Inbreng verslag schriftelijk overleg : Inbreng verslag van een schriftelijk overleg over de voorhang AMvB vernieuwde kerndoelen Nederlands en rekenen en wiskunde (Kamerstuk 31332-110)
2026D04150 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Binnen de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap hebben enkele fracties
de behoefte om vragen en opmerkingen voor te leggen over de brief van de Staatssecretaris
d.d. 14 januari 2026 inzake de voorhang AMvB vernieuwde kerndoelen Nederlands en rekenen
en wiskunde (Kamerstuk 31 332, nr. 110). Bij brief van ... heeft de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
deze beantwoord. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.
De fungerend voorzitter van de commissie,
Bromet
Adjunct-griffier van de commissie,
Easton
Inhoud
I
Vragen en opmerkingen uit de fracties
•
Inbreng van de leden van de D66-fractie
•
Inbreng van de leden van de VVD-fractie
•
Inbreng van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
•
Inbreng van de leden van de CDA-fractie
•
Inbreng van de leden van de JA21-fractie
•
Inbreng van de leden van de BBB-fractie
II
Reactie van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
I Vragen en opmerkingen uit de fracties
Inbreng van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de vernieuwde kerndoelen
Nederlands en rekenen/wiskunde. Deze leden steunen deze nieuwe doelen en de spoedige
implementatie ervan. Zij hebben momenteel geen verdere vragen.
Inbreng van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met bijzonder veel interesse de voorhang AMvB vernieuwde
kerndoelen Nederlands en rekenen en wiskunde gelezen en steunen een voortvarende invoering.
Inbreng van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van
de voorhang van de algemene maatregel van bestuur Besluit vernieuwde kerndoelen Nederlands
en rekenen en wiskunde. Deze leden hebben hierover de volgende vragen aan de Staatssecretaris.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat in de algemene maatregel van
bestuur (AMvB) wordt uitgegaan van een inwerkingsperiode van vijf jaar voordat de
vernieuwde kerndoelen volledig verplicht worden. Deze leden vragen de Staatssecretaris
waarom voor een periode van vijf jaar is gekozen. Vijf jaar is binnen een schoolcarrière
namelijk ontzettend lang. Kan de Staatssecretaris toelichten waarom een kortere periode,
bijvoorbeeld drie jaar, niet haalbaar of wenselijk wordt geacht? Welke inhoudelijke,
organisatorische of uitvoeringsmatige overwegingen liggen hieraan ten grondslag?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie willen de Staatssecretaris er nogmaals op
wijzen dat de vorige vernieuwing van het curriculum plaatsvond in 2006. Mochten er
scholen zijn die pas in 2031 overgaan op de nieuwe kerndoelen, dan heeft het curriculum
dus 25 jaar stilgestaan. Deze leden vragen zich dan ook af hoe deze lange inwerkingsperiode
zich verhoudt tot de brede urgentie die juist wordt benadrukt ten aanzien van de vernieuwing
van het curriculum; het zou een grote bijdrage kunnen leveren aan de verbetering van
de onderwijskwaliteit. Welke waarborgen zijn er dat scholen niet pas aan het einde
van de inwerkingsperiode daadwerkelijk met de vernieuwde kerndoelen gaan werken? Daarnaast
vragen deze leden hoe er wordt omgegaan met de terechte kritiek van de Inspectie van
het Onderwijs (hierna: inspectie) dat de lange inwerkingsperiode ervoor zorgt dat
de inspectie voor een heel lange tijd toezicht moet houden op twee verschillende curricula.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie benadrukken dat het slagen van een curriculumherziening
valt of staat met een zorgvuldige en realistische implementatie in de onderwijspraktijk.
Daarbij is voldoende tijd en ruimte voor leraren cruciaal. Deze leden maken zich zorgen
over de werkdruk die gepaard gaat met de invoering van de vernieuwde kerndoelen. Zij
constateren dat voor de implementatie in het primair onderwijs wordt uitgegaan van
zestien uur per school, terwijl in het voortgezet onderwijs wordt uitgegaan van zestien
uur per leraar. Deze leden vragen de Staatssecretaris hoe dit grote verschil tussen
primair en voortgezet onderwijs te verklaren is, en waarom daarvoor gekozen is. Bedoelt
de Staatssecretaris hiermee dan de implementatie van de kerndoelen in het voortgezet
onderwijs meer aandacht behoeft dan in het primair onderwijs?
Kan de Staatssecretaris inzichtelijk maken hoe de implementatie in die zestien uur
per school of per leraar kan plaatsvinden? Waarop heeft hij die zestien uur gebaseerd?
En klopt het beeld van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie dat deze zestien uur
niet extra is, maar dat het reguliere ontwikkeltijd voor leraren betreft die niet
kan worden besteed aan professionalisering op andere vlakken? Wat in de ontwikkeling
van leraren kan volgens de Staatssecretaris wijken om de scholen zich te laten richten
op de implementatie van de kerndoelen? Daarnaast vragen deze leden hoe wordt geborgd
dat schoolbesturen daadwerkelijk de benodigde ruimte creëren voor teams om gezamenlijk
aan de implementatie te werken en dat deze tijd niet slechts op papier beschikbaar
is.
Acht de Staatssecretaris het realistisch dat een volledige basisschool de implementatie
van vernieuwde kerndoelen kan realiseren met slechts zestien uur in totaal? Hoe verhoudt
deze tijdsbesteding zich tot de omvang en complexiteit van de curriculumvernieuwing,
zeker in het primair onderwijs waar leraren meerdere vakken geven en kerndoelen integraal
moeten worden verwerkt? Is de Staatssecretaris het met de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
eens dat zestien uur per school zorgt voor ongelijkheid tussen kleine scholen met
weinig leraren en grote scholen met veel leraren? En dat er een ongelijkheid ontstaat
tussen scholen met wel of geen lerarentekort? Kan de Staatssecretaris de zorgen van
deze leden daarover wegnemen?
In het besluit lezen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie dat er voor de implementatie
van de curriculumherziening in periode van 2025–2028 € 23 miljoen wordt vrijgemaakt.
Kan de Staatssecretaris verhelderen waarom dit geld is gereserveerd voor deze periode,
terwijl de periode van inwerkingtreding loopt tot 2031? Deze leden zouden daarnaast
graag een uitsplitsing zien van waarvoor precies die € 23 miljoen is gereserveerd,
alsmede een uitsplitsing van de € 21,25 miljoen die structureel is gereserveerd voor
het op peil houden van het curriculum.
Verder lezen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie dat als gevolg van dit besluit
er een prikkel ontstaat voor private organisaties om hun aanbod af te stemmen op de
(implementatie van de) geactualiseerde kerndoelen. Deze leden maken zich al langer
zorgen over de steeds groter wordende invloed van private partijen in het onderwijs.
Betekent dit dat een deel van het geld dat is gereserveerd voor de curriculumherziening
ten goede komt aan private organisaties en daarmee dus aan hun winsten? Klopt het
dat private organisaties in het onderwijs geen omzetbelasting betalen over de winsten
die zij verkrijgen met publieke middelen? Waarom is er niet voor gekozen om de publieke
organisaties die er zijn te versterken zodat zij scholen kunnen ondersteunen in de
implementatie van het curriculum?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen in het besluit onder de kop «Evaluatie
en monitoring» dat de nieuwe kerndoelen periodiek na een aantal jaar door Stichting
Leerplan Ontwikkeling (SLO) worden geëvalueerd. De leden vinden dat een goede zaak,
maar missen in de uitwerking van de wettekst en de toelichting erop het aangenomen
amendement Ceder c.s. waarin wordt gesteld dat de Onderwijsraad ook eens per tien
jaar kijkt in hoeverre het curriculum nog actueel is.1 Kan de Staatssecretaris toelichten waarom er in het besluit niets is opgenomen over
dit amendement?
Nadat de voorhang van de nieuwe kerndoelen is afgerond, worden de vernieuwde kerndoelen
voorgelegd aan de Raad van State. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen wat
de Staatssecretaris zal doen indien de Raad van State in haar advies op de AMvB of
het onderliggende besluit substantiële of fundamentele kritiek uit. Deze leden vragen
zich af of de planning zoals die nu voorligt dan in gevaar komt, gezien deze vrij
krap is als er uit wordt gegaan van inwerkingtreding op 1 augustus 2026. Daarnaast
vragen deze leden zich af hoe de Kamer geïnformeerd wordt over de wijze waarop met
het advies van de Raad van State wordt omgegaan.
Inbreng van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie maken graag van de gelegenheid gebruik enkele aanvullende
vragen te stellen over de voorhang AMvB vernieuwde kerndoelen Nederlands en rekenen
en wiskunde.
De leden van de CDA-fractie merken op dat het aantal kerndoelen aanzienlijk is verminderd,
wat deze leden als positief ervaren. Ook was het de bedoeling om de samenhang tussen
de kerndoelen duidelijker te maken. Zij vragen de Staatssecretaris uit te leggen hoe
het versterken van die samenhang en het terugbrengen van het aantal kerndoelen zou
kunnen bijdragen aan betere resultaten van leerlingen op het gebied van lezen, schrijven
en rekenen.
De Staatssecretaris geeft aan dat invoering van de nieuwe kerndoelen haalbaar is,
mede dankzij een uitgebreid implementatieplan dat momenteel wordt ontwikkeld in overleg
met sociale partners. De leden van de CDA-fractie willen graag weten wanneer dit implementatieplan
klaar zal zijn en binnen welk tijdsbestek de nieuwe kerndoelen voor Nederlands, rekenen
en wiskunde volledig ingevoerd worden. Tot slot vragen deze leden of en hoe er na
de inwerkingtreding van het implementatieplan gemonitord zal gaan worden.
Inbreng van de leden van de JA21-fractie
De leden van de JA21-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de vernieuwde
kerndoelen en hebben hierover nog een aantal vragen en opmerkingen.
In algemene zin vragen de leden van de JA21-fractie in hoeverre de nu voorliggende
kerndoelen meer of minder ambitie bevatten dan de vorige kerndoelen. Kan de Staatssecretaris
nog eens helder aangeven op welke manier de nu voorliggende kerndoelen inhoudelijk
verschillen van de vorige kerndoelen? Aan welke stof, inhoud of vaardigheden zal met
deze kerndoelen meer tijd moeten worden besteed en aan welke juist minder? Graag een
toelichting.
In de tekst van de kerndoelen primair en speciaal onderwijs onderdeel A, Nederlands,
kerndoel 3 staat: «de leerling produceert teksten». Waarom is gekozen voor de term
«produceert» in plaats van «schrijft»?
De kerndoelen leggen veel nadruk op zaken waarop kinderen zouden moeten «reflecteren»
of die zij moeten «evalueren». Zo gaan ze in de ogen van de leden van de JA21-fractie
in sommige opzichten gebukt onder grote ambities op een hoog metaniveau. In kerndoel
5 bijvoorbeeld moet de leerling «reflecteren» op «het product van een taalactiviteit».
Of zoals bijvoorbeeld beschreven in kerndoel 7 van de kerndoelen Nederlands primair
en speciaal onderwijs, onderdeel A: «de leerling verkent hoe je met taal uiting geeft
aan je identiteit». Waarom is gekozen voor deze ingewikkelde benadering en op welke
wetenschappelijke inzichten berust deze? Is het niet belangrijker dat kinderen op
de basisschool eerst fatsoenlijk leren lezen, schrijven en spreken waarbij het verkennen
hoe de taal uiting geeft aan een identiteit eerder als een «extra» kan worden beschouwd
dan als een kerndoel? Op welke manier wordt onderzocht of leerlingen voldoen aan dit
kerndoel en met taal uiting geven aan hun identiteit?
Dit geldt volgens de leden van de JA21-fractie ook tot op zekere hoogte voor kerndoel
7B: «de leerling verkent taalvariatie en taalverandering in het Nederlandse taalgebied»
met bijvoorbeeld het «verkennen van overtuigingen over verschillende talen en taalvariëteiten».
Hoe wordt dit getoetst? Als nu een school leerlingen wel goed leert spellen, schrijven,
formuleren, spreken en lezen, maar niet doet aan het verkennen van overtuigingen over
verschillende talen, voldoet die school dan dus niet aan deze kerndoelen? Welke gevolgen
zou dat hebben?
Ten aanzien van kerndoel 6, «de leerling toont inzicht in taal als systeem», doel
B: «de leerling toont inzicht in regels en procedures voor spelling, formulering en
interpunctie». In hoeverre betekent dit kerndoel dat kinderen goed moeten leren spellen
(en op een goede manier interpunctie moeten leren gebruiken) en waarom is dat niet
op die manier geformuleerd?
Ten aanzien van de kerndoelen rekenen en wiskunde: hier geldt wellicht dat deze kennis
en vaardigheden beter kunnen worden gemeten en vergeleken door de tijd. Hoe verhouden
deze kerndoelen zich tot de vorige kerndoelen? En hoe verhouden deze kerndoelen zich
tot die in onze buurlanden?
Ten aanzien van de kerndoelen onderbouw voortgezet onderwijs: in hoeverre verplichten
deze kerndoelen om kinderen te leren een goed opstel te schrijven?
Inbreng van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de voorhang AMvB vernieuwde kerndoelen
Nederlands en rekenen en wiskunde. Deze leden hebben geen vragen aan de Staatssecretaris.
II Reactie van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
L. Bromet, voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap -
Mede ondertekenaar
A.E.W. Easton, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.