Verslag (initiatief)wetsvoorstel (nader) : Nader verslag
35 844 Regels voor handelingen met lichaamsmateriaal, welke worden verricht voor andere doeleinden dan geneeskundige behandeling of diagnostiek van de donor (Wet zeggenschap lichaamsmateriaal)
Nr. 16
NADER VERSLAG
Vastgesteld 26 januari 2026
De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport, belast met het voorbereidend
onderzoek van voorliggend wetsvoorstel, heeft na kennisneming van de tweede nota van
wijziging nog behoefte nadere vragen en opmerkingen aan de regering voor te leggen.
Onder het voorbehoud dat de in het nader verslag opgenomen vragen en opmerkingen afdoende
door de regering worden beantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van
het wetsvoorstel voldoende voorbereid.
Inhoudsopgave
Inleiding
Hoofdstuk 1. Verduidelijking begripsomschrijving lichaamsmateriaal (onderdeel A),
wijzigingen van de bepalingen over sensitieve toepassingen (onderdeel E) en toevoeging
van bepalingen over handelingen met bijzondere risico’s of consequenties (onderdeel
F)
Inleiding
1.1 Het begrip «lichaamsmateriaal» (onderdeel A, onder punt 6) en het begrip «bewerkt
levend celmateriaal» (onderdeel A, onder punt 1)
1.2 Wijziging van artikel 6 «sensitieve toepassingen» (onderdeel E) en toevoeging
begripsbepaling «bewerkt levend celmateriaal» en «onsterfelijke cellijn» in artikel
1 (onderdeel A, onder punt 1)
1.3 Toevoeging van artikel 6a (onderdeel F)
Hoofdstuk 2. Heroverweging zeggenschapsregime voor nader gebruik van lichaamsmateriaal
voor medisch- of biologisch-wetenschappelijk onderzoek (onderdeel R)
Inleiding
2.1 Heroverweging zeggenschapsregime
2.1.1 Oorspronkelijke voorstel: uitzondering op het toestemmingsvereiste voor het
bewaren en nader gebruiken van lichaamsmateriaal
2.1.2 Aanleiding voor heroverweging zeggenschapsregime
2.2 Vergelijking twee mogelijke zeggenschapsregimes voor het nader gebruik van lichaamsmateriaal
2.3 Balans zeggenschap en medisch- of biologisch-wetenschappelijk onderzoek (onderdeel
R)
2.3.1 Waarde van wetenschappelijk onderzoek en de visie van de patiënt en burger op
nader gebruik
2.3.2 Belang van informatievoorziening
2.3.3 Inperking van doeleinden van het nader gebruik en bescherming van de persoonlijke
levenssfeer
2.3.4 Vergelijking verschillende zeggenschapsregimes
2.3.5 Conclusie: balans zeggenschap en vooruitgang medische wetenschap (artikel 17,
eerste lid)
2.3.6 Afbakening geïnformeerde opt-out tot materiaal verkregen uit primaire zorgverlening
en uitsluiting bevolkingsonderzoeken kinderen onder de twaalf jaar (artikel 17, vierde
lid) (Onderdeel R)
2.4 Randvoorwaarden geïnformeerde opt-out (artikel 17, eerste lid en tweede lid) (onderdelen
R, H en I)
2.4.1 Randvoorwaarden om gebruik te kunnen maken van de geïnformeerde opt-out (artikel
17, eerste lid en tweede lid) (onderdeel R)
2.4.2 Randvoorwaarde 1: Medisch- of biologisch-wetenschappelijk onderzoek in het algemeen
belang van de volksgezondheid (artikel 17, eerste lid, aanhef en onderdeel a)
2.4.3 Randvoorwaarde 2: Informatieverplichtingen (artikel 17, eerste lid, onderdeel
b, artikel 17, tweede lid, artikel 8, en artikel 8a)
2.4.4 Randvoorwaarde 3: Maatregelen ter waarborging van de bescherming van de persoonlijke
levenssfeer (artikel 17, eerste lid, onderdeel c)
2.4.5 Randvoorwaarde 4: Geen bezwaar gemaakt (artikel 17, eerste lid, onderdeel d)
en de termijn die minimaal moet worden aangehouden voordat lichaamsmateriaal gebruikt
mag worden voor onderzoek (artikel 17, tweede lid)
2.4.6 Concluderend: werking van geïnformeerd opt-out systeem en waarborgen
2.5 Verwerken van persoonsgegevens (over gezondheid) die horen bij of voortkomen uit
het lichaamsmateriaal (artikel 17a) (onderdeel S)
2.5.1 Achtergrond: samenhang verwerking persoonsgegevens en onderzoek met lichaamsmateriaal
2.5.2 Onderbouwing noodzaak sectorspecifieke bepaling
2.5.3 Wat regelt artikel 17a Wzl met betrekking tot persoonsgegevens
2.6 Grondrechtelijke aspecten
Hoofdstuk 3. Medisch-ethische toetsing (onderdelen Q, Y, Z en AA)
Inleiding
3.1 Belang van medisch-ethische toetsing en verduidelijking rol beheerder in artikel
23, tweede lid (onderdeel Y)
3.2 Aanleiding aanpassing toetsingscriteria
3.3 Wijzigingen met betrekking tot wetenschappelijke toetsing van het gebruik van
lichaamsmateriaal bij een concreet onderzoek (artikel 23, lid 4) (Onderdeel Y)
3.3.1 Criterium dat is komen te vervallen: «Het verbruik van het materiaal moet evenredig
zijn aan het belang van het onderzoek»
3.3.2 sub a: «Het is redelijkerwijs aannemelijk dat het materiaal nodig is voor het
onderzoek en de beschreven onderzoeksmethode»
3.3.3 sub b: «Het is redelijkerwijs aannemelijk dat het onderzoek tot de vaststelling
van nieuwe inzichten op het gebied van de medische of biologische wetenschap zal leiden»
3.3.4 sub d: «Het beschreven gebruik moet in lijn zijn met de verwachtingen die een
(gemiddelde) donor redelijkerwijs kan hebben op basis van de verstrekte of ter beschikking
staande informatie»
3.3.5 sub e: «Het protocol voorziet in adequate maatregelen voor de bescherming van
de persoonlijke levenssfeer van de donor»
3.3.6 sub c, f en g: overige criteria als er toestemming is gevraagd
3.3.7 sub c: overige criteria onder de opt-out
3.4 Toetsing van het tot stand brengen van cellijnen en andere sensitieve toepassingen
(artikel 23a, lid 2 en artikel 16, lid 3) (Onderdelen Q en Z)
3.4.1 Tot stand brengen van een onsterfelijke cellijn
3.4.2 Twee toetsingsmomenten
3.4.3 Het tot stand brengen van een onsterfelijke cellijn (of andere sensitieve toepassing)
op basis van restmateriaal (artikel 23a lid 2) (onderdeel Z)
3.4.4 Het tot stand brengen van een onsterfelijke cellijnen (of andere sensitieve
toepassingen) op basis van speciaal afgenomen materiaal (artikel 16 lid 3) (Onderdeel
Q)
3.4.5 Toetsing van een concreet onderzoeksprotocol met een eerder tot stand gebrachte
cellijn (of andere sensitieve toepassing) (artikel 23a lid 3 en lid 4) (Onderdeel
Z)
3.5 Uitgifteprotocol voor onsterfelijke cellijn of sensitieve toepassing (artikel
24)(Onderdeel AA)
Hoofdstuk 4. Overige wetswijzigingen (onderdelen A, C tot en met F, J tot en met Q,
T tot en met X, en AD tot en met AL)
4.1 Begripsbepalingen (Onderdeel A)
4.1.1 Beslissingsbevoegde
4.1.2 Doeleinde
4.1.3 Bewaren, overdragen en verstrekken
4.1.4 Commissie, speciaal afnemen en sensitieve toepassing
4.1.5 Toestemming
4.1.6 Verzameling
4.2 Wetstechnische aanpassing van artikel 3 (Onderdeel C)
4.3 Verboden doeleinden (artikel 5) (onderdeel D)
4.4 Sensitieve toepassingen; wetstechnische aanpassingen artikel 6 en onherroepelijkheid
van tot stand brengen onsterfelijke cellijnen (Onderdeel E)
4.4.1 Wetstechnische aanpassingen artikel 6
4.4.2 Onherroepelijkheid van tot stand brengen onsterfelijke cellijnen en wat hiervoor
geldt voor de andere sensitieve toepassingen
4.5 Handelingen met bijzondere risico’s of consequenties voor de donor (artikel 6a)(Onderdeel
F)
4.6 Specifiek informeren over de mogelijkheid dat er winst kan worden gemaakt (artikel
6, vijfde lid, en artikel 9, eerste lid, onderdeel d) (Onderdelen E en J)
4.7 Eisen aan het overdragen of verstrekken van lichaamsmateriaal (artikel 10) (Onderdeel
K)
4.8 Wijzigingen met betrekking tot het beheerreglement en overige administratieve
verplichtingen (artikel 11) (Onderdeel L)
4.9 Vernietiging van lichaamsmateriaal (artikel 12) (Onderdeel M)
4.10 Beslissingsbevoegdheid (artikel 13 en 21) (Onderdelen N en W)
4.11 Toestemming over afname bij leven (artikel 14) (Onderdeel O)
4.12 Extra waarborg voor speciale afname bij wilsonbekwamen en kinderen (Artikel 15,
tweede lid, en artikel 16, vierde lid, onderdeel b) (Onderdeel P en Onderdeel Q)
4.13 Vervallen laatste leden van artikelen 15 en 16 (Onderdelen P en Q)
4.14 Artikelen 18, 19 en 20 (Onderdelen T, U en V)
4.15 Afname van lichaamsmateriaal na overlijden (Onderdeel X)
4.16 Toezicht en handhaving (artikel 29 t/m 32) (Onderdelen AD tot en met AG)
4.17 Regeling over de omgang met materiaal dat is afgenomen voordat de wet inwerking
is getreden (artikel 33) (Onderdeel AH)
4.18 Wet foetaal weefsel en Embryowet (Onderdelen AI en AJ)
4.19 Wet op de orgaandonatie (onderdeel AK)
4.20 Wet op de lijkbezorging (Onderdeel AL)
Hoofdstuk 5. Regeldruk en financiële lasten
5.1 Administratieve lasten
5.1.1 Administratieve lasten die gelijk blijven
5.1.2 Administratieve lasten die lager uitvallen
5.1.3 Administratieve lasten die hoger uitvallen
5.2 Uitvoeringslasten
Hoofdstuk 6. Consultatie
Inleiding
6.1 Ontvangen adviezen
6.1.1 Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd
6.1.2 Autoriteit Persoonsgegevens
6.1.3 Adviescollege toetsing regeldruk
6.1.4 Centrale Commissie Mensgebonden Onderzoek
6.2 Consultatiereactie
6.2.1 Geïnformeerde opt-out
6.2.2 Beheerder
6.2.3 Informatieverplichtingen
6.2.4 Toetsing
6.2.5 Sensitieve toepassingen/onsterfelijke cellijnen
6.2.6 Genetische gegevens/bescherming persoonlijke levenssfeer
6.2.7 Overig
6.2.8 Reacties op oorspronkelijke wetsvoorstel dat geen onderdeel was van deze nota
van wijziging
Bijlage 1: lijst met afkortingen
Bijlage 2: beschrijving van situaties waarin lichaamsmateriaal gebruikt wordt onder
de Wzl
Situatie 1: Restmateriaal afgenomen na geneeskundige behandeling (primaire zorgverlening)
en opgeslagen in biobank
Situatie 2: Nader gebruik van levend (vers) materiaal afgenomen na geneeskundige behandeling
(primaire zorgverlening)
Situatie 3: Restmateriaal afgenomen in het kader van een klinisch onderzoek (WMO)
Situatie 4: Speciale afname voor toekomstig wetenschappelijk onderzoek (vullen biobank)
inclusief afname voor tot stand brengen onsterfelijk cellijn
Situatie 5: Lichaam van overledene dat gedoneerd is ten behoeve van de wetenschap
Bijlage 3: publiekssamenvatting wetsvoorstel zeggenschap lichaamsmateriaal (Wzl)
ALGEMEEN
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel Regels voor handelingen met lichaamsmateriaal,
welke worden verricht voor andere doeleinden dan geneeskundige behandeling of diagnostiek
van de donor (Wet zeggenschap lichaamsmateriaal). Deze leden onderschrijven het belang
van duidelijke en zorgvuldige regels voor het gebruik van lichaamsmateriaal, waarbij
de zeggenschap van patiënten en burgers wordt bewaakt en tegelijkertijd ruimte blijft
voor verantwoord wetenschappelijk onderzoek en innovatie. Zij constateren dat met
dit wetsvoorstel belangrijke stappen worden gezet richting meer duidelijkheid en uniformiteit
in de praktijk.
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de Tweede nota van wijziging inzake de Wet zeggenschap lichaamsmateriaal.
Naast de vragen en antwoorden in de Nota van het verslag en de Nota n.a.v. het (nader/tweede
nader/enz.) verslag hebben de leden nog een enkele vraag over de geïnformeerde opt-out.
De leden van de CDA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de tweede nota van wijziging. Deze leden hebben
hierover nog een aantal vragen.
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de Regels voor handelingen met lichaamsmateriaal, welke worden
verricht voor andere doeleinden dan geneeskundige behandeling of diagnostiek van de
donor (Wet zeggenschap lichaamsmateriaal). De leden hebben geen vragen aan de Staatssecretaris.
De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van de nota naar aanleiding van het verslag en van de twee nota’s
van wijziging uit respectievelijk 2022 en 2025. Zij constateren dat met name de tweede
nota van wijziging het wetsvoorstel zeer ingrijpend wijzigt. Zij hebben naar aanleiding
hiervan diverse vragen, maar allereerst stellen zij een vraag over de eerste nota
van wijziging, namelijk over de medisch-ethische toetsing in kweek gebrachte embryonale
cellen (onderdeel M). De leden van de SGP-fractie vragen zich af waarom deze wijziging
niet is meegenomen bij de wijziging van de Embryowet naar aanleiding van de derde
wetsevaluatie (36 677). Overigens vinden de leden van de SGP-fractie het goed dat de eisen voor toetsing
van onderzoek met in kweek gebrachte embryonale cellen gelijk wordt getrokken met
de eisen die gaan gelden voor onderzoek met lichaamsmateriaal.
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben kennisgenomen van de tweede nota van wijziging en de bijbehorende toelichting
van de Wet zeggenschap lichaamsmateriaal. Ten opzichte van het wetsvoorstel en de
eerste nota van wijziging zien zij zaken verduidelijkt en geconcretiseerd. Toch hebben
deze leden vragen en opmerkingen bij de nota van wijziging.
Inleiding
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat een belangrijk onderdeel van het beoogd doel van dit wetsvoorstel ligt in
het vergroten van de zeggenschap van de donor. Kan de regering nader toelichten welke
waarborgen er in het wetsvoorstel en in de praktijk zijn ingebouwd om erop toe te
zien dat de zeggenschap van donoren niet ondergeschikt raakt aan commerciële belangen?
Kan de regering uiteenzetten in hoeverre commercieel gebruik van lichaamsmateriaal
onder de reikwijdte van de Wzl valt? Zou de regering nader kunnen toelichten hoe voor
(potentiële) donoren en zorgverleners inzichtelijk wordt gemaakt welke wetgeving van
toepassing is op hun lichaamsmateriaal in verschillende situaties?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat er door het ontbreken van een breed
wettelijk kader de zorgvuldige omgang met het lichaamsmateriaal onvoldoende wordt
geborgd. Zou de regering nader kunnen beargumenteren waaruit dit blijkt, bij voorkeur
aan de hand van voorbeelden?
Deze leden lezen ook dat geconstateerd wordt dat er naar verwachting jaarlijks zo’n
2 miljoen samples lichaamsmateriaal bij zullen komen. Op basis van welke gegevens
is deze prognose opgebouwd?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat mensen rechtstreeks benaderd kunnen
worden met een verzoek om lichaamsmateriaal af te staan. Welke informatie ontvangen
zij bij dit verzoek? Wie wordt er benaderd en op basis waarvan wordt bepaald wie benaderd
wordt? De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen daarnaast dat er bij het vervaardigen
van medische hulpmiddelen of het bereiden van (werkzame stoffen in) geneesmiddelen
vaak ook commerciële belangen spelen. Zou nader toegelicht kunnen worden om welke
commerciële belangen dit dan gaat en op welke wijze (potentiële) donoren zullen worden
geïnformeerd over deze belangen? Hoe wordt tevens gewaarborgd dat deze commerciële
belangen niet zwaarder zullen gaan wegen dan de maatschappelijke belangen?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de zorgplicht zo ver reikt dat de
beheerder met de uitvoerende partij afspraken maakt en toeziet dat die worden nageleefd.
Hoe zou dit in de praktijk vormgegeven worden?
1.1 Het begrip «lichaamsmateriaal» (onderdeel A, onder punt 6) en het begrip «bewerkt
levend celmateriaal» (onderdeel A, onder punt 1)
De leden van de SGP-fractie vragen de regering om te verduidelijken hoe de «geïnformeerde opt out» van toepassing
is op embryonale stamcellen en foetale stamcellen die onder de definitie van bewerkt
levend celmateriaal komen te vallen. Waar komen deze embryonale stamcellen en foetale
stamcellen vandaan? Worden hier bijvoorbeeld ook stamcellen gebruikt die verkregen
worden na een abortus?
1.2 Wijziging van artikel 6 «sensitieve toepassingen» (onderdeel E) en toevoeging
begripsbepaling «bewerkt levend celmateriaal» en «onsterfelijke cellijn» in artikel
1 (onderdeel A, onder punt 1)
De leden van de D66-fractie vragen in het bijzonder aandacht voor de wijze waarop in het wetsvoorstel wordt omgegaan
met zogenoemde sensitieve toepassingen. In de verdere uitwerking van het wetsvoorstel
wordt gewezen op uitzonderingscategorieën en aanvullende waarborgen voor bepaalde
vormen van gebruik van lichaamsmateriaal en bijbehorende gegevens. Deze leden vragen
zich af in hoeverre het wenselijk is om dergelijke sensitieve toepassingen concreet
en beperkend in wet- of regelgeving vast te leggen. Is het een risico dat een dergelijke
benadering onvoldoende meebeweegt met wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen
en kan leiden tot onnodige administratieve lasten? Heeft de regering overwogen om
in plaats daarvan te werken met een nationaal beoordelingskader, waarin de context
van het gebruik van lichaamsmateriaal en data leidend is bij de beoordeling of aanvullende
waarborgen noodzakelijk zijn? Kan de regering toelichten of en hoe zij deze optie
verder verkent en betrekt bij de verdere uitwerking van de wet?
De leden van de CDA-fractie lezen dat de regering een nadere toelichting geeft over het begrip sensitieve toepassingen.
Deze leden constateren dat de regering nog steeds voornemens is om sensitieve toepassingen
aan te wijzen bij AMvB, maar daar een voorhangprocedure aan toe te voegen. Zij achten
dit een goede stap, maar vragen of de regering alsnog kan toelichten of en zo ja,
welke sensitieve toepassingen de regering nu al concreet kent, kan aanwijzen of kan
verwachten. Deze leden vragen of die toepassingen die nu al bekend zijn niet alvast
op wetsniveau kunnen worden vastgelegd, aangezien er ook voor gekozen is om een onsterfelijke
cellijn op wetsniveau als sensitieve toepassing vast te leggen. Deze leden vragen
of de regering heeft overwogen om nu reeds ook andere sensitieve toepassingen op wetsniveau
vast te leggen.
De leden van de SGP-fractie hebben eerder, naar aanleiding van het advies van de Raad van State, gevraagd om
sensitieve toepassingen niet bij AMvB, maar op wetsniveau aan te wijzen. Zij constateren
dat de regering hier in eerste instantie (in de eerste nota van wijziging) niet toe
bereid was, maar bij de tweede nota van wijziging hier toch gedeeltelijk op in is
gegaan door een onsterfelijke cellijn op wetsniveau aan te wijzen. Tegelijkertijd
biedt het voorgestelde artikel 6, eerste lid, onderdeel b ruimte om andere toepassingen
te regelen via de AMvB.
De leden van de SGP-fractie vragen of de concept-AMvB’s waarin aangewezen wordt welke
toepassingen «sensitief» zijn voor plenaire behandeling van de wet met de Kamer gedeeld
kunnen worden.
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat een onsterfelijke cellijn is toegevoegd aan de begripsbepaling van sensitieve
toepassingen. Ondanks onder andere de vragen van de leden van deze fractie bij de
inbreng verslag op het wetsvoorstel waarom niet ook foetaal en embryonaal weefsel
expliciet wordt genoemd als sensitieve toepassing, heeft de regering hier niet voor
gekozen. Dit betreuren deze leden. Waarom vindt de regering hier niet ten principale
dat hier sprake is van een sensitieve toepassing, zo vragen deze leden.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering aan de hand van de huidige
onderzoeksterreinen een adequaat beeld te schetsen in welke gevallen foetaal of embryonaal
weefsel onder de begripsbepaling van sensitieve toepassing zal vallen en bij welke
onderzoeken dat niet het geval is. Kan de regering naderdragend motiveren waarom er
niet wordt gekozen om in deze tweede nota van wijziging foetaal en embryonaal weefsel
expliciet te noemen, maar een onsterfelijke cellijn wel?
1.3 Toevoeging van artikel 6a (onderdeel F)
De leden van de CDA-fractie lezen dat het uitvoeren van onderzoek met een aanzienlijk risico op nevenbevindingen
niet langer wordt omschreven als toepassing, maar als handeling. Deze leden vragen
wat de gevolgen hiervan zijn voor de regels voor dit soort onderzoek.
2.1 Heroverweging zeggenschapsregime
In het oorspronkelijke wetsvoorstel was een toestemmingsvereiste opgenomen voor het
bewaren en gebruiken van lichaamsmateriaal. De leden van de SGP-fractie zijn er niet gelukkig mee dat het zeggenschapsregime is gewijzigd in een «geïnformeerde
opt-out».
De leden van de SGP-fractie vinden het van groot belang dat voor het afnemen van lichaamsmateriaal
nog steeds expliciete toestemming nodig blijft. Zij lezen dat voor het gebruik van
sensitieve toepassingen ook altijd expliciete toestemming nodig zal zijn. Zij vragen
hoe dit praktisch in zijn werk gaat. Op welk moment wordt een persoon gevraagd naar
toestemming voor dergelijk gebruik? Vindt dit al bij afname van het lichaamsmateriaal
plaats?
2.1.2 Aanleiding voor heroverweging zeggenschapsregime
De leden van de CDA-fractie delen de mening dat er een balans gevonden moet worden tussen zeggenschap (van de
donor) en het belang van wetenschappelijk onderzoek. Zij danken de regering voor de
uitgebreide toelichting op de gemaakte keuze en afwegingen. Deze leden vragen of zij
goed begrijpen dat het oorspronkelijke voorstel ertoe zou leiden dat voor het nader
gebruik van lichaamsmateriaal en de gegevensverwerking die daarmee samenhangt twee
verschillende toestemmingsregimes zouden zijn gaan gelden, en dat dat de belangrijkste
reden is om het voorstel aan te passen. Deze leden lezen dat met dit voorstel de eis
dat toestemming vragen onmogelijk of een onevenredige inspanning is, komt te vervallen.
Zij vragen of de regering kan toelichten wat bedoeld werd met «een onevenredige inspanning».
Deze leden zien ook het risico dat dit op meerdere manieren kan worden uitgelegd,
maar aan de andere kant zouden hiervoor ook leidraden kunnen worden ontwikkeld. Deze
leden vragen hoe de regering dit heeft gewogen.
2.3 Balans zeggenschap en medisch- of biologisch-wetenschappelijk onderzoek
De leden van de SGP-fractie vragen of er andere EU-lidstaten zijn die wel vasthouden aan het principe van «opt
in» voor het bewaren en gebruiken van lichaamsmateriaal. Zo ja, welke landen zijn
dit? Of is het zo dat de EHDS-verordening dit onmogelijk maakt en landen verplicht
tot (een vorm van) een geïnformeerde opt-out?
De leden van de SGP-fractie lezen dat het voorgestelde artikel 17, derde lid de mogelijkheid
biedt om bij AMvB nadere regels te stellen. Kan de concept-AMvB vóór de plenaire behandeling
met de Kamer worden gedeeld?
2.3.1 Waarde van wetenschappelijk onderzoek en de visie van de patiënt en burger op
nader gebruik
De leden van de CDA-fractie lezen dat burgers in ruime meerderheid positief staan tegenover het nader gebruik,
maar daarbij wel randvoorwaarden zien, zoals zorgen over niet-medische toepassingen
bijvoorbeeld in de cosmetische industrie. Deze leden vragen of de regering deelt dat
het begrip «medische toepassing» op meerdere manieren uitgelegd kan worden en dat
er wellicht ook een grijs gebied is hierin, zodat extra voorzichtigheid geboden is.
Zij vragen bijvoorbeeld of de regering onderwijs, bijvoorbeeld als het gaat om het
gebruik van lichaamsmateriaal voor het oefenen van snij- of operatietechnieken ook
ziet als medische toepassing.
2.3.2 Belang van informatievoorziening
De leden van de CDA-fractie delen het cruciale belang van goede informatievoorziening aan donoren over wat er
precies met hun lichaamsmateriaal gebeurt en hoe het materiaal veilig wordt bewaard
en gebruikt. Deze leden vragen of bezwaar maken tegen nader gebruik van lichaamsmateriaal
altijd gelijk staat aan geen toestemming geven.
2.3.3 Inperking van doeleinden van het nader gebruik en bescherming van de persoonlijke
levenssfeer
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben tevens kennisgenomen van het feit dat de Wzl ook van toepassing zal zijn op
lichaamsmateriaal dat is verkregen na het overlijden van de donor. Hoe wordt de bescherming
van lichamelijke integriteit en privacy concreet geborgd in situaties waarin lichaamsmateriaal
na overlijden wordt gebruikt?
Heeft de regering overwogen bepaalde toepassingen in zijn geheel te verbieden in plaats
van toestaan onder striktere voorwaarden als het gaat om toestemming, zo vragen de
leden van de ChristenUnie-fractie. Zijn er toepassingen te bedenken die ook met toestemming altijd onwenselijk zijn
vanuit ethisch en maatschappelijk oogpunt? Op welke manier zijn die toepassingen nu
niet toegestaan, zo vragen deze leden. Of zijn alle toepassingen toegestaan zolang
er toestemming wordt verleend? Kan de regering toelichten hoe de ontwikkelingen op
dit terrein niet alleen casuïstisch worden geanalyseerd maar ook in bredere zin en
bij welke instanties de ethische, medische en maatschappelijke reflecties zijn geborgd
en hoe ziet de regering de verantwoordelijkheid van het kabinet in deze, zo vragen
de leden van de ChristenUnie-fractie.
2.3.4 Vergelijking verschillende zeggenschapsregimes
De leden van de VVD-fractie lezen dat er sprake zal zijn van een geïnformeerde opt-out voor secundaire verwerking
van lichaamsmateriaal ten behoeve van medisch-wetenschappelijk onderzoek. Hierbij
constateren deze leden dat zonder expliciete instemming lichaamsmateriaal verwerkt
wordt, zonder dat dit direct ten goede komt aan de donor zelf. Deelt de regering de
zienswijze dat hierdoor hogere waarborgen gesteld moeten worden om de zeggenschap
van de donor te waarborgen? Hoe kan de regering waarborgen dat genoeg informatie wordt
verleend aan de donor, zodat daadwerkelijk sprake zal zijn van een geïnformeerde opt-out?
2.3.5 Conclusie: balans zeggenschap en vooruitgang medische wetenschap (artikel 17,
eerste lid)
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van de wijziging waarmee er nu, binnen art. 17 van het onderhavige
wetsvoorstel, gekozen wordt voor een zogeheten geïnformeerde opt-out in tegenstelling
tot een eerdere versie waarin er nog een eis voor expliciete toestemming gold. Zou
de regering nader kunnen schetsen op welke wijze zij tot het besluit zijn gekomen
om dit te wijzigen?
De leden van de CDA-fractie vragen of de regering voorbeelden kan geven van op het lichaamsmateriaal betrekking
hebbende gegevens over gezondheid. Zij vragen of zulke gegevens ook kunnen kwalificeren
als (bijzondere) persoonsgegevens.
Ter verduidelijking vragen de leden van de ChristenUnie-fractie of het klopt dat de EHDS niet gaat over het gebruik van materiaal, maar alleen over
het gebruik van gegevens en dat de Wzl zowel gaat over gebruik van materiaal als gegevens
van deze materialen.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen naar wat het concreet betekent dat er
twee regimes tegelijk bestaan, die van de EHDS en die van de Wzl. Wat betekent dit
voor de beheerder? Moet deze andere formulieren invullen, de gegevens opslaan in een
ander systeem, of werkt dit in de praktijk nog anders uit?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen een inschatting van de regering hoeveel
beheerders voor de geïnformeerde opt-out zullen kiezen in plaats van de expliciete
toestemming, de opt-in.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen om een nadere toelichting op de verantwoordelijkheid
van de beheerder van gegevens die onder dit wettelijk stelsel verzameld zijn en welke
lessen er geleerd zijn van het datalek bevolkingsonderzoek baarmoederhalskanker. Gezien
de impact op betrokkenen vragen zij de regering hoe verwerkingsverantwoordelijke organisaties
of bedrijven meer risicodragend worden teneinde de veiligheid en privacy van gegevens
te versterken.
2.3.6 Afbakening geïnformeerde opt-out tot materiaal verkregen uit primaire zorgverlening
en uitsluiting bevolkingsonderzoeken kinderen onder de twaalf jaar (artikel 17, vierde
lid) (Onderdeel R)
De leden van de CDA-fractie lezen dat een uitzondering wordt gemaakt bij lichaamsmateriaal dat verkregen wordt
van kinderen onder de 12 jaar bij bevolkingsonderzoeken. Deze leden vragen of het
klopt dat deze uitzondering niet geldt voor kinderen onder de 12 jaar bij de primaire
zorgverlening en zo ja, waarom daar een zodanig verschil tussen zit dat een ander
regime geldt. Ook in de primaire zorgverlening kunnen deze kinderen immers toch geen
geïnformeerde keuze maken, zo vragen zij.
2.4.2 Randvoorwaarde 1
De leden van de SGP-fractie vragen de regering of overwogen is om de expliciete toestemming in stand te laten
voor commerciële toepassingen van lichaamsmateriaal.
2.4.3 Randvoorwaarde 2: Informatieverplichtingen (artikel 17, eerste lid, onderdeel
b, artikel 17, tweede lid, artikel 8, en artikel 8a)
De leden van de CDA-fractie begrijpen dat een brede definitie wordt gehanteerd van wetenschappelijk onderzoek
in het algemeen belang van de volksgezondheid, en dat daarbij niet is uitgesloten
dat partijen met een winstoogmerk betrokken zijn of inkomsten uit nieuwe producten
kunnen worden gegenereerd. Deze leden zijn wel van mening dat dit een rol moet spelen
in de informatievoorziening naar de donor. Zij vragen of de regering dit deelt, ook
omdat de regering zelf verwijst naar het onderzoek van de Patiëntenfederatie, waarin
deze zorgen aan de orde komen. Deze leden vragen of de regering heeft overwogen om
vast te leggen dat in de informatievoorziening gericht op de persoon, en niet alleen
in de algemene informatie, expliciet wordt gemaakt dat een commercieel oogmerk niet
is uitgesloten (indien dat het geval is). Zij lezen bijvoorbeeld dat bij AMvB nadere
regels kunnen worden gesteld (artikel 3) en vragen of dit hierin volgens de regering
een plek zou kunnen krijgen.
De leden van de CDA-fractie vragen of het klopt dat informatie altijd schriftelijk
of elektronisch moet worden verstrekt, en dat mondelinge informatievoorziening dus
niet toegestaan is.
De leden van de SGP-fractie vragen of de regering voornemens is om de inwerkingtreding van de Wzl gepaard te
laten gaan met een communicatiecampagne vanuit de overheid om de geïnformeerde opt-out
onder de aandacht te brengen.
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat de beslissingsbevoegde geïnformeerd moet zijn over mogelijk nader gebruik
en de mogelijkheid om bezwaar te maken. De regering noemt dit een geïnformeerde opt-out.
Deze leden vragen op welke manier de donor wordt geïnformeerd, hoe dit toegankelijk
gaat, hoe hierbij rekening wordt gehouden met laaggeletterden, met mensen die de Nederlandse
taal niet machtig zijn en andere mensen voor wie geschreven Nederlandse tekst niet
toegankelijk is. Daarnaast vragen deze leden of en hoe wordt gecontroleerd of mensen
geïnformeerd zijn en hebben begrepen waar ze al dan niet mee hebben ingestemd.
Heeft de regering overwogen om mogelijk gebruik door een partij met een winstoogmerk
te verbieden voor materialen met een sensitieve toepassing, zo vragen de leden van
de ChristenUnie-fractie. En is dit overwogen in zijn geheel?
2.4.5 Randvoorwaarde 4: Geen bezwaar gemaakt (artikel 17, eerste lid, onderdeel d)
en de termijn die minimaal moet worden aangehouden voordat lichaamsmateriaal gebruikt
mag worden voor onderzoek (artikel 17, tweede lid)
De leden van de CDA-fractie vragen of de regering al kan schetsen hoe zij de manier waarop bezwaar gemaakt kan
worden wil omschrijven in de AMvB.
De leden van de CDA-fractie delen de mening dat een nationaal register waarin bezwaren
vastgelegd zijn de voorkeur verdient boven een lokale registratie. Deze leden vragen
of de regering kan aangeven wanneer naar verwachting meer bekend is over het opzetten
van een nationaal register. Deze leden vragen ook of de regering heeft overwogen om
nationale registratie alvast in de wet op te nemen, omdat anders een nieuw wetsvoorstel
nodig is om dit te kunnen regelen.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen hoe het de donor makkelijk wordt gemaakt om bezwaar te maken en hoe dit er
praktisch uit kan komen te zien. Zijn er kaders waar beheerders aan moeten voldoen
voor de toegankelijkheid van bezwaarmaking?
2.5 Verwerken van persoonsgegevens (over gezondheid) die horen bij of voortkomen uit
het lichaamsmateriaal (artikel 17a) (onderdeel S)
De leden van de D66-fractie vragen aandacht voor de samenhang van dit wetsvoorstel met het bredere juridische
kader voor het gebruik en hergebruik van gezondheidsgegevens, mede in het licht van
de aankomende implementatie van de European Health Data Space (EHDS).
Zij constateren dat het gebruik van lichaamsmateriaal in de praktijk nauw verweven
is met het gebruik van medische gegevens en beeldmateriaal, terwijl de bijbehorende
wettelijke kaders momenteel verspreid zijn over meerdere wetten en regelingen. Dit
kan in de uitvoering leiden tot onduidelijkheid en onnodige lastendruk voor patiënten,
zorgverleners en onderzoekers. Hoe ziet de regering het belang van meer integrale
en toekomstbestendige wet- en regelgeving op dit punt? Kan aangegeven worden welke
vervolgstappen worden voorzien om de Wet zeggenschap lichaamsmateriaal goed te laten
aansluiten op de EHDS en om te komen tot meer standaardisatie en duidelijkheid in
de praktijk?
2.6 Grondrechtelijke aspecten
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van deze paragraaf en hebben nog enkele vragen. Zou de regering
nader kunnen toelichten waarom de voorgestelde bepalingen 17 en 17a Wzl een proportionele
inbreuk vormen op artikel 8 Europees Verdrag Voor de Rechten van de Mens (EVRM) anders
dan dat er onder patiënten een grote welwillendheid bestaat voor het gebruik van hun
lichaamsmateriaal voor wetenschappelijk onderzoek? Kan de regering tevens nader toelichten
waarom er geen minder ingrijpende instrumenten konden volstaan om het doel van de
bescherming van de volksgezondheid te bereiken? Welke andere instrumenten heeft de
regering overwogen en waarom zijn deze niet geschikt geacht?
De leden van de SGP-fractie vragen of de regering nader kan toelichten waarom de voorgestelde bepalingen 17 en
17a Wzl een proportionele inbreuk vormen op artikel 8 EVRM anders dan dat er onder
patiënten een grote welwillendheid bestaat voor het gebruik van hun lichaamsmateriaal
voor wetenschappelijk onderzoek. Kan de regering nader toelichten waarom er geen minder
ingrijpende instrumenten konden volstaan om het doel de bescherming van de volksgezondheid
te bereiken? Heeft de regering andere minder ingrijpende instrumenten overwogen, en
zo ja, waarom zijn deze niet geschikt geacht?
Hoofdstuk 3. Medisch-ethische toetsing (onderdelen Q, Y, Z en AA)
Inleiding
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van dit hoofdstuk. Zij vragen op basis waarvan de regering tot
de keuze is gekomen dat het wenselijk is om toepassingen aan te merken als «sensitief».
Wat zijn de eventuele voordelen hiervan ten opzichte van bijvoorbeeld een nationaal
beoordelingskader, waarmee de context ook beter meegewogen kan worden? Zou de regering
kunnen toelichten waarom het heeft gekozen voor de huidige vorm, waarbij concrete
sensitieve toepassingen zijn opgenomen in het wetsvoorstel, ten opzichte van een nationaal
beoordelingskader? Welke waardeafwegingen zijn hierbij gemaakt?
De leden van de CDA-fractie vragen hoe het staat met de ontwikkeling van een kwaliteitsstandaard voor nevenbevindingen,
iets waar door deze leden in het verslag reeds aandacht voor is gevraagd. Deze leden
vragen of dit al van de grond is gekomen en zo niet, welke stappen de regering neemt
zodat deze kwaliteitsstandaard er komt.
3.1 Belang van medisch-ethische toetsing en verduidelijking rol beheerder
De leden van de SGP-fractie vinden het goed dat de omgang met lichaamsmateriaal wordt geharmoniseerd zodat alleen
nog erkende Medisch Ethische Toetsingscommissies (METC’s) onderzoeksvoorstellen mogen
beoordelen.
3.3.1 Criterium dat is komen te vervallen: «Het verbruik van het materiaal moet evenredig
zijn aan het belang van het onderzoek»
De leden van de CDA-fractie lezen dat van een METC niet verwacht kan worden dat zij de beoordeling of verbruik
van materiaal evenredig is in alle gevallen kan maken. Deze leden vinden dit wel een
belangrijke waarborg. Zij vragen daarom waarop de regering dit argument baseert en
of hierover ook gesproken is met METC’s.
3.3.4 sub d: «Het beschreven gebruik moet in lijn zijn met de verwachtingen die een
(gemiddelde) donor redelijkerwijs kan hebben op basis van de verstrekte of ter beschikking
staande informatie»
De leden van de CDA-fractie vragen, in het geval van geïnformeerde opt-out, hoe de regering ervoor zorgt dat er
landelijk uniforme informatie komt over het nader gebruik.
3.4 Toetsing van het tot stand brengen van cellijnen en andere sensitieve Toepassingen
De leden van de SGP-fractie vragen om bevestiging dat IVG-geslachtscellen en iPS-cellijnen ook onder de reikwijdte
van de Wzl komen te vallen en dus onder de toetsing door de METC’s.
3.4.1 Tot stand brengen van een onsterfelijke cellijn
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat een cellijn door middel van zelfvernieuwing de donor kan overleven.
Ze constateren tevens dat genetische gegevens van overleden donoren altijd deels overeenstemmen
met die van genetisch verwanten. Zouden gegevens betreffende levende verwanten daarmee
gekwalificeerd kunnen worden als persoonsgegevens? Is er rekening gehouden met de
mogelijkheid dat op grond van de (U)AVG nabestaanden nog zeggenschap kunnen hebben
over de cellijn?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering of onderzoek met gekweekte embryo’s, wat mogelijk in de toekomst
toegestaan wordt, ook onder deze wet gaat vallen. Op welke manier? Moet de wet hier
nog op worden aangepast als het betreffende wetsvoorstel is aangenomen? Of zal dit
onder de Embryowet vallen?
3.5 Uitgifteprotocol voor onsterfelijke cellijn of sensitieve toepassing (artikel
24)(Onderdeel AA)
De leden van de CDA-fractie hebben in het verslag reeds aandacht gevraagd voor het belang van transparantie over
uitgevoerde en beoordeelde protocollen en de werkzaamheden van de CCMO. Zij vragen
of de CCMO in haar jaarverslag een overzicht van goedgekeurde en afgekeurde protocollen
zal opnemen en zo ja, hierbij ook (in algemene zin) aangeeft waarom men tot een bepaald
oordeel is gekomen.
4.1.3 Bewaren, overdragen en verstrekken
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat er met dit wetsvoorstel een onderscheid gemaakt zal worden tussen het verstrekken
en overdragen van lichaamsmateriaal. Bij het verstrekken van lichaamsmateriaal blijft
de beheerder verantwoordelijk voor het gebruik. Bij overdracht gaat de verantwoordelijkheid
over op de ontvangende partij die daarmee beheerder wordt. Klopt het dat daarmee er
de facto altijd slechts één beheerder van het materiaal kan zijn? Hoe zou dit werken
in het geval van iPS-onderzoek, waarbij een beheerder de cellijn aan meerdere partijen
kan overdragen en tegelijkertijd ook zelf behouden?
4.1.4 Commissie, speciaal afnemen en sensitieve toepassing
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat er gesproken wordt over eenvoudige uitgiften, die niet op de beschreven
wijze beoordeeld hoeven te worden door de toetsingscommissie. Zou dit nader toegelicht
kunnen worden aan de hand van voorbeelden? Deze leden lezen tevens dat de beheerder
een beheerreglement dient op te stellen waarin hij het beheer omschrijft. Voor wie
zal dit reglement inzichtelijk zijn en zal dit reglement ook inzichtelijk zijn voor
donoren? Daarnaast lezen deze leden dat een beheerder of gebruiker de nodige maatregelen
dient te treffen om tijdens het bewaren van het lichaamsmateriaal het zo veel mogelijk
in niet-direct herleidbare vorm moet verkeren. Zou dit nader toegelicht kunnen worden
aan de hand van concrete voorbeelden?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat wat met dit onderhavige voorstel
aangemerkt zal worden als sensitief materiaal, ook materiaal betreft dat momenteel
al bestaat in bestaande collecties/biobanken. Op welke wijze zal retrospectief geregeld
worden dat deze bestaande collecties met toepassingen die aangemerkt worden als sensitief,
e.g.: onsterfelijke cellijnen, adulte stamcellen en iPS-cellen toestemming verkrijgen?
4.1.5 Toestemming
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat de Wzl bepaalt dat donoren hun toestemming niet kunnen intrekken,
omdat stamcellijnen wijdverspreid kunnen raken en het ondoenlijk is om het materiaal
te herleiden en te vernietigen. Ze constateren tevens dat conform de AVG daarentegen
intrekking altijd mogelijk zou moeten zijn. Klopt het dat intrekking van AVG-toestemming
daarmee zou kunnen leiden tot de facto staking van het gehele stamcelonderzoek? Zo
nee, waarom niet? Klopt het dat na intrekking van toestemming door de donor er een
inspanningsverplichting rust op de verwerkingsverantwoordelijke om de verwerkingen
te stoppen, rekening houdend met de technologische mogelijkheden en uitvoeringskosten?
Klopt het tevens dat vernietiging niet hoeft plaats te vinden indien het wetenschappelijke
doeleinden dreigt onmogelijk te maken?
4.15 Afname van lichaamsmateriaal na overlijden (Onderdeel X)
De leden van de CDA-fractie willen van de gelegenheid gebruik maken om nadere vragen te stellen over de praktijk
van lichaamsdonatie. Zij maken zich zorgen over situaties waarin door een commerciële
partij richting potentiële donoren van een geheel lichaam gesproken wordt over zaken
als een budgetuitvaart, terwijl voor de donor onduidelijk is wat er met hun lichaam
gebeurt. Deze leden vragen of de regering deelt dat dit een onwenselijke praktijk
is, omdat donoren daarmee onder druk worden gezet hun lichaam te doneren omdat zij
anders een dure uitvaart moeten betalen. Deze leden vragen ook of de regering bekend
is met signalen dat ongevraagd bij hospices wordt aangeklopt om deze praktijk aan
te bieden en zo ja, wat de regering van deze praktijk vindt.
Deze leden vragen of de regering kan aangeven of er in Nederland überhaupt behoefte
is aan commerciële lichaamsdonatie. Zij vragen of het niet voldoende is dat academische
centra zich bezighouden met donatie van gehele lichamen. Deze leden geven hierbij
ook aan dat het kan gaan om export van lichamen of lichaamsdelen naar andere landen,
waar minder duidelijk is wat de regels zijn, of minder strenge regels gelden, en of
het toezicht goed is geregeld. Zij vragen of deze praktijk onder de huidige wet is
toegestaan. Deze leden vragen ook of en zo ja, welke regels dit wetsvoorstel stelt
ten aanzien van donatie van een geheel lichaam. Deze leden verwijzen bijvoorbeeld
naar artikel waarin is opgenomen dat vergoedingen boven op de gemaakte onkosten verboden
zijn. Deze leden vragen wat hier in het geval van donatie van een geheel lichaam na
overlijden dan allemaal onder valt, en vragen of bijvoorbeeld transport, mortuariumkosten
en crematie van overblijfselen hieronder vallen. Deze leden verwijzen naar de inbreng
van de leden van de CDA-fractie bij het debat over de Wet actualisering lichaamsmateriaalwetgeving
en het plenaire verslag van dit debat en de aangehouden motie-Krul (36516-10).
4.3 Verboden doeleinden
De leden van de SGP-fractie zijn blij dat met de AMvB ook een verbod op het overdragen van in Nederland gedoneerde
spermacellen aan beheerders buiten Nederland voor gebruik in landen waar fertiliteitsbehandelingen
met anoniem gedoneerde eicellen of sperma zijn toegestaan, kan worden geregeld. Zij
vragen de regering of zij ook daadwerkelijk van plan is om een dergelijk verbod in
deze AMvB te regelen. Kan deze concept-AMvB met de Kamer worden gedeeld?
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat een mogelijk verboden doeleinde een type embryoachtige structuur is die
niet onder de Embryowet valt. Ook al is dit nu nog hypothetisch, waarom heeft de regering
er niet voor gekozen om deze categorie nu al expliciet op te nemen in de wet, zo vragen
deze leden. Een wet dient toch voorbereid te zijn op toekomstige en voorziene ontwikkelingen?
Deze leden vragen welke verdragen en internationaalrechtelijke bepalingen van toepassing
zijn als wetenschappelijk onderzoek leidt tot een embryoachtige structuur waar een
bepaalde mate van bewustzijn niet kan worden uitgesloten. Zij zien een zich snel ontwikkelend
onderzoeksterrein en zijn bezorgd dat er een grijs gebied blijft tussen de Embryowet
en onderhavige wet. Kan de regering aantonen dat er een sluitende afbakening is en
indien dit niet mogelijk is, hoe voorkomen wordt dat wetgeving achter de wetenschappelijke
ontwikkelingen aanloopt in plaats van normstellend te zijn?
4.7 Eisen aan het overdragen of verstrekken van lichaamsmateriaal (artikel 10) (Onderdeel
K)
Ten aanzien van de vergewisplicht vragen de leden van de ChristenUnie-fractie of met een gekozen geïnformeerde opt-out de controle bij overdracht op toestemming
niet minder is geworden dan bij een opt-in. Daarnaast vragen de leden van de ChristenUnie-fractie
om nader in te gaan op de gevolgen van een geïnformeerde opt-out in het geval van
import en export van lichaamsmateriaal uit het buitenland. Welke controlemechanismen
kent het wetsvoorstel om dit alleen toe te staan met expliciete toestemming van de
donor, zo vragen deze leden.
6.1.1 Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van het advies van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ).
Zij lezen in de tweede nota van wijziging dat er een Toezicht en Handhaafbaarheidstoets
door de IGJ is uitgevoerd. Zou de regering deze kunnen delen met de Kamer? Kan de
regering tevens nader toelichten waarom zij van mening is dat de IGJ voldoende handhavingsinstrumenten
heeft om de verplichtingen uit de Wzl goed te kunnen handhaven? Welke organisaties/instanties
zouden eventueel als alternatief kunnen fungeren voor het handhaven van de verplichtingen
uit de Wzl?
De leden van de SGP-fractie constateren dat de IGJ allerlei concrete obstakels ziet die adequaat toezicht en
handhaving van de Wzl in de praktijk zullen bemoeilijken. Kan de regering nader toelichten
waarom zij van mening is dat de IGJ voldoende handhavingsinstrumenten heeft om de
verplichtingen uit de Wzl goed te kunnen handhaven?
Kan de regering de uitgevoerde Toezicht en Handhaafbaarheidstoets door de IGJ, bij
de tweede nota van wijziging, delen met de Kamer?
4.18 Wet foetaal weefsel en Embryowet (Onderdelen AI en AJ)
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat de regering heeft gekozen voor een kan-bepaling om foetaal en embryonaal
weefsel als sensitieve toepassing aan te duiden. Kan de regering dit dragend motiveren?
Kan de regering aangeven welke toepassingen op foetaal of embryonaal weefsel bijvoorbeeld
wél en welke niet sensitief zullen zijn, zo vragen de leden van de ChristenUnie-fractie.
6.1.2 Autoriteit Persoonsgegevens
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van het advies van de Autoriteit Persoonsgegevens (AP). Kan
de regering nader toelichten waarom zij, anders dan de AP, van mening is dat er na
inwerkingtreding van het wetsvoorstel twee in plaats van drie gegevensregimes zullen
gelden voor de verstrekking van gegevens zonder toestemming van de betrokkene bij
wetenschappelijk onderzoek? Heeft de regering zorgverleners geraadpleegd bij de aanpassingen
op het gebied van gegevensverstrekkingen? Zijn de verschillende gegevensregimes werkbaar
in de praktijk? Zo ja, waarop wordt dit antwoord gebaseerd?
6.1.4 Centrale Commissie Mensgebonden Onderzoek
De leden van de SGP-fractie lezen dat de CCMO van mening is dat de informatievereisten op een nog explicietere
wijze dan thans in de wet vastgelegd kan worden. De CCMO wijst erop dat de praktijk
van door ziekenhuizen gehanteerde geen-bezwaar systemen, waarbij enkel algemene informatieverstrekking
via een ziekenhuisfolder plaatsvindt, onvoldoende is. De leden van de SGP-fractie
vragen of de regering van mening is dat met de huidige voorgestelde bepalingen in
de wet voldoende tegemoetgekomen is aan de bezwaren van de CCMO. Kan de regering aangeven
of de CCMO concrete voorstellen heeft voor het aanscherpen van de informatievereisten
in de wet?
Bijlage 2: beschrijving van situaties waarin lichaamsmateriaal gebruikt wordt onder
de Wzl
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen wat deze wet betekent voor ouders in de intens verdrietige omstandigheid van
levenloos geboren kinderen voor 24 weken en na deze grens.
De fungerend voorzitter van de commissie, Mohandis
Adjunct-griffier van de commissie, Meijerink
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
M. Mohandis, voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport -
Mede ondertekenaar
J.J. Meijerink, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.