Inbreng verslag schriftelijk overleg : Inbreng verslag schriftelijk overleg over de initiatiefnota van de leden Straatman, Mutluer en Van der Werf over de aanpak van PTSS bij geüniformeerde beroepen (Kamerstuk 36662-2)
2026D03043 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid heeft een aantal vragen en opmerkingen
voorgelegd over de volgende stukken:
• initiatiefnota van de leden Straatman, Mutluer en Van der Werf over de aanpak van
PTSS bij geüniformeerde beroepen (Kamerstuk 36 662);
• verzamelbrief brandweer, crisisbeheersing en meldkamers (Kamerstuk 29 517, nr. 273).
De fungerend voorzitter van de commissie,
Ellian
Adjunct-griffier van de commissie,
Meijer
Inhoudsopgave
I.
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
1.
Vragen en opmerkingen vanuit de VVD-fractie
2.
Vragen en opmerkingen vanuit de CDA-fractie
3.
Vragen en opmerkingen vanuit de BBB-fractie
4.
Vragen en opmerkingen vanuit de SGP-fractie
II.
Reactie van de initiatiefnemers
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
1. Vragen en opmerkingen vanuit de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met veel belangstelling, waardering en interesse
kennisgenomen van de initiatiefnota van de leden Straatman, Mutluer en Van der Werf
over de aanpak van posttraumatische stressstoornis (hierna: PTSS) bij geüniformeerde
beroepen (hierna: de initiatiefnota) en onderschrijven het belang van goede PTSS-zorg
voor geüniformeerde beroepen. Deze leden hebben nog enkele vragen over de maatregelen
die worden voorgesteld in de initiatiefnota.
De leden van de VVD-fractie lezen dat de initiatiefnemers van harte pleiten voor een
landelijk loket dat onafhankelijk is ingericht en buiten de eigen organisaties staat,
zodat de drempel om hulp te vragen lager wordt. De aan het woord zijnde leden vragen
de initiatiefnemers hoe zij voor zich zien hoe geborgd kan worden dat zo’n landelijk
loket over de juiste expertise over de verschillende geüniformeerde beroepen beschikt
en dat binnen het landelijk loket alle verschillende geüniformeerde beroepen vertegenwoordigd
zijn.
De leden van de VVD-fractie lezen voorts in de kabinetsreactie op de initiatiefnota
dat Defensie, de Dienst Justitiële Inrichtingen, Douane en Politie al langer samenwerken
aan vraagstukken op het gebied van human resources in een samenwerkingsverband. Zij
vragen de initiatiefnemers hoe dit soort samenwerkingen kunnen voort blijven bestaan
en waar mogelijk worden versterkt met de oprichting van een landelijk loket.
De leden van de VVD-fractie onderschrijven dat de drempel om problemen binnen de eigen
organisatie aan te kaarten hoog is, indien bijvoorbeeld het risico bestaat dat men
direct het dienstwapen in moet leveren en geen werk meer kan uitvoeren. Tegelijkertijd
benadrukken deze leden het belang van nauwe samenwerking en informatie-uitwisseling
met de werkgever wanneer er risico ontstaat op het niet langer naar behoren kunnen
uitoefenen van de functie. Hoe willen initiatiefnemers deze informatie-uitwisseling
met een landelijk loket borgen zonder afbreuk te doen aan de onafhankelijkheid van
het loket?
2. Vragen en opmerkingen vanuit de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben met grote interesse kennisgenomen van de initiatiefnota,
alsmede van de daarbij behorende stukken. Zij danken de initiatiefnemers hiervoor.
Deze leden hebben er nog enkele vragen over.
De leden van de CDA-fractie constateren dat voor de brandweer inmiddels stappen zijn
gezet richting een landelijke erkenning van PTSS als beroepsziekte, maar dat de uitvoering
primair bij de veiligheidsregio’s blijft liggen. Deze leden vragen de initiatiefnemers
hoe wordt geborgd dat deze regeling in de praktijk leidt tot gelijke toegang tot zorg
en ondersteuning, ongeacht regio.
De leden van de CDA-fractie constateren dat de initiatiefnota inzet op een landelijk,
onafhankelijk PTSS-loket voor geüniformeerde beroepen en herkennen daarbij de wens
om voort te bouwen op bestaande kennis en structuren. Zij vragen of de initiatiefnemers
ook van mening zijn dat het aansluiten bij bestaande voorzieningen, zoals het Nederlands
Veteraneninstituut, kan bijdragen aan een snellere en uitvoerbare realisatie van de
doelstellingen uit deze initiatiefnota.
3. Vragen en opmerkingen vanuit de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de initiatiefnota. Geüniformeerde
professionals, zoals militairen, politieagenten, buitengewoon opsporingsambtenaren
(hierna: boa’s), brandweerlieden en ambulancemedewerkers, worden in hun werk geregeld
blootgesteld aan heftige en traumatische gebeurtenissen. Daardoor lopen zij een verhoogd
risico op het ontwikkelen van PTSS. De initiatiefnemers constateren dat de hulp en
ondersteuning voor deze groepen versnipperd, ongelijk en vaak onvoldoende is. PTSS
wordt niet overal erkend als beroepsziekte en de kwaliteit van nazorg verschilt sterk
per sector en per werkgever.
De leden van de BBB-fractie constateren dat bij Defensie PTSS wettelijk is erkend
en er een goed ontwikkeld zorgstelsel bestaat, onder meer via het Nederlands Veteraneninstituut
en het 24/7 Veteranenloket. De politie kent sinds 2013 ook erkenning van PTSS als
beroepsziekte, maar de zorg is sinds 2023 weer intern georganiseerd, wat de laagdrempeligheid
en onafhankelijkheid onder druk zet. Boa’s hebben te maken met een zeer gefragmenteerde
werkgeversstructuur (ruim 1.100 werkgevers), geen landelijke erkenning van PTSS en
grote verschillen in nazorg. Brandweerlieden zijn afhankelijk van de veiligheidsregio
waarin zij werken; PTSS is niet landelijk erkend en nazorg en preventie zijn niet
uniform. Voor ambulancemedewerkers bestaan wel opvangstructuren zoals Bedrijfs Opvang
Teams, maar de kwaliteit verschilt sterk per regio en slechts enkele regio’s zijn
aangesloten bij het Steunpunt Ambulance.
De leden van de BBB-fractie lezen dat de initiatiefnemers benadrukken dat PTSS zich
soms pas jaren later openbaart, waardoor mensen die inmiddels geen dienstverband meer
hebben, vaak tussen wal en schip vallen. Ook ontbreekt het in opleidingen aan structurele
aandacht voor mentale weerbaarheid en het herkennen van PTSS-signalen. De huidige
versnippering leidt tot ongelijkheid, vertraagde hulp en onnodige psychische en maatschappelijke
schade. Ook stellen de initiatiefnemers dat PTSS als beroepsziekte voor alle geüniformeerde
beroepen landelijk erkend moet worden, zodat iedereen toegang heeft tot dezelfde rechten,
voorzieningen en ondersteuning, ongeacht werkgever of regio. Daarnaast moet onderzocht
worden of andere beroepen met hoge traumarisico’s, zoals binnen Douane, kustwacht,
Koninklijke Nederlandse Redding Maatschappij of reddingsbrigades, eveneens baat zouden
hebben bij aansluiting op het landelijke loket.
De leden van de BBB-fractie onderschrijven, evenals de initiatiefnemers, het belang
van een eenduidig en gelijkwaardig systeem voor alle personen die binnen een geüniformeerd
beroep PTSS hebben opgelopen. Het uitgangspunt dat erkenning, zorg en nazorg niet
afhankelijk zouden mogen zijn van werkgever, regio of sector, achten zij van groot
belang. Deze leden vragen echter hoe de initiatiefnemers onderscheid willen maken
tussen alle beroepen die wel of geen aanspraak maken op PTSS-zorg. Tegelijkertijd
constateren deze leden dat de initiatiefnota in belangrijke mate oproept tot nader
onderzoek naar de wijze waarop een landelijk systeem vormgegeven kan worden. Gelet
op het ontbreken van concrete uitwerking op het gebied van uitvoering, verantwoordelijkheden
en financiële consequenties, achten deze leden het op dit moment niet passend om de
initiatiefnota te steunen als richtinggevend voorstel. Een systeem zoals wordt voorgesteld
in de initiatiefnota gaat miljarden kosten en hier wordt in de nota geen dekking voor
gegeven. Zodra er meer duidelijkheid ontstaat over de inrichting van het systeem,
de betrokken partijen en de financiële gevolgen, zullen deze leden hun standpunt nogmaals
bezien.
4. Vragen en opmerkingen vanuit de SGP-fractie
De leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de initiatiefnota.
Deze leden waarderen de inzet van de initiatiefnemers om aandacht te vragen voor de
mentale gezondheid van professionals die in het kader van openbare orde, veiligheid
en hulpverlening dagelijks geconfronteerd worden met traumatische gebeurtenissen.
Zij maken gaarne gebruik van de mogelijkheid om enkele vragen te stellen.
De leden van de SGP-fractie lezen dat volgens de initiatiefnemers de huidige aanpak
van PTSS bij geüniformeerde beroepen onvoldoende samenhang en gelijke behandeling
biedt. Deze leden vragen de initiatiefnemers om concreet uiteen te zetten welke lacunes
er zijn in de bestaande zorg-, preventie- en nazorgstructuren voor PTSS bij geüniformeerden
en hoe deze lacunes zijn vastgesteld. Zij vragen tevens welke definitie van PTSS de
initiatiefnemers hanteren binnen hun nota en of deze in lijn is met de meest recente
medische en epidemiologische richtlijnen, om zowel onder- als overdiagnose te vermijden.
De leden van de SGP-fractie lezen dat de voorgestelde maatregelen onder meer een landelijke
structuur voor erkenning, betere preventie en consistente nazorg voor PTSS bij geüniformeerden
beogen. Deze leden vragen welk juridisch kader en welke juridische consequenties de
initiatiefnemers zien bij de wens om tot landelijke erkenning en regie te komen, met
name ten aanzien van bestaande arbeids-, socialezekerheids- en verzekeringskaders.
Zij vragen in hoeverre de voorgestelde landelijke structuur rekening houdt met verschillen
tussen sectoren (bijvoorbeeld politie, brandweer, Defensie, ambulancediensten) en
hoe wordt voorkomen dat één standaard onvoldoende maatwerk biedt.
De leden van de SGP-fractie hebben enkele vragen met betrekking tot de beslispunten
die in de initiatiefnota worden opgesomd. Zij vragen de initiatiefnemers te verduidelijken
wat precies wordt verstaan onder landelijke erkenning en regie. Zo vragen zij of hiermee
wordt beoogd dat PTSS als beroepsziekte formeel wordt erkend en, zo ja, binnen welke
wettelijke kaders. Voorts vragen deze leden welke juridische consequenties voorzien
worden voor werkgevers, werknemers en het socialezekerheidsstelsel. Zij vragen de
initiatiefnemers hoe een dergelijke erkenning zich verhoudt tot bestaande regelingen
zoals de recente financiële inzet voor een PTSS-regeling bij bepaalde groepen geüniformeerden.
De leden van de SGP-fractie vragen de initiatiefnemers om concrete specificatie van
de voorgestelde preventieve maatregelen en screeningsinstrumenten. Zij vragen daarbij
in het bijzonder in te gaan op de wijze waarin wordt voorkomen dat screening kan leiden
tot stigmatisering of ongewenste gevolgen voor de inzetbaarheid van medewerkers. Zij
vragen de initiatiefnemers hoe de relatie wordt gelegd tussen vroege signalering en
bestaande verantwoordelijkheden van leidinggevenden, bedrijfsartsen en arbodiensten.
De leden van de SGP-fractie vragen hoe de voorgestelde zorg- en nazorgpaden zich onderscheiden
van het bestaande aanbod binnen de geestelijke gezondheidszorg en specialistische
zorgstructuren voor geüniformeerden. Zij vragen welke garanties gegeven kunnen worden
dat de voorgestelde behandeltrajecten empirisch onderbouwd en effectief zijn.
De leden van de SGP-fractie vragen hoe aandacht wordt besteed aan re-integratie en
participatie in werk en samenleving, naast medische behandeling. Voorts vragen zij
de initiatiefnemers of onderzocht is of bestaande regelingen kunnen worden verbeterd
zonder nieuwe wettelijke verplichtingen.
De leden van de SGP-fractie vragen de initiatiefnemers inzicht te geven in de beoogde
monitoringssystematiek, inclusief welke gegevens worden verzameld en hoe privacy wordt
gewaarborgd. Zij vragen hierbij in te gaan op de hiervoor te hanteren indicatoren
voor effectiviteit en kwaliteit van de maatregelen. Zij vragen de initiatiefnemers
ook hoe de uitkomsten van monitoring en evaluatie periodiek worden teruggekoppeld
aan de Kamer voor mogelijke bijstelling.
De leden van de SGP-fractie vragen de initiatiefnemers om een financieel overzicht
van de voorgestelde beslispunten, uitgesplitst naar preventie, organisatie en zorgcomponenten,
en te verduidelijken hoe deze kosten gedekt kunnen worden binnen bestaande begrotingskaders.
Zij verzoeken de initiatiefnemers aan te geven hoe de rol van het Rijk zich verhoudt
tot die van werkgevers en sectorale instanties bij de financiering en implementatie
van de voorgestelde maatregelen.
II. Reactie van de initiatiefnemers
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
U. Ellian, voorzitter van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid -
Mede ondertekenaar
S.F.F. Meijer, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.