Brief commissie : Brief van de tijdelijke commissie Grondrechten en constitutionele toetsing over een advies over het wetsvoorstel van het lid Ouwehand tot wijziging van de Wet dieren en de Wet op de economische delicten in verband met de afschaffing van de bio-industrie
36 562 Voorstel van wet van het lid Ouwehand tot wijziging van de Wet dieren en de Wet op de economische delicten in verband met de afschaffing van de bioindustrie
Nr. 11 BRIEF VAN DE TIJDELIJKE COMMISSIE GRONDRECHTEN EN CONSTITUTIONELE TOETSING
Aan de Leden
Den Haag, 12 februari 2026
De tijdelijke commissie Grondrechten en constitutionele toetsing (hierna: de tijdelijke
commissie) heeft tijdens haar procedurevergadering van 4 december 2025 besloten, gelet
op het dictum en het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State, een
adviestraject te starten voor het wetsvoorstel van het lid Ouwehand tot wijziging
van de Wet dieren in verband met de afschaffing van de bioindustrie (36 562). De vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur is hierover
geïnformeerd met een brief van 4 december 2025 (2025Z21169).
Inhoud wetsvoorstel
Het initiatiefwetsvoorstel beoogt te waarborgen dat een dierwaardige veehouderij in
2040 gerealiseerd wordt en regelt daarvoor twee dingen. Allereerst wordt in de Wet
dieren per diersoort of diercategorie vastgelegd welke gedragsbehoeften dieren in
elk geval niet meer mogen worden onthouden. Het tweede onderdeel houdt een aanscherping
in: lichamelijke ingrepen bij dieren mogen niet meer worden verricht om hen te kunnen
houden binnen een bepaald systeem of huisvesting, indien daarvoor geen diergeneeskundige
noodzaak bestaat. Als deze ingrepen niet meer zijn toegestaan, zullen veehouders de
leefomgeving van dieren moeten aanpassen door bijvoorbeeld minder dieren te gaan houden,
de stallen te verbouwen of deze anders in te richten.
De initiatiefnemer merkt op dat de recente wijziging van de Wet dieren geen garantie
biedt dat dieren in 2040 op een dierwaardige wijze binnen de veehouderij gehouden
worden. Zij verwacht dat bij het vaststellen van de amvb’s op basis van die wetswijziging,
waarbij stapsgewijs nieuwe regels in werking treden om te komen tot een dierwaardige
veehouderij, de belangen van veehouders zwaarder zullen wegen dan de belangen van
dieren. De initiatiefnemer wil een betere wettelijke borging dat de dierwaardige veehouderij
in 2040 gerealiseerd wordt en heeft daarom dit initiatiefvoorstel ingediend.
De initiatiefnemer wil het initiatiefvoorstel in werking laten treden op 1 juli 2026.1 Met deze korte termijn wil de initiatiefnemer voorkomen dat er nog investeringen
worden gedaan in stalsystemen die niet toekomstbestendig zijn. Voor het eerste onderdeel
van het initiatiefvoorstel – welke gedragsbehoeften dieren niet meer mogen worden
onthouden – wordt een uitzondering gemaakt. Voor bestaande stallen en dierenverblijven
kan in een amvb een redelijke overgangstermijn worden bepaald, die uiterlijk tot 1 januari
2040 loopt. In het wetsvoorstel zoals voorgelegd aan de Raad van State zou het tweede
onderdeel van het initiatiefvoorstel – het aangescherpte verbod op lichamelijke ingrepen –
zonder overgangstermijn in werking treden.
Inmenging in het recht op eigendom en de vrijheid van ondernemerschap
Met het initiatiefvoorstel wordt het eigendom van bedrijven gereguleerd. Het recht op eigendom wordt onder meer beschermd in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM en artikel
14 van de Grondwet. Regulering van eigendom is toegestaan als daarmee het algemeen
belang, waaronder de bescherming van dieren, is gediend. Wel moet er een belangenafweging
plaatsvinden, waaruit blijkt dat de maatregelen proportioneel zijn aan dat doel en
lichtere middelen niet volstaan. Wanneer een onevenredig zware last wordt neergelegd
bij het individu (of in dit geval, bedrijf), kan de overheid verplicht zijn om hierin
tegemoet te komen. Hierbij kan worden betrokken hoeveel tijd iemand heeft om zich
aan de nieuwe regels aan te passen. De mate waarin het initiatiefvoorstel in een redelijke
overgangstermijn voorziet, is dus een belangrijk element bij de toetsing aan het recht
op eigendom.
Om die reden adviseert de Raad van State een redelijke overgangstermijn voor het verbod
op lichamelijke ingrepen. Ook adviseert de Raad van State om in de toelichting in
te gaan op de evenredigheid van de aanscherping van dit verbod. Zo wordt in de toelichting
volgens de Raad van State niet voldoende stilgestaan bij de (financiële) gevolgen
voor de bedrijfsvoering van veehouders, bijvoorbeeld als het gaat om afschrijftermijnen
en investeringsritmes. Het ontbreken van een redelijke overgangstermijn leidt ertoe
dat een onevenredig zware last bij veehouders en andere bedrijven wordt neergelegd,
aldus de Raad van State. Het is daarom nodig dat er alsnog een overgangstermijn wordt
ingevoerd, ook met het oog op eventuele aansprakelijkheid van de overheid.
Naar aanleiding van het advies van de Raad van State heeft de initiatiefnemer, op
basis van ingewonnen advies, een latere inwerkingtredingsdatum voor het verbod op
lichamelijke ingrepen in het initiatiefvoorstel opgenomen van 1 januari 2030. De initiatiefnemer
volstaat daarbij met de constatering dat het volgens de Raad van State nodig is om
een overgangstermijn in te voeren voor het verbod op lichamelijke ingrepen in de veehouderij,
ook om te voorkomen dat de overheid aansprakelijk wordt gesteld.
Het wetsvoorstel raakt, gezien de gevolgen voor de bedrijfsvoering van veehouders
mogelijk ook aan de vrijheid van ondernemerschap, zoals gewaarborgd in artikel 16 van het Handvest van de grondrechten van de Europese
Unie. Om die reden adviseert de Raad van State in de toelichting de toetsing aan het
Handvest overtuigend te motiveren. Een beperking van de vrijheid van ondernemerschap
kan worden gerechtvaardigd als sprake is van: een legitiem doel, de maatregel evenredig
is met (en ook noodzakelijk is gezien) het beoogde belang, en de wezenlijke inhoud
van het grondrecht wordt eerbiedigd. Ook dit onderstreept volgens de Raad van State
het belang van een redelijke overgangstermijn.
In reactie op het advies van de Raad van State over de vrijheid van ondernemerschap,
geeft de initiatiefnemer aan in paragraaf 5.2 van de memorie van toelichting te hebben
voorzien in een nadere toetsing aan het Handvest. De initiatiefnemer schrijft in de
memorie van toelichting dat de inperking van de vrijheid van ondernemerschap is te
rechtvaardigen vanuit een legitiem doel, namelijk het bevorderen van dierenwelzijn.
Voor een onderbouwing van de noodzaak wordt verwezen naar vorige hoofdstukken van
de toelichting. De initiatiefnemer stelt, zonder nadere motivering, dat de gekozen
overgangstermijnen voortkomen uit het doel van de Wet dieren om in 2040 een dierwaardige
veehouderij te hebben bereikt en dat deze proportioneel en evenredig zijn, gezien
de impact voor de betrokkenen en het algemeen belang.
De tijdelijke commissie merkt op dat in reactie op het advies van de Raad van State
niet is onderbouwd waarom is gekozen voor inwerkingtreding van het aangescherpte verbod op lichamelijke ingrepen
bij dieren per 1 januari 2030 en waarom deze datum zorgt voor een eerlijke balans
tussen de belangen van bijvoorbeeld veehouders en het belang van het bevorderen van
het dierenwelzijn. Dit geldt zowel voor de beperking van het eigendomsrecht als de
vrijheid van ondernemerschap. Waarom is bijvoorbeeld niet gekozen voor een inwerkingtredingstermijn
van twee jaar eerder of vijftien jaar later? Ook ontbreekt een inschatting van de
financiële gevolgen van het verbod voor dierenartsen of veehouderijen, bijvoorbeeld
wat betreft de impact op investeringen en afschrijvingen. Verder is het onduidelijk
of de initiatiefnemer heeft overwogen om – naast of in plaats van de mogelijkheid
van overgangsrecht of een latere inwerkingtredingsdatum – te voorzien in compensatie
voor de betrokkenen. Ook de verhouding tot het andere onderdeel van het initiatiefvoorstel
over de gedragsbehoeften van dieren, waarvoor wel in overgangsrecht is voorzien tot
uiterlijk 1 januari 2040, is niet toegelicht. De tijdelijke commissie merkt tot slot
op dat de initiatiefnemer op basis van ingewonnen advies tot inwerkingtreding per
2030 heeft besloten. Wat het advies inhield en welke overwegingen daarbij zijn gegeven,
is niet terug te lezen in de toelichting of het nader rapport.
De tijdelijke commissie adviseert de leden om aan de initiatiefnemer – ten behoeve
van de weging van de proportionaliteit van het aangescherpte verbod op lichamelijke
ingrepen bij dieren – te vragen om een nadere motivering en daarbij in het bijzonder
aandacht te vragen voor de (financiële) gevolgen voor bedrijven.
De hiervoor genoemde punten kunnen betrokken worden bij de verdere behandeling van
het wetsvoorstel.
De voorzitter van de tijdelijke commissie Grondrechten en Constitutionele toetsing, Bushoff
De griffier van de tijdelijke commissie Grondrechten en Constitutionele toetsing, Kling
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
T.J. Bushoff, voorzitter van de tijdelijke commissie Grondrechten en constitutionele toetsing -
Mede ondertekenaar
Y.C. Kling, griffier