Amendement : Amendement van de leden Grinwis en De Hoop over betaalbaarheidsdoelstellingen in de nieuwbouwopgave en een afwijkingsmogelijkheid om volkshuisvestelijke redenen
36 881 Wijziging van het voorstel van wet tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht, de Huisvestingswet 2014, de Omgevingswet, de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de Woningwet in verband met de versterking van de regie op de volkshuisvesting en met het oog op enkele andere met de volkshuisvesting samenhangende maatregelen (Wet versterking regie volkshuisvesting)
Nr. 8
AMENDEMENT VAN DE LEDEN GRINWIS EN DE HOOP
Ontvangen 12 maart 2026
De ondergetekenden stellen het volgende amendement voor:
In artikel I, onderdeel B, worden voor subonderdeel 1 twee subonderdelen ingevoegd,
luidende:
0a. Onderdeel AA wordt als volgt gewijzigd:
1. Voor de tekst wordt de aanduiding «2.» geplaatst.
2. Voor subonderdeel 2 (nieuw) worden een aanhef en een subonderdeel ingevoegd, luidende:
Artikel 2.26 wordt als volgt gewijzigd:
1. Aan het opschrift wordt toegevoegd «internationaalrechtelijke verplichtingen».
3. In subonderdeel 2 (nieuw) wordt « Aan artikel 2.26» vervangen door «Er»
0b. Na onderdeel AA worden drie onderdelen ingevoegd, luidende:
AB
Na artikel 2.26 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 2.26a (verplichte instructieregels Rijk volkshuisvestingsprogramma’s)
1. Regels op grond van artikel 2.24 worden met het oog op een evenwichtige samenstelling
van de woningvoorraad in ieder geval gesteld over programma’s als bedoeld in de artikelen
3.6, derde lid, en 3.8, vierde lid.
2. De regels strekken er in ieder geval toe dat:
a. een programma als bedoeld in artikel 3.6, derde lid, in ieder geval voorziet in de
verwezenlijking van de gemeentelijke woningbouwopgave als het totale aantal op basis
van dat programma te realiseren woningen:
1°. voor ten minste twee derde uit betaalbare woningen bestaat, en
2°. voor ten minste 30% uit sociale huurwoningen bestaat.
b. een programma als bedoeld in artikel 3.8, vierde lid, in ieder geval voorziet in de
verwezenlijking van de provinciale woningbouwopgave als het totale aantal op basis
van dat programma te realiseren woningen per woningbouwregio:
1°. voor ten minste twee derde uit betaalbare woningen bestaat, en
2°. voor ten minste 30% uit sociale huurwoningen bestaat.
AC
Artikel 2.32, derde lid, komt te luiden:
3. Bij een regel op grond van artikel 2.24, eerste lid, kan worden bepaald dat gedeputeerde
staten:
a. op verzoek van een bestuursorgaan van een gemeente of waterschap, ontheffing kunnen
verlenen van die regel, als de aanwijzing of begrenzing van een locatie waarop die
regel ziet, wordt bepaald in een besluit van een bestuursorgaan van de provincie,
b. op verzoek van een bestuursorgaan van een gemeente, ontheffing kunnen verlenen van
die regel, als het gaat om een regel als bedoeld in artikel 2.26a.
AD
Na artikel 2.32 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 2.32a (verplichte provinciale ontheffingsmogelijkheid gemeentelijk volkshuisvestingsprogramma)
1. Op grond van artikel 2.32, derde lid, onder b, wordt in ieder geval voor de regel
over het gemeentelijk volkshuisvestingsprogramma, bedoeld in artikel 2.26a, tweede
lid, aanhef en onder a, onder 2°, bepaald dat gedeputeerde staten op verzoek van een
bestuursorgaan van een gemeente ontheffing kunnen verlenen.
2. Bij de regel wordt bepaald dat de ontheffing, onverminderd artikel 2.32, vijfde lid,
alleen kan worden verleend voor zover is verzekerd dat in de woningbouwregio waartoe
de betrokken gemeente behoort, aan de doelstellingen, bedoeld in 2.26a, tweede lid,
onder b, kan worden voldaan.
Toelichting
Dit amendement strekt ertoe de betaalbaarheidsdoelstelling in de nieuwbouwopgave te
vereenvoudigen door minimaal 2/3e betaalbare woningen en als onderdeel daarvan 30%
sociale huur in de nieuwbouwprogrammering op gemeentelijk niveau als uitgangspunt
vast te leggen. Dit leidt tot een robuustere en eenvoudigere werkwijze dan het gewijzigde
voorstel van de regering.
Bij indiening van de Tweede nota van wijziging heeft de regering namelijk aangegeven
de werkwijze rondom de betaalbaarheidsdoelstellingen te wijzigen. De nieuwe werkwijze
behelst een verplichting voor gemeenten om ofwel 40% van de te realiseren woningen
te programmeren in het middensegment, dan wel 30% sociale huur te programmeren. Bij
deze uitwerking geldt als instructieregel voor het gemeentelijk volkshuisvestingsprogramma
dat een gemeente met meer sociale huur in de bestaande voorraad dan het landelijk
gemiddelde sociale huur ten minste 40% van de te realiseren woningen moet richten
op middeninkomens (betaalbare koop en middenhuur). Een gemeente met een voorraad sociale
huur van minder of gelijk dan het landelijk gemiddelde moet ten minste 30% sociale
huur in de nieuwbouwopgave programmeren. Tegelijkertijd blijven de betaalbaarheidsdoelstellingen
van ten minste twee derde betaalbare woningen (middenhuur én betaalbare koop) en 30%
sociale huurwoningen op nationaal niveau, provinciaal niveau en regionaal niveau bestaan.
Indieners voorzien grote uitvoeringsproblemen als gevolg van deze onduidelijke nieuwe
betaalbaarheidsdoelstellingen. Immers, indien omliggende gemeenten afwijken en minder
dan 30% sociale huurwoningen programmeren, zullen andere gemeenten extra sociale huurwoningen
moeten programmeren, om de regionale 30% sociale huur blijvend te behalen. Hetzelfde
geldt voor de woningen voor middeninkomens. Als één grote gemeente afwijkt van de
percentages, heeft dat fikse consequenties voor de programmering van een veelvoud
aan kleine gemeenten in de omtrek. Hierover dienen in regionaal verband afspraken
gemaakt te worden. In de huidige systematiek van regionale verdeling kunnen er straks
grote verschillen ontstaan tussen gemeenten betreffende betaalbare woningbouw, wat
als risico heeft dat er een complex overlegcircuit ontstaat. De voorgestelde systematiek
faciliteert niet de solidariteit tussen gemeenten om 30% sociale huur en 2/3e betaalbaar te realiseren. Indieners zijn bang dat deze systematiek niet genoeg stuurt,
leidt tot te veel vrijheid, en daarmee vertraging en lastige regionale overleggen
tot gevolg heeft. Daarenboven zijn indieners van mening dat het noodzakelijk, wenselijk
en eenduidig is dat alle gemeenten in principe onverwijld invulling geven aan dezelfde
volkshuisvestelijke opgave. Er is enorme nood aan betaalbare woningen, júist ook in
het sociale segment.
Indieners stellen daarom voor terug te vallen op de eenduidige regel dat de betaalbaarheidsdoelstelling
in de nieuwbouwopgave van minimaal 2/3e betaalbaar en 30% sociale huur op gemeentelijk
niveau geldt. Maatwerk op gemeentelijk niveau blijft wel mogelijk, doordat provincies
de bevoegdheid krijgen om gemeenten te ontheffen van deze betaalbaarheidsdoelstelling
– om volkshuisvestelijke redenen –, onder de voorwaarde dat de betaalbaarheidsopgave
voor minimaal 2/3e betaalbaar en 30% sociale huur in regionaal verband ingevuld blijft.
Grinwis De Hoop
Indieners
-
Indiener
Don Ceder, Kamerlid -
Medeindiener
Habtamu de Hoop, Kamerlid
Appreciatie (oordeel)
Ontraden
De minister of staatssecretaris is het niet eens met de motie en adviseert de Kamer om tegen de motie te stemmen. Bijvoorbeeld omdat hij of zij vindt dat de motie wettelijk niet klopt, te veel geld kost om uit te voeren, of helemaal niet uitvoerbaar is.
Stemmingsuitslagen
Verworpen met handopsteken
| Fracties | Zetels | Voor/Tegen |
|---|---|---|
| D66 | 26 | Tegen |
| VVD | 22 | Tegen |
| GroenLinks-PvdA | 20 | Voor |
| PVV | 19 | Tegen |
| CDA | 18 | Tegen |
| JA21 | 9 | Tegen |
| FVD | 7 | Voor |
| Groep Markuszower | 7 | Tegen |
| BBB | 3 | Tegen |
| ChristenUnie | 3 | Voor |
| DENK | 3 | Voor |
| PvdD | 3 | Voor |
| SGP | 3 | Tegen |
| SP | 3 | Voor |
| 50PLUS | 2 | Voor |
| Keijzer | 1 | Tegen |
| Volt | 1 | Voor |