Voorstel van wet : Voorstel van wet
36 902 Wijziging van de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen in verband met onder andere de toevoeging van een verplichting voor gemeenten en openbare lichamen om ten minste één volwaardige bibliotheekvoorziening in stand te houden, alsmede tot wijziging van de Auteurswet en de Wet op de naburige rechten in verband met onder andere de toevoeging van een regeling voor een leenrechtvergoeding bij uitleningen door schoolbibliotheken
ARTIKEL I. WET STELSEL OPENBARE BIBLIOTHEEKVOORZIENINGEN
ARTIKEL II. AUTEURSWET
ARTIKEL III. WET OP DE NABURIGE RECHTEN
ARTIKEL IV. OVERGANGSRECHT WET STELSEL OPENBARE BIBLIOTHEEKVOORZIENINGEN
ARTIKEL V. INWERKINGTREDING
Nr. 2
VOORSTEL VAN WET
Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat bibliotheken een essentiële maatschappelijke
en culturele voorziening zijn; dat alle inwoners van Nederland binnen een redelijke
afstand toegang dienen te hebben tot een volwaardige openbare bibliotheekvoorziening;
dat het daarom wenselijk is het bibliotheekstelsel structureel te verstevigen door
te voorzien in een verplichting voor gemeenten en openbare lichamen om te zorgen dat
er in elke gemeente een openbare bibliotheekvoorziening is en dat het nodig is daartoe
de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen te wijzigen; dat het tevens wenselijk
is de Auteurswet en de Wet op de naburige rechten te wijzigen om onder andere te voorzien
in een leenrechtvergoeding bij uitleningen door schoolbibliotheken;
Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen
overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden
en verstaan bij deze:
ARTIKEL I. WET STELSEL OPENBARE BIBLIOTHEEKVOORZIENINGEN
De Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 1 komt te luiden:
Artikel 1. Begripsbepalingen
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
bibliotheekorganisatie:
organisatie, genoemd in artikel 2 van deze wet;
bibliotheekvoorziening:
een door een bibliotheekorganisatie verzorgde voorziening;
Koninklijke Bibliotheek:
de Koninklijke Bibliotheek, genoemd in artikel 1.5, tweede lid, van de WHW;
landelijke digitale bibliotheek:
bibliotheekvoorziening als bedoeld in artikel 17 van deze wet;
lokale bibliotheek:
organisatie met rechtspersoonlijkheid die een of meerdere voor een ieder toegankelijke
bibliotheekvoorzieningen verzorgt en die in overwegende mate door een of meer gemeenten
dan wel de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba wordt gesubsidieerd of
in stand gehouden;
Onze Minister:
Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
provinciale ondersteuningsinstelling:
in overwegende mate door een of meer provincies gesubsidieerde of in stand gehouden
voorziening die een pakket aan ondersteunende activiteiten biedt voor de lokale bibliotheken
in de desbetreffende provincie of provincies;
werk:
exemplaar van een werk als bedoeld in artikel 10 van de Auteurswet;
WHW:
Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
B
In artikel 2 vervalt de tweede volzin.
C
In artikel 3 wordt «met uitzondering van de artikelen 8, onderdelen a, b, c en e,
10, 11, eerste lid, 15 en 16» vervangen door «met uitzondering van de artikelen 8,
onderdelen a, b, c en e, 11, eerste lid, en 15».
D
In artikel 4 wordt «Een openbare bibliotheekvoorziening» vervangen door «Een bibliotheekorganisatie».
E
In artikel 5 wordt «Een voor een ieder toegankelijke openbare bibliotheekvoorziening
omvat» vervangen door «De lokale bibliotheek en de Koninklijke Bibliotheek, voor wat
betreft haar taak tot het in stand houden van de landelijke digitale bibliotheek,
vervullen».
F
Artikel 6 komt te luiden:
Artikel 6. Zorgplicht
1. Het college van burgemeester en wethouders dan wel het bestuurscollege voorziet in
een aanbod van bibliotheekvoorzieningen, dat als geheel binnen redelijke afstand voor
de inwoners toegankelijk is.
2. Als onderdeel van het aanbod, bedoeld in het eerste lid, houdt het college van burgemeester
en wethouders dan wel het bestuurscollege ten minste één bibliotheekvoorziening in
stand die:
a. alle vijf functies als bedoeld in artikel 5 van deze wet vervult;
b. een fysieke collectie heeft; en
c. over een professionele personeelsbezetting beschikt.
3. Het college van burgemeester en wethouders dan wel het bestuurscollege stelt met
het oog op de taak, bedoeld in het eerste lid, iedere vier jaar een meerjarenplan
vast. Het college van burgemeester en wethouders dan wel het bestuurscollege betrekt
de lokale bibliotheek bij het opstellen van het meerjarenplan.
4. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot
de inhoud van het meerjarenplan.
G
Artikel 7 komt te luiden:
Artikel 7. Netwerk en deelnemers
De lokale bibliotheken, de provinciale ondersteuningsinstellingen en de Koninklijke
Bibliotheek, voor wat betreft haar taken op grond van deze wet, vormen een netwerk.
H
Aan artikel 8 wordt, onder vervanging van «; en» aan het slot van onderdeel e door
een puntkomma en onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel f door «; en»
een onderdeel toegevoegd, luidende:
g. werkt samen met de andere deelnemers aan innovaties ten behoeve van bibliotheekvoorzieningen.
I
Artikel 8a. Leesbevordering in het onderwijs
1. Als onderdeel van de taak, bedoeld in artikel 8, onderdeel f, bevordert de lokale
bibliotheek het lezen bij onderwijsinstellingen als bedoeld in artikel 1 van de Wet
register onderwijsdeelnemers in de gemeente, gemeenten of het openbare lichaam waarin
zij werkzaam is.
2. Onze Minister kan ten behoeve van het onderdeel van de functie, bedoeld in het eerste
lid:
a. subsidie verstrekken; of
b. een specifieke uitkering, onderscheidenlijk een bijzondere uitkering verstrekken in
die gevallen waar de bibliotheekvoorziening onderdeel is van de gemeente of het openbaar
lichaam als rechtspersoon.
3. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over het verstrekken
van subsidie of een specifieke uitkering, bedoeld in het tweede lid.
J
In artikel 9, onderdeel b, wordt na «de landelijke digitale bibliotheek» ingevoegd
«en het ontwikkelen en in stand houden van de landelijke digitale infrastructuur,
in afstemming met de andere deelnemers aan het netwerk».
K
Artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het opschrift komt te luiden:
Artikel 10. Gezamenlijk collectieplan
2. In het eerste lid wordt na «elke vier jaar» ingevoegd «, in overeenstemming met vertegenwoordigers
van de lokale bibliotheken en provinciale ondersteuningsinstellingen,».
3. In het tweede lid wordt «Het collectieplan» vervangen door «Het gezamenlijk collectieplan».
4. Het derde lid vervalt.
L
Artikel 11 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid vervalt «voor de landelijke digitale bibliotheek».
2. In het tweede lid wordt «de desbetreffende openbare bibliotheekvoorziening» vervangen
door «de desbetreffende bibliotheekvoorziening».
M
Artikel 12 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het tweede lid komt te luiden:
2. Het lidmaatschap bij de openbare bibliotheek kan lidmaatschap bij een lokale bibliotheek,
bij de landelijke digitale bibliotheek of beide omvatten.
2. Het derde lid vervalt, onder vernummering van het vierde lid tot het derde.
N
Artikel 16 komt te luiden:
Artikel 16. Provinciale ondersteuningstaken
1. Gedeputeerde staten zorgen dat er een provinciale ondersteuningsinstelling ten behoeve
van de lokale bibliotheken in de provincie werkzaam is.
2. Een provinciale ondersteuningsinstelling:
a. verricht ondersteunende activiteiten ten behoeve van de lokale bibliotheken;
b. biedt kennis en advies over de inrichting, exploitatie en doorontwikkeling van lokale
bibliotheken;
c. is verantwoordelijk voor de distributie van fysieke werken door middel van het interbibliothecaire
leenverkeer binnen de provincie of provincies waarbinnen zij werkzaam is;
d. is samen met de andere provinciale ondersteuningsinstellingen verantwoordelijk voor
de distributie van fysieke werken door middel van het interbibliothecaire leenverkeer
tussen alle provincies; en
e. werkt samen met andere provinciale ondersteuningsinstellingen.
3. Onze Minister wijst, in afstemming met de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius
en Saba, één provinciale ondersteuningsinstelling aan die de activiteiten, bedoeld
in het tweede lid, onderdelen a en b, verricht ten behoeve van de lokale bibliotheken
in de openbare lichamen. De activiteiten, bedoeld in het tweede lid, onderdelen c
en d, hoeven niet door deze instelling in de openbare lichamen te worden verricht.
4. De aanwijzing, bedoeld in het derde lid, vindt telkens voor een periode van vijf
jaar plaats.
5. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over:
a. de procedure voor de aanwijzing van een provinciale ondersteuningsinstelling, bedoeld
in het derde lid; en
b. de verstrekking van subsidie aan de aangewezen provinciale ondersteuningsinstelling
voor de uitvoering van de taak, bedoeld in het derde lid.
O
Aan het opschrift van hoofdstuk 4 wordt toegevoegd «en de landelijke digitale infrastructuur».
P
Artikel 17 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid vervalt onderdeel a, onder verlettering van de onderdelen b tot
en met e tot a tot en met d.
2. Het tweede lid alsmede de aanduiding «1.» voor het eerste lid vervallen.
Q
Na artikel 17 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:
Artikel 17a. Landelijke digitale infrastructuur
1. De landelijke digitale infrastructuur, bedoeld in artikel 9, onderdeel b, omvat de
landelijk aangeboden digitale voorzieningen die nodig zijn voor het functioneren van
het netwerk, bedoeld in artikel 7.
2. De voorzieningen, bedoeld in het eerste lid, bestaan in ieder geval uit:
a. een nationale bibliotheekcatalogus waarin het aanbod van de openbare bibliotheken
ten behoeve van hun gebruikers wordt ontsloten;
b. een website-infrastructuur ten behoeve van organisaties in het netwerk op basis van
uniforme specificaties;
c. een voorziening ten behoeve van de centrale gegevenslevering, bedoeld in artikel 11;
en
d. voorzieningen ten behoeve van het interbibliothecair leenverkeer, bedoeld in artikel
15.
Artikel 17b. Het beheerplan
1. De Koninklijke Bibliotheek gaat in een apart onderdeel van het instellingsplan, bedoeld
in artikel 2.2a van de WHW, in op de wijze waarop zij de landelijke digitale bibliotheek
en de landelijke digitale infrastructuur in stand houdt. Dit onderdeel van het instellingsplan
heet beheerplan.
2. Het beheerplan is afgestemd met de andere deelnemers aan het netwerk en bevat in
ieder geval:
a. een toelichting op de wijze waarop de Koninklijke Bibliotheek de landelijke digitale
bibliotheek in stand houdt aan de hand van de onderdelen, bedoeld in artikel 17, eerste
lid; en
b. een ontwikkelagenda ten behoeve van de integrale digitale netwerkinfrastructuur, die
bestaat uit landelijke, regionale en lokale voorzieningen.
R
In artikel 29 wordt «binnen vijf jaar» vervangen door «elke vijf jaar».
ARTIKEL II. AUTEURSWET
De Auteurswet wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 15d wordt als volgt gewijzigd:
1. Na de eerste zin wordt een zin ingevoegd, die luidt: De besluiten van deze stichting
worden in de Staatscourant gepubliceerd.
2. Aan de derde zin (nieuw) wordt toegevoegd «voor een periode van ten hoogste drie
jaren».
3. Na de derde zin (nieuw) worden vier zinnen toegevoegd, die luiden: De voorzitter
kan na afloop van deze periode aansluitend ten hoogste tweemaal worden herbenoemd
voor een periode van telkens ten hoogste drie jaren. In het benoemingsbesluit wordt
de hoogte van de beloning van de voorzitter geregeld. De in artikel 15f bedoelde rechtspersoon
draagt de kosten van de voorzitter van de in eerste zin bedoelde stichting. Bij algemene
maatregel van bestuur, op voordracht van Onze Minister van Justitie en Veiligheid
in overeenstemming met Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, kunnen
daaromtrent nadere regels worden gesteld.
B
Na artikel 15d wordt een artikel ingevoegd, dat luidt:
Artikel 15da
In afwijking van artikel 15c, tweede lid, zijn scholen als bedoeld in artikel 1 van
de Wet op het primair onderwijs, artikel 1.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020
en artikel 1 van de Wet op de expertisecentra, instellingen als bedoeld in artikel
1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, alsmede de aan die scholen of instellingen
verbonden bibliotheken ten behoeve van de maker of zijn rechtverkrijgende een billijke
vergoeding verschuldigd voor het uitlenen, bedoeld in artikel 12, eerste lid, onder
3°, van een exemplaar van een werk dat door of met toestemming van de maker of zijn
rechtverkrijgende in het verkeer is gebracht. De verplichting tot betaling van deze
vergoeding rust op de Staat. Bij algemene maatregel van bestuur, op voordracht van
Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, worden nadere regels gesteld over
de wijze waarop de hoogte van de vergoeding wordt vastgesteld.
C
In artikel 15e wordt na «artikel 15c, eerste lid,» ingevoegd: «of artikel 15da».
D
In artikel 15f, eerste lid, wordt na «artikel 15c» ingevoegd «en artikel 15da».
E
Artikel 16e wordt als volgt gewijzigd:
1. In de eerste zin wordt na «de in artikel 16c bedoelde vergoeding» ingevoegd «en de
voorwerpen ten aanzien waarvan die vergoeding verschuldigd is,» en wordt «wordt vastgesteld»
vervangen door «worden vastgesteld».
2. Na de eerste zin wordt een zin ingevoegd, die luidt: De besluiten van de stichting
worden in de Staatscourant gepubliceerd.
3. Aan de derde zin (nieuw) wordt toegevoegd «voor een periode van ten hoogste drie
jaren».
4. Na de derde zin (nieuw) worden vier zinnen toegevoegd, die luiden: De voorzitter
kan na afloop van deze periode aansluitend ten hoogste tweemaal opnieuw worden herbenoemd
voor een periode van telkens ten hoogste drie jaren. In het benoemingsbesluit wordt
de hoogte van de beloning van de voorzitter geregeld. De in artikel 16d bedoelde rechtspersoon
draagt de kosten van de voorzitter van de in de eerste zin bedoelde stichting. Bij
algemene maatregel van bestuur, op voordracht van Onze Minister van Justitie en Veiligheid,
kunnen daaromtrent nadere regels worden gesteld.
F
In artikel 17d wordt na «artikelen» ingevoegd: «15da,».
ARTIKEL III. WET OP DE NABURIGE RECHTEN
Artikel 15b van de Wet op de naburige rechten wordt als volgt gewijzigd:
1. Na de eerste zin wordt een zin ingevoegd, die luidt: De besluiten van deze stichting
worden in de Staatscourant gepubliceerd.
2. Aan de derde zin (nieuw) wordt toegevoegd «voor een periode van ten hoogste drie
jaren».
3. Na de derde zin (nieuw) worden vier zinnen toegevoegd, die luiden: De voorzitter
kan na afloop van deze periode aansluitend ten hoogste tweemaal opnieuw worden herbenoemd
voor een periode van telkens ten hoogste drie jaren. In het benoemingsbesluit wordt
de hoogte van de beloning van de voorzitter geregeld. De in artikel 15a bedoelde rechtspersoon
draagt de kosten van de in de eerste zin bedoelde stichting. Bij algemene maatregel
van bestuur, op voordracht van Onze Minister van Justitie en Veiligheid in overeenstemming
met Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, kunnen daaromtrent nadere
regels worden gesteld.
ARTIKEL IV. OVERGANGSRECHT WET STELSEL OPENBARE BIBLIOTHEEKVOORZIENINGEN
1. Het college van burgemeester en wethouders dan wel het bestuurscollege is gedurende
de eerste drie kalenderjaren na de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel F, van
deze wet niet verplicht om te voldoen aan de zorgplicht, bedoeld in artikel 6, eerste
lid, van de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen.
2. In afwijking van artikel 6, derde lid, van de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen
publiceert het college van burgemeesters en wethouders dan wel het bestuurscollege
het eerste meerjarenplan na inwerkingtreding van artikel I, onderdeel F, van deze
wet uiterlijk op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
ARTIKEL V. INWERKINGTREDING
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat
voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries,
autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.