Lijst van vragen : Lijst van vragen over Adviesaanvraag Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) 'Herziening verdeling gemeentefonds per 1 januari 2027' (Kamerstuk 36800-B-18)
2026D11959 LIJST VAN VRAGEN
De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken heeft een aantal vragen voorgelegd aan
de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over de brief van 16 februari
2026 inzake de Adviesaanvraag Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) «Herziening verdeling
gemeentefonds per 1 januari 2027» (36 800 B, nr. 18).
De fungerend voorzitter van de commissie,
Van Eijk
De griffier van de commissie,
Honsbeek
Nr
Vraag
1
Hoe beoordeelt u of de voorgestelde wijzigingen daadwerkelijk leiden tot een betere
aansluiting tussen objectieve kosten en de verdeling van middelen uit het gemeentefonds,
en hoe wordt voorkomen dat het verdeelmodel prikkels creëert die gemeentelijk beleid
of gedrag onbedoeld beïnvloeden?
2
Welke gemeenten profiteren naar verwachting van de nieuwe maatstaf voor inwoners met
een herkomst buiten Europa en welke gemeenten ondervinden juist nadeel van deze wijziging?
3
Welke typen gemeenten ondervinden relatief voordeel of nadeel van de verschillende
varianten van de nieuwe maatstaf voor huishoudens met een laag inkomen, bijvoorbeeld
studentensteden, gemeenten met veel zorginstellingen of toeristische gemeenten?
4
Hoe waarborgt u dat de maatstaf voor huishoudens met een laag inkomen voldoende stabiel
en uitlegbaar blijft, zodat gemeenten hun meerjarige begrotingen kunnen baseren op
een voorspelbare verdeling van middelen?
5
Waarom wordt ervoor gekozen een nieuwe maatstaf uit regressieanalyses voor de clusters
Jeugd en Wmo door te trekken naar andere clusters van het gemeentefonds zonder dat
deze clusters afzonderlijk opnieuw zijn doorgerekend?
6
In hoeverre is een steekproef van 71 gemeenten representatief voor alle 342 gemeenten
in Nederland en welke onzekerheidsmarges ziet u in de uitkomsten van deze regressieanalyse?
7
Op welke wijze worden deze onzekerheden meegewogen in het uiteindelijke verdeelmodel?
8
Waarom is gekozen voor een relatief complexe statistische methode zoals een regressieanalyse
en in hoeverre zijn eenvoudiger en transparanter verdeelcriteria mogelijk?
9
Welke gevolgen heeft het nieuwe model naar verwachting voor verschillende typen gemeenten,
zoals grote steden, middelgrote gemeenten en plattelandsgemeenten?
10
Hoe wordt voorkomen dat de verevening van overige eigen middelen en de onroerendezaakbelasting
(OZB) ongewenste prikkels creëert, bijvoorbeeld doordat gemeenten die hun OZB verhogen
indirect worden beloond via een hogere uitkering uit het gemeentefonds?
11
Hoe werken de voorgestelde aanpassingen in de verevening van eigen middelen uit voor
gemeenten met verschillende belastingcapaciteit, bijvoorbeeld gemeenten met relatief
lage of juist hoge WOZ-waarden?
12
Wordt bij de verdeling van middelen via het gemeentefonds rekening gehouden met het
fenomeen van zogenoemde New Towns, steden die grotendeels in dezelfde periode zijn
gebouwd en daardoor tegelijkertijd te maken krijgen met grootschalige vervanging en
afschrijving van infrastructuur, riolering en openbare ruimte, en zo ja op welke wijze
wordt dit in de verdeelsystematiek meegenomen?
13
In hoeverre sluit de opslag die gemeenten met een slappe of zachte bodem ontvangen
binnen het gemeentefonds aan bij de werkelijke kosten die gemeenten maken door bodemdaling
en funderingsproblematiek?
14
Bent u bereid te onderzoeken of deze vergoeding toereikend is?
15
Op welke manier is het gemeentefonds toegesneden op de uitdagingen van kleine en plattelandsgemeenten?
16
Vindt u alle voorgestelde wijzigingen in het verdeelmodel een verbetering ten opzichte
van het huidige model, en kunt u dit per voorstel toelichten?
17
Kunt u toelichten welke inhoudelijke keuzes zijn gemaakt om tot de voorstellen te
komen?
18
Wat zal de financiële impact zijn per gemeente, met andere woorden wat zijn de herverdelingseffecten
van de voorstellen?
19
Hoe zijn de gemeenten tot nu toe meegenomen in het proces?
20
Hoe verhoudt het voornemen om een nieuwe onderzoeksagenda te starten zich tot de behoefte
aan stabiliteit en voorspelbaarheid bij gemeenten?
21
Waarom is het niet gelukt om de onderzoeken die voor de komende jaren worden voorgesteld
al eerder uit te voeren?
22
Waarom wordt juist het laagste inkomensdeciel niet meegenomen in de maatstaf huishoudens
laag inkomen?
23
Kunt u bij het model jeugd toelichten hoe de voorstellen aansluiten bij de gemeentelijke
praktijk en wat de effecten voor gemeenten zijn?
24
Hoe wordt stapeling van problematiek dan meegenomen in het model jeugd in het licht
van het feit dat gesteld wordt dat de stapelingsmaatstaf in het model jeugd een te
lage verklaringskracht heeft?
25
In welke mate maken kinderen van gescheiden ouders vaker gebruik van jeugdzorg?
26
Kan worden toegelicht hoe het feit dat de maatstaf eenoudergezinnen in het voorstel
bijna de helft van het model jeugd vormt, aansluit bij de praktijk?
27
Kunt u bij het Wmo-model toelichten hoe de voorstellen aansluiten bij de gemeentelijke
praktijk en wat de effecten voor gemeenten zijn?
28
Op welke wijze wordt stapeling van problematiek meegenomen in het Wmo-model?
29
Kunt u het volledige tijdspad schetsen van nu tot aan de meicirculaire?
30
Hoe wordt de instemming van de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) en de Vereniging
van Nederlandse Gemeenten (VNG) voor het vervolgproces beoordeeld en gewogen?
31
Wat gebeurt er indien de ROB en/of de VNG de voorgestelde wijzigingen niet ondersteunen?
32
Wordt de data die ten grondslag ligt aan de voorstellen uit de adviesaanvraag openbaar
gemaakt? Zo nee, waarom niet?
33
Wat wordt bedoeld met «het creëren van een uitzonderingsclausule naast de algemene
uitkering voor specifieke gemeenten»?
34
Wat zijn de gevolgen van de afname van de totale inkomsten uit de Overige eigen middelen
voor de verevening van de Overige eigen middelen en voor de voorstellen die gedaan
kunnen worden?
35
Waarom wordt in het verdeelmodel niet uitgegaan van de werkelijke OZB-opbrengsten
van gemeenten, maar van de belastingcapaciteit van gemeenten? Wat zijn de voor- en
nadelen van beide systemen?
36
Waarom wordt in het verdeelmodel niet uitgegaan van de werkelijke OZB-opbrengsten
van gemeenten, maar van de belastingcapaciteit van gemeenten? Wat zijn de voor- en
nadelen van beide systemen?
37
Welk percentage geldt thans voor de verevening van de OZB?
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
W.P.J. van Eijk, voorzitter van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken -
Mede ondertekenaar
G.C. Honsbeek, griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.