wordt de mogelijkheid in de Wet BIG opgenomen om bij algemene maatregel van bestuur
regels te stellen over de opleidingseisen en deskundigheidsgebieden van de klinisch
fysicus.
Het deskundigheidsgebied van de klinisch fysicus bestaat uit vier verschillende werkterreinen.
In het wetsvoorstel worden de werkterreinen in de wet genoemd. Deze werkterreinen
komen overeen met de vier differentiaties van de bestaande postdoctorale opleiding
tot klinisch fysicus. In de opleiding tot klinisch fysicus wordt gekozen voor één
van de vier werkterreinen. In de praktijk wordt gewerkt binnen één werkterrein met
de daarbij behorende deskundigheid en bevoegdheden. Wanneer een klinisch fysicus op
een ander werkterrein wil werken, is het mogelijk zich in meer dan één werkterrein
te specialiseren. Ook nu geldt dat het volgen van een andere specialisatie nodig is
om te gaan werken in een functie op een ander werkterrein binnen het beroep klinisch
fysicus. Daarmee is het beroep klinisch fysicus niet vergelijkbaar met andere beroepen.
Dit blijkt ook uit het huidige Besluit opleidingseisen en deskundigheidsgebied klinisch
fysicus waarbij voor elk werkterrein een aanvullend pakket met specifieke deskundigheden
is opgenomen.72
Het klopt dat de Wet BIG juist bedoeld is om ruimte te bieden voor professionele autonomie
en de verdere ontwikkeling van het vak. Het is belangrijk om alleen die beroepen en
voorbehouden handelingen te reguleren waar het vanuit patiëntveiligheid en kwaliteitsdoelstellingen
noodzakelijk is. Uitgangspunt van de beroepenregulering in de Wet BIG is immers het
«nee, tenzij»-principe: beroepen en opleidingen worden alleen gereguleerd als dit
vanuit patiëntveiligheid en kwaliteitsbewaking strikt noodzakelijk is. Dat kan omdat
zij bepaalde risicovolle handelingen verrichten (voorbehouden handelingen), of omdat
het gewenst is dat ze onder het tuchtrecht vallen. De meeste beroepen in de gezondheidszorg
hebben geen beschermde titel en registratie in het BIG-register is dan niet nodig.
Zowel voor de opname in artikel 3 en 47 van de Wet BIG van de klinisch fysicus als
voor indeling van werkterreinen en toekennen van voorbehouden handelingen zijn de
adviezen van het Zorginstituut gevolgd.73 Uw Kamer heeft deze rapporten op 25 augustus 202374 en op 12 november 202475 met nadere toelichting van mijn ambtsvoorgangers ontvangen.
Naar aanleiding van deze adviezen wordt voor de werkterreinen van de klinisch fysicus,
behalve het werkterrein audiologie, in de wet vastgelegd dat de klinisch fysicus de
voorbehouden handeling met ioniserende straling zelfstandig mag uitvoeren. Vanuit
het oogpunt van de patiëntveiligheid en de kwaliteitsborging van de individuele beroepsuitoefening
wordt aan de klinisch fysicus audioloog de voorbehouden handeling waarbij gebruik
wordt gemaakt van radioactieve stoffen of toestellen die ioniserende stralen uitzenden
niet toegekend. Reden hiervoor is opgenomen in het eerste advies van het Zorginstituut
Nederland: «... in de differentiatie audiologie/videologie worden geen voorbehouden
handelingen uitgevoerd».76 In het advies is daarnaast opgenomen: «Het Zorginstituut merkt daarbij op dat de klinisch
fysicus met de differentiatie audiologie/videologie niet over de nodige deskundigheid
beschikt om de voorbehouden handelingen met ioniserende straling zelfstandig te indiceren,
uit te voeren en te delegeren». In het tweede adviesrapport is dit bevestigd en komt
het Zorginstituut tot de conclusie dat de klinisch fysicus audioloog voldoet aan het
tuchtrechtcriterium voor opname in artikel 3 van de Wet BIG.77 Vanuit het oogpunt van de patiëntveiligheid en de kwaliteitsborging van de individuele
beroepsuitoefening wordt daarom aan de klinisch fysicus audioloog de voorbehouden
handeling waarbij gebruik wordt gemaakt van radioactieve stoffen of toestellen die
ioniserende stralen uitzenden niet toegekend.
Algemeen uitgangspunt bij het opstellen van wet- en regelgeving is dat de wet de hoofdelementen
van een regeling moet bevatten. Hieronder valt ook de regeling rondom de voorbehouden
handelingen. Dat maakt dat de hoofdelementen van de opname van de klinisch fysicus,
waaronder de regeling rondom de voorbehouden handeling, in de wet worden opgenomen.
Daardoor blijkt direct uit de wet wie welke voorbehouden handeling mag uitvoeren.
De klinisch fysicus met de differentiatie audiologie/videologie beschikt niet over
de nodige deskundigheid om de voorbehouden handelingen met ioniserende straling zelfstandig
te indiceren, uit te voeren en te delegeren. Het is belangrijk om hierover in de wet
duidelijkheid te bieden. Dit zorg voor transparantie over de bevoegdheden richting
de patiënt en andere zorgprofessionals en is een extra waarborg voor de patiëntveiligheid.
Daarom is, vanuit het oogpunt van duidelijkheid van regelgeving, van transparantie
voor de individuele patiëntenzorg en van de patiëntveiligheid, het niet toekennen
aan de klinisch fysicus audiologie van de voorbehouden handeling waarbij gebruik wordt
gemaakt van radioactieve stoffen of toestellen die ioniserende stralen uitzenden,
in de wet opgenomen. Om de klinisch fysicus audioloog te kunnen uitzonderen van de
voorbehouden handelingen is het noodzakelijk om de werkterreinen in de wet zelf op
te nemen.
Er is expliciet niet voor gekozen om in de wet te verwijzen naar lagere wetgeving.
Dit is bijvoorbeeld wel gedaan bij enkele uitzonderingen voor andere beroepsgroepen
waar sprake was van de toekenning van één of meerdere (andere) voorbehouden handelingen.
Dan geldt inderdaad het bekwaamheidsvereiste van artikel 35a waarbij voor het zelfstandig
uitvoeren van de voorbehouden handeling aan de zelfstandig bevoegden het vereiste
van de individuele bekwaamheid wordt gesteld. In tegenstelling tot deze beroepen waarbij
sprake was van de toekenning van één of meerdere (andere) voorbehouden handelingen
wordt aan de klinisch fysicus audioloog geen voorbehouden handeling toegekend. Opname
in de Wet BIG van het beroep klinisch fysicus inclusief de audioloog is daarom volgens
de algemene uitgangspunten geregeld zoals hierboven beschreven.
Gelet op de zorgvuldige procedure die in dit wetgevingstraject is doorlopen, de twee
inhoudelijke adviezen van het Zorginstituut die hieraan ten grondslag liggen, het
uitgangspunt van patiëntveiligheid, kwaliteitsbewaking en het «nee, tenzij»-principe
van de Wet BIG, de uitgebreide en veelvuldige veldconsultaties, de regelmatige contactmomenten
met de beroepsvereniging en het blanco advies van de Raad van State op dit wetsvoorstel,
ben ik van mening dat het beroep van klinisch fysicus hiermee wordt geregeld op een
manier die aansluit bij de huidige praktijk en deskundigheid.
4. Peildata periodieke registratie
Geen opmerkingen of vragen van de fracties.
5. Digitalisering tuchtproces
Naar het oordeel van de leden van de PVV-fractie wordt terecht opgemerkt door derden dat de administratie- en uitvoeringslast van
het tuchtcollege een enorme vlucht heeft gemaakt. Ook in de media zijn daar eerder
berichten over verschenen. Het digitaliseren zal, naar verwachting, leiden tot een
toename van meldingen. Immers, de drempel is lager. Op zich is dat een goede ontwikkeling,
maar dan dienen klachten ook binnen de gestelde termijnen behandeld kunnen worden.
Hoe denkt de regering deze uitdaging te kunnen ondervangen.
Het wetsvoorstel maakt expliciet dat de tuchtrechtelijke procedure voor wat betreft
de indiening en uitwisseling van stukken digitaal kan plaatsvinden. De verwachting
is dat zowel voor burgers als voor BIG-geregistreerde beroepsbeoefenaren als voor
de tuchtcolleges procederen langs elektronische weg zal bijdragen aan een betere,
snellere en veiligere communicatie. Ook leidt het tot een eenvoudiger en snellere
verwerking van aangeleverde stukken en een efficiëntere en meer duurzame werkwijze
bij de administraties van de tuchtcolleges. Dit sluit aan bij de taak van de overheid
om te waarborgen dat de tuchtrechtspraak zo goed mogelijk kan worden uitgevoerd.
Of digitale toegang ook zal leiden tot een toename van klachten is niet te voorspellen.
Het aantal binnenkomende klachten varieert en steeg in 2024 zonder digitale mogelijkheden
met ongeveer 7% ten opzichte van 2023. Jaarlijks rond april publiceren de tuchtcolleges
hun jaarcijfers, waaronder het aantal binnenkomende klachten, het aantal afgehandelde
klachten en de doorlooptijden. Cijfers over binnengekomen en afgehandelde klachten
én doorlooptijden worden altijd gemonitord.
Voor wat betreft de digitalisering van het tuchtproces is expliciet in de memorie
van toelichting van het wetsvoorstel opgenomen dat het gaat om de mogelijkheid om
de klacht langs elektronische weg in te dienen en het niet gaat om een verplichting,
want de papieren weg blijft daarnaast mogelijk. De burger heeft daarmee de keuze om
een klacht digitaal of op papier in te dienen. De voorzitter van een tuchtcollege
kan wel, als eenmaal is gekozen voor de elektronische weg, bepalen dat de procedure
wordt voortgezet langs papieren weg.
Met betrekking tot uw vraag over de gestelde termijnen kan ik u het volgende melden:
voor de behandeling van binnenkomende klachten bij de tuchtcolleges zijn geen wettelijke
termijnen. De Wet BIG bevat wel een uitspraaktermijn78 en in de reglementen zijn ordetermijnen opgenomen. Het Centraal Tuchtcollege heeft
de wettelijke taak om te waken tegen onnodige vertraging in de behandeling van zaken
door de regionale tuchtcolleges.79 Deze taak geeft het Centraal Tuchtcollege de mogelijkheid om zo nodig op (doorloop)termijnen
in te grijpen. Zij kan een regionaal tuchtcollege een bepaalde termijn geven. Hierbij
is van belang om te benoemen dat ook hiervoor geen wettelijke termijnen zijn.
De leden van de CDA-fractie constateren dat met dit wetsvoorstel expliciet wordt gemaakt dat het tuchtproces
ook (deels) digitaal kan plaatsvinden. Zij begrijpen deze wens, maar zouden graag
willen weten wat hiervan naar verwachting de gevolgen zijn voor het aantal klachten.
Deze leden verwijzen onder andere naar de zorgen van de Verpleegkundigen en Verzorgenden
Nederland (V&VN) hierover. Deze leden vragen of de regering deelt dat een (significante)
toename van het aantal klachten onwenselijk zou zijn, vanwege de lagere drempels door
digitalisering. Ook vragen deze leden of de regering bereid is dit te monitoren en
te bezien of maatregelen nodig zijn indien blijkt dat hiervan daadwerkelijk sprake
is.
Het wetsvoorstel maakt expliciet dat de tuchtrechtelijke procedure voor wat betreft
de indiening en uitwisseling van stukken digitaal kan plaatsvinden. De verwachting
is dat zowel voor burgers als voor BIG-geregistreerde beroepsbeoefenaren als voor
de tuchtcolleges procederen langs elektronische weg zal bijdragen aan een betere,
snellere en veiligere communicatie. Ook leidt het tot een eenvoudiger en snellere
verwerking van aangeleverde stukken en een efficiëntere en meer duurzame werkwijze
bij de administraties van de tuchtcolleges. Dit sluit aan bij de taak van de overheid
om te waarborgen dat de tuchtrechtspraak zo goed mogelijk kan worden uitgevoerd.
Of digitale toegang ook zal leiden tot een toename van klachten is niet te voorspellen.
Het aantal binnenkomende klachten varieert en steeg in 2024 zonder digitale mogelijkheden
met ongeveer 7% ten opzichte van 2023. Jaarlijks rond april publiceren de tuchtcolleges
hun jaarcijfers, waaronder het aantal binnenkomende klachten, het aantal afgehandelde
klachten en de doorlooptijden. Cijfers over binnengekomen en afgehandelde klachten
én doorlooptijden worden altijd gemonitord.
Voor wat betreft de digitalisering van het tuchtproces is expliciet in de memorie
van toelichting van het wetsvoorstel opgenomen dat het gaat om de mogelijkheid om
de klacht langs elektronische weg in te dienen en het niet gaat om een verplichting,
want de papieren weg blijft daarnaast mogelijk. De burger heeft daarmee de keuze om
een klacht digitaal of op papier in te dienen. De voorzitter van een tuchtcollege
kan wel, als eenmaal is gekozen voor de elektronische weg, bepalen dat de procedure
wordt voortgezet langs papieren weg. Daarnaast wijzigt de procedure rondom het indienen
van een tuchtklacht en de behandeling ervan niet. Dat betekent dat het griffierecht
voldaan dient te worden voordat tot behandeling van de klacht wordt overgegaan.
Het terugdringen van het aantal binnenkomende klachten kan geen doel op zichzelf zijn.
Het tuchtrecht ziet op het algemene patiënten belang en heeft tot doel de kwaliteit
van de beroepsuitoefening op peil te houden. Het heeft twee functies. Ten eerste het
bevorderen van het leren van de beroepsgroep door het verduidelijken en aanscherpen
van de normen van het professioneel handelen. Ten tweede het corrigeren van disfunctionerende
beroepsbeoefenaren en hen zo nodig van de beroepsuitoefening uit te sluiten.80 Het is hierbij ook, zoals weergegeven in de memorie van toelichting bij dit wetsvoorstel,
de taak van de overheid om te waarborgen dat de tuchtrechtspraak zo goed mogelijk
kan worden uitgevoerd, zo toegankelijk mogelijk is en dat de stukkenstroom zo veilig
mogelijk plaatsvindt. Een uitspraak over de wenselijkheid van een toe- of afname van
het aantal binnenkomende klachten past hier niet bij.
6. Financiële lasten en regeldruk
Geen opmerkingen of vragen van de fracties.
7. Advies en consultatie
Geen opmerkingen of vragen van de fracties.
8. Europees recht en gevolgen voor Caribisch Nederland
Geen opmerkingen of vragen van de fracties.
II. ARTIKELSGEWIJS
Geen opmerkingen of vragen van de fracties.
De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, W.R.C. Sterk
Indieners
W.R.C. Sterk, minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport