Voorstel van wet : Voorstel van wet
36 898 Regels over de uitvoering van internationale sanctiemaatregelen (Wet internationale sanctiemaatregelen)
HOOFDSTUK 1. INLEIDENDE BEPALINGEN
Artikel 1.1 Begripsbepalingen
Artikel 1.2 Openbare lichamen
HOOFDSTUK 2. UITVOERING VAN INTERNATIONALE SANCTIEMAATREGELEN
HOOFDSTUK 3. MELDINGSPLICHTEN
HOOFDSTUK 4. BEPALINGEN BETREFFENDE DE BEDRIJFSPROCESSEN VAN INSTELLINGEN
HOOFDSTUK 5. BEPALINGEN OVER DE CONTINUÏTEIT EN AFWIKKELING VAN ONDERNEMINGEN
Artikel 5.1 Begripsbepalingen
Artikel 5.2 Uitoefening taken en bevoegdheden
Artikel 5.3 Ambtshalve aanwijzing van een bewindvoerder
Artikel 5.4 Regels over opdrachten van de bewindvoerder
Artikel 5.5 Aanwijzing bewindvoerder in de financiële sector
Artikel 5.6 Gegevensbescherming bij bewindvoering in de financiële sector
HOOFDSTUK 6. BEPALINGEN OVER HET BEHEER VAN REGISTERGOEDEREN
Artikel 6.1 Beheerovername registergoederen
Artikel 6.2 Kostenverhaal beheerovername
HOOFDSTUK 7. TOEZICHT EN HANDHAVING
HOOFDSTUK 8. GEGEVENSVERWERKING
HOOFDSTUK 9. BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
Artikel 9.1 Toepasselijkheid EU-rechtshandelingen
Artikel 9.2 Toezicht
Artikel 9.3 Strafrechtelijke handhaving
Artikel 9.4 Opsporingsbevoegdheden
HOOFDSTUK 10. WIJZIGINGEN VAN ANDERE WETTEN
Artikel 10.1 Wijziging Advocatenwet
Artikel 10.2 Wijziging Algemene douanewet
Artikel 10.3 Wijziging Algemene wet bestuursrecht
Artikel 10.4 Wijziging Handelsregisterwet 2007
Artikel 10.5 Wijziging Implementatiewet registratie uiteindelijk belanghebbenden van
trusts en soortgelijke juridische constructies
Artikel 10.6 Wijziging Kadasterwet
Artikel 10.7 Wijziging Pensioenwet
Artikel 10.8 Wijziging Sanctiewet 1977
Artikel 10.9 Wijziging Telecommunicatiewet
Artikel 10.10 Wijziging Wet bescherming oorspronkelijke topografieën van halfgeleiderproducten
Artikel 10.11 Wijziging Wet coördinatie terrorismebestrijding en nationale veiligheid
Artikel 10.12 Wijziging Wet financiële markten BES
Artikel 10.13 Wijziging Wet op de economische delicten
Artikel 10.14 Wijziging Wet op de kansspelen
Artikel 10.15 Wijziging Wet op het financieel toezicht
Artikel 10.16 Wijziging Wet op het notarisambt
Artikel 10.17 Wijziging Wet open overheid
Artikel 10.18 Wijziging Wet ruimtevaartactiviteiten
Artikel 10.19 Wijziging Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme
BES
Artikel 10.20 Wijziging Wet toezicht accountantsorganisaties
Artikel 10.21 Wijziging Wet toeicht trustkantoren 2018
Artikel 10.22 Wijziging Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames
Artikel 10.23 Wijziging Wet verplichte beroepspensioenregeling
Artikel 10.24 Wijziging Zaaizaad- en plantgoedwet 2005
HOOFDSTUK 11. SLOTBEPALINGEN
Artikel 11.1 Evaluatie
Artikel 11.2 Integrale tekstpublicatie
Artikel 11.3 Inwerkingtreding
Artikel 11.4 Citeertitel
Nr. 2
VOORSTEL VAN WET
Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het ter versterking van de uitvoering van
internationale sanctiemaatregelen wenselijk is om de bepalingen over dit onderwerp
te vernieuwen en uit te breiden;
Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen
overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden
en verstaan bij deze:
HOOFDSTUK 1. INLEIDENDE BEPALINGEN
Artikel 1.1 Begripsbepalingen
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
internationale sanctiemaatregelen:
beperkende maatregelen en maatregelen ten behoeve van de uitvoering daarvan, voortvloeiend
uit een verdrag, een bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie, een aanbeveling
van een volkenrechtelijke organisatie of een internationale afspraak, met betrekking
tot de handhaving of het herstel van de internationale vrede en veiligheid, de bevordering
van de internationale rechtsorde of de bestrijding van terrorisme;
onderneming:
onderneming als bedoeld in artikel 101, eerste lid, van het Verdrag betreffende de
werking van de Europese Unie;
Onze Minister:
Onze Minister van Buitenlandse Zaken;
sanctiebesluit:
algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2.1.1, eerste lid, of artikel
2.2.1;
sanctiemaatregelen:
internationale sanctiemaatregelen en krachtens hoofdstuk 2 gestelde regels;
sanctieregeling:
ministeriële regeling als bedoeld in artikel 2.1.1, eerste lid, of artikel 2.2.4,
eerste lid.
Artikel 1.2 Openbare lichamen
Deze wet, met uitzondering van hoofdstuk 4 en paragraaf 7.2 en met inachtneming van
de bij of krachtens hoofdstuk 9 gestelde regels, is mede van toepassing in de openbare
lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
HOOFDSTUK 2. UITVOERING VAN INTERNATIONALE SANCTIEMAATREGELEN
§ 2.1 Uitvoering van verdragen en bindende besluiten van volkenrechtelijke organisaties
Artikel 2.1.1 Uitvoeringsregels
1. Ter uitvoering van internationale sanctiemaatregelen voortvloeiend uit verdragen
of bindende besluiten van volkenrechtelijke organisaties, kunnen regels worden gesteld
bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij regeling van Onze Minister.
2. Het stellen van regels bij regeling van Onze Minister geschiedt in overeenstemming
met Onze Ministers die het mede aangaat en kan alleen als:
a. spoed dit vereist; of
b. de internationale sanctiemaatregelen beperkt ruimte laten voor beleidsinhoudelijke
keuzes.
§ 2.2 Uitvoering van aanbevelingen van volkenrechtelijke organisaties en internationale
afspraken
Artikel 2.2.1 Uitvoeringsregels
Ter uitvoering van internationale sanctiemaatregelen voortvloeiend uit aanbevelingen
van volkenrechtelijke organisaties of internationale afspraken, kunnen regels worden
gesteld bij of krachtens algemene maatregel van bestuur.
Artikel 2.2.2 Parlementaire betrokkenheid
1. Een krachtens artikel 2.2.1 vastgestelde algemene maatregel van bestuur wordt aan
de beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. Binnen vier weken na de overlegging
kan door of namens een van de Kamers of door ten minste een vijfde van het grondwettelijk
aantal leden van een van de Kamers de wens te kennen worden gegeven dat de algemene
maatregel van bestuur bij wet wordt bekrachtigd. In dat geval wordt een daartoe strekkend
voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend.
2. Als het voorstel van wet wordt ingetrokken of een van de Kamers der Staten-Generaal
besluit het voorstel niet aan te nemen, wordt de algemene maatregel van bestuur ingetrokken.
Artikel 2.2.3 Werkingsduur algemene maatregel van bestuur
1. De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 2.2.1, vervalt op een door
Onze Minister te bepalen tijdstip dat niet later valt dan drie jaar na het tijdstip
van inwerkingtreding van het besluit, tenzij voor die vervaldatum bij algemene maatregel
van bestuur de geldingsduur wordt verlengd.
2. Op een verlenging van de geldingsduur is artikel 2.2.2 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 2.2.4 Onmiddellijke voorziening
1. Als Onze Minister een voordracht tot vaststelling of wijziging van een algemene maatregel
van bestuur als bedoeld in artikel 2.2.1 voorbereidt, kan hij bij regeling regels
stellen in overeenstemming met het in voorbereiding zijnde ontwerpbesluit.
2. Het stellen van regels bij regeling van Onze Minister geschiedt in overeenstemming
met Onze Ministers die het mede aangaat en kan alleen als er naar het oordeel van
Onze Minister een gewichtige reden een onmiddellijke voorziening vereist.
3. De voordracht en vaststelling van de algemene maatregel van bestuur geschiedt zo
spoedig mogelijk.
4. De regeling vervalt, met uitzondering van eerdere intrekking, op het tijdstip van
inwerkingtreding van de algemene maatregel van bestuur, en uiterlijk acht maanden
na het tijdstip van inwerkingtreding van de regeling.
§ 2.3 Weigering toegang en verblijf vreemdeling en intrekking verblijfsvergunningen
op grond van de Vreemdelingenwet 2000
Artikel 2.3.1 Weigering toegang en verblijf vreemdeling en intrekking verblijfsvergunningen
1. Ter uitvoering van internationale sanctiemaatregelen kan Onze Minister van Asiel
en Migratie:
a. voor zover nodig in afwijking van de artikelen 3 en 12 van de Vreemdelingenwet 2000,
een vreemdeling toegang en verblijf weigeren;
b. verblijfsvergunningen als bedoeld in de artikelen 14 en 20 van de Vreemdelingenwet
2000 intrekken.
2. Een intrekking geldt als een intrekking op grond van artikel 19 respectievelijk artikel
22 van de Vreemdelingenwet 2000.
HOOFDSTUK 3. MELDINGSPLICHTEN
§ 3.1 Taken en bevoegdheden inzake meldingsplichten
Artikel 3.1.1 Aanwijzing bestuursorgaan inzake meldingsplichten
Bij sanctiebesluit of sanctieregeling kan een bestuursorgaan worden aangewezen dat
beschikt over de taken en bevoegdheden, bedoeld in artikel 3.1.2.
Artikel 3.1.2 Taken en bevoegdheden inzake meldingsplichten
Het bestuursorgaan, bedoeld in artikel 3.1.1, heeft voor meldingsplichten die voortvloeien
uit sanctiemaatregelen de volgende taken en bevoegdheden:
a. meldingen in ontvangst te nemen en de melder te berichten over de ontvangst van de
melding;
b. meldingen en gemelde gegevens zo nodig te controleren op juistheid bij de melder of
aan de hand van andere beschikbare gegevens;
c. het verzamelen, registreren, bewerken en analyseren van de gegevens die het verkrijgt
naar aanleiding van de meldingen om te bezien of deze gegevens van belang kunnen zijn
voor de uitvoering en ontwikkeling van sanctiemaatregelen;
d. het geven van voorlichting over de invulling van meldingsplichten;
e. het beheren van een actueel overzicht van de ontvangen meldingen en een overzicht
van bevroren tegoeden en economische middelen.
§ 3.2 Meldingsplicht
Artikel 3.2.1 Meldingsplicht
1. Als op grond van een sanctiemaatregel een meldingsplicht is opgelegd, verstrekt degene,
op wie die meldingsplicht van toepassing is, ter uitvoering daarvan onverwijld alle
benodigde gegevens aan het bestuursorgaan, bedoeld in artikel 3.1.1, overeenkomstig
hetgeen daarover in de sanctiemaatregel is bepaald, tenzij bij sanctiebesluit of sanctieregeling
anders is bepaald.
2. Onverminderd hetgeen daarover in een sanctiemaatregel is bepaald kunnen bij sanctiebesluit
of sanctieregeling regels worden gesteld over de wijze waarop de melding geschiedt
en de gegevens en bescheiden die, door degene op wie de meldingsplicht van toepassing
is, worden verstrekt.
Artikel 3.2.2 Doorbreking geheimhouding in verband met de meldingsplicht
1. Ten behoeve van de naleving van de artikelen 3.2.1 en 3.3.2, en voor zover dat in
een verdrag of bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie is bepaald, zijn
de instellingen, bedoeld in artikel 10, tweede lid, onderdeel o, van de Sanctiewet
1977, niet gehouden aan de geheimhoudingsplicht, bedoeld in artikel 11a van de Advocatenwet,
en zijn de instellingen, bedoeld in artikel 10, tweede lid, onderdeel p, van de Sanctiewet
1977, niet gehouden aan de geheimhoudingsplicht, bedoeld in artikel 22 van de Wet
op het notarisambt.
2. Het eerste lid is niet van toepassing voor zover de instelling voor een cliënt werkzaamheden
verricht betreffende de bepaling van diens rechtspositie, diens vertegenwoordiging
en verdediging in rechte, het geven van advies voor, tijdens en na een rechtsgeding
of het geven van advies over het instellen of vermijden van een rechtsgeding.
§ 3.3 Gegevensverwerking inzake meldingen
Artikel 3.3.1 Verwerking van gegevens
1. Het bestuursorgaan, bedoeld in artikel 3.1.1, verwerkt gegevens voor de taken en
bevoegdheden, bedoeld in artikel 3.1.2.
2. Bij sanctiebesluit of sanctieregeling kunnen regels worden gesteld over de wijze
waarop de verwerking van de gegevens plaatsvindt en over de bewaartermijnen van de
gegevens verkregen op grond van de meldingsplicht, bedoeld in artikel 3.2.1, eerste
lid.
Artikel 3.3.2 Verstrekking van gegevens
1. Het bestuursorgaan, bedoeld in artikel 3.1.1, kan voor de uitvoering van zijn taak,
bedoeld in artikel 3.1.2, onderdeel c, gegevens opvragen bij:
a. degene die de melding heeft gedaan;
b. een instelling als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de Sanctiewet 1977 die naar
het oordeel van het bestuursorgaan, bedoeld in artikel 3.1.1, beschikt over gegevens
die relevant zijn voor het analyseren van de gegevens die het verkrijgt naar aanleiding
van een melding.
2. Degene aan wie gegevens zijn gevraagd, verstrekt deze onverwijld en in schriftelijke
vorm en in spoedeisende gevallen mondeling, aan het bestuursorgaan, bedoeld in artikel
3.1.1, waarbij de mondeling verstrekte gegevens zo spoedig mogelijk schriftelijk worden
bevestigd.
HOOFDSTUK 4. BEPALINGEN BETREFFENDE DE BEDRIJFSPROCESSEN VAN INSTELLINGEN
[Gereserveerd]
HOOFDSTUK 5. BEPALINGEN OVER DE CONTINUÏTEIT EN AFWIKKELING VAN ONDERNEMINGEN
Artikel 5.1 Begripsbepalingen
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
aanbieders van cryptoactiva:
aanbieders van cryptoactiva en personen die verzoeken om toelating tot de handel in
cryptoactiva in de zin van titels II, III en IV van de verordening cryptoactiva;
aanbieders van cryptoactivadiensten:
aanbieders van cryptoactivadiensten in de zin van titel V van de verordening cryptoactiva;
opdracht:
verplichting tot het verrichten of zich onthouden van feitelijke handelingen of rechtshandelingen;
verordening bankentoezicht:
Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese
Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het
prudentieel toezicht op kredietinstellingen (PbEU 2013, L 287);
verordening cryptoactiva:
Verordening (EU) 2023/1114 van het Europees Parlement en de Raad van 31 mei 2023 betreffende
cryptoactivamarkten en tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU)
nr. 1095/2010 en Richtlijnen 2013/36/EU en (EU) 2019/1937 (PbEU 2023, L 150);
verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme:
Verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2014
tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling
van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk
afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk bankenafwikkelingsfonds en tot wijziging
van Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2014,
L 225);
verordening herstel en afwikkeling centrale tegenpartijen:
Verordening (EU) 2021/23 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2020 betreffende een kader
voor het herstel en de afwikkeling van centrale tegenpartijen en tot wijziging van
de Verordeningen (EU) nr. 1095/2010, nr. 648/2012, nr. 600/2014, nr. 806/2014 en 2015/2365, en de Richtlijnen 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2007/36/EG, 2014/59/EU en (EU) 2017/1132 (PbEU 2021, L 22).
Artikel 5.2 Uitoefening taken en bevoegdheden
Onze Minister van Economische Zaken oefent de aan hem toekomende taken en bevoegdheden
op grond van dit hoofdstuk uit in overeenstemming met Onze Ministers die het mede
aangaat, met uitzondering van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 5.4, vierde lid.
Artikel 5.3 Ambtshalve aanwijzing van een bewindvoerder
1. Onze Minister van Economische Zaken kan een of meer personen aanwijzen die opdrachten
kunnen verstrekken aan een in Nederland gevestigde onderneming, als naar het oordeel
van Onze Minister van Economische Zaken de toepassing van een verplichting op die
onderneming op grond van een sanctiemaatregel nadelige gevolgen voor de financiële
stabiliteit of continuïteit van de onderneming met zich brengt en daarmee ernstige
maatschappelijke, economische of werkgelegenheidseffecten voor de Nederlandse samenleving
kan veroorzaken. Aan de aanwijzing kunnen voorschriften worden verbonden.
2. Onze Minister van Economische Zaken wijst personen aan met kennis en ervaring op
het gebied van het beheren, herstructureren of afwikkelen van ondernemingen. Onze
Minister van Economische Zaken kan een aangewezen persoon vervangen door een andere
persoon.
3. De opdrachten strekken ertoe om de medewerking van de onderneming aan de effectiviteit
van de verplichting en naleving door de onderneming van de voorschriften bij of krachtens
deze wet te verzekeren en het beperken van de mogelijke effecten, bedoeld in het eerste
lid, onder het gelijktijdig streven naar de financiële stabiliteit of continuïteit
van de onderneming of de zorgvuldige afwikkeling van de activiteiten van de onderneming.
4. Als de belangen, bedoeld in het eerste lid, dit naar het oordeel van Onze Minister
van Economische Zaken vereisen, kan Onze Minister van Economische Zaken bij de aanwijzing
bepalen dat de aangewezen persoon de rechtspersoon die de onderneming drijft in rechte
kan vertegenwoordigen of dat de aangewezen persoon het bestuur of de leiding van een
onderneming vervangt.
5. Voor zover dit verenigbaar is met de doelen, bedoeld in het derde lid, richt een
aangewezen persoon die op grond van het vierde lid het bestuur of de leiding van een
onderneming vervangt zich naar het belang van de onderneming.
6. Onze Minister van Economische Zaken trekt de aanwijzing in zodra deze niet meer nodig
is, maar in ieder geval niet later dan het moment waarop de verplichting, bedoeld
in het eerste lid, niet meer van toepassing is op de onderneming.
7. Van een aanwijzingsbesluit of de intrekking daarvan wordt mededeling gedaan door
plaatsing in de Staatscourant.
8. Dit artikel is niet van toepassing op ondernemingen die als advocaat, notaris, toegevoegd
notaris of kandidaat-notaris werkzaamheden verrichten.
Artikel 5.4 Regels over opdrachten van de bewindvoerder
1. Alle bestuurders, commissarissen, personen die feitelijk leidinggeven en andere werknemers
binnen de onderneming, verstrekken de aangewezen persoon op diens verzoek alle informatie
die benodigd is in verband met het doel, bedoeld in artikel 5.3, derde lid, volgen
de opdrachten verstrekt door de aangewezen persoon op en verlenen de aangewezen persoon
alle medewerking. Degene die op grond van de vorige zin verplicht is tot medewerking,
informatieverstrekking of het opvolgen van een opdracht, is niet aansprakelijk voor
schade ten gevolge van het nakomen van die verplichting.
2. Het opvolgen van de opdrachten verstrekt door de aangewezen persoon heeft geen instemming
nodig van de algemene vergadering of een vergadering van houders van aandelen van
een bepaalde soort of aanduiding. Voor zover en voor zolang de volgende afwijkingen
nodig zijn en zonder afbreuk te doen aan het beginsel van gelijke behandeling van
aandeelhouders, zijn niet van de toepassing de artikelen 96, 96a, 98c, vijfde lid,
99, 100, eerste lid, 107a en 108a, titel 5, afdeling 3, en artikel 231, tweede tot
en met vierde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, artikel 5:25ka van de Wet
op het financieel toezicht, eventuele statutaire bepalingen of tussen de rechtspersoon
en haar aandeelhouders dan wel tussen twee of meer aandeelhouders onderling overeengekomen
regelingen over de besluitvorming door de algemene vergadering of een vergadering
van houders van aandelen van een bepaalde soort of aanduiding.
3. Rechtshandelingen in strijd met een opdracht van een aangewezen persoon zijn vernietigbaar.
De vernietigingsgrond kan alleen worden ingeroepen door de aangewezen persoon of Onze
Minister van Economische Zaken.
4. Tegen een opdracht van een aangewezen persoon kan administratief beroep worden ingesteld
bij Onze Minister van Economische Zaken.
5. Onverminderd de aansprakelijkheid van de Staat, is een aangewezen persoon niet aansprakelijk
voor schade ten gevolge van door hem verstrekte opdrachten.
Artikel 5.5 Aanwijzing bewindvoerder in de financiële sector
1. Ten aanzien van financiële ondernemingen in de zin van de Wet op het financieel toezicht,
trustkantoren in de zin van de Wet toezicht trustkantoren 2018, accountantsorganisaties
in de zin van de Wet toezicht accountantsorganisaties, pensioenuitvoerders en pensioenfondsen
in de zin van de Pensioenwet, pensioenuitvoerders en beroepspensioenfondsen in de
zin van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, financiële ondernemingen in de
zin van de Wet financiële markten BES en aanbieders van cryptoactiva en aanbieders
van cryptoactivadiensten, oefent Onze Minister van Economische Zaken de bevoegdheden
op grond van dit hoofdstuk uit in overeenstemming met de Nederlandsche Bank N.V. of
de Autoriteit Financiële Markten ieder voor zover belast met de uitoefening van taken
ingevolge die wetten en verordening, of de Europese Centrale Bank, als deze bevoegd
is toezicht uit te oefenen op die onderneming op grond van de artikelen 4 en 6 van
de verordening bankentoezicht.
2. Onze Minister van Economische Zaken oefent de bevoegdheden op grond van dit hoofdstuk
niet uit op een onderneming ten aanzien waarvan een besluit tot afwikkeling is genomen
op grond van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, de verordening
herstel en afwikkeling centrale tegenpartijen of de Wet op het financieel toezicht.
3. De uitoefening van enige bevoegdheid op grond van dit hoofdstuk laat onverlet de
uitoefening van enige bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van besluiten en maatregelen
op grond van de andere hoofdstukken van deze wet, de Sanctiewet 1977, de Wet ter voorkoming
van witwassen en financieren van terrorisme, afdeling 2 van titel 8 van Boek 2 van
het Burgerlijk Wetboek, de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, de
verordening herstel en afwikkeling centrale tegenpartijen, de verordening bankentoezicht,
de verordening cryptoactiva of de wetten, genoemd in het eerste lid.
4. Onze Minister van Economische Zaken trekt een aanwijzingsbesluit als bedoeld in dit
hoofdstuk in, als ten aanzien van de onderneming:
a. een curator als bedoeld in artikel 1:76 van de Wet op het financieel toezicht of een
bijzondere bewindvoerder als bedoeld in artikel 1:76a van die wet, een curator als
bedoeld in artikel 54 van de Wet toezicht trustkantoren 2018, een curator als bedoeld
in artikel 172 van de Pensioenwet of een bewindvoerder als bedoeld in artikel 173
van die wet, een curator als bedoeld in artikel 167 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling
of een bewindvoerder als bedoeld in artikel 168 van die wet, of een curator als bedoeld
in artikel 7.14 van de Wet financiële markten BES wordt aangesteld, tenzij het bestuursorgaan
dat deze maatregel neemt of op wiens verzoek die maatregel wordt genomen instemt met
de handhaving van de aanwijzing;
b. de voortdurende aanwezigheid van de Nederlandsche Bank N.V. wordt ingesteld, bedoeld
in artikel 3:111a, tweede lid, onderdeel o, van de Wet op het financieel toezicht,
tenzij de Nederlandsche Bank N.V. instemt met de handhaving van de aanwijzing; of
c. een besluit tot afwikkeling wordt genomen op grond van de verordening gemeenschappelijk
afwikkelingsmechanisme, de verordening herstel en afwikkeling centrale tegenpartijen
of de Wet op het financieel toezicht, tenzij de Nederlandsche Bank N.V. instemt met
de handhaving van de aanwijzing.
Artikel 5.6 Gegevensbescherming bij bewindvoering in de financiële sector
1. Een persoon die wordt aangewezen in overeenstemming met artikel 5.5, verstrekt eigener
beweging of desgevraagd aan Onze Minister van Economische Zaken onverwijld alle voor
de uitoefening van diens taak benodigde gegevens.
2. Een persoon die wordt aangewezen in overeenstemming met artikel 5.5, verstrekt eigener
beweging of desgevraagd aan de Autoriteit Financiële Markten en de Nederlandsche Bank
N.V. onverwijld alle gegevens die nodig zijn voor de vervulling van hun taken op grond
van de wetten en verordeningen, genoemd in artikel 5.5, derde lid, en aan de Nederlandsche
Bank N.V. alle gegevens die nodig zijn voor de vervulling van de taken op grond van
die verordeningen van de bestuursorganen, genoemd in artikel 1:90, zevende en achtste
lid, van de Wet op het financieel toezicht.
3. Op het gebruik van vertrouwelijke gegevens die worden ontvangen of verstrekt door
een persoon die is aangewezen in overeenstemming met artikel 5.5, bij de vervulling
van zijn krachtens dit hoofdstuk opgedragen taken of die op grond van het eerste of
tweede lid worden verstrekt, zijn de volgende bepalingen van overeenkomstige toepassing
als de aanwijzing is gegeven ten aanzien van een onderneming in de daarbij vermelde
categorieën:
a. financiële ondernemingen in de zin van de Wet op het financieel toezicht, afdeling
1.5.1 van die wet;
b. trustkantoren in de zin van de Wet toezicht trustkantoren 2018, paragraaf 7.1 van
die wet;
c. accountantsorganisaties in de zin van de Wet toezicht accountantsorganisaties, de
hoofdstukken 5a, 5b en 5c van die wet;
d. pensioenuitvoerders en pensioenfondsen in de zin van de Pensioenwet, de artikelen
204 tot en met 208b van die wet;
e. pensioenuitvoerders en beroepspensioenfondsen in de zin van de Wet verplichte beroepspensioenregeling,
de artikelen 198 tot en met 202b van die wet; en
f. financiële ondernemingen in de zin van de Wet financiële markten BES, hoofdstuk 1,
paragraaf 4, van die wet; en
g. aanbieders van cryptoactiva en aanbieders van cryptoactivadiensten in de zin van de
verordening cryptoactiva, artikel 100, tweede lid, van die verordening.
HOOFDSTUK 6. BEPALINGEN OVER HET BEHEER VAN REGISTERGOEDEREN
Artikel 6.1 Beheerovername registergoederen
1. Als een registergoed is bevroren op grond van een sanctiemaatregel kan Onze Minister
van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening voor wat betreft onroerende zaken of
Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat voor wat betreft vaartuigen en luchtvaartuigen,
de eigenaar of degene die om een andere reden bevoegd is tot het in beheer of gebruik
geven van het registergoed, mededelen dat het registergoed in beheer wordt gegeven
aan:
a. hem;
b. een persoon die op grond van beroep of bedrijf op het terrein van het registergoed
werkzaam is; of
c. een op het terrein van het registergoed werkzame instelling.
2. Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening of Onze Minister van Infrastructuur
en Waterstaat kan alleen een bevroren registergoed in beheer of gebruik geven als:
a. er sprake is van risico’s op maatschappelijke schade met betrekking tot dat registergoed,
met inbegrip van schade aan de fysieke leefomgeving; of
b. het belang van de huurder geschaad wordt door de bevriezing van het gehuurde op grond
van een sanctiemaatregel.
3. Het beheer wordt overgenomen om de risico’s te beperken, of de schade te voorkomen,
te beperken of te herstellen.
4. Onder beheer wordt in dit hoofdstuk verstaan het verrichten van alle handelingen
met betrekking tot een registergoed die volgens het burgerlijk recht tot de rechten
en plichten van een eigenaar behoren met uitzondering van vervreemden en bezwaren,
voor zover die rechten en plichten zien op het wegnemen van de risico’s op maatschappelijke
schade.
5. Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening of Onze Minister van Infrastructuur
en Waterstaat kan voorwaarden stellen aan de uitvoering van het beheer van het registergoed.
6. Het is degene tot wie een besluit als bedoeld in het eerste lid is gericht, verboden
gedurende de termijn waarvoor het registergoed in beheer is gegeven beheerhandelingen
te verrichten.
7. Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening of Onze Minister van Infrastructuur
en Waterstaat beëindigt het beheer zodra:
a. ten aanzien van de eigenaar van het registergoed de sanctiemaatregel niet meer van
toepassing is; of
b. naar het oordeel van Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening of
Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat er geen sprake meer is van risico’s
op maatschappelijke schade met betrekking tot het registergoed.
Artikel 6.2 Kostenverhaal beheerovername
1. Als een registergoed in beheer is gegeven op grond van artikel 6.1, stelt Onze Minister
van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening of Onze Minister van Infrastructuur en
Waterstaat een beheervergoeding vast die degene tot wie het besluit, bedoeld in artikel
6.1, eerste lid, is gericht, is verschuldigd aan Onze Minister van Volkshuisvesting
en Ruimtelijke Ordening of Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat ten behoeve
van het beheer.
2. De beheervergoeding bestaat uit een kostendekkende vergoeding voor de uitvoering
van het beheer.
3. Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening of Onze Minister van Infrastructuur
en Waterstaat kan de beheervergoeding invorderen bij dwangbevel.
HOOFDSTUK 7. TOEZICHT EN HANDHAVING
§ 7.1 Toezicht en handhaving ter naleving van sanctiemaatregelen
§ 7.1.1 Aanwijzing toezichthouders
Artikel 7.1.1 Aanwijzing toezichthouders
1. Met het toezicht op de naleving van sanctiemaatregelen zijn belast:
a. de bij besluit van Onze Minister, handelende in overeenstemming met Onze Minister
die het mede aangaat, aangewezen personen;
b. de bij besluit van een bestuursorgaan als bedoeld in artikel 7.1.2, eerste lid, onderdelen
a en b, of tweede lid, aangewezen personen;
c. de inspecteur, genoemd in artikel 1:3, eerste lid, onderdeel c, van de Algemene douanewet
en artikel 1.1, onderdeel h, van de Douane- en Accijnswet BES, voor zover het betreft
de uitoefening van bevoegdheden met betrekking tot inkoop, verkoop, invoer, uitvoer
of doorvoer, direct of indirect, van goederen en diensten;
d. de deken, bedoeld in artikel 45a, eerste lid, van de Advocatenwet, voor zover het
betreft de uitoefening van bevoegdheden jegens de instellingen, bedoeld in artikel
10, tweede lid, onderdeel o, van de Sanctiewet 1977.
2. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, wordt mededeling
gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
§ 7.1.2 Handhaving ter naleving van sanctiemaatregelen
Artikel 7.1.2 Aanwijzing bestuursorganen met handhavende bevoegdheden
1. De volgende bestuursorganen beschikken voor de uitvoering van hun taken bij of krachtens
deze wet over de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 7.1.3 tot en met 7.1.5:
a. Onze Minister van Economische Zaken, voor zover het betreft de uitoefening van bevoegdheden
die toezien op eigendom of zeggenschap van niet-beursgenoteerde ondernemingen;
b. het Bureau Financieel Toezicht, voor zover het betreft de uitoefening van bevoegdheden
jegens de instellingen, bedoeld in artikel 10, tweede lid, onderdelen m, n, p en q,
van de Sanctiewet 1977;
c. de inspecteur, genoemd in artikel 1:3, eerste lid, onderdeel c, van de Algemene douanewet
en artikel 1.1, onderdeel h, van de Douane- en Accijnswet BES, voor zover het betreft
de inkoop, verkoop, invoer, uitvoer of doorvoer, direct of indirect, van goederen
en diensten;
d. de deken, bedoeld in artikel 45a, eerste lid, van de Advocatenwet, voor zover het
betreft de uitoefening van bevoegdheden jegens de instellingen, bedoeld in artikel
10, tweede lid, onderdeel o, van de Sanctiewet 1977.
2. Bij sanctiebesluit of sanctieregeling kunnen andere bestuursorganen worden aangewezen
die beschikken over de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 7.1.3 tot en met 7.1.5,
ter handhaving van de bij sanctiebesluit of sanctieregeling te bepalen verplichtingen.
3. Na de plaatsing in het Staatsblad of de Staatscourant van een krachtens het tweede
lid vastgestelde algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling wordt een
voorstel van wet tot regeling van de aanwijzing van het bestuursorgaan, bedoeld in
het tweede lid, zo spoedig mogelijk bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal ingediend.
Als het voorstel wordt ingetrokken of als een van de beide Kamers der Staten-Generaal
besluit het voorstel niet aan te nemen, wordt de algemene maatregel van bestuur of
ministeriële regeling onverwijld ingetrokken. Wordt het voorstel tot wet verheven,
dan wordt de algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling ingetrokken op
het tijdstip van inwerkingtreding van die wet.
Artikel 7.1.3 Aanwijzingsbeschikking
Het bestuursorgaan, bedoeld in artikel 7.1.2, kan eenieder die niet voldoet aan een
krachtens een sanctiemaatregel op hem rustende verplichting, door middel van het geven
van een aanwijzing verplichten om binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke
termijn voor in de aanwijzingsbeschikking aan te geven punten een bepaalde gedragslijn
te volgen.
Artikel 7.1.4 Last onder bestuursdwang
Het bestuursorgaan, bedoeld in artikel 7.1.2, is bevoegd tot oplegging van een last
onder bestuursdwang ter handhaving van de in een sanctiebesluit of sanctieregeling
opgenomen verplichtingen.
Artikel 7.1.5 Bestuurlijke boete
1. Het bestuursorgaan, bedoeld in artikel 7.1.2, is bevoegd tot oplegging van een bestuurlijke
boete ter handhaving van de in een sanctiebesluit of sanctieregeling opgenomen verplichtingen.
2. De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste het bedrag dat is vastgesteld voor de
vijfde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.
3. Als de waarde van de goederen, waarmee of waarvoor de overtreding is begaan, of die
geheel of gedeeltelijk door middel van de overtreding zijn verkregen, hoger is dan
het vierde gedeelte van het maximum van de bestuurlijke boete die kan worden opgelegd,
kan een bestuurlijke boete worden opgelegd van de naast hogere categorie.
4. De hoogte van de op te leggen bestuurlijke boete kan voor iedere overtreding bij
sanctiebesluit of sanctieregeling worden bepaald. De overtredingen kunnen worden gerangschikt
in categorieën naar zwaarte van de overtreding.
Artikel 7.1.6 Publicatie besluit tot oplegging bestuurlijke sanctie
1. Bij sanctiebesluit of sanctieregeling kan worden bepaald dat het bestuursorgaan,
bedoeld in artikel 7.1.2, een besluit tot oplegging van een bestuurlijke sanctie ingevolge
deze paragraaf openbaar maakt. De openbaarmaking geschiedt zodra het besluit onherroepelijk
wordt.
2. Als wordt verzocht om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van
de Algemene wet bestuursrecht om openbaarmaking op grond van dit artikel te voorkomen,
wordt de openbaarmaking opgeschort totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft
gedaan.
3. Als bij sanctiebesluit of sanctieregeling is bepaald dat een bestuurlijke sanctie
openbaar wordt gemaakt, worden bij dat sanctiebesluit of die sanctieregeling nadere
regels gesteld over de openbaarmaking. Deze regels hebben in ieder geval betrekking
op de termijn waarbinnen de openbaarmaking van het besluit plaatsvindt en de wijze
waarop de openbaarmaking plaatsvindt.
§ 7.1.3 Bijzondere handhavingsbevoegdheid bij ernstige niet-naleving van sanctiemaatregelen
of risico op ernstige ontduiking
Artikel 7.1.7 Ingrijpen bij ontduiking of ondermijning
1. Onze Minister van Economische Zaken, in overeenstemming met Onze Ministers die het
mede aangaat, kan een of meer personen aanwijzen die het bestuur of de leiding van
een onderneming, waarop een verplichting van toepassing is als gevolg van een sanctiemaatregel,
vervangt, als door het handelen of nalaten van deze onderneming:
a. sprake is van een ernstige niet-naleving van toepasselijke sanctiemaatregelen; of
b. een risico ontstaat of wordt vergroot op ernstige ontduiking of op het actief bijdragen
daaraan van de werking van sanctiemaatregelen door andere ondernemingen die met de
onderneming zijn verbonden.
2. Van een aanwijzingsbesluit of de intrekking daarvan wordt mededeling gedaan door
plaatsing in de Staatscourant.
3. De werkzaamheden van een aangewezen persoon hebben tot doel:
a. te verzekeren dat de onderneming handelt overeenkomstig de toepasselijke sanctiemaatregelen;
of
b. te voorkomen dat de onderneming bijdraagt aan de ontduiking van de werking van sanctiemaatregelen
of andere voorschriften bij of krachtens deze wet door andere ondernemingen die met
de betrokken onderneming zijn verbonden.
4. Voor zover dit verenigbaar is met de doelen, bedoeld in het derde lid, richt een
aangewezen persoon zich naar het belang van de onderneming.
5. De artikelen 5.3, vierde lid, en 5.4 zijn van overeenkomstige toepassing.
6. Onze Minister van Economische Zaken, in overeenstemming met Onze Ministers die het
mede aangaat, brengt de kosten die samenhangen met de toepassing van dit artikel ten
laste van de betrokken onderneming, waarbij de hoogte van het bedrag per geval wordt
vastgesteld en is gebaseerd op de voor het toezicht op de desbetreffende onderneming
daadwerkelijk gemaakte kosten.
7. Dit artikel is niet van toepassing op:
a. ondernemingen waarop de voorschriften inzake geschiktheid en betrouwbaarheid van bestuurders
en integere uitoefening van het bedrijf op grond van de Wet op het financieel toezicht,
de Wet toezicht trustkantoren 2018, de Wet toezicht accountantsorganisaties, de Pensioenwet,
de Wet verplichte beroepspensioenregeling, de Wet financiële markten BES of de verordening
cryptoactiva, bedoeld in artikel 5.1, van toepassing zijn;
b. ondernemingen die als advocaat, notaris, toegevoegd notaris of kandidaat-notaris werkzaamheden
verrichten.
§ 7.2 Toezicht en handhaving ter naleving van hoofdstuk 4
[Gereserveerd]
§ 7.3 Strafrechtelijke handhaving
Artikel 7.3.1 Toepasselijkheid van de Nederlandse strafwet
De Nederlandse strafwet is ook van toepassing op de Nederlander die zich buiten Nederland
schuldig maakt aan een bij of krachtens deze wet strafbaar gesteld feit.
HOOFDSTUK 8. GEGEVENSVERWERKING
§ 8.1 Toepassingsbereik
Artikel 8.1.1 Toepassingsbereik
1. Dit hoofdstuk is van toepassing op gegevensverwerking bij of krachtens deze wet,
met uitzondering van gegevensverwerking door:
a. een persoon die is aangewezen in overeenstemming met artikel 5.5, eerste lid, bij
de vervulling van zijn krachtens hoofdstuk 5 opgedragen taken; en
b. de Autoriteit Financiële Markten en de Nederlandsche Bank N.V. voor zover het betreft
gegevens die op grond van artikel 5.6, tweede lid, zijn verstrekt.
2. Dit hoofdstuk laat onverlet de verplichtingen tot het verstrekken van gegevens in
internationale sanctiemaatregelen uit verdragen en bindende besluiten van volkenrechtelijke
organisaties.
§ 8.2 Gegevensverwerking
Artikel 8.2.1 Gegevensverstrekking inzake meldingen
1. Het bestuursorgaan, bedoeld in artikel 3.1.1, kan gegevens verstrekken over meldingen
van degenen op wie de meldingsplicht van toepassing is, met inbegrip van de inhoud
van die meldingen en analyses vastgesteld naar aanleiding van die meldingen, aan:
a. de bevoegde autoriteiten die zijn aangewezen bij sanctiebesluit of sanctieregeling;
b. de toezichthouders die zijn belast met het toezicht op de naleving van sanctiemaatregelen;
c. de toezichthoudende autoriteiten, genoemd in artikel 9a van de Sanctiewet 1977;
d. het Openbaar Ministerie en de overige ambtenaren belast met de opsporing van strafbare
feiten;
e. de Europese Commissie.
2. De bevoegde autoriteiten die zijn aangewezen bij sanctiebesluit of sanctieregeling,
de toezichthoudende autoriteiten, genoemd in artikel 9a van de Sanctiewet 1977, en
de toezichthouders die zijn belast met het toezicht op de naleving van sanctiemaatregelen
verstrekken aan het bestuursorgaan, bedoeld in artikel 3.1.1, alle gegevens die noodzakelijk
zijn ter uitvoering van de taak, bedoeld in artikel 3.1.2, onderdeel c.
Artikel 8.2.2 Gegevensverwerking vanwege onderzoek naar ondernemingen
1. Onze Minister van Economische Zaken verwerkt gegevens voor zover dit noodzakelijk
is om overeenkomstig deze wet de eigendomsverhoudingen van of zeggenschap over in
Nederland gevestigde ondernemingen vast te stellen of te beoordelen ten aanzien van
de verenigbaarheid met sanctiemaatregelen.
2. Onze Minister van Economische Zaken is verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerking
van persoonsgegevens op grond van het eerste lid en artikel 8.2.3.
Artikel 8.2.3 Gegevensverstrekking vanwege onderzoek naar ondernemingen
1. Onze Minister van Economische Zaken maakt, ten behoeve van het doel, bedoeld in artikel
8.2.2, eerste lid, gebruik van gegevens die afkomstig zijn uit:
a. het handelsregister;
b. de basisregistratie kadaster en de openbare registers, bedoeld in artikel 1, eerste
lid, van de Kadasterwet;
c. de basisregistratie personen, bedoeld in artikel 1.2 van de Wet basisregistratie personen;
d. overige openbare registers bij wet ingesteld; en
e. openbare informatie.
2. De volgende bestuursorganen, toezichthouders of andere personen, verstrekken op verzoek
alle gegevens aan Onze Minister van Economische Zaken ten behoeve van het doel, bedoeld
in artikel 8.2.2, eerste lid:
a. Onze Minister van Buitenlandse Zaken, voor zover het gegevens betreft die verwerkt
worden in het kader van de Wet strategische diensten en het Besluit strategische goederen;
b. Onze Minister van Financiën, voor zover het gegevens betreft die verwerkt worden door
de Belastingdienst;
c. Onze Minister van Justitie en Veiligheid, met inachtneming van de Wet justitiële en
strafvorderlijke gegevens, voor zover het justitiële gegevens betreft in relatie tot
de onderneming, of bestuurders, leidinggevenden of sleutelfunctionarissen binnen de
onderneming;
d. de Autoriteit Consument en Markt, voor zover het gegevens betreft die worden verwerkt
in het kader van hoofdstuk 5 van de Mededingingswet;
e. de veiligheidscommissie of beveiligingsfunctionaris, ingesteld door de onderneming,
voor zover het gegevens betreft over inbreuken of dreigende inbreuken op beperkingen
of verboden voor toegang tot gevoelige informatie of bedrijfsprocessen door natuurlijke
personen, rechtspersonen of entiteiten waarvoor een sanctiemaatregel geldt;
f. De Nederlandsche Bank N.V. voor zover het gegevens betreft op grond van haar taken
bij of krachtens deze wet of de Sanctiewet 1977;
g. de Stichting Autoriteit Financiële Markten voor zover het gegevens betreft op grond
van haar taken bij of krachtens deze wet of de Sanctiewet 1977;
h. de Kamer van Koophandel voor zover het gegevens betreft op grond van artikel 15a van
de Handelsregisterwet 2007 en artikel 5 van de Implementatiewet registratie uiteindelijk
belanghebbenden van trusts en soortgelijke juridische constructies.
3. Onze Minister van Economische Zaken kan voor zover dit noodzakelijk is ten behoeve
van het doel, bedoeld in artikel 8.2.2, eerste lid, Onze Minister van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties verzoeken om mededeling als bedoeld in artikel 8, tweede
lid, onderdeel f, van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 te doen
of Onze Minister van Defensie verzoeken om mededeling als bedoeld in artikel 10, tweede
lid, onderdeel g, van die wet te doen.
4. Een notaris geeft van tot zijn protocol behorende verklaringen van erfrecht op verzoek
afschriften uit aan Onze Minister van Economische Zaken, voor zover dit noodzakelijk
is voor het doel, bedoeld in artikel 8.2.2, eerste lid. Artikel 49b van de Wet op
het notarisambt is van overeenkomstige toepassing.
5. Voor de naleving van de verplichting, bedoeld in het vierde lid, zijn de notaris
en de onder zijn verantwoordelijkheid werkzame personen niet gehouden aan de geheimhoudingsplicht,
bedoeld in artikel 22 van de Wet op het notarisambt.
6. De gegevensverstrekking, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, en het tweede tot
en met vierde lid, geschiedt kosteloos.
7. Als bij Onze Minister van Economische Zaken onduidelijkheid bestaat over de eigendomsstructuur
en -verhoudingen binnen de onderneming, verstrekt de onderneming, voor zover deze
geen beursgenoteerde onderneming betreft, aan Onze Minister van Economische Zaken
op verzoek kosteloos een uittreksel uit het door de onderneming gehouden aandeelhoudersregister,
bedoeld in de artikelen 85 en 194 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 8.2.4 Doorgifteplicht aan registers
1. Bestuursorganen en toezichthouders die bij of krachtens de wet zijn belast met een
taak ter uitvoering van sanctiemaatregelen, verstrekken aan de beheerders, genoemd
in het tweede lid, gegevens waaruit blijkt dat er een relatie bestaat tussen:
a. het onderwerp van registratie en daarmee samenhangende informatie; en
b. natuurlijke personen, rechtspersonen, entiteiten of lichamen, waarvan bij of krachtens
een sanctiemaatregel, de tegoeden of economische middelen bevroren zijn of waarvan
het aangaan of voortzetten van de economische of financiële betrekkingen is beperkt
of verboden.
2. De gegevens worden verstrekt aan de beheerders van de volgende registers:
a. het handelsregister, bedoeld in artikel 2, van de Handelsregisterwet 2007;
b. het register, bedoeld in artikel 1 van de Implementatiewet registratie uiteindelijk
belanghebbenden van trusts en soortgelijke juridische constructies;
c. de basisregistratie kadaster, bedoeld in artikel 1a van de Kadasterwet, de registratie
voor schepen, bedoeld in artikel 85, eerste lid, van de Kadasterwet, en de registratie
voor luchtvaartuigen, bedoeld in artikel 92, eerste lid, van de Kadasterwet;
d. het register, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Wet ruimtevaartactiviteiten;
e. het Nederlands rassenregister, bedoeld in artikel 25, van de Zaaizaad- en plantgoedwet
2005;
f. het octrooiregister, bedoeld in artikel 19 van de Rijksoctrooiwet 1995;
g. het kentekenregister, bedoeld in artikel 42, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1993;
h. het register, bedoeld in artikel 1, van de Wet bescherming oorspronkelijke topografieën
van halfgeleiderprodukten.
3. Als de relatie zich niet langer voordoet verstrekt het bestuursorgaan of de toezichthouder,
bedoeld in het eerste lid, de gegevens aan de betreffende beheerder of beheerders
waaruit dit blijkt.
Artikel 8.2.5 Bevoegdheid tot gegevensverstrekking
1. Onverminderd de artikelen 8.2.1 tot en met 8.2.4, zijn bestuursorganen, toezichthouders
en andere personen of entiteiten die bij of krachtens de wet zijn belast met een taak
ter uitvoering van sanctiemaatregelen, bevoegd om gegevens, verkregen bij de vervulling
van de aan hun opgedragen taak, te verstrekken aan een Nederlandse of buitenlandse
overheidsinstantie of een Nederlandse of buitenlandse van overheidswege aangewezen
instantie, voor zover deze belast is met het toezicht op de naleving of met de uitvoering
van sanctiemaatregelen.
2. De gegevens worden niet verstrekt als:
a. het doel waarvoor de gegevens zullen worden gebruikt onvoldoende bepaald is;
b. de verstrekking van de gegevens zich niet zou verdragen met de wet of de openbare
orde;
c. de geheimhouding van de gegevens niet in voldoende mate is gewaarborgd;
d. de verstrekking van de gegevens redelijkerwijs in strijd is of zou kunnen komen met
de belangen die deze wet beoogt te beschermen; of
e. onvoldoende is gewaarborgd dat de gegevens niet zullen worden gebruikt voor een ander
doel dan waarvoor deze worden verstrekt.
§ 8.3 Nadere regels over gegevensverwerking
Artikel 8.3.1 Nadere regels ter uitvoering van verdragen en bindende besluiten van
volkenrechtelijke organisaties
1. Voor zover dat nodig is ter uitvoering van internationale sanctiemaatregelen voortvloeiend
uit verdragen en bindende besluiten van volkenrechtelijke organisaties, kunnen bij
of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij regeling van Onze Minister regels
worden gesteld over de verwerking van gegevens door en aan bij dat besluit of die
regeling aangewezen bestuursorganen en toezichthouders.
2. Artikel 2.1.1, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 8.3.2 Nadere regels ter uitvoering van aanbevelingen van volkenrechtelijke
organisaties en internationale afspraken
1. Ter uitvoering van internationale sanctiemaatregelen voortvloeiend uit aanbevelingen
van volkenrechtelijke organisaties of internationale afspraken, worden bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur regels gesteld over de verwerking van gegevens, met
inbegrip van bijzondere categorieën van persoonsgegevens en persoonsgegevens van strafrechtelijke
aard, door en aan bij dat besluit aangewezen bestuursorganen en toezichthouders.
2. De regels betreffen in ieder geval de doeleinden van de gegevensverwerking en de
noodzakelijke gegevensuitwisseling.
3. De voorschriften over de Parlementaire betrokkenheid en de werkingsduur, bedoeld
in de artikelen 2.2.2 en 2.2.3, zijn van overeenkomstige toepassing.
4. Als een ministeriële regeling voorafgaat aan een algemene maatregel van bestuur zijn
de voorschriften over de onmiddellijke voorziening, bedoeld in artikel 2.2.4, van
overeenkomstige toepassing.
HOOFDSTUK 9. BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
Artikel 9.1 Toepasselijkheid EU-rechtshandelingen
1. Voor de toepassing van deze wet in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en
Saba gelden bindende besluiten, vastgesteld in het kader van het Gemeenschappelijk
Buitenlands en Veiligheidsbeleid van de Europese Unie, als bindende besluiten van
volkenrechtelijke organisaties als bedoeld in artikel 2.1.1, eerste lid.
2. Als bij of krachtens deze wet naar een bindende rechtshandeling als bedoeld in artikel
288 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie wordt verwezen, is
deze rechtshandeling van overeenkomstige toepassing in de openbare lichamen Bonaire,
Sint Eustatius en Saba, tenzij uitdrukkelijk anders bepaald.
Artikel 9.2 Toezicht
Op het toezicht, bedoeld in paragraaf 7.1, is titel 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht
van toepassing, waarbij geldt dat in afwijking van artikel 5:16a van de Algemene wet
bestuursrecht, een toezichthouder bevoegd is van personen een identiteitsdocument
te vorderen als bedoeld in artikel 2 van de Wet identificatieplicht BES.
Artikel 9.3 Strafrechtelijke handhaving
1. Overtredingen van voorschriften gesteld bij of krachtens de artikelen 2.1.1, eerste
lid, 2.2.1, en 2.2.4, eerste lid, zijn misdrijven voor zover zij opzettelijk zijn
begaan. Voor zover deze gedragingen niet opzettelijk worden begaan, zijn zij overtredingen.
2. In geval van een misdrijf kan de rechter in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius
en Saba een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaar of een geldboete van de vijfde
categorie opleggen.
3. In geval van een overtreding kan de rechter in de openbare lichamen Bonaire, Sint
Eustatius en Saba hechtenis van ten hoogste een jaar of een geldboete van de vierde
categorie opleggen.
Artikel 9.4 Opsporingsbevoegdheden
Met de opsporing in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba van de bij
of krachtens deze wet strafbaar gestelde feiten zijn belast, naast de in artikel 184
van het Wetboek van Strafvordering BES bedoelde ambtenaren, de daartoe bij besluit
van Onze Minister van Justitie en Veiligheid, handelende in overeenstemming met Onze
Minister, aangewezen ambtenaren.
HOOFDSTUK 10. WIJZIGINGEN VAN ANDERE WETTEN
Artikel 10.1 Wijziging Advocatenwet
De Advocatenwet wordt als volgt gewijzigd:
A
In artikel 8, eerste lid, onderdeel n, wordt na «artikel 45g, eerste lid,» ingevoegd
«de artikelen 10c en 10d van de Sanctiewet 1977».
B
Artikel 8a wordt als volgt gewijzigd:
1. In het tweede lid, onderdeel g, wordt «als bedoeld in de artikelen» vervangen door
«als bedoeld in de artikelen 10c en 10d, van de Sanctiewet 1977 dat op grond van artikel
10k van die wet openbaar wordt gemaakt en de artikelen».
2. In het vierde lid wordt «na openbaarmaking op grond van» vervangen door «na openbaarmaking
op grond van artikel 10k van de Sanctiewet 1977 of».
C
In artikel 28, vijfde lid, wordt «artikel 45a, eerste lid,» vervangen door «artikel
45a, eerste lid, artikel 9a, onderdeel d, van de Sanctiewet 1977,».
D
In artikel 45b wordt «artikel 45a, eerste lid,» vervangen door «artikel 45a, eerste
lid, de bij of krachtens afdeling 5 van de Sanctiewet 1977 gestelde regels,».
E
Aan artikel 45c, wordt een lid toegevoegd, luidende:
7. Het eerste tot en met zesde lid is van overeenkomstige toepassing op het toezicht
op de deken bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Sanctiewet 1977.
F
In artikel 45d, eerste lid, wordt «46c» vervangen door «46c, 9a, onderdeel d, van
de Sanctiewet 1977».
G
In artikel 45h wordt «45a, eerste lid, en artikel 24, tweede lid,» vervangen door
«artikel 45a, eerste lid, artikel 9a, onderdeel d, van de Sanctiewet 1977, en artikel
24, tweede lid,».
H
In artikel 45i wordt «45a, eerste lid, en artikel 24, tweede lid,» vervangen door
«artikel 45a, eerste lid, artikel 9a, onderdeel d, tweede lid, van de Sanctiewet 1977,
en artikel 24, tweede lid,».
I
In artikel 46 wordt na «het bepaalde bij of krachtens deze wet,» ingevoegd «de Sanctiewet
1977,».
Artikel 10.2 Wijziging Algemene douanewet
In de bijlage bij de artikelen 1:1 en 1:3 van de Algemene douanewet wordt «Sanctiewet
1977» vervangen door «Wet internationale sanctiemaatregelen».
Artikel 10.3 Wijziging Algemene wet bestuursrecht
De Algemene wet bestuursrecht wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 7 van bijlage 2 wordt als volgt gewijzigd:
1. De zinsnede met betrekking tot de Sanctiewet 1977 komt te luiden:
Sanctiewet 1977: de artikelen 10ba, 10bb, 10c en 10d.
2. In de alfabetische volgorde wordt ingevoegd:
Wet internationale sanctiemaatregelen: de artikelen 5.3, eerste lid, 5.4, eerste lid,
en 7.1.7, eerste lid.
B
Artikel 11 van bijlage 2 wordt als volgt gewijzigd:
1. De zinsnede met betrekking tot de Sanctiewet 1977 komt te luiden:
Sanctiewet 1977: de artikelen 10ba, 10bb, 10c en 10d.
2. In de alfabetische volgorde wordt ingevoegd:
Wet internationale sanctiemaatregelen: de artikelen 5.3, eerste lid, 5.4, eerste lid,
en 7.1.7, eerste lid.
Artikel 10.4 Wijziging Handelsregisterwet 2007
De Handelsregisterwet 2007 wordt als volgt gewijzigd:
A
Na artikel 16b wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 16c
1. De Kamer is bevoegd om bij een in het handelsregister ingeschreven onderneming, rechtspersoon
of uiteindelijk belanghebbende een aantekening op te nemen bij enig in het handelsregister
opgenomen gegeven over die onderneming, rechtspersoon of uiteindelijk belanghebbende,
dat wordt genoemd in de artikelen 9 tot en met 15a, of andere gegevens krachtens artikel
17, indien op grond van een sanctiemaatregel:
a. de tegoeden en economische middelen van de onderneming, rechtspersoon of uiteindelijk
belanghebbende worden bevroren; of
b. het aangaan of voortzetten van de economische of financiële betrekkingen met de onderneming,
rechtspersoon of uiteindelijk belanghebbende is beperkt of verboden.
2. Een aantekening als bedoeld in het eerste lid, wordt in het handelsregister opgenomen,
indien de Kamer informatie ontvangt van Nederlandse of buitenlandse overheidsinstanties
dan wel van Nederlandse of buitenlandse van overheidswege aangewezen instanties die
belast zijn met het toezicht op de naleving of met de uitvoering van een sanctiemaatregel,
die de relatie legt of bevestigt.
3. De verstrekker van de informatie controleert jaarlijks of de verstrekte informatie,
bedoeld in het tweede lid, nog reden geeft tot het opnemen van een aantekening als
bedoeld in het eerste lid.
4. De Kamer verwijdert op grond van informatie die de Kamer ontvangt van een instantie
als bedoeld in het tweede lid, een aantekening als bedoeld in het eerste lid, indien
de relatie zich niet langer voordoet.
B
In artikel 22a, eerste lid, onderdeel b, wordt «artikel 10, tweede lid, onderdelen
a tot en met m, van de Sanctiewet 1977» vervangen door «artikel 10, tweede lid, van
de Sanctiewet 1977».
C
Artikel 28, tweede lid, wordt als volgt gewijzigd:
1. In onderdeel b wordt «artikel 10, eerste lid, van de Sanctiewet 1977 aangewezen ambtenaar
of andere persoon» vervangen door «artikel 7.1.1, eerste lid, van de Wet internationale
sanctiemaatregelen aangewezen persoon».
2. Onderdeel c komt te luiden:
c. een op grond van artikel 10, eerste lid, van de Sanctiewet 1977 aangewezen persoon
in het kader van het uitoefenen van het toezicht op de naleving van het bij of krachtens
afdeling 5 van die wet bepaalde;.
Artikel 10.5 Wijziging Implementatiewet registratie uiteindelijk belanghebbenden van
trusts en soortgelijke juridische constructies
De Implementatiewet registratie uiteindelijk belanghebbenden van trusts en soortgelijke
juridische constructies wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid, onderdeel b, wordt «artikel 10, tweede lid, onderdelen a tot en
met m, van de Sanctiewet 1977» vervangen door «artikel 10, tweede lid, van de Sanctiewet
1977».
2. Het tweede lid wordt als volgt gewijzigd:
a. In onderdeel b wordt «artikel 10, eerste lid, van de Sanctiewet 1977 aangewezen ambtenaar
of andere persoon» vervangen door «artikel 7.1.1, eerste lid, van de Wet internationale
sanctiemaatregelen aangewezen persoon».
b. Onderdeel c komt te luiden:
c. een op grond van artikel 10, eerste lid, van de Sanctiewet 1977 aangewezen persoon
in het kader van het uitoefenen van het toezicht op de naleving van het bij of krachtens
afdeling 5 van die wet bepaalde;.
B
Na artikel 15 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 15a
1. De beheerder is bevoegd om bij een in het register geregistreerde trust of geregistreerde
uiteindelijk belanghebbende van een trust een aantekening op te nemen bij enig in
het register opgenomen gegeven, genoemd in artikel 5, over de trust of die belanghebbende
indien op grond van een sanctiemaatregel:
a. de tegoeden en economische middelen van de trust of uiteindelijk belanghebbende worden
bevroren; of
b. het aangaan of voortzetten van economische of financiële betrekkingen met de trust
of uiteindelijk belanghebbende is beperkt of verboden.
2. Een aantekening als bedoeld in het eerste lid, wordt in het register opgenomen, indien
de beheerder informatie ontvangt van Nederlandse of buitenlandse overheidsinstanties
dan wel van Nederlandse of buitenlandse van overheidswege aangewezen instanties die
belast zijn met het toezicht op de naleving of met de uitvoering van een sanctiemaatregel,
die de relatie legt of bevestigt.
3. De verstrekker van de informatie controleert jaarlijks of de verstrekte informatie,
bedoeld in het tweede lid, nog reden geeft tot het opnemen van een aantekening als
bedoeld in het eerste lid.
4. De beheerder verwijdert op grond van informatie die de beheerder ontvangt van een
instantie als bedoeld in het tweede lid, een aantekening als bedoeld in het eerste
lid, indien de relatie zich niet langer voordoet.
Artikel 10.6 Wijziging Kadasterwet
Na artikel 118a van de Kadasterwet wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 118b
1. De bewaarder is bevoegd om in de basisregistratie kadaster, de registratie voor schepen
en de registratie voor luchtvaartuigen een aantekening te stellen als het een registergoed
betreft dat bevroren is op grond van een sanctiemaatregel.
2. De Kamer van Koophandel verstrekt aan de bewaarder uit het handelsregister de gegevens,
genoemd in artikel 9, onderdelen a, b en d, van de Handelsregisterwet 2007, van de
rechtspersonen waarvan de personen, entiteiten of lichamen, bedoeld in het eerste
lid, de uiteindelijk belanghebbenden, bedoeld in artikel 15a van de Handelsregisterwet
2007 zijn. De bewaarder verwerkt de gegevens uitsluitend voor het stellen van de aantekening,
bedoeld in het eerste lid.
3. De inspecteur en de ontvanger, bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel b, van
de Algemene wet inzake Rijksbelastingen en artikel 2, eerste lid, onderdeel i, van
de Invorderingswet 1990, verstrekken desgevraagd alle informatie aan de bewaarder
die noodzakelijk is voor de uitvoering van de taak, bedoeld in het eerste lid. De
bewaarder verwerkt de gegevens uitsluitend voor het stellen van de aantekening, bedoeld
in het eerste lid.
4. De verstrekker van de informatie controleert jaarlijks of de verstrekte informatie,
bedoeld in het tweede en derde lid, nog reden geeft tot het opnemen van een aantekening
als bedoeld in het eerste lid.
5. De bewaarder verwijdert op grond van informatie die de bewaarder ontvangt van de
Kamer van Koophandel, bedoeld in het tweede lid, of de inspecteur en de ontvanger,
bedoeld in het derde lid, een aantekening als bedoeld in het eerste lid, indien de
relatie zich niet langer voordoet.
Artikel 10.7 Wijziging Pensioenwet
In de Pensioenwet wordt aan artikel 208, eerste lid, onder vervanging van de punt
aan het slot van onderdeel c door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:
d. Onze Minister van Economische Zaken, voor zover de gegevens of inlichtingen dienstig
zijn voor de uitoefening van zijn taken op grond van hoofdstuk 5 van de Wet internationale
sanctiemaatregelen.
Artikel 10.8 Wijziging Sanctiewet 1977
De Sanctiewet 1977 wordt als volgt gewijzigd:
A
De artikelen 1 tot en met 8 en 13 tot en met 15 vervallen.
B
Na het opschrift van afdeling 5 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 9
In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
toezichthoudende autoriteit:
de toezichthoudende autoriteit, genoemd in artikel 9a.
C
Na artikel 9 (nieuw) wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 9a
De toezichthoudende autoriteiten zijn:
a. de Stichting Autoriteit Financiële Markten, voor zover het betreft de uitoefening
van bevoegdheden jegens de instellingen, bedoeld in artikel 10, tweede lid, onder
b, d, k en l;
b. de Nederlandsche Bank N.V., voor zover het betreft de uitoefening van bevoegdheden
jegens de instellingen, bedoeld in artikel 10, tweede lid, onder a, c en e tot en
met j;
c. het Bureau Financieel Toezicht, voor zover het betreft de uitoefening van bevoegdheden
jegens de instellingen, bedoeld in artikel 10, tweede lid, onder m, n, p en q;
d. de deken, bedoeld in artikel 45a, eerste lid, van de Advocatenwet, voor zover het
betreft de uitoefening van bevoegdheden jegens de instellingen, bedoeld in artikel
10, tweede lid, onder o.
D
Artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid komt te luiden:
1. Met het toezicht op de naleving van de bij of krachtens deze afdeling gestelde regels
zijn belast de bij besluit van de toezichthoudende autoriteit aangewezen personen
en, voor zover het betreft het toezicht op de naleving door de instellingen, bedoeld
in het tweede lid, onder o, de deken, bedoeld in artikel 45a, eerste lid, van de Advocatenwet.
2. Het tweede lid wordt als volgt gewijzigd:
a. De aanhef komt te luiden:
2. Deze afdeling is van toepassing op de volgende instellingen:.
b. Onderdeel b komt te luiden:
b. beleggingsondernemingen als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht;.
c. Onderdeel d komt te luiden:
d. beleggingsinstellingen als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht;.
Onderdeel g vervalt.
e. Onderdeel k komt te luiden:
k. icbe’s als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht;.
f. Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel l door een puntkomma worden
de volgende onderdelen toegevoegd:
m. natuurlijke personen, rechtspersonen of vennootschappen die als belastingadviseur
zelfstandig onafhankelijk beroepsactiviteiten uitoefenen, of natuurlijke personen,
rechtspersonen of vennootschappen voor zover zij anderszins zelfstandig in hoofdzaak,
onafhankelijk, al dan niet via andere aan hen gelieerde natuurlijke personen, rechtspersonen
of vennootschappen, daarmee vergelijkbare activiteiten beroeps- of bedrijfsmatig verrichten;
n. natuurlijke personen, rechtspersonen of vennootschappen die als externe registeraccountant
of externe accountant-administratieconsulent zelfstandig onafhankelijk beroepsactiviteiten
waaronder forensische accountancy uitoefenen, dan wel natuurlijke personen, rechtspersonen
of vennootschappen, voor zover die anderszins zelfstandig onafhankelijk daarmee vergelijkbare
activiteiten beroeps- of bedrijfsmatig verrichten;
o. natuurlijke personen, rechtspersonen of vennootschappen die als advocaat:
1°. zelfstandig onafhankelijk beroeps- of bedrijfsmatig advies geven of bijstand verlenen
bij:
i. het aan- of verkopen van registergoederen;
ii. het beheren van geld, effecten, munten, muntbiljetten, edele metalen, edelstenen of
andere waarden;
iii. het oprichten of beheren van vennootschappen, rechtspersonen of soortgelijke lichamen
als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen
dan wel het organiseren van de inbreng die nodig is voor de oprichting, de exploitatie
of het beheer daarvan;
iv. het aan- of verkopen van aandelen in, of het geheel of gedeeltelijk aan- of verkopen
dan wel overnemen van ondernemingen, vennootschappen, rechtspersonen of soortgelijke
lichamen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen;
v. werkzaamheden op fiscaal gebied die vergelijkbaar zijn met de werkzaamheden van de
in onderdeel m beschreven beroepsgroepen;
vi. het vestigen van een recht van hypotheek op een registergoed; of
2°. zelfstandig onafhankelijk beroeps- of bedrijfsmatig optreden in naam en voor rekening
van een cliënt bij enigerlei financiële transactie of onroerende zaaktransactie;
p. natuurlijke personen, rechtspersonen of vennootschappen die als notaris, toegevoegd
notaris of kandidaat-notaris:
1°. zelfstandig onafhankelijk beroeps- of bedrijfsmatig advies geven of bijstand verlenen
bij:
i. het aan- of verkopen van registergoederen;
ii. het beheren van geld, effecten, munten, muntbiljetten, edele metalen, edelstenen of
andere waarden;
iii. het oprichten of beheren van vennootschappen, rechtspersonen of soortgelijke lichamen
als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen
dan wel het organiseren van de inbreng die nodig is voor de oprichting, de exploitatie
of het beheer daarvan;
iv. het aan- of verkopen van aandelen in, of het geheel of gedeeltelijk aan- of verkopen
dan wel overnemen van ondernemingen, vennootschappen, rechtspersonen of soortgelijke
lichamen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen;
v. werkzaamheden op fiscaal gebied die vergelijkbaar zijn met de werkzaamheden van de
in onderdeel m beschreven beroepsgroepen;
vi. het vestigen van een recht van hypotheek op een registergoed; of
2°. zelfstandig onafhankelijk beroeps- of bedrijfsmatig optreden in naam en voor rekening
van een cliënt bij enigerlei financiële transactie of onroerende zaaktransactie;
q. natuurlijke personen, rechtspersonen of vennootschappen die in de uitoefening van
een aan dat van advocaat, notaris, toegevoegd notaris of kandidaat-notaris gelijksoortig
juridisch beroep of bedrijf de in onder o of p genoemde werkzaamheden verrichten.
3. Onder vernummering van het derde en vierde lid tot vierde en vijfde lid wordt een
lid ingevoegd, luidende:
3. Indien een beleggingsinstelling als bedoeld in het tweede lid, onder b, een beleggingsmaatschappij
met aparte beheerder is of een beleggingsfonds of indien een icbe als bedoeld in het
tweede lid, onder k, een fonds voor collectieve belegging in effecten of een maatschappij
voor collectieve belegging in effecten met aparte beheerder is, draagt de beheerder
van de betreffende instelling zorg voor de naleving van de bij of krachtens deze wet
gestelde regels door de instelling.
4. Het vierde lid (nieuw) komt te luiden:
4. Deze afdeling is niet van toepassing op belastingadviseurs als bedoeld in het tweede
lid, onder m, en personen als bedoeld in het tweede lid, onder o, p en q, voor zover
zij voor een cliënt werkzaamheden verrichten betreffende de bepaling van diens rechtspositie,
diens vertegenwoordiging en verdediging in rechte, het geven van advies voor, tijdens
en na een rechtsgeding of het geven van advies over het instellen over vermijden van
een rechtsgeding.
5. In het vijfde lid (nieuw) vervalt «of tweede».
E
Artikel 10a vervalt.
F
Voor artikel 10b worden twee artikelen ingevoegd, luidende:
Artikel 10aa
De toezichthoudende autoriteit oefent haar taak uit op een risicogebaseerde en effectieve
wijze.
Artikel 10ab
De artikelen 45a, tweede lid, van de Advocatenwet en 111a, derde lid, van de Wet op
het notarisambt, zijn van overeenkomstige toepassing op het toezicht op de naleving
door de deken, bedoeld in artikel 9a, onder d, respectievelijk op het toezicht op
de naleving door de personen die op grond van artikel 10, eerste lid, door de toezichthoudende
autoriteit, bedoeld in artikel 9a, onder c, zijn aangewezen.
G
Artikel 10b wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste en tweede lid wordt «Onze Minister van Financiën kan» telkens vervangen
door «De toezichthoudende autoriteiten, genoemd in artikel 9a, onder a, b en c, en
het college van toezicht, bedoeld in artikel 36a, eerste lid, van de Advocatenwet
kunnen» en wordt «artikel 10, tweede lid, onder a tot en met l» telkens vervangen
door «artikel 10, tweede lid, onder a tot en met n en p en q, respectievelijk, tweede
lid, onder o».
2. Het derde lid komt te luiden:
3. De door de Stichting Autoriteit Financiële Markten en de Nederlandsche Bank N.V.
gestelde regels, bedoeld in het eerste lid, behoeven de goedkeuring van Onze Minister
van Financiën.
3. Er worden twee leden toegevoegd, luidende:
4. De door het Bureau Financieel Toezicht gestelde regels, bedoeld in het eerste lid,
behoeven de goedkeuring van Onze Minister van Justitie en Veiligheid.
5. Artikel 30, eerste lid, van de Advocatenwet is van overeenkomstige toepassing op
krachtens het eerste en tweede lid genomen besluiten van het college van toezicht.
H
In artikel 10ba wordt «artikel 10, tweede lid, onder a tot en met l,» vervangen door
«artikel 10, tweede lid, onder a tot en met q,» en wordt «Onze Minister van Financiën»
vervangen door «de toezichthoudende autoriteit».
I
Na artikel 10ba wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 10bb
1. De toezichthoudende autoriteiten, genoemd in artikel 9a, onder a, b en c, kunnen
voor de uitoefening van een taak krachtens deze afdeling van eenieder inlichtingen
vorderen.
2. De artikelen 5:13 en 5:20, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht,
zijn van overeenkomstige toepassing.
3. De toezichthoudende autoriteit, bedoeld in het eerste lid, is bevoegd tot overeenkomstige
toepassing van artikel 5:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, ten aanzien
van de inlichtingen, bedoeld in het eerste lid.
J
In artikel 10c wordt «Onze Minister van Financiën kan» vervangen door «De toezichthoudende
autoriteit kan».
K
Artikel 10d wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt «Onze Minister van Financiën» vervangen door «De toezichthoudende
autoriteit» en wordt na «overtreding van» ingevoegd «artikel 10bb, eerste en tweede
lid, artikel 5:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, of de».
2. Het tweede en derde lid komen te luiden:
2. Als tegen een besluit tot het opleggen van een bestuurlijke boete bezwaar, beroep
of hoger beroep wordt ingesteld, schorst dit de verplichting tot betaling van de boete
totdat de beroepstermijn is verstreken of, als beroep of hoger beroep is ingesteld,
op het beroep of hoger beroep is beslist.
3. De schorsing van de verplichting tot betaling schorst niet de berekening van de wettelijke
rente.
L
Artikel 10f vervalt.
M
De artikelen 10g en 10h komen te luiden:
Artikel 10g
1. Het is eenieder die uit hoofde van de toepassing van bij of krachtens deze afdeling
genomen besluiten enige taak vervult of heeft vervuld verboden van vertrouwelijke
gegevens of inlichtingen, die op grond deze wet of op grond van titel 5.2 van de Algemene
wet bestuursrecht zijn verstrekt of ontvangen, of van een buitenlandse toezichthoudende
instantie zijn ontvangen, verder of anders gebruik te maken of daaraan verder of anders
bekendheid te geven dan voor de uitoefening van zijn taak of bij of krachtens deze
afdeling wordt geëist.
2. In afwijking van het eerste lid, kan de toezichthoudende autoriteit met gebruikmaking
van de in het eerste lid bedoelde informatie mededelingen doen, indien deze niet kunnen
worden herleid tot afzonderlijke personen.
3. Het eerste en tweede lid laten ten aanzien van degene op wie het tweede lid van toepassing
is, onverlet de toepasselijkheid van de bepalingen van het Wetboek van Strafvordering.
4. Het eerste lid beperkt de bevoegdheden op grond van de bepalingen van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering niet die betrekking hebben op het als getuige of als
partij in een comparitie van partijen of als deskundige in burgerlijke zaken afleggen
van een verklaring over gegevens of inlichtingen verkregen bij de vervulling van zijn
op grond van deze afdeling of titel 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht opgedragen
taak, voor zover het gaat om gegevens of inlichtingen over een instelling als bedoeld
in artikel 10, tweede lid, die in staat van faillissement is verklaard of op grond
van een rechterlijke uitspraak is ontbonden. Het in de vorige zin bepaalde geldt niet
voor gegevens of inlichtingen die betrekking hebben op ondernemingen of instellingen
die betrokken zijn of zijn geweest bij een poging de desbetreffende bank in staat
te stellen haar bedrijf voort te zetten.
Artikel 10h
1. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder toezichthoudende autoriteit verstaan:
a. het Bureau Financieel Toezicht, genoemd in artikel 9a, onder c, voor zover het betreft
de instellingen, bedoeld in artikel 10, tweede lid, onder m, n of q;
b. de toezichthouder, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet toezicht trustkantoren
2018.
2. De toezichthoudende autoriteit is in afwijking van artikel 10g, eerste lid, bevoegd
gegevens of inlichtingen die bij of krachtens deze afdeling zijn verstrekt of ontvangen
of van een buitenlandse toezichthoudende instantie zijn ontvangen, te verstrekken
aan:
a. Onze Minister van Buitenlandse Zaken, Onze Minister van Financiën, Onze Minister van
Economische Zaken, of Onze Minister van Justitie en Veiligheid, elk voor het gebied
waartoe hun bevoegdheden zich uitstrekken;
b. het bestuursorgaan, bedoeld in artikel 3.1.1, van de Wet internationale sanctiemaatregelen;
c. een andere toezichthoudende autoriteit of aan een buitenlandse toezichthoudende instantie
voor zover deze toezichthoudende autoriteit of instantie belast is met een taak ter
uitvoering van sanctiemaatregelen als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet internationale
sanctiemaatregelen;
d. de Belastingdienst, de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst, de Nationale Politie,
de Financiële Inlichtingen Eenheid of het Openbaar Ministerie, voor zover de gegevens
of inlichtingen dienstig zijn voor de uitoefening van hun wettelijke taken;
e. een tijdelijke enquêtecommissie van het Europees Parlement als bedoeld in artikel
226 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;
f. een commissie als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Wet op de Parlementaire
enquête 2008, voor zover de gegevens of inlichtingen naar het oordeel van die commissie
noodzakelijk zijn voor de vervulling van haar taak;
g. de Algemene Rekenkamer, voor zover de gegevens of inlichtingen naar het oordeel van
de Algemene Rekenkamer noodzakelijk zijn voor de uitoefening van haar wettelijke taak
op grond van artikel 7.24 van de Comptabiliteitswet 2016.
3. De in het tweede lid bedoelde informatie wordt niet verstrekt indien:
a. het doel waarvoor de gegevens of inlichtingen zullen worden gebruikt onvoldoende bepaald
is;
b. het beoogde gebruik van de gegevens of inlichtingen niet past in het kader van het
toezicht op de naleving van sanctiemaatregelen als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet
internationale sanctiemaatregelen of het toezicht op de naleving van de krachtens
deze afdeling gestelde regels;
c. de verstrekking van de gegevens of inlichtingen zich niet zou verdragen met de Nederlandse
wet of de openbare orde;
d. de geheimhouding van de gegevens of inlichtingen niet in voldoende mate is gewaarborgd;
e. de verstrekking van de gegevens of inlichtingen redelijkerwijs in strijd is of zou
kunnen komen met de belangen die deze wet beoogt te beschermen; of
f. onvoldoende is gewaarborgd dat de gegevens of inlichtingen niet zullen worden gebruikt
voor een ander doel dan waarvoor deze worden verstrekt.
4. Voor zover de gegevens of inlichtingen, bedoeld in het tweede lid, zijn verkregen
van een buitenlandse toezichthoudende instantie, verstrekt de toezichthoudende autoriteit
deze niet aan een andere toezichthoudende instantie of aan een andere buitenlandse
toezichthoudende instantie, tenzij de buitenlandse toezichthoudende instantie waarvan
de gegevens of inlichtingen zijn verkregen uitdrukkelijk heeft ingestemd met de verstrekking
van de gegevens of inlichtingen en in voorkomend geval heeft ingestemd met het gebruik
voor een ander doel dan waarvoor de gegevens of inlichtingen zijn verstrekt.
5. Indien een buitenlandse toezichthoudende instantie aan de toezichthoudende autoriteit
die de gegevens of inlichtingen op grond van het derde of vierde lid heeft verstrekt,
verzoekt om die gegevens of inlichtingen te mogen gebruiken voor een ander doel dan
waarvoor zij zijn verstrekt, willigt de toezichthoudende autoriteit dat verzoek slechts
in:
a. indien het beoogde gebruik niet in strijd is met het derde of vierde lid of voor zover
die toezichthoudende instantie op een andere wijze dan in deze wet voorzien vanuit
Nederland met inachtneming van de daarvoor geldende wettelijke procedures voor dat
andere doel de beschikking over die gegevens of inlichtingen zou kunnen verkrijgen;
en
b. na overleg met Onze Minister van Justitie en Veiligheid indien het in de aanhef bedoelde
verzoek betrekking heeft op een onderzoek naar strafbare feiten.
6. De partijen, bedoeld in het tweede lid, onder e tot en met g, zijn verplicht tot
geheimhouding van de op grond van het eerste lid ontvangen vertrouwelijke gegevens
of inlichtingen en maken die slechts openbaar indien deze niet herleid kunnen worden
tot afzonderlijke personen.
N
Artikel 10i wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt «Onze Minister van Financiën» vervangen door «De toezichthoudende
autoriteit» en wordt «naar het oordeel van Onze Minister van Financiën» vervangen
door « naar het oordeel van de toezichthoudende autoriteit».
2. In het tweede lid wordt «artikel 10g, tweede tot en met vierde lid en 10h» vervangen
door «artikel 10g, eerste, derde en vierde lid, 10h, tweede en derde lid en 10j».
O
Na artikel 10i worden de volgende artikelen ingevoegd, luidende:
Artikel 10j
1. Stichting Autoriteit Financiële Markten en de Nederlandsche Bank N.V. zijn in afwijking
van artikel 10g, eerste lid, bevoegd gegevens of inlichtingen die bij of krachtens
deze afdeling zijn verstrekt of ontvangen of van een buitenlandse toezichthoudende
instantie zijn ontvangen, te verstrekken aan:
a. een andere toezichthoudende autoriteit of een toezichthoudende instantie die belast
is met het toezicht op de instellingen, bedoeld in artikel 10, tweede lid, onder a,
b, c, d, e, f, h, i, j, k of l;
b. een buitenlandse toezichthoudende instantie in een andere lidstaat die is belast met
het toezicht op de instellingen, bedoeld in artikel 10, tweede lid, onder a, b, c,
d, e, f, h, i, j, k of l of een buitenlandse toezichthoudende instantie in een derde
land die belast is met het toezicht op deze instellingen en waarmee een samenwerkingsovereenkomst
is gesloten als bedoeld in artikel 57bis, vijfde lid, van richtlijn 2015/849 van het
Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik
van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering,
tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad
en tot intrekking van Richtlijn 2005/60 van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn
2006/70/EG van de Commissie (PbEU 2015, L 141);
c. de Nederlandsche Bank N.V. voor zover zij taken uitoefent anders dan als toezichthoudende
autoriteit;
d. de Europese Centrale Bank;
e. Onze Ministers, genoemd in artikel 10h, tweede lid, onder a;
f. de instanties, genoemd in artikel 10h, tweede lid, onder b tot en met e;
g. het Depositogarantiefonds, genoemd in artikel 3:259a van de Wet op het financieel
toezicht;
h. het Afwikkelingsfonds, genoemd in artikel 3A:68 van de Wet op het financieel toezicht;
i. Stichting Beleggers Compensatiefonds;
j. de Afwikkelingsraad, genoemd in artikel 42 van de Verordening (EU) nr. 806/2014 van
het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2014 tot vaststelling van eenvormige
regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en
bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme
en een gemeenschappelijk bankenafwikkelingsfonds en tot wijziging van Verordening
(EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2014, L 225);
k. een bij afwikkeling betrokken instantie in een andere lidstaat;
l. een persoon of instantie als bedoeld in artikel 83, tweede lid, onderdeel k van de
Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende
de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen
en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 82/891/EEG van de Raad en
de Richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU,
2012/30/EU en 2013/36/EU en de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012,
van het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2014, L 173);
m. een depositogarantiestelsel of beleggerscompensatiestelsel of een daarbij betrokken
entiteit in een andere lidstaat;
n. Europese Commissie, Europese toezichthoudende autoriteiten, het Gemengd Comité van
de Europese toezichthoudende autoriteiten en het Europees Comité voor systeemrisico’s.
2. De informatie, bedoeld in het eerste lid, wordt niet verstrekt indien:
a. het doel waarvoor de gegevens of inlichtingen zullen worden gebruikt onvoldoende bepaald
is;
b. het beoogde gebruik van de gegevens of inlichtingen niet past in het kader van deze
wet, prudentiële regelgeving, resolutieregelgeving dan wel bevoegdheden in het kader
van resolutie, of het toezicht op de instellingen, bedoeld in artikel 10, tweede lid,
onder a, b, c, d, e, f, h, i, j, k of l;
c. de verstrekking van de gegevens of inlichtingen zich niet zou verdragen met de Nederlandse
wet of de openbare orde;
d. de geheimhouding van de gegevens of inlichtingen niet in voldoende mate is gewaarborgd;
e. de verstrekking van de gegevens of inlichtingen redelijkerwijs in strijd is of zou
kunnen komen met de belangen die deze wet beoogt te beschermen; of
f. onvoldoende is gewaarborgd dat de gegevens of inlichtingen niet zullen worden gebruikt
voor een ander doel dan waarvoor deze worden verstrekt.
3. Artikel 10h, vierde en vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 10k
1. Het Bureau Financieel Toezicht is in afwijking van artikel 10g, eerste lid, bevoegd
gegevens of inlichtingen verkregen bij de vervulling van zijn ingevolge deze wet opgedragen
taak ten aanzien van een instelling als bedoeld in artikel 10, tweede lid, onder m
of n, te verstrekken aan de Stichting Autoriteit Financiële Markten, voor zover de
gegevens of inlichtingen dienstig zijn voor de uitoefening van taken van de Stichting
Autoriteit Financiële Markten op grond van de Wet toezicht accountantsorganisaties.
2. Artikel 10h, tweede tot en met vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 10l
De artikelen 32e tot en met 32j van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren
van terrorisme zijn van overeenkomstige toepassing, waarbij geldt dat:
a. in artikel 32e in plaats van «de in artikel 30 bedoelde voorschriften» wordt gelezen
«de krachtens artikel 10b van de Sanctiewet 1977 gestelde voorschriften»;
b. in de artikelen 32e en 32f, vierde lid, in plaats van «artikel 31, tweede lid» steeds
wordt gelezen «artikel 10e van de Sanctiewet 1977».
P
Artikel 15 komt te luiden:
Artikel 15
1. Op overtredingen van de bij of krachtens afdeling 5 gestelde regels die hebben plaatsgevonden
en zijn beëindigd voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 10.8 van de Wet
internationale sanctiemaatregelen, is artikel 10l van deze wet niet van toepassing.
2. Na inwerkingtreding van artikel 10.8 van de Wet internationale sanctiemaatregelen
berust de Regeling toezicht Sanctiewet 1977 op artikel 10b, eerste lid, en wordt deze
regeling geacht te zijn goedgekeurd als bedoeld in artikel 10b, derde lid.
Artikel 10.9 Wijziging Telecommunicatiewet
In artikel 14a.1 van de Telecommunicatiewet wordt «Sanctiewet 1977» vervangen door
«Wet internationale sanctiemaatregelen».
Artikel 10.10 Wijziging Wet bescherming oorspronkelijke topografieën van halfgeleiderproducten
Na artikel 10 van de Wet bescherming oorspronkelijke topografieën van halfgeleiderprodukten
wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 10a
1. Het bureau is bevoegd een aantekening op te nemen bij topografieën van halfgeleiderproducten
respectievelijk daartoe strekkende aanvragen, geregistreerd in het register, bedoeld
in artikel 1, onder d, indien er sprake is van een relatie tussen die topografie en:
a. natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen, waarvan op grond van
een sanctiemaatregel, de tegoeden en economische middelen zijn bevroren; of
b. rechtspersonen, entiteiten of lichamen, waarvan op grond van een sanctiemaatregel,
het aangaan of voortzetten van de economische of financiële betrekkingen is beperkt
of verboden.
2. Een aantekening als bedoeld in het eerste lid, wordt in het register opgenomen indien
het bureau op eigen gezag deze relatie constateert of informatie ontvangt van Nederlandse
of buitenlandse overheidsinstanties dan wel van Nederlandse of buitenlandse van overheidswege
aangewezen instanties die belast zijn met het toezicht op de naleving of met de uitvoering
van een sanctiemaatregel, die de relatie legt of bevestigt.
3. Het bureau en de verstrekker van de informatie controleert jaarlijks of de informatie,
bedoeld in het tweede lid, nog reden geeft tot het opnemen van een aantekening als
bedoeld in het eerste lid.
4. Het bureau verwijdert een aantekening als bedoeld in het eerste lid, indien de relatie
zich niet langer voordoet.
Artikel 10.11 Wijziging Wet coördinatie terrorismebestrijding en nationale veiligheid
In artikel 6, onderdeel a, van de Wet coördinatie terrorismebestrijding en nationale
veiligheid wordt «Sanctiewet 1977» vervangen door «Wet internationale sanctiemaatregelen».
Artikel 10.12 Wijziging Wet financiële markten BES
De Wet financiële markten BES wordt als volgt gewijzigd:
A
In artikel 2:14, onderdeel f, wordt «of de Sanctiewet 1977» vervangen door «, de Sanctiewet
1977 of de Wet internationale sanctiemaatregelen».
B
In artikel 3:8, tweede lid, onderdeel b, wordt na «de Sanctiewet 1977» ingevoegd «of
de Wet internationale sanctiemaatregelen».
C
Aan artikel 1:21, eerste lid, wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van
onderdeel b, door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:
c. Onze Minister van Economische Zaken, voor zover de gegevens of inlichtingen dienstig
zijn voor de uitoefening van zijn taken op grond van hoofdstuk 5 van de Wet internationale
sanctiemaatregelen.
Artikel 10.13 Wijziging Wet op de economische delicten
In artikel 1, onderdeel 1°, van de Wet op de economische delicten vervalt de zinsnede
met betrekking tot de Sanctiewet 1977 en wordt in de alfabetische volgorde ingevoegd:
de Wet internationale sanctiemaatregelen, de artikelen 2.1.1, eerste lid, 2.2.1 en
2.2.4, eerste lid.
Artikel 10.14 Wijziging Wet op de kansspelen
De Wet op de kansspelen wordt als volgt gewijzigd:
A
In de artikelen 31c, eerste lid, onderdelen b en c, 31d, eerste lid, onderdelen b
en d, 31g, derde lid, en 31h, eerste lid, wordt «de Sanctiewet 1977» telkens vervangen
door «de Wet internationale sanctiemaatregelen».
B
In artikel 34l, onderdeel d, wordt «artikel 10 van de Sanctiewet 1977» vervangen door
«artikel 7.1.1, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet internationale sanctiemaatregelen».
Artikel 10.15 Wijziging Wet op het financieel toezicht
De Wet op het financieel toezicht wordt als volgt gewijzigd:
A
In artikel 1:93, eerste lid, wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van
onderdeel k door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:
l. Onze Minister van Economische Zaken, voor zover de gegevens of inlichtingen dienstig
zijn voor de uitoefening van zijn taken op grond van hoofdstuk 5 van de Wet internationale
sanctiemaatregelen.
B
In artikel 1:104, eerste lid, onderdeel r, van de Wet op het financieel toezicht wordt
na «de Sanctiewet 1977» ingevoegd «of de Wet internationale sanctiemaatregelen».
Artikel 10.16 Wijziging Wet op het notarisambt
De Wet op het notarisambt wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het tweede lid, onderdeel l, wordt »als bedoeld in artikel 111b, tweede lid» vervangen
door «als bedoeld in artikel 111b, tweede lid, en de artikelen 10c en 10d van de Sanctiewet
1977.
2. In het vierde lid wordt «artikel 111b, tweede lid,» vervangen door «artikel 111b,
tweede lid, en de artikelen 10c en 10d van de Sanctiewet 1977,».
B
In artikel 93, eerste lid, wordt «bij of krachtens deze wet» vervangen door «bij of
krachtens deze wet of de Sanctiewet 1977».
Artikel 10.17 Wijziging Wet open overheid
In de bijlage bij artikel 8.8 van de Wet open overheid komt de zinsnede met betrekking
tot de Sanctiewet 1977 te luiden:
Sanctiewet 1977: de artikelen 10g, eerste lid, 10h, en 10j.
Artikel 10.18 Wijziging Wet ruimtevaartactiviteiten
In hoofdstuk 3 van de Wet ruimtevaartactiviteiten wordt na artikel 11 een artikel
ingevoegd, luidende:
Artikel 11a
1. Onze Minister is bevoegd een aantekening op te nemen bij de ruimtevoorwerpen, geregistreerd
in het register, bedoeld in artikel 11, indien er sprake is van een relatie tussen
dat geregistreerd ruimtevoorwerp en:
a. natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen, waarvan op grond van
een sanctiemaatregel, de tegoeden en economische middelen zijn bevroren; of
b. rechtspersonen, entiteiten of lichamen, waarvan op grond van een sanctiemaatregel,
het aangaan of voortzetten van de economische of financiële betrekkingen is beperkt
of verboden.
2. Een aantekening als bedoeld in het eerste lid, wordt in het register opgenomen indien
Onze Minister op eigen gezag deze relatie constateert of informatie ontvangt van Nederlandse
of buitenlandse overheidsinstanties dan wel van Nederlandse of buitenlandse van overheidswege
aangewezen instanties die belast zijn met het toezicht op de naleving of met de uitvoering
van een sanctiemaatregel, die de relatie legt of bevestigt.
3. Onze Minister en de verstrekker van de informatie controleert jaarlijks of de informatie,
bedoeld in het tweede lid, nog reden geeft tot het opnemen van een aantekening als
bedoeld in het eerste lid.
4. Onze Minister verwijdert op grond van informatie die Onze Minister ontvangt van een
instantie als bedoeld in het tweede lid, een aantekening als bedoeld in het eerste
lid, indien de relatie zich niet langer voordoet.
Artikel 10.19 Wijziging Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme
BES
In artikel 3.13, eerste lid, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren
van terrorisme BES wordt «de Sanctiewet 1977 en de op grond van die wet» vervangen
door «de Sanctiewet 1977 of de Wet internationale sanctiemaatregelen en de op grond
van die wetten».
Artikel 10.20 Wijziging Wet toezicht accountantsorganisaties
In de Wet toezicht accountantsorganisaties wordt aan artikel 63cc een lid toegevoegd,
luidende:
6. De Autoriteit Financiële Markten kan, in afwijking van artikel 63a, eerste lid, vertrouwelijke
gegevens of inlichtingen verkregen bij de vervulling van de haar ingevolge deze wet
opgedragen taak, verstrekken aan Onze Minister van Economische Zaken voor zover de
gegevens of inlichtingen dienstig zijn voor de uitoefening van zijn taken op grond
van hoofdstuk 5 van de Wet internationale sanctiemaatregelen. Het tweede tot en met
vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 10.21 Wijziging Wet toeicht trustkantoren 2018
De Wet toezicht trustkantoren 2018 wordt als volgt gewijzigd:
A
In artikel 7, eerste lid, onderdeel k, wordt na «de Sanctiewet 1977» ingevoegd «of
de Wet internationale sanctiemaatregelen».
B
In artikel 15, tweede lid, wordt «en de Sanctiewet 1977» vervangen door «, de Sanctiewet
1977 en de Wet internationale sanctiemaatregelen».
C
In artikel 56, eerste lid, onderdeel b, wordt na «de Sanctiewet 1977» ingevoegd «, de
Wet internationale sanctiemaatregelen».
D
Artikel 57 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het opschrift wordt na «Sanctiewet 1977» ingevoegd «en Wet internationale sanctiemaatregelen».
2. Het eerste lid komt te luiden:
1. De Nederlandsche Bank N.V. kan gegevens of inlichtingen verkregen bij de vervulling
van de haar ingevolge deze wet opgedragen taak, verstrekken aan:
a. de instantie die is belast met de uitvoering van ingevolge een sanctiebesluit of sanctieregeling
in de zin van artikel 1.1 van de Wet internationale sanctiemaatregelen vastgestelde
regels, voor zover de gegevens of inlichtingen dienstig zijn voor de uitvoering van
die regels;
b. Onze Minister van Economische Zaken, voor zover de gegevens of inlichtingen dienstig
zijn voor de uitoefening van zijn taken op grond van hoofdstuk 5 van de Wet internationale
sanctiemaatregelen.
Artikel 10.22 Wijziging Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames
In artikel 19, eerste lid, onderdeel b, onder 3°, van de Wet veiligheidstoets investeringen,
fusies en overnames wordt «de Sanctiewet 1977» vervangen door «de Wet internationale
sanctiemaatregelen».
Artikel 10.23 Wijziging Wet verplichte beroepspensioenregeling
In de Wet verplichte beroepspensioenregeling wordt aan artikel 202, eerste lid, onder
vervanging van de punt aan het slot van onderdeel c, door een puntkomma, een onderdeel
toegevoegd, luidende:
d. Onze Minister van Economische Zaken, voor zover de gegevens of inlichtingen dienstig
zijn voor de uitoefening van zijn taken op grond van hoofdstuk 5 van de Wet internationale
sanctiemaatregelen.
Artikel 10.24 Wijziging Zaaizaad- en plantgoedwet 2005
In hoofdstuk 7, paragraaf 2, van de Zaaizaad- en plantgoedwet 2005 wordt na artikel
56 een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 56a
1. De Raad is bevoegd een aantekening op te nemen bij het ras waarvoor een kwekersrecht
is verleend als bedoeld in artikel 25, tweede lid, onderdeel b, indien er sprake is
van een relatie tussen dat geregistreerde ras en kwekersrecht en:
a. natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen, waarvan op grond van
een sanctiemaatregel, de tegoeden en economische middelen zijn bevroren; of
b. rechtspersonen, entiteiten of lichamen, waarvan op grond van een sanctiemaatregel,
het aangaan of voortzetten van de economische of financiële betrekkingen is beperkt
of verboden.
2. Een aantekening als bedoeld in het eerste lid, wordt in het register opgenomen indien
de Raad op eigen gezag deze relatie constateert of informatie ontvangt van Nederlandse
of buitenlandse overheidsinstanties dan wel van Nederlandse of buitenlandse van overheidswege
aangewezen instanties die belast zijn met het toezicht op de naleving of met de uitvoering
van een sanctiemaatregel, die de relatie legt of bevestigt.
3. De Raad en de verstrekker van de informatie controleert jaarlijks of de informatie,
bedoeld in het tweede lid, nog reden geeft tot het opnemen van een aantekening als
bedoeld in het eerste lid.
4. De Raad verwijdert een aantekening als bedoeld in het eerste lid, indien de relatie
zich niet langer voordoet.
HOOFDSTUK 11. SLOTBEPALINGEN
Artikel 11.1 Evaluatie
Onze Minister zendt in overeenstemming met Onze Ministers die het mede aangaat binnen
vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over
de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.
Artikel 11.2 Integrale tekstpublicatie
Voor de plaatsing in het Staatsblad stelt Onze Minister de nummering van de artikelen,
hoofdstukken en paragrafen van de Wet internationale sanctiemaatregelen opnieuw vast
en brengt hij de in die wet voorkomende aanhalingen van de artikelen, hoofdstukken
en paragrafen met de nieuwe nummering in overeenstemming.
Artikel 11.3 Inwerkingtreding
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat
voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 11.4 Citeertitel
Deze wet wordt aangehaald als: Wet internationale sanctiemaatregelen.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries,
autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven
De Minister van Buitenlandse Zaken
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.