Inbreng verslag schriftelijk overleg : Inbreng verslag van een schriftelijk overleg over Fiche: Finaliteitsverordening (Kamerstuk 22112-4242)
2026D10227 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
De vaste commissie voor Financiën heeft op 5 maart 2026 een aantal vragen en opmerkingen
voorgelegd aan de Minister van Financiën over het door de Minister van Buitenlandse
Zaken op 30 januari 2026 toegezonden fiche op het beleidsterrein Financiën:
Fiche – Finaliteitsverordening (Kamerstuk 22 112, nr. 4242).
De fungerend voorzitter van de commissie,
Van der Lee
Adjunct-griffier van de commissie,
Van der Steur
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het fiche finaliteitsverordening.
Deze leden onderschrijven het belang van een duidelijke en geharmoniseerde finaliteitsverordening
voor de financiële stabiliteit. De leden van de D66-fractie onderschrijven daarnaast
het belang van wettelijke duidelijkheid voor digitale innovaties. Deze leden hebben
verder momenteel geen vragen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het fiche van de werkgroep Beoordeling
Nieuwe Commissievoorstellen (BNC) over de finaliteitsverordening. De leden van de
VVD-fractie zijn over het algemeen verheugd om te lezen dat er werk wordt gemaakt
van een diepere Europese kapitaalmarkt. Ze hebben nog een vraag over het fiche.
De leden van de VVD-fractie lezen ten aanzien van de implementatietermijn in het voorstel
van de Europese Commissie dat, om te voldoen aan de nieuwe vereisten in de richtlijn,
er binnen 18 maanden na inwerkingtreding van deze verordening wetgeving moet zijn
vastgesteld. Dit is voor het Nederlandse wetgevingsproces een krappe termijn zo stelt
het kabinet. Tijdens de onderhandelingen zal daarom ingezet worden op 24 maanden.
De leden van de VVD-fractie vragen het kabinet of het niet tóch verantwoorde mogelijkheden
ziet tot versnelling van de implementatietermijn. Deze leden vinden het in het kader
van de Europese en Nederlandse concurrentiekracht namelijk van belang dat er met tempo
wordt gewerkt aan een diepere Europese en Nederlandse kapitaalmarkt.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van het voorstel van de Europese
Commissie tot verdere harmonisatie van regels omtrent de afwikkeling van betalingen,
effecten en innovatieve financiële transacties. Gezien de verstrekkende gevolgen voor
de nationale rechtsorde, de financiële sector en de autonomie van Nederland, hebben
deze leden hierover een aantal vragen aan het kabinet.
De leden van de PVV-fractie willen weten waarom er binnen de Europese Unie is gekozen
voor een verordening in plaats van een richtlijn, aangezien een verordening Nederland geen ruimte laat om eigen juridische nuances
aan te brengen in de afwikkeling van betalingen en effecten.
Deze leden vragen ook hoe het kabinet rechtvaardigt dat de Europese Commissie via
gedelegeerde handelingen de bevoegdheid krijgt om essentiële definities – zoals wie
mag deelnemen aan een systeem – aan te passen, zonder dat het nationale parlement
daar nog directe invloed op kan uitoefenen.
De leden van de PVV-fractie willen vernemen in hoeverre de versterkte rol van Europese
agentschappen zoals ESMA en de EBA bij het opstellen van technische normen leidt tot
een verdere uitholling van de autoriteit en expertise van onze eigen nationale toezichthouder,
De Nederlandsche Bank.
De leden van de PVV-fractie willen ook weten of het kabinet het wenselijk acht dat
Brussel via rechtstreeks werkende regels bepaalt hoe de Nederlandse Faillissementswet
moet worden toegepast op financiële transacties, waardoor onze rechtelijke autonomie
wordt beperkt.
Voorts willen de leden van de PVV-fractie weten waarom de afwikkeling van speculatieve
innovaties zoals crypto-activa en «token-based» transacties op Europees niveau moet
worden gefaciliteerd en geharmoniseerd, in plaats van dit over te laten aan strikte
nationale kaders die de Nederlandse belastingbetaler beter beschermen.
De leden van de PVV-fractie vragen hoe kan worden gegarandeerd dat de extra taken
voor Europese toezichthouders en de oprichting van centrale databases op termijn niet
zullen leiden tot een hogere Nederlandse EU-afdracht of extra administratieve lasten
voor het Nederlandse bedrijfsleven.
Deze leden willen ook weten in hoeverre de Europese harmonisatie van regels voor systemen
uit derde landen de mogelijkheid voor Nederland belemmert om zelfstandig gunstige
financiële afspraken te maken met landen buiten de Europese Unie.
De leden van de PVV-fractie vragen waarom een Europese aanpak noodzakelijk zou zijn
voor de modernisering van technologische aspecten zoals DLT, terwijl lidstaten dit
ook prima zelf kunnen regelen binnen hun eigen innovatieve financiële sector, zonder
de regie aan Brussel over te dragen.
De leden van de PVV-fractie willen weten hoe het kabinet gaat voorkomen dat fundamentele
Nederlandse belangen in de financiële sector worden weggestemd, nu dit voorstel met
een gekwalificeerde meerderheid wordt besloten en Nederland dus geen vetorecht heeft.
De leden van de PVV-fractie vragen tot slot waarom het kabinet instemt met een zeer
krappe implementatietermijn van 18 maanden, die de zorgvuldigheid van de noodzakelijke
Nederlandse wetswijzigingen onder druk zet enkel om aan de Brusselse agenda te voldoen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie achten het een positieve ontwikkeling dat binnen het betalingsverkeer
meer ruimte wordt geboden voor digitale innovaties, waaronder toepassingen van Distributed
Ledger Technology (DLT). Deze leden vragen echter in hoeverre deze verruiming ertoe
kan leiden dat (delen van) de cryptomarkt feitelijk buiten het bestaande toezichtskader
opereren. Hoe wordt geborgd dat technologische neutraliteit niet resulteert in gedeeltelijk
ongereguleerde activiteiten of nieuwe toezichtlacunes?
Daarnaast vragen deze leden hoe wordt ingezet op een goede en duidelijke taakafbakening
tussen ESMA, EBA en de nationale toezichthouders. Nu registratie plaatsvindt bij ESMA
en EBA, terwijl lidstaten eveneens bevoegdheden behouden, rijst de vraag hoe overlap
wordt voorkomen. Op welke wijze wordt geborgd dat deze aanpassing niet leidt tot dubbele
registratieverplichtingen of een toename van regeldruk voor marktpartijen?
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
T.M.T. van der Lee, voorzitter van de vaste commissie voor Financiën -
Mede ondertekenaar
R.A. van der Steur, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.